Schapen kijken - foto Bel Any

 

DAGBOEKHOUDER

Aantekeningen van een ongeduldige toeschouwer

Ton Korver

Amsterdam/Den Haag 2011

Ga naar Archief:
2007–2008–2009–2010–2011


Januari

Vrijheden

Een nette exit

Perskaart

Straatnieuws

Ook in Amsterdam

Omar

Andere tijden

Typetjes

Weerwoord

Minister van Staat

Zomer


December

Schim

Laag water

Contrast

Vrijblijvend advies

Geel

Ulbo

Vrijwillig

ANBI

Wiens trauma?

Procon

Prima facie

Koers

Thuisloos

Manfred (2)

Dickerbas

Overaanbod

Onze

Daling

Geen zin

Benaming

Afdekken

Manfred

Speeltje

President

Langdurig

Langdurig

Ontmanteling

Twee adviezen

Stafchef

Lek


November

Infarct

Waarom

Val

Kanjer

Omhoog

Vinger

Hervorminkje

Koorts

Tijgers

Vier ontdekkingen

Leden

Pensioendebat

Heftig

Begroting

Ber Borochov

Zoveel onzin

Dure bureaus

Voorbij

Schaarse tijd

Export

Roulette

Wetenschappers onder elkaar

BAM

Slapen

Globalisering

Wie slim is moet sterk zijn

Moegetergd

Tofu

Banale paranoia



Maxima Moralia
 
Dat had ook de titel kunnen zijn van dit bundeltje aantekeningen. Maar ik wil niet overdrijven. Zo dicht op de huid zitten me de sketches hieronder nu ook weer niet. Ze gaan over dingen die me bezighouden en waar soms de handen van jeuken. Dat is nog niet hetzelfde als het ‘verzonken in ervaring’ dat de Minima Moralia van Adorno als keurmerk heeft. Je moet afstand weten te bewaren. Dat geldt voor de politiek – die karakterlozer wordt met elke nieuwe stap om vooral dicht bij de burger te blijven – en het geldt voor mij.

Niettemin, het kan altijd beter. En dat is een tweede verschil tussen mij en het inspirerende voorbeeld van Adorno. Er is geen goed leven in het slechte is een dictum dat nog uitgaat van een herkenbaar onderscheid tussen goed en kwaad. Daaruit vloeit het oordeel voort. Inmiddels twijfelen we ook daaraan. Dat is geen reden tot wanhoop. Eerder het omgekeerde. Twijfel is, met de gave ons te kunnen vergissen, de opmaat voor schaven en beschaven. Dat wordt makkelijk vergeten, en hoe drukker we het hebben hoe makkelijker. Ik ben aan diezelfde drukte gebonden. Vandaar het ongeduld, gekoppeld aan de afstand die ik met de woorden ‘aantekeningen’ en ‘toeschouwer’ verbind en het voorbijgaande dat meeklinkt in de titel waar ik uiteindelijk voor heb gekozen: dagboekhouder.

 


FiB
tijdschrift Filosofie in Bedrijf

Archief

Dagboekhouder 18
september - oktober 2010

Dagboekhouder 17
juli - augustus 2010

Dagboekhouder 16
mei - juni 2010

Dagboekhouder 15
maart - april 2010

Dagboekhouder 14
januari - februari 2010

Dagboekhouder 13
november - december 2009

Dagboekhouder 12
september - oktober 2009

Dagboekhouder 11
juli - augustus 2009

Dagboekhouder 10
mei - juni 2009

Dagboekhouder 9
maart - april 2009

Dagboekhouder 8
januari - februari 2009

Dagboekhouder 7
november - december 2008

Dagboekhouder 6
augustus - oktober 2008

Dagboekhouder 5
april - juli 2008

Dagboekhouder 4
januari - maart 2008

Dagboekhouder 3
augustus - december 2007

Dagboekhouder 2
mei - juli 2007

Dagboekhouder 1
januari - april 2007

 


Gisteren

In het Reformatorisch Dagblad (RD) woedt al enige dagen een debat over zwart werk. Men heeft het er moeilijk mee. Begrijpelijk. Wat wij wit werk noemen is gebaseerd op de scheiding van huishouden en economie, van wonen en werken. Een onaffe scheiding en daarom lastig te hanteren. Aan de activiteit valt meestal niet goed af te lezen of het zwart is of grijs of wit. Je kunt alles wat niet wit is de informele economie noemen maar dan heb je het probleem dat er binnen de formele economie een aardig centje wordt uitgegeven en verdiend met informele activiteiten. Dus ook dat helpt niet echt. Noch de activiteit noch de sfeer houdt zwart weg van grijs en wit.

In het RD wordt vrijwel uitsluitend ingegaan op de morele kanten van de zaak. Wie niet wit werkt onttrekt zich aan het betalen van premie en belasting. Dat helpt niet erg. Premie en belasting worden voornamelijk opgebracht door mensen die niet mobiel zijn. Hoe mobieler je bent hoe minder de belasting je weet te achterhalen. Over tal van transacties, die in de profijtelijke wereld van de valuta bijvoorbeeld, wordt helemaal geen belasting betaald en elk voorstel daar verandering in aan te brengen (‘Tobintaks’) wordt getorpedeerd door belangen die waarschuwen voor, inderdaad, een beperking van de mobiliteit van de internationale transacties. Ja, zeggen we dan, dat belasten betekent alleen maar dat Amsterdam nooit dat grote financiële centrum wordt waar we al zo lang van dromen. Weg onze aantrekkingskracht op het grote internationale bedrijfsleven. Weg de impuls aan al het financieel vernuft dat zich zonder centrum hier niet komt vestigen. We schieten ons in onze eigen voet. Enzovoorts en de moraal van het verhaal is geen moraal maar hoon. Belastingen en premies zijn voor de slomen. Het zijn straffen voor allen die niet snel genoeg zijn. Wie niet weg is, is gezien. Belastingen en premies zijn instrumenten om de snelle jongens te lokken, niet om ze te pakken. Wie de belastingen in de morele sfeer wil trekken heeft nog heel wat uit te leggen. Noch de activiteiten, noch de sfeer, noch de belastingen zijn werkbare criteria om het één van het ander te scheiden.

Ik vraag me maar steeds af wat de scribenten in het RD vinden van de opbloeiende wereld van transacties à la Wikipedia waarbij niemand wat verdient en waarvandaan toch heel wat grondstoffen komen die worden verwerkt in van alles en nog wat. Ze gaan er niet op in en dus niet op de wondere wereld van informatie die teert op informatie en die en passant, achteloos en bedoeld, nieuwe informatie genereert. Op communicatiemedia die je afhankelijkheid van kapitaalintensieve organisaties afbouwen en die de meesten gewoon in huis hebben en waarvan de enorme overcapaciteit kan worden gebruikt om je tegen van alles en nog wat aan te bemoeien. Interesse is meestal genoeg en is die er dan blijken we ook best bereid er wat tijd in te stoppen. We produceren steeds meer economisch relevante effecten die niet door de formele economie kunnen worden geclaimd. De informele economie van de sociale productie is nog maar net begonnen en de formele economie hobbelt er hijgend achteraan, inmiddels dubbend over de vraag wie nou eigenlijk het meeste last heeft van intellectuele eigendomsrechten. Zoals Wikipedia is er veel meer, steeds meer. Denk aan Linux bijvoorbeeld dat er al eerder was. Denk aan fotografie en Flickr. Een voorlopig eindeloze reeks mogelijkheden, sommige geëxploreerd, andere nog in de kinderschoenen. Ben je in staat taken te verzinnen die mensen op het tijdstip dat hen schikt en met de tijdsinvestering die ze er dan voor over hebben, kunnen verrichten en ben je in staat aan te sluiten bij de belangstelling van diezelfde mensen dan kun je heel wat voor elkaar krijgen.

De formele economie is gebaseerd op een scheiding van huishouden en bedrijf, op een scheiding van consumptie en productie. Beide scheidingen zijn toe aan revisie. Nee, met moraal heeft het weinig van doen. Wel met een wereld waarin de arbeidsdeling van hele legers werkenden die tegelijkertijd aan het werk moeten zijn steeds minder, en wereld van de verdeling van taken die je op eigen initiatief, alleen of met anderen, en als het jou schikt en alleen dan verricht, steeds meer invloed verwerft.

Het RD voert de discussie van gisteren.

31 december

=0=

 

Schim

Het lange interview van Balkenende in Christen Democratische Verkenningen bevestigt dat je de man niets meer hoeft te leren. Hij is uitgeleerd. Wat hij toen wist, weet hij nu en ook al is de kennis van nu de kennis van toen niet, het weten van nu is onveranderlijk en dus identiek aan het weten van toen.

Het ging hem om de verhouding van wat de staat zelf moet doen en wat de staat niet zelf moet doen. Dat laatste noemt hij het maatschappelijk middenveld of, om aan te geven dat hij ook niet weet wat het inhoudt, de ‘civil society’. De ene verlegenheid verplaatsen door de volgende in te voeren. Het aardige is dat hij en de interviewer net doen alsof toch bekend mag worden verondersteld wat dat dan wel mag betekenen. Soevereiniteit in eigen kring? De sociale leer van de RK kerk? Volgens Balkenende kom je dan een eind in de richting. In wiens richting? Die van Brussel zou je kunnen vermoeden maar het woord Europa valt niet één keer. Het woord toekomstbestendig valt regelmatig. Koppel die dingen en je hebt acht jaar kabinetten Balkenende.

Daar zou nog mee te leven zijn, ware het niet dat Balkenende vergeet dat je om de staat te beteugelen niet moet kijken naar de burgerij buiten de staat maar naar het publiek binnen de staat. De staat, dat is de regering plus apparatuur én het publiek, de openbare organisatie van burgers. Om de staat te beteugelen heb je het publiek nodig. Sterker nog, de moderne staat wordt gedefinieerd door dat publiek. Dat daarvan niets dan een hijgerige, hongerige, oppervlakkige, en gecommercialiseerde reeks vrijwel dagelijkse opiniepeilingen is overgebleven zegt veel over de teloorgang van het publiek – en over de weigerachtigheid van de regering het publiek serieus te nemen. Balkenende: ‘Elke dag en over elk onderwerp is er wel een opiniepeiling’. Het is een klacht, in een context van klachten over de ‘hyperigheid’ van de media en de ‘waan van de dag’. Het zal wel.

Het debat in Nederland over het publiek, over de openbare ruimte en over de spelregels ervan wordt niet gevoerd. Af en toe is er een oprisping en altijd over een instrumentje (het referendum, meer directe democratie), nooit over het publiek dat ervoor nodig is om tegen te gaan dat ook zulke speeltjes niet tegen datzelfde publiek zullen worden ingezet. Opnieuw: Europa.

Balkenende heeft acht jaar lang schimmen mogen najagen. Het resultaat ervan is publiek dat mede daardoor gedesoriënteerder is geraakt. Hij kijkt er met enige argwaan naar, met afkeer zelfs. Hij is het liever kwijt dan rijk.

Met zo’n opvatting kun je best regeren. Een staat hervorm je er niet mee. Dat laat Balkenende liever aan het middenveld over. Dat zijn middenveld zonder publiek meer markt in de staat is geworden dan maatschappij in de markt – hij is er niet verantwoordelijk voor. Aan het begin van het interview memoreert Balkenende zijn voorganger als fractieleider van het CDA, Jaap de Hoop Scheffer. Die sleepte bij de algemene beschouwingen in 2001 een stapel rapporten van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA naar de Tweede Kamer. Balkenende: ‘Het was een symbolisch moment. Het CDA is klaar om te regeren, was het signaal.’ Het was inderdaad een symbolisch moment. Regeren vanuit in middenveldjargon gegoten rapporten waarin het publiek stelselmatig was weggelaten.

Dat hebben we geweten. Balkenende zou het zo weer doen.

30 december

=0=

 


Laag water

Zouden Henk van Hoof en Cees van der Knaap lekker hebben geslapen, afgelopen nacht? Van Hoof heeft naar verluid als staatssecretaris van Defensie klokkenluider Spijkers bedreigd wanneer deze documenten vrij zou geven. Van der Knaap schijnt het Nederlands kampioenschap liegen over Spijkers op zijn naam te hebben staan. Ook al een voormalig staatssecretaris van Defensie. En gisteren kreeg Spijkers voor de zoveelste keer gelijk, dit keer van de Centrale Raad van Beroep. Defensie schijnt zich er na zevenentwintig jaar bij neer te leggen. Binnenlandse Zaken ook? Laten we het hopen.

Spijkers zelf (ik hoorde hem op de radio, de kranten blijken het de moeite niet waard te vinden) zegt geschrokken te zijn over het niveau van de rechtsstaat. Het is mogelijk dat elke politicus, elke ambtenaar, elke inlichtingendienst (in dit geval die van de landmacht en die van de marine) en zelfs de ombudsman het als het zo uitkomt niet zo nauw neemt met rechtsstatelijke procedures en regels. Er is niet alleen gelogen over de aanleiding van de kwestie – ondeugdelijke mijnen waardoor een militair om het leven kwam. Er is ook gelogen over Spijkers en over de verbinding tussen het ontslag van hem en de veroorzaking van het overlijden van de militair door de mijn. En dat zevenentwintig jaar achter elkaar. Elke keer als de regering en zijn handlangers verloren werd er getraineerd en gesaboteerd tot en met bedreigingen aan toe. Nooit iemand om weggestuurd – behalve Spijkers zelf natuurlijk.

Klokkenluiders zijn bedrijfsrisico’s. Ze spreken over een organisatie en zijn daar niet voor aangesteld. Daar zullen ze voor betalen. In zekere zin is dat zo gek nog niet want een organisatie doet altijd dingen waarvan het vooraf niet weet hoe het af zal lopen en dan is het vervelend als iedereen op eigen gezag daar maar een invulling aan geeft als het onverhoopt en inderdaad achteraf toch fout is gegaan. In het geval Spijkers gaat het daar niet om. Het heeft er zelfs niets mee te maken. Hier ging het om het weten over slechte mijnen en al helemaal niet over een onzeker risico. Het risico was bekend – het wachten was slechts op het slachtoffer bij wie het uit zou komen. Bij Defensie hebben verantwoordelijken gepoogd hun kennis, hun op de hoogte zijn van de onbetrouwbare kwaliteit van die verrotte mijnen te verdoezelen. Dat het spul niet deugde wisten ze al veertien jaar voordat het dodelijke ongeval plaatsvond, het ongeval als gevolg waarvan Spijkers werd verzocht de weduwe van de overledenen voor te liegen. Hetgeen hij weigerde. Het was overigens niet het eerste dodelijke ongeval.

Defensie heeft alles ontkend. De mijnen waren goed, de overleden militair had het aan z’n eigen gekluns te danken, en Spijkers was niet goed bij z’n hoofd. Defensie heeft z’n eigen falen toegedekt, de leugenaars ongemoeid gelaten en de klokkenluider te grazen genomen. Defensie heeft de leugen tot code gemaakt. Er wordt nu weer gesproken over een regeling voor klokkenluiders waarin in elk geval ook het recht op bescherming zou moeten worden meegenomen. In dit geval zou het niet moeten gaan over een regeling en rechten maar over een sanctie op verantwoordelijke beslissers en over een meldingsplicht bij ostentatieve en levensgevaarlijke leugens.

Ik ben bang dat Spijkers voor een laatste keer misbruikt gaat worden om de wandaden van Defensie met de mantel der liefde te bedekken. Ik ben bang dat politici hoofdschuddend zullen zeggen dat het niet nog een keer zo mag voorkomen en dat ze ervan hebben geleerd.

Van der Knaap is, zo lees ik, tegenwoordig burgemeester van het christelijke Ede. Hij, en Van Hoof en ongetwijfeld nog talloze anderen zouden met het schaamrood op de kaken voor eeuwig en altijd uit de openbaarheid moeten verdwijnen.

29 december

=0=

 


Contrast

Ironie is de kunst van het kiezen van het net wat andere dan verwachte contrast. Sommige mensen zijn er heel goed in en die noemen we dan ironisch en dat doen we omdat  we zelf ook graag meesnoepen van het complimentje. Bijvoorbeeld. Het is helemaal geen kenmerk van personen, het is een gezelschapsspel. Als je op ironie gesteld bent dan, anders telt het niet.

Ironie is een soort schaken. De winnaar heeft met een onverwachte voortzetting voor een moment de tijd naar z’n hand gezet. Zonder de paradox gaat het niet. Jan Hein Donner was niet voor niets een grootmeester. Na mijn dood geschreven, de titel zegt het al.

Met de kerst las ik een bundeltje verhalen van Kees van Kooten, Het dierbaarste van Kees van Kooten heet het. Dieren en familie, dat is het dierbaarste. De dieren zijn er om de familie in het zonnetje te zetten en dat doen ze ook. Ze zijn braaf. De schrijver zelf geniet schrijfbaar van zijn rol als goedbedoelende levensamateur die waar hij zich ook bevindt altijd wel een lachspiegel tegenkomt.

Sommige verhalen zijn aardig, meer niet. Het viel tegen, het bundeltje. Het kunnen ook mijn verwachtingen geweest zijn waar ik tegenaan ben gelopen. Ik verwachtte ironie en kreeg humor die beter had gekund. Ik druk me niet goed uit. Ik kreeg een genre dat noch humor noch ironie was en daarom aan beide kanten teleurstelde. Dat kon ook niet anders want humor en ironie zijn geen genre. Het zijn taalspellen, het ene gericht op de snelle ontnuchtering na het ontploffinkje, het andere op het effect van de aanspreking, licht vertraagd maar toch.

Een grimlach – het woord is van Piet Paaltjens – dat riep het op. Soms. Grimlach is een vondst (in dit geval geleend, maar toch). Zo zijn er meer. Om in stijl te blijven: Van Kooten schrijft zich vondsten. Een volgende keer zal ik er rekening mee houden. Ik weet niet of er een volgende keer komt.

Ik moet misschien gewoon eens ophouden Van Kooten te lezen tegen de achtergrond van de humor uit het rollenspel dat Van Kooten en De Bie jarenlang voor ons hebben opgevoerd. Het is een fout contrast. De schrijver Van Kooten is geen typetje, ook al biedt hij zich zo aan.

Misschien moet ik leren lezen en moet hij de lachspiegels de deur wijzen.

28 december

=0=

 


Vrijblijvend advies

De tekst van het wetsvoorstel van Opstelten en De Jager heb ik nog niet gezien. Nieuwsgierig ben ik wel. Pieter Lakeman verbieden nog een keer op te roepen je geld van een bank te halen is dan wel de aanleiding maar daar heb je nog geen wettekst mee. De Jager verklaarde kort geleden dat hij het advies van de commissie De Wit om zakenbanken en nutsbanken te scheiden niet kon opvolgen omdat die dingen niet te scheiden zijn. De Amerikanen hebben het met hun Glass-Steagall Act zestig jaar bij het foute eind gehad. Ik las het vorige week in een klein berichtje, hield de adem in – maar er gebeurde niets. De Tweede Kamer had het te druk met de treinen. Het is recestijd. Een politicus moet z’n prioriteiten kennen en ik denk dat we De Jager in ieder geval moeten complimenteren met de keuze van het tijdstip waarop hij zich erover uitsprak. Chapeau!

Het roept natuurlijk wel het probleem op dat het ook niet eenvoudig is een vrijblijvend advies om je geld van een bank te halen te scheiden van een even vrijblijvend advies je geld vooral niet naar die bank te brengen. De boodschap is hetzelfde, iedereen snapt het en het effect is daarom even fnuikend voor de bank in kwestie. Zouden Opstelten en De Jager het snappen? De Jager wel, want die weet zelfs dat dingen niet kunnen die zestig jaar wel konden en toen niet meer konden, niet vanwege hun onmogelijkheid maar vanwege het ongedaan maken van de wet. Afschaffen. De Jager had er toen niets mee te maken maar vandaag de dag kan hij het zich niet anders meer voorstellen. Sterker nog, hij kan zich de scheiding überhaupt niet indenken. Dat zit wel goed. Maar Opstelten? Van Cohen werd gezegd dat hij burgemeester van Nederland wilde worden. Maar Opstelten is het geworden en net zoals de man in Rotterdam de wet- en regelgeving aanpaste om er de mensen mores mee te leren, zo denkt hij dat ongetwijfeld nu voor heel het land te mogen doen. Hij kan niet anders en Rutte wist het toen hij hem inhuurde, eerst als informateur (bis) en toen als minister.

Vermoedelijk krijgen de ministers de wet er wel door. Er is een meerderheid in de Tweede Kamer, zeker als er wat te verbieden valt. Heerlijk. Wat een initiatieven. Je wint er de verkiezingen na de volgende verkiezingen mee want een volgend kabinet moet de onwerkbare rotzooi die jij hebt achtergelaten opruimen – en dat oogt weinig daadkrachtig. Regeren is vooruitzien. Ik denk dat het dat is wat De Jager voor ons heeft bedacht. Of hij het Opstelten duidelijk heeft kunnen maken weet ik niet. Aan de andere kant, Opstelten is overal voor in als het om het afknijpen van het gepeupel gaat. Hij hoeft het niet eens te snappen. De Jager hoeft maar te suggereren dat er iets te ringeloren valt en Opstelten hapt.

Het is een mooi duo. Ik verwacht er nog veel van.

27 december

=0=

 


Geel

Nog geen veertig kilometer ten oosten van Antwerpen ligt het plaatsje Geel. Geel is goed voor zo’n 35.000 inwoners en het worden er eerder meer dan minder. Het plaatsje was me onbekend, tot gisteravond. Elly en ik zagen een documentaire op Canvas. De hoofdfiguren in de documentaire zijn een viertal ‘zottekes’, Leon, Clara, Eddy en Robke. We zien hun gastheren en gastvrouwen. Leon woont bij Manda, een oude dame die gedurig Maria prijst. Clara woont bij Jos, die graag op zijn landje werkt. Eddy en Robke wonen bij een ouder echtpaar waar de gemoedelijkheid van afstraalt. En ach, gastheren en gastvrouwen zijn het eigenlijk niet. Het is familie. Jos en Clara zijn als broer en zus, Leon en Manda als zoon en moeder, en Robke en Eddy hebben het over vader en moeder. De documentaire volgt hen gedurende een jaar. We beginnen bij kerst 2005 en de cadeautjes, we eindigen bij kerst 2006 met opnieuw cadeautjes.

En passant leren we iets over de voorgeschiedenissen. De officiële geschiedenis is dat Geel al heel lang een plek is waar je de gekken niet opsloot maar uitbesteedde bij gezinnen. Een gewoonte. De psychiatrische instelling van Geel ondersteunt – en het is de plek waar je terecht komt als je gastmoeder, -vader, -broer of -zuster het niet meer trekt of sterft. Het overkomt Leon, eerst tijdelijk als Manda een hersenbloeding krijgt dan definitief als ze komt te overlijden. Manda vertelt dat ze eigenlijk hoopt dat als zij doodgaat Leon spoedig mag volgen. De zorgzaamheid strekt zich uit tot over het graf. Maar we zien Leon in de instelling, een kleine man, en daar nog kleiner. In de instelling oogt hij verdwaald, bij Manda oogde hij thuis.

Clara vreest de instelling. Als Jos een kapotte wervel heeft is ze niet alleen zorgzaam maar ook bezorgd. Zij woont al heel lang bij Jos en diens – inmiddels allemaal overleden – familie. Die familie was haar laatste kans, op eerdere adressen was het niet goed gegaan. Hier wel. Inderdaad, broer en zus. Zo lang het kan. Als het niet meer kan, als Jos eerder zou sterven dan zij, dan weet ze wat haar te wachten staat. Ze bestrijdt het met een grenzeloos optimisme. Je vraagt je trouwens af wie nu wie verzorgt. Ze verzorgen elkaar want ze hebben elkaar, ze hebben elkaar graag, en ze houden elkaar vast.

Eddy en Robke zijn jonger dan Leon en Clara. Robke is als kleine jongen in Geel beland. Hij kwam uit Kroatië – zijn moeder woont er nog. Hij bezoekt haar soms en is dan blij. Hij is ook blij als hij weer terug is. Te lang moet het niet duren. Zijn ouders wonen in Geel ten slotte, en de moeder erbij in Kroatië, ach, dat is ook goed. Wel wat vreemder, zo te zien, meer een tante die je spaarzaam ziet. Hij bracht een foto van zichzelf mee, een grote foto. Later zien we zijn moeder in haar huis met op de achtergrond de foto, ingelijst en wel, als was het een heiligenprent. Wat er speelt en speelde, we komen het niet te weten. Waarom hij naar Vlaanderen werd verscheept (waar hij volkomen verzenuwd aankwam en de eerste drie dagen niet sliep en voor het open raam bleef zitten), het wordt niet verhaald. Iets met of door Tito volgens z’n Vlaamse moeder. Het doet er ook niet toe. Het gaat om Robke.

