Schapen kijken - foto Bel Any

 

DAGBOEKHOUDER

Aantekeningen van een ongeduldige toeschouwer

Ton Korver

Amsterdam/Den Haag 2010

Ga naar Archief:
2007–2008–2009-2010


April

Verweer

Redding

Dubbeltellingen tellen niet

Pad

Duivel

Pensioen

Fundamenteel

Matiging

Levensloop

Doop

Geen kunst

Secundair

Fishkin

Ordeloos

Meer voor minder

Meer democratie

Duivels

Boete

Standby

Drooglegging

Concept

Sociologisch

Longstay

Bondgenoot

Activerend

Vertrouwelijk

Risico's en zekerheden

Tweetiende procent


Maart

Verkiezingsprogramma's

Kinderhand

Consistentie

Hoektand

Retro

Evident

Ondernemerspolitiek

Omweg

Staking

Concilie

Bijles

Reflex

Baanloos

Zat

Van ... tot

Probleem

Schatplichtig

Samen, maar dan anders

Ik ook niet

Hulprecht

EMF

Stofzuiger

Ambt

Cordon sanitaire

Aangedaan

Stempas

Aanbeveling

Kwetsend

Sire, er zijn geen Nederlanders


Maxima Moralia
 
Dat had ook de titel kunnen zijn van dit bundeltje aantekeningen. Maar ik wil niet overdrijven. Zo dicht op de huid zitten me de sketches hieronder nu ook weer niet. Ze gaan over dingen die me bezighouden en waar soms de handen van jeuken. Dat is nog niet hetzelfde als het ‘verzonken in ervaring’ dat de Minima Moralia van Adorno als keurmerk heeft. Je moet afstand weten te bewaren. Dat geldt voor de politiek – die karakterlozer wordt met elke nieuwe stap om vooral dicht bij de burger te blijven – en het geldt voor mij.

Niettemin, het kan altijd beter. En dat is een tweede verschil tussen mij en het inspirerende voorbeeld van Adorno. Er is geen goed leven in het slechte is een dictum dat nog uitgaat van een herkenbaar onderscheid tussen goed en kwaad. Daaruit vloeit het oordeel voort. Inmiddels twijfelen we ook daaraan. Dat is geen reden tot wanhoop. Eerder het omgekeerde. Twijfel is, met de gave ons te kunnen vergissen, de opmaat voor schaven en beschaven. Dat wordt makkelijk vergeten, en hoe drukker we het hebben hoe makkelijker. Ik ben aan diezelfde drukte gebonden. Vandaar het ongeduld, gekoppeld aan de afstand die ik met de woorden ‘aantekeningen’ en ‘toeschouwer’ verbind en het voorbijgaande dat meeklinkt in de titel waar ik uiteindelijk voor heb gekozen: dagboekhouder.

 


FiB
tijdschrift Filosofie in Bedrijf

Archief

Dagboekhouder 14
januari - februari 2010

Dagboekhouder 13
november - december 2009

Dagboekhouder 12
september - oktober 2009

Dagboekhouder 11
juli - augustus 2009

Dagboekhouder 10
mei - juni 2009

Dagboekhouder 9
maart - april 2009

Dagboekhouder 8
januari - februari 2009

Dagboekhouder 7
november - december 2008

Dagboekhouder 6
augustus - oktober 2008

Dagboekhouder 5
april - juli 2008

Dagboekhouder 4
januari - maart 2008

Dagboekhouder 3
augustus - december 2007

Dagboekhouder 2
mei - juli 2007

Dagboekhouder 1
januari - april 2007

 

 


Verweer

Een uitgebreid verweerschrift van Chris van der Heijden, in de Groene van deze week. De titel is, met een buiging naar Reve, ‘De oorlog als mensenverhaal’. Over Reve gesproken, ik denk dat het met de verkoop van deel twee van de biografie van Nop Maas gaat tegenvallen. Twee recensies in de Groene, beide afwaarderend.

Van der Heijden schetst de aanloopgeschiedenis naar ‘Grijs verleden’, en nee, het was niet zijn vader met wie hij wat had af te rekenen. Zo er één persoonlijk voorval is geweest dat hem aan het denken heeft gezet dan wel de kille ontvangst van zijn gezin in Nederland na een verblijf in Spanje. Zijn kinderen stonken – Spaanse kinderen stonken blijkbaar in de jaren negentig. Wat vreemd en onbekend is stinkt. Het was niet alles. Ook Bosnië en de lauwheid waarmee we dat allemaal aanschouwden hielpen mee. Was het eerder hetzelfde geweest? Even grijs, onverschillig, en wel wat boosheid maar amper actie?

Het zijn goede vragen. Een analyse van verschillen en overeenkomsten had voor de hand gelegen – en precies daar waagt Van der Heijden zich niet aan. Dat is een gemis. Hij komt nu niet verder dan een wel heel erg algemene typering van ‘daders’, die het hebben gedaan ‘omdat ze het konden doen’ en dat kwam ‘door alomtegenwoordige onverschilligheid, door nonchalance, egocentrisme, oogkleppen en andere verschijnselen die zich beter in termen van grijs dan van zwart en wit laten beschrijven’. Dat is een zwaktebod. Waarom ze het toen deden, hoe ze het deden, waarom ze het eerder niet deden, waarom ze eerder niet eens aan gedacht hadden het te doen, wat in hun omgeving en henzelf veranderde voordat ze het deden, toen ze het deden, nadat ze het deden, daar gaat het om. Grijs is geen beschrijving, het is een oordeel, een moreel oordeel en het is een oordeel dat alle mogelijke verschillen irrelevant maakt. Grijs is alles in dit geval, alles behalve een beschrijving. Van der Heijden voelde zich, het is zijn stelling en niet de mijne, gedwongen moreel in te grijpen in een moreel debat waarvan hij de toonzetting onevenwichtig vond. Hij schrijft ‘Ik zou ook dit nu anders doen, maar dat terzijde’. Alweer Reve, en net als bij Reve is het ‘maar dat terzijde’ geen toetje, het is een belangrijk ingrediënt. Van der Heijden had wel eens door mogen gaan op dat ‘dit nu anders doen’. In dit artikel in de Groene doet hij het immers weer niet ‘anders’ en de vraag is waarom. Hij is gepikeerd (hij schrijft dat hij als antisemiet is neergezet en dat dat elk debat onmogelijk maakt. Hij gaat niet in op het punt van Evelien Gans waartegen hij zich verweert, dat van het ‘secundaire’ antisemitisme, het punt van het – ik waag het er maar op – ‘grijze antisemitisme’. En dus gaat hij niet in op de klacht van Gans: dat er een ‘revisionistische’ geschiedschrijving over de tweede wereldoorlog aan het ontstaan is die meer door het opsporen van de gelijkenissen met andere misère gemotiveerd lijkt dan door de aandacht voor de unieke aspecten van die oorlog zelf. Ook dat is een gemis).

Van der Heijden heeft geen ‘mensenverhaal’ geschreven in de Groene. Je kunt natuurlijk beweren dat omdat het leven nu eenmaal een klacht is, dit ook is toegestaan. Dat is zo. Daar hoort voor velen inderdaad de kleur grijs bij. Je beschrijft er niks mee maar je roept wel wat op. Een beeld van een nacht waarin alle katten grauw zijn. Het mag allemaal, maar met het schrijven van geschiedenis heeft het weinig te maken.

30 april

=0=

 

Redding

Sinds de EU over hulp aan Griekenland nadenkt onder het motto hoe iets te doen zonder iets te doen is de rente voor de Grieken al weer enkele procentpunten gestegen. Leen iets aan Griekenland en je krijgt je geld niet terug. Begrijpelijk want de rente die de Grieken moeten betalen is zo hoog dat er voor terugbetaling van de hoofdsom niks meer over is. Appeltje eitje. Dat oordeel is sinds gisteren over het land geveld. Binnen de EU – onder meer door de politieke zuinigheid van Duitsland en Nederland – zal men zich nog wel eens op het hoofd krabben. Halve steun is geen steun en uiteindelijk is iedereen een stuk duurder uit. Drie keer zo duur volgens de Volkskrant van vanochtend. We zien hetzelfde probleem in Ierland en Portugal. Sinds de EU, in maart van dit jaar, besloot Griekenland te helpen zonder hulp is de rente die het land moet betalen om een staatsobligatie te kunnen plaatsen werkelijk omhoog geschoten. In het kielzog schiet ook de rente voor Ierland en Portugal omhoog. Voor Spanje wordt gevreesd – en Spanje is een wel een erg grote vis. Die ook maar op het droge? Er zijn premiers en ministers van financiën die de krachteloosheid van de EU-besluiten op hun conduitestaat kunnen bijschrijven. Ze zullen het nalaten uiteraard. Nog eventjes en de aanval op de euro kan worden geopend – ongetwijfeld ook met geld dat door diezelfde eurolanden zo scheutig en tegen zulk een lage rente ‘in de markt is gezet’. De financiële markten zijn nerveus lees ik. Dat zal wel, de inzetten zijn hoog. Er valt veel te verdienen voor die markten. Vraag maar aan Goldman Sachs, de bank die alles doet wat banken doen en weet dat winsten en verliezen afhangen van speculatie. Hun risico is alleen dat de EU alsnog wakker wordt en beseft dat er iets gedaan moet worden. Dat zou de pret kunnen bederven. Tegen een munt speculeren is soms heel profijtelijk, als het tegen jezelf speculeren wordt kan het ook fout uitpakken.

Het opmerkelijk is, inderdaad, dat de EU het helemaal aan zichzelf te wijten heeft. De politieke reacties op de kredietcrisis klonken aanvankelijk heel ferm, maar er is niets van overgebleven. De EU heeft de crisis, het lijken de Nederlandse verkiezingen wel, opgevat als een economisch probleem dat politiek een beetje kon worden bijgestuurd. De EU heeft het niet als een politiek probleem gezien. Onvoorzichtig want politiek is de EU veel minder af dan economisch. Zelfs de introductie van de euro heeft dat besef niet aangewakkerd en sinds het mislukte voorstel voor een grondwet is het politieke project Europa weer teruggenomen in de politieke besognes van de lidstaten en, in het geval Duitsland bijvoorbeeld, de politieke perikelen van staten binnen de lidstaten en hun verhouding tot de bondsstaat. Europa heeft een politieke structuur die nog het meest doet denken aan een besluitvorming op z’n elfendertigst.

Kijk, daar ligt toch een kansje met de verkiezingen in het vooruitzicht. Een wel erg klein kansje, want Europa komt in de verkiezingsprogramma’s vrijwel niet voor en als het voorkomt dan met de boodschap dat het goedkoper moet. Niets nieuws. Europa speelt nooit een rol – ook niet toen wij een paar jaar geleden verkiezingen hadden en al bekend was dat het besluit tien nieuwe landen toe te voegen nog net niet maar bijna wel was genomen. Het had een rol kunnen spelen, het deed het niet. Het speelde pas een rol bij de afwijzing van het referendumvoorstel. We krijgen nu een herkansing. Er is niet om gevraagd – er is gevraagd om een machteloze EU en die hebben we daarom ook – maar diezelfde machteloosheid kan wel eens heel duur worden.

In het beste geval worden de ‘nerveuze’ financiële markten de redding van de EU door de EU te dwingen zich als politieke eenheid te manifesteren. Tot na 9 juni wachten, het is waarschijnlijk in dit land. Duurder wordt het dan wel, elke dag duurder. Gingen onze verkiezingen niet over economie?

29 april

=0=

 

 

Dubbeltellingen tellen niet

Het is het zoveelste rapport over onderwijs en het is het zoveelste rapport waar de geest en de gesel heersen van de toegevoegde waarde, de prestatie, de mantra van meten is weten (en, nieuw, van meten is weten en verantwoorden), van kwaliteit, van transparantie en in dezelfde adem – op tegenspraken wordt niet bezuinigd – van professionaliteit. Het is rapport van het Netwerk Onderwijsinnovatie Onderwijs kan zoveel slimmer. De behandelde onderwijssectoren zijn po, vo en mbo. Het hoger onderwijs is weer anders, schrijven de netwerkers hoewel de opmerkelijke algemeenheid van bevindingen en aanbevelingen nieuwsgierig maken naar wat er elders zo anders kan wezen. In de ogen van economen – en de netwerkers zijn economen en als ze het niet zijn kijken ze als economen – is elk onderwijs een vorm van kapitaal, van menselijk kapitaal en daar dient datzelfde kapitaal zuinig, efficiënt en effectief mee om te springen. Voor verschillen blijft dan niet veel ruimte over en die heeft het netwerk zich dan ook niet willen permitteren. Maar ze zijn er, want het hoger onderwijs is anders. Ook goed.

Mij interesseert altijd weer die professionaliteit. Voor de docent is dat de professionaliteit van de onderwijsorganisatie, voor de manager is het de professionaliteit van de arbeidsorganisatie, voor de bestuurder is het de professionaliteit van de schoolorganisatie. Zoals te doen gebruikelijk gaat het over de laatste twee (aardig is de vondst om de regie over de tijdsbesteding van de docent meer in handen van de school te leggen, de CAO te passeren en dat de presenteren als ‘vergroot de vrijheid in tijdsbesteding van docenten’), over de vraag hoe de professional de onderwijsorganisatie – het leren – vorm geeft moeten anderen het maar hebben. Het netwerk komt niet verder dan de aanbeveling dat de docent zich meer moet scholen, bijscholen en nascholen, dus – andere conclusie is niet mogelijk – zal het daar wel aan liggen. Je krijgt slimmer onderwijs met slimmere docenten. Dat we daar nog niet op waren gekomen! Toegegeven, slimmere docenten moet je ook beter belonen dan dommere, maar dat had Rinnooy Kan (voorzitter van het netwerk) ook al eens eerder op laten schrijven dus dat telt niet. Dubbeltellingen tellen niet, daar hoef je niet eens economie voor te hebben gestudeerd.
 
Het rapport als geheel bevat voornamelijk dubbeltellingen – we wisten het al en daarom weten we nog steeds niet wat kwaliteit is en wat goed onderwijs is, want die dingen hangen niet van meten af maar van een idee van wat het is. Daarna mag je het meten maar je mag de meting er niet voor in de plaats zetten. Het netwerk doet dat wel. Er staat een kleine bekentenis in dat je niet alles kunt toetsen maar dan moet je, in het belang van de transparantie, ‘breder toetsen’ (: 27). Als je niet kunt autorijden moet je breder autorijden? Als er geen eenduidige maat voor toetsing is (een klassieke professionele situatie zou je zeggen) kun je wel degelijk zien of er vooruitgang is of niet, je kunt alleen niet zien hoeveel beter de ene prestatie is vergeleken met de andere. Als je dat, zoals het netwerk, verwart met niet kunnen toetsen dan moet het netwerk maar terug naar school. Breder toetsen, toe maar. Zo schiet je op en zo schiet je naast. Het is alsof je slimmer wilt werken zonder te weten wat werken is maar met alle aplomb van de slimmerd die weet wat slim is. De laatste zin is, vooruit, een kritische samenvatting van het rapport.

In ons land is innovatie een dubbeltelling waarvan we aannemen dat de beleidsmakers vergeten zijn dat het een dubbeltelling is. Jammer voor het onderwijs is het wel.

28 april

=0=

 

Pad

Nu bedacht is dat de verkiezingen over economie gaan – ze kunnen over alles gaan als het maar niet over politiek is – is het tijd Job een examen af te nemen. Hoeveel werklozen komen er elke maand bij? Hoe groot is de hypotheekschuld? Twan Huys vroeg het aan hem gisteravond want de verkiezingen gaan over economie. Dus dit is economie. Tot mijn spijt begon Cohen niet te lachen. Hij zei iets over een goed bedrijfsplan, zo’n plan waarmee je naar een bank gaat om er krediet op aan te vragen. Raar antwoord, om zo ongeveer elke denkbare reden. Cohen maakte de indruk een lesje af te draaien. Als dat zo is moet hij dat verder maar laten. En andere adviseurs kiezen. In de politiek gaat economie over politiek en niet over een bedrijfsplan. Of denken de adviseurs van Cohen dat Bill Clinton iets anders dan politiek bedreef toen hij de economie als verkiezingsthema naar voren schoof? Was Clinton econoom geworden?

Economie als politiek. Wetgeving bijvoorbeeld om de financiële sector mores te leren. Een Europese insteek om de euro serieus te nemen en Griekenland uit de brand te helpen om onszelf uit de brand te helpen. Het toezicht beter regelen en het toezicht op het toezicht. Opmerkelijk, daar gaat het maar niet over. Het zal wel te politiek zijn. Rutte heeft zelfs bedacht dat de grootverdieners in de voorheen collectieve sector bij de PvdA zitten – het VVD congres vond het leuk. Zo ben je gelijk van Zalm af, van Nijpels, van De Grave, van Hoogervorst. Lachen met kiespijn misschien maar de tandartsrekening wordt toch elders bezorgd. Geen centje pijn. Aan de economiekennis van Rutte hoeven we niet te twijfelen. Die weet wie moet betalen. Dat noemt hij economie. De media hebben die kennis gretig opgezogen. Ergens moet de rekening worden betaald en wie geen stevig contract heeft is de klos. Dat weten we ook allemaal want economie is kennis over de economie, is kennis over de grote aantallen (en grote aantallen hebben geen contract want contracten gaan over wantrouwen en grote aantallen over vertrouwen), is kennis over hoe het altijd al ging. Economie is je neerleggen bij het politieke gegeven dat het is zoals het is. Daar kun je op rekenen. Je kunt erop vertrouwen dat je de klos bent tenzij je het nooit bent. Zolang politici dat politieke gegeven niet ter discussie stellen gaat de politiek over economie. Doen ze dat wel dan hebben we een kansje dat de politiek over politiek kan gaan.

Ik zou Wilders dankbaar moeten zijn dat hij weer terug is op het vertrouwde pad. Bij hem is economie onderdeel (onderdeeltje, want er zijn belangrijker dingen) van de strijd voor Henk en Ingrid, eigenaren van een Vinexwoning, hardwerkend, zuchtend onder belastingen en premies voor anderen en ontevreden over de aanslag op hun AOW en – nog vervelender – hun aanvullende pensioen. Henk en Ingrid zijn prototypisch Nederland en dat Nederland wordt bedreigd. Het leek erop dat de PVV het thema even kwijt was en wie weet is die partij te laat om het tij van de dalende stemmenaantallen nog te keren. Ook de adviseurs van Geert vergissen zich wel eens en nu wordt ook het vervolg van het proces tegen hem nog uitgesteld tot oktober. Het zit niet mee en dus zit het Henk en Ingrid niet mee. Geert snelt ze te hulp want het kan nog erger worden en het wordt erger als hij niet wordt gekozen. Niks gedogen, gisteravond bij Geert. De islamisering is weer helemaal terug op het eerste plan. Daar zit het gevaar want het groeit en groeit en wordt begoten door de slappe thee van Cohen.

Geert denkt dat de verkiezingen over de Islam gaan. Hij is daarmee zo ongeveer de enige politicus die een politiek thema aandraagt. Toch een verontrustende gedachte. Ik hoop dat Job snel zijn pad terug vindt – zijn pad naar de politiek. Gooi dat bedrijfsplan maar in de prullenmand.

27 april

=0=

 

Duivel

Voor goed onderwijs en onderzoek heb je een goed profiel nodig. Dat is een boodschap van het rapport (Differentiëren in drievoud) van de commissie Veerman over het hoger onderwijs. Zonder profiel wordt het allemaal hetzelfde, is er te veel overlap en nivelleert alles naar een grote grauwe middenmoot. Dat kan beter. En passant constateert de commissie overigens ook dat hoe meer hbo en wo, hoe minder mbo en daar zou wel eens een probleem kunnen zitten. Daar heeft de commissie gelijk in maar het probleem is niet aantallen, het probleem is de relatie onderwijs-arbeidsmarkt, een relatie die er niet beter op wordt als je de relatie steviger maakt, wel als je de relatie losser maakt. Maar dat zal wel niet in een profiel passen.

Een profiel is zoiets als een concept. Elke opleiding moet als het ware een eigen concept hebben en als dat gebeurt is het met de differentiatie ook gelijk in orde. Het doet denken aan één van de eerste Anathema-essays van Rudy Kousbroek over vervalsingen. Al weer zo’n veertig jaar geleden. De vervalsing vroeger was het namaken van een origineel en dat proberen te slijten voor het origineel. Die situatie is passé. Het origineel bestaat niet meer. Het is vervangen door het concept en dat concept kun je vervolgens in miljoenenvoud laten produceren en reproduceren. Voor het concept zou je dan eigenlijk ook niet meer moeten betalen volgens Kousbroek. Een percentage van de opbrengst van de reproductie zou moeten volstaan. Denk maar aan de opbrengst van de grammofoonplaat. Ja, dat had je toen nog.

Een concept dus. Grahame Lock maakt er zich vrolijk over, in de Groene van afgelopen week. Maar zijn toon is een beetje somber. En terecht. De ene grammofoonplaat is de andere niet, de ene reproductie is de andere niet maar reproducties zijn het allemaal en de originaliteit is uit het product verdwenen. Het zit in het concept. De authenticiteit zit niet langer in het geproduceerde, de authenticiteit zit in het concept. Als er ooit sprake was van een verplaatsing van de eenheid van de uitvoering en de conceptie naar de scheiding ervan, dan hier. De toekomst van onderwijs en onderzoek is het volgen van elders bedachte en weer elders gelegitimeerde concepten. Ja, we mogen het zelf doen, dat opstellen van profielen. Als het maar past in de conceptuele profileringsnood. Het resultaat, het kan niet anders zijn dan de productie van families van klonen. Volgens conceptuele recepten, dat wel.

De Tasmaanse duivel heeft het zwaar gehad. Dat schrijft Piet Borst (bijlage Wetenschap, NRC Handelsblad). Deze duivel (zo groot als een kleine hond, zo agressief als een gigantische rat, en met kaken als een hyena) is effectief door mensen bestreden tot men doorhad dat hij met uitsterven bedreigd werd. Beschermen dus, maar dat bleek het nadeel te hebben dat het overblijfsel zo op elkaar leek, zozeer kloon van elkaar werd, dat zelfs kanker ene besmettelijke ziekte werd. Virussen, infecties, tumoren, gezwellen, niets is vreemd als niets vreemd is. Bij klonen, bij de ene kloon vergeleken met de andere. Gelukkig dat op een ander deel van Tasmanië de duivel resistent begon te worden voor de besmetting met kanker. Dieren zijn geen concepten zullen we maar denken en in het geval van de Tasmaanse duivel is dat de redding van de soort.

Hoe meer onderwijs en onderzoek producten van concepten worden, hoe meer er gekloond moet worden, hoe minder weerstand we kunnen opbrengen voor curieuze denkfiguren zoals die van het onderscheidende profiel of, voor mijn part, van de rationele mens die in al zijn wijsheid de crisis produceert die het conceptueel onmogelijk had verklaard. De crisis is een kans zegt men, zeker deze, want deze is ontstaan uit het feit dat we ons op financiële en andere markten allemaal hebben leren gedragen als klonen van elkaar. Je doet wat de ander doet en anders ben je dief van eigen beurs. We gedroegen ons als klonen van een concept en dat hadden we niet moeten doen. In het rapport van de commissie Veerman is echter niets te vinden dat ons ervoor waarschuwt. Het concept is niet goed. Het leidt tot meer homogeniteit en niets zo goed voor een besmetting als juist dat. De duivel sta ons bij.   

26 april

=0=

 

Pensioen

De oorlog gaat met pensioen omdat, zo schrijft Chris van der Heijden, het ‘dit jaar vijfenzestig jaar geleden is dat de Tweede Wereldoorlog eindigde’. Ik lees het in het tijdschrift ‘Voorbij maar niet verdwenen’ dat deze week werd meegezonden met de Groene. Het eenmalige tijdschrift wordt overigens breder verspreid, zo is het te vinden in openbare bibliotheken en je kunt het downloaden van de site www.65jaarnadeoorlog.nl.

Gaat de oorlog met pensioen? Het is een merkwaardige zinswending. Er lopen nog processen tegen oorlogsmisdadigers, Japan heeft nooit vrede gesloten met de Sovjet Unie (en Rusland), de deling van China is niet opgeheven, en over Israel een debat voeren met weglating van de oorlog is een gemankeerd debat voeren. Als de oorlog voorbij zou zijn dan zou Israel een staat onder de staten zijn, een staat als elke andere. Ik bedoel maar. Voeg er de strijd aan toe over fascisme, nationaalsocialisme en communisme als al dan niet loten van dezelfde stam – en de opvatting dat de oorlog ‘voorbij’ is, is op z’n minst een curieuze. Als ik het goed heb gelezen is enkele dagen geleden het voorstel gelanceerd dat wij in de nabije toekomst en midden in de vakantieperiode een heuse ‘onafhankelijkheidsdag’ moeten gaan vieren om onze losmaking van Spanje te memoreren. Zelfs dat is niet voorbij, net zoals de geschiedenis van de slavernij niet voorbij is. Je kunt beweren dat gelegaliseerde slavernij verdwenen is, maar het is niet voorbij. Als je al wilt spelen met woorden had je ze in dit geval beter kunnen omdraaien: verdwenen maar niet voorbij. We zoeken tot en met de dag van vandaag naar verdwenen sporen en we doen dat omdat niets ooit voorbij is. Zo leek de etnische soep een tijdje lang van de menukaart gehaald – maar dat die zo weer kan worden opgewarmd is een ervaring waarover we inmiddels allemaal kunnen meespreken. Twee oorlogen plus een koude – en hup, daar is het weer. Zelfs verzonnen geschiedenissen, daarom, zijn niet voorbij. Voorbij roept een tijdsbegrip op dat voorbij de tijd is. Historici in elk geval zouden het woord moeten mijden – tenzij om het te ontkennen.

Het zal wel komen door het langzamerhand uitsterven van de mensen met een directe ervaring met de oorlog. Die waren overigens al enige tijd met pensioen – ook dat beeld is ongelukkig gekozen. De vraag is: waarom toch zoveel missers? Is de wens om nu eindelijk eens niet-moraliserend over de moraal van hen die het meemaakten zo sterk dat elke gelegenheid moet worden aangegrepen om dat punt te scoren? Het ligt voor de hand maar als dat zo is – en het zou goed zijn als het eens zover kwam – dan heeft het weinig zin het op deze manier te doen. Het zou goed zijn in een land dat elke politiek dreigt te reduceren tot moraal – die daardoor onmiddellijk en onvermijdelijk een goedkope moraal wordt – een discussie te hebben over de verhouding van politiek en moraal. Het zou de complexiteit van beide termen ten goede kunnen komen en zonder de erkenning van die complexiteit verdwijnt de politiek in het oeverloze gedoe over normen en waarden, en moraal wordt van een opdracht aan jezelf tot de schuld van de ander. Het zou de geschiedschrijving ten goede kunnen komen. Dat vooral.

Om Couperus te parafraseren: dingen kunnen voorbijgaan, mensen niet. Zelfs niet als ze oud zijn.

25 april

=0=

 

Fundamenteel

Fundamenteel is een woord dat ik weinig gebruik. Zou het komen door de associatie met fundamentalistisch? Het zou kunnen want vraag iemand of hij een fundamentalist is en het antwoord komt snel en het is ontkennend. De vraag is waar we ons dan tegen afzetten. Tegen zoiets als een fundering of een fundament of tegen de wonderlijke gewoonte, nog steeds, om overal een -isme in te vermoeden? Mijn indruk is dat het om het laatste gaat. We hebben onze ideologische veren allerminst afgeschud – we schrijven ze nu alleen aan de anderen toe, aan allen die een standpunt innemen dat ons tegenstaat. De strijd tegen het -isme is de strijd tegen de ideologie, het tot een systeem verheven idee waaraan geen enkel idee zich kan onttrekken zodra het op zoek gaat naar aanhangers. In het fundamentalisme is een fundament geen basis maar een uitvalsbasis. Het is geen haven ‘van waaruit iemand vertrekt in de hoop mooie dingen te zien en daarna ooit terug te keren’, het is een haven van waaruit je vertrekt om de wereld te veroveren.

Een fundament, zo schrijft de Belgische hoogleraar kerkelijk recht Rik Torfs, is ‘ten diepste: een vooroordeel’ (Trouw, 24 april, katern Letter&Geest). Dat is een aanvechtbare uitspraak. Een fundament is eerder een vooroordeel dat zich niet als zodanig laat zien. Het is een onbevraagde randvoorwaarde – in de context van het fundamentalisme. In letterlijke zin is een fundament gewoon wat het is: een basis dat iets draagt. Verborgen is het evenmin, althans niet in de zin dat het niet onderzicht, beproefd en eventueel vervangen kan worden. Een vooroordeel, alweer Torfs, is iets ‘wat ons lief en dierbaar is vooraleer wij met oordelen kunnen beginnen’. Ja, dat een oordeel meer niet dan wel een vervolg is op een vooroordeel lijkt me tamelijk onweerlegbaar. Maar is het ons daardoor lief en dierbaar? Opnieuw, een verplaatsing van het funderende vooroordeel naar het gesloten gebouw van het fundamentalisme, waar het fundament niet zozeer iets draagt maar zelf bouwt.