Eddy is minder lang bij z’n nieuwe ouders. Hij was ooit beroepsmilitair (samen met z’n broer die hem in Geel, met vrouw en kindertjes, opzoekt – voor de eerste keer mogen we vermoeden – en hem twee dagen mee uit neemt), hij is gewond geraakt, de hersenpan gelicht, een oog kwijt, negentig dagen in coma, huwelijk ontbonden, kinderen die het contact met hem mijden als de pest. Loodzwaar. Eddy heeft het er amper over en dan nog alsof het niet hem betreft maar iemand anders of hemzelf maar dan in een bestaan dat niet langer bestaat. Eddy lacht veel.

In jaren heb ik niet zo’n documentaire, onthechtend en verwarmend tegelijk, gezien.

25 december

=0=

 


Ulbo

Afgelopen zaterdag is Ulbo De Sitter (‘na een kortstondig ziekbed’, zo lees ik in een bulletin van de TU Eindhoven) overleden. Hij is tachtig jaar geworden. In 1995, bij zijn afscheid, werd hem een interview afgenomen. De laatste zin daarin ging over wat hij nu van plan was te doen: ‘Dat ik verder veel met mijn hobby’s bezig ben, met mijn boot, knutselen, schilderen en andere dingen’. Zijn boot. Voor hij ging studeren was hij vier jaar machinist op de grote vaart. Het is blijven trekken. Ik wens hem toe dat hij het heeft kunnen verwezenlijken.

In dat interview (weer afgedrukt in het speciale In Memoriam tijdschriftnummer van de ST groep, met op de voorkant een prachtige foto van Ulbo) wordt hem gevraagd of hem te wachten staat wat ooit Taylor overkwam: dat er van zijn denkbeelden maar wat gemaakt wordt. Hij beaamde het en gaf als voorbeeld de taakgroep. Alles is tegenwoordig een taakgroep, we doen alles in teams en zijn zo druk elkaar een prettige samenwerking aan te praten dat de coördinatie er bij inschiet – en dan is het in het team ook niet meer zo leuk samenwerken. Met de coördinatie gaat het inderdaad niet goed – de klachten over het falen van managers komen niet nergens vandaan. De structuur van de arbeidsverdeling goed ontwerpen, dat is een vak (ik zag gisteravond in een nieuwsrubriek de oprichter van Buurtzorg, een organisatie die kleinschalige taakgroepen hoog in het vaandel heeft staan. Die man had het helemaal begrepen. Buurtzorg is de tegenhanger van de grote thuiszorgorganisaties – een vertegenwoordiger van die laatste clubs reageerde zuur, tot op het kinderachtige af, en gaf en passant aan waar het succes van Buurtzorg mee te maken had: omdat de arbeidsdeling bij Buurtzorg niet zo ver is doorgevoerd als in de reguliere thuiszorg hoeven ze zich veel minder te verplaatsen – en dat levert betere zorg en bespaart op de kosten).

Coördinatie is het kunnen hanteren van een schaar en het hebben van een visie op waar de schaar mag knippen en waar niet. Als interferentie niet nodig is, is het niet nodig. Dan is het zelfs schadelijk en heb je te maken met een ontwerpgebrek, met een gebrekkige structuur. Daar komt nog wat bij. Zolang organisaties denken dat creativiteit en innovatie kunnen worden besteld en dat ze dan nog komen ook wordt het nooit wat. Ook innovatie is een vak – en een vak waar juist overlap een grote rol speelt. Net als bij de productiestructuur is de beste vergelijking die van het verkeersnet maar waar je bij de productiestructuur interferentie moet bestrijden als het eventjes kan, moet je bij innovatie juist ontmoetingsplekken creëren. Gedachten moeten elkaar kunnen ontmoeten, gedachten van mensen met diverse kennis en ervaringen. Kennisdiversiteit dus en die diversiteit is multidisciplinair. De ontwerpregel daarbij is dat je voor raakvlakken tussen die disciplines moet zorgen want juist vanuit de raakvlakken kan zoiets als kennisdeling ontstaan en kennisdeling, dat is de ‘interdisciplinaire functie’ die je nodig hebt om tot innovatie te komen. Ten slotte, vanuit het proces van kennisdeling kan inderdaad, door in te zoomen op die raakvlakken, iets nieuws ontstaan. Dan hebben kennisdiversiteit en kennisdeling geresulteerd in kennisproductiviteit.

Ik parafraseer hier een klein stukje over proces- en productontwikkeling uit Synergetisch Produceren, Ulbo’s hoofdwerk. Ook dat stukje staat nog als een huis. Vergelijk het met de ontwerpregels van Scott Page (The Difference; how the power of diversity creates better groups, firms, schools, and societies. Princeton en Oxford, Princeton University Press 2007) en je ziet met welke precisie Ulbo De Sitter de voorwaarden voor innovatie noteerde. Het advies was: bouw eerst een luchtkasteel en gooi daarbij alle vensters open. Er wordt tot op de dag van vandaag weinig aandacht aan geschonken. Luchtkastelen gelden als luchtfietsen en daar doen we niet aan.

Voor de structuurbenadering van hem zal wel te veel tijd nodig zijn – en tijd is de schaarse factor onder de schaarse factoren. Voor zijn opvattingen over hoe te innoveren zal wel gelden dat elke vorm van overlap te duur wordt bevonden. Waarom zou je behalve specialistentaal nog een gemeenschappelijke taal (de taal van een systeemtheoretisch geïnformeerde sociotechniek in de opvatting van Ulbo) nodig hebben? Tweetaligheid, meertaligheid, het zijn luxes die we liever opsplitsen, verzelfstandigen, vooruit: privatiseren. We separeren liever dan dat we bij elkaar brengen. Dat laatste is voor de ideologie, voor de missie. Het is niet voor de dagelijkse praktijk want we hebben het al zo druk.

Na 1995 heb ik Ulbo nog maar een enkele keer gezien, meestal in SIOO verband. Het was als altijd aangenaam hem te spreken. Ook daar dook hij de laatste jaren niet meer op. Laat ik maar aannemen dat hij met z’n boot in de weer is geweest. Ik hoop het.

24 december

=0=

 


Vrijwillig

In Gouda kom ik regelmatig mensen tegen die vrijwilligerswerk doen voor de bibliotheek, het museum en het regionale archief. Ze zijn nodig, zonder hun hulp zou niet al het werk gedaan kunnen worden. Het gaat vaak om wat oudere mensen. Of ze daarnaast ook nog mantelzorg verlenen weet ik niet. Het zou zo maar kunnen want de combinatie blijkt niet ongebruikelijk te zijn.

Het ziet er goed uit voor het vrijwilligerswerk in Nederland. Het SCP (Vrijwilligerswerk in meervoud, 2009) toonde vorig jaar aan dat het vrijwilligerswerk, gemeten over de levensloop, een beetje doorschuift naar de latere jaren. Nu, mensen die bezig zijn aan de latere jaren, daar hebben we er veel van en voorlopig houdt het ook niet op. Een aanzienlijk aantal, zo blijkt uit weer andere data van het SCP (Mantelzorg, 2007) combineert vrijwilligerswerk en mantelzorg. Daar komt soms ook nog betaald werk bij, hoewel de mensen dan wel in tijdsproblemen kunnen komen, zeker als het om meer dan af en toe een uurtje gaat. Overigens gaat het bij de combinatie van werken en zorgen om verreweg de meerderheid van alle mantelzorgers. Geen wonder, het moment waarop die zorg nodig is kun je niet kiezen en gegeven het beleid om mensen zo lang mogelijk thuis te laten wonen neemt de vraag naar mantelzorg meer toe dan wanneer mensen vroegtijdig naar een verpleeg- of zorginrichting worden verplaatst. Elk voordeel heeft z’n nadeel. Er zit een zeker vestzak-broekzak mechanisme in mantelzorg en vrijwilligerswerk. Wat je in een verpleeghuis doet is soms vrijwillig en soms mantelzorg, wat je bij je oude moeder thuis doet is altijd mantelzorg.

Een derde van de bevolking participeert ruwweg in vrijwilligerswerk. Opnieuw ruwweg een kwart participeert in mantelzorg. Ondanks de overlap: dat is veel, ook internationaal gezien. Gisteren publiceerde het DNB magazine (op basis van een snelle rekensom van hoogleraar Lucas Meijs) een becijfering in uren en euro’s. Alle vrijwilligers bij elkaar zijn goed voor 560.000 voltijdbanen, en – gesteld dat je elk uur heel laag zou moeten belonen met 5 euro – het gaat om een tegenwaarde van een slordige 5 miljard euro. Scholen, voetbalclubs, bibliotheken, archieven en musea, verpleeginstellingen, het welzijnswerk, de amateurgezelschappen, het zou allemaal kaalslag worden zonder vrijwilligers.

Wie vrijwilligerswerk doet is meestal toch al actief. Mensen die aan de kant staan, staan ook bij het vrijwilligerswerk aan de kant. Je moet een beetje zichtbaar zijn om gevraagd te worden en gevraagd worden is in de regel de opstap naar het vrijwilligerswerk. Wil het vrijwilligerswerk ook vrijwillig blijven dan zijn dit data en weetjes om te koesteren. Je kunt mensen het vrijwilligerswerk niet in slepen. Zou het toch gebeuren, zou het een plicht worden, het lijkt me spelen met vuur. Als het een klusje wordt met een sanctie op de achtergrond, dan hou je op zodra de sanctie uit het zicht verdwijnt. Over de kwaliteit van de geleverde dienst kun je speculeren maar dat bij verplichting er ook nieuwe controleurs moeten komen ligt voor de hand. Onvrijwillige vrijwilligheid moet in de gaten worden gehouden. Onvrijwillige vrijwilligheid zou niet voor moeten komen.

De plannen om uitkeringsafhankelijkheid te koppelen aan de plicht tot vrijwilligerswerk – in dit kabinet een gekoesterde gedachte – zijn onzalig. Wie het toekomstige aanbod aan vrijwilligers schade wil berokkenen moet vooral van vrijwilligheid een aanfluiting maken. Wie de huidige vrijwilligers wil inpeperen dat wat ze doen als ze geen baan hebben een gunst is, die zo door de gemeente kan worden afgepakt en worden vervangen door een andere verplichte taak waarvoor de gemeente niemand kan vinden, die is niet goed bij z’n hoofd. We zijn hard op weg.

Van de ene kant schuift de WMO via de bijstand de mantelzorg in, van de andere kant en opnieuw via de bijstand schuift de plicht het vrijwilligerswerk in. Het is hoon. Dit kabinet vertrouwt z’n burgers nog minder dan de vorige kabinetten.

23 december

=0=

 


ANBI

Algemeen nut beogende instellingen zijn ANBI’s. Daar vallen bijvoorbeeld cultuurinstellingen onder (en nog veel meer, inclusief politieke partijen). Als je eraan geeft kun je op een belastingaftrekvoordeeltje rekenen. Dat voordeel is groot als je steeds opnieuw geeft (helemaal aftrekbaar) en klein als je slechts af en toe wat doet (met de nodige mitsen en maren gaat het om 10%). Dat kan beter. In Frankrijk kun je tweederde van je eenmalige gift aftrekken en zo is het Louvre er in geslaagd via een actie ‘crowdfunding’ een schilderij van Cranach voor het museum te behouden. Er moest een miljoen bij elkaar worden gesprokkeld, vijfduizend mensen sprongen bij en in een goede maand was het bedrag verzameld. Een handige actie en met het nodige succes. Naar men zegt helpt het ook als de overheid niet alleen bij tsunami’s het particulier bijeengegaarde bedrag verhoogt maar ook bij acties voor de cultuur. Dat was in dit geval niet zo maar wie weet. In Frankrijk dan, in Nederland zal door dit kabinet gegruwd worden van de gedachte alleen al.

Er kan nog wel meer beter in de belastingsfeer van de cultuur. Onder het lage tarief voor boeken vallen bijvoorbeeld ook de kruiswoordpuzzelboekjes en aanverwanten. De overheid geeft meer aan kunst en cultuur uit via belastingmaatregelen dan via subsidies. Toch, zo leert het proefschrift van Sigrid Hemels, is het gros van die uitgaven (zoals het lage tarief voor tal van stukken bedrukt papier) er ooit wel gekomen maar het is lastig te achterhalen waarom, waarom zo, waarom het maar blijft voortbestaan en waarom belastingsambtenaren maar moeten uitzoeken of het echt cultuur is als het zo wordt aangeboden, en waarom er niet wordt samengewerkt met de ambtenaren van cultuur. Een mooie opdracht voor een staatssecretaris van financiën die in de Eerste Kamer een plan moet verdedigen om de podiumkunsten onder het hoge btw-tarief te brengen.

Mooi niet. De staatssecretaris had geen enkel idee, geen enkel plan, geen enkele visie in de aanbieding. Als er iets is dat dit kabinet tekent is dit het wel. Niet de cultuur haalt het geld op, dat doet het kabinet. Als het zo door gaat dan houden we in Nederland binnenkort nog slechts één ANBI over. De staatskas.

22 december

=0=

 


Wiens trauma?

Zou het waar zijn dat Susan Clancy tegenwoordig in Nicaragua woont en werkt? Ik kwam het ergens in een berichtje tegen. Ze zou de haatmail en alles wat daarmee samenhangt niet meer aan kunnen. Die mail, ze ontvangt het omdat ze begin dit jaar een boek uitbracht met als titel The Trauma Myth. Ze beschrijft, gebaseerd op interviews met slachtoffers van seksueel kindermisbruik, dat er op het moment van misbruik lang niet altijd sprake is van een trauma. Verwarring, dat wel, maar het trauma kwam pas veel later – als het kind oud genoeg was om te kunnen plaatsen wat er werkelijk was gebeurd.

Dat had ze allemaal beter niet kunnen opschrijven. Zodra de goegemeente door had dat de schrijfster beweerde dat het trauma niet onmiddellijk optrad werd aangenomen dat het dan wel helemaal niet zou optreden. Dat kon niet. De hel brak los. Het was geen goed onderzoek en zij deugde ook niet.

Het was niet de eerste keer dat er zoveel commotie ontstond naar aanleiding van onderzoek over de gevolgen van seksueel kindermisbruik. Eind jaren negentig publiceerden drie Amerikaanse psychologen (Rind, Bauserman en Tromovitch) een artikel over hetzelfde onderwerp in het Psychological Bulletin, naar men zegt een zeer prestigieus academisch tijdschrift. Dit keer ging het om een meta-analyse van negenenvijftig eerdere onderzoekingen naar de lange termijn gevolgen  van seksueel kindermisbruik. Daarbij vergeleken ze jonge volwassenen die wel met misbruik te maken hadden gehad met andere jonge volwassenen die gevrijwaard waren gebleven van die misère. En ze vonden dat het verschil in psychische gezondheid van de onderzochte jonge mensen slechts marginaal was. En dat hadden zij maar beter niet kunnen opschrijven. De meest schrikbarende reactie kwam in 1999 van het Amerikaanse parlement (zowel het Huis als de Senaat): er werd, nog geen jaar na de publicatie van de onderzoeksresultaten, een resolutie ingediend en aangenomen waarin de analyse van de auteurs werd veroordeeld. De middeleeuwen zijn nog lang niet voorbij.

Kennelijk horen misbruikte kinderen een trauma te hebben en wel onmiddellijk. Bovendien, ze dienen dat trauma te hebben als gevolg van het misbruik, ook al blijkt er een samenhang te zijn van misbruik en mishandeling, mishandeling en verwaarlozing, verwaarlozing en ouders die elkaar de tent uitvechten enzovoorts. Dat mag allemaal zo zijn maar dat trauma, daar hebben de misbruikte kinderen een abonnement op. Het is een soort recht en elk onderzoek dat daar een vraagteken bij zet ontneemt hen een recht. Dat leidt tot de vraag: wiens recht? Aan wie wordt wat ontnomen? En wat betekent het voor de benadering, de opvang en de behandeling van misbruikte kinderen?

Sinds burgemeester Van der Laan heeft besloten per persconferentie kindermisbruik onder de aandacht te brengen is er in Nederland, hoe zal ik het zeggen, een zekere opwinding ontstaan. Een soort gretigheid en een klimaat waarin ik de kindertjes zou aanbevelen om even geen doktertje te spelen. Ik bedoel maar. Nog maar kort geleden was er ophef over een basisschool waar een jongetje andere kinderen zou hebben aangeraakt, aangerand en/of alles ertussen. Het was een stormpje – het ging weer liggen. Overigens is onze blik inmiddels zo pornografisch geworden dat alleen al de aanblik van foto’s met naakte kinderen ontoelaatbaar wordt geacht. Ons trauma is niet eens het verlies van de onschuld maar het verlies van elk symbool van onschuld. Geen wonder dat het lastig praten is. Lastig kijken ook. Als we allemaal zo zijn opgevoed zoals het hoort dan zien we allemaal hetzelfde en nooit meer een, bijna per definitie aanstootgevend, verschil.

Het doet allemaal op een naargeestige manier denken aan het trauma van de Jodenvervolging, de reactie op en verwerking van een serie onbeschrijfelijke misdaden met veel slachtoffers en nog veel meer toeschouwers. In een bestek van enkele decennia werd het ons trauma, we construeerden (in de bewoording van Ido de Haan) een nationaal trauma, en niemand die het ons nog afneemt. De rest? Ach, de rest is psychotherapie.

21 december

=0=

 


Procon

Er is slechts één goede reden voor de PvdA om de SP op afstand te zetten. Die reden is Europa. Het wonderlijke is dat D66 en GL, de partijen die menen de lakmoesproef in handen te hebben om conservatief van progressief te scheiden, het daar niet over hebben. Voor hen is progressief alles wat het eens is met hun opvattingen over wat zij de modernisering van de verzorgingsstaat noemen. Ik moet maar aannemen dat voor hen de VVD en het CDA progressiever zijn dan de PvdA. Niet dat die partijen veel aan die modernisering doen – daarvan geven ze de PVV de schuld. Aan Europa doen ze ook niets, behalve op de rem staan. En toch, de echte lakmoesproef is de EU en niet het ontslagrecht.

Ik leid er maar uit af dat ook voor D66 en GL Europa wisselgeld is. Dat is jammer. Zo ongeveer dagelijks worden we eraan herinnerd dat de verbrokkeling van Europa zeer debet is aan de lachwekkende vertoning dat clubs als Moody’s, S&P, en Fitch meer invloed hebben op de Europese politiek dan de politici zelf. Zelfs politici zouden door kunnen hebben dat de economische verschillen in de EU niet groter zijn dan die binnen de VS. Zelfs politici zou het op kunnen vallen dat niemand in de VS speculeert – zelfs met Moody’s enz. in de hand niet – op de kans dat Californië uit het dollargebied moet treden. De reden daarvoor is niet economisch, niet financieel, de reden ervoor is politiek. Ook als de Amerikanen worden geregeerd door conservatieven dan hebben we het over een federaal conservatisme, geen staatsconservatisme. Europa daarentegen wordt geregeerd door een door staten aangewakkerd nationaal conservatisme en Merkel, De Jager en Rutte lopen in de voorhoede ervan. Naar verluidt zijn de Spanjaarden zo langzamerhand de botheid van De Jager compleet beu. Hij voelt zich er kiplekker bij. D66 en GL hoor je er niet over. Europa heeft, kennelijk en kennelijk om uitsluitend partijpolitieke redenen, met progressief niets te maken. Je scoort er niet mee. Ze zijn voor Europa – ik twijfel er niet aan – maar nu even niet. Tijdens de laatste verkiezingscampagne hadden D66 en GL het over van alles en nog wat, behalve over de door hen noodzakelijk geachte toekomst van de EU. Daar bestaan kennelijk geen ‘sociaalprogressieve’ blauwdrukken van. Hun sociaalprogressieve droom gaat niet verder dan het eigen land.

GL en D66 doen verwoede pogingen het auteursrecht op ‘progressief’ te claimen. Dat zoiets er in de praktijk op neerkomt dat de sleutel voor die claim bij D66 berust is meer dan alleen maar toeval. Het lijkt op een stilzwijgende rolverdeling. D66 trekt GL iets meer naar het midden, GL doet hetzelfde met de PvdA en SP zal dat niet kunnen meemaken. Mijn zegen heeft het maar niet zo. Niet op het ontslagrecht, de prestigekwestie van Halsema en Pechtold. Wel op de EU en dus op een gedachte over de politieke consequenties van een monetaire unie. We beleven nu de omgekeerde reactie, een conservatieve reactie, die van de financiële consequenties van een onaffe monetaire unie. Dat is een lastig en moeilijk onderwerp. Voorlopig win je er geen kiezers mee. Wat je ermee wint is een positiebepaling in wat nog progressief genoemd kan worden.

D66 en GL zijn tegen deze achtergrond geen progressieve partijen, de PvdA weet het als zo vaak niet en de SP valt ook hier buiten boord.

Aan de linkerkant van het politieke spectrum bestaan alleen nog procon-partijen.

20 december

=0=

 


Prima facie

Is email informatie of communicatie? Richard Sennett (interview met De Groene van deze week) neigt naar informatie – hij vergelijkt de email met de brief en ziet de eerste als een mededeling en de tweede als een gesprek. Het is een onhandige vergelijking en toch, zo gaat dat nou altijd met Sennett, heeft de man een punt. Op een brief doe je je best, een emailtje gooi je er achteloos uit. Een brief lees je nog eens na voor je hem verzendt, een email is zulke zorg niet waard. Het gaat om aandacht.

Een brief is privé, email is sociaal ook al wil je dat helemaal niet. Een brief wordt beschermd door het briefgeheim. Het openen van een brief door derden is in principe niet toegestaan, het is een nee, tenzij. Wie een emailtje verzendt weet dat de boodschap kan worden onderschept en gelezen. We hopen erop dat wat we zenden in de regel zo oninteressant is dat derden de moeite niet nemen om achter de inhoud te willen komen. Het is ja, mits. In een brief kun je alles kwijt wat je raakt; in een email is dat noch gebruikelijk, noch aan te bevelen. Je doet er goed aan je op de vlakte te houden. Met email kun je contacten onderhouden maar voor iets dat je echt bij de keel grijpt zou je een andere communicatievorm kiezen. Vermoedelijk.

Wat als het doel het contact is, het contact om het contact? Bij Facebook gaat het daar om,  stelt Zadie Smith in de Opinie&Debat bijlage van NRC Handelsblad. En verslavend is het ook; ze is nog maar net afgekickt. Het is eenvoudiger ermee te beginnen dan er mee op te houden. Het is ook zo makkelijk; tot haar eigen verbazing kon ze er zonder het te merken uren aan spenderen. Inspanning kost het niet, daar zal het succes mede aan toe te schrijven zijn. Als je je aandacht aan Facebook besteedt hoef je nergens meer aandacht aan te besteden. Je bent je contacten en je contacten zijn jou. In het werk kenden we het al als de gelijkheid van werken en netwerken. In je sociale leven is het niet anders. Je presenteert jezelf voor anderen, aan anderen, met anderen, als anderen en – daar kom je soms pas achteraf achter – zonder anderen. Je vriendt en ontvriendt en als de wereld je te groot wordt sluit je je aan bij een ‘groep’ die geen groep is maar wel iets meer mag weten dan de anderen.

Het is misschien wel de suggestie van de privacy van de brief, de brief als email, de teloorgang van de privacy, het uitwissen ven het onderscheid.  Jouw privacy is mijn privacy, mijn privacy is jouw privacy. Van privacy wordt een karikatuur gemaakt, en het nettoresultaat is een openbaarheid die volgeplempt is met ontboezemingen die even onpersoonlijk als gênant zijn en die even zo vrolijk worden verkocht als het meest persoonlijke en het meest relevante wat je op dat moment nou net te binnen schoot. Ja, morgen heb je er misschien spijt van maar morgen is later en je leeft nu.

Dus ja, ook hier gaat het om nieuwtjes die nieuwtjes nodig hebben om nieuwe nieuwtjes te kunnen genereren. Dat kennen we, het dagelijkse geleuter op radio en tv is er om het niet te vergeten. Wat nieuw is, maar ik weet niet zeker of Zadie Smith dat op het oog heeft, is dat het bij een ‘sociaal netwerk’ als Facebook kennelijk gaat om informatie die wordt geaccepteerd als communicatie, dat het gaat om een wereld waarin het verschil tussen informatie en communicatie irrelevant is geworden. Als werken netwerken is geworden en het onderhoud en onderhouden van contacten genoeg aan zichzelf heeft – het contact ziet als Narcissus alleen zichzelf en hoort als Echo alleen zichzelf – dan gaat elk relevant onderscheid eraan.

Het is de wereld zonder onderscheid, met lak aan privacy want privacy is, volgens Smith die Zuckerberg citeert, niets anders dan iets ‘dat in de loop der tijd is geëvolueerd’. Zo is het maar net en als we maar in de gaten houden dat alles – inderdaad, zonder onderscheid – in de loop der tijd is geëvolueerd dan weten we ten minste eindelijk waar we aan toe zijn. Aan elkaar. We zijn toe aan elkaar, zonder onderscheid. Wie niet meedoet is een spelbreker.