Het probleem van het fundamentalisme is, nog altijd volgens Torfs, niet het bestaan ervan maar zijn ‘sérieux’. Als je er ironisch over zou kunnen doen is het zo’n punt niet. De ironische fundamentalist, een ongetwijfeld bestaand mensentype dat echter alles in zijn ironie zal betrekken – behalve het fundament. Maar dat bedoelt Torfs niet. Hij is bang dat het –isme ook het denken betreft. Een denkfundament is iets anders dan het fundament van een huis want een denkfundament is als het goed is ‘zelf het voorwerp van aandacht en verwondering’. Als het niet goed is dan houdt meteen het denken op. De meeste mensen verstaan precies dat onder fundamentalisme. Het denken houdt op en er is niet slechts sprake van een vooroordeel, er is sprake van een vooroordeel dat elk ander oordeel overbodig maakt. Je bent het er mee eens – en dan had je je de moeite kunnen besparen. Of je bent het er niet mee eens – en dan deug je niet. Het moderne fundamentalisme is sterker in het laatste dan in het eerste maar dat komt omdat het een politieke vorm heeft aangenomen en in die vorm glorieert nu eenmaal het -isme.

Fundamenten hebben we allemaal nodig, dat is de implicatie van Torfs. Het hangt er maar vanaf of je die fundamenten beschouwt als axioma’s of als bouwstenen. Als bouwstenen? Als bouwstenen. Het is mijn woord maar iets anders kan ik er niet van maken. Torfs heeft een langademige beschouwing geschreven om het debat over het fundamentalisme uit de weg te gaan. Zonde van de moeite.

24 april

=0=

 

Matiging

Geniet, maar drink met mate. De boodschap is niet dat je minder moet drinken, de boodschap is dat je niet te veel moet drinken. Het was beter geweest als de leus anders was geweest: geniet, dus drink met mate. Niettemin, matig is niet hetzelfde als minder. Die boodschap kreeg Cohen niet, gisteravond, in een soort rondetafelgesprek met economen. Gebruik nooit het woord loonmatiging werd hem aangeraden. Loonmatiging leidt tot laagconjunctuur. Drankmatiging leidt tot ontnuchtering, zoiets. Verantwoorde loonontwikkeling, dat moet je zeggen. Het betekent hetzelfde en is toch beter. Je moet er maar opkomen. Verantwoorde drankontwikkeling.

Cohen kreeg nog meer adviezen. Vergeet niet dat bezuinigingen geen doel zijn maar slechts een middel. Werd hem ook voorgehouden. Evenals dat het goed was te investeren in toekomstige generaties. Het werd allemaal gezegd – de foto in Trouw toont het – aan een tafel die ‘de tafel van Job Cohen’ was gedoopt. Gezellig oubollig. Zo ziet het er ook uit. Zes mensen aan die tafel en er omheen wat publiek. Job heeft een schrijfblokje voor zich liggen. Ik zou zijn aantekeningen wel eens willen zien.

Het is maar een klein verslag in de krant. Gisteravond in het radioprogramma ‘met het oog op morgen’ ging het er ook even over. Weer die loonmatiging die niet mocht. We doen niet anders, zij het wat onevenwichtig, maar we moeten het niet meer zo noemen. De banaliteit spat er van af. Uiteraard worden de lonen gematigd want dat is de canon van de Nederlandse economie. En aan deze canon houden we ons. Het is de enige canon die de reële economie ooit heeft gekend en omdat we de financiële economie toch niet kunnen regelen wordt het belang van de reële economie alleen maar groter. Logisch zou de grote voetballer zeggen. Die het ongetwijfeld ook eens zou zijn met die investeringen in de toekomstige generatie. Hij had het nog zo tegen Van Basten gezegd. Die niet wou luisteren maar Job is Marco niet en dus is er nog hoop. Zou Johan dat over die bezuinigingen – geen doel, wel middel – ook hebben kunnen bedenken? Ik moet denken aan zijn geniale uitspraak dat de Italianen niet van ons konden winnen maar dat wij wel van hen zouden kunnen verliezen. Hetgeen gebeurde. Rijkaard droomt er nog van. Vervang Italië door Griekenland en we hebben een profetische uitspraak over de perikelen van de euro. Precies, de Grieken moeten bezuinigen en het doel is de levensvatbaarheid van de euro. Wij snappen het, zij niet. Zij demonstreren.

Een matig econoom is iemand die van mening is dat economisch beleid bekokstoofd moet worden met recepten uit voor de gelegenheid opgeleukte economiekookboekjes. Matig de matige econoom: mijn advies aan Job. Je kunt net zo goed met Cruyff om die tafel gaan zitten.

23 april

=0=

 

Levensloop

Begin 2002 bracht toenmalig staatssecretaris Verstand de ‘Verkenning Levensloop’ uit. Een lijvig document met tal van gedachten over hoe onze ‘standaardbiografie’ is veranderd in een ‘keuzebiografie’, hoe die keuzes per levensfase kunnen verschillen en welke ‘combinaties’ en ‘transities’ daar zo bij horen. Het ging over werken, sociale zekerheid, zorg, onderwijs en wonen.

Veel aandacht was er voor de wat lang uitgevallen levensfase zo tussen het dertigste en zestigste levensjaar. Voor die fase werd het beeld van het ‘spitsuur’ van het leven uitgevonden, even later aangevuld met termen als het ‘combinatie-ethos’ (de opvolger van het arbeidsethos) en zelfs ‘combinatiestress’ (de opvolger van de werkstress). Want ja, je had het druk, je moest (zeker in het begin van die levensfase) nog carrière maken, je was bezig met je gezin en je kinderen, je had een groter huis nodig en daarom had je alles bij elkaar behoefte aan meer geld en meer tijd.  Geen van beide groeien aan de boom. Je kon natuurlijk altijd meer gaan werken – die boodschap wordt nog altijd aan de dames verzonden – maar dan had je weer minder tijd voor het werken aan je opleiding en minder tijd voor je kinderen. En aan het einde van die levensfase – de kinderen gaan het huis uit en zijn misschien al afgestudeerd, het huis is afbetaald, de carrière is er of is er nooit gekomen en gaat niet meer komen – dan begint weer het gedoe met mantelzorg. Bezwaarlijk allemaal en dus was het goed dat de levensloopplannen aandrongen op wat meer flexibiliteit in allerlei voorzieningen en in manieren om aan geld te komen op het moment dat je het het meest nodig had. De levensloopregeling.

Het is allemaal niks geworden. Nu ja, de winkels zijn vaker open en op meer tijdstippen, er is wat meer kinderopvang en de scholen worden alsmaar breder, en de digitale wereld regelt dat je je eigen tijden kunt kiezen en dat is bij elkaar opgeteld heel mooi maar het heeft weinig te maken met de meeste besognes van de levensloop. En nu heeft gisteren de AFM, daarin fluks bijgesprongen door de minister van financiën, het hele idee formeel ten grave gedragen. Op hypotheken wordt strenger gelet. De waarde van het huis gaat een grotere rol spelen (de ratio Loan-to-Value, dus dat komt helemaal goed) en ook het inkomen gerelateerd aan de gezinssamenstelling, de ratio van Loan-to-Income (alleenstaanden, gezinnen zonder kinderen, gezinnen met kinderen). Mooi, die ratio’s. En ook nog in het Engels.

Waar het op neerkomt: de taxateur mag niet langer de waarde van het huis afleiden van de omvang van de te verstrekken hypotheek (hoe dat moet is niet vermeld) en kinderen kosten geld dat je dan niet meer aan een huis kunt besteden. Daar was mevrouw Verstand ook al achter gekomen. Dan moeten we het wat beter regelen was haar gedachte. Dan moeten we het verbieden is de huidige mores van AFM en minister.

Je moet de mensen af en toe tegen zichzelf in bescherming nemen.

22 april

=0=

 

Doop

In Emmeloord is in de gereformeerde kerk een baby gedoopt. De baby is van een lesbisch paar. Ik lees het in het Nederlands Dagblad dat bedaard rapporteert wat de lokale gereformeerde geloofsgemeente er in meerderheid van vindt (de meerderheid is voor). Intrigerend zijn de lezersreacties op het artikel in de krant. Ze lopen uiteen van dat dit het begin van het einde is tot en met de opvatting dat er helemaal geen probleem is. Ook de onnavolgbare geloofsbeleving, waarvan Siebelink in zijn ‘Knielen op een bed violen’ ons op de hoogte heeft proberen te stellen, ontbreekt niet. Het is fascinerend alles bij elkaar. Het onderwerp zelf lijkt me tamelijk inwisselbaar. Het gaat niet om de doop, het gaat ook niet over homoseksualiteit, het gaat evenmin over kunstmatige inseminatie. Het gaat over het geloof en de dingen die voorbijkomen.

Milton schreef dat geloof de belofte als object heeft en dat hoop de dingen die beloofd worden tot object heeft (ontleend aan Roland van der Vorst, Hoop. Amsterdam, Nieuw Amsterdam 2009: 54). Dat is een mooie stelling van de grote Puritein. Nu is hoop in de christelijke traditie niet iets dat je er even bij kunt nemen of als je er geen zin in hebt kunt laten staan. Hoop is een deugd, net zoals wanhoop een zonde is. Hoop is een plicht van de gelovige en zij die niet geloven kunnen dan ook tegelijk de hoop laten varen. Om de Positovoos te parafraseren: onze Hoop is de Beste. En nu we het toch over de Positivoos hebben zijn we waar we moeten wezen, bij geloof, hoop en techniek (‘geloof, techniek en hoop zijn thans op cassette te koop’). De nieuwe drie-eenheid. Ook voor hen die het ontkennen en die er geloof, wanhoop en techniek van maken. De toevoeging van de techniek, daar komt het op neer; de techniek laat de dingen die voorbijkomen inderdaad voorbijkomen. Zoveel gelovigen, zoveel meningen. Ook in de geloofsgemeenschap is het gezag verdwenen. Iedereen roept hetzelfde gezag aan en iedereen heeft een eigen invulling van het gezag. De lezersreacties geven het exact weer.

We zijn allemaal gedoopt in de techniek van de media. Voor één keer ben ik het eens met allen die de media als enkelvoud uitspreken. De media is het medium.

21 april

=0=

 

Geen kunst

Ontwikkelingssamenwerking op één, kunst en cultuur samen met defensie op twee. Favoriete bezuinigingsgebieden voor zes op de tien Nederlanders. De SGP doet ook een duit in het zakje en voegt er de publieke omroep en de kinderopvang aan toe. Alleen uit het kamp van Rita Verdonk komt een klein tegengeluidje. Zij heeft een financiële man op nummer twee, een consultant die aan de overheid een aardige boterham verdient en daarom van mening is dat op de overheid wel maar op de door de overheid extern ingehuurde expertise niet per se hoeft te worden beknibbeld. Dat is pas cultuur die we kennen, maar in de enquête over waarop bezuinigd moet worden kwam de eigen achtertuin niet voor. Het ging over de anderen die moeten bezuinigen. Zo kan ik ook een enquête in elkaar draaien. Geen kunst aan. Je registreert de afstand tussen de mensen en een enkel thema her en der en dat noem je dan de mening van die mensen over zo’n thema. Ver van m’n bed? Nee, kunst en cultuur voor de elite. Maar zodra de eerste bibliotheek in de buurt moet worden gesloten, op de plek waar je een krantje kon lezen, het internet raadplegen, een kopje koffie drinken en een kennis tegenkomen – dan neemt de belangstelling voor cultuur weer toe. Dat bedoelden we niet.

Ik begrijp dat het minst moet worden bezuinigd op de musea en het meest op de beeldende kunst. Dat is een scherp inzicht want de meeste musea zijn – verbouwing, reorganisatie – toch dicht dus dan hoef je er ook niks in te zetten. Het is heel postmodern, een museum dat je niet wilt openhouden vanwege de tentoonstelling maar vanwege het gebouw zelf. Scheelt een boel geld. Je kunt het museum ook gebruiken voor films en voor een beschaafd festival – want die horen met het museum tot de dingen waarop niet echt bezuinigd moet worden. Ik lees het allemaal in de krant.

Het zijn voornamelijk ‘rechtse’ kiezers die het geld bij kunst en cultuur willen ophalen. Is ook uitgezocht. Ik begin te begrijpen waarom bij Groen Links, laat maar toch, het inzicht is doorgebroken dat een referendum een minder goed idee is dan het partijbestuur tot afgelopen zondag dacht. Als ik het goed heb begrepen zijn ze er daar achter gekomen dat een referendum nooit over het thema van het referendum gaat maar altijd om de afstand tussen het thema en de eigen achtertuin. Alles wat om de hoek zit kun je toch niet zien dus dat kan weg. Groen Links ziet dat breder. Of meer van bovenaf, dat kan natuurlijk ook. Ze hebben misschien helemaal geen achtertuin, maar wel een mooi dakterras. Dan zie je meer en daarom gaan ze ook vaker naar kunst die een straat of een dorp verderop ligt. Waar het museum nog wel open is. Zij weten dat dat van die hoek een metafoor is en daar moet je geen referenda over organiseren. Als ze het een paar jaar eerder hadden bedacht was het nog beter geweest.

Aan de mensen zonder tuin of dakterras is natuurlijk weer niet gedacht.

20 april

=0=

 

Secundair

In de Groene van 27 januari van dit jaar haalt Evelien Gans hard uit naar Chris van der Heijden. Deze zou lijden aan ‘secundair antisemitisme’. Dat komt er op neer dat zolang er joden zijn we herinnerd worden aan ons falen jegens hen in de aanloop naar, gedurende en na afloop van de oorlog en dat nemen we ze niet in dank af. Eerst namen we het de joden kwalijk dat ze er überhaupt waren en meenden dat ze het er ook wel een beetje naar gemaakt moesten hebben, nu nemen we het hen kwalijk dat ze maar slachtoffer blijven van alles wat gebeurd is. Dat laatste, dat is secundair antisemitisme. Wij lijden er aan en dat komt door hen, niet door wat ze doen maar door wat ze zijn en wat ze zijn komt neer op wat ze bij ons oproepen. Het is een aandoening. Wil je van de aandoening af dan moet je het lijden van en de misdaden tegen de joden bagatelliseren. Je kunt aan het ‘historiseren’ slaan, aan het ‘relativeren’, en waar het op uitkomt is dat je bezig bent met ‘nivelleren’. Een recept eigenlijk: hef de scheiding van ‘goed’ en ‘fout’ op, meng ze en kijk, je houdt niet meer dan een ‘grijs verleden’ over. Niets menselijks is hen vreemd. Zo zet je er een streep onder, onder je eigen ongemak dan, en klaar ben je. Je zou ook bij jezelf te rade kunnen gaan maar dat zou veronderstellen dat jij het probleem bent en niet zij, niet het beeld van hen waarvoor je hen verantwoordelijk houdt.

Secundair antisemitisme is de tweede ronde van ‘blaming the victim’. Gans spoort het op bij Van der Heijden, zoals het anderen het deden bij Ernst Nolte. Ook wij hebben onze ‘Historikerstreit’ en dan is het oppassen geblazen want voor je het weet is de geschiedenis van de kampen niet veel meer dan een voetnoot in een veel bredere geschiedenis waarin ‘iedereen een beetje slachtoffer, iedereen een beetje dader’ is geworden. Inderdaad, grijs. Het opmerkelijke is dat ‘grijs’ helemaal geen ontkenning is van het ‘goed/fout’ schema dat veel van de geschiedschrijving over WOII kenmerkt (en waar Blom een eind aan wou maken), het is er een variant van, een variant waarin we allemaal even schuldig en onschuldig zijn. En daar zit het probleem want dergelijke geschiedschrijving maakt van de historicus een rechter en van de geschiedschrijving een rechtbank. Loe de Jong, en zijn effectieve aanval op Aantjes, is er het extreem van en dezelfde Loe de Jong een kleine vijfentwintig jaar later geeft er het gevaar van aan: hij had fouten gemaakt in 1978 toen hij de val van Aantjes inluidde. Dat wisten we al lang in 2001, toen De Jong dat eindelijk toegaf (de commissie Enschede had het allemaal in 1979 al uit de doeken gedaan). Fouten. Inderdaad, en de eerste fout was dat hij op de stoel van de rechter was gaan zitten. Die fout heeft hij echter niet toegegeven. Begrijpelijk want het zou zijn stijl van geschiedschrijving als zodanig onderuit hebben gehaald.

Van die stijl zijn we inmiddels een heel eind verwijderd. Maar nog niet ver genoeg als ik het artikel van Evelien Gans zie. Zij heeft het grootste – historische – gelijk van de wereld om vast te stellen dat in de geschiedenis de voltooid verleden tijd niet bestaat en dat daarom de wens om er eindelijk eens een streep onder te zetten een houding is die een historicus niet past. Die zou Van der Heijden in z’n zak moeten steken. Het past echter evenmin de doopceel van Van der Heijden te lichten om te bewijzen dat de man, gezien zijn nationaalsocialistische ouders, een ‘onvermogen te rouwen’ heeft opgedaan en dat datzelfde onvermogen ten grondslag ligt aan zijn revisionistische geschiedschrijving. De diagnose ‘secundair antisemitisme’ zou een historische moeten zijn, geen psychologische. Wat zich afspeelt: dat is het domein van de historicus. Welk syndroom erbij hoort, de rechter zal het willen weten. Maar juist daarom is rechter geen historicus. En de historicus geen rechter.

19 april

=0=

 

Fishkin’s trilemma

Een dilemma is lang niet altijd oplosbaar. Vaak is een nette omgangsvorm ermee te prefereren boven het verabsoluteren van één van beide kanten ervan. Bovendien, we hebben niet alleen dilemma’s, trilemma’s komen ook voor. De misschien wel bekendste in het gelijkheidsonderzoek is het trilemma van Fishkin. Fishkin beweerde dat het verenigen van het beginsel van gelijke levenskansen, het meritocratische beginsel van verdienste en het beginsel van de gezinsautonomie niet mogelijk was. Op z’n minst één van de drie (Fishkin is een optimistisch mens) zou het onderspit moeten delven – tenzij we bereid zijn blijvend te schipperen. Het laatste was volgens hem het verstandigste. Daar zou hij wel eens gelijk in kunnen hebben. Beginselen zijn belangrijk, en verabsolutering is ongemakkelijk. Het vinden van een weg die niet tegelijk andere wegen uitsluit, verbiedt of kapot maakt – de kern van politiek zou Bernard Crick zeggen – is de kunst. Zo hou je de mogelijkheid open niet steeds dezelfde weg op te moeten gaan en zo kun je per geval de afweging maken die aan het geheel van gevallen en beginselen het meeste recht doet.

Ik gebruik het woord ‘geval’ met opzet want het is een woord dat in artikel 1 van onze grondwet, het non-discriminatie artikel, wordt genoemd: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.’ Wat het ‘geval’ is en wanneer twee gevallen ‘gelijke gevallen’ zijn, dat is de opgave. De Hoge Raad heeft er mee te maken gekregen en het opmerkelijke is dat de uitspraak van de Raad (de SGP moet z’n kieslijsten open stellen voor vrouwen) niet als een compromis wordt beschouwd, gelet op dit ‘geval’, maar als het stiekem invoeren van een volgorde van belangrijkheid in de grondwet: artikel 1 gaat voor en de artikelen over de vrijheid van vereniging en vergadering, van onderwijs, van de vrijheid van meningsuiting enz. komen pas daarna. De grondwet is zo niet opgezet – de volgorde van de artikelen is geen rangorde van het gewicht van wat in die artikelen wordt vastgelegd – maar de Hoge Raad heeft het er van gemaakt. Onze grondwet verwoordt dilemma’s, trilemma’s en nog zo wat, de Hoge Raad heeft die allemaal met één uitspraak afgeschaft.

Volgens Ger Groot tast de Hoge Raad hiermee ‘de fundamenten van de parlementaire democratie aan’. Er is naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad al de nodige onzin gedebiteerd (het Reformatorisch Dagblad van 16 april heeft zowaar een aio opgeduikeld die het allemaal verklaart uit de politieke kleur van de rechtspraak die teveel D66 en Groen Links is, terwijl de Raad van State in al z’n wijsheid meer wordt bijgelicht door lidmaten van CDA en SGP) maar Groot slaat het allemaal en, zoals bij hem gebruikelijk, met stukken. Alles wat niet tot de politieke hoofdstroom behoort kan het wel schudden, evenals de ‘volkssoevereiniteit’ (‘volkssoevereiniteit wordt zo ingewisseld voor een [grond]wetsfundamentalisme’), de rol van de politiek in het staatsbestel en die van de politieke partijen. Het staat geschreven.

Je zou natuurlijk ook gewoon kunnen zeggen dat in het geval van dit geval de Hoge Raad de afweging heeft meegenomen dat Nederland al in 1991 zonder enig voorbehoud het VN-Vrouwenverdrag heeft ondertekend en dat bij gebrek aan een dergelijk voorbehoud de uitspraak ook weinig anders had kunnen luiden. Dan hoef je je alleen maar af te vragen waarom het allemaal zo lang heeft geduurd: waarom het kabinet en de Tweede kamer daar zelf de consequenties niet uit hebben getrokken en het uiteindelijk de Hoge Raad hebben laten opknappen.

De Hoge Raad heeft niet meer gedaan dan de zinsnede ‘in gelijke gevallen’ aan te passen aan de afspraken die Nederland zelf al heeft gemaakt en daarna in de lade heeft geschoven. Te langen leste is politieke lafheid en politiek onvermogen terechtgewezen. Nee, in de grondwet is niets veranderd.

18 april

=0=

 

Ordeloos

In een ordeloze democratie, schrijft Hans Goslinga vandaag in Trouw, is iedereen zo gelijk dat iedereen gelijk wil zijn aan degene die hij kiest om gezag over hem uit te oefenen. Het leek een aan Montesquieu ontleend commentaar op Peter R. de Vries (waar is Fred Teeven nu het er op aankomt?) maar dat was het niet. Het was een commentaar op Marijnissen ( en zijn vraag om meer democratie) en op Tjeenk Willink (ruimte voor verscheidenheid). Marijnissen is ordeloos in de opstelling van Goslinga, Tjeenk Willink is dat niet. Nou ja. Ik had niet gedacht dat de directe verkiezing van een burgemeester mij gelijk maakt aan die burgemeester, en ook niet dat een referendum (waar Marijnissen een voorstander van is) dat tot gevolg heeft. Dat gevolg is wel ingebakken in politici die in lopende zaken al een oordeel uitspreken voordat de rechter heeft gesproken. Is een nieuwe trend de laatste jaren, van Joost Eerdmans tot en met Rita Verdonk. En De Vries is z’n eigen rechter. Helemaal niet ordeloos maar van de nieuwe orde van rechthebbenden en rechtelozen. Ook heel modern, vraag het maar aan Fred. Die niet voor niets even z’n mond houdt. Hij is net als Peter protagonist van die nieuwe orde. Liever tien onterechte daden dan één die de dans ontspringt. Op de vrijspraak voor Lucia de B. had de man uiteraard geen commentaar. Collateral damage, het hoort bij de nieuwe orde waarin risicoaansprakelijkheid de plek inneemt van schuldaansprakelijkheid en waarin om het slechte geweten te overschreeuwen schuld en onschuld tot in het onherkenbare worden overdreven.

De algemene inleiding (‘De Raad in de staat’) van Tjeenk Willink bij het jaarverslag 2009 van de Raad van State verdient meer dan wat Goslinga ervan heeft gemaakt. Tjeenk Willink constateert dat we, door tal van oorzaken, een overheid hebben die zelf niet meer in staat is het verschil tussen politiek en economie aan te brengen en dat niet omdat door overheid en politiek alles politiek wordt genoemd maar omdat politici en ministeries alles wat voorbij komt vanuit een economische optiek bekijken. De treurige, en nog lang niet afgesloten, geschiedenis van vermarkting, privatiseringen en verzelfstandigingen (‘new public management’) is er de illustratie van. Waarom eigenlijk, zo vraagt Tjeenk Willink zich af, is staatsrecht verdrongen door bestuursrecht, waarom is bestuurskunde verdrongen door bedrijfskunde en waarom loopt iedereen daar maar braaf achteraan? Waar is het tegenwicht van de sociale wetenschappen tegen de dominantie van economen en bedrijfskundigen binnen de overheid? Goeie vragen en voor de hand liggende antwoorden: overal is het denken in kosten en baten, investeringen en rendementen, en in termen van een opvatting van rationeel gedrag dat van alles een strategische belangenafweging maakt, diep doorgedrongen. Dan heb je geen tegenwicht meer nodig en je krijgt het ook niet. Wat je krijgt is een uniforme en uniformerende denkstijl die aan niets zo’n hekel heeft als aan verscheidenheid, aan diversiteit. Diversiteit is folklore en verder moet het niet gaan. In Nederland is kennisdeling het delen van dezelfde kennis – en daarna vragen we ons af waarom het zo weinig productief is, zo weinig innovatief en vooral: zo geheugenloos, zo zonder enige kennis van de ontwikkelingen die ons hebben gebracht waar ze ons hebben gebracht.

Dat Tjeenk Willink daar aandacht voor vraagt is winst. Elke “conceptuele visie op het bestuur in een democratische rechtsstaat, die steeds meer een ‘poreuze’ staat is geworden, ontbreekt.” Dat is een hard oordeel, en het ligt ten grondslag aan de mening van Tjeenk Willink dat het geen wonder is dat een discussie over burgerschap in Nederland is verworden tot een discussie over een certificaat – zonder erbij stil te staan dat gecertificeerd burgerschap een perversie is van burgerschap. Of, en eveneens ernstig, het feit dat de politieke en staatkundige realiteit van Nederland in de EU is teruggebracht naar wat het ons kost. Die dingen hangen samen want certificaten kosten geld en de mensen die ze verwerven kosten geld en de baten zijn voorwerp van twijfel, terwijl we de EU toch zijn begonnen om er vooral beter van te worden en wat is daar nog van over?

De ordeloosheid van de democratische orde in Nederland is een burger die handig weet te manoeuvreren tussen de koopman (onderwijs) en de dominee (opvoeding) en een staatsbestel dat voor de condities moet zorgen die de koopman bevallen en de dominee in staat stellen genoeg stof tot vermaning en vergoelijking te verzamelen. Die staat hebben we, de intellectuele bagage ervoor hebben we ook (nee, niet voor iets anders) en toch doet Peter nog net alsof hij het beter weet, alsof hij een combinatie van koopman en dominee heeft geconstrueerd die boven elk oordeel van derden verheven is. Hoe zou dat toch komen?

17 april

=0=

 

Meer voor minder

Als je op de tweede plaats staat op de kandidatenlijst van je partij dan schept dat verplichtingen. En dus klom staatssecretaris Bijleveld in de pen om ons mee te delen dat het geld op is maar het werk niet. Haar oplossing voor het geld: doe het zelf maar want de overheid gaat het niet betalen. Haar voorbeeld: als het glad op de weg is dan strooien we niet meer en dan komen jullie zelf wel met een oplossing. Het is me niet opgevallen, maar de eigen verantwoordelijkheid wil ook wat en hoop doet leven. Hoop is het zout in de pap. Haar oplossing voor het werk is nog eenvoudiger: meer werk voor minder geld. Reken maar uit, zegt ze. In de komende tien jaar vertrekt zeventig procent van het personeel in het onderwijs en bij de overheid en hoe lossen we dat probleem op? Dat lukt alleen als de nog wel werkenden meer werk doen en als er geen geld is (waarom overigens niet als er toch op zeven op de tien verdwijnen? Wordt al dat geld ingenomen en aan wat anders dan arbeidsvoorwaarden besteed?) dan moet het maar ergens anders vandaan komen. Slimmer werken bijvoorbeeld. En geen collectieve rechten meer maar alleen nog individuele regelingen.

Nu dient gezegd dat de staatsecretaris niet alleen op de gevolgen van de vergrijzing wijst. Het vertrek van mensen uit de publieke en collectieve sectoren komt ook doordat de mensen in een andere sector gaan werken. Dat zie je uiteraard niet terug in de macrocijfers van het aantal werkenden, je ziet het wel terug in de tekorten aan personeel op de werkvloer zelf. En tel die dingen bij elkaar op (zeg: 20 procent door de vergrijzing en 50 procent door het verloop, want dat zijn zo ongeveer de verhoudingen de komende jaren) dan heb je je 70%. Het is geen faire optelling maar daar zal de staatssecretaris niet wakker van liggen.

De personele tekorten op de werkvloer hebben meer te maken met het externe verloop naar een ander bedrijf en naar een andere sector dan met de vergrijzing. Veel meer zelfs en mocht de economie weer gaan aantrekken dan wordt het externe verloop geheel voorspelbaar met een nog veel grotere voorsprong de voornaamste aanjager van de tekorten. En toch is er geen geld want er verdwijnen dan wel zeven van de tien werknemer maar het grootste deel daarvan verdwijnt niet achter de geraniums maar verdwijnt naar een ander bedrijf. Waar ze worden betaald en wie naar een andere baan vertrekt gaat er regelmatig wat op vooruit. Behalve bij mevrouw Bijleveld. De overheid en de collectieve sector hebben er, op haar voorspraak, kennelijk nu al geen fiducie meer in dat ze aantrekkelijk genoeg zullen zijn om hun deel van de vertrekkenden die helemaal nog niet uittreden, binnen te halen. Het is geen probleem van een tekort aan geld, het is een probleem van omgaan met de concurrentie om schaarse arbeid en de overheid kan kennelijk nu al voorspellen dat ze die concurrentiestrijd niet aandurft. En dus niet aan zal gaan. Mevrouw Bijleveld legt het hoofd al in de schoot, nog voordat de strijd is ontbrand.

Het is de bekende politieke visie sinds de jaren tachtig: meer markt voor minder politiek. De campagne ‘doorwerken bij het rijk’ kan direct van start. Gelukkig hebben we de werklozen nog. En hen die om andere redenen ‘aan de kant’ staan. We moeten maar hopen dat het bedrijfsleven daar steeds meer exemplaren van produceert zodat we hen voor steeds minder weer aan het werk kunnen zetten.