19 december

=0=

 


Koers

Een tijdje lang heb ik de naam van Jolande Sap versierd met de toevoeging ‘ik voorspel haar een grote toekomst’. Dat laat ik per heden weg. Die toekomst was al begonnen en sinds gisteren een stapje versneld. Wat het voor GL betekent? Ze gaat verder met de koers die Femke heeft uitgezet (ik kan er ook niets aan doen, de dames bejegenen elkaar bij voorkeur met de voornaam). Ik weet niet wat dat inhoudt. Gisteren werd er niet naar gevraagd. Als ik het letterlijk neem van dat verdergaan dan haalt GL met een paar jaar D66 rechts in want het is hard gegaan de laatste jaren. Interessant was dat Vendrik, gevraagd naar commentaar op het plotselinge vertrek van Halsema, ook al opmerkte dat de bal bij de PvdA lag. Die partij moet kiezen tussen sociaal progressief (D66 en GL) en sociaal conservatief (SP). Nog maar kort geleden wilde Halsema samen met Marijnissen een kopje koffie nuttigen met Bos. Doel: linkse samenwerking en hoe linkser hoe beter. Daar is enige verandering in gekomen, zo veel zelfs dat nu D66 als sociaal progressief door het leven gaat. De lakmoesproef is, als ik het wel heb, het antwoord op de vraag of het ontslagrecht en, breder, het arbeidsrecht de functie heeft de werknemer te beschermen tegen al te willekeurig gedrag van de werkgever dan wel de ene werknemer te beschermen tegen de andere. Conservatief schijnt het eerste antwoord te zijn, progressief het tweede. Gisteren had Halsema het er weer over, over die modernisering van het ontslagrecht in het belang van de outsiders. Je kunt natuurlijk ook gewoon betere arbeidsvoorwaarden en betere arbeidsrelaties voor flexwerkers eisen en daar soms zelfs een succesje mee boeken (zoals nu bij de distributiecentra van AH, zoals eerder bij de schoonmakers en het openbaar vervoer) maar dat zal wel conservatief zijn. Ik geloof niet dat GL zich daar nog mee wil afgeven. Het is hun kiezerspubliek niet meer.

Halsema heeft niet de omvang van de kiezersaanhang van GL vergroot. Wel heeft ze de samenstelling van die aanhang sterk weten te beïnvloeden. Er zijn nieuwe kiezers bij gekomen en oude kiezers (die ze het label van conservatisme heeft opgeplakt) zijn verdwenen. Dat is een eindige koers; het houdt een keertje op. Dus wat wil Sap nu eigenlijk voortzetten? Daar had ik, van haar en ook van Halsema, wel eens wat meer over willen horen. Maar wat hoorde ik? Dat Halsema roept dat haar werk volbracht is. Dat is, tegen deze achtergrond, een wonderlijke uitspraak.

In een interview met De Groene van deze week waarschuwt Richard Sennett voor de nog altijd groeiende ‘intimiteit’ in de publieke sfeer. Het is zijn oude thema, al daterend uit de tijd van zijn ‘The Fall of Public Man’ uit de jaren zeventig. Gisteren was een dag met vrijwel uitsluitend illustraties van het thema. Zo intiem dat het bijna incestueus leek: Femke en Jeroen, Femke en Rutger, Femke en Mark, Femke en Alexander. Zo intiem dat voor een publiek debat geen ruimte meer overblijft. Ook dat werd uitbundig geïllustreerd. Het publieke domein is intiem geworden en is daarmee opgehouden publiek te zijn. Het toont de noodzaak van Wikileaks, het toont de verwevenheid van politici en media. Wie niet mee wil doen wordt afgeserveerd. Dat is de positie die Cohen (door Sennett opgevoerd als de zo ongeveer laatste ‘public man’ in de Nederlandse openbaarheid) nu is toebedeeld. De man kan zeggen wat hij wil; het doet er niet toe. Wij willen de intieme Cohen en als wij die niet krijgen zullen wij hem wel krijgen.

Die koers, wordt die door Sap bedoeld met dat voortzetten? Ik vermoed het. Sap is gul met haar intimiteiten, van een dranklustige vader tot en met haar wraak op een oud-vriendje en haar tevredenheid over die wraakneming. Daar kun je van alles van vinden. Als je dat interessant vindt. Wat ik er interessant aan vind is dat Sap heeft besloten het in te brengen in haar ontwerp van een publieke loopbaan.

De koers is uitgezet. De intimidatie van, door en met het intieme.

Over smaak valt wel degelijk te twisten. Maar daar heb je wel een publieke ruimte voor nodig.

18 december

=0=

 

 

Thuisloos

Ierland staat er bij clubs als Fitch, Standard & Poor’s en Moody’s niet goed op. Het land is uit de A groep naar de B groep gezakt. Fitch houdt het op BBB+, net als S&P, en Moody’s houdt het op Baa 1. Het betekent hetzelfde: Ierland kan z’n schulden betalen maar als het een beetje tegenzit zou daar wel eens het klad in kunnen komen. Het signaal aan de financiële markten is: niet in Ierland beleggen, wel op Ierland speculeren. De door de ministers van financiën zo betreurde onrust op de financiële markten wordt door dit type waarderingen – komend van organisaties die in andere gevallen de hand waarderen die hen voedt en die ook dat een onafhankelijk oordeel noemen – stelselmatig aangewakkerd. Die onrust kun je ook gewoon een uitstekend klimaat voor speculanten noemen. Omdat in de visie van ministers van financiën de markt het zelfs beter weet dan zij laten ze de waardering aan private organisaties. Een typerende drogreden want de waarderingen zijn geen marktobservaties, het zijn marktinterventies. En dan moet je wat want wie niet meebeweegt kan er zo maar op achteruit gaan. Dan liever Ierland en als we dat hebben gehad komt er wel weer wat nieuws. Clubs als Moody’s hebben een dikke vinger gehad in de pap van de huidige crisis en als beloning nemen we ze serieuzer dan ooit.

In een curieus artikel in De Groene van deze week beschrijft Koen Haegens ‘de speculant’. Hij kan de speculant niet vinden en omdat hij hem niet kan vinden is volgens hem de speculant eerder het product van een complottheorie dan een echt verschijnsel. Hij stelt dat de ‘feiten’ de verondersteld grote rol van de speculatie logenstraffen want die feiten zijn er niet. Althans, ze zijn niet te vinden. Zijn ze niet te vinden? Ze zijn niet te vinden en dus zijn ze er niet. Bovendien, zo tekent Haegens op uit de mond van een medewerker van de AFM die gezegend is met de treffende naam van ‘Maatman’, is niet eens duidelijk wat speculatie eigenlijk is. Is niet elke belegger iemand die koopt om te verkopen? Is het dan niet zo dat elke belegger een speculant is? Is het dan niet zo dat elke pensionado een speculant is? Enzovoorts. Nee, over Moody’s en aanverwanten gaat het niet. Die beleggen toch niet?

De voor de hand liggende conclusie zou zijn dat net als we onder omstandigheden allemaal van een brave burger in een beul kunnen veranderen we onder omstandigheden ook allemaal van belegger in speculant kunnen veranderen. Dat laatste zou zo langzamerhand wel eens het geval kunnen zijn en dat is ernstig, net zo ernstig als het er aan voorafgaande en erdoor versterkte opgeven van elk monetair gezag ten faveure van financiële transacties. We wachten op de volgende kredietbeoordeling van Moody’s en consorten en tot die tijd is het geen tijd voor beleggen en de hoogste tijd om te speculeren. Een mens moet wat.

Thuisloze kapitalisten noemt Haegens de speculanten. Hij vermoedt dat wij vermoeden dat het type nog altijd lijkt op de karikaturen van George Grosz: dikke poenerige kerels met een sigaar in het hoofd. Daar was hij naar op zoek. Hij heeft het type niet gevonden. Ik vraag me af: wie houdt hier wie voor de gek?

Ik neem aan dat Haegens ons in de kerstsfeer heeft willen brengen. Met een sprookje over moderne onvindbare thuislozen en een tot nadenken stemmende gedachte (‘de speculant is de ander’). De poging is niet geslaagd. Ik geef er een Ccc 1 voor.

17 december

=0=

 


Manfred (2)

De storm rond Bolkestein is weer gaan liggen. Manfred (ik schreef er vorige week een stukje over en ga daar nu maar op door) heeft niet gereageerd en Frits heeft uitgelegd dat hij het allemaal wel zo bedoelde en toch ook weer niet. Het stokje is overgenomen door Job Cohen die in een interview met Vrij Nederland uitlegt dat de sluipende uitsluiting van joden, net voordat het menens werd in de jaren veertig, een parallel begint te krijgen in de uitsluiting van moslims vandaag de dag. Je was geen Nederlander maar jood, je bent geen Nederlander maar moslim. Je hoort hier niet echt. Je hoort hier echt niet. De zichtbaren of, met Frits te spreken, de herkenbaren zijn het eerst aan de beurt. Alleen, daar vergiste Frits zich in, het is helemaal niet nodig die herkenning tot religieuze symbolen te beperken. Die maken het makkelijker maar dat is dan ook alles.

Ik dacht ook al, waarom duurt het zo lang voordat politiek Nederland eindelijk eens reageert op de bedreigingen van moslims in dit land? In november werden bij tal van islamitische gebedshuizen dreigpamfletten bezorgd. Recent is brand gesticht bij een moskee in Groningen, is een moskee in Dordrecht beschoten en is een moskee in Zoetermeer beklad.
Bij drie Marokkaanse moskeeën in Amsterdam lopen de gelovigen 's nachts wacht uit angst voor aanslagen. Ik haal het uit een berichtje in het Parool van een week geleden. De politici hielden zich muisstil. Geen eer aan te behalen. Wie op z’n zeteltjes let kijkt wel uit. Vroeger was het Groen Links dat dit soort zaken niet pikte. Groen Links is een andere partij geworden. Femke heeft het geen tweet waard gevonden – vorige week bij Frits nog wel. Frits was kierewiet. Job moet nog even wachten.

De Ephimenco’s en Wildersen van deze wereld weten het wel. Elke vergelijking tussen de – zwijgende en luidruchtige, het doet er niet toe – meerderheidsreactie op joden toen en moslims nu is taboe. Ontken de boodschap en klaag de boodschapper aan, het procedé is bekend. Lafheid bewandelt altijd dezelfde paden. Trappen en natrappen als je denkt gedekt te zijn. Nu drijft Wilders er slechts politieke handel mee, Ephimenco (in Trouw vandaag) gedraagt zich als de representant van het geschokte fatsoen van de modelburger die hij zo graag wil zijn. De man is weerzinwekkend. Hij denkt, met Wilders, dat Cohen beweert dat uitsluiting het gevolg is van wat joden toen en moslims nu deden. De stelling van Cohen is dat uitsluiting het gevolg is van wat meerderheden denken wat joden toen en moslims nu zijn. Ephimenco denkt dat het om hen gaat. Cohen denkt dat het om ons gaat. Dat is het eigenlijke taboe.

Ik ruil het fatsoen van de Ephimenco’s graag in voor de beschaving van Cohen.

16 december

=0=

 


Dickerbas

De voorstellingen van Hans Teeuwen zijn al uitverkocht voordat de eerste is begonnen. Maarten van Rossem is conferencier geworden. Schijnt uitstekend te lopen. We hebben behoefte aan vermaak en we zijn bereid er voor te betalen. Past helemaal in het moderne cultuurbeleid.
Toch, ik zou het de minister van Financiën in overweging willen geven, kan het Rijk meer aan deze vorm van vermaak verdienen dan het nu doet. Het is heel eenvoudig. Vraag voor elk optreden van onze minister van veiligheid en justitie een forse beloning (plus 19%). Hij kan de concurrentie met het cabaret en deszelfs gelijken makkelijk aan. Gisteravond zag ik de minister van veiligheid en justitie in een nieuwsprogramma. Hij leek zoals steeds en zelfs steeds meer op een samenstelling van Dickerdack en Bulle Bas, Dickerbas dus. Hij werd ondervraagd door journalist Argus, zoals bekend een volle neef van Alexander Pieps, ook een gekwalificeerd onderzoeker zullen we maar zeggen.
Over burgemeester Dickerdack doet de mare de ronde dat hij naar boven slijmt en naar beneden trapt, als het geen geld kost dan. Hij zou zo maar in staat zijn Dorknoper te ontslaan en hem vervolgens weer aan te nemen onder het motto dat hij op die manier meer mensen aan het werk zet. Ook die mare doet hardnekkig de ronde. Dickerdack wantrouwt Bommel en verheerlijkt de markies. Heeft meer met het zakenleven dan met de burgerij. Zijn commissaris van politie is Bulle Bas, bijgestaan door diens assistent, brigadier Snuf. Of diens voornaam Fred is weet ik niet. De commissaris heeft een bulderende, zware stem; intimi verspreiden het gerucht dat hij ook vaak in zichzelf praat en mompelt. De hoofdcommissaris is niet heel goed in het stellen van prioriteiten. Eigenlijk heeft alles prioriteit en daarom zijn er geen prioriteiten. Niet zulke die je kunt stellen.
In de nieuwsuitzending vertelde de minister dat hij denkt dat Nederland, met één nationaal politiekorps, veiliger wordt. Waar hij dat op baseerde was op zijn verwachting dat dat zo was. Argus keek licht verbaasd. Zou die verwachting misschien ook nog ergens op gebaseerd zijn? De minister verwachtte dat de bureaucratie flink zou afnemen. Wat hij daaronder verstond? Nou, de minister dacht aan gezamenlijk inkopen, aan ICT, aan personeelszaken, dat soort dingen. Dat gaat geld opleveren, reken maar van yes. Argus vroeg niet door over zoiets als ICT. Argus vroeg helemaal niet door. De ervaringen met ICT en politie zijn niet heel bemoedigend, dus de verwachting van de minister zou wel eens gebakken lucht kunnen zijn. Overigens is ICT gebonden aan vergaande standaardisering dus we moeten maar aannemen dat de minister bureaucratisering in gaat leveren om standaardisering terug te vragen. Het totale resultaat? Agent Stapper zal nog meer dan vroeger op straat te zien zijn. Daar gebeurt het toch?
Het fantastische aplomb van de minister, ik heb er van genoten. Zelden zo gelachen over zoveel goedkope luchtballonnen. Argus vroeg nog of er misschien een animal cop moest worden geofferd om een porn cop aan te kunnen stellen. Dickerbas antwoordde dat je die dingen niet kon vergelijken omdat beide prioriteiten waren.
I rest my case. Teeuwen en Van Rossum kunnen wel inpakken.

15 december

=0=

 


Overaanbod

Premier Rutte wil de verdiencapaciteit van de cultuursector vergroten. Hoe? Door de btw te verhogen, die vervolgens niet bij de cultuursector belandt maar bij hem. Staatssecretaris Zijlstra wil de cultuursector aanpakken door slechte bedrijfsvoering niet langer te compenseren door subsidie. Is er sprake van slechte bedrijfsvoering? Bij de banken zeer zeker en die worden daar zeer, zeer ruim voor beloond. Bij de cultuursector? Waar dan? Bij de musea, die de overheid wil ontzien, blijkbaar niet, bij de podiumkunsten wel? Waar blijkt dat uit? Kamerlid De Liefde meent dat er sprake is van een overaanbod aan cultuur. Er wordt meer gemaakt dan waar behoefte aan is. Is dat zo? En waarom is de reactie dan het aanbod duurder te maken in plaats van goedkoper, de gewone reactie om de markt te schonen bij een te groot aanbod? Die vraag wordt met de mantel der liefde bedekt.

We hebben een drietal VVD-ers. Een premier die meent dat hij als rijker wordt de cultuur dat ook wordt. Een staatssecretaris die meent dat subsidies slechte bedrijfsvoering in de hand werken en dan niet de bedrijfsvoering onderzoekt maar voetstoots de subsidie afschaft. Een Kamerlid dat meent dat cultuur nog altijd een soort landbouw is en volhoudt dat het verhogen van de prijs het aanbod zal beperken, ook al zou je het omgekeerde moeten verwachten en ook al heeft de prijsverhoging niets met de inkomsten van de sector te maken. Drie keer hoon: jullie kunnen hoog springen, jullie kunnen laag springen, wij blijven bij ons standpunt. Met cultuur heeft het niets te maken maar als jullie erom vragen kan je het krijgen ook.

Afgezien van de hoon, ik neem aan dat de heren ervan uitgaan dat de vraag naar podiumkunsten tamelijk inelastisch is, dus dat het veranderen van de toegangsprijs het aantal bezoekers niet erg zal beïnvloeden. Daar is wat voor te zeggen, in het bijzonder bij de traditionele podiumkunsten (toneel, klassiek ballet, klassieke muziek, opera
en operette). Het publiek daar is ouder en hoger opgeleid. Daar moet overigens wel bij worden bedacht dat toneel het meeste publiek trekt in de leeftijdscategorie tussen 6 en 19 jaar, de schoolgaande jeugd dus. Daar zal het CJP aan hebben bijgedragen. Dat gaat er ook aan

De meeste (van elke tien zo’n acht of negen, afhankelijk van het type podiumkunst) bezoekers zijn incidentele bezoekers. Ik ken geen onderzoek dat de prijselasticiteit differentieert tussen vaste en incidentele bezoekers en dat is jammer. De kans dat de elasticiteit bij de incidentele bezoeker hoger is dan bij de vaste lijkt me tamelijk groot. Maar ik weet het niet. Ook het onderzoek naar de inkomenselasticiteit van de vraag naar kunst is amper eenduidig te noemen. Of de podiumkunsten daarom als luxe kunnen worden betiteld valt niet goed uit te maken. De theoretische redenering is dat als je inkomen stijgt ook de veronderstelde prijs van vrije tijd stijgt dus wat je aan de ene kant makkelijker kunt besteden – geld – wordt aan de andere kant weer ongedaan gemaakt omdat je tijd schaarser wordt. Theorie allemaal en meer een exercitie in de dwangzetten van een axioma dan een aanname die deugdelijk lijkt. Voor een ander soort vrijetijdsbesteding – vrijwilligerswerk in de een of andere vorm – is er weinig bewijs voor. Voor de cultuur wel? Je kunt net zo goed aannemen dat het onderscheid tussen vaste en incidentele bezoekers ook een inkomensonderscheid is – en dat die onderscheiding de weinig definitieve gemiddelde resultaten verklaart.

Wat de overheid kennelijk voor heeft is het wat meer geld ontlokken aan een groep die het wel kan betalen (de oudere hoogopgeleiden die we bij de klassieke muziek en in de opera vinden) en het in de kou zetten van de jeugd die via school het theater bezocht. Wat een armoe. Wat een politici die op grond van de meest luie veronderstellingen volmaakt onverschillig tekeer gaan. Het wordt met de kunsten als met de publieke tv. Een race om kijkcijfers, om bezoekers. Dat commerciële waardering iets heel anders is dan geboden kwaliteit zal de heren worst wezen. Voor hen is cultuur consumptie. We moeten dan maar concluderen dat de heren culturele obesitas hebben geconstateerd en er de strijd mee aanbinden. In elk geval is cultuur in hun visie niet langer een merit good (een goed waarvan niet je portemonnee maar jezelf als persoon in eerste instantie beter wordt) en het heeft evenmin positieve externe effecten die de moeite van het noemen nog waard zijn. Dat belooft weinig goeds voor het onderwijs – de sector die nog het meest op cultuur lijkt als het om de eigenschappen van het ‘goed’ gaat. Het biedt een interessant perspectief op de straf op te lang studeren. Ook obesitas en dat gaan wij niet meer subsidiëren!

Maar, gegeven de non-argumenten van de heren, de politieke cultuur is het eerste slachtoffer geworden. Het journaille zou eens een prijs voor politieke cultuur moeten verzinnen. Het zal wel weer te veel gevraagd zijn. Politieke cultuur, dat is toch gewoon het kijkcijfer?   

14 december

=0=

 


Onze

Je kunt best over een woord vallen. Het is Amil Ramdas overkomen, bij herlezing van een rede van VS Naipaul, twintig jaar geleden. De titel van de rede was: ‘Our Universal Civilization’. Ik kan de verkorte weergave (in NRC Handelsblad van 2 februari 1991) van de rede waaruit Ramdas citeert niet meer vinden. Het doet er niet veel toe. De rede is in z’n geheel zo te vinden op internet; bovendien is de gehele rede afgedrukt, als een nawoord, in een verzameling essays van Naipaul (The Writer and the World. New York, Knopf 2002: 503-517). Of misschien doet het er wel toe. De onverschilligheid van Ramdas om met een verkorte weergave genoegen te nemen terwijl de complete rede zo makkelijk beschikbaar en dus toegankelijk is. De slordigheid van Ramdas omdat juist in die toegankelijkheid zo veel is aangekondigd van wat Naipaul de universele beschaving noemt.

Ramdas (in een artikel in De Groene van deze week, een essay over ‘Het bedrog van V.S. Naipaul’) is over het woord ‘onze’ gevallen. Naipaul hield de rede destijds op uitnodiging van een ‘rechts-conservatieve denktank’, schrijft Ramdas, die er twintig jaar na dato achter is gekomen dat hij eigenlijk vindt dat wat Naipaul daar zei minder van belang was dan in welk gezelschap hij dat zei. Dat gezelschap deugde volgens Ramdas niet en dus deugde de rede ook niet. Als zij het vanuit hun rechts-conservatieve gedachtewereld hadden over ‘onze’ universele beschaving (de titel van de lezing was door hen vastgelegd, niet door Naipaul) dan bedoelden ze vast een beschaving in de zin van wij/zij, een exclusieve beschaving die velen buitensloot en die, ik redeneer even mee in de lijn van het betoog van Ramdas, maar even hoefde te worden geprovoceerd om hysterisch te worden (Naipaul contrasteert in zijn lezing een ‘bedeesde’ beschaving met een ‘hysterische’). Inmiddels is het zo ver, we zijn geprovoceerd en hysterisch geworden en nu hoeft het van Ramdas niet meer. Hun beschaving is de mijne niet. Ramdas verwijt ook Bolkestein dit usurperen van het ‘onze’. Dat Ramdas er het spiegelbeeld van is valt hem zelf niet op. Het zij hem niet vergeven.

Wat het – behalve ‘guilt by association’– allemaal met Naipaul te maken heeft is duister. Het opmerkelijke in de lezing van Naipaul is dat deze voornamelijk spreekt in termen van ‘de’ universele beschaving. Hij omschrijft het als de toenemende toegankelijkheid voor steeds meer mensen van alles wat de cultuur ter beschikking heeft en hij omschrijft het als de mogelijkheid om, als je jezelf die toegang wilt en weet te verschaffen, je in die cultuur op je eigen manier te bewegen. Dat is voor hem de beschaving die zich steeds ‘universeler’ aanbiedt. Het is geen gelopen race, die beschaving; er is veel verzet, er is regressie, er is selectief winkelen (wel de technologie gebruiken, de rest veroordelen).

Naipaul kwam uit een traditie die aan zichzelf genoeg had en waar herhaling het parool was, en hij reisde naar een cultuur waarin niet meer het geloof bestond dat alle poëzie reeds geschreven was, waarin verandering en vernieuwing mogelijk waren. Hij kwam het later weer tegen, op Java, in de persoon van een jongeman die ervan droomde dichter te worden en geen gehoor vond bij zijn moeder die zich daar, behalve hovaardij, niets bij kon voorstellen. Naipaul herkende het. Hij was weggegaan van dat eiland waar alles al beschreven was. Hij ging naar een nieuw eiland waar voor hem wat te doen was. Voor hem werd dat Engeland.

Door weg te gaan kun je je een nieuw perspectief verschaffen op je eigen geschiedenis en op die van je ouders en voorouders. Naipaul betreurt de hedendaagse islam omdat zijns inziens de islam van vandaag de geschiedenis uitschakelt, het belang van en de belangstelling voor alle geschiedenis ontkent die niet de islam zelf is. Daarom is die islam ‘fundamentalistisch’. In landen als Pakistan en Iran die door de Arabieren zijn veroverd bestaat voor de beschaving van voor de verovering geen belangstelling, alleen minachting. Wat in de hedendaagse islam telt is de islam, en alleen de islam. Dat bepaalt ook de toegang tot de cultuur van anderen. Hooguit maak je er gebruik van, maar je erkent het niet als een beschaafde cultuur, niet als beschaving. Onze cultuur is de hunne niet.

Naipaul heeft de kans gekregen – als zo vaak is zijn tekst ook te lezen als een bescheiden eerbetoon aan zijn vader die hem het verlangen bijbracht naar een cultuur waarin niet reeds alles was geschreven – vanuit de ‘periferie’, Trinidad en Tobago, naar het ‘centrum’, Engeland, over te steken. Dat gaat gepaard (alles wat Naipaul schreef is ervan doordrenkt) met een zeker gevoel van vreemdheid, van vervreemding, van ontheemding. Ontheemding hoort bij humanisme (ik gebruik nu de woorden van Sennett in diens Spinozalezing) en Naipaul getuigt ervan. Je moet er tegen kunnen. Naipaul verhaalt over de Iraanse vrouw die na een huwelijk en een carrière als bioloog in de VS terugkeert naar Iran en zich daar uiteindelijk onderdompelt in de traditionele cultuur, de chador inclusief. Op instigatie van een arts die het ook enkele jaren in de VS had geprobeerd en er afscheid van had genomen. Van de cultuur en beschaving dan, niet van de medische technologie. Voor haar (en voor de arts) waren de onrust en de leegte van de ontheemding niet de pijnverschijnselen van een overgang, van een reis die meestal meer dan één generatie nodig heeft, voor haar waren het de kenmerken van het bestaan en de beschaving van het Westen.