16 april

=0=

 

Meer democratie

Mij vader zei ooit tegen me (ik had net mijn toelatingsexamen voor de middelbare school achter de rug) dat hij het wel mooi zou vinden als ik minister zou worden. Dat was zijn droom, zei hij, en hij zag het wel in mij zitten. Gaf een warm gevoel. Ik vroeg wat een minister dan wel deed en wat je er voor moest doen om het te worden. Ik kreeg een verhaal over wat hij een goede minister vond (ik geloof dat het over Koos Suurhoff ging die toen net de AOW had ingevoerd) wat me niet veel verder hielp. En hij zei dat je dan lid van een politieke partij moest worden. Ik wist wel dat er politieke partijen waren (in verkiezingstijd was de buurt bezaaid met raamaffiches en enkele borden, voornamelijk van de PvdA, enkele van de KVP, geen van de VVD) maar niet wat een politieke partij was. Ik heb wel een uitleg gekregen, een beetje – ik parafraseer – in de trant van kiesverenigingen die allemaal wat anders wilden. Zelf was mijn vader geen lid van een partij – behalve van de schaakclub was hij nergens lid van. Toch was het antwoord dicht in de buurt, maar dat had ik niet door. Dat van die kiesvereniging klopt uiteraard maar wat ik niet door had was dat het eigenlijk om dat ‘wat anders’ ging. De kern van politiek – vandaar dat politiek een modern begrip is – is het georganiseerd ruimte bieden aan diversiteit van belangen en waarden. De waarde en het leefmilieu van de politiek is die diversiteit. Daarom zit er een ingebouwde spanning in de politiek want partijen streven naar meerderheden en meerderheden zijn lang niet altijd goed voor diversiteit. Daarom is ook democratie een kwestie met twee kanten: nodig om de diversiteit vorm te geven en tot uiting te laten komen en altijd gericht op meerderheden. De kracht van een democratie hangt af van z’n inbedding in een sterke rechtsstaat, een staat die de diversiteit in z’n constitutie heeft geschreven en die in het geweer komt als dat in gevaar komt. Dat kan dan weer niet zonder politiek. Moeilijk, maar juist daarom denk ik dat een problematische democratie wel eens het gevolg kan zijn van een minder goed functionerende rechtsstaat.

De oplossing voor een problematische democratie is meer democratie. Dat was de afsluitende stelling van Jan Marijnissen, in een artikel in de VK, een artikel op basis van zijn Thorbeckelezing (‘zijn politieke testament’). Daar zouden dan ook normen en waarden bij horen, een besef van goed en kwaad. Ik ben het met hem eens dat een kiesdrempel van 5% geen goed idee is. Die belemmert diversiteit. Ik ben het niet met hem eens dat meer democratie (meer normen en waarden?) de oplossing is. Meer rechtsstaat, die kant zou ik het op zoeken en als er iets is dat me zorgen baart is dat in onze rechtsstaat de diversiteit al lang niet meer vanzelfsprekend is. Jammer, dat kwam in de lezing van Marijnissen niet voor.

Minister heb ik nooit willen worden.

15 april

=0=

 

Duivels

Ik beschouw het maar als een vroege bijdrage aan het debat in Rotterdam over de bekerfinale. Vroeg, want ik schreef het op 27 maart en toen had Aboutaleb nog net niet besloten. De goede man heeft zich een oor laten aannaaien en het resultaat is voor niemand nog de moeite waard. Conclusie: geef de KNVB opdracht te doen wat het moet doen en niet anderen op te zadelen met de enorme rotzooi die voetbal geworden is.

Een duivels dilemma. Dat hoorde ik iemand zeggen over Aboutaleb die moet beslissen of Ajax met of zonder supporters naar de bekerfinale toe mag. Ik begrijp het dilemma niet. Ik begrijp bovendien niet hoe het mogelijk is dat Aboutaleb iets moet beslissen terwijl het probleem is gecreëerd door de KNVB. Daar hadden ze kunnen bedenken dat een finale tussen Ajax en Feyenoord best eens zou kunnen en dat in dat geval het aanwijzen van de Kuip Feyenoord niet alleen altijd al een voordeel verschaft maar ook dat het supportersverbod (geen Rotterdammers in Amsterdam, geen Amsterdammers in Rotterdam) dat voordeel in dit geval meer dan verdubbelt. Er is immers geen returnwedstrijd.

De KNVB had van alles kunnen bedenken. Het stadion pas aanwijzen als de finalisten bekend zijn. De Kuip in dit geval inruilen voor een ander stadion. De Kuip helemaal zonder publiek. Een ander stadion, ook zonder publiek. Allemaal denkbaar, allemaal uitvoerbaar. De vraag is waarom de KNVB zich de vraag niet heeft gesteld. De vraag is waarom beslissingen in handen van een gezelschap liggen dat niet op z’n taak berekend is.

Ik hoor op de radio dat het niet eerlijk is dat een kleine groep het voor de grote groep goedwillenden verpest. Er zijn kennelijk supporters die van voetbal houden en supporters die van rellen houden. Dat is een ernstig misverstand. Voetballiefhebbers houden van voetbal, supporters houden van een club. Soms althans, maar altijd haten ze de andere club. Je kunt nooit definitief uitsluiten dat een supporter ook een voetballiefhebber is, al is de kans daarop steeds kleiner geworden en de supporter wint het van de liefhebber, mocht puntje bij paaltje komen. Supporters zijn er om de tegenstanders te ontregelen en in dat perspectief is veel toegestaan. Goede wil? Als er goede wil zou zijn kunnen de stadions alle aparte, door hekken van elkaar gescheiden, vakken gelijk opheffen. Moet je kijken wat er dan gebeurt. Voetbal is oorlog, de generaal zei het en sinds hij dat zei is het vijfendertig jaar meer waar geworden en vijfendertig jaar erger geworden. Wie van voetbal wil genieten moet niet in het stadion zijn. In een skybox? Ik wil het niet uitsluiten, wie weet zijn skyboxen een functioneel equivalent van de luie stoel thuis. Als het maar een eind weg is van de supporter.

Dat Aboutaleb in de val trapt is jammer. Wat hij ook besluit, het wordt hem nagedragen. Dan had hij de zaak beter kunnen doorverwijzen naar de KNVB, het gezelschap dat het probleem heeft bedacht. Gewoon: dat doe ik mijn stad niet aan. Nu doet hij mee met de grote leugen, de leugen dat de voetballiefhebber niet mag lijden onder de hooligan. Niet steeds. Niet altijd. Niet bij een bekerfinale. De voetballiefhebber heeft het onderspit niet gedolven door de hooligan. De voetballiefhebber is al lang verslagen door de supporter.

Of Aboutaleb een goede burgemeester is kan ik niet beoordelen. Maar dat hij weet dat voetbal al lang niet meer over sport gaat en alles te maken heeft met belangen, dat heeft hij heel goed begrepen. Juist daarom had hij zich niet moeten laten gebruiken om de onkunde van de KNVB toe te dekken. De KNVB is meer dan in staat de eigen belangen te behartigen. En het ongemak door te schuiven. Het maatschappelijk verantwoord ondernemen heeft de voetballerij nog niet bereikt.

De KNVB heeft, gehoord de beslissing van Aboutaleb, laten weten dat er evenveel supporters van Ajax als van Feyenoord aanwezig moeten zijn bij de bekerfinale. Ik heb een veel beter voorstel. Zet naast elke supporter een politieagent en als de politieagenten op zijn mogen er ook geen supporters meer bij. Een inkoppertje.

27 maart/14 april

=0=

 

Boete

Vergelijk het met te hard rijden en een boete krijgen als je gesnapt wordt. Dat was het commentaar van Peter R. de Vries op een vraag naar zijn redenen de uitspraak van de rechter te negeren. Dat je niet altijd een boete krijgt maar soms ook je rijbewijs kwijtraakt en soms ook de gevangenis in gaat, voor Peter bestaat het niet. Kan hem niet overkomen. Hij zou alleen een boete krijgen als hij om hem moverende redenen zou besluiten de regels even opzij te zetten. Hij maakt uitsluitend verkeersovertredingen als het echt niet anders kan en wat dat is, dat bepaalt Peter zelf wel. Bovendien, hij wordt gedekt door Endemol en SBS6. Die betalen de boete. Om hen moverende redenen. Het algemeen belang is het best in gewaarborgd als het strookt met het commerciële belang, dat zien we maar weer. Het algemene belang is het commerciële belang, er zit geen licht tussen.

We rijden allemaal wel eens te hard. Doen we dat ook als de politie erbij staat? De Vries probeert steun te verwerven door ons aan te spreken op ons gedrag. Hij zei nog net niet dat hij was als de arts die in het belang van de patiënt het rode licht het rode licht laat. Zijn belang is nog groter; het is het algemene belang en trouwens, waren de ouders van de vermoorde meisjes en hun vrienden, vriendinnen en klasgenootjes van destijds het niet helemaal met hem eens? Hebben die geen rechten, en een veroordeelde gruwelijke misdadiger wel? Ik denk dat als Peter iemand aanrijdt en het blijkt een tbs-er op verlof te zijn, dat Peter dat dan als een verzachtende, een hem vrijpleitende omstandigheid zal opvoeren. Eigenlijk ben je een held als je zoiets overkomt.

Ik zag De Vries eventjes, gisteravond, bij Pauw en Witteman, zonder Witteman. Pauw durfde het gevecht niet aan. Kijkcijfers, ongetwijfeld. Ze zoeken elkaar op en weten elkaar te vinden. Het commerciële belang is het algemene belang. Het kost wat, maar als je vooraf weet wat het bedragje is en je hebt je geldschieters dan is er geen centje pijn. Zeg nou zelf.

Tot mijn grote vreugde was Hans Wiegel in DWDD helder. Hij vond het maar niks en sprak De Vries aan op wat hem interesseerde: scoren over de ruggen van anderen en scoren voor eigen gewin. De heilige Van Nieuwkerk deed er het zwijgen toe. Scoren, het is een vak. En scoren is het en we hebben het eerder gezien bij De Vries. De zaak tegen Van der Sloot is mede door zijn toedoen totaal verkloot. Maar De Vries kreeg er een prijs voor. Op naar de volgende!

Bij het herhalen van een verkeersovertreding kan het rijbewijs worden ingenomen. Het is tijd het rijbewijs van De Vries op te halen.

13 april

=0=

 

Standby

De 16 eurolanden zijn bereid Griekenland onder voorwaarden 30 miljard euro te lenen. Standby-krediet, kopt het FD. De rentevoet zal, als het om leningen met een looptijd van drie jaar gaat, op ongeveer 5% liggen. Verwacht wordt dat het IMF nog eens 15 miljard aan leningen ter beschikking zal stellen. Het Nederlandse parlement mag nog tegen stemmen maar de geluiden daar, in elk geval van CDA en PvdA, doen vermoeden dat het aan hen niet zal liggen. Elk euroland draagt bij aan de leningen (Nederland ongeveer 2 miljard) die door de Europese Commissie zullen worden verzameld en als Griekenland erom vraagt ter beschikking kunnen komen. Griekenland heeft er nog niet om gevraagd. De sector financiële aasgieren zal zich nu naar verwacht op Californië gaan storten.

Standby is wel een mooie aanduiding. De EU kan zomaar worden geactiveerd want uitgeschakeld is het zaakje nooit. Helemaal in bedrijf ook niet, maar wat geactiveerd gaat worden is de politieke status van de EU en dat is meer dan het Nederlandse parlement tot dusver wou accepteren. Ik ben benieuwd hoe ze zich hier uit gaan redden. Vermoedelijk door niet over de politieke kant te spreken en zich te beperken tot de financiële. Maar niettemin. Het is in geen enkel verkiezingsprogramma te vinden, deze wending naar een nieuwe rol voor de EC. Het is een beetje een herhaling van de politieke geschiedenis van de EU als geheel, dit initiatief. Meer gedwongen door gebeurtenissen dan door een uitgezette koers en toch gaat de koers in de richting van een politisering van de EU.

Een mens zou bijna hopen dat nu ook de Spanjaarden, de Portugezen, de Italianen en de Ieren met hun problemen naar voren komen en uitspreken dat ze een EU interventie nodig achten. Wie weet wordt het dan nog wat en als het stof is neergedaald kunnen zelfs de Nederlandse parlementariërs wat serieuzer nota nemen van het elementaire gegeven dat niet slechts het financiële landschap is veranderd maar ook en met name het politieke landschap in Europa.

De EU is standby. Wie had dat gedacht.

12 april

=0=

 

Drooglegging

Een borrel zonder borrel. Dat is het advies van een hoogleraar uit Maastricht die ernstig van mening is dat alcohol uit den boze is op recepties en feestjes van clubs waar overheidsgeld aan gespendeerd wordt. De overheid moet het goede voorbeeld geven. Wat het goede voorbeeld is? Verbieden.
Ik kan niet goed verwoorden waarom dit type voorstellen me ergert. Waarom de overheid? Je kan net zo goed zeggen dat bij de overheid fors geschonken moet worden: de overheid is een enorme profiteur van de accijns op alcohol en moet dus niet in z’n eigen borrel spugen. Wat is dat voor een overheid die verdient aan wat het verbiedt en het daarom ook niet echt verbiedt en het alleen weer wat duurder maakt? En er zelf na vijven de sokken inzet om in te halen wat voor vijven niet langer mag omdat zo nodig het goede voorbeeld gegeven moest worden? Wat denkt de man te bereiken door de ene helft van de organisaties toe te staan wat hij de andere helft wil gaan verbieden? Wat, behalve willekeur?
Ja, zegt de hoogleraar, maar er is overheidsgeld mee gemoeid en dat moet je op een verantwoorde manier uitgeven. Zou hij nu bedoelen dat als de koningin buitenlandse gasten heeft, of het kabinet, dat daar het glas alleen non-alcoholisch geheven mag worden? Dat als de bobo’s weer eens op onze kosten in verre landen half kachel voor de microfoon opduiken we hen direct moeten ontslaan? Dat de leden van de Tweede Kamer op hun jaarlijkse barbecue alleen nog drankjes zonder prik mogen hebben bij hun vegetarische snacks? Ik bedoel, dat zijn pas echt de mensen met een voorbeeldfunctie. Dus?
Nee, dus. De hoogleraar had het niet over hen. Hij had het over de minder zichtbaren die niet in persoon maar als zodanig het goede voorbeeld moeten geven. Een beetje in lijn met mevrouw Verdonk die in haar bod op het pluche verzonnen heeft dat ambtenaren geen lid van een politieke partij mogen zijn en dat topambtenaren politiek moeten worden benoemd. Toen ik het las had ik het niet onmiddellijk door. Maar na de interventie van de hoogleraar uit Maastricht is het me allemaal perfect duidelijk geworden.
Niet zuipen als je een kleine jongen bent, goed innemen als je zichtbaar bent. Zo word je trots op Nederland. En hoogleraar in Maastricht. Zouden ze elkaar kennen?

11 april

=0=

 

Concept

Het verkiezingsprogramma van de PvdA is een concept. Dat heeft de leesbaarheid niet vergroot want zolang het een concept is, is het in de eerste plaats gericht op de leden die het programma nog moeten goedkeuren en voor zover het al een programma is, is het gericht op een veel breder publiek. Het leidt tot kromme zinnen over een hoofdstuk met voorstellen die nog geamendeerd zullen worden en een algemeen hoofdstuk dat niet geamendeerd moet worden maar dat zal worden bijgesteld naar aanleiding van de amendementen. Bart Chabot maakte zich er op tv al vrolijk over, over die zinnen dan, niet over de dubbele status van het concept. Een misverstand is graag geboren.

De meeste bezuinigingen (20 miljard tot 2015) zijn nog niet ingevuld. Wat naar buiten is gekomen (woningmarkt, AOW, studiebeurzen) gaat over de langere termijn. In de bijlage wordt alvast aangekondigd (maar nog niet ingevuld) dat behalve de AOW ook het pensioensparen (de omkeerregel) een veer zal moeten laten. De sociale onzekerheid (ik neem aan dat de aangekondigde maatregelen op dat vlak niet tot 2015 hoeven te wachten) wordt verder aangescherpt door uitkeringen ‘actief’ om te zetten in ‘algemeen aanvaardbaar werk’ (een nieuw woord, dus ik ben benieuwd) en er voor het overige vanuit te gaan dat waar dat niet lukt het ‘vanzelfsprekend’ te vinden dat er dan vrijwilligerswerk wordt verricht. Alweer een taalvernieuwing, dat vanzelfsprekende vrijwilligerswerk. De zzp-ers wordt een betere sociale zekerheid toegezegd, maar niet wanneer. In de AWBZ worden wonen en zorg ‘geleidelijk’ gescheiden (een tijdpad staat er niet bij, maar in de bijlage wordt wel gerept over besparingen op zorgkosten, die ook al in de periode tot 2015 moeten worden gerealiseerd). Is overigens al aan de gang. Wanneer de kleine nominale zorgpremie, aangevuld met een inkomensafhankelijke toeslag (en dus het opheffen van het gedoe met de zorgtoeslag) er moeten zijn is niet aangegeven.

Voorlopig neem ik maar aan dat de korte termijn bezuinigingen bij uitstek in de sociale zekerheid en de zorg worden gezocht. Dat is weinig nieuws. Het is ook geen goed nieuws. Twintig miljard is veel en het wordt eenzijdig verdeeld. Dat binnen die eenzijdigheid de hogere inkomens zwaarder moeten worden aangeslagen dan de lage is een doekje voor het bloeden. Ook belangrijk, maar alles bij elkaar weinig indrukwekkend. Nu ja, op onderwijs wordt niet bezuinigd, als je de studiebeurzen even niet meerekent. Voor het overige is de onderwijsparagraaf niet erg bemoedigend. Het concept houdt vast aan de onprofessionele scheiding van het ‘wat’ en het ‘hoe’ en kondigt tegelijkertijd aan (bespeur ik daar de geniale bureaucratische hand van Dijksma?) dat we voor de overgang van basis naar voortgezet onderwijs te maken zullen krijgen met ‘schakelklassen, kopklassen en voetklassen’, terwijl ook ‘brede brugklassen’ niet mogen ontbreken. Dat is allemaal bedoeld om het moment waarop leerlingen kiezen ‘flexibeler’ te maken. Het staat er. Je kunt natuurlijk ook aan scholen de vrijheid geven cursusduur en dus studieduur aan de leerlingen aan te passen maar dat zal wel te oncontroleerbaar zijn. Flexibel moet wel controleerbaar blijven. Je moet er niet aan denken dat scholen op deze manier het wat en het hoe in eigen hand zouden kunnen houden. Dan liever een regeling rond het wat die zo diep in het hoe ingrijpt dat we de discussie over de professionele docent nog jaren zullen moeten voeren. Nooit weg, een discussie.

Niettemin, iets van het stempel van Cohen is nog wel aan te wijzen in het concept. Opmerkingen over directe democratie bijvoorbeeld, en over de zwaardere rol voor de Eerste Kamer (op kosten van de adviesrol van de Raad van State), heb ik met graagte genoteerd. Zo is er meer, over zorginstellingen en de stem en het perspectief van de gebruiker – ook bij beslissingen over verdere marktwerking, over banken en hun risico’s, hun verplichtingen en hun toezicht. Daar staat dan weer tegenover dat de opmerkingen over de EU teleurstellen (‘Wij zullen onze invloed in Den Haag en Brussel aanwenden om Europa socialer, innovatiever en duurzamer te maken’. Waarom niet: democratischer, minder technocratisch en meer politiek?). In het concept wordt aan de politiek ‘moreel leiderschap’ toegedicht. In het geval EU zou politiek leiderschap beter zijn. In het geval Nederland ook. Moreel leiderschap is geen politiek leiderschap en moet dat vooral ook niet worden. Iets meer liberalisme op dit punt had niet misstaan – zeker nu er van het liberalisme van de VVD niets is overgebleven.

Eerlijk gezegd, het is een ongemakkelijk programma. Waar de klappen gaan vallen kun je er zo’n beetje uit aflezen, waar het voor nodig is komt amper uit de verf. Het puinruimen overheerst, ondanks de flinke toon dat het ons niet nogmaals gaat overkomen. Als je goed luistert is de toon eerder schril dan flink. Het is maar goed dat de politieke betekenis van verkiezingsprogramma’s klein is.

10 april

=0=

 

Sociologisch

De verdeeldheid in Rotterdam is eerder een sociologisch gegeven dan een door Leefbaar Rotterdam aangewakkerd verschijnsel. Dat is de mening van Rinus van Schendelen, politicoloog en daarom blijkbaar bevoegd te verklaren dat de Rotterdamse verdeeldheid geen politicologisch maar een sociologisch ‘gegeven’ is. Toen hij na de eclatante verkiezingsoverwinning van Pim Fortuyn in korte tijd een nieuw stadbestuur voor Rotterdam bij elkaar informeerde, was er dat sociologische gegeven ongetwijfeld ook. Rinus had er geen politicologische problemen mee om de PvdA destijds uit te sluiten. Nu is hij van mening dat de PvdA geen (politicologische?) redenen heeft om hetzelfde te doen met de leefbaren. Het verschil zal hem er wel in zitten dat Leefbaar toen in aantallen met kop en schouders boven de rest uitstak en dat nu Leefbaar Rotterdam en de PvdA ongeveer even groot zijn. De sociologie is ongewijzigd, de politicologie is vernieuwd. Dat maakt nieuwsgierig.

Dat moeten we dan ook maar blijven, nieuwsgierig. Rinus heeft daar namelijk niets over mee te delen. Hem gaat het om de sociologie, de sociologie van het gegeven dat Leefbaar aan de sociologie onschuldig is. Dat lijkt me wat overdreven. Fortuyn heeft aan die sociologie een stem gegeven en dat is niet niks. Dat gegeven is sindsdien geen gegeven meer en dat is maar goed ook want het was nooit een gegeven. Behalve voor Rinus, maar dat komt voor zijn rekening zou ik zeggen, niet voor rekening van de politicologie. Toch, onder de grote steden is Rotterdam de stad met een zeer eigen profiel – verhoudingsgewijs veel laagopgeleiden bijvoorbeeld – en de partij van Fortuyn is op de grote problemen die daarmee samenhangen gebouwd. Dat moet je niet weg willen redeneren. Je moet ook niet weg willen redeneren dat de afgelopen vier jaar de PvdA de sociaaleconomische kant en het onderwijs tamelijk prominent naar voren heeft geschoven als een belangrijke taak voor het stadsbestuur. Dominic Schrijer heeft ervoor getekend, voor dat soort sociologie.

Dezelfde Schrijer was in de verkiezingscampagne van mening dat in de stad en in het stadbestuur niet de herkomst moet tellen maar de toekomst. Een Obama aan de Maas als het ware. Die mening heeft hij niet waargemaakt. Als je voor de verkiezingen een eventuele samenwerking met de leefbaren moeilijk noemt en zelfs onwaarschijnlijk, en na de verkiezingen ongeloofwaardig, dan heb je met de uitslag van deze verkiezingen geen rekening gehouden. Het was maar een leus, dat van die toekomst en dat is niet heel geloofwaardig. Ik zou niet durven uitsluiten dat het gemak van het stadsbesturen het heeft gewonnen van het politieke gewicht van dat sociologische gegeven waar Rinus z’n schouders over ophaalt. Toch jammer, een uitkomst die zo door herkomst is getekend.

7 april

=0=

 

Longstay

In 2003 publiceert het WODC (het wetenschappelijk onderzoek en documentatiecentrum van justitie) een evaluatiestudie over de longstay afdeling van Veldzicht. Op zo’n afdeling komen gedetineerden die, ook na langdurige behandeling, als zowel hopeloos als gevaarlijk worden aangemerkt. Longstay is levenslang zonder uitzicht op vrijlating. Behandeld wordt er niet. Pappen en nathouden, dat is het regime. Het is tegelijk het bezwaar ertegen.

Op de afdeling wordt door medewerkers en patiënten (dat is de enigszins merkwaardige titel voor de gedetineerden) weinig over seksualiteit gepraat. Het is een moeilijk onderwerp, ook omdat een aantal gedetineerden zijn opgesloten vanwege seksuele misdrijven. De gedetineerden wordt toegestaan naar de tv te kijken en foto’s, blaadjes en ook soft porno in bezit te hebben. Harde porno is niet toegestaan. Het komt voor dat een gedetineerde door een vriendin wordt bezocht en dan op zijn kamer seks met haar kan hebben. Verzoeken om een prostituee te bezoeken komen voor en worden een enkele keer ook ingewilligd.

Voor mij was het nieuw. Ik heb het even  opgezocht vanwege de commotie die is ontstaan naar aanleiding van een uitzending van Peter R. de Vries. In die uitzending blijkt Peter niet te beroerd een verkrachter en moordenaar, die inmiddels zo’n dertig jaar is opgesloten, de schone leeftijd van zestig jaar heeft bereikt en sinds kort op een longstayafdeling verblijft, een exemplaar van Playboy te zenden. Gewoon, voor de lol of zo. Ook heeft hij een jeugdvriend van de veroordeelde man opgesnord in het verre Thailand en die wil wel meewerken de veroordeelde man aan tv kijkend Nederland aan te bieden. Het zal je vriend maar wezen. Dus brieven (ha, die Koos; hee, Nico) en ja hoor, Koos vraagt om porno, liefst met zijn specialiteit van jonge meisjes. Ja, schrijft Koos, merkwaardig is het wel, maar het mag hier, ik mag hier porno hebben en kijken. Kan Nico daarvoor zorgen? Nico is de beroerdste niet en Peter vindt het prachtig. Een Playboy is leuk maar een filmpje nog veel leuker. Detentie in Nederland, je kunt het slechter treffen.

De advocaat van Koos vond het niet zo’n goed idee, die tv uitzending van Peter. Maar Peter kreeg toestemming van de rechter. Het echte, nog meer onthullende, unieke undercover deel (Peter weet best wat zijn klanten het lekkerst vinden en spaart het nog even op want voorpret is betere pret dan de trivia die Peter uiteindelijk opvoert) moet nog komen – als de rechter ook daarvoor toestemming geeft. Dat horen we vrijdag. We hebben er recht op, recht op nog meer suggesties, nog meer gebakken lucht en dat alles voortgedreven door de jacht van Peter op kijkcijfers. Maar ja, tot vrijdag wachten, dat duurt te lang. Peter zond uit op zondag, op maandag horen we de Tweede Kamer al. Teeven voorop, hoe kan het ook anders. Nu had Teeven best kunnen weten hoe het zat met die longstay. Het WODC rapport is openbaar en de regeling zelf functioneert vanaf 1999 en toen hadden we een VVD minister van Justitie. Vermoedelijk wil Teeven niet weten wat hij al lang had kunnen weten en waarmee zijn partij en zijn fractie destijds ook hebben ingestemd. Teeven wil Hirsch Ballin aan de tand voelen (morgen! Kan niet wachten!) want hij vindt het, met mevrouw Bouwmeester van de PvdA, onbestaanbaar dat zoiets kan. Moet verboden worden. Als het al waar is, zegt mevrouw Bouwmeester. Mevrouw, dat hoeft u niet aan de minister te vragen, dat kunt u gewoon uitzoeken. Kost een paar minuten op internet en je weet het. U bent een prutser, mevrouw, en u bent in slecht gezelschap. Wat is dat toch, die lust om te verbieden? Komen Kamerleden van deze signatuur daar op klaar? Er is nog een heel lijstje af te werken (ik houd de beeldspraak maar even aan). De media als afwerkplek. Tot u klaarkomt. TV moet verboden worden. Tal van kranten ook, want die bevatten te veel beelden. Lectuur moet gecensureerd. Internet kan al helemaal niet (kan Peter niet uitzoeken of de gedetineerden bij internet kunnen komen?).

Onbestaanbaar is alleen dat Tweede Kamerleden net doen alsof de regels voor tbs-ers dezelfde zijn als die voor longstay gedetineerden. Ze hebben die regels zelf goedgekeurd. Doet dat er wat toe? Het doet er niets toe. Ze staan erbij, kijken ernaar en als Peter R. aan de bel trekt vinden ze dat het niet kan. De enige vraag die iets nieuws kan opleveren is of Koos terecht in de longstay zit of dat er in de reguliere tbs (waar steeds meer gedetineerden steeds langer verblijven) geen plek meer was. Die vraag interesseert ze geen bal. Zelfs als Koos helemaal is opgegeven en daarom in de longstay zit, dan nog moet er wat verboden worden. Dat Teeven ooit officier van justitie was, het geeft te denken.

Vermoedelijk opteren onze Kamerleden voor een langer verblijf in het parlement. Hun doel heiligt ook dit middel. Peter R. maakt school.

6 april

=0=

 

Bondgenoot

Gisteravond, op tv, een reconstructie van de val van het kabinet. Grappig, politici die volhouden dat de PvdA wel degelijk had laten doorschemeren over een langer verblijf in Uruzgan te willen nadenken (’anders blijft je toch niet in gesprek?’) en daarmee alleen maar bewijzen dat zijzelf over niets anders dan Uruzgan wilden praten. Tot en met de val van het kabinet aan toe. En net als bij Irak gaat het – voor de kijker, zoals ik – voornamelijk om de vraag waar de Nederlandse buitenlandse politiek wordt vastgesteld, in Den Haag of in Washington. Niet in Den Haag, al kun je erover twisten hoever Washington van Brussel ligt. Bondgenoten, daar gaat het om.

We zullen ze nodig hebben, onze bondgenoten, met een Afghaanse premier die (volgens The Wall Street Journal) de Taliban al bijna tot een legitieme verzetsbeweging heeft uitgeroepen en die heeft aangekondigd dat als het nog even doorgaat met de westerse inmenging in zijn land, hij zich misschien wel aan de zijde van dat legitieme verzet zou moeten scharen. De lijn tussen steun en bezetting is per slot flinterdun. Karzai zei het eerder al. Zoals anderen al eerder zeiden dat Karzai alleen een bondgenoot van zichzelf is. Het is merkwaardig dat in de discussie in ons land over het vertrek uit Uruzgan de volmaakte onbetrouwbaarheid van Karzai niet eens genoemd is. Vermoedelijk moet Verhagen eerst toestemming uit de VS krijgen – of een signaal – voordat hij kritiek zal uiten op de Afghaanse politieke verhoudingen en machthebbers. Wie weet dat de komende verkiezingen een echte minister van buitenlandse zaken opleveren. Alleen al daarom is de val van het kabinet een voordeel.