Voor Naipaul is cultuur en beschaving verbonden met toegang en met het streven toegang te verwerven. Noem het een eigen weg gaan, en altijd in een context van wat Naipaul ooit als ‘het enigma van de aankomst’ beschreef. Het universele zit in de toegang, die niet eenmalig is, die geen bezit is, die een uitnodiging en een opgave ineen is. De lezing heeft daarmee een strekking die, in een wereld op drift, meer dan ooit actueel is. Mensen die hun neus ophalen voor dat streven, dan wel erin teleurgesteld zijn, moeten steeds meer steeds driftiger (‘hysterischer’) ontkennen en buiten de deur houden. Dat gevaar is niet voorbehouden aan en is ook geen eigenschap van de moderne islam alleen. Daar heeft Ramdas gelijk in. De plek voor een bedeesde, beschroomde, visie op de wereld en de cultuur van de wereld is inderdaad niet gegarandeerd. Maar ik denk dat Naipaul, gezien de tekst van zijn lezing, dat beter heeft begrepen dan Ramdas, gezien de tekst van diens essay in De Groene. Het bedrog zit bij Ramdas. Ramdas heeft zichzelf bedrogen en geeft een ander daar de schuld van.

Als het niet zo overbodig was zou je er empathie voor willen opbrengen.  

13 december

=0= 

 


Daling

Laten we aannemen dat je er niet meer komt op basis van je afkomst alleen. Je moet ook wat presteren en omdat presteren begint bij leren moet je leren. Voor zover niet je afkomst je verdienste bepaalt maar – als eerste stap – je onderwijsprestatie zijn de afhankelijken van afkomst de klos. Meritocratie gaat niet over afkomst. Alles in verhouding natuurlijk maar de uitkomst is dat hoe meer je op jezelf bent aangewezen hoe meer je op jezelf bent aangewezen. Wat je vader nog cadeau kreeg – te stom om voor de duvel te dansen en toch hoog op de statusladder – krijg jij niet meer helemaal cadeau. Neem verder aan dat intelligentie normaal verdeeld is en er zullen een aantal van de jongelui door het ijs zakken die vroeger niet door het ijs zakten. Dat heeft twee gevolgen. Het diploma dat je vader behaalde met gewoon z’n tijd uitzitten gaat aan jouw neus voorbij omdat jij niet alleen moest zitten maar ook moest doen en daar was je niet slim genoeg voor. De baan die je vader kreeg omdat hij er nu eenmaal bij hoorde krijg jij niet want – dat was de afspraak over afkomst – ook voor een baan moet je iets kunnen bewijzen en dat kun je niet. Je hebt noch het diploma dat je vader had, noch de baan die hij had. Dat laatste is natuurlijk extra vervelend want diploma’s zijn altijd leverbaar maar leuke baantjes niet. Dat hebben we ook gezien de laatste decennia. Steeds meer diploma’s en een banenwereld die het niet bijhield. Diploma-inflatie, de schaduwzijde van de meritocratie en met het gevolg dat we eerder meer dan minder diploma’s krijgen (je moet de inflatie voor zien te blijven en hoe meer we dat doen hoe minder het helpt want de schaarste zit niet aan de kant van de diploma’s maar aan de kant van de baantjes). Niet iedereen kan kapitein worden en de kans dat jij het wordt omdat je nu eenmaal bent wie je bent neemt af. Dubbel vervelend. Omdat meisjes die voordelen ofwel niet ofwel veel minder hadden dan hun broertjes, hadden ze 1) meer in te halen en 2) geen last van het kwijtraken van een voorsprong die ze nooit hadden omdat ze nu eenmaal meisjes waren. De jongens dalen – althans de jongens die het verhoudingsgewijs wel erg van hun afkomst moesten hebben – en de meisjes niet. Ze halen in.

Dit verhaaltje kun je makkelijk vertellen. Het stond al in het belangrijke boek van Boudon uit de jaren zeventig (Raymond Boudon, Education, Opportunity, and Social Inequality. New York, Wiley 1973), met model, modeluitkomsten en een vergelijking met empirische statistische data er allemaal bij. Voortreffelijk. Deze week stond in alle kranten dat met name jongens vandaag de dag de kans lopen onder het onderwijs- en baanniveau van hun vader te eindigen. Je zou denken dat we dat, 37 jaar na de bevindingen van Boudon, niet verbazend meer vinden. We vinden het wel verbazend. Ook de onderzoekers (J. Tolsma, M. Wolbers, Naar een open samenleving? Recente ontwikkelingen in sociale stijging en daling in Nederland; RMO 2010) vinden het verbazend. En dat vind ik weer verbazend. Ik zou denken dat als de onderzoekers zich de moeite hadden getroost het model van Boudon te verteren (dat hebben ze niet gedaan) we een beter en minder pompeus rapport hadden gekregen en bovendien een rapport dat onze kennis over de afkomstfactor (tegenwoordig heet dat etniciteit) had kunnen verdiepen. Bijvoorbeeld. Maar ja, dat zat niet in de data. Jammer voor de vraag daarom.

Ook het onderzoek naar sociale mobiliteit is onderhevig aan een proces van sociale daling.

12 december

=0=

 


Geen zin

De studentenprotesten hebben geen enkele zin. Het zijn de woorden van de minister van Onderwijs. Blijkbaar gaat zij erover, over wat zin heeft en wat niet. Ze is niet goed bij haar hoofd.

Is het niet tijd voor een actiegroep ‘geen zin’, in losse navolging van actiegroep ‘de loze kreet’? Het is de hoogste tijd zelfs. Een minister die gespeend is van elementaire vaardigheden in de taal die zij moet hooghouden, die gespeend is van elementaire methodologische vaardigheden in het lezen van rapporten (haar gedachte dat als PISA taal en rekenen meet taal en rekenen dan wel tot de kern van het op te kweken intellect zullen behoren – men leze haar ingezonden stuk in Trouw van vandaag – is de gedachte van iemand die een hekel aan denken heeft), zo’n minister ontbeert gezag. ‘De loze kreet’ vocht het gezag aan, ‘geen zin’ vecht een minister zonder enig gezag aan. Ja, het zijn opmerkelijke tijden en niets blijft hetzelfde.

Het is een wandelende zelfoverschatting, deze minister. Ze kondigt majeure onderwijsveranderingen aan en stelt dat het terugbrengen van het aantal profielen in het middelbaar onderwijs helemaal geen stelselwijziging is want, zo schrijft ze, we hebben heus wel van Dijsselbloem geleerd. De incompetenten hebben de halve wereld, dat blijkt maar weer. Ze wil af van de onzalige maatschappelijke opdracht aan de school, dat paradepaardje van haar CDA voorgangster op onderwijs, Van der Hoeven, en houdt tegelijk vast aan de maatschappelijke stage omdat die de jongelui in staat stelt in contact te komen met mensen met wie ze nooit in contact komen. Nou, dat zal helpen! Ze meent dat het verrichten van een maatschappelijke stage ongeveer equivalent is aan het opvoeden tot burgerschap en zegt daarmee niets anders dan dat voor haar dat hele burgerschap niets meer is dan een stage. Tenzij u werk heeft uiteraard. Of al eens op stage was en sinds die tijd niemand meer lastigvalt. Ja, dames en heren bijstandstrekkers, dat was u even vergeten maar wij, de Minister van Onderwijs, helpen het u herinneren! Een stage? Een stage. Dat zal wel zo zijn voor haar omdat zij er een baantje aan heeft overgehouden.

En overigens dient het mevrouw Van Bijsterveld verboden te worden ooit nog het woord ‘kwaliteit’ in de mond te nemen. Uit haar mond is kwaliteit een uitspraak die geen enkele zin heeft.

11 december

=0=

 


Benaming

Hulpeloos en rechteloos, dat is het beeld dat ik overhoud van de klagers die zich hebben gemeld bij de stichting Hulp & Recht. Of beter, dat is het beeld dat ik overhoud uit het verslag van de commissie Deetman over die stichting. In zijn aanbevelingen, aan het eind van het verslag schrijft de commissie: ‘De naam Hulp & Recht zorgt voor verwarring en misverstanden. Hulp & Recht is geen hulporganisatie en biedt geen recht. Een betere benaming wordt gekozen.’ Jammer genoeg ontbreekt een voorbeeld van een betere naam. Zou de commissie daar over hebben nagedacht? Vast wel. Ze zijn er niet uitgekomen en dat ligt ook wel een beetje voor de hand want het gaat niet om een betere naam maar om het rigoureus uit elkaar halen van de hulp en van het recht. Die aanbeveling heeft de commissie niet gedaan. Dat is een ernstige fout. In elke organisatie geldt de regel dat als je niet met je handen van je klanten af kunt blijven ontslag het gevolg is. Dat zijn de gewone huisregels, of het gewone ‘recht’, van organisaties. Zo niet in de kerk.

De eerste uitspraak van de commissie, voorafgaand aan enig onderzoek, had moeten luiden dat zo lang de kerk een organisatie is die seksueel misbruik en seksuele intimidatie door een van haar werknemers niet onmiddellijk afstraft met ontslag, die kerk geen serieus te nemen opdrachtgever voor onderzoek over seksuele misstanden kan zijn. Uiteraard, het moet worden vastgesteld of misbruik is opgetreden maar ook voor die vaststelling heb je een huishoudelijk reglement nodig waarin de ontslagsanctie is vermeld. Waar zoek je anders naar?

De kerk is in hoge mate autonoom. Die autonomie is door de wetgever gegund en strekt zich behalve over de kerk strictu sensu ook uit over door het kerkelijk gezag erkende gemeenschappen. De codex vermeldt, op basis van artikel 6 van het reglement voor het R.K. Kerkgenootschap,  over die gemeenschappen dat de leden ervan zich op hun eigen wijze aan god en kerk mogen wijden (c. 207, par.2). De wetgever zou zich nog wel eens mogen buigen over de vrijheid die de kerk is gegeven om op geheel eigen wijze rechten en plichten, beloningen en sancties voor z’n medewerkers vast te stellen.

De commissie heeft hier voorlopig niets over gezegd. De commissie heeft iets gedaan dat veel lijkt op wat Hulp&Recht ook doet: de afstand nemen om de procedures te toetsen en de afstand opheffen om met slachtoffers in gesprek te komen. Dat is een ‘weeffout’ waaraan niet alleen de kerk en Hulp&Recht door worden gekarakteriseerd maar ook de commissie zelf. Als Deetman zich beroept op zijn ‘onafhankelijkheid’ zou hij zich eens moeten afvragen of de eerste voorwaarde van onafhankelijkheid niet is dat hulp en recht niet worden gemengd. Tot schade van beide.

10 december

=0=

 


Afdekken

Als de rente weer stijgt zal dat voor de benarde pensioenwereld weinig uitmaken. Hun beleggingen worden dan wel meer waard maar ze kunnen er niet van profiteren. Waarom niet? Omdat De Nederlandsche Bank hen heeft verplicht het renterisico ‘af te dekken’. Ik lees het in het FD. Bij wie ze dat moeten doen staat er niet bij. Laten we aannemen dat het bij het bank- en verzekeringswezen is. Die beloven de pensioenfondsen dat de opbrengst van de beleggingen niet nog verder kan zakken door rentebewegingen (gelet op de uniek lage stand van de rente is dat een veilige propositie) en als de rente zal stijgen (hetgeen waarschijnlijk is) steken zij de extra opbrengst in de zak en hebben de pensioenfondsen het nakijken. Meer nog, zulke diensten worden niet gratis verricht. De pensioenfondsen zullen moeten betalen voor een dienst waar ze niet om gevraagd hebben. Je vraagt je af of DNB zich door Zalm laat adviseren: een maatregel die op zich niet zo raar is opleggen op het meest ongelukkige moment. Toen het nuttig was had DNB wel wat anders te doen, nu het niet meer nodig is wordt het opgelegd.

De vraag is waarom. Het antwoord is niet ingewikkeld. Het gaat om de bijdrage die de pensioenen moeten leveren aan het opruimen van de financiële misère die de banken hebben achtergelaten en waarvoor de overheid en nu ook DNB iedereen die toch niet zelf kan bewegen in de kladden grijpt. Je zou kunnen zeggen dat DNB daarmee z’n onafhankelijkheid opgeeft. Het advies om te kleine, te oude enz. pensioenfondsen bij elkaar te vegen, dat zou nog eens het ‘afdekken’ van risico’s zijn. Dat advies geeft DNB niet. Het zou wat kunnen opleveren, het zal vermoedelijk ook wat opleveren, maar dat is niet interessant. Het gaat helemaal niet om risico’s. Het gaat om winst en verlies. Het gaat om het overhevelen van pensioenopbrengsten naar de private sector. We moeten allemaal onze bijdrage leveren, toch?

Het opgeven van zelfs de schijn van onafhankelijkheid zou erg zijn, ware het niet dat ook andere centrale banken en de ECB al enkele jaren weinig anders doen dan diensten verlenen aan dezelfde financiële sector die ze zouden moeten controleren. Ook in dit geval. De maatregel is zo opgezet dat niet de beleggingen de prijs betalen maar de leden van de pensioenfondsen. En als dat betekent dat de voordelen van de beleggingen moeten worden doorgeschoven naar het private bankwezen – het zij zo. Het spel heet privatisering van de winsten en socialisering van de verliezen.

Zo er ooit een tijdstip is geweest waarop de Kamer de regering zou moeten dwingen voor de pensioenbeleggingen de oude rekenrente weer van stal te halen dan is dat tijdstip nu gekomen. Ik zie het er niet van komen. Ik zie het er ook niet van komen dat de Kamer vraagtekens plaatst bij de twijfelachtige onafhankelijkheid van de centrale banken.

De banken worden slapende rijk. Hun risico’s zijn afgedekt. Met dank aan DNB, Kamer en regering. Het kost wat maar dan heb je ook wat. Ik bedoel, dan hebben zij wat.

Zou het niet aardig zijn als de bonden hun winterslaap eens opgaven?

9 december

=0=

 


Manfred

Ik stel het me zo voor. Manfred vraagt Frits of die het zich kan voorstellen dat, als het nog erger wordt voor de joden in Nederland, hij ze zou aanraden het land maar te verlaten. Ja, antwoordt Frits, wie weet komt het zo ver dat ik hen dat zou moeten adviseren.

Of het zo gebeurd is weet ik niet. Het boek (Manfred Gerstenfeld, Het Verval; joden in een stuurloos Nederland. Amsterdam, uitgeverij Van Praag 2010) geeft geen uitsluitsel. Gerstenfeld vermeldt alleen een ‘persoonlijke communicatie’ van Bolkestein als bron voor de uitspraak dat joden in Nederland geen toekomst hebben en ze er het beste aan zouden doen naar de VS of Israel te emigreren (o.c.: 109). De reden: de mislukte integratie van vele moslims en de problemen die dat voor ‘bewuste’ joden opwierp. Dat laatste keert terug in het interview met Bolkestein (o.c.: 123-128) in hetzelfde boek, het eerste niet. Wel is het een thema (in het hoofdstuk ‘Ik raad mijn kinderen aan Nederland te verlaten’) in het interview met mevrouw Evers-Emden in hetzelfde boek (o.c.: 241-248). Rabbijn Evers is overigens niet van zins haar raad op te volgen. Sommige van zijn zoons daarentegen zijn geëmigreerd.

Over de uitspraken van mevrouw Evers is geen commotie ontstaan, over de aan Bolkestein toegeschreven uitspraak (die volgens Bolkestein op de manier waarop het in De Pers en daarna de overige media is gekomen ‘te kort door de bocht’ is weergegeven) des te meer. Dat is merkwaardig. Het leidt af en hoezeer het afleidt kunnen we aflezen aan de onmiddellijke reacties van Wilders en Halsema. De laatste vroeg zich af of Bolkestein ‘kierewiet’ was geworden (zou ze dat ook over mevrouw Evers durven schrijven?), de eerste trok het bekende register open: ‘niet de joden moeten weg maar de Marokkanen die zich schuldig maken aan antisemitisme’ (zou mevrouw Evers geen geloof aan de ferme teksten van Wilders hechten?).

Pas met de toelichting die Bolkestein naar aanleiding van de commotie verschafte is de kwestie onverkwikkelijk aan het worden. Bolkestein heeft het nu over ‘als zodanig herkenbare joden’ die geen leven meer hebben. Is mevrouw Evers als zodanig herkenbaar? Mevrouw Evers is een vierentachtig jarige dame, met een vriendelijk gezicht. Ze woont in stadsdeel West, gaat naar sjoel (‘een klein, onopvallend multifunctioneel huis’) in de Baarsjes en toch, zegt ze, hebben ‘ze’ ons weten te vinden (o.c.: 242). Tja, wat is dan ‘als zodanig herkenbaar’ of, beter, wat is niet ‘als zodanig herkenbaar’?

Totale assimilatie – de oplossing van Wilders voor de moslims – dan maar voor joden? Geen ‘integratie met behoud van eigen identiteit’ meer, een ‘behoud’ dat je het recht geeft je eigen kring te definiëren evenals het recht je eigen identiteit te bepalen, te veranderen, aan te passen en steeds zo dat het initiatief bij jou ligt en niet bij degenen die zich reeds geïntegreerd achten en die zich, in tegenstelling tot jou, dus nooit hoeven te verantwoorden voor hun identiteit?

Het is pijnlijk, de escapade van Frits. Met een enkele opmerking weet hij de gehele impasse van het integratievraagstuk te verwoorden. Frits is zichzelf tegengekomen en hij is er niet blij mee. Ik denk dat hij het Manfred in stilte verwijt. Hij zou het zichzelf moeten verwijten. Het ‘als zodanig herkenbaar’ is het product van het integratiestreven waar hijzelf bij aan de wieg heeft gestaan.

8 december

=0=

 


Speeltje

Een mantelorganisatie noemden we dat vroeger, wanneer een politieke partij een club beheerste die zich met, zeg, vakbondsactiviteiten bezighield, met jongerenzaken, met vrouwenzaken. De CPN gold lange tijd als schoolvoorbeeld. De partij controleerde door mensen in bestuursfuncties te benoemen of ze er uit terug te trekken. Tussen de acties en uitspraken van dergelijke clubs en de prioriteiten van de CPN zat weinig tot geen licht.

Eén van de laatste organisaties van de CPN waar de roep van de mantel aan kleefde was Stop de Neutronenbom, eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. Een succesvolle organisatie, opmerkelijk eigenlijk want de partij was toen al op z’n retour. Het eurocommunisme, Charta 77, Afghanistan, het deed de communisten geen goed. Er was verwarring, aangewakkerd door, in het bijzonder, de grote verkiezingsnederlaag van 1977. Er werd wild om zich heen geslagen. Het teken aan de wand was het gedwongen vertrek van Paul de Groot in 1978, na diens poging de partij weer eens te zuiveren. Het lukte niet, hem werd het erelidmaatschap ontnomen. De partij heeft zich er niet van hersteld.

Blijkbaar was de CPN daarna niet meer in staat een nieuwe succesvolle mantelorganisatie op te richten. Dat leid ik af uit de omschrijving door Jolande Withuis van het in 1985 opgerichte Verzetsmuseum. Zij noemde dat museum onlangs, bij de 25ste verjaardag van het museum, een ‘speeltje’ van de CPN. Dat is een merkwaardige, en compleet a-historische, betiteling. Een speeltje is iets overbodigs. Je hebt het niet nodig maar omdat je nu eenmaal altijd wat nodig hebt neem je dit even. Tot het je verveelt, dan gooi je het in de hoek en je eist wat nieuws. Dat hetzelfde lot beschoren is. Speeltjes horen bij verwende kinderen.

Ik zou denken dat als het verzetsmuseum een speeltje van de communisten was, de herinnering aan het verzet daarbij niet kan achterblijven. Het één is de verbeelding van het ander. Ik heb de indruk dat Withuis dat ook bedoelt. Het verzet, daarin gunt ze de CPN een grote rol. De herinnering aan het verzet daarentegen was een politiek speeltje. Het werd jaarlijks geactiveerd bij de herdenking van de Februaristaking en, dat neem ik dan maar aan, het lag ten grondslag aan het streven naar een verzetsmuseum. Het museum was, na jaren van uitsluiting, ook een vorm van rehabilitatie voor de communisten en daarom, zo Withuis, moeten we de aanwezigheid van ‘PvdA-prominenten’ in het eerste bestuur van het museum beschouwen als een vorm van Wiedergutmachung. Na de opheffing van de CPN werd het museum bovendien een plek waar ‘verweesde’ communisten een onderkomen vonden.

Het zijn allemaal grote beweringen. Niettemin, als er iets uit blijkt dan wel dat het Verzetsmuseum alles was behalve een ‘speeltje’. Eerder een – in de ogen van Withuis ongetwijfeld onterecht opgericht – monument.

Monumenten, ook kleine, zijn geen speeltjes. Of het een monument voor de rol van de CPN in het verzet moest worden, het lijkt me een overtrokken bewering. Een historica die het verschil tussen een monument, een mantelorganisatie en een speeltje bagatelliseert heeft haar huiswerk niet goed gedaan.

7 december

=0=

 


President


Eind november werd eindelijk de uitslag van de Afghaanse parlementsverkiezingen bekend gemaakt. Dat was ruim twee maanden na de verkiezingen zelf. Een kwart van de stemmen werd ongeldig verklaard, een aantal gekozenen is wegens fraude gewipt. De eer is gered, al kun je je afvragen wiens eer. Het doet er niet toe. Afghanistan heeft een president die gekozen is op basis van een lachwekkende verkiezingsgang en nu heeft het een bijbehorend parlement. Nieuw is het niet. De verkiezingen in Afghanistan geven niet de verhoudingen binnen de Afghaanse bevolking weer, maar de verhoudingen binnen een volstrekt bedorven kaste van krijgsheren die democratie bespottelijk vinden.
Ons kan het niet schelen. Wij maken ons liever zorgen over verkiezingen die beter verlopen maar waarvan de uitkomst ons niet bevalt. Die voor het Palestijnse parlement bijvoorbeeld – als Hamas wint. Onze tegenwoordige minister van Buitenlandse Zaken, Uri Rosenthal, was er destijds als de kippen bij om uit te leggen dat, zelfs als de verkiezingen democratisch zouden zijn verlopen, Hamas daarmee nog geen democratische organisatie was geworden. Klopt, en ik ben benieuwd hoe de minister aankijkt tegen de PVV als democratische organisatie en tegen de verkiezingen in Afghanistan. Hij is ons wel een berichtje verschuldigd, op straffe van het verwijt van willekeur. Hij heeft de lat hoog gelegd. Ik ben benieuwd of hij de sprong aandurft. Ergens vermoed ik dat hij het gevalletje nu liever eventjes vergeet.
President Van Rompuy is ten minste wat duidelijker. Zijn stelling is dat Europa Afghanistan heeft opgegeven. In een via Wikileaks vrijgekomen document (een memo van de Amerikaanse ambassadeur in België) wordt Van Rompuy de uitspraak toegedicht dat volgens hem Europa nog tot eind 2010 wacht op enige vooruitgang en dat het dan wel op is. Hij deed de uitspraak eind 2009. Europa doet nog wel mee en ‘zal er mee doorgaan uit respect voor de Verenigde Staten, niet uit respect voor Afghanistan … Niemand gelooft nog in Afghanistan’.
We mogen aannemen dat de parlementsverkiezingen niet staan voor de vooruitgang van Van Rompuy. De Afghanen hebben het respect verspeeld. Nu nog wachten op een memootje van onze president waarin hij uitlegt wat ‘respect’ voor de Amerikanen precies betekent. Hoe dan ook, de stelling van onze regering dat Nederland het zich niet zou kunnen permitteren zich helemaal uit Afghanistan terug te trekken komt door de uitspraken van Van Rompuy in een bijzonder daglicht te staan. Nu was het Hillen maar die het zei en het gaat vanzelfsprekend om Rosenthal. Die kennen we als de man die strenge standaarden hanteert. Ik ben benieuwd en toch ook weer niet.
6 december

=0=

 


Langdurig

In de VS kruipt het werkloosheidscijfer langzaam omhoog naar de 10 procent. Meer dan vijftien miljoen Amerikanen zijn werkloos. Meer dan veertig procent onder hen zijn al langer dan een half jaar werkloos, en dan ben je in dat land ‘langdurig’ werkloos. De werkloosheid verschilt per staat, de werkloosheidsuitkeringen zijn karig en kortdurend en het federale fonds om staten met grote werkloosheid in staat te stellen de uitkeringen voor langdurig werklozen tijdelijk een beetje op te hogen is bijna aan het eind van de rit. Zoals het nu naar uitziet wordt de levensduur van het fonds niet verlengd, de Republikeinen vinden dat de staatsschuld al groot genoeg is. Ik lees het in de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Hoe ongeloofwaardig ook, het zal dan toch echt wel het argument van de Republikeinen zijn want de FAZ is in mijn ogen een betrouwbare krant met een kwaliteit waar geen Nederlandse krant ook maar aan kan tippen. De staatsschuld. Het begrotingstekort. Het is stuitend. Het is minachting. Alleen het argument dat de groei van de langdurige werkloosheid te wijten is aan het te rigide ontslagrecht – het argument dat bij ons een ‘progressief’ argument wordt genoemd – ontbreekt nog. Vermoedelijk komt het ook niet want het ontslagrecht in de VS is het recht om ontslagen te worden, niet het recht om er iets tegen te kunnen doen. In Nederland dromen GL en D66 van zo’n soort ontslagrecht, niet meer als het recht van de werknemer maar als het recht van  de werkgever.