Afgelopen week in de Groene een artikel over de stand van zaken in Uruzgan. Fascinerend. Er is veel bereikt, en wat er na ons vertrek van overblijft hangt helemaal af van nog altijd labiele politieke verhoudingen. Voorbeeld: een nieuw aangelegde weg. Kan een zegen zijn, kan een vloek zijn. Wie de weg beveiligt, controleert de weg. Daar heeft iedereen belang bij maar niet iedereen hetzelfde belang. De weg kan morgen stukgemaakt worden. Wanneer het morgen is wordt niet alleen door de Nederlandse militairen bepaald maar ook een steeds meer door lokale en landelijke politieke krachten en machten. Wie daar wie aan een touwtje heeft, het is niet heel helder, het is niet heel zeker en het kan snel anders worden.

Bondgenoten? Verhagen heeft het te druk met zijn status en Van Middelkoop heeft de militaire kinderen in Uruzgan meegedeeld dat de scheiding van hun politieke ouders niet door hen is gekomen. Dat zal een opluchting geweest zijn.

Aan de andere kant, dat ze van de ene dag op de andere van medestrijder tot bezetter kunnen worden gepromoveerd, met dat soort loze speculaties kunnen onze politici zich natuurlijk niet bezighouden. Niet op eigen initiatief. Wij wachten af, de militairen wachten af, zij wachten af. Nederlandse buitenlandse politiek. Bondgenoten.

5 maart

=0=

 

Activerend

Korting op de duur van de ww is een favoriet bij de politieke partijen. Ik verbaas me elke keer opnieuw over deze vertaling van de werk-boven-inkomen ideologie. Indien er geen werk voor u is verlagen we uw inkomen en dan zult u zien hoeveel werk er nog voor u is. Dat noemen ze activering. Ik noem het een verkrampte poging om de dreiging van een dalend arbeidsaanbod met alle denkbare middelen af te wenden. Het is geen activering, het is disciplinering, met de sociale onzekerheid als stok om de hond te slaan. Dat geeft ook de trend aan: het is pas goed als iedereen die van een uitkering afhankelijk is even onzeker is over de hoogte, de duur en de voorwaarden van uitkering. Nodig is dan natuurlijk wel dat het ontslagrecht wordt opgedoekt. Dat heet dan weer de versoepeling ervan. Taalvervuiling is in de regel de opmaat voor slecht beleid, net zoals het onzeker maken en vooral ook houden van mensen door partijen als Groen Links en D66 als solidair wordt gezien. Iedereen even onzeker! De nieuwe solidariteit.

Wat de PvdA voor de komende vier jaar van plan is blijft nog een paar dagen onbekend. Hun voorgeschiedenis belooft weinig goeds en de uitspraak van Hamer, afgelopen donderdag, over het ‘activeren’ van de ww belooft nog minder. De partij moet af van z’n werkverslaving die in de eerste plaats een plicht tot het accepteren van elk door anderen bedacht werkje is, met een steeds onduidelijker recht op inkomen. Die dingen horen bij elkaar: als het inkomen niet in blijvende onzekerheid wordt gebracht kun je het met je klotebaantjes wel schudden. Zeker in een tijd – die de beleidsmakers al heel lang hebben zien aankomen – waarin het aanbod aan arbeid eerder daalt dan stijgt. Dan moet je het aanbod op andere manieren laten toenemen. Activering kortom. Je had ooit een uitkering als je geen werk had. De toekomst is dat je alleen als je werkt een uitkering verdient. Uit het werk vloeit de uitkering voort. Dat is activering. Ik noem het omkering. En ja, welk werk dat is, dat bepalen wij wel. Regressie verkocht als progressiviteit. Van D66 verbaast het niet. Van Groen Links valt op dat ze wel heel graag willen meeregeren. Van de PvdA? Ik heb er geen goed gevoel over zal ik maar zeggen.

Ik zou denken dat als er ooit een periode is geweest waarin je eisen aan de kwaliteit van werk en baan kunt stellen voordat je je schaarse mensen eraan uitlevert, dat die periode nu is. Ik zou ook denken dat de toets voor progressief sociaal beleid precies daar ligt: in de eisen die je stelt aan arbeidsplaatsen. Wat ik tot dusver aan plannetjes heb gezien gaat helemaal de andere kant op. Niet de mensen zijn schaars maar de arbeidsplaatsen zijn dat. Alsof werkloosheid (een tekort aan arbeidsplaatsen) het beleid bepaalt en niet het tekort aan mensen. Het is een heldere tegenstelling: arbeidsplaatsen zijn schaars of de mensen zijn dat. Voorheen kon je daar vrijwel alleen retorisch wat mee (uiteraard zijn de mensen ons echte kapitaal maar ons andere kapitaal is nog veel kapitaler, snapt u?). Vandaag de dag kun je er ook in het beleid wat mee (uw kapitale kapitaal moet een veer laten voor uw echte kapitaal). Want: mensen worden zo schaars dat er een tekort aan ontstaat. Ze zeggen het, dezelfden die de activering uitventen.

Ik wacht met spanning op de partij die het vizier richt op de kwaliteit van de arbeidsplaatsen, die daar eisen aan stelt en van die eisen voorwaarden maakt waaraan voldaan moet worden voordat er ook maar gedacht wordt aan het opleggen van sancties aan mensen die om een uitkering komen. Maak van de activerende sociale zekerheid een sociale zekerheid die eerst arbeidsplaatsen en pas dan mensen activeert en die, verder, mensen slechts activeert voor arbeidsplaatsen die de moeite waard zijn: voor mij is dat waar progressieve sociale politiek in bestaat. Los van dat progressieve: als je werkelijk van mening bent dat het aanbod van arbeid schaarser wordt dan ligt het nogal voor de hand om er zuinig mee om te springen. Alleen goed werk is goed genoeg en niet, zoals het beleid nu voorschrijft, elk werk is goed genoeg omdat werk altijd beter is dan geen werk. Dat is, in al z’n dogmatiek, niet alleen dogmatisch maar ook  een reactionair standpunt.

Vroeger dachten we dat we daar volledige werkgelegenheid voor nodig hadden, om dat te realiseren. Nu, die volledige werkgelegenheid komt er aan. Hoe harder geroepen wordt om meer arbeidsparticipatie hoe dichter we de volledige werkgelegenheid zijn genaderd. De roep om steeds meer arbeidsparticipatie moet het spook van de volledige werkgelegenheid verdrijven. Dan hangt het er maar vanaf waar je aan wilt bijdragen met je sociale zekerheid. Aan het uit alle macht voorkomen van een situatie van volledige werkgelegenheid of er met alle macht naar streven. Ooit was het laatste de progressieve inzet. Inmiddels is het eerste de orde van de dag. Ik pleit nog altijd voor het laatste. Het is actueler dan ooit.

4 april

=0=

 

Vertrouwelijk

En ook “vond ik het niet opportuun om verder die vertrouwelijke informatie door te sluizen naar de minister van Financiën.” Zei onze minister van Defensie, gisteravond in een uitzending van NOVA. Het ging om een brief die hij van de NAVO had ontvangen met daarin het verzoek om bij voorkeur in Uruzgan te blijven en anders maar wat te gaan helpen bij het trainen van de Afghanen. Het kabinet, vond Van Middelkoop, moest eerst over Uruzgan beslissen. Als dat zou worden verworpen kon de tweede voorkeur van de NAVO altijd nog in bespreking komen. Daar bleek de PvdA anders over te denken. Merkwaardig is dat Van Middelkoop op dat moment namens het kabinet een beslissing nam die niet de zijne was. Wat het kabinet moet doen is een beslissing van het kabinet, niet van de minister van defensie. Ja, zei Van Middelkoop, hij had wel met Balkenende overlegd maar de beslissing om de brief van de NAVO, waar Bos uitdrukkelijk en schriftelijk om had gevraagd, niet aan het kabinet aan te bieden was de zijne. Hij zal nog wel geen tijd hebben gehad het rapport van de commissie Davids te bestuderen.

Een raar kabinet waar de ministers elkaar zo weinig vertrouwen dat ze de informatie op basis waarvan je besluit voor het gemak maar even achter te houden. Een rare minister die beslist dat het ‘vertrouwelijke’ van de NAVO belangrijker is dan de eisen van een geregelde discussie in een kabinet. Het verheldert de verhoudingen wel, dat moet gezegd, maar het zijn verhoudingen die van elk overleg een treurige grap maken. Bovendien, wat was dat vertrouwelijke? Het kan niet, volgens Van Middelkoop, om die trainingen gaan want dat bericht circuleerde al. Tja, dat klopt want dat was ook de reden dat Bos om de brief vroeg. Hij wou het precies weten, want formuleringen in de politiek doen ertoe. Niet onredelijk, en het is niet aan Van Middelkoop om te bepalen wat z’n collega’s wel en niet mogen lezen. Tenzij die daar mee hebben ingestemd – en dat was in dit geval uitdrukkelijk niet zo. Aan de andere kant, als het het punt van de trainingen niet was, waarin bestond die ‘vertrouwelijke informatie’ dan wel?

Van Middelkoop is met voorsprong de brokkenpiloot van dit kabinet.

3 april

=0=

 

Risico’s en zekerheden

Het dertiende rapport van de studiegroep begrotingsruimte (een ambtelijke club, voorgezeten door de theasaurier-generaal van het Ministerie van Financiën en verder bevolkt door ambtenaren van financiën, EZ, SZW, VWS en BZK en door deskundigen van DNB en CPB) heeft een intrigerende titel: Risico’s en Zekerheden. Het rapport werd gelijktijdig gepubliceerd met de rapportages uit de ‘brede heroverweging’ (opdracht: hoe kunnen we praten over kosten zonder serieus op de effecten te letten), gisteren dus. Welke zekerheden hebben we eigenlijk nog en hoe spelen de risico’s daar in door? Het antwoord is eenvoudig: zekerheden zijn er niet en de risico’s hebben we steeds minder in de hand. Zo ongeveer sinds de EMU, begin jaren negentig dus, is de begrotingsvrijheid afgenomen (met het Groei en Stabiliteitspact als voorlopige kroon op het werk) en, tegelijk en wie weet heeft het één iets met het ander te maken, is de conjunctuurgevoeligheid van de begroting gestegen. Als het goed gaat gaat het meer dan goed, als het slecht gaat gaat het meer dan slecht. Daar komt het neer. Als definitie van conjunctuureffecten en de effecten van die effecten helemaal zo beroerd niet.

Het gaat slecht en dus hebben we een meer dan ongezellig tekort, en ook dat tekort op de begroting kan een eigen leven gaan leiden. Om dat tegen te gaan moet je weten wanneer dat het geval is. Dat heet het ‘houdbaarheidstekort’: zit het onder de grens dan is het tekort houdbaar, zit het tekort erboven dan is het tekort onhoudbaar. Het houdbaarheidstekort wordt geschat op 4½ procent van het bbp. Daar zitten we nu boven en om te zorgen dat we dat zo snel mogelijk weer ongedaan kunnen maken moet er in de komende kabinetsperiode minstens 15 en liever 18 miljard worden bezuinigd. Aardig is dat het houdbaarheidstekort hoger is dan het tekort dat het Pact toestaat. Het geeft te denken maar daar is de studiegroep niet voor aangesteld.

Omdat er geen zekerheden meer zijn (lees: de financiële sector houden we toch nooit meer in bedwang) en de risico’s steeds onbeheersbaarder zijn geworden en dat ook zullen blijven is het meer dan ooit nodig om dat beetje dat je nog wel controleert steeds strikter te controleren. Het is zoiets als een stijging van de zeespiegel die hoe dan ook de mogelijkheden voor dijkophoging overtreft en waaruit de conclusie wordt getrokken dat we meer aan dijkophoging moeten doen. En dat moet betaald worden weet u wel. Je zou denken dat we iets aan de stijging van de zeespiegel moeten doen. Maar we doen iets aan de dijken. Ook een gebaar en niet gespeend van goede wil. En weinig effectief hoe efficiënt we ook werken. Je boekt de efficiencywinst vooraf reeds in en bekreunt je niet om de effecten. Bij elkaar: een aantal rapporten van de brede heroverweging en het rapport van de studiegroep. Allemaal deskundigen, en bekwaam in de betekenis die Wim Kan daar ooit aan meegaf.

Het gaat niet goed met de deskundigheid in dit land. Het is een dressuur geworden. Het is tijd voor politiek. Maar dan dienen de politici zich niet als even deskundig ondeskundig te presenteren maar als politici. De eerste reacties op de studiegroep en de brede heroverweging stellen niet gerust. Nederland heeft een tekort aan politici en een opmerkelijk groot overschot aan zich wanende deskundigen, ook en met name in de politiek. Ook dat is, ongetwijfeld, een conjunctureel effect. Politici die menen dat de politieke conjunctuurcyclus gesynchroniseerd moet raken met de economische, dat wordt niks. Een meter die twee keer twee keer te veel uitslaat is op zichzelf een risico. Dat is in elk geval dan nog een zekerheid.

2 april

=0=

 

Tweetiende procent

Zoek het zelf maar uit. Dat is de boodschap van het rijk aan WAO-ers. Er is geen geld meer bij het UWV en dus moet er worden gekozen. Het is een merkwaardige uitspraak. Het zijn er twee: het geld is op en het geld is niet op want er is gekozen. Als het geld op is, is er geen geld en ook geen keuze. Als het geld nog niet op is maar er is wel een tekort dan moet je kiezen. En dan kies je de kanslozen. Er is een pikorde, de WAO-ers staan onderaan in de pikorde. Aan een dood paard moet je niet gaan trekken. Er is wel enige hoop: als de WAO-er zelf aan de bel trekt is het niet uitgesloten dat het UWV de hand over het hart strijkt. Die vrijheid heeft de instantie, volgens directeur Linthorst, dan weer wel. Het UWV gaat, met de overheid als aanstichter, over van plichten naar gunsten.

Het moet vooral zo blijven als het was, alleen een beetje beroerder. Het zijn moeilijke tijden dus waar werkgevers vooral geen behoefte aan hebben is aan mensen waaraan je onmiddellijk kunt aflezen dat er met hen ergens onderweg iets fout is gegaan. Niet dat ze ervoor gekozen hebben. Ze hebben pech gehad en zoals bij elke fatsoenlijke loterij kun je aan nieten geen rechten ontlenen. Jammer voor hen, maar een werkgever kan er niks mee. Zolang je nog een band hebt met een werkgever mag je verwachten – en dat is geen loze verwachting – dat je werkgever z’n best doet, als je geen band meer hebt sta je met hoofdletters maar zonder kapitalen buiten de gesloten deur. Het was voorspelbaar. Zou ik in zo’n positie verkeren, ik zou me afvragen of ik niet jarenlang premies had betaald voor allerlei verzekeringen die wel innen en niet uitkeren. Werk voor inkomen, er zijn premies voor geheven en het inkomen is gekort en naar het werk kun je fluiten. Boerenbedrog. De gotspe van de werk, werk, werk beweging. Het minste wat we van de overheid hadden mogen verwachten was het afschaffen van de werknemerspremies geweest. Gewoon, fiscaliseren. Het is bedrog en het is diefstal. De werknemersverzekering hebben niets meer met verzekeringen te maken. De band was altijd al heel dun tussen premie en rechten, hij is nu compleet doorgesneden. Controversieel is het niet. Het rijk doet het gewoon en geen haan die ernaar kraait. De obligate krokodillentranen zullen nog wel geplengd worden en daarna gaan we over naar onze orde van onze dag. En dat is premie heffen, de werklozen streng aanspreken en de werkgever uit de wind houden. Die heeft het al druk genoeg. Daar kan niets meer bij. Er moet eerder iets van af.

Zoals de plicht tot scholen als je als bedrijf een graantje hebt weten mee te pikken uit de ruif van de deeltijd-WW. Er was een scholingsfonds bij die regeling van 19 miljoen euro, bedoeld om de kennis en kunde van de deelwerkloze op te vijzelen, zijn inzetbaarheid te verstreken. Ze zouden er zelf van profiteren, stagiaires zouden er van kunnen profiteren en het bedrijf zou ervan profiteren. Tenzij het bedrijf er even geen tijd voor had of andere moverende redenen had om niets te doen. Van die 19 miljoen is 20.000 euro besteed. Tweetiende procent. Het is hoon. Het kan de overheid niet schelen. De regeling bestaat nog, en je moet niet op alle slakken zout leggen. Zeg nou zelf. De werkgever heeft het al druk genoeg.

De regionalisering van de arbeidsvoorziening? Heel erg nodig, zegt Linthorst. Maar het gebeurt niet, “terwijl iedereen al jaren weet dat je het zo moet doen”. Tja, maar geen tijd hè. Iets voor na de crisis dan? Ik vraag het me af want dan hebben we het weer anders druk, beter druk, leuker druk. Misschien een regionaliseringsfondsje opzetten, gefinancierd uit de premies? We kunnen zo 19 miljoen aanwijzen. Is dat niet een aardig begin?

1 april

=0=

 

Verkiezingsprogramma’s

Zoetjesaan druppelen de verkiezingsprogramma’s binnen. Of ze de kiezer veel te melden hebben valt te bezien. Het lijkt er voorlopig meer op dat ze gericht zijn op de stemmen van de achterban van mogelijke coalitiepartners (liever die stemmen dan die partners zelf) en op de surfende kiezer dan op de stemmen van de eigen achterban. Veel visie zit er nog niet in, wel veel opgeklopte flinkheid. Het zijn opgeleukte kliekjes, voornamelijk. Groen Links is de uitzondering. Maar nog niet alles is binnen. Het is veel moeite voor weinig kiezersopbrengst maar alle beetjes helpen en je moet elkaar na de verkiezingen een beetje op weg helpen. Met je programma.

Over de zekerheid voor de huizenbezitter wordt getwist – volgens sommigen is dat op zich al voldoende om er onzeker van te worden. De sociale onzekerheid wordt opgevoerd – daar kunnen we zeker van zijn dus daar wordt niemand – blijkbaar – nog onzekerder van. Ze zijn al onzeker genoeg. Het went niet maar ook dat went. In de Nederlandse politiek zijn wel degelijk constanten aan te wijzen.

Over de financiële kansspelen, de programma’s gaan er zo’n beetje aan voorbij. Ook dat is een constante in de Nederlandse politiek. Majeure veranderingen (de oorlog met Irak, de uitbreiding van de EU met liefst tien nieuwe lidstaten in één keer in 2003 en nu de crisis) halen geen verkiezingsprogramma’s. Geldt ook, met de hangen en wurgen regeling rond Griekenland als voorbeeld,  voor de sluipende politisering van de EU – die we liever ontkennen. Dat is zonder twijfel één reden dat programma’s niet serieus worden genomen. Een tweede is dat zelfs de zaken die er wel in staan de jaren erop toch sneuvelen. Dat vereist het landsbelang.

Toch is het wonderlijk. Her en der wordt gesproken van een bankenbelasting. Een reguliere transactiebelasting is ook denkbaar. Het ontkoppelen van de beloning voor advies en de omvang van de transactie is een derde. Het doorsnijden van de band zakenbank/consumentenbank een vierde. Het stroomlijnen van het toezicht van DNB en AFM een vierde. Het verplicht aanmelden van nieuwe financiële producten – en ze aan toets onderwerpen, vergelijkbaar met die voor medicijnen – is een vijfde. Er zal wel meer zijn. Het ontbreekt wholesale. Bijgevolg krijgen ook de biedingen over wie het best de staatsschuld in de hand weet te houden door het begrotingstekort een kopje kleiner te maken iets lachwekkends. We maken de bewegingen maar vraag ons niet of we misschien beter wat anders hadden kunnen doen. Dat hangt namelijk niet van ons af, maar van dezelfde financiële markten die we ons uit handen hebben laten glippen.

Verkiezingsprogramma’s zijn wonderlijke constructen. Het uitgangspunt is dat elke kiezer meer keuzemogelijkheden heeft dan keuzecapaciteit. Dat lijdt tot twijfel, voordat je kiest en nadat je gekozen hebt. De programma’s zijn erop gericht de twijfel bij het kiezen te reduceren. Ze dragen er, per definitie, ook aan bij. Dat is niet erg want als je weet dat de keuze toch overgedetermineerd is dan probeer je met je programma de kiezer weg te houden van andere keuzemogelijkheden en daardoor de uitkomst in jouw voordeel te veranderen. Het ligt voor de hand en het heeft vrijwel geen effect. De kiezer vergelijkt misschien wel helemaal geen programma’s en omdat de kiezer heel goed weet dat er toch geen beginnen aan is kan hij net zo goed op andere dan programmasignalen afgaan. Of je nu door de kat of door de hond wordt overgedetermineerd hangt dan alleen nog af van je voorkeur voor katten of honden. Het kan ook het christendom, het humanisme, de islam, het boeddhisme, het jodendom en nog wel meer ook zijn. Iets moet de doorslag geven en de kans dat het verkiezingsprogramma dat is, is voor de kiezer wel heel erg nietig.

Het is helemaal niet gek dat verkiezingsprogramma’s kwakkelende marketingproducten zijn geworden. Zolang het een beetje oogt, wat zou het verder ook. Zelfs als hond noch kat het dan nog kunnen verstaan. Het verkiezingsprogramma werkt alleen achteraf: om je stemtwijfel bevestigd te zien en je de kans te geven dat door middel van, bijvoorbeeld, een peiling openbaar te maken. Ook een functie.

31 maart

=0=

 

Kinderhand

Het gebeurt me niet elke dag dat ik een krant in handen gedrukt krijg van de hoofdredacteur. Maar gisteren overkwam het me. Pieter Broertjes stond met een aantal collega’s bij de ingang van het Centaal Station in Amsterdam. U wilt vast wel een krant, zei hij. Van u zeker, antwoordde ik. De nieuwe Volkskrant, net als Trouw op tabloid formaat.  Waarom ik zei wat ik zei weet ik niet. Spontaniteit is me al decennia lang niet echt eigen dus wat het was? De kinderhand, bedacht ik. Gauw gevuld. Het zijn de kleine dingen, weet je wel.
In de krant onder meer een paar kleine columns met als titel ‘hallo kleine krant’. De aardigste was die van Agnes Jongerius. Zij komt overigens nog een keer voor in de kolommen, in de vorm van een lang interview, de eerste in een reeks interviews over ‘onze toekomst’. Dat valt dan weer wat tegen. Dat heb je met die kinderhanden. Zo zit er wat in en zo ben je het weer kwijt. De kleine Amalia, die haar spaargeld naar Haïti heeft moeten laten afreizen, kan er over meepraten. Kan je weer opnieuw beginnen. Haar ouders hadden beter een mooi vakantiehuis op Haïti kunnen kopen. Veel beter voor de lokale economie en zo. Voor de toekomst.
Een maatschappij kan niet zonder het grote verhaal, verklaart Jongerius. En de Olympische Spelen in 2028 is daarvoor te dun. Dus wat is ‘ons wenkend perspectief’? Ze vindt dat het van de overheid moet komen (‘een plan voor de toekomst’, dat de overheid ‘op tafel legt’ en ‘dat voor iedereen een nieuw houvast biedt’: daar is behoefte aan). Veel hoop heeft ze niet op dat plan. Overheid en wetenschap zijn de afgelopen vijftien jaar helemaal verslingerd geraakt aan het ‘liedje van meer markt, meer zon, meer gezelligheid’. Het liedje is versleten, en een nieuw liedje kondigt zich niet aan. Van haar zal het niet komen: de toekomst moet kennelijk door anderen worden bedacht.
Dat is armoe. Nog erger is dat denken in termen van een ‘plan’. Opnieuw de leus ‘het moet, het kan, op voor het Plan’? Nee, zelfs dat niet. Het Plan van de Arbeid kwam destijds – hartje vorige grote crisis – tenminste nog van een politieke partij, van de SDAP, en niet van de overheid. Het moest mensen in beweging brengen, niet een overheid. Die was als uitvoerder gedacht, als onderaannemer, niet als inspirator. Jammer, als je als voorzitter van de grootste vakcentrale van het land niets hebt te melden over de door jou gedachte toekomst, als je geen vertrouwen hebt in partijen en bewegingen en als je de zegen verwacht van de overheid. Jammer – en armoedig. Een nederlaag.

30 maart

=0=

 

Consistentie

De Nederlandse Mededingingsautoriteit is bang dat een volgend kabinet gaat sleutelen aan de marktwerking in de zorgsector. Niet doen, zegt de directeur van het instituut. Het geeft verwarring en je krijgt ook kosten. Alles kan altijd beter maar als je wat doet, zorg dan wel dat je consistent bezig blijft. Bovendien heeft de marktwerking al veel goeds gebracht. Dat moet dan wel voor de consument zijn want het welzijn van de consument is in laatste instantie de missie van de NMa.

De vraag is: hoort het bij de taken van de NMa een kabinet te vertellen wat het beter niet kan doen? Ik heb het nergens kunnen vinden. De NMa is de de DNB niet want de bank heeft wel degelijk een adviestaak en die strekt verder dan verstandig begroten en hoe inflatie tegen te gaan. Wanneer Wellink afraadt de hypotheekrenteaftrek aan te pakken omdat het nu het foute tijdstip is dan mag hij dat doen. Het is ook goed dat hij dat doet. Maar de NMa is de DNB niet. De NMa voert het mededingingsbeleid uit, het ontwerpt het niet. We moeten de NMa niet vergelijken met de DNB maar met het UWV. De enige consistentie die de NMa moet betrachten is zich verre van het beleid te houden en niet op uitvoeringsproblemen te preluderen van een eventuele nieuwe uitvoeringspraktijk waarvan zelfs de contouren nog niet bekend zijn. Zo moeilijk is dat toch niet?

Verwarring? De zorgverzekeraars delen de angsten van de NMa. Ze zijn bang voor minder markt, en hopen op meer markt. Klink was ook een eind op weg, maar werd onderbroken door de val van het kabinet. Geeft dat verwarring? En voor wie dan? Als we de pleidooien voor overheveling van delen van de AWBZ naar de zorgverzekeringswet bekijken (nadat al eerder de huishoudelijke verzorging uit de AWBZ is gelicht en naar de WMO is gegaan), zou dat voor de mensen die afhankelijk zijn van de AWBZ niet enige verwarring kunnen creëren? Is in die zorgsector de verwarring al niet tamelijk groot voor de patiënten? Zou de NMa, voordat het nog een keer het verwarringswapen in stelling brengt, niet even moeten nagaan of daarmee het consumentenbelang is gediend?

Het commentaar in Trouw vandaag herhaalt de positie van de NMa: de markt is vooralsnog het beste antwoord op de stijgende zorgvraag. Dat kun je maar op één manier lezen: het aanbod aan zorg reageert beter op marktprijzen dan op de via door de overheid vastgestelde budgetten. Trouw geeft onmiddellijk toe dat het voorbeeld van de thuiszorg geen sterk bewijs voor de stelling is maar toch. Maar toch? Vanuit de vraag gezien is de vermarkting van de thuiszorg geen winst en daar zit tegelijk het probleem. Meer aanbieders betekent in de thuiszorg een versnippering van het aanbod en, inderdaad, verwarring voor de patiënt en een dalende kwaliteit want een opgeknipte dienstverlening is geen betere dienstverlening. Wel een dienstverlening met veel meer transactiekosten: er moet steeds meer gecoördineerd worden en die kosten worden afgewenteld door de druk op het uitvoerende werk te vergroten. Er moet per slot wel winst worden gemaakt.

Het zou de voorstanders van meer markt sieren als ze om te beginnen zouden toegeven dat het er met de thuiszorg niet beter op is geworden. Er is een kleinschalige tegenbeweging op gang gekomen, waar de zorgversnippering weer is opgeheven en de waanzinnige transactiekosten effectief worden bestreden, maar dat is een reactie op de marktwerking en zou eerder verwijzen naar de kansen voor zorg op de maat van een ‘derde’ sector, naast markt en overheid, dan dat het een illustratie is van de effectiviteit van de markt.

Wat daaraan aantrekkelijk is, aan die derde sector, is de voorrang die gegeven wordt aan de relatie tussen patiënt en hulpverlener. Het is precies die relatie die in het geheel van de gezondheidszorg steeds meer onder druk is komen te staan. Het succes van de  zorgverzekeringswet zou, vanuit het perspectief van de NMa en diens missie van de ‘consument’, daaraan moeten worden afgemeten. Er is niets in de praktijken van de NMa dat daar zelfs maar aan doet denken. In een zorgrelatie spelen drie aspecten: die van de directe en unieke relatie van hulpverlener en patiënt, die van de professionele codes waaraan de hulpverlener gehouden is, en die van de maatschappelijke belangen bij gezondheid, vergeleken met andere maatschappelijke belangen en hun kosten en opbrengsten. De zorgverzekeringswet gaat over het laatste, zet het tweede onder steeds meer druk en vergeet het eerste. Consistentie is in die situatie het afmaken van het karwei: de patiënt niet als patiënt maar als een serie aandoeningen die elk afzonderlijk worden verhandeld.

Je hebt soms de indruk dat zorgverzekeraars meer op hun markt letten dan op hun verzekerden. Dat is niet vreemd. Wel vreemd is dat ze daar in de NMa een bondgenoot in vinden.

29 maart

=0=

 

Hoektand

Evolutionair gezien staat het er met onze hoektanden niet best voor. Ze zijn steeds minder prominent geworden. Misschien verdwijnen ze wel op de lange duur. En sommige kinderen komen aan het wisselen van hun hoektanden niet toe, hoewel dat zo rond je dertiende wel eens had mogen gebeuren. Dat is nog heel wat, dat wisselen, want hoektanden zijn belangrijk voor een knap gebit. De beugeltandarts schijnt er een aardige boterham aan te verdienen. Voor sommige beroepsbeoefenaren is de medische zorg te profijtelijk. Maar daar wil ik het niet over hebben.

Ik heb dat over die hoektanden even opgezocht omdat Elly en ik gisteravond een onthutsende film hebben gezien, Dogtooth. We observeren een gezin, vader, moeder, drie kinderen. Namen hebben ze niet. De kinderen zijn de dertien ruimschoots gepasseerd. En ze hebben hun hoektanden nog niet gewisseld. Vermoedelijk horen ze bij de categorie waarbij het wisselen niet gaat gebeuren. Ze weten het niet. Het enige wat ze weten is dat ze het ouderlijk huis niet mogen verlaten voordat ze hun hoektanden hebben gewisseld. Dat kon in hun geval dan wel eens levenslang worden. Je moet er maar op komen. De ouders, we vermoeden de vader, zijn erop gekomen. De leefwereld van de kinderen is niet groter dan het huis en de tuin. Eromheen een hek. Les krijgen de kinderen via door hun moeder ingesproken bandjes – waarin de wereld op een grotesk vertekende manier wordt verhaald en verbeeld, en wat niet in de les gebeurt wordt wel op andere wijze bijgebracht. Poezen zijn gevaarlijk, bijvoorbeeld. Het huisregiem is streng, de jaloezie tussen de kinderen wordt voortdurend aangewakkerd. Na-ijver en wreedheid kenmerken de onderlinge betrekkingen. Alles is onder controle en zonder geweten. De zin zit in de consequent volgehouden, geordende, afgedwongen zinloosheid.

Alleen de vader komt in de buitenwereld. Hij werkt, hij doet de boodschappen en hij brengt af en toe Christina mee, de beveiligingsbeambte bij het bedrijf waar hij werkt. Zij de poortwachter voor het bedrijf, hij voor het gezin. Zij laat hem toe, hij laat haar toe. Overigens is zijn werk even nondescript als het bedrijf waar hij werkt, als het kantoor waarin hij werkt, als het gesprek met de spaarzame collega, als het terrein en de gebouwen die bij het bedrijf horen, als de omgeving. Wanneer Christina met hem meegaat moet ze een blinddoek om. Waar niets te zien is moet alles onzichtbaar blijven. De wereld van de vader is niet veel groter dan die van zijn kinderen of van zijn vrouw.

Christina wordt meegenomen voor de seks. Ze bedient de zoon want jongens hebben seksuele behoeften. Meisjes niet en dat is, los van het onverholen seksisme, een beetje dom van vader en moeder. Christina blijkt namelijk wel degelijk seksuele behoeften te hebben en steekt die ook niet onder stoelen of banken voor de oudste dochter. Die tegen een vergoeding (een ‘cadeautje’) tot het nodige bereid blijkt. Seks kost geld, seks is een instrument, voor seks moet je durven omkopen, en jongens hebben meer rechten dan meisjes. De echte wereld, kortom. Als Christina – de omkooppoging van haar komt uit – uit beeld verdwijnt mag de oudste dochter haar rol overnemen. Iemand moet het doen. Als de oudste dochter niet beschikbaar is, dan de jongste maar.

De oudste dochter is niet meer beschikbaar vanaf het moment dat ze een kleine halter heeft gehanteerd om die verdomde hoektand van haar eruit te slaan. Bloederig maar succesvol. Zij kan naar buiten. Ze loopt, het is in de nacht, naar de rand van het terrein, naar de plek waar de auto van haar vader staat. Ze kruipt in de kofferbak. De volgende ochtend – er is door de anderen naar haar gezocht, ze heeft zich niet gemeld – rijdt haar vader naar z’n werk.

Van binnenuit gaat een kofferbak niet open. Vanzelf ook niet. Een hoektand is een oplossing voor niks. Geen hoektand net zo. Een geparkeerde auto op een bedrijfsterrein is het laatste beeld van de film.  

28 maart

=0=

 

Retro

Je hoeft geen econoom te zijn om te weten dat er ergens onderweg in de economie (het stelsel en de theorie van het stelsel) iets onbehoorlijk fout is gegaan. Over dat stelsel zijn de nodige klachten geuit. Over de theorie een stuk minder. In ons land zijn het nog steeds dezelfde economen die niet weten hoe het zo gekomen is en wel weten wat de beste oplossing is. Voor beide varianten gebruiken ze dezelfde theorie. Verfrissend daarom dat een politicus van mening is dat we niet slechts het stelsel maar tevens de theorie moeten aanpakken: ‘De erkenning dat het internationale financiële systeem, en – laten we dat vooral niet vergeten – de economische theorie die er aan ten grondslag ligt, niet deugt, is fundamenteel. Zonder die erkenning, zal het snel back to business zijn – met alle risico’s van dien.’ Was getekend: Job Cohen. Van alle politici is hij de man die Keynes heeft begrepen: we hebben last van slechte ideeën want ze zijn niet alleen slecht maar ze verhinderen ook het zicht op goede ideeën (: ‘The difficulty lies, not in the new ideas, but in escaping from the old ones, which ramify, for those brought up as most of us have been, into every corner of our minds’). Theorie en stelsel van de economie zijn vormen van communicatie. Het is tijd de toon van de communicatie opnieuw te zetten.

Cohen heeft bovendien goed door dat de moeilijkheid niet in een te weinig aan markten zit, maar in een te weinig aan effectieve regulering. Die internationaal en ‘in het bijzonder’ Europees moet zijn en gericht op het temmen van de financiële sector. Het hoe staat er niet bij maar dat er een krachtiger EU voor nodig is mag als het beste nieuws sinds tijden heten, ook al spreekt het vanzelf, juist omdat het vanzelf spreekt en zo weinig wordt gehoord. Europa? Nog even en we zijn een filiaal van het IMF, de instelling die de VS uit de wind houdt en elk ander land vertelt dat uit hun wind storm voor hen wordt geboren. Het gekraai van Balkenende, naar aanleiding van de top over Griekenland, is de zoveelste ontkenning van de EU als een politieke entiteit. De Tweede Kamer vindt het prachtig. Wij beschermen onze belastingbetalers, is het motto. Het was me de laatste jaren niet opgevallen en daar gaat het ook niet over. Het gaat erover dat de politieke constellatie van de EU niet sterker mag worden. Missie geslaagd. Ik lees de lezing van Cohen als een uiterst welkome aankondiging van de nood aan een sterkere EU, niet aan een zwakkere – de EU waar Nederland zich de laatste jaren aan verpand lijkt te hebben.
Cohen wil best eens nadenken over een verplichte scheiding tussen zakenbanken en consumentenbanken en over het opbreken van al te grote banken. Naar ik gisteren uit een interview met een Engelse bankendeskundige begreep is de pure omvang van banken (grote banken zijn niet slechts ‘too big to fail’ maar ook ‘too big to manage’: interview met Charles Goodhart, NRC Handelsblad 26 maart)  inderdaad een probleem op zich. Laten we hopen dat Wellink het interview ook leest. Voor Cohen is het geen nieuws. Zijn leus (niet overnemen maar ondernemen) is een rake. En ja, dat Cohen een pleidooi houdt voor een Rijnlands geïnspireerd bedrijfsleven, het zal niet verbazen en het zal ook niet verbazen dat in dat kader ook de verzelfstandigingsmanie van de overheidstaken van de laatste decennia bij hem op weinig applaus mag rekenen. Wie weet hebben we hier een politicus die de luie onderscheiding van wat en hoe (het wat blijft van de overheid, het hoe besteden we uit) eens ter discussie gaat stellen. Cohen, per slot, pleit ook voor professionaliteit en vakmanschap en wat je daar verder ook onder mag verstaan, een uit elkaar halen van het wat en het hoe hoort er niet bij. En passant worden een boel recente wat/hoe heilige huisjes – van de WRR tot en met de commissie Dijsselbloem – onderuit gehaald. Nu nog even doorpakken. Ouwe denkreflexen ontmantelen – Cohen heeft er een heel programma over aangekondigd, gisteren in zijn lezing.

De noemer waaronder het plaatsvindt wordt door Cohen ‘retro-innovatie’ genoemd. Oude recepten in een nieuw jasje. Dat nieuwe jasje, dat zal dan toch een andere politiek moeten zijn. Een paar contouren ervan heeft Cohen nu aangegeven. Dat is mooi. Echter, geen effectieve politiek zonder effectieve staatsmacht. Waar vinden we die? Niet meer in Nederland en nog niet in de EU. Welke kant het op moet? Dat is niet verrassend. Inderdaad, ‘in het bijzonder’ de kant van de EU op. Het staat er nog net niet met zoveel woorden maar ik sluit niet uit dat we op weg zijn naar een debat, niet over Nederland-en-Europa maar over Nederland-in-Europa. Alleen dat al is winst. In de VS is de staat Californië ongeveer failliet en niemand in de VS die er ook maar over peinst die staat uit het Amerikaanse geldsysteem te kieperen. In vergelijking met de longontsteking van die staat lijdt Griekenland aan een zware verkoudheid en toch duiken suggesties op om Griekenland uit het eurostelsel te verwijderen. Dergelijke suggesties, ze maken van de politiek een benepen toepassing van economisch conservatisme, alsof de toekomst van de politiek in de economie ligt. Cohen heeft het omgedraaid, gisteren. De toekomst van de economie is politiek. Cohen poneert het. Voorlopig ben ik er heel blij mee.

27 maart

=0=

 

Evident

In de Volkskrant schrijven twee hoogleraren ‘evidence based education’ dat het in het onderwijs beter kan met minder. Dat is goed nieuws want het onderwijs zal er niet in slagen voldoende nieuwe docenten aan te trekken en dan is het prettig als dat ook helemaal niet nodig is. Hoe ze dat weten? Ze weten het. Zijn er misschien iets minder jongeren die kunnen bijspringen? Ook niet. Weten ze dat allemaal? Ze weten het allemaal. Daarom liever minder maar beter, betogen onze pillendraaiers. Want pillendraaiers, dat zijn het. De werking van de pil is de evidentie. Het doet er niet toe of het een cursus is, een klaslokaal, een mooie school, of een leraar. Allemaal pillen, die je allemaal kunt toedienen en waarvan je het ‘effect’ kunt meten. Moet je wel goed doen, experimenteel bij voorkeur. Inderdaad, medicijnenonderzoek. En ja, we weten dat het experimentele onderzoek over de interactie van medicijnen (de meeste medicijngebruikers gebruiken meer medicijnen) minder ontwikkeld is, maar dat houdt toch niet in dat we het effect van viagra niet kunnen meten?

Laten we beginnen met de evidentie waarvoor geen evidentie nodig is. Een goede leraar is beter dan een slechte. Een bittere pil voor de minkukels, maar het is niet anders. Kan niemand het mee oneens zijn. De vraag is dan niet alleen of een goede leraar ‘werkt’ maar ook wat een slechte leraar kapot maakt en wat de aard van de schade is. Juist als je het farmaceutisch model aanhangt. Compenseerbaar, onherstelbaar, dat soort dingen. Wordt in dat model ook streng onderzocht. Dat is uiteraard geen kwestie van meer of minder, want betere prestaties en onherstelbare schade liggen niet op dezelfde meetlat. Ze zijn niet van dezelfde ‘kwaliteit’. Tenzij je van de sociaalwetenschappelijke ‘evidence based’ persuasie bent want dan is alles met alles vergelijkbaar. Dan kom je tot verbijsterende uitspraken in de trant van dat ‘ongeveer’ de helft van de leerprestaties ‘bepaald’ wordt door de eigenschappen van de leerling en ‘ongeveer’ een derde door de kwaliteit van de leraar. De eerste de beste voetbaltrainer weet beter. Niettemin, het staat er en het is ‘evidence based’, dus daar kunnen we op bouwen. We vervangen het nadenken door de methode want ook voor nadenken hebben we een methode. Eén methode. Voor alles. Ze noemen het onderzoek, het is niet meer dan exegese.

Ik hoor zojuist op de radio dat de psychoanalyse uit het basispakket wordt gehaald. De effectiviteit ervan kan niet ‘evidence based’ worden aangetoond. Ook de re-integratie staat op de tocht. De ‘evidence based’ werkzaamheid wordt betwijfeld. Daar kunnen we de belastingbetaler niet langer voor laten opdraaien. Ik vraag me af hoeveel ambtelijk bedachte bezuinigingen voor de nabije toekomst worden gemotiveerd met vergelijkbare evidentietekorten. Ik zou het ze aanbevelen, die ambtenaren. Als je liegt, dan beter in commissie met de wetenschap.

De aanhangers van het evidence-based onderzoek in het onderwijs gebruiken het foute model – onderwijs is geen toegepaste farmacie – en nemen dat model bovendien niet serieus. Meer nog, ze nemen het onderwijs zelf niet serieus.

26 maart

=0=

 

Ondernemerspolitiek

Uit een peiling blijkt dat de ondernemers het liefst Job Cohen als premier zien. Niet Rutte, niet Pechtold en al helemaal Balkenende niet. PVV en CU spelen geen rol voor de ondernemers. Ze hebben bovendien een voorkeur voor een paars kabinet. Allemaal goed voor de economie. VVD en D66 moeten al te wilde plannen van de PvdA intomen. Zo nodig mogen CDA of Groen Links aanschuiven. Dat laatste zegt veel over de nieuwe, ‘liberale’,  positie van Groen Links. Ongevaarlijk zullen we maar zeggen. De vorige paarse periode is dat intomen van de PvdA meer dan voortreffelijk gelukt. Dat willen ze nog een keer.
Voor Balkenende moet het resultaat zeer teleurstellend zijn geweest. Hij mag zich zo graag op de borst slaan als een premier die de economie al jaren achtereen bekwaam door woelige tijden heeft weten te loodsen. De man die Nederland ‘toekomstbestendig’ heeft gemaakt. Hebben we niet de laagste werkloosheidscijfers van de gehele EU? Nou dan. Ondank is ’s werelds loon. En een ondernemer is niet hetzelfde als een werkgever. Zouden de werkgevers hem misschien meer krediet geven dan hij nu van de ondernemers heeft gehad? Het zou kunnen, want de economie is internationaal en de sociale onzekerheden nog niet. Als je alle risico’s bij de werknemers legt heb je nog geen goede economie. Ondernemers weten dat. Ze aanvaarden graag het eerste maar zijn pas echt blij met een economie met open vensters. Een internationale economie. Dan hebben we het al lang niet meer over premies. Wel over belastingen en belastingvoordeeltjes, over ‘vestigingsklimaat’. En over een beetje voorspelbaarheid.
Daar heeft het aan ontbroken, de laatste jaren, met het gedoe over de Europese grondwetdiegeengrondwetis als hoogtepunt. Van fel voor naar ernstige bezwaren, het was en is een vertoning geweest die niets met serieus beleid en alles met het kietelen van de boze kiezer te maken had. Dat gaat nog steeds door. In de kwestie rond Griekenland steunt Balkenende op Merkel, niet op De Jager. De man is een windvaan en de ondernemers hebben het hem nu laten weten.
De ondernemers hebben laten weten dat ze enige consistentie hoger waarderen dan met alle kiezerswinden meewaaien. Dat nieuwe paars wordt niks – de VVD stijgt niet boven Balkenende uit en om dezelfde redenen – maar het sentiment valt te billijken. Nou vooruit, laat ik wat guller zijn. Het valt te prijzen. Zo, dat is er uit.

24 maart

=0=

 

Omweg

Komt het er, via een omweg, dan toch van? De omweg is lang en loopt van het startschot (binnen de kerk begane misdaden), het vervolg (het door diezelfde kerk verzwijgen van misdaden), een opvoedkundige tik (een uitspraak van het Europese Hof) naar een heuse actie (enkele advocaten die met die uitspraak een zaak beginnen tegen de kerk, het aartsbisdom Utrecht, als criminele organisatie en, bij het Europese Hof, tegen de staat die z’n verantwoordelijkheden ontloopt). Dat laatste is in elk geval een stuk beter dan de flauwe smoes van Rouvoet die aanneemt dat als Deetman toch bezig is hij de eventuele miskleunen van de kinderbescherming ook wel even kan meenemen. Rouvoet is wel de laatste van wie ik zou vermoeden dat hij van de school is die van godsdienst een privézaak maakt.

Over Rouvoet heb ik me verbaasd. Zelfs als de kinderbescherming ter discussie staat vindt hij het nog altijd best als niet de staat dat onderzoekt maar een door de gelovige vleeshandelaren zelf aangestelde voedsel- en warenautoriteit. Wat moet er wel niet gebeuren voordat de overheid zelf in het geweer komt en de lezing van de scheiding van kerk en staat niet langer opvat als een radicaal non-interventiebeginsel? Een moord? Bedreiging? Chantage? We zullen het vermoedelijk nooit te weten komen want nu hebben enkele advocaten het initiatief naar zich toegetrokken. Wegens verregaande nalatigheid van de overheid.

Te hopen is dat de aanklachten tegen de kerk en tegen de staat zich in elk geval zo ver zullen uitstrekken dat alle gegevens door het OM worden opgehaald en geanalyseerd en niet door Deetman. Te hopen is overigens ook dat Deetman het verzoek van Rouvoet afwijst en de minister aan het verstand peutert dat de overheid verantwoordelijk is voor de kinderbescherming en geen enkele andere instantie. Het begint er zo langzamerhand op te lijken dat Ayaan Hirsi Ali tot minister van justitie kan worden benoemd en Amanda Kluveld tot minister van binnenlandse zaken. In de strijd tegen de islam moet je niet kleinzielig zijn en wat in die islamitische scholen en moskeeën gebeurt is ongetwijfeld en vast en zeker vele malen erger dan wat christelijk Nederland zich zelfs maar zou durven permitteren. En wees nou eerlijk, de staat kan niet achter alles tegelijk aanlopen.

Sommige voordeuren zijn meer gelijk dan andere voordeuren. De overheid komt er tot dusver fluitend mee weg want de Kamer legt de overheid geen strobreed in de weg. Je hebt er niet eens achterkamertjes voor nodig. Ook geen media overigens. Die hebben het veel te druk gehad met de moord op een meisje in Dordrecht. Ook die kunnen niet alles tegelijk maar sommige dingen, daar zijn ze heel goed in. Een beetje cultuurkennis en een beetje inzicht in onze normen en waarden volstaan.

Goed dat er advocaten zijn. Sommige omwegen zijn beter dan de onnavolgbare, want niet betreden, wegen van de overheid.

23 maart

=0=

 

Staking

Bij British Airways staakt het cabinepersoneel. In Nederland staken her en der de schoonmakers. Ze horen beide niet tot de categorieën personeel die het eerst aan de noodrem trekken. Dat ze het nu toch doen geeft aan dat ze er niet langer voor voelen de sluitpost van de begroting te zijn want als je sluitpost bent, ben je bij de eersten die de klappen van de teruggang mogen opvangen. Daarbij geldt dat hoe zwakker je bent, hoe minder aandacht je mobiliseert. Het cabinepersoneel heeft onvergelijkelijk veel meer aandacht gekregen dan de schoonmakers.

Toch staken die al drie weken. Officieel dan, spontane acties waren er al in februari. Ook in januari werd gestaakt en vorig jaar. De belangstelling is mondjesmaat. FNV Bondgenoten staat achter de acties maar een vakbewegingsbrede steun (het besmet verklaren van alle schoonmaakwerk) blijft uit. Het Alternatief Voor Vakbond zwijgt, net als vorig jaar, in alle talen. Het is hun publiek niet. Politieke partijen, de SP van Roemer uitgezonderd, laten evenmin iets van zich horen. Het zijn amper stemmers, die schoonmakers, en voor zover ze mogen stemmen zijn ze de moeite niet waard. Een coalitie met losers heeft geen perspectief. Laat het maar doodbloeden.

Aan de ondernemerskant wijst iedereen naar ieder ander. De opdrachtgever wijst naar de opdrachtnemer, de opdrachtnemer naar de opdrachtgever. En waar gaat het om? Om iets minder onbeschoftheid, iets meer betaling, vaster werk en een reiskostenvergoeding die niet drie keer niks is. Zit dat er in? Dat is maar zeer de vraag, in het bijzonder bij de onbeschoftheid en het vastere werk. De onbeschoftheid is ingebakken. Sta toe om van elke contractuele verplichting verlost te worden door een simpele naamswijziging van je bedrijf, gevolgd door het uitschrijven van je oude en het inschrijven van je nieuwe bedrijf, en vast werk voor de mensen die je inhuurt is een illusie geworden. We staan het toe en dus is de wet Flex en Zeker voor schoonmakers een volmaakt dode letter. We handhaven ons suf maar dit kan niemand wat schelen. We roepen op tot fatsoen en zelfs tot een fatsoenlijke samenleving en we staan situaties toe die elk fatsoen onmogelijk maken. Iedereen weet het, niemand vindt het van belang.

Het zou me niets verbazen als de uitkomst van het conflict is dat het uurloon iets omhoog gaat en de fooi voor de reiskosten ook. Van enig respect en enige kans op vast werk zullen we binnenkort nog maar weinig horen. Aan marktwerking tornen we niet, flexibilisering is heilig en de rekening voor de crisis moet ook worden betaald. Alle kleine beetjes helpen en als het om solidariteit gaat weten we best waar en bij wie we moeten zoeken.

Het is elementaire vakbondsplicht al het schoonmaakwerk besmet te verklaren en de inzet te verhogen. Het vestigen en ontbinden van bedrijven moet een heel stuk moeilijker worden gemaakt, de werklast moet worden genormeerd, de inspectie geïntensiveerd en de boetes voor overtredingen verveelvoudigd. Echt moeilijk is het niet. Anders moeilijk, ja, dat wel.

Fatsoen moet je doen zeggen we tegen de anderen. Fatsoen moet je laten doen zeggen we als anderen het tegen ons zeggen. En we besteden het uit.

22 maart

=0=

 

Concilie

Het is een indrukwekkende brief, de brief van Paus aan de Ieren. Prachtig geschreven, waardig van toon, soms warm en solidair, soms streng en meer dan vermanend. En toch. En toch is het een brief met een forse adder onder het gras. Het is een brief die de kerk vrijpleit en de wereld aanklaagt. Het is een brief die de kerk oproept zichzelf te redden door de wereld te relativeren, door minder wereld in de kerk te stoppen en meer kerk in de wereld.

De Paus ontvouwt een theorie over de oorzaken van het seksuele misbruik in de kerk die er niet om liegt. Die oorzaken worden gezocht, niet in de kerk, maar in de modernisering van de kerk, opgeroepen door het 2e Vaticaanse concilie van begin jaren zestig, een modernisering die op zijn beurt een antwoord moest bieden op de gevolgen van de ‘snelle transformatie’ en de ‘secularisering’ van de maatschappij. In Ierland in dit geval, maar het punt is uiteraard veel algemener. Twee keer modernisering, de kerkelijke modernisering interagerend met de maatschappelijke. Geen wonder dat de kans op misverstanden en foute interpretaties groot is en dus ook de kans op foute ‘implementaties’. Geen wonder? Precies, de wonderen zijn de wereld uit. Het is eerder de wereld in de kerk dan de kerk in de wereld die we moeten aanklagen. Consistent is de man wel, dat moeten we hem nageven.

Er is te veel wereld in de kerk gekomen. Daar zit de kern van het probleem. Dat is in elk geval wat ik begrijp uit punt 4 van de lange pastorale brief van Rome. ‘It is in this overall context that we must try to understand the disturbing problem of child sexual abuse, which has contributed in no small measure to the weakening of faith and the loss of respect for the Church and her teachings’. De oplossing is niet minder kerk, maar meer kerk, en meer kerk is een kerk die minder wereld in de kerk toelaat. Het is een programma en zelfs het misbruik van kinderen vindt er een plekje in. Dat gaat snel, veel te snel. Het gaat onverantwoord en onverantwoordelijk snel. Zo het al niet de opzet is, het zal in elk geval het gevolg hebben dat de discussie wordt verplaatst van het instituut naar het al te onmenselijke. Ik noem het groot lef.

Er wordt over gediscussieerd of het nu het celibaat is geweest of de proto-totale instituties van internaten, weeshuizen enzovoorts. Een steriele discussie. De Paus mengt zich er graag in. Geen van beide, is zijn oordeel. Het was de wereld. De wereld van de makkelijke sociologie in zijn geval, maar de inzet is dan ook hoog en in benarde tijden moet je niet al te kieskeurig willen zijn.

Een zwaktebod is het wel. De godsdienst is godsdienstsociologie geworden. Dat is pas crisis. De Paus zou er een concilie aan moeten wijden. Het derde. Het zijne.

21 maart

=0=

 

Bijles

Job Cohen krijgt bijles economie van een team ‘economische zwaargewichten’. Dat is jammer. Van economische zwaargewichten zouden we de buik zo langzamerhand wel vol moeten hebben en war voor economische kennis heb je nodig om een premier te pareren die weet dat belastingverhoging slecht voor de economie is? Ga eens naar Zweden zou hij de premier kunnen antwoorden. Daar gaat het heel aardig hoor, en toch hebben ze hoge belastingen. Nee, de euro hebben ze niet en wou u het daar dan over hebben? Nee? U wou lastenverlichting? Ga eens naar Californië, het land van referenda, gekozen burgemeesters en gouverneurs, en van lage belastingen en zie hoe het erbij staat (Frans Verhagen schrijft er deze week over in de Groene). Het begon allemaal in de tijd van, ach hoe heette die leer ook weer, o ja, het begon in de tijd van de ‘supply side economics’. Het heeft veel opgeleverd. Nee, niet voor de burgers en ook niet voor de staat. Dat laatste was de inzet, het eerste een ongelukkig neveneffect. Men deed het juist voor de burgers en de burgers zelf zijn ook niet onschuldig want die willen lage belastingen en nog lagere belastingen. Als er dan economische zwaargewichten zijn die uitleggen dat belastingen nergens een oplossing voor zijn en overal voor problemen zorgen, dan kies je toch verstandig?

Zou Cohen daar ook wat over moeten leren? En ook een beetje van de vraaggeoriënteerde keynesiaanse economie? En over het feit dat belastingverlaging soms helpt en soms niet, dat belastingverhoging soms helpt en soms niet en dat een en ander niet afhangt van de dogma’s uit de kerken der economen? Dat je daar meer last van hebt dan plezier? Het zou mooi zijn als de zwaargewichten van Cohen hem dat leerden: dat een premier die net doet alsof hij weet waar hij het over heeft, alsof het spreken over economie het citeren van een receptenboek (zonder te vermelden dat het een receptenboek voor obesitas is) is, dat zo’n premier een gevaar is.

Een ‘team’ zwaargewichten. Mochten het zwaargewichten zijn dan zullen ze het niet met elkaar eens zijn. Zijn ze het wel met elkaar eens dan zijn het geen zwaargewichten maar ideologen die hun wetenschap verkwanselen. Cohen heeft de namen van de teamleden niet vrijgegeven. Ik hoop maar dat het een gevarieerd team is, dus naast bijvoorbeeld Sweder van Wijnbergen die altijd alles weet, vooraf en achteraf en ook als die twee licht uiteenlopen, een econoom als Flip de Kam die niet alles weet, vooraf niet en achteraf ook niet. En ik hoop dat ze Cohen zullen helpen om niet zelf ballonnen op te blazen maar de opgeblazen ballonnen van Balkenende en Rutte door te prikken.

En verder moeten ze er niet teveel aandacht aan schenken. De Rabobank doet het al jaren heel aardig en wordt niet bestuurd door een directie met een econoom als opperhoofd. Wie weet is dat hun redding geweest.

Gek overigens, dat de geringe economische kennis van Cohen zo wordt benadrukt. De economische kennis van geen der lijsttrekkers heeft wat om het lijf, of we het nu hebben over Balkenende, Rutte, Pechtold, Halsema, Roemer, Wilders, Verdonk, Rouvoet of Van der Staay. Ook mevrouw Thieme haalt haar inspiratie elders vandaan. Wat je ook op die mensen tegen kunt hebben, een examen economische bijbelvastheid zal het niet aantonen. De economen hebben erg aardig bijgedragen ons de crisis in te rommelen. Ze menen misschien ook te weten hoe we er weer uit kunnen komen. Ik zou er m’n schouders over ophalen als ik Cohen was. Uiteraard, expertise op het gebied van de openbare financiën is nodig, niet voor een premier maar voor een minister van financiën. Een nuchtere president van de DNB helpt ook, al gaat de premier daar niet over. Waar een premier weer wel over gaat is de (politieke, economische, financiële en zelfs, als Sarkozy z’n zin krijgt, de monetaire) armslag die de EU nodig heeft om wat te kunnen bereiken.

Wie weet is de strategie om Cohen aan te vallen op z’n economische kennis wel bedoeld om het daar vooral niet over te hebben. Het allermooist zou zijn als Cohen z’n opponenten steeds voor zou houden dat een premier er is om ook over economische kwesties politieke besluiten te nemen, dat de slechtste vorm van politiek is de politiek te beschouwen als toegepaste economie, en dat – Balkenende is het beste bewijs – de economie meer last heeft van kabinetten die denken econoom met de economen te zijn dan van demissionaire kabinetten.

Ik weet niet of het team zwaargewichten in staat zal zijn over die schaduw heen te springen.