Wat niet ontbreekt – de krant heeft het over Republikeinen en, daar zijn we weer, economen – is de ernstige zorg over de dreiging dat als de werklozen het nog luxer krijgen dan ze het nu al hebben, ze het zoeken naar een baantje wel eens zouden kunnen verlengen, met als gevolg dat ze niet elk eerste voorbijkomende baantje accepteren. Stel je voor! Zodra we dat constateren dan weten we genoeg. Het is vetpot daar en, om het nog erger te maken,  wie nog niet genoeg heeft gegeten vraagt gewoon voedselhulp aan. In de VS is 14 procent van de bevolking (meer dan veertig miljoen mensen) aangewezen op voedselhulp. Tegenwoordig kun je daarvoor een pasje krijgen dat van een gewoon bankpasje niet te onderscheiden is. De voedselzegels en hun stigma zijn ingeruild voor het gemak van een redelijk anoniem pasje. Geen wonder dat iedereen het wel wil hebben. Geen stigma en toch gratis, wie zou er niet voor tekenen? Het is een federale regeling en wie weet wordt ook daar het mes in gezet want het is duur. Het is een uitnodiging en dat kunnen we niet hebben. Nee, niet afschaffen natuurlijk, gewoon een beetje minder. 

Gegeven de schraalhanshoogte van de uitkeringen in de VS is elke zorg over werkwilligheid een overbodige zorg. Veel oprecht bezorgden echter, de Republikeinen in de VS, D66 en GL bij ons, laten zich hun zorg niet zomaar afnemen. Dat heb je, met zorg geboren uit dogma’s. In Nederland gelooft men de dogma’s nog fanatieker dan in de VS. Het komt, zegt men dan, omdat we de mensen te veel pamperen. Wat ze in de VS te weinig doen, doen wij te veel en we komen elkaar tegen bij de bestrijding van de langdurige werkloosheid.

Wat mij betreft is het de hoogste tijd dat GL en D66 met elkaar fuseren. Als je het zo grondig eens bent over een belangrijk deel van je ‘hervormingsagenda’ dan mag je elkaar best in de armen sluiten. Bovendien, gelet op het respectabele gezelschap dat het helemaal met je eens is, neemt de kans op regeringsverantwoordelijkheid ook toe – zeker als je het dreumesenpakje uittrekt en vervangt door een heus kostuum.

Zal het de langdurig werklozen helpen?

Nee, dat niet. Maar wie meent dat het daarom zou gaan heeft wel een heel ouderwets beeld van de moderne politiek. Politiek is kiezen en het maakt verschil als je kiest voor de combinatie van hoge opleiding en jeugdige leeftijd, en niet voor het ongeordende spectrum van opleidingsachterstanden voor alle leeftijden. Het eerste, daar kun je een blok uit vormen, met het tweede valt niet veel eer in te leggen. Toch?

Wat GL progressief noemt is even minachtend als de Republikeinse Partij die langdurige werkloosheid koppelt aan te genereuze ondersteuning.

5 december

=0=

 


Ontmanteling

De kop in NRC Handelsblad: Ontmanteling dreigt voor te duur UWV. Het is een soap. Het UWV heeft vanaf het begin onder vuur gelegen. Het was te groot, te log, te bureaucratisch, te duur. Als oplossing hebben regering en Tweede Kamer steeds bedacht dat het best goedkoper kon en dat er ook nog wel wat taken bij konden. Re-integratie bijvoorbeeld en, de laatste loot aan de stam, de arbeidsbemiddeling. Wajongers? Dat doet het UWV er wel even bij. Kunnen ze het? Welnee, er zijn niet eens fatsoenlijke, voldoende gedetailleerde statistieken. Wajongers zijn de allochtonen van de sociale zekerheid. We hebben doven en slechtzienden en doof is doof en blind is blind. Voor de Tweede Kamer en de regering klopt het (horende doof en ziende blind), voor de wajonger niet. Politici nemen niet waar, ze classificeren. Pech voor de wajonger dan, maar er zijn er ook zoveel. Steeds meer. Dat kan niet goed gaan. Daarom:  beperk de instroom en vergroot de uitstroom. Wie moet het doen? Het UWV. Kunnen ze het? Nee. Waar ligt het aan? Aan het UWV. Gebundelde politieke wijsheden.

Van een uitvoeringsorgaan dat de claims op werknemersverzekeringen nakeek en vervolgens al dan niet tot uitkering overging is het UWV geworden tot een orgaan dat ook opdrachtgever voor re-integratie werd en arbeidsbureau. Liever ingewikkelder dan eenvoudiger en liever goedkoper dan duurder, dat is de politieke overweging. Het lukt niet. Lukt het niet? Dat moet dan wel aan het UWV liggen. Enzovoorts.

Het UWV is de beste illustratie van de doorgeschoten werkideologie, een ideologie die met werk heel weinig en met een onterende moraal alles te maken heeft. Sinds werknemersverzekeringen geen verzekeringen meer zijn (een verzekering is causaal: je hebt rechten omdat je ongewild in een bepaalde welomschreven situatie terecht bent gekomen) is het beroep op een uitkering tot een signaal geworden dat het probleem bij jou ligt. Een moreel signaal, een signaal van een moreel tekort. Vermoedelijk, per veronderstelling. Vraag naar de eerste associatie bij het woord uitkering en je krijgt fraude als antwoord. Daar zullen we wat aan doen. Wat? Dat hangt van de werkgever af. Wat verwachten we van de werkgever? Wij verwachten goede wil van de werkgever. Meer nog, we veronderstellen die goede wil bij de werkgever en daarom hoeven we die kant ook nooit meer op te kijken. Vanaf nu kijken we naar de uitkeringsafhankelijke en diens fraudegevoelige moraal en we kijken naar de instantie die de moreel verdachte zo snel als mogelijk weer moet klaarstomen voor de o zo gretige arbeidsmarkt. Lukt het niet? Dan maken we de koppeling tussen uitkeringssanctie en werkwilligheid nog wat strakker en weer wat strakker en we meten wat het verband is tussen een hulpverlenend UWV en het aantal naar een baan bemiddelde mensen. Zo eenvoudig is het.

Ik zou het helemaal geen ramp vinden als de koppelingen tussen uitvoerder werknemersverzekeringen, re-integratiebureau en arbeidsmiddeling een heel stuk losser werden. Maar het wordt pas wat als regering en Tweede Kamer het lef hebben eerst hun eigen consequente wanbeleid onder het vergrootglas te leggen. In de Kamer zou een debat over wat werknemersverzekeringen eigenlijk zijn, niet misstaan. De Kamer zou zich dan tegelijk kunnen afvragen waarom politici menen dat de WW hun speeltje is. Wie weet komen ze er achter dat hun minachting voor elk begrip van verzekering samenhangt met hun diepe overtuiging dat dit land geen burgers nodig heeft maar uitsluitend en alleen werkwilligen.

Ik heb er weinig vertrouwen in, in politici die zichzelf de maat moeten nemen. Vermoedelijk gaat het UWV voor de zoveelste keer op de schop en worden de koppelingen vervolgens alleen maar strakker aangedraaid. De kaarten voor een volgende ‘reorganisatie’ en nog een en nog een zijn vast al geschud.

4 december

=0=

 


Twee adviezen

In de Groene van deze week kom ik twee adviezen tegen over de euro. Het eerste is van Kees Vendrik: wil de euro een kans maken dan dient de EU versterkt te worden. Het tweede is van Alfred Kleinknecht: willen de Zuid-Europese landen een kans maken dan moeten ze uit de euro stappen. Het lijken tegengestelde meningen en dat zijn het ook maar ze berusten wel op een gedeelde grondslag. De euro heeft het wisselkoersmechanisme uitgeschakeld en daarmee hebben de Zuid-Europese landen hun concurrentiekracht ingeleverd. Ze hebben een groeiend importoverschot, dat moet worden gefinancierd, het wordt met leningen gefinancierd, daar zijn de banken op ingesprongen en nu moet de wal het schip keren. Het is allemaal niet geheel conform de verwachting. De verwachting was dat lonen en sociale zekerheden de tol zouden moeten betalen. Dat gebeurt nu ook in die landen maar aan alles is een grens. En zelfs als daar gebeurt wat zich nu aankondigt – het type ‘flexibele’ arbeidsmarkt en ‘activerende’ sociale zekerheden  waar Groen Links en D66 ook voor ons land van dromen – is het niet veel meer dan het paard achter de wagen spannen. Alsof de hoge werkloosheid in die landen niet het gevolg van een politiek ontmachtigde euro is maar van het lokale ontslagrecht. Het is te pathetisch voor woorden. Bovendien, de maatregelen die nu worden getroffen om de willekeur van het krijgen en behouden van een baan nog groter te maken hebben veel tijd nodig en tijd krijgen banken wel (de ECB heeft gisteren weer aangekondigd dat het goedkoop lenen voor banken nog wel even blijft, net zoals de ECB staatsobligaties die niemand meer wil hebben blijft overnemen van het bankwezen) maar landen niet. Europa is het Europa van de banken. De zogenaamde reddingspogingen voor de euro beschermen de banken en laten het export/import probleem ongemoeid. Nederland en Duitsland zullen er ook alles aan doen om de eigen exportpositie te beschermen en blokkeren daarmee een effectief EU beleid. Tijdelijk soelaas dus hooguit, dat ‘redden’ van landen waarvan de bevolkingen de rekeningen mogen betalen. Vandaar: of de euro uit of een effectieve invloed van de EU. Overigens, ook als die landen weer terugkeren naar hun oude munten blijft het probleem bestaan: een EU met grote interne productiviteitsverschillen, met alleen arbeid en sociale zekerheid als aanpassingsmechanismen en een financieel stelsel dat de monetaire autoriteiten in de tang heeft in plaats van omgekeerd.

Je zou natuurlijk aan de VS kunnen denken, een soort Zuid-Europa in het groot. Enorme importoverschotten en een schuld waarbij die van Spanje, Griekenland, Portugal en Ierland bij elkaar in het niet zinkt. Het verschil is dat de Amerikanen van elk schuldpapier windhandel wisten te maken, daar een tijdje lang buitengewoon profijtelijk plezier van hebben gehad – elk beetje bank waar ook ter wereld kopieerde hun gedrag – en er in geslaagd zijn om toen het fout ging een wereldwijde crisis te ontketenen. Het IMF, de instelling die nu wordt uitgenodigd om de bevolkingen van Europa een rotschop te geven, heeft er nog altijd geen kwaad woord over gezegd, laat staan een maatregel in het vooruitzicht gesteld. Het IMF is een belangrijk onderdeel van het probleem – in de EU wordt het als een belangrijk onderdeel van de oplossing gezien.

Dus ja, ik voel meer voor het advies van Kees Vendrik. En de eerste taak zou moeten zijn om vanuit een verenigd Europa het IMF z’n congé te geven en hen pas weer toegang te verlenen als het de VS op z’n nummer heeft gezet. Voor hun eigen bovenste beste bestwil – om Kleinknecht te parafraseren.

3 december

=0=

 


Stafchef

In Engeland krijgen ze niet snel genoeg van steeds een nieuw onderzoek naar Irak. Het meeste recente onderzoeksteam wordt geleid door Sir John Chilcot. Begin dit jaar verhoort zijn team Jonathan Powell, diplomaat en voormalig stafchef van Tony Blair. Nee, niets militairs, wel een positie met als opgave ‘alle aspecten van het werk van de premier te coördineren’. Dat is een ‘stafchef’. Wat de staf is blijft ongezegd en dat is niet toevallig. Het klinkt heel neutraal, maar het is een zware post met veel bevoegdheden om, namens de premier, opdrachten uit te delen, van laag tot hoog. Het is geen gekozen positie, hij komt ook niet bij elke premier voor. Thatcher deed er even aan, Blair deed er steeds aan. Ook de Amerikanen zijn vertrouwd met het verschijnsel en ook daar wordt het als een sleutelpositie gezien.

Powell was stafchef tussen 1997 en 2007, gedurende de hele Blairperiode dus. Direct aan het begin van zijn werkzaamheden instrueerde hij de net benoemde nieuwe Engelse ambassadeur in Washington. Dat gaat zo (het citaat is van die ambassadeur): "We want you to get up the arse of the White House and stay there." Er schijnt mee bedoeld te zijn, aldus diezelfde ambassadeur (Sir Christopher Meyer), dat Powell bedoelde dat als je invloed op de VS wilde uitoefenen je de informatie vertrouwelijk moest houden.

Dat zou best eens de juiste interpretatie kunnen zijn. Meer nog, het is hoogst waarschijnlijk dat dat zo is. Vertrouwelijkheid is de toetssteen. Met Saddam bijvoorbeeld was er geen vertrouwelijkheid want, zo deelde Powell mee in zijn verhoor, toen Saddam in de kraag was gegrepen en werd ondervraagd deelde deze mee dat hij niet actief met Hans Blix (voorzitter van de VN inspectiecommissie en op zoek naar massavernietigingswapens in Irak) samenwerkte – om de tegenstanders vooral in de waan te laten dat hij ze had en er dus mee kon aanvallen. Met Saddam was je niet vertrouwelijk en dus vertrouwde je erop dat hij die vernietigingswapens had, ook tegen beter weten in. Vertrouwelijkheid is het tegendeel van vertrouwen. Daar komt ook die metafoor van de reet van de Amerikanen vandaan.

Vandaag vind ik een column (overgenomen uit de Guardian) van Powell in de Volkskrant. In die column zijn de Amerikanen zijn ‘vrienden’ en met vrienden – dezelfde vrienden bij wie hij in hun reet wou zitten – ben je ook vertrouwelijk. Zelden is de dubbelzinnigheid van ‘vertrouwelijkheid’ openlijker beschreven. Niks stiekems en al helemaal geen ongewenste intimiteiten maar vertrouwen want zonder vertrouwen was die vertrouwelijkheid er nooit gekomen. Dat kan waar zijn maar het neemt niet weg dat je vertrouwen kunt misbruiken door steeds vertrouwelijker te worden. Vertrouwen is gebaat bij openbaarheid, vertrouwelijkheid in de zin van Powell is er het tegendeel van. Hij schrijft dat regeringen met elkaar moeten kunnen spreken ‘en in alle openheid (mijn cursivering) moeten zij zich privé kunnen uiten’. Een gewoon mens zou zeggen dat zij zich – zoals te doen gebruikelijk – in alle beslotenheid privé kunnen uiten en in ‘alle openheid’ juist niet.

De eerste taak van de ambassadeur was niet de Amerikanen te verkrachten. Zijn eerste taak was, in opdracht van Powell, de taal te verkrachten en in de Volkskrant legt Powell het nog eens geduldig uit.  

De man is vast een voorbeeldig stafchef geweest en in de diplomatie zal hij als een vis in het water zijn. Toch goed dat er wikileaks zijn. Al was het maar om de Powells van deze aarde een taallesje te leren. Heeft David Cameron eigenlijk al een ‘stafchef’ of mogen we hopen dat die functie is vervallen nu er een tweepartijenkabinet in Engeland aan de macht is en ‘vertrouwelijkheid’ aan kracht zal inboeten omdat die partijen elkaar moeten kunnen ‘vertrouwen’?

Een mens heeft altijd redenen om nog ergens op te hopen.

2 december

=0=

 


Lek

Het gros van de recente zending wiki-leaks is nog niet uitgepakt in de pers, maar de opwinding is er niet minder groot om. De machthebbers waarschuwen – zonder vertrouwelijkheid kunnen ze het niet af. In de pers – wat is het toch een misère – wordt over vertrouwen gesproken. Het heeft er niets mee te maken. Het gaat om herkenning van kleinere of grotere schurken onder elkaar en het gaat om het nijver registreren van alles door diplomatieke klerken – in de hoop hun bazen ermee te plezieren, in de verwachting dat het nog eens uitgespeeld kan worden. In de reacties van de machthebbers blijkt nog nergens dat het hen wat kan schelen als hun collega’s niet zo zuiver op de graat zijn – het kan hen pas wat schelen als het bekend wordt aan anderen dan zijzelf. De internationale diplomatie heeft alle kenmerken van de PVV: je gaat je gang maar, maar ik wil het wel weten en wee je gebeente als het uitlekt en in de media komt.

Dat is dan nu gebeurd. Zoals te doen gebruikelijk wordt de boodschapper aangevallen en niet de boodschap. Dezelfde overheden en diensten die op grote schaal liegen en bedriegen, hun onderdanen bespioneren, ieder ander bespioneren, gruwelijke vergissingen begaan, wegkomen met schendingen van elke rechtsregel die ooit is bedacht, precies die overheden zijn nu beducht voor hun eigen, ja wat eigenlijk? Hun privacy? Is het streven naar een vernietigde burgerlijke privacy en een ongeschonden publieke privacy? Je zou het denken. Tongue in cheek, rubbing schoulders: vertrouwelijkheid heeft wat nodig. Te veel zelfs. Vertrouwelijkheid is altijd een gevaar in het openbare leven en verkeer. Vertrouwelijkheid is een dekmantel voor kleine chantage, voor het even de ogen dichtknijpen als de ander het ook doet, voor het aanleggen van een voorraadje weetjes waarmee je de ander op een gunstig moment nog eens de dampen kunt aanjagen. Het is uit elk zwak moment van de ander een wapen smeden, een mes dat als het zo uitkomt op een keel wordt gezet. Het is het uitspreken van wantrouwen in elkaar en het is de bezegeling van het wantrouwen in iedereen.

Die wiki-leaks zijn een zegen. Het zal misschien de premie op vertrouwelijkheid in het diplomatenverkeer en in de diensten wat minder maken. Dat is winst en uit de reacties van de politici valt in elk geval af te leiden dat zij zich nog niet helemaal kunnen vinden in hun verlies. Ik ben benieuwd naar de rest.

1 december

=0=

 


Infarct

Gisteravond, met 888 kilometer file, had Nederland last van een ‘verkeersinfarct’. Alles stond stil. Ik niet, ik ben al lang een treinreiziger. Een treinreiziger heeft heel andere problemen, die ik voor mezelf maar samenvat onder het kopje ‘bagage’. Tal van treinreizigers schijnen niet zonder hun koffer op wieltjes te kunnen, soms slepen ze twee van die dingen achter zich aan. De treinen zijn er niet op berekend, de perrons ook niet. Alles wordt smaller, de bagagemens wordt groter en breder. Er valt mee te leven. Het is beter dan de auto.

Het kabinet wil de maximumsnelheid zo spoedig mogelijk verhogen. Er wordt tegen geprotesteerd want de milieueffecten zijn nog niet bekend. Ik twijfel er aan. Er wordt al met zeer grote regelmaat 130 kilometer gereden. Wel meer ook. Tegelijk zijn er tallozen die van de mogelijkheid 120 te gaan geen gebruik maken en het met 100 al mooi genoeg vinden. Vrachtverkeer haalt ook dat niet altijd. Op de snelwegen worden vele verschillende snelheden gerealiseerd. De uitnodiging 130 te rijden is een uitnodiging ook daar weer overheen te gaan. Daardoor wordt het verschil tussen rijders groter. Het is dat verschil dat het grootste gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert. Ongelukken ontstaan het meest daar waar wordt ingevoegd. Op die punten gaat het langzamer verkeer een baantje naar links, het verkeer op die baan gaat ook naar links, en iedereen die helemaal links rijdt moet in de remmen. Met het verhogen van de hoogste snelheid zal er meer moeten worden afgeremd. Dat leidt van de weeromstuit tot meer switches van links naar rechts dan weer naar links enzovoorts. Allemaal kansen op een aanrijding, klein of groot.

Is dat zo? Het is maar een waarneming, hoewel wel op een redelijk grote rijervaring gebaseerd (en op een tweetal aanrijdingen: één als gevolg van een onverlaat die links invoegde waar dat niet kon, zelf doorreed en achter zich een kettinkje van vijf gekneusde auto’s – waaronder de mijne – achterliet; één toen Elly en ik net buiten Brussel werden getorpedeerd door een invoegende auto die aan één rijbaan niet genoeg meende te hebben en de onze ook maar meenam). Ik zou het graag eens uitgezocht zien, het aantal ongelukken als gevolg van verschillende snelheden en de noodzaak invoegende auto’s ook een plekje onder de zon te gunnen. Het lijkt voor de hand te liggen, deze oorzaak. Die milieueffecten geloof ik verder wel. Dat infarct van gisteren is kwalijker voor het milieu dan die 130 kilometer. En infarcten van wat kleiner formaat, de radio doet er elk uur getrouw verslag van. Vaak vergezeld van de mededeling dat het trage vrachtverkeer er iets mee te maken heeft. Dat haal je de koekoek. Ja, het zou ook mooi zijn als de manier van beladen van het vrachtverkeer eens tegen het licht werd gehouden want een ongekieperde truck is evenmin een aanwinst. Er vallen regelmatig trucks om.

Als het allemaal zo voor de hand ligt en er toch niets gebeurt zullen er wel grote belangen in het spel zijn. Misschien zouden die eerst eens moeten worden doorgemeten.

30 november

=0=

 


Waarom

Volkskrant correspondent Arie Elshout bericht over een debat tussen Tony Blair en Christopher Hitchens. Het debat vond plaats in Canada en de titel was: waarom is religie goed of slecht voor de wereld? Ik vroeg me af of dat de echte titel was. Zo ja, dan is het een rare titel. De vraag is goed voor een debat tussen horende doven en ziende blinden. In het korte, vermoedelijk in grote haast opgeschreven, verslag van Elshout komen de heren geen stap nader tot elkaar. Hitchens benadrukt de reactionaire kerk – altijd de foute staten steunend – en Blair benadrukt de kerk van de particuliere initiatieven, initiatieven die de bevolking althans nog iets bieden ook als een tekortschietende staat dat verzuimt. Het zal allemaal wel. Op de gelovige Veluwe wordt meer aan goede doelen gedaan dan in de goddeloze grote stad. Tegelijk is de Veluwe geslotener, exclusiever. Hitchens benadrukt het exclusieve van de godsdienst, Blair het inclusieve van het geloof. En hij wijst erop dat fanatisme en exclusiviteit niet zijn voorbehouden aan het geloof. De verschrikkelijke twintigste eeuw is zijn getuige.

Wat mij betreft, daar hadden ze nog wel even op mogen doorgaan. Misschien deden ze dat ook wel maar in het verslag wordt daar geen melding van gemaakt. Toch is dat een belangrijk punt: het geloof der uitgeslotenen, van hen die geen toegang hebben en de religie inzetten voor hun eigen waardigheid, voor hun eer, voor hun bestaan, voor hun recht op bestaan. Dat kun je met de religie ook bevechten. We zien het meer en meer, die combinatie van geloof, fundamentalisme en geweld. Wij leven in een wereld waarin steeds meer mensen worden uitgesloten, gewoon omdat we ze niet nodig hebben, omdat ze ballast zijn die we niet willen zien. Het zijn mensen die de aansluiting hebben gemist of nooit hebben gevonden en het zijn mensen die op de drempel staan – van de uitgang. Nutteloze, waardeloze mensen, en tegelijk en voorspelbaar ook mensen die daar zelf wat anders tegenaan kijken en in de religie – of in een opgewarmd nationalisme (ook hier is de religie niet ‘exclusief’) – hun eigen variant van uitverkiezing verwoorden en uitdragen. En wie niet horen wil moet maar voelen.

Met een ‘waarom’ heeft dat niet zoveel te maken. Het hoe van het functioneren van de uitsluiting is interessanter en weegt zwaarder dan het waarom van non-entiteiten voor nulliteiten in een debat voor twee heren, ergens in Canada. Het feit dat in Toronto, afgelopen vrijdagavond, 2600 mensen de zaal compleet vulden en dat er buiten de zaal honderden dollars werden geboden voor een kaartje op de zwarte markt, zegt iets over de ongerustheid der aanwezige gevestigden. Die zullen steun bij elkaar hebben gezocht. En niet hebben gevonden want ik denk niet dat het debat iets van hun ongerustheid heeft kunnen wegnemen. Dan hadden de heren namelijk een heel andere ‘waarom’ vraag centraal moeten stellen: waarom zitten jullie hier eigenlijk?

Nu moeten we het doen met een stemming, voorafgaand aan en na afloop van het debat. Tweederde van de toehoorders bleken na afloop van mening dat de religie niet goed voor de wereld was, één derde was voor. Aan het begin bleek minder dan zestig procent tegen, een twintig procent was voor en nogmaals twintig procent wist het niet. Die laatste twintig procent bleek zich aan het eind netjes over voor en tegen verdeeld te hebben. Een zoekend publiek, zou ik denken, bij een debat tussen twee heren die het zoeken niet meer nodig hebben.