20 maart

=0=

 

Reflex

Veel melden de kranten er niet over. CDA en VVD zijn tegen en het FD schrijft dat we daar ook de SP bij moeten voegen. Die was altijd al tegen, net als de PVV en bij SGP en CU zijn de liefhebbers van Europa ook met een lantarentje te zoeken. Geen Europees initiatief om de Grieken te steunen. De EU steunt liever banken dan lidstaten. De EU is eigenlijk een stelsel van landen die zich als ondernemingen gedragen en ondernemingen zijn er niet om andere ondernemingen uit de brand te helpen. Eerder het omgekeerde. Als onderneming Duitsland of onderneming Nederland onderneming Griekenland eruit concurreert dan is dat zoals dat gaat in concurrentieland. Zo is het en zo moet het blijven. Vindt men hier. Geen hulp want anders kun je de concurrentie net zo goed meteen helemaal loslaten. Een onderneming moet op eigen benen kunnen staan tenzij het een ‘systeembank’ is. Bos, overigens, was helemaal die mening toegedaan. De Grieken moeten de Grieken maar helpen en wij hebben daar geen verplichtingen. Hoe staat het nu met de PvdA? Nog steeds liever het IMF, het dollarloket, het fonds dat al zo veel heilzaams heeft verricht, dat in de hoek zat waar de klappen vielen en dat zich nu uit de as aan het heroprichten is en daarmee de ongelukkige internationale positie van de dollar herbevestigt? Je zou er wat aan moeten doen. Het is een onderdeel van het probleem. Maar we hebben we er nu even geen tijd voor en, als het gepaard zou moeten gaan met een sterkere politieke positie van de EU ten opzichte van de lidstaten,  dan al helemaal niet. Dat de EU de eigen verdeeldheid en de eigen zwakte etaleert als het niet zelf in staat is de euro te beschermen, het doet er niet toe. Alles wat bijdraagt aan het tegengaan van de ontplooiing van de EU is welkom. Er zijn verkiezingen in aantocht.

In het getetter lopen nu CDA en VVD voorop, dezelfde partijen die de JSF nog een tijdje in de lucht willen houden. Dat geld is wel goed besteed zullen ze daar denken. Liever belastinggeld naar het vliegtuig voor de oorlog van gisteren dan belastinggeld naar de EU van morgen. Liever lijntjes naar de VS dan naar de EU. Er is absoluut niets nieuws onder de zon. De partijen, zoals PvdA en ook D66 en GL, die zich op dit moment wat op de vlakte houden over een eventueel Europees initiatief om de volstrekt tekortschietende financiële armslag wat minder knellend te maken geven daarmee te kennen dat Europa voor hen geen rol zal spelen in de verkiezingscampagne. En als ze erop worden aangesproken zullen ze zich in mist hullen. Ze denken dat als ze het eigen huis goed schoonmaken het met de omgeving van het huis ook wel goed zal komen. Als iedereen dat denkt dan wordt het buiten een rotzooi. Daar heb je dan de politiek voor zou je denken, om te voorkomen dat het zover komt.

Daar vergissen we ons dan mooi in. In tijden van verkiezingen regeert de reflex. De anti-Europese partijen krijgen meer cadeau dan ze verdienen. Ik ben benieuwd hoe Balkenende zich eruit redt, komende woensdag in Brussel.

19 maart

=0=

 

Baanloos

Van werken zijn we de afgelopen jaren weer wat tevredener geworden. Trouw en de Volkskrant meldden het, dinsdag jongstleden. De kranten baseerden zich op een onderzoek van het SCP. Dinsdag kon ik het nog niet vinden op de site van het SCP, gisteren wel (P. van Echtelt, Een baanloos bestaan. Den Haag, SCP 2010). Een treurig onderzoek, gebaseerd op de methodologie dat als je wilt weten of mensen gelukkig zijn je hen gewoon vraagt of ze gelukkig zijn, dat als je wilt weten of mensen tevreden zijn je hen vraagt of ze tevreden zijn, dat als je wilt weten of mensen moorddadig zijn je hen vraagt of ze moorddadig zijn. Nou ja, dat laatste gebeurt meestal niet maar methodologisch kunnen onderzoekers van de school ‘we vragen het gewoon’ daar niets tegen in brengen. Die lossen dat eenvoudiger op. Ze doen het gewoon niet. De stilzwijgende veronderstelling is dat je op sommige vragen wel een betrouwbaar antwoord kunt krijgen en op andere niet. Waarom? Bij tevredenheid en zo weten mensen best waar het over gaat, bij moorddadigheid niet. Kom ook weinig voor, gelukkig maar. Daar zou je weer wel een vraag over kunnen stellen: bent u gelukkiger als u zichzelf nooit betrapt op moorddadige neigingen?

Dit type onderzoek, het kan linea recta de prullenmand in. Mijn geluk is het jouwe niet omdat ik er heel wat anders onder versta. Dan vragen we gewoon heel veel mensen en dan middelt dat wel uit denken de onderzoekers dan. Alsof tienduizend slechte brillen het zicht verbeteren. Ik geef toe, soms is het minder beroerd dan anders. Dit keer is het zeer beroerd. Het SCP heeft tal van, regelmatig bijgehouden, data over de leefsituatie van mensen en op gezette tijden wordt zo’n dataset eens uitgemolken. Zo ook dit keer? En wat blijkt? Er blijkt dat werklozen zich weinig kansen toedichten op de arbeidsmarkt en hoe slechter ze ervoor staan hoe meer dat het geval is. Echtelt beveelt aan de sollicitatieplicht wat aan te scherpen. Dan hebben ze ten minste dat nog te doen. Nee, met de gezondheid wordt het er niet beter op en jonger worden ze ook niet en als je laag opgeleid bent dan is dat ook niet echt een steun. Dat weten we allemaal, zij ook en dus in hun inschatting van hun kansen uiterst reëel. Maar daar gaat het niet over in het rapport. Of mensen verstandig zijn, gelet op hun situatie, is een interesse waar het SCP niet in is geïnteresseerd. Meer solliciteren, dat helpt want wat is het geval? Het geval is dat mensen die verplicht zijn te solliciteren meer solliciteren dan mensen die daartoe niet verplicht zijn. Nee maar. Helpt het? Hoor eens, we kunnen niet alles nagaan.

Wat de werklozen ook heel goed doorhebben is dat het er niet beter op is geworden met de toegankelijkheid, de duur en de generositeit van de uitkeringen. Hebben ze alweer goed gezien. Vinden ze het erg? Och, het heeft nadelen maar met hun arbeidsethos is niks mis. Staat er beter op dan dat van de werkenden, in het bijzonder dan dat van de hoger opgeleiden. Wisten we al, maar papier is geduldig. Kortom, je bent steeds beter af als je niet in die uitkeringensfeer terechtkomt. Niet alleen de werklozen weten dat, de werkenden ook. Hoe groter het nadeel van het werkloos zijn, hoe groter het voordeel van het niet-werkloos zijn. In het rapport wordt dat werken genoemd. De werklozen schikken zich, de werkenden prijzen zich steeds gelukkiger niet werkloos te zijn.

‘Hieruit kan men concluderen dat het verrichten van betaald werk het welbevinden inderdaad vergroot’ (: 57). Dat is een kromme conclusie, die zelfs door het rapport op geen enkele manier wordt ondersteund. De conclusie zal dus wel voorop hebben gestaan. Wat je, op basis van het rapport, wel kunt concluderen is dat werklozen ‘objectief en subjectief’ de klos zijn, daar niet over klagen, weinig verwachten, liever willen werken, een slechtere gezondheid hebben en nog wel wat meer kansloze ‘achtergrondkenmerken’ (: 53) ook. Je kunt ook ‘concluderen’ (alsof we dat niet al lang wisten) dat werklozen en werkenden allemaal perfect doorhebben dat je beter niet werkloos kunt zijn. In de loop der jaren is ze dat zelfs steeds meer duidelijk gemaakt en niemand die het vergeet. Dus: dat hebben ze steeds beter door en dat is dan de basis van de conclusie over het ‘welbevinden’ dat afstraalt van het betaalde werk.

Dit onderzoek solliciteert naar een onderzoek om te onderzoeken of het niet eens hoog tijd is serieus onderzoek te doen. Al was het maar uit respect voor de ‘baanlozen’.

18 maart

=0=

 

Zat

De Kamer heeft het helemaal gehad met het UWV. Het zou me niet verbazen als het omgekeerd ook zo was. Nu gaat het weer over de re-integratiegelden die al op zijn voordat we zelfs nog maar de helft van het jaar hebben opgevrolijkt. Het moet effectiever vindt de Kamer. De minister gaat het uitzoeken maar vreest dat het niet voor de dag van de arbeid (Donner zei 1 mei) gedaan zal zijn met dat onderzoek. Dat kan niet effectiever. De Kamer gaat akkoord, het ging ze daar ook helemaal niet om Het UWV, het ging hen om de bühne. De Kamer had z’n tanden kunnen laten zien bij het bezoekje van Scheltema, die nogmaals uitlegde dat Zalm bij hem als een goede leerling te boek stond en, dikke onvoldoende of niet, nooit zou kunnen zakken. De Kamer vindt het best. Financiën zijn te ingewikkeld. Van financiën blijven we af. Wij zijn reële mensen en maken ons druk over de reële economie.

Je ziet het aan de reacties op de nieuwste voorspelling (2011-2015) van het CPB. Zo’n voorspelling hangt van de veronderstellingen aan elkaar, interacties (van het soort dat in de crisis opdook) zijn niet vermeld, onzekerheidsmarges zijn aanzienlijk, het gat tussen de voorspelde potentiële en de even voorspelde feitelijke groei heeft met een voorspelling niets en met politiek – zoals altijd – alles te maken en niemand in de Kamer die het wat kan schelen. Over de financiële sector wordt niet gesproken – daar gaan andere machten over. Intussen schieten de zich noemende specialisten van de Kamerfracties in de bekende reflexen. Geen hypotheekrenteaftrek maar wel tegen gaan van scheefwonen, soepeler ontslagrecht en geen woord over de selectieve ontslagbeperking via de deeltijd-WW, een efficiëntere overheid met minder ambtenaren, efficiencywinst in de zorg, het kan niet op. Crisis, what crisis? Deze geluiden kennen we al van lang voor de crisis. Er is niets veranderd en er hoeft ook niets te veranderen. Dat noemen politici de noodzaak van ingrijpende beleidsombuigingen: voer ons beleid uit, en hervorm de beleidsvoorstellen van de andere partijen. Het stond allemaal al in ons vorige verkiezingsprogramma. Voor 9 juni kunnen we goddank volstaan met een eenvoudige update.

Dat er iets aan de hand is, de leden van de Tweede Kamer hebben er geen weet van. Het UWV is een voorbeeld. Iedereen – behalve leden van de Tweede Kamer – begrijpt dat als er meer mensen moeten worden bediend (en dat zullen, dankzij de deeltijd-WW niet de sterksten zijn) en er minder plekken zijn om mensen te plaatsen, het wat lastiger wordt voor de dienst aan wie we het hebben uitbesteed om successen te boeken. Maar de Kamer ziet alleen dat het budget al bijna op is. Als het niet zo treurig was zouden we ons nog vrolijk kunnen maken over hun potsierlijkheid. Zelfs dat is ons niet gegund.

17 maart

=0=

 

Van … tot

De titel is niet goed. Ik houd toch al niet van titels met ‘van … tot’ erin. Meestal zijn het verlegenheidsoplossingen in de trant van dat dingen in verandering zijn, in ‘transitie’. Dat zijn de meeste dingen. Het zegt niet veel. Zo had ik de titel van het recente boek van Henk te Velde, Van regentenmentaliteit tot populisme (Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker 2010), liever veranderd gezien in Van regentenmentaliteit en populisme. Dat was accurater geweest, meer in lijn met één van de stellingen van het boek, die over de ‘inherente’ (: 245) verbinding tussen populisme en democratie en die stelling dan weer gevoegd bij de verschillende stellingen over de nauwe samenhang tussen democratie, besturende bestuurders en politieke bestuurders (waarbij de politieke bestuurders over het parlement heen directe lijntjes wensen te leggen met de kiezer). Is het omdat Te Velde te veel in zijn zoektocht naar de ‘politieke tradities in Nederland’ (de ondertitel van het boek) op de traditie heeft gelet en te weinig op de politiek? Het populisme, zo stelt hij in het laatste hoofdstuk van het boek, is geen echte traditie. Er zijn golven van populisme geweest (eind 18e eeuw, de periode van de opkomst en groei van in het bijzonder de ARP en de SDAP – tot aan hun ‘ingroei’ in het bestel; de recente periode met Fortuyn en Wilders) en het heeft ook lange tijd geen rol van betekenis gespeeld. Als dat zo is, dan zouden premiers als Colijn en Schermerhorn (die direct contact met de kiezers zochten en daarmee een al dan niet gewild raakvlak bezaten met het populisme) meer aandacht hebben moeten krijgen – en niet alleen in het verreweg grootste hoofdstuk in het boek, het hoofdstuk over de Minister-president.

Dat hoofdstuk is de spil van het boek en had ik deel uitgemaakt van de generatie Voskuil dan had ik het een ‘mieters’ hoofdstuk genoemd. Nu noem ik het een sterk hoofdstuk. Er zijn er meer in het boek, zoals het hoofdstuk over ‘buitenland’ dat weinig over het buitenland gaat maar wel een prachtige relatievering is van alle soorten en maten ‘exceptionalisme’, de neiging in tal van landen om de eigen geschiedenis als een eigen geschiedenis te zien, en in de bestudering ervan daardoor het accent te leggen op wat andere landen niet hebben in plaats van op alle ontwikkelingen die tal van landen wel degelijk delen. De ‘method of agreement’ dus in ere hersteld en de ‘method of difference’ even op de achtergrond geplaatst. I couldn’t agree more. Ook in de bestudering van verzorgingsstaten heeft het ons het nodige voordeel gebracht, we hoeven maar te denken aan de studies van Flora en Alber. Het is, zou je kunnen zeggen, de functie vóór de institutie en het zorgt ervoor, in het geval van Te Velde, dat ook tradities en stijlen van politiek bedrijven (van het nodige gewicht bij het bestuderen van populisme) het gewicht krijgen dat hen toekomt zonder op hun beurt te worden verabsoluteerd.

Het hoofdstuk over de minister-president (behalve de inleiding zijn alle hoofdstukken eerder gepubliceerd, en soms wat aangepast) is de spil van het boek. Het gaat over het ‘ambt’ ervan, de schuchtere totstandkoming, de benaming, de interne en externe functies, de relatie premier en partij, de verkiezing van de premier zonder premierverkiezing. In de representatieve democratie is de representatieve functie van de premier steeds meer gaan tellen – de bravoure van Fortuyn (ik word premier) is zonder die tendens niet goed denkbaar. Het is – ik formuleer het uitdrukkelijker dan Te Velde – deze ‘emancipatie van het ambt’ die de lanceerbasis van Fortuyn en andere populisten is geweest, niet andersom. Balkenende (ik wil wel premier worden, geen Kamerlid) lift er in alle onbeholpenheid op mee.

Het ambt in zijn huidige vorm is niet ontworpen, het is ontstaan en het is ontstaan door het ene te blijven doen en het andere niet langer te laten. Het ene, dat is de voornamelijk interne coördinatie van de vakministers, de ‘eenheid van beleid’ waarvan Bos recent de klok luidde. Intern en extern zijn overigens zo makkelijk niet meer te scheiden: Balkenende wordt een zwakke premier genoemd omdat hij een beroerd coördinator is. Die interne functie is al lang gaan horen bij zijn publieke zichtbaarheid, bij zijn (daar ligt de kans, en de gebruikte kans, van de moderne massamedia) ‘persoon’, een politieke categorie die aanvankelijk helemaal werd opgehangen aan de externe positie van de premier, aan een premier met (bijvoorbeeld in het kader van de EU) een eigen handelingsruimte en een categorie die zich inmiddels ook helemaal heeft ontfermd over de interne aspecten (de coördinatie) van het ambt. Ook die aspecten liggen op straat – en worden geclaimd door andere ministers. We hoeven maar te denken aan de klachten over de afwezigheid van Balkenende bij cruciale besluiten zoals dat over Irak. Of de man werd gewoon terzijde geschoven – door Bos bijvoorbeeld bij het nationaliseren van een bank her en der. Of bij het met twee monden spreken van het kabinet waar behalve Bos ook Van Middelkoop en Verhagen graag aan meededen (de lijst is niet uitputtend). Of Balkenende liet zich terzijde schuiven, vroeg erom – zoals bij zijn gestoethaspel over staatsrecht en Koninklijk Huis, waarbij Donner de rol van souffleur op zich nam.

Dat deed Lubbers beter en Lubbers is, volgens Te Velde, de uitvinder van het moderne ambt van premier. Hij coördineerde goed en hij was onze representant naar de echte buitenwereld – in eigen land en overal verderop. Die positie dankt Lubbers aan twee zaken. In de eerste plaats aan zijn vermogen de premier als een in eerste instantie bestuurlijke (en dus niet een politieke) figuur vorm te geven – door goed te coördineren en dat houdt in door het vermogen politieke kwesties in zakelijke te transformeren en de politieke verschillen van inzicht buiten de ministerraad te houden. Opnieuw: die kan Balkendende in z’n zak steken, en daarmee past hij ook maar moeizaam in de traditie van het bestuurlijke en de bestuurlijke competentie waarmee in Nederland goede van minder goede premiers worden onderscheiden. Daar komt overigens de ‘regentenmentaliteit’ uit, uit die traditie en inclusief de ‘achterkamertjes’ en, opvallend en door Te Velde onderstreept, het achterkamertje der achterkamertjes: het ‘torentje’, de bijna achteloos door Lubbers geïntroduceerde vernieuwing van de plaats waar over besluiten werd gedelibereerd. Dat bijna achteloze, het is een politieke keuze die een traditie vernieuwde – maar niet afschafte.

Dat geldt ook voor het tweede punt. Vanaf Lubbers wordt de premier veel meer de publieke en zichtbare representant van de Nederlandse politiek als geheel. We komen in de periode van de ‘premierbonus’ en daarmee in de periode van een premier die zich steeds minder van z’n partij wat hoeft aan te trekken en dat ook steeds minder doet. Dat heeft, volgens Te Velde, van alles van doen met de manier waarop Lubbers die publieke representatie waarnam. Opnieuw was het een politieke keuze om hier het partijelement vrijwel weg te duwen (daarin zit het verschil met Den Uyl) en het bestuurlijke element – en daarmee dus opnieuw een continuering van de traditie door die uit te breiden over de in belang steeds zwaarder wordende externe functie van het premierambt – ook hier voorop te stellen. Wat dat betreft is Kok eerder in de lijn van Lubbers te plaatsen dan in die van Den Uyl. En in dezelfde lijn kon Kok Lubbers ook al heel snel doen vergeten. Het hoort erbij, bij deze ambtsopvatting, een door de veranderingen van het ambt zelf gesuggereerde opvatting waarvan Lubbers de zwijgende architect is geweeste en Kok een bekwame opvolger.

Het is een stijl die keer op keer het politieke onderdompelt in het zakelijke en bestuurlijke, een politiek wars van ‘ideologische veren’. Te Velde zegt het niet maar het is niet in strijd met zijn verhaal om de stelling aan te durven dat, wat Lubbers is begonnen, nog niet af is en daarom zo makkelijk de prooi is geworden van een geheel andere, de populistische, stijl. De stijl waarin de representatie – in naam van het volk dat zegt bestuurders te wantrouwen – het voortouw neemt en het bestuur de klos is. Dat is niet wat echt helpt. Wat nodig is, is een brug tussen de interne en de externe functie van het ambt, het (Te Velde meldt het bijna en passant) opwaarderen van een premier van een coördinator tot een inspirator van het beleid (: 172). Lubbers deed dat, volgens Te Velde, en Den Uyl ook, maar Kok ongetwijfeld weer veel minder. Wanneer Te Velde dan ook meldt (: 181) dat Job Cohen moeiteloos zou passen in het rijtje succesvolle premiers omdat ook hij bekwame besturing combineert met een bescheiden (re-)presentatie dan is dat net te kort door de bocht. Voor een inspirator die als zodanig wordt erkend is meer nodig. Een boodschap bijvoorbeeld, een politieke boodschap, een boodschap die inspireert en toch de balans van intern en extern respecteert. Noem het de ‘binding’ van Cohen.

Een behartenswaardig boek.

16 maart

=0=

 

Probleem

Ergens in de tweede helft van de jaren zestig volgde ik, op zaterdagmiddag nota bene, een cursus journalistiek aan het Instituut voor Perswetenschappen. Het leek me interessant; het was pijnlijk. Ik herinner me lessen van Henri Knap, die eerder illustraties van zelfingenomenheid waren dan voorbeelden van journalistiek handwerk. Wel heb ik op zijn instigatie de autobiografie van Cellini gekocht (Knap beweerde dat niemand voor zichzelf schreef maar altijd voor een publiek en voerde Cellini als bewijsplaats op) dus helemaal voor niks was het ook weer niet. En ik herinner me lessen van Maarten Rooij, toen al voormalig hoofdredacteur van de NRC, maar nog wel hoogleraar en hoogleraar-directeur van het Instituut. Hij placht het te vermelden. Een belangrijk man, geen twijfel aan. Waarom Rooij daar zoveel belang aan hechtte, aan zijn eigen belangrijkheid, het was en is me een raadsel. Zijn lessen draaiden rond twee fundamentele inzichten.  Er is, ten eerste, altijd een spanning tussen de lezer en de adverteerder, en de krant (dat was geloof ik de hoofdredacteur, hijzelf dus) moest daar handig tussen door weten te laveren, zonder te schipperen uiteraard. Hoe dat ging is me even ontschoten. Hem ook. Maar dat het belangrijk was, nou en of. Ten tweede, een beetje krant wist feiten van meningen te scheiden. Opnieuw, hoe dat ging, hoe je dat deed, werd niet uitgelegd. Er waren illustraties, geen begrippen. De cursisten werd als het ware voorgehouden dat je op basis van concrete voorbeelden geen wiskunde leert – om daarna met een voorbeeldkluitje het riet ingestuurd te worden. Ik had heel snel genoeg van die cursus.

Dat was voorbarig. Er was gewoon niet meer en wat ik versleet voor onbenul was eenvoudigweg het hoogtepunt van de wetenschappelijke inzichten. Meer dan veertig jaar later zijn we nog niet veel verder – dat had ik destijds in al mijn ongeduld nooit kunnen voorspellen. Nog steeds laboreert de krant aan feiten en meningen en nog steeds moet een krant de lezer kietelen en tegelijk de adverteerder onder de kin strijken. Hoofdredacteuren schijnen ook nog steeds heel belangrijk te zijn, al zijn ze nu veel meer in verwarring dan toen. Dat begrijp ik althans uit het boek van Jan Blokker, Nederlandse journalisten houden niet van journalistiek (Amsterdam, Bert Bakker 2010). Dus iets is er wel veranderd maar dat komt door het internet waarvan de hoofdredacteuren denken dat het heel wat is en waarvan Jan weet dat het niet meer dan een gemak is dat de ‘mens’ dient (: 157). Dan zijn we overigens al bijna bij de uitgang van het boek en als we met dergelijke banaliteiten worden afgescheept zijn we  nog niet veel opgeschoten (er zijn er meer; wat vinden we van deze tegel op 155: ‘onzekerheid is altijd een bijproduct van onwetendheid’? Je zult hem maar door de ruit gegooid krijgen).

Zo is het maar net. Blokker is niet verder dan Rooij destijds. Hij vindt ook dat je niet verder moet willen. Nou ja, de feiten moeten eindelijk eens aan bod komen (het Nederlandse aan de Nederlandse journalistiek is dat de feiten nooit mochten spreken omdat kranten altijd vehikels waren voor een boodschap – ook in recente tijden waarin de enige boodschap nog is dat jouw boodschap ongeacht de boodschap anders is dan de boodschap van je buurman) en met een beetje goede wil (Blokker denkt aan motivatie, aan een paar honderd gemotiveerde journalisten: 157) moet dat te doen zijn. Dat de Nederlandse journalistiek alleen maar Nederlands is door haar voorgeschiedenis van preken als boodschappen en niet door haar minachting voor de feiten (die minachting zet zich overal door), blijft onderbelicht. In zijn schets van het Hearst-imperium, in de schetsen van Pulitzer en van Murdoch, blijkt het daar met de ‘feiten’ niet veel beter te zijn afgelopen. Dito voor de Telegraaf en het Nieuws van de Dag. Infotainment is zo oud als de krant zelf en dat is amper een verrassende constatering. Jammer dus; een feit is pas een feit als het er met koeienletters op staat en dan heb je er een al een draai aan gegeven. Zelfs kwaliteitskranten ontspringen die dans niet. Hoe kan het ook anders met de bederfelijke waar die wij nieuws noemen? De tijd wacht niet en morgen is altijd te laat. Het had Blokker gesierd als hij wat minder luchtig was omgesprongen met het afschermen van zijn bewierookte en daarom niet erg zichtbare feiten en wat meer had ingezet op de toelichting van het onderscheid. Ik doe een poging.

Laten we aannemen dat een mening een feit is waarmee je een probleem hebt. Daar kunnen anderen dan een probleem mee hebben en dat is ook weer een feit waarmee jij en zij een probleem zullen hebben, zij omdat ze menen dat jij de feiten geen respect betoont en jij omdat zij het probleem van het feit weigeren te problematiseren. Klinkt ingewikkeld, is eenvoudig. Het hoeven geen tegengestelde meningen te zijn. Ook een feit waar je het met anderen over eens bent kan de inleiding voor een mening zijn, gewoon omdat jij of anderen van mening zijn dat het te zwaar wordt aangezet, of te licht, of te relativerend of enz.

Feiten zijn, net zo min als meningen, dingen. Wat ze met elkaar delen is dat het knooppunten zijn. Ze komen ergens vandaan en meestal gaan ze ook ergens naar toe. Zoals oorzaken en gevolgen. Eén oorzaak heeft vele gevolgen, één gevolg heeft vele oorzaken. Wat met oorzaken en gevolgen geschiedt, het ontsnapt meestal. Geen wonder in een onoverzichtelijk netwerk, met zoveel vertakkingen dat we wel zeker weten dat stammen, wortels en takken niet meer uit elkaar gehaald kunnen worden. Je kunt denken dat het ooit overzichtelijker was, je kunt ernaar streven dat het ooit weer zo wordt, en je kunt vermoeden dat metaforen soms handig zijn maar geen begrippen en dus het begrip niet kunnen vervangen (Ooit bestaat niet, net zo min als het land van Ooit). Dat weten we, hoewel ook dat niet door iedereen als een feit wordt aanvaard.

Wat ermee gebeurt, met al die feiten en meningen, controleer je zelden zelf. Ook een feit, al verschillen daar de meningen vanzelfsprekend over. De kogel kwam van links, dat soort meningfeiten en feitmeningen. Zo is het een feit dat de communicatie (sommigen noemen het media) zich als een cocon rond alle informatie heeft gesponnen. Daarzonder is een informatie een doodgeboren kind. Belangrijk voor historici misschien (wie blokkeren toch keer op keer de informatie door de communicatie te monopoliseren?), bedreigend voor de journalist (elke blokkade van informatie is een bedreiging van de vrijheid van meningsuiting). Wie controleert wat waarmee, een interessante vraag voor een communicatiewetenschapper. Als je daar een probleem mee hebt dan noem je dat geen feit maar een rare mening van communicatiewetenschappers en krantendirecteuren. Zoals Jan Blokker. Ook een mening, al denkt hij dat het een feit is. Voor hem is het debunken van dat slag mensen geen probleem. Daarom.

Die vertakkingen verleiden me tot een hypothese. Die is dat feiten complexer (meervoudig vertakter) zijn dan meningen. Vroeger hadden we daar allerlei vormen van gezag voor, om te bepalen wat wat was. Het gezag van de geheimdrager, van de religie, van de wetenschap. Van de autoriteiten. Over feiten kon je gezaghebbend spreken. En je kon ze gezaghebbend verzwijgen: mijn hypothese lijkt niet voor niets op de theorie van Blokker die er ‘kort gezegd op neerkomt dat buitenland, journalistiek gesproken, gemakkelijker is dan binnenland, dat het (hele) binnenland gemakkelijker is dan het gewest, dat het gewest gemakkelijker is dan de stad, en die weer gemakkelijker dan het dorp’ (: 113). Hij leidt daar uit af dat de uitspraak van het werelddorp niet klopt. Dat was inderdaad een te snelle uitspraak maar te snel is niet per se onjuist. Er is dan wel geen dorp, maar wel een steeds opvallender vergrootglas en daarom weten we steeds beter wat we weten en nog niet weten. Dat schept vermoedens en verdenkingen. De roep om ‘transparantie’ komt niet nergens vandaan. Ja, feiten staan niet los van de mening van mensen die er ook naar kunnen kijken, er belang bij hebben, ze een zetje kunnen geven zodat ze toch echt in het oog vallen en ze kunnen verhullen. Makkelijker ver weg, moeilijker als iedereen er over struikelt. Hoe dichter bij, hoe meer kijkers die je kunnen controleren. En die vermoeden waar de verknopingen zitten, waar het draadje naar toe loopt en waar het vandaan is gekomen.

Niet meer, dat dorp van Blokker en evenmin dat buitenland, geografisch of wetenschappelijk: feitelijk. Even op Google kijken en elk feit staat ter discussie, een discussie die niemand nog kan afsluiten. Dat is niet erg want hoe meer we weten van feiten hoe meer we weten dat we nog lang niet alles weten, van dat feit niet en van andere feiten evenmin, en dus moet de knoop nog verder worden ontward en nog weer verder en enz. Voor een beetje journalist is dat niet bij te houden. De krant komt vandaag uit, niet morgen. Het is voor niemand goed bij te houden en wat niet kan worden afgesloten wordt bij gebrek aan beter afgekapt. Dat afkappen, dat noemen we een mening want het probleem van de feiten is dat het nooit ophoudt en nooit is een categorie waar we alleen maar in paradoxale zin emplooi voor hebben: zeg nooit nooit.

De moderne media hebben dat niet in gang gezet. Dat heeft de taal zelf al gedaan en daarna het schrift, en daarna het reproduceerbare schrift en daarna het digitaal bemiddelde schrift dat bovendien schrift, geluid en beeld weer bij elkaar brengt. Daar kan een journalist niet tegenop en de krant al evenmin. Dat de zaak niet helemaal uit elkaar lazert mogen we toerekenen aan het ontwerp – en het ontwerp is de substituut-gezagdrager die niet het gezag maar wel de coördinatiefunctie van het gezag heeft overgenomen. Van tabloid tot en met het digitale uiterlijk inclusief de hyperlink. Hetgeen de vraag oproept: wat coördineert de journalist dan nog?

Het antwoord ligt voor de hand. Als de feiten intensief en extensief oneindig zijn gebleken en de bekendheid daarmee kan niet meer worden tegengegaan door enig gezag, dan is de kortsluiting op een mening inderdaad een zwaktebod maar het ‘herstel’ van de scheiding tussen feiten en meningen zo mogelijk nog meer. Dat antwoord is, opnieuw, het ontwerp, maar dan minder het ontwerp als coördinatie en meer het ontwerp als selectie. Blokker identificeert het contrastduo van feiten en meningen met dat van informatie en communicatie. Dat is onzin. Een informatie is geen feit, de feiten zijn de data, data waarover je kunt informeren en, wanneer je ook anderen daarover wilt informeren, dan doe je dat met behulp van (aangekleed door, in de vormen en voorschriften van) communicatie. Informatie is een bewerking en het mededeling doen van die bewerking – waarvan die bewerking een bewerking is en voor wie je dat van belang acht – dat zijn een tweetal selecties die elke journalist zich elke dag moet voornemen en uitvoeren. Kan dat nog? Zulke selecties zijn geen meningen – meningen gaan alleen over selecties die we anders hadden willen zien, over selecties die we een ‘probleem’ vinden, en niet over het feit dat we selecteren. Het probleem van de journalistiek is, zo bezien, dat de journalistiek amper nog selectiecriteria bezit en zich al lang de kaas van het selectiebrood heeft laten eten. Bij de tv hebben ze het over kijkcijfers, bij de kranten over oplage.

Daar is Blokker het trouwens best mee eens, met deze conclusie. De hoeveelheid informatie is overweldigend en dus moet er meer dan ooit geselecteerd worden. Dat laten we doen, door de butler die we journalist noemen en de verzameling butlers die we de redactie noemen (: 116). Maar het gekke is dat Blokker wel uitdrukkelijk spreekt over het selectiecriterium van de opinieredactie (dat ‘steeds bleker’ is geworden: 100), maar niet over hetzelfde criterium voor de ‘feiten’. Bij de opinies schrijven de columnisten de krant, neem ik maar aan, zelfs als de columnist knettergek is (: 104-106). Je zet er gewoon een hoofdredactioneel naast en klaar ben je. Bij de feiten schrijven derden niet, indachtig de formule van Le Monde? Nu, waarschijnlijk niet. Waarom niet? Kunnen we de journalist zelfs niet de selectie der bronnen toevertrouwen nu de selectie van de ‘feiten’ hem boven het hoofd is gegroeid zoals het iedereen boven het hoofd is gegroeid? Is de gedachte dat we, omdat iedereen tegenwoordig in de bron kan spugen, maar moeten afzien van het onderscheid tussen betere en slechtere bronnen, dat we kunnen overgaan van een ja/nee code op een regiem van minder en meer, slechter en beter, is die gedachte zo raar alleen vanwege het verlies van de onschuld der feiten?

Blokker denkt dat er meer tijd moet zijn, dan komt het wel goed. En motivatie natuurlijk. Maar ja, Nederlandse journalisten houden niet van journalistiek.

15 maart

=0=

 

Schatplichtig

Dat de Nederlandse staat beter verklaard kan worden uit het verloop en de afloop van de godsdienstoorlogen dan uit de godsdienst, het lijkt me een verdedigbare invalshoek. Het waren verschrikkelijke tijden, de tijden dat conflicten werden uitgevochten met de culturele woede van religies. De zestiende eeuw, de eerste helft van de zeventiende eeuw, ze werden erdoor bepaald. Er was weinig anders dan die culturele razernij. Ja, we danken er ook de twee grote Nederlandse humanisten aan, Erasmus en Grotius, altijd genoopt te opereren in de slagschaduw van een agressieve religieuze dominantie. Wat er religieus aan die slagvelden en slachtingen was, religieus in de religieuze betekenis van het woord, het is omstreden. Er waren ook andere belangen (het eigenbelang van de staat bijvoorbeeld en dus de herijking van de band tussen een grenzeloze wereldkerk en het per definitie begrensde territorium van een staat) en bovendien ging de wereld langzaam open – wetenschappelijk, geografisch, economisch. Culturele verworvenheden bij uitstek maar niet als zodanig erkend omdat de heersende christelijke cultuur meende wereld, mensdom en waarheid in pacht te hebben. Cultuur in het enkelvoud met de opdracht en de zelfverschafte legitimatie elke afwijking te verdelgen. Cultuur? Ja, en een cultuur die nog altijd het nodige afgrijzen zou mogen oproepen. Je moet wel heel ver van huis zijn om daaruit een ‘schatplichtigheid’ af te leiden aan de moderne democratie en rechtsstaat.

Doet iemand dat dan? Welzeker. Je zult ze kost moeten geven zei mijn moeder altijd, en dat was nooit als aanbeveling bedoeld. Onze Lieve Heer heeft rare kostgangers, was een andere uit haar onuitputtelijke reservoirs van bezweringen, bedoeld om alles wat te ingewikkeld dreigde te worden buiten de deur te houden. Rare kostgangers, het kwartet dat vandaag in Trouw over twee pagina’s heen een fabelachtige hoeveelheid flauwekul oprispt past bij hoge uitzondering – er komen de laatste jaren overigens steeds meer uitzonderingen bij – in dat beeld. Laat de uitzondering de regel worden, in naam van de cultuur. Iedereen mag dromen. In dit geval gaat het om twee SGP-jongeren en om het, met dank aan Van Kooten en De Bie, dynamooste duo Amanda Kluveld en Bart Jan Spruyt. Drie van hen afficheren zich als historicus, de vierde voert de titel van voorzitter van de SGP-jongeren. Alle vier zijn bereid democratie en rechtsstaat terug te nemen in de ‘christelijke cultuur’. Trouwens, niet alleen dat maar ook ‘onze civiele deugden en ons moreel kapitaal’ zijn ‘schatplichtig’ aan diezelfde cultuur. Ik weet gelijk wat me mankeert.

Ik weet ook wat hen mankeert en dat is niet mis. Met als flauwe aanleiding het geduvel over het uitdelen van hosties (mag een club alsjeblieft z’n eigen huisregels opstellen en handhaven?) wordt (Kluveld deed het al eerder) de scheiding tussen kerk en staat weer van stal gehaald. Dat het daar helemaal niet om ging zal ze worst wezen. Dat het seksuele misbruik binnen de kerk er wel mee te maken heeft – het is aan het kwartet niet besteed. Dat de scheiding tussen kerk en staat door de staat op de kerk is veroverd, het zit niet in het verhaal. Eerder het omgekeerde: de christelijke cultuur heeft de democratische rechtsstaat gebaard. Nou vooruit, die cultuur was er de vroedvrouw van, we willen niet overdrijven. Of iets wat er op lijkt, zolang het maar niet de staat is en evenmin de trage transformatie van de staat in het altijd precaire gebouw van de rechtsstaat. Liever dompelt het kwartet de scheiding van kerk en staat onder in de blubber van hun hoogsteigen verzonnen cultuur. Voor de twee gereformeerde jongelui is die cultuur ongetwijfeld niets anders dan het epifenomeen van het lichaam van God. Voor Spruyt zal het een epifenomeen van de traditie zijn, voor Kluveld een epifenomeen van het bedreigde vaderland. Daar vinden ze elkaar ook in: hun culturalisering van de rechtsstaat heeft de opzichtige bedoeling de islam als volksvreemde cultuur uit te sluiten. Wat voor de christelijke cultuur opgaat, gaat niet op voor de islam. Godsdienstrelativisme is even erg als de opvatting van godsdienst als een merkwaardig en zeer overbodig verschijnsel uit het verleden.

Godsdienstrelativisme? Het wachten is op een oproep om, in naam van de cultuur, een christelijke staatsgodsdienst in te voeren. Met Kluveld als hoofdinquisiteur.

13 maart

=0=

 

Samen, maar dan anders

De ambtenaren moeten maar eens goed naar alle ‘primaire kindregelingen’ kijken. Die kosten alles bij elkaar elk jaar ruim 9 miljard en, nog erger, die regelingen zijn niet goed op elkaar afgestemd. Een boodschap van de premier, drie dagen geleden. Het journaille heeft bedacht dat Balkenende in zijn Hofstadlezing van afgelopen dinsdag met de koningin in discussie ging over de nieuwe ‘sociale’ media, maar dan heeft het journaille zich vergist, zowel in de koningin als in Balkenende. Wat de laatste zei was bijzonder interessant. Wat de eerste zei overigens ook (‘Taal is onmisbaar bij het opbouwen van vertrouwen’ en taal en nieuwe media onderhouden een vooralsnog dubieuze relatie die niet vanzelf en uit zichzelf tot iets moois zal leiden), maar we kunnen niet alles tegelijk. Was het niet Steiner (nee, niet Rudolf; Rudolf verwachtten we op het plankje van haar moeder), die ooit opmerkte dat na Babel alle begrip een kwestie van vertalen was geworden? De koningin zag het zo slecht nog niet. Ook daar denkt het journaille anders over. Het is crisis in dat metier.
Balkenende beoefent een soort ‘architectonische kritiek’. Dat beeld ontleent hij aan de vervaarlijke Abraham Kuyper. Nu is een architect een ontwerper. Het gaat om ontwerpkritiek en de bedoeling is een goed herontwerp. Kuyper pleitte voor een renovatie van het maatschappelijke gebouw Nederland, Balkenende doet het niet voor minder. Toch is dat merkwaardig want deze ontwerper acht dingen maakbaar die wij inmiddels aan het idee van maakbaarheid hebben onttrokken. Wij herkennen de maakbaarheid nog voornamelijk aan het machteloze gepruttel van een overheid die aan onze deur niet meer genoeg heeft en nu ook de personen achter de deur wil hebben. Handhaving en preventie, de stijlfiguren van hen die het woord maakbaarheid niet langer in de mond durven nemen maar er nog wel van dromen. Een maatschappelijk gebouw met deuren en sloten; de staat heeft de moedersleutel en komt op bezoek als het zo uitkomt. Het komt vaak uit.
Kuyper sprak destijds niet als politicus en hij had het ook niet over de liberaalkapitalistische staat maar over de liberaalkapitalistische maatschappij. Zijn ideeën mondden uiteindelijk uit in ‘soevereiniteit in eigen kring’. Tegenwoordig heet dat zelfregulering; we kunnen dat laatste vergelijken met het convenant (‘gereguleerde zelfregulering’) in combinatie met het katholieke concept van de subsidiariteit. Banken en zelfregulering zijn een beetje passé en een goed convenant hebben we nog altijd niet uitgevonden. De zaken daar zweven ergens tussen regulering en zelfregulering in en dat is niet goed. Daar had een herontwerpje niet misstaan, maar Balkenende is niet van die school. Hij wil geen losse koppeling tussen staat en maatschappij, hij wil een tamelijk vergaande ontkoppeling. De staat heeft een te bedillerige vinger in de pap van het middenveld. Die staat, dat is uiteraard allereerst de christelijke politiek. Het ‘middenveld’ waar Balkenende over spreekt is opgevreten door de staat, met de christendemocratie als vlaggendrager. Niet dat de man het zo zegt. Hij houdt het liever algemeen. Dat is niet handig – en het is erg doorzichtig. Balkenende spreekt niet als aanvoerder van een zuil in de dop, hij spreekt als premier en politicus. Het zijn verschillen met Kuyper, net zoals er een verschil is in de strekking. Kuyper en keuzevrijheid, dat paste niet op elkaar (Kuyper wilde het actieve kiesrecht niet aan individuen toekennen maar aan het gezin en het gezin, dat was de man). Balkenende en keuzevrijheid, dat is weer wel een interessant duo want Balkenende houdt een heus pleidooi om niet teveel te treden in ‘keuzes die mensen toch zelf moeten en willen maken’. Nee, het gaat ook bij hem niet in de eerste plaats over individuele keuzes. Het gaat over gezinskeuzes, over het ‘samen kiezen’. Voor meer werken of voor meer zorgen bijvoorbeeld. Of beide, en dan mag de keuze m/v geheel aan meneer en mevrouw worden overgelaten. We leven niet meer in de tijd van Kuyper. Het hoofd der gezin is ingewisseld voor de keukentafel. Vooruitgang.
De kinderopvang is de kapstok. Er moet duidelijkheid komen over kindregelingen die de arbeidsparticipatie bevorderen en kindregelingen die het thuisblijven aanmoedigen. Allebei tegelijk is niet consistent. Dat is waar, maar dan op dezelfde manier dat een pleidooi voor gezond leven van mensen die hun halve leven op een stoel zitten om pleidooien af te steken óók niet consistent is. Het is verder wat laat, en de implicaties zijn geënt op bezuinigingen, maar dat het eerste accent ook in de toekomst op ‘samen werken’ zou moeten blijven liggen wordt al bijna met zoveel woorden ontkend. Het zou me niet verbazen als we het binnenkort in het verkiezingsprogramma van het CDA terugvinden. Kennelijk taxeert Balkenende dat er bij de CU ook nog wel wat te halen is. Rouvoet is gewaarschuwd. En Dijksma, en met haar de PvdA. De kinderopvang gaat klappen krijgen en met die malle diploma’s voor oppasoma’s en oppasopa’s moet het ook maar eens afgelopen zijn. Als er geen betaling meer tegenover staat is het met die keurmerkjes gelijk ook gedaan. Oppassen, dat doe je ‘compassie, naastenliefde en betrokkenheid’. Dat geldt ook voor vrijwilligerswerk en burenhulp. Ook op de budgetten voor de WMO kan worden bezuinigd. En denk in datzelfde verband eens aan de thuiszorg. Dat kan én beter én goedkoper. Je had beter op moeten letten, Bussemaker. De AWBZ, daar moeten we nog eens kritisch naar kijken.
Ik geef toe, de voorbeelden zijn van mij. De teneur niet. Het gaat nog wel verder ook dan alleen de gezinskeuze. Het gaat ook niet om het gezin, het gaat om de staat. Die geen regels moet willen stellen bij ‘maatschappelijke initiatieven die zonder overheidsteun en zonder regels prima functioneren’. De crisis- en herstelwet als icoon van het nieuwe Nederland. Samen, maar dan anders.
Nee, over de verzekeraars en de banken hebben we het niet. Ook niet over de regels die daarvoor nodig en nog allerminst op orde zijn. Balkenende heeft werkelijk geen flauw idee over hoe hij de maatschappelijke architectuur zou moeten herontwerpen. Dat wil hij ook helemaal niet. Hij wil van ons allemaal architecten maken. Hoe we daar mee uitkomen – dat zoek je zelf maar uit. Maar hij denkt wel dat het zicht van hemzelf en anderen zeer zal verbeteren als de staat niet langer in de weg zit.
Ik heb de sterke indruk dat de naam van Kuyper door de premier ten onrechte is gebruikt. Zeker weten.

Zojuist hoor ik dat Hans van Mierlo is overleden en dat Camiel Eurlings de politiek gaat verlaten. Merkwaardige coïncidentie, de man die het CDA voor acht jaar uit het officiële centrum van de politieke macht heeft weten te houden en de man die de positie van het CDA in dat centrum had moeten continueren.

12 maart

=0=

 

Ik ook niet

In het rapport Scheltema valt te lezen dat er niet op de inhoud van de rapportages van DNB en AFM is gelet. Scheltema heeft wat informatieve vragen gesteld als hij wat niet snapte of wat onduidelijks tegenkwam en dat was het dan. Marginaal, heet dat. Welke vragen het geweest zijn, daar moeten we naar raden. Zijn voornaamste inspanning is geweest de twee toezichthouders op één lijn te krijgen en toen dat niet lukte heeft hij de verantwoordelijkheid daarvoor bij de AFM gelegd. En zich achter de DNB geschaard, de instantie die zichzelf op z’n minst even veel als Gerit Zalm moest beoordelen. Bovendien was de DNB nog niet klaar, hetgeen het vermoeden wettigt dat Scheltema niet alleen een uiterst onbeholpen rapport heeft geschreven maar ook een uiterst onbeholpen poging in het werk heeft gesteld om Zalm uit de wind te houden. Het werkt als een boemerang. Voorlopig.

De Jager wil het onderliggende document van de AFM, met het afkeurende oordeel, niet aan de Tweede Kamer geven. Het bevat te vertrouwelijke informatie heeft hij laten weten. Bovendien, zei hij, ik heb dat document helemaal niet. Dat kan natuurlijk, hoewel het merkwaardig is. Hij heeft het natuurlijk wel gelezen, anders had zijn brief van vorige week – waarin hij schielijk Scheltema volgt – toch nooit geschreven kunnen worden? In die brief deelde hij mee dat het rapport Scheltema naar de Kamer was gezonden in het belang van ‘transparantie’. Nu blijkt het een transparantje met niks eronder te zijn. Althans voor de Kamer. 

We hebben een rapporteur die niets heeft onderzocht en een minister die daar meer dan vrede mee heeft. Het heette een onderzoek naar de DSB bank te zijn, gericht op Zalm. Het is een onderzoek geworden om twee andere onderzoeken van de toezichthouders toe te dekken. Van toezien naar toedekken, dat had de titel van het rapport Scheltema moeten zijn.

Het is jammer voor Zalm. Hij staat ter discussie terwijl het er steeds meer op lijkt dat het toedekken niet hem betreft maar de rol en het functioneren van de eerste toezichthouder, de DNB.  

De Kamer kan niet anders dan eisen dat het mistgordijn wordt verwijderd. De eerste tekenen wijzen er niet op. Er is nog niet met de vuist op tafel geslagen. We hebben het niet en we willen het wel hebben, zegt de Kamer. Je krijgt het niet en ik heb het ook niet, zegt de minister. Mij moet je niet vragen zegt Scheltema.

There’s a hole in the bucket. Ik hoor het Harry Belafonte weer zingen. Het gat zit er nog steeds in. Nee, het lekt niet. Het is erger: het lekt weg.

11 maart

=0=

 

Hulprecht

Ze zijn dood of de zaak is verjaard. Dat was, kort gezegd, de reactie van de bisschop op de vraag of de strafrechter ook niet een rolletje te spelen had in de beoordeling van de naargeestige praktijken van seksueel kindermisbruik door priesters. Het zou kunnen wat de bisschop zei, hoewel het niet is uitgesloten (ik formuleer het maar zo verhullend mogelijk) dat niet alles verjaard is en niet iedereen dood is. Het is echter geen antwoord op de vraag. Bovendien is er de door de kerk zelf opgerichte club Hulp en Recht. Daar komen nog steeds meldingen binnen, meldingen die een strafrechtelijke afhandeling vereisen. Die club is erop gericht om precies die gang naar de strafrechter te ontlopen. Dat lijkt me op zichzelf al strafbaar. Een misdaad onder de pet houden, het mag niet en bij verkrachting is er zelfs een juridische meldplicht. Het heeft ook niets met kerkelijk recht te maken want het gaat niet om de plichten van de kerk en zijn leden, het gaat om algemeen menselijke plichten en daar gaat de kerk niet over. De vergelijking – hij is echt gemaakt – dat ook medici klachten eerst via hun eigen tuchtrecht afwikkelen slaat als een tang op een varken.

Wat de kerk met Hulp en Recht nastreeft is het uitschakelen van het gewone recht in zaken waarvoor het kerkelijk recht niet is bedoeld, laat staan bevoegd is. De kerk is geen parallelle samenleving en heeft ook geen parallel recht. Ik dacht dat men daar in dit land de laatste jaren buitengewoon kien op was maar nu blijft het muisstil. Dat is ernstig. Een staat die de staatsmacht gebruikt om selectief de hand te lichten met regels die voor anderen met veel kabaal geldig worden verklaard is behoorlijk fout bezig en ondermijnt ook dat beetje gezag – het gezag van een onafhankelijke en voor ieder op gelijke wijze geldende rechtspraak – dat hij nog had.

Nee, Max Pam had gelijk, afgelopen zondag in zijn column bij Buitenhof. De scheiding tussen staat en kerk is hier op een volstrek onjuiste manier in geding gebracht. De kerk had er, tot zeer kort geleden en gedwongen door de openbare ruchtbaarheid die nu aan de kwestie is gegeven, geen behoefte aan het te melden. De staat zal het wel geweten hebben en had er blijkbaar ook geen behoefte aan. Het is prettig dingen niet te weten. Ben je ook niet verantwoordelijk want dat ben je pas als je wat wist en je daarop kunt worden afgerekend. Die beschermlaag is nu afgepeld.

Deetman moet vooral onderzoeken wat hij niet laten kan. Het sluit niet uit, althans zou niet mogen uitsluiten, dat het OM alle dossiers van Hulp en Recht opeist en gaat onderzoeken welke misdrijven bewust en willens en wetens aan het zicht van Justitie zijn onttrokken.

Het kabinet en de Tweede Kamer zouden er goed aan doen zich af te vragen wat ze nu eigenlijk verstaan onder een rechtsstaat. En daarnaar te handelen.

10 maart

=0=

 

EMF

Zouden ze het menen, dat van het Europese Monetaire Fonds? Frankrijk en Duitsland brengen het naar voren en ze doen dat omdat ze er wel voor schijnen te voelen. Eén Griekenland is genoeg zullen ze gedacht hebben. Daar valt niet zo veel tegen in te brengen maar bij die brave afkorting EMF gaan toch wat belletjes rinkelen. Het EMF mag, lees ik, niet concurreren met het IMF. Het zijn de woorden van Schäuble. Hij versprak zich meteen toen hij het had over de mogelijkheden voor Europa om in te grijpen. Dat doet het IMF niet, tenzij er om hulp wordt gevraagd en ook dan gaat het niet om ingrijpen maar om voorwaarden. Het verschil is niet alleen cosmetisch. Het is zelfs alles behalve cosmetisch. Geen concurrentie? O nee? Het IMF is voor eurolanden alleen interessant bij het verschaffen van internationale liquiditeiten en, in het bijzonder, bij het verlenen van financiële steun aan landen met een betalingsbalansprobleem. Griekenland zou zo maar een dollarprobleem kunnen krijgen (een europrobleem hebben ze al) en met hun betalingsbalans staat het er beroerd voor. Het IMF is de Grieken overigens van diverse kanten reeds van harte aanbevolen. Maar dat was in de korte periode dat iedereen om het hardst riep dat er ‘geen cent’ uit Europa naar Griekenland mocht. Overigens is de uitgeschreven staatsobligatielening van de Grieken drie keer overtekend. Niet iedereen is even panisch.

De overige functies van het IMF (bevorderen wisselkoersstabiliteit en een vrij internationaal betalingsverkeer) worden binnen de eurozone reeds door de aangesloten landen afgewikkeld. Dat zijn overigens wel de hoofdfuncties van het IMF. Die hebben we dus al, netjes geparkeerd bij de ECB. Dat overigens ook de bankbiljettenpers mag aanzetten, maar weer niet om afzonderlijke landen uit de brand te helpen. Het mag wel – en is ook ruimhartig gebeurd – om de financiële mallemolen van de banken vrolijk door te laten draaien. Het mag niet om haperingen in de financiële mallemolen van staten af te vangen. Verschil moet er zijn want staten moeten geen geld maken en hoe minder ze dat doen hoe meer de financiële instellingen het doen.
De Financial Times schrijft het initiatief voor een EMF vooral aan Frankrijk toe. Dan wordt het spannend. De Fransen zijn sinds jaar en dag bezig wat meer greep te krijgen op de ECB. Alleen al daarom zou je mogen verwachten dat het fonds wordt opgehangen aan de Europese Raad. Maar hoe? Als het gaat zoals bij het IMF krijgt een land stemrecht naar de mate waarin het in het fonds heeft ingelegd. Dat is nog niet beslist, begrijp ik. Er zijn geluiden, zegt NRC Handelsblad, om het fonds te vullen met boetes van landen die het Stabiliteits- en Groeipact overtreden. Een land kan dan onder strenge voorwaarden een noodlening aanvragen, niet hoger dan de boetes die een land zelf heeft betaald. Dat wordt niks. Het zou leuk zijn voor de Europese Commissie en commissaris Rehn staat al in de startblokken – als de eurolanden het willen, zegt hij. Nou misschien wel, maar niet zo. De EC is te nietig om een effectief boetebeleid op te leggen, het zou een beleid zijn dat procyclisch uitwerkt en het fonds zou de eerste de beste serieuze crisis – die landen niet apart hoeft te treffen, het kan ook gezamenlijk – niet overleven. Die koppeling met het Pact lost niks op, en het schept wel een nieuw probleem. Nee, dus. Als dat het wordt kan er beter niet aan worden begonnen. Het moet meer, sterker, dwingender. Nog geen Europees ministerie van Financiën misschien, maar wel een instituut dat kan bijten. Het wordt een fonds waarin de grote economieën het voor het zeggen hebben en het geeft die landen een vinger in de pap in het beleid van landen die bij het fonds moeten aankloppen. We zijn op weg naar een Europa met meer versnellingen en niet iedereen mag aan het stuur zitten. Eurolanden met overschotten op de handelsbalans mogen wel, eurolanden met tekorten op de handelsbalans mogen niet. Het gaat opnieuw zorgen voor fragmentatie. Dat is de prijs die je betaalt als je geen Europese ministeries wil hebben. Niettemin, een fonds is beter dan geen fonds.
Waar het op neer komt is dat in elk geval in Duitsland en Frankrijk het inzicht begint te dagen dat de EU over meer financiële ruimte moet kunnen beschikken dan nu. De EU is geen optelsom van staten maar een zelfstandige entiteit waarvan we met vallen en opstaan de aard van proberen te bepalen. Een beetje laat, maar beter laat dan nooit. En het is een mooie toetssteen voor de politieke partijen, met het oog op de komende parlementsverkiezingen. Europa, bestaat u wel?

9 maart

=0=

 

Stofzuiger

In het voetbal kennen we de stofzuiger, een voetballer die zich op het middenveld ophoudt en alle ballen oppikt die de anderen laten liggen. Nuttige voetballers zijn het, ze ontlasten hun verdediging en zorgen ervoor dat de aanvallers kunnen aanvallen. In politiek opzicht kun je aan de ChristenUnie denken, zeker na hun presteren in het net afgeschoten kabinet. En ja, een stofzuiger moet kunnen kloppen, zuigen en vegen. Dat konden ze daar allemaal en zelfs twee keer want wat Rouvoet in het kabinet deed, deed Slob in de Kamer. Een compleet middenveld, schakelend tussen achterhoede en voorhoede. De kwaliteit van een team hangt er van af. Dat het team uit de strijd is genomen lag niet aan hen en voor hen had het ook niet gehoeven.
            Ik geloof dat Femke een beetje jaloers is op de ChristenUnie. Zij wil die stofzuiger worden, de betrouwbare middenvelder die het hele huis van de politiek in orde brengt en op orde houdt. Afgelopen zaterdag schreef ze een vermanend opiniestuk in de Volkskrant. Die jongens moeten nu eens ophouden met er een troep van te maken, de hele tijd te bekvechten, hun kamerdeur met een knal dicht te smijten en hem soms nog op slot te doen ook zodat niemand nog naar binnen kan. Om het uit te praten bijvoorbeeld, want dat helpt.
            Ze heeft een klop-, een zuig- en een veegadvies voor de jongens. Dat gaat zo. Een inhoudelijk meningsverschil is goed maar klop het alsjeblieft niet de hele tijd op. Teveel geklop geeft meer stof dan je lief is. Dus ja, breng ze naar voren maar hou die mattenklopper nog even uit het zicht. Een simplisties verbond is nog geen politieke partij jongens! In de tweede plaats, als je een politiek geschil hebt heb je nog geen persoonlijke vete. Dat wordt het alleen als je aan dat geschil gaat zuigen, je opponent gaat jennen, van een zakelijke kwestie een gebrek aan karakter gaat maken. Ook zuigen, jongens, is niet nodig. Erger nog, het is heel schadelijk en de mensen ergeren zich eraan. Je bereikt er alleen het tegendeel mee van wat je had willen bereiken. En ten derde, jullie moeten nu ook eens ophouden alles op één hoop te vegen. We kiezen straks een parlement en geen premier. Jullie verdoezelen dat onderscheid en dat is niet goed. Het landsbelang is groter dan jullie partijpolitieke belang maar op deze manier wordt het nooit wat met de oplossing van de grote uitdagingen waarmee we geconfronteerd worden.
            We hebben een nieuwe moeder des vaderlands en alleen zij gaat over de stofzuiger. Zij is de stofzuiger en de anderen moeten er met hun poten van af blijven. GroenLinks op jacht naar de positie van de ChristenUnie. Nee, de positie heeft Femke nog niet maar de rol heeft ze zich al helemaal aangemeten. Hij staat haar goed, vindt ze, op het lijf geschreven. Ze wil er geen afstand meer van doen. Die rol, hij is van haar en van niemand anders.