29 november

=0=

 


Val

Nog altijd vind ik The Fall of Public Man het beste boek dat Richard Sennett schreef. Het boek is al 36 jaar geleden verschenen en het staat nog altijd als een huis. Het beschrijft de teloorgang van de publieke sfeer en de vervanging en verdringing ervan door het ‘persoonlijke’, de ‘persoonlijkheid’. De meest treurige uitdrukking ervan blijft met voorsprong de feministische leus van weleer ‘het persoonlijke is politiek’. We beleven er nu de andere kant van: het politieke is persoonlijk geworden. Een luidruchtig onderdeel ervan is dat het er al lang niet meer toe doet wat je zegt maar wie het zegt. De publieke sfeer is verdeeld voordat ze zelfs maar kan worden gedeeld. Het is een markt en op een markt zoek je alleen datgene dat je eigen voorkeuren bevestigt. Wat die voorkeuren zijn bepaal je zelf wel. Het maakt elk dialoog overbodig, het transformeert elk gesprek in een debat en elk debat in een jacht op het binnenhalen van het effect dat je op derden kunt bewerkstelligen. Er zijn cursussen voor en wedstrijden en prijzen. Je kunt er een ‘ster’ in worden, zoals in andere sferen de sport z’n sterren heeft, de film, de muziek. De sferen lopen in elkaar over; de sterren ook. Het is geen toeval dat Sarkozy mevrouw Bruni tegenkwam en het is evenmin toeval dat zij hem tegenkwam. Ze behoren tot één en dezelfde sfeer, de sfeer van een ‘collectieve persoonlijkheid’, vergelijkbaar met de representaties van een ‘imagined community’ waar, weer wat later dan Sennett, Benedict Anderson over schreef.

De openbaarheid betaalt er de prijs voor. De openbaarheid is verkommerd tot een echoput waarin je je eigen geluid laat neerdalen in de verwachting het duizendvoudig versterkt terug te horen. Ben je niet tevreden met wat je terug krijgt dan ligt het aan de anderen, aan elites bijvoorbeeld die jou niet eens zien staan. Daar kun je ruchtbaarheid aan geven en wat nog veel mooier is vandaag de dag is dat je je onvrede niet alleen aan de elites (de linkse pers, de linkse tv, de linkse politici en partijen) kenbaar kunt maken maar ook aan elkaar. Je kunt elkaar vinden, de maat nemen, uitschelden, aftroeven en overtroeven, je kunt aan elkaar iets vragen, je kunt elkaar op een ander spoor proberen te krijgen, je kunt met elkaar in debat en ook in discussie. Het komt allemaal voor op de digitale krantenpagina en op de sites voor van alles en nog wat. Er zitten storende kanten aan, er zitten aardiger kanten aan. Je kunt er net zoveel tijd voor nemen als je uitkomt en je kunt er het tijdstip voor nemen dat je uitkomt. De vraag is of we met de middelen die ons nu ter beschikking staan ons nog steeds op de eenbaansweg van de ‘val van de publieke mens’ of dat zich een enkel zijpad begint af te tekenen.

Ik zou het antwoord erop niet weten. De toekomst van het net, want daar heb ik het over, is ongewis en dat ligt ook voor de hand want het net zadelt zowel staten als markten op met tal van nieuwe problemen waar ze vooralsnog geen oplossing voor hebben. Niet alles is in wetten of contracten te vatten, met geweld of een rechtbank te beslissen, via organisatie of handel te coördineren. Bakken met ‘intellectueel eigendom’ worden door de producenten ervan niet in eigendom genomen maar beschikbaar gesteld aan iedereen die er iets mee wil, vaak onder de voorwaarde dat als ze er niet alleen iets mee willen maar er ook iets mee doen ze het resultaat van hun bemoeienissen op dezelfde manier weer aan anderen ter beschikking zullen stellen (de enige vorm van copyright is het copyleft – dat soort dingen). Of je voert de nog algemenere regel in van ‘geen download zonder upload’. De exploitanten van intellectueel eigendom zitten er knap mee in hun maag. Sommigen slaan terug, anderen maken er het beste van en sluiten aan – want gebruikers kunnen je een boel werk uit handen nemen. En als ze dat doen dan doen ze dat in hun eigen tijd, vanuit hun eigen contexten en achtergronden, en ze besteden er soms twee minuten aan, soms twee dagen en ook wel twee weken. Het is werk dat vakkundig kan zijn maar niet afhankelijk van vakmanschap is, dat professioneel kan zijn en toch niet afhankelijk van de professies. Twee weten meer dan één en tweehonderd weten meer dan honderd – als ze allemaal iets weten dat de ander nog niet weet en ze bereid zijn dat in de strijd te gooien en er met anderen op door te gaan. Niet alles valt daaronder uiteraard maar voor zover het om taken gaat die je uiteen kunt nemen in kleinere taken die je op elk gewenst tijdstip en vanuit een grote diversiteit van kennis, ervaring en expertise ter hand kunt nemen (wikipedia is het voor de hand liggende voorbeeld) dan heb je noch markten, noch staten nodig om het leuk te maken. Je hebt er zelfs geen organisatie voor nodig.

De ruimte die met het net is vrijgekomen biedt onder voorwaarden een alternatief voor markt en plan, organisatie en staat. Het biedt bovendien een nieuwe blik op organisatie – ook die organisatie waar het net nog onbelangrijk is. Wie naar het gebruik van die ruimte kijkt ziet dat het daar niet om de individuele en evenmin om de collectieve ‘persoonlijkheid’ gaat in de zin van Sennet. Het gaat eerder om zich snel vormende en zich snel weer oplossende gemeenschappen, gegroepeerd rond een gezamenlijk belang, een gezamenlijke belangstelling, een gezamenlijk doel, een gezamenlijke uitdaging om een puzzel op te lossen. Gemeenschappen van toekomst zou ik ze willen noemen, in vergelijking met de gemeenschappen van herkomst die nu het beeld van ‘gemeenschap’ bepalen. Of het doorzet? Als gezegd, ik zou het niet weten. Maar het kondigt inderdaad de mogelijkheid van een zijpad aan, weg van de reeds gebaande eenbaansweg.

Het is allemaal gebaseerd op wat Sennett in zijn Spinozalezing (althans in de verkorte weergave ervan zoals ik die vind in De Groene van deze week) ‘informele samenwerking’ noemt. Echter, geen samenwerking zonder coördinatie en we hebben het hier over een vorm van coördinatie die markt noch plan noch organisatie mag heten maar eerder kenmerken bezit van de ‘common pool resources’ à la Ostrom. Sennett vergeet dat, en dat is een storende omissie. Zijn verhaal van arbeid is het verhaal van mensen die overeind pogen te blijven in de anonieme storm van het kapitalisme. Velen lukt dat niet, sommigen – voortgedreven door het vuur van het vakmanschap – lukt het wel, zij het nogal eens op kosten van het vergeten van de maatschappelijke inbedding waarzonder ook zij het niet zouden redden. Dat beeld is te grof: er zijn meer manieren van coördinatie dan die van de kapitalistische markt, er is meer vakkundig werk dan alleen het werk van de vakman, en er is meer gemeenschappelijke vakkundigheid en professionaliteit dan we vinden onder vakmensen en professionals. Die dingen hangen samen. De gedachte dat vakkundig werk afhangt van een langdurige, geconcentreerde en exclusieve bemoeienis met een ‘vak’ is een te eenzijdige gedachte. De gedachte dat samenwerking afhangt van tegelijk werken aan één en hetzelfde is te eenzijdig. En, ten slotte, de gedachte dat coördinatie een markt, een plan, een overheid of een organisatie nodig heeft gaat voorbij aan precies datgene wat nieuw is in een stukje van de wereld van het werk.

Wie weet kan de val van de publieke mens worden gebroken door de komst van de gewone mens. Wie weet.

28 november

=0=

 


Kanjer

Gisteravond zag ik Hans Hoogervorst op de tv. Deze kanjer (de kwalificatie komt dit keer niet van meneer Cactus maar van Wouter Bos, de man waarvan Hoogervorst moest kotsen) wordt per 1 juli 2011 voorzitter van de International Accounting Standards Board (IASB). Hij was al een beetje aan het voorsorteren, gisteren. Hij sprak over pensioenen en hij vond het maar labbekakkerig dat zoveel mensen over die rekenrente bleven zeuren. We moeten gewoon beseffen dat de bomen niet tot in de hemel groeien. De oude tering naar de jonge nering zetten want anders zou het niet eerlijk zijn. We worden allemaal ouder en dat gunnen we de toekomstige generaties toch ook? Ja? Dan moet er nog wel wat geld over zijn voor die tijd. Als Hoogervorst moet kiezen tussen een goed klimaat en een zak geld is voor hem de keuze niet ingewikkeld.

Zo’n rekenrente is een mooi gevalletje voor een gezelschap dat ons mag aanbevelen hoe we onze spulletjes horen te waarderen. Van Hans weten we het nu al. Het is de markt en hij gaat zorgen voor transparantie. We hebben behoefte aan een onafhankelijke autoriteit en laat Hans daar nu voorzitter van mogen worden! Hij heeft al enige ervaring, deze kanjer is immers al sinds 2007 voorzitter van de AFM, de autoriteit financiële markten. Sinds die tijd heeft Hans tal van papers geschreven, lezingen gehouden en hij heeft, zo begrijp ik, met de AFM een ‘kwalitatieve’ sprong gemaakt. Nee, de financiële crisis zagen ze niet aankomen maar Hans heeft er wel een theorie over. Die theorie is niet dat zijn instituut erbij stond en ernaar keek en dat tot op de dag van vandaag doet, zijn theorie is dat we allemaal veel te veel schulden zijn aangegaan. Dat kon niet goed gaan. Het ging niet goed. Banken? Nee, burgers. In Nederland, met z’n gigantische pensioenvermogens, op zichzelf al goed om ons in de toptien van de meest spaarzame en spaarlustige landen te plaatsen? In Nederland want zeg nou zelf, die pensioenen zijn ook niet meer wat ze waren. Ze zijn voor een aardig deel verjubeld op dezelfde financiële markten waar Hans het toezicht over had moeten houden. Heeft Hans dat goed gedaan, toezien op financiële markten?

We hebben er niets van gemerkt. We hadden het veel te druk met het maken van schulden. Het is onze eigen schuld: wie schulden maakt is schuldig en wie schuldig is hoeft niet op de clementie van Hans te rekenen. Als je een burger bent dan, en dacht verzekerd te zijn bij een pensioenfonds. Zit er nog wat in die fondsen? Waren ze niet belegd in allerlei financiële producten uit markten waar Hans de scepter over had moeten voeren? Van Hans zul je er niets over horen. Als je naar hem luistert hebben we pas een pensioencrisis als de ouderen hun verzekerde bedragje komen ophalen. Hij vindt dat niet solidair. Waar de solidariteit van Hans ligt laat zich raden. Maak van alles een demografisch herverdelingsvraagstuk en je hoeft het verder nergens meer over te hebben. We hebben de arbeidsmarkt, de gezondheidszorg, het ontslagrecht, de werkloosheidswet, de AOW al demografisch herontworpen. Zo’n beetje, het kan altijd weer beter en het moet altijd nog beter. Er wordt aan gewerkt. Daar kunnen die aanvullende pensioenen best nog bij.

Volgens de autoriteit van de autoriteit financiële markten hoef je over die markten niet al te kritisch te doen. De kritiek geldt de demografische onverantwoordelijkheid der ouderen. En zeg nou zelf, hoort het ook niet zo te zijn dat de ouderen – en niet de banken en zeker niet de zakenbanken en al allerminst de financiële markten – de echte bank der jongeren zijn? Wie de ouderen heeft, heeft de toekomst. Wie had dat kunnen denken.

Wat een kanjer.

27 november

=0=

 


Omhoog

Een religieus mens denkt ‘omhoog’. Dat is wat ik overhoud van het boek van L.M. de Rijk, Geloven en Weten; Pleidooi voor een Sober Atheïsme (Amsterdam, Bert Bakker 2010). Een probleem is het op zich niet, dat ‘omhoogdenken’. Het wordt pas een probleem als we denken dat ‘omhoogdenken’ van boven komt, zo’n beetje alsof de ontvankelijkheid voor religiositeit geen product van mensen – van de menselijke evolutie – is maar van buiten en boven hen staande machten en krachten. Het moet toch ergens vandaan zijn gekomen en dat er uit die oersoep uit zichzelf orde zou zijn ontstaan veronderstelt een kansberekening waar zelfs een moderne bankier niet op zou inzetten. Tegen zoveel onwaarschijnlijkheid is het redelijk een intelligent ontwerp in het spel te brengen, een creatie die voorafgaat aan elke creatie.

Bekend terrein. Wat De Rijk wil aantonen is dat de misère over ‘geloven en weten’ het gevolg is van gelovige waarheidsclaims. De Rijk vindt dat wat waar is door en binnen de wetenschap mag worden beslist en dat het geloof daar formeel niets in te zoeken heeft. De Rijk zegt het niet met zoveel woorden maar het komt er op neer dat net als onze moderne rechtsstaat ook de moderne wetenschap door en door seculier is. Je mag je natuurlijk best laten inspireren door dromen van een betere wereld, door een geloof in een hiernamaals of wat dan ook, je kunt je laten inspireren door je verwondering (over die oersoep bijvoorbeeld waar zoveel, zo onbegrijpelijk veel uit voort is gekomen) en je kunt dat alles ook nog scharen onder de noemer van religiositeit, maar met de waarheid van een uitspraak die je doet omdat je zo geïnspireerd aan het zoeken, ontdekken, in kaart brengen, analyseren en verklaren bent geweest, met die waarheid heeft het geen sikkepit te maken. Hersenonderzoek kan best bewijzen dat sommige mensen fysiek en aantoonbaar in hun hersenactiviteit geraakt worden door het oproepen van gevoelens, belevingen en beelden van religiositeit, maar daar vloeit niet uit voort dat hun ervaringen daardoor ‘waar’ zijn. De Rijk heeft gelijk: ‘Wie denkt, dat de stok in het water gebroken is, heeft het mis, maar wie de stok als ongebroken waarneemt, moet naar de oogarts’ (:92). Het zou een korte samenvatting van het boek kunnen zijn, ware het niet dat De Rijk daar niet tevreden mee is.

Dat is jammer. De Rijk heeft een slordige tweehonderd pagina’s besteed aan het uitentreuren herhalen van zijn standpunt dat wat ‘intramentaal’ gebeurt niet mag worden toegeschreven aan een ‘extramentale’ herkomst en dat daarom bijvoorbeeld correspondentietheorieën van waarheid niet deugen en het veld zouden moeten ruimen voor coherentietheorieën van de waarheid. Hij verwerpt het ‘wat werkt’ criterium van waarheid want hij wil waarheid en werkzaamheid ‘radicaal’ uit elkaar houden (: 147). Een nuttige hypothese is ‘bruikbaar’, maar alleen binnen de conceptuele ruimte waarvoor de hypothese is opgesteld (: 181). Kortom, wat De Rijk wil is veel meer dan alleen maar de waarheidsclaims van geloven weerleggen. Hij wil ons, en passant en tamelijk bruusk en kort door de bocht, ook inprenten wat een deugdelijke ken- en wetenschapstheorie is, in de veronderstelling dat alleen op basis daarvan een afgewogen oordeel over ‘geloven en weten’ mogelijk is. Zulke strakke koppelingen: het doet aan een geloof denken.

Daarmee schiet de auteur zichzelf in de voet. Voeg daar aan toe dat ook het herhalen en blijven herhalen van en hameren op de gevolgen van de slordigheid waarmee tal van lieden religie en godsdienst verwarren, dat daarnaast ook de schrijfstijl nogal stroef is,  en je houdt een boek over dat best verstandig is en toch tamelijk overbodig. En daar heb ik niet eens het argument van Solimon voor nodig. Het sobere atheïsme had wel wat soberder gemogen.

26 november

=0=

 


Vinger

Leraar economie en columnist van de Volkskrant Ferry Haan schrijft over een congres aan zijn school. Ter gelegenheid van het af zijn van de verbouwing van zijn school: de wanden die uit de lokalen waren gesloopt in verband met het studiehuis zijn weer terug. Nu is het studiehuis uit de school gehaald. Verherbouwing noemt Haan het, in navolging van een strip over de Familie Doorzon. Een congres dus. Haan hoort er dat Nederland zo ongeveer het meest ongeïnteresseerde zootje jeugd heeft van Europa. Kijk naar Finland, werd gezegd. De leraren zijn er niet beter, de lessen niet spannender en toch zitten de kinderen er alsof het de moeite waard is. Hetzelfde geldt voor Spanje, Engeland, Estland, ja waar niet. Hoe het komt? Je zou denken dat alle onderwijsvernieuwingen uiteindelijk bij die kinderen uitkomen en dat die er evenals hun leraren ook geen chocola meer van kunnen maken. Of daar op gelet is – of men in de andere genoemde landen het onderwijsstelsel wat meer met rust heeft gelaten – meldt het verhaal van Haan niet. Toch jammer. Nu moeten we het doen met een sippe opmerking over de individualisering die te ver zou zijn doorgeschoten.

In Trouw twee heel andere onderwijsverhalen, eentje over het gesol met vmbo leerlingen die de havo wensen te volgen, de ander over de stijl van lesgeven. Het laatste is het aardigste verhaal. Het gaat over een experiment van een Engelse onderwijskundige. Hij verbood het opsteken van vingers als een docent een vraag aan de klas stelde. In plaats daarvan moesten alle leerlingen hun antwoord op een bordje opschrijven, ze staken daarna de bordjes omhoog en sinds die tijd deden alle leerlingen mee en niet alleen de besten, de kinderen die altijd hun vinger opstaken. De resultaten waren opmerkelijk: in tien weken tijd werd twee keer zoveel vooruitgang geboekt als in een andere klas waar het opsteken van de vinger gewoon was doorgegaan. De beste leerlingetjes van de klas vonden het overigens niet leuk. Zij waren hun plek in het zonnetje kwijt.

Als je de leerlingen bij het onderwijs wilt betrekken is het goed hen er bij te betrekken. Ziedaar de filosofie van het experiment. Leuk. Als je liever geen leerlingen hebt zijn er daarentegen ook tal van middelen hen dat te laten weten. Vmbo leerlingen bijvoorbeeld waarvan een havo vermoedt dat de school daar niet beter van wordt en die ze daarom liever kwijt dan rijk zijn. Dat gaat zo. In de eerste plaats zorg je ervoor dat een vmbo diploma op zich niet genoeg is voor toelating. Je moet ook voldoen aan vakkenpakketten en een gemiddeld cijfer van zeven hebben. Zo niet, dan geen toegang. Bovendien, als je eenmaal bent toegelaten en je blijft één keer zitten dan moet je van school af. Gewone havoleerlingen hoeven dat niet. Het werkt. Een kwart van de vmbo-ers haalt geen diploma, en van de gewone havoleerlingen is dat slechts één tiende. De vraag is of dat aan de leerlingen ligt of aan het schoolbeleid of, het meest waarschijnlijk, aan beide. Het is altijd lastig aan een nieuwe school te wennen en de zekerheid dat je eigenlijk niet welkom zal de rest wel doen.

In het Nederlands onderwijsbeleid steken tal van de verkeerde mensen hun vinger op? Daar zouden we eens een experiment op los moeten laten.

25 november

=0=

 


Hervorminkje

De AOW-leeftijd gaat per 1 januari 2012 toch een beetje omhoog. Niet echt natuurlijk, maar niettemin. De gewoonte nu is dat je de AOW ontvangt per de eerste van de maand waarin je 65 wordt. Dat wordt je verjaardag. Dus voor de mensen die op de eerste van een maand jarig zijn verandert er niets, voor alle overigen wel. Het wordt zaak je ontslag een maandje later te nemen, anders zit je als je afhankelijk bent van je AOW even zonder inkomsten. Je zult maar pech hebben en op de laatste van de maand jarig zijn.

Ik las het in een column in het FD. De schrijver van de column heeft nog een paar vragen: ‘Gaan we met de aanvullende pensioenen ook schuiven naar de verjaardag? Of werkt iedereen voortaan door tot het eind van de maand waarin hij 65 wordt? Gaan inkomensregelingen, zoals de WIA en de WW, ook doorlopen tot de verjaardag? Moeten dan ook alle inkomensverzekeringen worden aangepast? Wat betekent dit voor de automatisering bij de Sociale Verzekeringsbank, het UWV, pensioenfondsen en verzekeraars?’ Goeie vragen maar de financiële bijlage waar dit verjaarscadeau in verstopt is zegt daar niets over.

Laten we aannemen dat de gemiddelde AOW uitkering zo’n elfhonderd euro per maand is. In 2012 komen er ongeveer 160.000 AOW-ers bij. Dat is, als we aannemen dat ze allemaal op de vijftiende van de maand zijn geboren, een besparing van 160.000*550 euro, zegge en schrijve zo’n 96 miljoen euro. Vooruit, we maken er honderd miljoen van. Het kabinet komt overigens een stuk lager uit, op 70 miljoen per jaar (Bijlage financieel kader regeerakkoord, pag. 13, punt 11). Het verschil kan komen doordat ik iedereen die 65 wordt voor vol aanzie, en het kabinet niet. Dat gaat ervan uit dat er ook allochtonen onder die mensen zitten, mensen die in het buitenland zijn gaan wonen etc., en dat zijn allemaal mensen die recht op minder hebben maar godzijdank vast niet allemaal op de eerste van de maand jarig zijn.

Dat zijn de baten voor het rijk. Over de kosten maakt het kabinet zich geen zorgen. Die zijn er niet. Als ik de schrijver van de FD column mag geloven is dat een kleine misrekening. De administratieve complexiteit wordt groter en je kunt niet alles blijven verwachten van efficiencykortingen en de productiviteitsexplosie van ambtenaren, een explosie van productiviteit die ongetwijfeld gaat optreden als de paar overgebleven ambtenaren – het effect van talloze gedwongen ontslagen – elkaar niet langer voor de voeten hoeven lopen. Dat wordt nog wat. Een post onvoorzien wordt node gemist in de bijlage van het financiële kader.

Daarmee is het goede nieuws nog niet op. Sinds enkele jaren kregen oudere werknemers een ‘doorwerkbonus’, vanaf hun 62ste jaar. Kon aardig oplopen – tot enkele duizenden euro’s per jaar – en het kabinet heeft bedacht dat als het echt lukt met de stimulering van de arbeidsparticipatie van ouderen, het wel eens erg begrotelijk zou kunnen worden. Dat was nou ook weer niet de bedoeling. Vandaar, we beginnen niet met je 62ste maar pas met je 63ste. Opbrengst voor het rijk op jaarbasis: 130 miljoen (bijlage pag. 27, punt 3). Bij elkaar is het een bedragje van 200 miljoen. Met een beetje geluk moet dat genoeg zijn om de sterk toenemende uitvoeringskosten te bestrijden.

Gelukkig laat het kabinet de echte bonussen ongemoeid. Begrijpelijk want daar staat ten minste een prestatie tegenover. Welke, dat weten we niet maar, zo heeft het kabinet ongetwijfeld gedacht, met die bonussen hebben we al een financiële crisis van ongekende omvang gekregen dus dan zal het zonder die bonussen nog veel erger worden. Een verstandige redenering. Jammer dat het kabinet het niet eventjes voor ons heeft opgeschreven.

Laat niemand het nog in z’n hoofd halen dit kabinet te beschuldigen van een gebrek aan hervormingslust.

24 november

=0=

 


Koorts

Nu is er dus een evaluatie Q-koorts. Alles bij elkaar nog een lijvig rapport met als belangrijkste conclusie dat verschillende ministeries voor één probleem leuk zijn maar niet als er een probleem is. In de ‘beleidslogica’ van ministerie 1 speelt een andere logica dan in het beleid van ministerie 2. En niet alleen de logica is anders, het beleid ook. De term beleidslogica geeft beide verschillen aan en is daarom briljant gevonden. Waar ligt het aan? Aan het beleid, aan de logica, aan deze logica bij dit beleid en niet bij een ander beleid, aan het op logische gronden ontbreken of juist overvloedig produceren van beleid? Aan het achteraf verzinnen van de logica bij het beleid? Het is een wat verhullend woord, dat beleidslogica, en dat is logisch in een beleidsrapport dat transparantie aanbeveelt. Ook rapportages kennen hun beleidslogica. Het zou een evaluatierapport waard zijn dat eens uit te zoeken, ware het niet dat ook dat rapport z’n eigen beleidslogica niet tegelijk zal onderzoeken met de beleidslogica van andere rapporten. Een mens zou er koorts van krijgen.

Noem het ene ministerie het ministerie dat onze gezondheid moet dienen en het andere ministerie het ministerie dat de agrarische sector moet dienen, geef ze een probleem waar ze beiden mee te maken hebben en het gaat fout. Dat weten ze niet als het kalf verdrinkt, dat weten ze pas als de put gedempt wordt. Tot die tijd worden kool en geit gespaard. Het ministerie van onze gezondheid vermoedt dat als mensen ziek worden en dat allemaal mensen zijn die in gebieden wonen met meer geiten dan mensen, dat dan die geiten er iets mee te maken zouden kunnen hebben. Het ministerie van onze agrariërs vermoedt dat zo lang dat allemaal niet klip en klaar ‘causaal’ is bewezen het ook aan iets anders dan geiten kan liggen. Dat moet eerst maar eens goed worden uitgezocht. En dat kost tijd en tot die tijd gaat het ministerie van agrarische zaken uiteraard geen namen en toenamen van geitenhoudende zorgboerderijen bekend maken. Zorgboerderijen zijn zorgelijke boerderijen. Nee, zeg nou zelf, je bent pas schuldig als je bent veroordeeld en een veroordeling moet wel een deugdelijke onderbouwing hebben. Het is alsof ik mevrouw Neppérus over het klimaat hoor. Maar het is mevrouw Neppérus helemaal niet. Het is een ministerie, in de weergave van een evaluatierapport.

Het evaluatierapport heeft ook een aanbeveling. Als het nog een keer gebeurt dan moet het ministerie voor onze gezondheid het voortouw nemen. Dat is een lelijke streep door de rekening van de causaliteit en daarmee van de rekening van de Waarheid, rekeningen die, in het geval van het klimaatrapport, zo werden aanbevolen door PVV (in de persoon van schoolhoofd alias schoolleider alias onderwijzer De Mos) en, uiteraard, door mevrouw Neppérus. Ik verwacht nu niet minder. Dit evaluatierapport drijft de spot met causaliteit en Waarheid. Dat kan niet. Laten we eens rekenen. Als mevrouw Neppérus de VVD meeneemt, de PVV de PVV blijft en mevrouw Verburg het CDA tot niet-bewegen weet te motiveren dan hebben we een Kamermeerderheid en dan hoeft er, enig gemekker daargelaten, niets te veranderen.

Er zal niets veranderen. Spreekwoorden schaf je niet af. Je zet er andere spreekwoorden naast – naast dat kalf en die put, iets over voorkomen dat beter is dan genezen bijvoorbeeld. Vervolgens knik je, iedereen knikt en we gaan over tot de orde van de dag.

Het is dat we al teveel ministeries hebben. Anders had ik gepleit voor een Ministerie van Onzin, Causaliteit en Waarheid. Het acroniem kennen we al, dus wat is er eigenlijk op tegen?

23 november 

=0=

 


Tijgers

De tijger is een bedreigde diersoort. De tijger verdient een reddingsplan. Omdat politici en bankiers ook kranten lezen maar geen tijd hebben dat met veel aandacht te doen – de beurskoersen slorpen alle tijd op – zijn ze vastbesloten de Ierse tijger te redden. Die daar niet om vroeg. De EU, de ECB, het IMF vroegen er wel om. De banken ook. De Grieken werden met hoon overladen toen ze om hulp vroegen, de Ieren worden ervoor geprezen. Het toont aan dat de EU, de lidstaten van de EU, en de internationale monetaire wereld voor de zoveelste keer de bancaire sector mogen ondersteunen. In Ierland gaat het niet om begroting en staatsschuld, het gaat om de banken – en om de vele belangen van de vele buitenlandse banken in die banken. We redden geen tijgers, we redden hyena’s. En het is goed, minister De Jager zegt het zelf. Dat het goed is zagen we ook aan de Tweede Kamer. Toen steun aan Griekenland op de agenda stond was het huis te klein. Wij betalen voor de potverterende en leugenachtige Grieken? Geen sprake van. Geen cent waren ze ons waard. Het werden de nodige miljarden. De moeilijkheid was dat ook wij tal van financiële belangen bleken te hebben in Griekenland en die moet je steunen, zelfs als het betekent dat je dan ook Griekenland moet steunen in hun pogingen de eigen bevolking kaal te plukken om de onze zo min mogelijk te belasten. De eigen bevolking wordt al genoeg belast – en om precies dezelfde redenen, redenen die de banken uit de wind moeten houden, tot elke prijs uit de wind moeten houden. Het is een hoge prijs en geen bevolking die eraan ontsnapt.

In de gouden dagen van het Ierse wonder wist elke bank die een beetje winstbedacht was Dublin wel te vinden. De Fransen hebben nog even geprobeerd de Ierse belastingpolitiek – die nogal zwaar woog onder de factoren die van Ierland het casino van Europa maakten – op de schop te nemen. De tijger was toch al groggy en zo’n buitenkansje moet je benutten. Ze zijn ervan afgestapt. Andere landen (Nederland bijvoorbeeld, en Engeland) zijn ook belastingparadijzen en hebben geen behoefte aan discussie daarover. Niettemin moet het casino worden gered. Er is teveel in belegd, het moet op kleinere voet leren leven en de kosten daarvan mogen niet op de banken worden afgewenteld. Die hebben het al zo moeilijk.

Waarom vind ik daar niets over in de Nederlandse pers, het FD inclusief? Waarom wel in bijvoorbeeld de FAZ, de Times, de Guardian? Waarom vindt het Nederlandse journaille het overbodig ons voor te lichten over het eenvoudige gegeven dat we Ierland evenmin steunen als Griekenland, dat we daarentegen de bancaire sector steunen en dat we dat zo doen dat de verzamelde ministers van financiën slechts hoeven te wachten op de volgende ‘crisis’?

Zolang de EU machteloos wordt gehouden door de lidstaten van de EU – door belastingharmonisatie te weigeren bijvoorbeeld – zolang hebben de banken vrij spel. Keer op keer.

Er zal in de Kamer geen vraag over worden gesteld.

22 november

=0=


Vier ontdekkingen

Gisteren las ik het boekje van Joris Luyendijk, Je hebt het niet van mij, maar …Een maand aan het Binnenhof (Podium, Amsterdam 2010). Die maand, dat was de maand september. Het was de maand waarin het kabinet bij elkaar werd gefröbeld. Luyendijk noemt het een ‘beroerde’ timing (: 106). Want: hij had slechts een maand voor research en, omdat het boekje uitgereikt moest worden op de Kees Lunshoflezing van 17 november, slechts twee weken om te schrijven. Nu bevat het boekje, schat ik, zo’n vijfentwintigduizend woorden. Dat vergt per dag een productie van pak ’m beet vijfentwintighonderd woorden en dan geef ik Joris de weekenden nog vrij. Ik wil niet lullig zijn maar dat lijkt me een haalbare productie voor een beetje journalist – en daar mogen we Joris toch zeker toe rekenen (ook al vertelt de hoofdredacteur van Trouw dat Joris geen journalist meer genoemd wil worden. Hij is antropoloog en het klopt: zo afficheert hij zich ook in dit boekje). Zes A4-tjes per dag, het moet kunnen. Die twee weken kunnen het probleem van de ‘beroerde timing’ niet geweest zijn.

Zouden die vier weken research het gedaan hebben? Ik geef onmiddellijk toe: wat Luyendijk in die maand heeft uitgespookt, behalve een pasje regelen voor Nieuwspoort, is me niet duidelijk. Zo had ik heel graag geweten waarom Luyendijk niet het Binnenhof maar de Lange Poten (waar Nieuwspoort te vinden is) beschrijft. Hij zal wel gedacht hebben dat iedereen die gezien wil worden zonder er op te kunnen worden aangesproken (de Nieuwspoortcode, de code die de rode draad in het boekje is) Nieuwspoort als thuishaven kiest. Het zou de onevenredige aandacht verklaren die Luyendijk voor lobbyisten heeft – merkwaardig genoeg de enige groep die destijds niet genoemd werd bij het voorstel jaarlijks een ‘rapporteur politiek-publicitair complex’ aan te stellen. Wel genoemd werden politici, voorlichters en journalisten. Ik denk dat Luyendijk die vier weken research alleen heeft besteed aan het nadenken over zijn eigen status: en dat werd de antropoloog. Daaruit vloeide een dubbelbesluit voort. Dat is niet conform de zeden van de antropoloog maar politici kunnen er aardig mee uit de voeten. Het staat besluitvaardig en dat is nooit weg. Het dubbelbesluit van Luyendijk was: ik bekijk de vierkante kilometer rond het Binnenhof (Joris jokt, hij bekijkt alleen Nieuwspoort en dat ligt niet aan het Binnenhof) als was het een jachtterrein van vier stammen (politici, voorlichters, lobbyisten, journalisten) en ik zoek niet naar de poppetjes maar naar de touwtjes waar de poppetjes aan vastzitten (: 9). Het eerste berust op een stammentheorie, het tweede berust op het eerste. Het is opvallend maar eigenlijk wordt het boekje ongewild een illustratie van het feit dat de stammen zelf met touwtjes aan elkaar vastzitten en dat die touwtjes weer met andere touwtjes verknoopt zijn en dat de touwtjes die de poppetjes sturen daar weer een afgeleide van zijn. Daar bestaan theorieën over – misschien waren die nog niet in zwang toen Joris antropologie studeerde. Of hij is ze vergeten. Ik geloof dat het iets met netwerken te maken heeft. Ach, netwerken, de wereld staat er bol van, de theorie ook en de antropologie hoort daarbij. Al de nodige decennia, ook in de tijd dat Joris studeerde. Het is niet aan hem besteed geweest. Die antropologie van hem is om te koketteren, niet om de blik te disciplineren. Aan het actualiseren van de theorie zijn die vier weken, kortom, niet besteed. Ik kom niet verder dan dat pasje – en ik had graag geweten waarom voor Luyendijk Nieuwspoort the place to be was. Vergelijkend natuurlijk want een antropoloog vergelijkt altijd. Joris niet.

Wat heeft hij dan wel ontdekt, die maand september? Hij heeft liefst vier grote ontdekkingen gedaan. De eerste is de ‘verstrengeling van politici, woordvoerders, journalisten en lobbyisten’ (: 22). De tweede is de ‘ondoorzichtigheid van de Nederlandse politieke cultuur. Je kunt niet nagaan of en hoe de mensen onder de Haagse kaasstolp met elkaar verstrengeld zijn, want de stolp is beslagen’(: 26). De derde is ‘de minimale ondersteuning van Nederlandse politici’ (: 50). De vierde is ‘de praktijken en methodes van voorlichters en pr-strategen’ (:73). De Nederlandse politiek is het product van verstrengeling, ondoorzichtigheid, gebrek aan ondersteuning en – in het succesvolle geval – van spindoctoring. Voer voor journalisten zou je zeggen, ware het niet dat die de hand die hen voedt niet zullen bijten. Daar heb je dus een antropoloog voor nodig. Mag ik opmerken dat het toch wat tegenvalt?

Luyendijk was op zoek naar een stam die hij, het lijkt wel een kinderboek, de Bongo Bongo stam noemt, woonachtig in Bongo Bongoland (: 9). Ook die stam zou rond het Binnenhof bivakkeren. Het blijkt de stam der politici te zijn. Nieuwspoort zou er een goed uitzicht op bieden. Meer nog, de stamleden kwamen er wel eens een hapje eten en enkele glazen, soms ook meer dan enkele glazen, achterover slaan. Op een gegeven moment blijkt de stam nog maar amper in Den Haag de tenten te hebben opgeslagen. Dat was ooit zo maar de echte leden van de club zijn al lang geleden naar Brussel verhuisd (: 51). Het wordt Joris verteld, hij gelooft het voetstoots en schrijft het op. Een beetje antropoloog zou spoorslags naar Brussel zijn afgereisd want kennelijk komen de touwtjes die de touwtjes in Den Haag bestieren pas in Brussel bij elkaar. Joris niet. In plaats daarvan doet hij een enkele poging de bewoners van Nieuwspoort de stelling voor te leggen dat ze voornamelijk voor spek en bonen meedoen. De bewoners vinden het maar een matig idee (: 52). Het lijkt me het geheim van Nieuwspoort: het stelt allemaal niet veel meer voor maar alle bewoners hebben er belang bij de buitenwereld te laten geloven dat wat ze daar doen van doorslaggevend belang is voor het land. Ze vinden elkaar in de ontkenning. Ik zou het een vijfde ontdekking genoemd hebben. De code van Nieuwspoort is de schijn ophouden. Joris meldt het niet. Waarom niet? Ik heb het niet kunnen ontdekken.

Wie een maand aan het Binnenhof besteedt in Nieuwspoort heeft iets over Nieuwspoort geleerd – in het beste geval. De eigenlijke stelling van Luyendijk is dat Nieuwspoort en Binnenhof één en hetzelfde zijn. Interessante stelling. Dat zou nog eens nieuws zijn. Maar daar gaat het boekje niet over. Waar het wel over gaat? Het is me nog steeds niet duidelijk.

21 november

=0=

 


Leden

Een paar weken geleden bezocht ik een vergadering van de PvdA in mijn buurt. Er waren zo’n veertig mensen aanwezig. Tijdens de vergadering werd afscheid genomen van de afdelingsvoorzitter en werd een nieuwe afdelingsvoorzitter gekozen (er waren twee kandidaten die zich beiden voorstelden en uitlegden wat zij met dat voorzitterschap wilden). Vervolgens legde de deelraadfractie uit wat ze de laatste tijd hadden gedaan en wat we vonden van de zwaartepunten die zij wilden inzetten bij de aanstaande begrotingsbesprekingen in de deelraad (en uiteraard, ook hier moest worden bezuinigd). Er werd voorts gewezen op de komende verkiezingen voor de Provinciale Staten en in het zog daarvan de samenstelling van de Eerste Kamer. Het lijkt niet veel maar het was een toch een volle agenda. Veel tijd voor discussie was er niet. De tijd die er was werd, vond ik, goed besteed. De sfeer was aangenaam.

Nu heeft mijn afdeling een ietsje meer dan duizend leden. Ik hoorde dat men er daarvan zo’n honderd per jaar zag. Er zal dus een kleine trouwe kern zijn en daaromheen wat passanten zoals ik. Laten we veronderstellen dat die trouwe kern vijfentwintig mensen omvat. Dat is weinig als je veel te doen hebt. Er is veel te doen. Het gevaar is dat kleine kern te zwaar wordt belast, dat een tijd volhoudt en dan met meer of minder spijt afhaakt. Het komt me bekend voor. Men zou graag meer actieve leden zien begreep ik, en ik begreep ook dat daaronder leden verstaan werden die naar een vergadering komen en de helpende hand bieden bij het vele werk dat nu eenmaal hoort bij allerlei campagnes. Allemaal te billijken en toch een tikkie onbevredigend.

Ik bedoel, hoeveel leden beschikken over een computer? Heel veel ongetwijfeld. Waarom daar dan geen gebruik van gemaakt door een platform te maken waar elk lid, op het tijdstip dat het haar schikt en met de hoeveelheid tijd die zij op enig moment ter beschikking wil stellen, elk ander lid van de partij dat toegang tot het platform heeft kan betrekken bij wat dan ook van belang wordt gevonden voor de partij, een platform kortom waar leden niet met de partijorganisatie in discussie hoeven om uit te komen waar het hen misschien veel meer om te doen is: een discussie met elkaar zonder tussenkomst van de bestuurlijke en organisatorische besognes van afdelingen, deelraden en wat dies meer zij? Duur is het niet, elke computer heeft toch bakken overcapaciteit en je bent af van twee knelpunten: de gebrekkige onderlinge communicatie tussen de leden en het simpele feit dat tal van leden best van alles met die partij willen maar dan wel op de tijdstippen en met de tijdsbestedingen die hen op enigerlei moment uitkomen.

Ik kom er natuurlijk op omdat uit de, gelijktijdig met de notitie van Brinkman uitgelekte en even ongedateerde, notitie van Bosma naar voren komt dat deze vindt dat partijen met leden, net als de trekschuit, uit de negentiende eeuw stammen en in een tijd met ‘satellieten en internet’ niet meer nodig zijn. Het moet overigens wel een recente notitie zijn, in elk geval die van Bosma, want hij verwijst naar een hoofdstuk uit zijn boek waarin het allemaal nog veel uitgebreider zou staan en zo lang is dat boek er nog niet.

Bosma bedoelt niet dat partijen niet meer nodig zijn, hij bedoelt dat partijen met leden niet meer nodig zijn. Ze zijn schadelijk, en dat niet omdat in de partijen te weinig gebeurt maar omdat er teveel gebeurt, zoveel dat het ongetwijfeld aan de greep van controleurs zoals hij gaat ontsnappen. Bosma is bang voor leden omdat ze misschien iets te zeggen hebben. Brinkman is daar ook bang voor. Daarom stelt de man allerlei ‘filters’ voor die ervoor moeten zorgen dat uiteindelijk iedereen die het zelfs maar in z’n hoofd haalt lid te willen worden pas wordt toegelaten na eerst intensief te zijn gehomogeniseerd, gepasteuriseerd en gesteriliseerd. Dan lijkt me de categorische weigering van Bosma een stuk eenvoudiger. Het leidt tot het zelfde resultaat en het bespaart je een boel gedoe. Bosma wil geen leden. Hij wil stemmers.

De moeilijkheid is dat de structuur van de PVV niet opgewassen is tegen het gevaar van perikelen zoals die zich de laatste weken hebben voorgedaan. Brinkman heeft gelijk dat die  structuur ook intern voor heisa kan zorgen omdat de fractie niet weet en ook niet kan controleren wat er gebeurt met al het geld dat elke fractie krijgt voor ondersteuning. De PVV fractie krijgt dat geld niet. Het wordt verdeeld via de Stichting PVV en hoe dat gaat en wat daarvan echt terechtkomt bij de fractie weet de fractie niet. Het is een zootje, maar minder erg (wat kan mij per slot die fractie schelen) dan de selectie van mensen voor kandidatenlijsten voor vertegenwoordigende organen. Brinkman is voor een nieuw byzantinisme, Bosma voor een botte bijl. Geen van de voorstellen is effectief.

Bosma is niet tegen leden. In zijn trekschuit zitten helemaal geen leden. Partijen zitten er in. Curieus is dat de man het internet aanhaalt, het middel waarmee je met het grootste gemak vele en diverse meningen, inzichten, plannen, informaties, kennis, expertise kunt ophalen. Dat internet is voor partijen met leden een kans. Voor Bosma is het niet meer dan een verkooporganisatie, een distributiekanaal om voorgekookte standpunten aan de man te brengen. Dat, en niet leden en partijen, is pas 19e eeuws.

19 november

=0=

 


Pensioendebat

Radiozender BNR organiseerde maandagavond een pensioendebat. Aan tafel een aantal deskundigen, in de zaal verontruste en ook verontwaardigde mensen. Ik heb het niet gehoord, ik was er niet bij, ik las alleen een kort verslag in het FD van 16 november. De deskundigen leggen uit dat door de pensioenfondsen veel te laat is gerekend met de babyboomers en dat de beleggingsresultaten al een tijdje tegenvallen. Het eerste is verbijsterend, het tweede een beleidskeuze – die zoals te doen gebruikelijk als een product van een onvoorspelbare conjunctuur wordt voorgespiegeld. Dat het pensioen een verzekering is om zich in te dekken tegen onvoorspelbare schommelingen – dat heb je nu eenmaal met verzekeringen want daar zijn ze ook voor – is een inzicht dat verdwenen lijkt. De remedie van de deskundigen is én betere communicatie én meer financiële wijsheid bij de pensioenverzekerden. Dat zal helpen.

Het zal niet helpen. Als banken en verzekeraars hun eigen producten al niet snappen dan is dat geen weeffoutje maar een gevolg van alweer een beleidskeuze om van alles wat onder de zon is een verhandelbaar financieel product te maken, en daar vervolgens weer pakketjes uit te assembleren die nieuwe financiële producten genereren enzovoorts. De pensioenaanspraken zitten ergens in die pakketjes en geen der deskundige aanwezigen gaf ook maar een hint waar ze te vinden zijn en wat er nog van over is. Dat is geen toeval. Dat pensioenen ooit een dubbelfunctie vervulden – een inkomen en geen zorg erover dat er zou zijn als je aan de beurt was – wordt nu tegelijk afgebouwd. Er is geen zinnige uitspraak te doen over de beschikbaarheid en zorgeloosheid is een luxe die niemand niet zich nog permitteren. Lees: dat is je eigen verantwoordelijkheid. De sleetsheid van dit type uitspraken is gênant.

Daar komt bij dat iedereen wel wordt gebombardeerd met berichten over de loden last van de vergrijzing maar niet – het zoveelste teken van de onverantwoordelijkheid van de pensioenfondsen – met berichten over de toegankelijkheid van de pensioenfondsen. Dat laatste is niet alleen belangrijk, het wordt zelfs steeds belangrijker. Pensioenfondsen hebben leden. Dat was amper vrijwillig, het was gewoon een aspect van de arbeidsvoorwaarden bij je arbeidsovereenkomst. Was, want er zijn tal van werkenden die niet werden toegelaten: mensen met te kleine baantjes, mensen met steeds wisselende baantjes, zzp-ers, freelancers enzovoorts. Hun aantal neemt toe en daarmee wordt een deuk geslagen in het aantal nieuwe toetreders, het aantal nieuwe leden van de fondsen. Je zou daarom een nieuw initiatief verwachten om nu eindelijk eens een wettelijke pensioenplicht in te stellen, zodat iedereen die werkt en die dat wil onder een pensioenfonds kan vallen. Dat initiatief komt er niet – er is niet eens debat over en als er al eens op een maandagavond over pensioenen wordt gedebatteerd schittert dit onderwerp door afwezigheid. Liever alles bij het oude laten en de risico’s doorschuiven naar de verzekerden die al lang geen verzekering meer hebben maar een aandeel. Er circuleert sinds kort een nieuw SER advies over zzp-ers. Wat zegt het over de pensioenen? Dat de zzp-ers misschien eens zouden moeten aankloppen bij hun oude pensioenfonds en dat de SER hoopt dat die fondsen hen dan zullen aanhoren. De wet veranderen? Nee, dank u. We doen het liever in goed overleg en verder moet u uw jaarlijkse pensioenoverzicht maar eens wat kritischer lezen.

Dat beschikbaarheid ook wat te maken heeft met toegankelijkheid is een waarheid waar de pensioenfondsen zich geen gedachten over maken. Ze hebben al genoeg te stellen met de net door hen ontdekte demografie.

18 november

=0=

 


Heftig

Een heftige fractievergadering. Het is de omschrijving van Hero Brinkman. Het is gek, maar ik heb er geen beeld bij. Laat een PVV-er aan het woord en alles wat wordt gezegd is te groot, te schril, te overspannen. Gewoon: vals. Tot en met de excuses aan toe. Wat is heftig bij de PVV? Alles. En dus niks. Brinkman zal wel de indruk hebben willen wekken dat ze net een echte fractie van een echte partij zijn. Een fractie van een partij die geen partij is, is geen fractie. Yes, that’s just the name of the shop, luv. (bron: Shirt, van de onvergetelijke Bonzo Dog Band, op Tadpoles).

De PVV is weinig anders dan een marketingstrategie. Een gat in de markt en zij hebben het gevonden. Alstublieft. Garantie? Er zijn geen garanties. Dit is de 21e eeuw. Nee meneer, producten van ons nemen we niet terug. We kunnen kijken of er wat aan te repareren valt en anders moet het maar zo. Vervangen kan niet, het is wat het is. Ja, maar wat is het? Daarvoor moet u bij de Leider zijn.

‘Het moet veiliger worden op straten, in wijken en de openbare ruimte. Het daadkrachtig aanpakken van straatterreur, overlast, intimidatie, agressie, geweld en criminaliteit vraagt om een zichtbaar, gezaghebbend en doortastend optreden van politie en justitie.’ Het is een passage uit het regeer/gedoogakkoord. Een passage met een echo, op het lijf van Lucassen geschreven – zij het zonder enig ‘zichtbaar, gezaghebbend en doortasten optreden van politie en justitie’. De regeer/gedoogpartijen hebben het woord straatterreur niet meer in de mond genomen de laatste dagen en dat is van de benarde gedoogpartij best te begrijpen maar van de twee regeerpartijen niet. Hen ging het niet aan en in elk gezin gebeurt wel eens wat. Dat lijkt mij ook. Aan de andere kant, was het niet een trend aan het worden om zich daar niet bij neer te leggen en toegang tot achter de voordeur te eisen en zo nodig te forceren? Ja toch? Nog maar een week of zo geleden leek het mevrouw Sterk van het CDA een goede gedachte om Goudse jochies van een jaar of acht (verdacht van het smijten met bloembollen en het gooien van een ei) van hun ouders te scheiden. Wat zal de gedachte van mevrouw Sterk dan wel niet zijn bij de familierelaties van Lucassen? Geen. De lafheid van mevrouw Sterk is overigens niet eens haar eigen verdienste. Ze huilt gewoon mee met de wolven in het bos en als de wolven op bevel niet huilen houdt ook zij de kaken op elkaar.

Dat is pas heftig: de stilte van VVD en CDA. Het zijn niet Lucassen en zijn rotgenoten die regeren. Het zijn VVD en CDA die hen laten regeren.