Dat wordt nog wat. Maar vergeet niet Femke, dat een stofzuiger nog geen aanvoerder is. En vergeet vooral niet dat in een democratie het landsbelang altijd en onveranderlijk door partijen moet worden gedefinieerd. En dat dat goed is, dat dat geen vervelende bijkomstigheid is waarvoor je je moet generen maar een eervolle opdracht voor elke partij. Toch heb ik de indruk dat jij precies die opdracht, in al je ijver en in naam van een onpartijdig landsbelang, hebt opgezogen. Dat is niet goed meisje want hoe ongerust je ook bent over de deplorabele staat van politiek en samenleving, het is niet nodig de noodtoestand uit te roepen. Of de rol van een stofzuigerende moeder des vaderlands te spelen.

8 maart

=0=

 

Ambt

‘Meer dan de personen veranderde het ambt’, verklaart historicus Henk te Velde dit weekend (in NRC Handelsblad, Opinie&Debat). Hij heeft het over de plek van de premier in ons politieke bestel, een plek die volgens hem illustreert wat er allemaal anders is geworden in de Nederlandse politiek. Hij noemt het een verschuiving van een introverte naar een extraverte traditie, een verschuiving die niet slechts de premier betreft maar ook de Tweede Kamer, de verhoudingen tussen Kamer en partijen enzovoorts.
            Wat is dan zo anders geworden? Nu, in de eerste plaats is de premier amper nog de primus inter pares van voorheen. Eerder is de premier een positie op zichzelf geworden. Te Velde noemt het niet als zodanig maar alleen al het vele overleg in Brussel – waar een deel van de staatsmacht is gedeponeerd, vereist dat een premier daar kan ageren zonder voortdurende terugkoppeling naar de Kamer. Dat geldt overigens ook voor de ministers en het vele gesteggel daarover komt dan ook niet nergens vandaan. De paradox is dat het bereik van de staat wordt teruggedrongen en dat tegelijkertijd het mandaat van de premier wordt vergroot. In eigen huis zien we dat uiteraard ook, we hoeven maar te denken aan de informatie die Balkenende van Blair gekregen zou hebben – waar de man even trots op was als op het feit dat het zeer zeer geheime informatie betrof die hij met niemand kon delen. De rest stond erbij en keek ernaar. Het zal niet nieuw zijn geweest – behalve de onverhulde en publiek uitgedragen trots van onze premier. Kijk mij eens. Nee, ik mag er niets over zeggen.
Enfin. Dat een premier vele dingen weet die niemand anders te weten moet komen, het hoort bij het vak. Dat een premier ermee geurt is daarentegen nieuw. Het is geen last meer, het is een lust. Die uiteraard tegenstand oproept want niet iedereen is gediend van een premierschap dat zich groter maakt door het land kleiner te maken. Dan kom ik bij de tweede ontwikkeling die Te Velde noemt. De tegenstand namelijk presenteert zich als buitenstaander en zet zich af tegen de gevestigde macht, tegen ‘Den Haag’ en de daar huizende kaasstolp. Te Velde noemt Fortuyn, Verdonk, Wilders. Dat gaat wat snel. Waarom dan ook niet Van Mierlo en D66? Hebben we met D66 niet de partij die het hele bestel wou opschudden en daartoe een serie ‘kroonjuwelen’ in de strijd wou gooien? Was D66 ook niet de eerste partij die doorhad dat met de ontzuiling Nederland aan het veranderen was van een land van samenlevende minderheden in een land op zoek naar een spiksplinternieuwe meerderheid, gegroepeerd rond wat die partij ‘pragmatisme’ noemde? Dat was een vergissing, net zoals het een vergissing was om dat pragmatisme tamelijk eenzijdig te richten op staatsrechtelijke vernieuwing. Het was wel consequent maar dan op een manier waarop rituelen consequent zijn. Ondertussen moest het leven wel door kunnen gaan en dat ging het ook. De verschuivingen die te Velde beschrijft zijn, hoe ingrijpend ook, niet ingeleid door het staatsrecht. Dat volgt, zo het al volgt. Zorgelijk, dat wel. Niemand, behalve bestuurders, ziet er nog veel politieke winst in en van bestuurders houden we niet. We willen geen bestuur, we willen politiek en we klagen over politici die teveel bestuurder zijn. Het ene pluche is het andere niet.
In de politiek is het al bijna een voordeel ‘buitenstaander’ te zijn, zeker als je dat ‘heftig’ bent. Dat is de stelling van Te Velde. Het is een dubieuze stelling. Fortuyn was een echte buitenstaander en Van Mierlo was dat ook. Het geldt niet voor Wilders (binnenkort zo ongeveer het langst zittende Kamerlid) en ook niet voor Verdonk, afgedwaalde VVD-ers met meer ambitie dan ze via de reguliere partijweg konden binnenhalen. Die ambitie betreft, inderdaad, het ‘ambt’. Politieke ondernemers zijn het en ik denk dat daarin het grootste verschil zit met de traditionele partijen die nog niet helemaal doorhebben dat ook zij, met hun voortdurende personele ‘vernieuwing’, uiteindelijk weinig anders doen dan het volgen van de modes en slogans van het bedrijfsleven. Het is geen voordeel een partij te zijn die nog een partij is, hoe weinig het overigens ook nog voorstelt. Het vertraagt.
Die buitenstaanders, ik geloof er geen bal van. Het gaat om de gevestigden. Wie steeds moet vernieuwen (en dat is wat anders dan het fêteren van de buitenstaander) komt aan de status van gevestigd niet echt toe. En toch moet je je merk in de lucht zien te houden. Dat verklaart waarom niet alleen Balkenende als een ‘dompelmannetje’ (mooi beeld van Te Velde) steeds weer komt bovendrijven, maar ook Rutte, Bos en ook Halsema (die dat zo goed doorheeft dat ze er geen probleem mee heeft de afspraken in haar partij opgewekt met voeten te treden – en ervoor wordt beloond). Hoe meer personele wisseling, hoe groter de premie op het ‘leiderschap’. Niet het ‘ambt’ van de premier is het scharnier waaromheen de verschuivingen van de laatste decennia draaien, het is het ambt van de ‘leider’. Hoe minder de Nederlandse staat voorstelt, hoe meer de ‘leider’ zich tooit in het gewaad van het gezag, hoe minder geloof we eraan hechten en dus hoe meer kansen voor de buitenstaander die geen buitenstaander is maar zich als een sterk merk weet op te werpen.
Nee, met de merkentrouw gaat het ook al niet goed meer. Iets nieuws dan maar? Zou dat het zijn waar Te Velde op doelt? Niet op de buitenstaander maar op de behoefte aan iets nieuws dat nooit echt nieuw is maar toch eventjes wat anders?
Het regime van de marketing krijgt de politiek steeds steviger in handen.

7 maart

=0=

 

Cordon sanitaire

Het in de VS gevestigde Simon Wiesenthalcentrum roep alle joodse Nederlanders op het contact met de protestantse kerk (PKN) te verbreken. De reden is een brief van de PKN aan de Israëlische ambassadeur, met daarin een verwijzing naar het Kairosdocument ‘Uur van de waarheid’ van enkele maanden geleden. Dat document is opgesteld door Palestijnse christenen in Israël en veroordeelt de bezettingen en de afscheidingsbarrière die voornamelijk door Palestijns gebied loopt.  In het document wordt de bezetting ‘een zonde tegen God en de mensheid’ genoemd. Verder pleit het document voor ‘boycot en terugtrekking van investeringen’ uit Israël om op die manier Israël ertoe aan te zetten de VN resoluties te respecteren. Het document ziet dat ‘als geweldloze werktuigen van gerechtigheid, vrede en veiligheid voor allen’. Stevig, alles bij elkaar. Ondersteund ook, bijvoorbeeld door Desmond Tutu en ook door de YMCA en de YWCA.

De PKN schrijft niet dat hij de inhoud van het Kairosdocument overneemt. Dat doet hij ook niet. In de brief staat een verwijzing naar het document met de kwalificatie dat de PKN de oproep niet als negatief, gericht tegen Israël, ziet maar als een ‘roep om recht en vrede’. De brief vraagt ook niet om sancties of suggereert die. Dat de bezetting een zonde zou zijn tegen God en mensen wordt evenmin genoemd. De brief is niet meer dan een verzoek aan de Israëlische overheid er nog eens over na te denken en wat meer aandacht op te brengen voor het lot van de Palestijnen.

Orthodoxe protestanten vonden het maar niks. Ook de ambassadeur was onthutst en het Centraal Joods Overleg schort de contacten met de PKN op, te beginnen met een al afgesproken ontmoeting die voor komende dinsdag op de agenda stond. Het CJO redeneert dat de Palestijnen ook zulke lieverdjes niet zijn en dat elders in het Midden Oosten voor christenen een nog veel guurder klimaat bestaat. Eenzijdig ook nog, en de verwijzing in de brief van het PKN naar het Kairosdocument is misplaatst want dat document is wel degelijk ‘negatief’.

Rond de PKN wordt op deze wijze een cordon sanitaire aangelegd. Ik zou de PKN aanraden dat woord ook maar te gebruiken. Het schijnt heel populair te zijn dezer dagen en het wordt gebruikt om peroxidehaardrachten uit de wind te houden. Met name christelijke politici vinden dat je niemand moet uitsluiten. Hier ligt hun kans. Het zou mooi zijn als die kansen worden benut. In dit  geval gaat het over iets van immens belang: de mogelijkheid om überhaupt een discussie over de bezetting te voeren zonder direct van ontrouw en verkapte jodenhaat te worden beschuldigd. Die discussie is – zelfs voor de eenvoudigen van geest die volkomen ten onrechte menen dat godsdienst een ‘privézaak’ is – broodnodig. De reacties op de brief van de PKN bewijzen het.

6 maart

=0=

 

Aangedaan

Jan had een brok in de keel en beende gauw weg. Gister, ondervraagd over zijn gevoel bij het vertrek van Agnes. Zelf wil hij de kar niet meer trekken, en Harry ook niet. Het is tijd voor nieuwe mensen, niet mensen die er al heel lang zitten. Die kan Femke in d’r zak steken. Jan natuurlijk ook want hij is al sinds mensenheugenis voorzitter van de SP. Maar waarom was Jan zo aangedaan? Komt er niet precies uit wat hij een kleine twee jaar geleden al wou? Hij wou Agnes helemaal niet, toen, in juni 2008. Hij heeft haar ook nooit voorgesteld als zijn kandidaat (hoewel ze toen vice-fractievoorzitter was). Integendeel. Jan zei (De Pers, 20 juni 2008): ‘Ik vind dat mijn opvolger iemand moet zijn van de nieuwe generatie. Daar zitten nu al zes, zeven man tussen die het voorbeeldig doen in de Kamer’. Maar ja, niemand stelde zich toen kandidaat. Behalve Agnes. Nu staat alleen Roemer kandidaat. Harry is al heel blij want ook Harry is helemaal voor een jong en ‘fris’ gezicht. Nee, dat komt wel goed.

Ik denk niet dat Jan zo aangedaan was omdat Agnes vertrok. Of eigenlijk denk ik dat Jan dat wel is. Hij wou haar niet en heeft haar behalve nominaal nooit een steuntje gegeven. Eerder in de wielen gereden. En hij was aangedaan omdat het ook een echte verrassing voor hem was. Dat moet onthutsend zijn geweest. Agnes, die niet vooraf om toestemming vraagt. Je zou er een brok van in de keel krijgen. Je zou hopen dat ze het op een zwaarder punt had gedaan, dat vasthouden aan haar eigen mening.

Ik doe Agnes onrecht. Jan wist niet hoe dicht hij op Pim moest kruipen, Agnes wist niet hoe ver ze zich van Geert moest verwijderen. Dat zijn toch twee stijlen en die van Jan is me nooit bevallen. Liever Agnes. Zeker, ook Jan moest niets van Geert hebben maar hij was altijd diplomatieker en zorgde ervoor om Geert af en toe in bescherming te nemen. Het proces Geert? Nee, vindt Jan, want het legt Geert geen windeieren. Tel uit je winst: Geert wil het ook niet, of zegt dat althans. Kijk, daar heb je wat aan. Jan heeft het opportunisme tot kunst verheven, Agnes zal het wel eens hebben moeten bedrijven maar niet van harte.

Jan is de betere politicus. Agnes moest het hebben van haar werklust, haar inzet en ijver. Dat is niet genoeg. Het is zelfs steeds minder genoeg. Net zoals in het bedrijfsleven. Wat je vandaag presteert zegt weinig over wat je morgen presteert. De prestatiecriteria voor morgen zijn anders. Jij bent nooit anders, Agnes.

De enige die echt aangedaan was, dat was Agnes.

5 maart

=0=

 

Stempas

Vroeger kreeg je een oproepkaart voor de verkiezingen. Een identiteitsbewijs was niet nodig. Dat kwam pas kijken als je voor iemand anders stemde. Nu we in een Europa zonder grenzen leven heb je steeds meer je pas nodig, ook als je wilt stemmen en die pas wordt nog eens verdubbeld door een stempas. Raar. De grenzen zijn afgeschaft, de drempels nemen toe. De taal is er de brave drager van. Een stempas.

Er zijn mensen die niet meer stemmen vanwege de identificatieplicht. Daar valt wat voor te zeggen. Een verkiezing is de uitoefening van het recht van de burger te vertrouwen of te wantrouwen. In een persoon of een partij. Als periodiek verschijnsel is een verkiezing geïnstitutionaliseerd wantrouwen. We voorkomen ermee dat mensen kunnen blijven zitten omdat ze er al zitten. Dat is een groot goed en het misstaat de staat op zijn beurt ons te wantrouwen – door ons om ons paspoort of rijbewijs te vragen. Het is een vorm van preventief fouilleren van de kiezer, een achterdochtige drempel om ons in te peperen dat het allemaal niet vanzelf spreekt, dat ons recht eigenlijk een gunst is, een door de staat verleende gunst. Een oproepkaart een stempas noemen is idioot, het is een dwaas symbool om ons wat in te peperen. Een identiteitsbewijs vragen is nog beledigender. Alsof je bij de douane elke keer je bagage moet tonen voordat je mag doorlopen. Als het in orde is en of het in orde is bepaalt de staat.

In de aanloop naar de verkiezingen is een lage opkomst voorspeld. Dat was in 1990 ook zo. Indien de gemeenteraadsverkiezingen kort daarna worden gevolgd door parlementsverkiezingen  is het percentage meestal hoger. Klopt ten opzichte van de voorspellingen, klopt niet in vergelijking met vier jaar geleden. En is leuk voor het aantal, minder leuk voor het lokale. De mensen waren destijds wel tevreden over de voorzieningen en zo (ze hadden Pim nodig om te ontdekken dat ze al die jaren in een illusie hadden gewoond) maar ze wisten dat ze toch geen invloed hadden. Regenten luisteren niet. Nu hebben we onze les geleerd. De voorzieningen deugen niet en er wordt nog steeds niet geluisterd. De moderne regenten van Pieter Tops (Moderne Regenten; Over lokale democratie. Atlas 1994) zijn er nog altijd niet. Je hebt een Pim of een Geert nodig om uit je stoel te komen – in de hoop dat de rotzooi eindelijk eens wordt opgeruimd. Aan Rotterdam kunnen ze zien dat het niet helpt maar het recht om je te laten meeslepen mogen we niet afschaffen.

Wat mij interesseert is te weten wat het effect van de identificatieplicht op de opkomst is geweest. Zelf ben ik niet principieel genoeg om me daardoor te laten weerhouden. Principes zijn schaars denk ik altijd maar en dat wil ik vooral ook zo houden. Maar het lost de twijfel niet op. Een verkiezingsprogramma met als punt dat kiezen een recht is voor de kiezer en een gunst aan de gekozene zou me welkom zijn. Hoop doet leven

4 maart

=0=

 

Aanbeveling

Het is lente 1961 (het kan ook 1960 zijn geweest of 1962). We krijgen een proefwerk Engels terug. Mijn cijfer is matig. Meestal is het hoog maar ik had ook vrijwel niets voorbereid. Ik kom nog goed weg. Marian daarentegen heeft een onvoldoende. Ze heeft het volgens haar niet slechter gedaan dan ik. Daar kan ik haar geen ongelijk in geven maar: Marian is altijd een zwakke leerling. Ze vangt bot bij de lerares. Ze mokt. Heeft ze ook alle recht toe. Hier is geen proefwerk nagekeken maar een totale leerling beoordeeld. Daar wringt wat. Ik krijg het krediet dat Marian wordt geweigerd. Het was misschien handiger geweest als elk proefwerk werd nagekeken zonder dat de docent wist van wie het ding was. Aan de universiteit werkte het soms zo, aan mijn middelbare school nooit.

Ik moest eraan denken bij het lezen van het rapport van Scheltema over de uitkomst van de twee onderzoeken van de toezichthouders DNB en AFM naar de strapatsen van Zalm bij de DSB. DNB vindt dat Zalm het allemaal heel aardig heeft gedaan, de AFM vindt dat niet. DNB geeft een voldoende, AFM een onvoldoende. Wie heeft gelijk? Simpel, zegt Scheltema. Het had helemaal niet mogen gaan over het verprutste proefwerk van Zalm bij DSB, het had moeten gaan over de totale leerling Zalm, dus inclusief zijn ministerschap en inclusief zijn optreden bij de ABN Amro Bank. Waarom ook niet zijn optreden als directeur van het CPB? Zijn optreden als fractievoorzitter van de VVD, het ‘eruit trekken van de stekker’ van Balkenende I, zijn oorlogsverklaring na de moord op Van Gogh? Ach, heeft Scheltema gedacht, voor mij is die Zalm een toffe peer en bij twijfel krijgt hij van mij het voordeel van de twijfel. De AFM had ook de periode van Zalm als minister van Financiën moeten verdisconteren (DNB ook maar die wordt het niet kwalijk genomen) en dan wordt het cijfer een heel stuk positiever. Dat is een politiek oordeel. Waarover je van mening kunt verschillen, vraag maar aan Sweder van Wijnbergen.

Zalm is een gedragtypische man. Wat gedragstypisch is weet ik niet maar Scheltema wel. En hij neemt het de AFM kwalijk dat uitgerekend zij dat te weinig hebben laten wegen in hun beoordeling. Zou een typisch gevalletje van zelfoverschatting (ik was dat DSB varkentje wel even) een gedragstypering zijn? Het zou kunnen en het zou ook kunnen dat de AFM dat weinig heeft bekoord, het met veel aplomb zitting nemen in een bank met een rare bestuursstructuur, dezelfde bestuursstructuur die door de DNB was goedgekeurd en waarover ze het dus maar niet meer willen hebben. Ook gedragstypisch?

Bij Scheltema had Zalm het wel heel bruin moeten bakken om een onvoldoende te halen. Scheltema wringt zich in allerlei bochten om de periode bij de DSB bank te relativeren en voor zover hij het behandelt gaat het erover dat Scheringa ook zo’n lekkertje niet is geweest. Ja, onze Dick zelf zegt van wel maar onze Gerrit zegt van niet en wie moet je dan geloven? Het is pijnlijk, alles bij elkaar.

Het afwijzende oordeel van de AFM heeft de vorm gekregen van een ‘aanbeveling’. Dat is een zware vorm waarmee Scheltema dan ook zeer in z’n maag zit. Het was beter geweest, vindt hij, als de AFM zijn oordeel ‘vormvrij’ had ingediend. Nu verschuift het gewicht naar de club die de aanbeveling doet en dat, schrijft Scheltema, kan de bedoeling van de wetgever niet geweest zijn. Dan hebben we dus een slechte wet en kennelijk hoef je je daar weinig van aan te trekken. Een juridisch novum, door Scheltema opgevoerd als ‘wetsystematische argumenten’. Heerlijk. Dus ja, het was niet vormvrij maar we doen alsof het vormvrij had moeten zijn. Dan kan de DNB er z’n schouders over ophalen en dat kan met een aanbeveling niet. Daar zijn we dan ook vanaf. De wetgever (was de auteur van de betreffende wet trouwens niet de heer Zalm himself?) gaat er vanuit dat een aanbeveling als regel wordt overgenomen en zo niet dan alleen na een uitdrukkelijke motivering van het waarom door, in dit geval, de DNB. Wat die motivering geweest is komen we niet te weten. De toezichthouders waren het oneens en bleven het oneens. Daar moeten we het mee doen.

Ik zou aanbevelen de heer Scheltema aan te bevelen zijn huiswerk over te doen. Nu krijgt hij een dikke onvoldoende.

3 maart

=0=

 

Kwetsend

‘En wat de plebaan zondagochtend in de mis zei, was ronduit kwetsend’. Aldus de vice-voorzitter van het COC, naar aanleiding van de mis in de Sint Jan. Wat was kwetsend? Wat zei de plebaan? Hij zei in elk geval dat het een ‘ernstige heiligschennis’ zou zijn wanneer de heilige communie ‘het voorwerp en de publieke speelbal zou worden van protestacties en demonstraties’. Dat liegt er niet om. Maar kwetsend? Dan kun je net zo goed zeggen dat de rooms-katholieke catechismus (‘zelfs het hoogste gezag in de kerk mag de liturgie niet naar eigen goeddunken veranderen’) kwetsend is. Kwetsend is eerder dat het COC meent hoger dan het hoogste kerkelijk gezag te zijn. Daar zal het ze dus wel niet om te doen zijn geweest. Trouwens, wat is er mis met kwetsen? Kwetsen moet kunnen zei mevrouw Ploumen nog niet zo lang geleden, uitgerekend in het kader van integratie.

Er zijn lichte zonden, zware zonden, doodzonden en zonden die ten hemel schreien. Homoseksualiteit is volgens de catechismus (versie van 1997) een zonde die ten hemel schreit. Hij staat op hetzelfde niveau als het ‘onrecht tegenover de dagloner’. Dan was die plebaan nog genadig zou ik denken. Hij had het over zware zonden en suggereerde dat wie ‘de juiste beleving van de seksualiteit’ nog niet onder de knie had misschien wel in die categorie terecht zou komen. Misschien. De plebaan liet de deur op een kier voor strafvermindering, in de zin dat allen die zich aan gesodemieter overgeven slechts ergens tussen licht en zwaar in zondigen. Hij zei het allemaal niet, de milde plebaan, maar zag toch voldoende aanleiding de hosties een dagje vrij te geven.

Geen heilige communie dus, eergisteren. Zou dat het geweest zijn, de associatie van homoseksualiteit met zonde? Zou het de actievoerders verbaasd hebben het te horen? Echt? Het lijkt me tamelijk kwetsend voor de algemene intelligentie als we in die verbazing zouden moeten delen. Solidariteit heeft een prijs maar het moet niet te gek worden. Trouwens, als je bent gescheiden en burgerlijk weer hertrouwt heb je ook geen recht op de heilige communie. Komen die mensen een volgend keer ook protesteren? De kerk krijgt het nog druk. Nooit meer een complete mis want er is altijd wel wat. Zo dwaas is die regel van de onveranderlijke liturgie misschien wel niet. De leer is de leer en daar valt niet mee te spotten. Ja, voor mij wel want ik heb met die wonderlijke poppenkast niets te maken. Voor katholieken geldt dat niet. Zij willen meespelen en dan geldt dat wie wat te zeggen wil hebben niet z’n eigen feestje moet bouwen.

We moeten er maar vanuit gaan dat de Bijbel een kwetsend boek is, dat de Paus de ene kwetsende uitspraak na de andere doet, dat het kerkelijk gezag in ons land Bijbel en Paus gedwee volgen. Er is nog een boel werk te doen voor het COC. Zegenrijk werk in dit geval. Of het de moeite loont vraag ik me af. De kerk wil weer kerk zijn en dat heeft gevolgen. Meer de leer, niet minder bijvoorbeeld. Of de volgorde deugt vraag ik me ook af. Ik kan me indenken dat het nefaste instituut van het celibaat en de discriminerende sluiting van ambten voor vrouwen eerder aan bod zouden mogen komen. En dan nog. De kerk is de SGP niet.

2 maart

=0=

 

Sire, er zijn geen Nederlanders

Een Belg is een Belgenmop. Voor de Nederlander dan, of eigenlijk de ‘Hollander’, de aangesproken nulliteit in Jeroen Brouwers’ vermakelijke essay Sire, er zijn geen Belgen. Overigens is die uitspraak over de Belgische niet-Belgen wel degelijk gedaan. In het Frans uiteraard en in een periode dat de Walen nog aan de touwtjes trokken. Ze hadden onze wijsheid niet. Anders waren de Walen de autochtonen van toen geweest en de Vlamingen de allochtonen. Het Vlaams Belang teert nog op de corresponderende onvrede.

Nee, een Nederlander is geen mop. Een Nederlander is een preek die tegenwoordig geseculariseerd en wel als ‘mening’ door het leven gaat. Ook goed. Zijn er Nederlanders? Welzeker zijn er Nederlanders en hun identiteit heet ‘vrijheid van meningsuiting’. Ooit nodig geacht omdat je er wat van zou kunnen leren, nu broodnodig geacht omdat je je niets hoeft te laten zeggen. Wie meedoet doet niet mee. Op die fiets. Die we ook al ingeruild hebben voor scooter en auto.

Hoezo mislukt? Dat is de vraag die Frans Verhagen stelt in zijn boek met de gelijknamige titel, een boek over de ‘nuchtere feiten over de integratie in Nederland’. Het is een sympathiek boek maar Verhagen overdrijft. Hij schiet door in zijn ijver om aan te tonen dat het goed gaat omdat de tweede generatie al zoveel lijkt op hun leeftijdgenoten wier ouders al sinds mensenheugenis hier wonen dat het laatste beetje verschil ook wel zal wegslijten. Of toch niet? En komt dat dan omdat ons geheugen steeds korter wordt of omdat we als we het over de Marokkaan hebben we, net als bij de Chinees, over niet al te lange tijd als eerste zullen denken aan een smakelijke maaltijd? Ik kom er niet uit. Het zal wel, maar misschien toch ook niet. Het is er wel, het verschil, maar het doet er niet meer toe. Een onverschillig verschil, daar komt het op neer.

Dat reken ik Verhagen wel aan. Kijk, het is niet zo moeilijk om te achterhalen dat hij van de meritocratische gezindte is. Talent verloochent zich niet (kijk maar op de voetbalvelden, zegt Verhagen, en verder hebben we Ali B. nog: overal waar de discriminatie niet echt in tel is floreren de nieuwe Nederlanders). Talent zal doorbreken. Je kunt op de rem gaan staan maar dan vinden ze wel een ander vehikel en een andere weg. Dat hou je niet tegen. De nuchtere feiten over de integratie in Nederland kunnen we gerust terugbrengen tot één feit: talent komt er wel. Niet gelijkmatig natuurlijk, en daarom worden de achterblijvers extra streng bejegend en, je kunt er vergif op innemen, de achterblijvers worden zelfs als typisch gezien. Ja, het is fout, het is ook geen feit want ze zijn niet typisch maar het is ook een feit dat tal van mensen vinden dat ze zelf wel uitmaken wat typisch is en wat niet. Hechten ze aan. Ook een feit? Om tureluurs van te worden.

Talent. Je zou het aan de toppen van het Nederlandse bedrijfsleven en de Nederlandse politiek niet aflezen. Dat moet dan wel aan het credentialisme liggen, de spelbederver die de meritocratie storend voor de voeten blijft lopen. Maar ik geef toe, dat is ook maar een mening en meningen zijn, volgens Verhagen, geen feiten en daarom horen ze, die meningen dan, in een nuchter feitenrelaas niet thuis.

Een slechte paradox, dit boek dat z´n neus ophaalt voor meningen en toch een bijdrage wil leveren aan meningsvorming. Paradoxen kunnen bijzonder productief zijn. Dat kun je over het boek van Verhagen niet zeggen. Sire, er zijn geen meningen. Dat is dan sneu voor de politieke ondernemer die van z´n mening moet leven, die hecht aan z´n mening, die van z´n mening een merk wil maken zodat het onder het merkenrecht kan vallen en de bescherming krijgt die nodig is. Als mijn mening dan nog geen feit is dan eet ik een hele zak Mozartkugeln leeg. 

Het boek van Verhagen wordt ingeleid door een tweetal voorwoorden. Tofik Dibi heeft het eerste geschreven en hij is blij met de ´harde feiten en deugdelijke redeneringen´ van Verhagen. Niet slechts feiten maar harde feiten. Vermoedelijk zijn meningen zachte feiten, maar helemaal zeker weet je het nooit. Had een deugdelijke redenering verdiend, dat onderscheid. Het tweede voorwoord is van Marco Pastors. Ja, wie van de feiten is moet ook de moeilijker dingen van het leven niet ontlopen. Marco laat zich de ellende van anderen dan ook niet ontgaan. Het is zijn winkel: Pastors in maden en wormen voor de echte hengelaar. Hollandser kan niet. Ook een feit. Dat Verhagen niet wil zien. En dat is jammer. Zeker zo lang de meritocratie geen feit is (en laten we hopen dat het dat ook nooit wordt).

Dat je met de mening van de meritocratie een boek schrijft over feiten, het is allemaal prima. Dat de mening van mensen een feitelijke ontmoeting met andere mensen in de weg kan staan is ook een feit. Dat je dat niet ziet is ook een feit, het feit van Verhagen. Dat je meent dat dat feit hooguit een mening is een ernstige vergissing. Als ik Verhagen goed begrijp dan is over een paar generaties je herkomst geen kwestie meer waar iemand zich druk over maakt. Marokko? O, leuk. Altijd al Hollands? Hoe bestaat het.

Feit is dat we dan van mening zullen zijn dat de herkomst van dan weer anderen van het grootste belang is. Integratie is geen feit, integratie is een behoefte. Een maatschappelijke behoefte die tegelijk een maatschappelijke randvoorwaarde is. Een tot dusver onbreekbare cirkel.

Nederlanders zijn geen feit, Nederlanders voorzien in een vraag, hun eigen vraag.

Sire, er zijn geen Nederlanders.

1 maart

=0=