17 november
 

=0=

 


Begroting

Onze premier belooft het bedrijfsleven dat de gemeentelijke lasten niet te veel zullen stijgen. Dat is mooi voor het bedrijfsleven, minder mooi voor de burgers. Het moet per slot ergens vandaan komen en als het niet van het kabinet komt en ook niet van het bedrijfsleven waar komt het dan wel vandaan? Rutte denkt dat gemeentelijke overheden uitvoerende organen van de centrale overheid zijn en dan doe je precies zoals bij ministeries en andere overheidsorganisaties: je roept dat het best wat efficiënter kan, dat je zelfs meer taken met minder geld kunt verrichten.

Rutte denkt ook dat de EU een uitvoerend orgaan van de centrale overheid is, in dit geval zelfs van 27 centrale overheden. Er zou voor de begroting van 2011 een kleine verhoging van de lidstaten worden gevraagd. Wij waren tegen en toch weer niet mordicus tegen. Eerder morrend tegen en daarmee morrend akkoord met een kleine verhoging. Bij de EU leven ze nog in de rare veronderstelling dat als je meer taken krijgt (uitvloeisel van Lissabon) je ook meer geld nodig hebt. Wij vinden dat een ouderwetse redenering maar zijn toch maar akkoord gegaan om de lieve vrede te bewaren.

Ons kruit hadden we daarmee gelukkig nog niet verschoten. Er was ook nog het Europese parlement dat enige zeggenschap wilde over de begroting. Dat vinden sommige staten (genoemd worden Zweden, Engeland – buiten de eurozone – en ook Nederland – in de eurozone) te ver gaan. Europa zegt beleidsconvergentie na te streven, maar de kansen op beleidsconcurrentie willen sommige staten zich niet uit handen laten slaan en zeker niet door een parlement. De lidstaten prefereren strafklasjes en sancties, te bewaken door clubs die op behoorlijke afstand van het parlement staan en die, zoals het IMF, de autonomie van de EU beperken in plaats van schragen. Atlantische beleidsconvergentie als het ware. Je moet het ruim zien en dan is een stelsel dat de lidstaten financieel bindt en economisch onderling laat concurreren het ideaal. Financiële binding is de opvolger van een inmiddels zeer zieltogende en onthechte monetaire binding. Een land moet z’n prioriteiten kunnen stellen en Europa is geen land. Het is niet eens een parlement en zeker geen zelfstandig belastinggebied. Geen eigen begrotingsruimte voor Europa daarom. Het moet niet te gek worden en dit kabinet waakt over het nationale belang dat allerminst strookt met dat van de EU. Zeg nou zelf. Als je even niet oplet halen ze je het vel over de neus.

Vannacht zijn de onderhandelingen over de begroting 2011 vastgelopen. Dat was al vijf dagen later dan de uiterste datum. Nu zal de regel in werking treden dat de EU volgend jaar elke maand hetzelfde bedragje mag besteden als in 2010. Zo werk je een kleine verhoging weg. Actie geslaagd, thuisfront tevreden gniffelend.

Om het belang van de zaak te ironiseren had Nederland een staatssecretaris gezonden. Van Buitenlandse Zaken want Europa is buitenland. Dat spreekt. Volgens de staatssecretaris, Knapen, is de wereld nog niet vergaan met een afgeschoten begrotinkje. Treffende observatie en nu weten we tenminste waar dit kabinet op wacht. Après nous. Tot meer beleidscoördinatie wordt Europa niet in staat geacht. Dat is een vergissing: tot meer beleidscoördinatie is dit kabinet niet in staat en dat projecteert het op de EU. Dit kabinet ziet niet meer dan zichzelf. En weet dat het goed is.

16 november

=0=

 


Ber Borochov

De naam Ber Borochov kam ik voor het eerst tegen in het prachtige proefschrift van Evelien Gans, De kleine verschillen die het leven uitmaken (Amsterdam 1999). De tweede keer dat ik zijn naam tegenkwam was in een recent verschenen bundeltje opstellen van Jerry Z. Muller (Capitalism and the Jews. Princeton en Oxford, Princeton University Press 2010). In de discussies, rond de vorige eeuwwisseling (Borochov overleed al in 1917, 36 jaar oud) over de marxistische variant binnen het socialistische zionisme en in de beweging van de Poale Zion, is zijn naam misschien niet de meest genoemde, maar wel belangrijk en onuitwisbaar. Gans en Muller getuigen ervan. Volgens Muller (o.c.: 189-218) loopt er zelfs een tamelijk rechte lijn van Borochov, via Otto Bauer, naar Ernest Gellner. Het onderwerp: de economie van het nationalisme, het moderne antisemitisme en het antwoord daarop van het (socialistische) zionisme.

Ik kom erop omdat ik afgelopen vrijdagmiddag de oratie bijwoonde van Ewald Engelen, bijzonder hoogleraar Etnisch Ondernemerschap. Engelen bracht een tamelijk optimistische boodschap over dat etnische ondernemerschap. Eén zinnetje – dat ook al in een artikel (‘We gaan nu naar etnisch ondernemerschap 2.0’) in Trouw van 12 november stond – is me in het bijzonder bijgebleven. Dit zinnetje: ‘Er zijn drie generaties nodig om volwaardig te kunnen meedoen op de markt. Als we na 2020 gaan kijken, zullen de kosten er heel anders uitzien. We gaan meer rendement uit de allochtonen halen.’ Het is een wat mechanisch zinnetje. De verwijzing naar de drie generaties refereert ongetwijfeld aan de periode van de ‘nieuwe immigratie’ in de VS, tussen het einde van de 19e eeuw en de komst van de New Deal in de jaren dertig van vorige eeuw. Drie generaties, inderdaad, daar kwam het zo ongeveer wel op neer om van Italiaan Italiaans Amerikaan te worden, van Griek Grieks Amerikaan, van Pool Pools Amerikaan enzovoorts. Een automatisme is het overigens niet en de integratie in de VS – de integratie van het verbindingsstreepje – liep ook niet altijd via etnisch ondernemerschap.

Wij houden niet van verbindingsstreepjes, ons klimaat is eerder een assimilatieklimaat geworden. Een Italiaanse Amerikaan is een Amerikaan, een Marokkaanse Nederlander is geen Nederlander: dat klimaat. Afgezien daarvan, en dan ben ik bij Borochov, als de etnische ondernemers echt succesvol worden – en ik ben maar al te graag bereid Engelen daar in zijn optimisme in te volgen – zal dat het grimmige en onmogelijke debat over integratie in Nederland van z’n scherpe kantjes ontdoen zodat we over een jaar of tien verbaasd kijken naar waar we in de laatste twee decennia toch mee bezig zijn geweest? Dat is de vraag en bij het antwoord op die vraag is Borochov een steunpilaar. Het antwoord is niet bemoedigend.

We moeten, volgens hem, niet alleen kijken naar de productieverhoudingen maar ook, en in het kader van nationaliteit zelfs in het bijzonder, naar wat hij productievoorwaarden noemde. Hij doelde in dat verband niet op wat in de marxistische traditie ‘algemene productievoorwaarden’ wordt genoemd (de infrastructuur is z’n diverse modaliteiten), hij doelde op land, taal en cultuur, op ‘geographical, anthropological, and historical circumstances that might distinguish groups from one another’ (Muller, o.c.: 194). De Joden hadden geen land, maar op het gebied van het leren van de taal van de nieuwe natiestaten – product van een nieuwe globale arbeidsverdeling die het traditionele (en stilzwijgende etnische) van de statusbepaalde arbeidsverdeling ‘van vader op zoon’ overal in de war gooide – hadden ze, gelet op hun intellectuele traditie, een voorsprong en op het gebied van een ondernemerscultuur eveneens. In dat verband was het hun succes in het zog van de moderne industriële maatschappijen – maatschappijen getekend door de noodzaak van formeel onderwijs, talige kennis en een economie waar een cultuur van ondernemerschap hoog in het vaandel was geschreven – dat hen gevaarlijk maakte. De productievoorwaarden gaan niet zozeer over wegen en elektriciteit, ze gaan over onderwijs, een eenheidstaal, ze gaan over communicatie en dus ook over de snelheid en toegankelijkheid van communicatieve netwerken. Het was niet de achterstand maar de (deels reële, deels veronderstelde) voorsprong van Joden in maatschappijen met dan wel op weg naar een moderne arbeidsverdeling, die Borochov op het spoor bracht van zijn hypothese over etnische concurrentie, een concurrentie van jaloezie en naijver, en de gevaren voor de Joden (een bevolking zonder eigen land, een bevolking waarvan een groot deel een eigen taal sprak, een bevolking met een eigen geschiedenis, een eigen traditie) in dat verband. Borochov verbond er de conclusie aan dat het Zionisme niet alleen een beweging met kleine mensen als aanhangers was maar ook – en met het economisch succes van de Joden steeds meer – een beweging die winnaars zou kunnen rekruteren. In dezelfde geest was voor hem ook het antisemitisme niet alleen een eeuwenoude en steeds opnieuw terugkerende dreiging – ook het antisemitisme kende z’n modernisering. Dat maakte het des te gevaarlijker. Het Zionisme is, per slot, een product van het moderne antisemitisme, geen antisemitisme dat de Joden een afzonderlijke status in de arbeidsdeling toedeelt maar een antisemitisme dat de Joden hun succes in de nieuwe arbeidsdeling misgunt en bestrijdt. Hoe functioneler de arbeidsdeling, hoe groter het gevaar dat voorsprong zowel als achterstand aan etnische factoren worden toegerekend. De Joden danken in die redeneertrant (waarin de betogen van Borochov en van Gellner elkaar opvolgen – althans in de weergave van Muller) hun succes niet aan hun intellect, hun taligheid, hun ondernemersgeschiedenis – ze danken het aan het feit dat ze anders zijn, Joods zijn, hun eigen internationale netwerken hebben, niet aan enig land verbonden en verplicht zijn, dat ze trouwer zijn aan het Jodendom dan aan het land dat hen herbergt. Neem aan dat ze zich horen te bekennen tot het land waar ze zijn en ze zouden moeten assimileren. Zo niet dan zouden ze, linksom of rechtsom, moeten worden verwijderd. Er is een economische basis voor etnisch nationalisme (Muller, o.c.: 209-210).

Die basis, zou die vandaag de dag, nu de kaarten van de internationale, nationale, regionale, stedelijke, landelijke, arbeidsverdeling opnieuw worden geschud en niet zo’n beetje ook, zou die vandaag de dag niet relevant meer zijn? De vraag is bedoeld retorisch. Mocht het etnisch ondernemerschap het succes worden dat Engelen ervan verwacht dan is er vooralsnog geen reden aan te nemen dat daarmee het debat over ‘wij’ en ‘zij’ vriendelijker zal worden. Wie allochtoon zegt, zegt al sinds jaar en dag dat zij contacten hebben, netwerken, die door godsdienst en landen van herkomst aan ons ontzegd zijn. Met de moderne communicatiemedia is dat eerder makkelikker dan moeilijker vol te houden en feiten heb je er niet voor nodig. De roep om assimilatie is nog lang niet verstomd. Hij wordt eerder sterker en hoe succesvoller de etnische ondernemer, hoe luider die roep zal klinken. De roep om uitzetting is de volgende stap – en ook die roep horen we steeds vaker.

Ik twijfel aan het optimisme van Engelen – juist omdat ik graag deel in zijn verwachtingen dat het er met het etnisch ondernemerschap goed voorstaat.

15 november

=0=

 


Zoveel onzin

We hebben een Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Elk land dat lid is van de Raad van Europa heeft er een rechter in. 47 landen, 47 rechters. Het Hof doet bindende uitspraken, gebaseerd op de interpretatie van het Hof van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hoewel Duitsland die uitspraken slechts accepteert als ze niet strijdig zijn met de Duitse grondwet). In Opinie&Debat (NRC Handelsblad 13 november) wordt gesteld dat het Europese Verdrag van de denkfout uitgaat ‘dat universele principes van rechtvaardigheid geen van tijd en plaats afhankelijke interpretatie zouden vergen’. Ja, denk je dan, waar hebben we dan dat Hof nog voor nodig? Toch ook voor de interpretatie? Het probleem van het Hof is niet dat het niet uitlegt en interpreteert. Het probleem is ook niet dat het Hof niet ‘democratisch’ is, hoewel de auteur van het artikel dat wel beweert. Recht is niet democratisch. Het is recht en als het goed is het product van een onafhankelijke rechtspraak. Het Hof heeft pas een probleem als het rechters krijgt uit landen waar de rechtspraak onafhankelijkheid ontbeert. Aan die onafhankelijkheid kan wel eens worden getwijfeld. Steeds meer, nu Berlusconi stelselmatig de rechtsstaat ondermijnt, daarin trouw gevolgd door Wilders. Die weten wat het volk wil en pas dan is het democratisch.

Nee, met zulke scribenten legt de krant geen eer in. Het bezwaar van de auteur (Thierry Baudet) is niet dat er niet wordt geïnterpreteerd maar dat er op een hem niet welgevallige wijze wordt geïnterpreteerd. Hij wil de interpretatie achter de muren van de nationale staat hebben want, zo is zijn stelling, dat is democratisch. Blijkbaar worden bij ons de rechters gekozen. Baudet loopt daarmee vooruit op – ik interpreteer – door hem gewenste ontwikkelingen en, nog erger, hij heeft een democratieopvatting waarin het recht de democratie niet inkadert maar er zelf door wordt ingekaderd. Een opvatting waarin – ik interpreteer opnieuw – de rechtsstaat een stoorzender voor de democratie is. Niet gekozen. De Koningin is ook niet gekozen – zou het toeval zijn dat uitgerekend nu aan de positie van het koningshuis wordt geknabbeld? Wat is er allemaal wel niet-democratisch gekozen? Een onvolledige lijst: de Europese Centrale Bank, het Europese Hof van Justitie, De Hoge Raad en de hele verzameling van de rechtbank, het Openbaar Ministerie, De Nederlandsche Bank, de Opta, de Europese Commissie, de G20, het Basel Comité, het IMF, de Wereldbank, de AFM enzovoorts, enzovoorts. Populaire geluiden, dat weer wel. De meeste posities in de meeste organisaties worden niet verdeeld op grond van democratische verkiezingen. Zou Baudet eens aan moeten denken. Hij werkt, lees ik, aan een proefschrift over nationale soevereiniteit. Zijn naties gekozen? Is een eenheidstaal gekozen? Ach, zolang het onderwerp maar goed gekozen is en dat, gelet op de preoccupatie van Baudet, is het voor hem wel. Het artikel zal wel een bijproduct van het aanstaande proefschrift zijn. Laten we hopen dat het er geen deel van uitmaakt.

Waarom ‘nationale soevereiniteit’ en geen ‘staatssoevereiniteit’? We hebben het tenslotte al lang niet meer over het Habsburgse rijk, of het Ottomaanse, of het Russische rijk van weleer en diens opvolger, de Sovjet Unie. Het zal wel komen door de steeds onduidelijker rol van staten in Europa en het daardoor in populariteit winnende nationalisme. Staatssoevereiniteit is ongedeeld – en daarom is er binnen de EU geen sprake meer van staatsoevereiniteit (in de oratie van voormalig minister Brinkhorst – Europese Unie en nationale soevereiniteit, Leiden 2008: 17, noot 20 – wordt, om de zaak nog onoverzichtelijker te maken, nationale soevereiniteit omschreven in termen van staatssoevereiniteit). De EU is wel een politieke arena maar geen staat. De staat is in de uitverkoop – we concurreren met belastingen, met wetgeving, met subsidies en ontheffingen, met migratie en met sociale zekerheden die bijgevolg sociale onzekerheden zijn geworden. Van de natiestaat blijft de natie over; het restje staat wordt steeds grimmiger ingezet om de natie te promoten. Een tegenstrijdig gebeuren overigens. Ook met naties kun je concurreren, let maar eens op het aantal mensen dat ons voor vreemd kapitaal zo aangename vestigingsklimaat weet te verklaren uit afgestofte nationale zelfgenoegzaamheden. Ten onzent: de tolerantie. Kapitaal heeft geen vaderland en ook geen moedertaal. Patriottisme en nationalisme zijn er vreemd aan – tenzij ze een voordeeltje mochten opleveren.

De natie vreet de staat op en de rest zit in Brussel en elders. Dat is een enorm verschil met de periode van na de Eerste Wereldoorlog, die test die de natiestaat met gemak doorstond, er sterker uitkwam en uitmondde in een fascistische staat die z’n eigen natie heruitvond en in de nationaalsocialistische staat die de natie reduceerde tot gemeenschap, de gemeenschap tot volk en die daarin voldoende legitimatie vond om elk deel van de bevolking dat niet tot het volk behoorde uit te moorden. Twee ‘verlate’ naties, beide met een verloren grote oorlog, beide herontworpen vanuit de staat. In fascisme en nationaalsocialisme weet de staat wat de natie is en handelt dienovereenkomstig. Vandaag lijken we eerder in de omgekeerde situatie te zijn beland. De natie beschrijft zich als cultuur (onze cultuur is de hunne niet) en als vrijheid (onze vrijheid is de hunne niet) en de staat heeft de opdracht onze cultuur en onze vrijheid van vreemde smetten vrij te houden. Vandaar dat een partij die geen partij is en zich voornamelijk bezighoudt met het beledigen van de cultuur van anderen en het beknotten van de vrijheden van anderen, zich onbekommerd de Partij Voor de Vrijheid kan noemen. Van de staat verwacht die partij die geen partij is, dat ze alles doet om dat te bewerkstelligen. Uit al het overige dient de staat zich terug te trekken. De PVV is het tegendeel van een fascistische beweging en het is het tegendeel van een nationaalsocialistische beweging. Het heeft geen territoriale ambities – het trekt zich verongelijkt terug in het eigen huis en zelfs daar weet het zich bedreigd. Het is, in de terminologie van de VN, een racistische beweging – en dat is iets radicaal anders.

Dus ja, Rob Riemen (De Eeuwige Terugkeer van het Fascisme; Atlas, Amsterdam/Antwerpen 2010)heeft het bij het foute eind. Hij denkt fascisme en nationaalsocialisme te kunnen beschrijven aan de hand van een aantal culturele kenmerken van de moderne tijd (de vervlakking, het consumentisme, het ongeduld, de uniformiteit, de hekel aan alles wat buiten het bereik van tallozen valt en dus de hekel aan de ‘elite’, enzovoorts). De woede van de ‘opstand der horden’. Of van de disciplinering van die ‘horden’ in het nieuwe mensentype van Ernst Jünger (de arbeider, als het type dat het burgerlijke individu aflost) – een auteur die opvallend afwezig is bij Riemen. Riemen heeft niets met geschiedenis en dus staat de geschiedenis bij hem in het teken van de eeuwige, meestal latente en soms manifeste, dreiging van het fascisme. Merkwaardig genoeg wordt hij in z’n culturele besognes bijgevallen door Frits Bolkestein (de Volkskrant, Opinie&Debat, 13 november) die vindt dat Riemen zich moet schamen voor ‘zoveel onzin’ en toch ook meent dat het fascisme in eerste aanleg een ‘cultureel verschijnsel’ was, het product van een door het rationalisme verveelde kaste van kunstenaars en intellectuelen, de verveling die uitmondde in het fascisme dat Bolkestein typeert als ‘elitaire beweging met als bestaansgrond de ontkenning van universele waarden’. En, zo voegt Bolkestein daar aan toe, ‘[e]en kind kan zien dat dit op Geert Wilders slaat als een tang op een varken’. Bij Bolkestein heeft het fascisme niets, bij Riemen vrijwel alles met het vuur van het nationalisme te maken. Voor Bolkestein is het fascisme een elitaire cultuur van vooruitgangsdedain, voor Riemen is het fascisme een begeleidingsverschijnsel van de rancuneuze en makkelijk te exploiteren cultuur van de massa.

Zou Bolkestein zich iets hebben herinnerd van de ‘circulatie der elites’? Het is me niet duidelijk geworden. Misschien moet Bolkestein Ter Braak nog eens herlezen. Dat zou, tweede overeenkomst, Riemen ook eens moeten doen. Dan was hem misschien opgevallen dat voor Ter Braak niet het nationalisme het definiërende kenmerk is van fascisme en nationaalsocialisme maar de staat, de staat als almacht, de staat met een hoofdletter, en inclusief wat Ter Braak ‘staatsmystiek’ noemt. In fascisme en nationaalsocialisme schept de staat zich een natie, een gemeenschap, een volk. Het kan ook een toekomst zijn, de nieuwe vrijheid, de nieuwe cultuur, de nieuwe mens. Alles nieuw en dus exclusief want de massa is niet slechts materiaal maar zelfs uitverkoren materiaal, materiaal waarvoor velen te licht bevonden zullen worden.

De wereld, zal Riemen verzuchten, blijft er even plat door. Dat kan – maar om Wilders als fascist te afficheren is meer nodig.

Bolkestein en Riemen vertonen meer overeenkomsten dan beiden lief zal zijn. Beiden houden van de soevereiniteit van de cultuur en bestrijden elkaar het juiste cultuurinzicht, Riemen omdat bij hem de cultuur Europees is en Bolkestein omdat hij zich daar wijselijk niet over uitlaat. Zo is er godzijdank toch nog wat over voor de Thierry Baudets van deze wereld. In de lijn van zijn denken is cultuur pas goed als het democratisch is en wat democratisch is, dat beslissen we zelf wel. Zo veel onzin.

14 november

=0=

 


Dure bureaus

Beseffen is inzien. Dat besef hadden we ooit maar het is nu al tijden gebruik om inzien uit te spreken als ‘je inzien’, ‘me inzien’, ‘zich inzien’. Ik bedoel natuurlijk ‘me beseffen’ enzovoorts. Iedereen doet er vrolijk aan mee, want wie de Nederlandse taal liefheeft kastijdt die taal. Gisteren was het weer zover. Dit keer de Volkskrant: ‘Verder zei Wilders zich te beseffen [eigen cursivering] dat het 'natuurlijk niet goed is voor de PVV' als dit soort zaken in het nieuws komen. 'Het is niet de eerste keer en daar ben ik alles behalve trots op.' Daarbij zei hij dat zijn partij geen geld heeft 'om dure bureaus in te huren' voor uitgebreid onderzoek naar mensen die politiek actief willen worden voor de PVV. 'Dat doe je met de middelen die je hebt. Ook hier zullen we lessen uit moeten trekken.'’

Of Wilders ‘zich iets besefte’ of dat de Volkskrant dat voor hem deed vermeldt het verhaal niet. We laten het voor wat het is. Maar hoe zit het toch met die dure bureaus? Een beetje partij heeft een bureau en de kosten daarvan worden door de leden opgebracht en de staat draagt ook bij. Als je een partij bent, maar dat is Wilders niet. Hij noemt het partij en de meeste media nemen dat over net zoals ze ‘zich beseffen’ overnemen. Wie de taal liefheeft kastijdt de taal en dat zullen we weten, inzien en ons en ons partijwezen doen beseffen. Onze taal is onze cultuur en zolang zij de taal niet hebben hoeven wij ons geen zorgen te maken. Hun cultuur is de onze niet. Wat zullen we nou hebben. Er zijn mensen die zich afvragen waarom het met de inburgering niet wil vlotten. Hoe moeilijk kan het zijn?

Of een bureau duur voor Wilders is weten we niet. De staat wil bij onze bankgegevens kunnen, die gegevens zijn ook aan de Amerikanen gegund, maar hoe Wilders gefinancierd wordt weten we niet. Wij niet, er zijn vast diensten die het wel weten en het kennelijk wel best zo vinden. Ook dat weten we niet omdat het niet nodig gevonden wordt dat we het weten. Trouwens, zelfs als het bureau gratis en voor niks was geweest had het niet geholpen. Omdat Wilders geen partij is maar een krampachtig politicus die alles in eigen hand wil houden omdat niemand vertrouwd kan worden. Zeker niet willige potentiële Kamerleden, die vooral niet.

Met de aanstaande verkiezingen voor de Provinciale Staten voor de boeg, wordt het allemaal nog erger. Wilders deed er eerder niet aan mee. Geen wonder; die mensen moeten af en toe eens zelf wat doen, zonder het toeziend oog en voorbeeldgedrag van de Leider. Liever niet dus. Twee gemeenteraden, dat nog wel, op voorwaarde dat die bezet worden met wat marionetten uit zijn fractie, marionetten die weer andere marionetten in de gaten moeten houden. De PVV is geen partij, het is een gareel.

In hoeveel provincies zou Wilders mee willen doen? Hij kan er dit keer niet z’n marionetten uit de Tweede Kamer voor inzetten. Nu ja, het kan wel maar de Provinciale Staten zijn voor Wilders niet interessant. Het gaat alleen om de Eerste Kamer en dan zijn z’n ledenpoppen onbruikbaar.

Het echte nieuws is dat het Wilders weinig interesseert. Tenzij het in het nieuws komt. Wat zijn mensen op hun kerfstok hebben doet er niet toe. Als ze maar uit de schijnwerpers van het nieuws weten te blijven.

Ook hier moeten we lessen uit trekken, zei Wilders. Ik heb wel een les voor hem: richt eens een partij op. Dat heeft twee voordelen: één taalmishandeling minder en ook nog een bureau. Hoe dat er uit moet zien weet Hero wel. Die komt er vandaan.

13 november

=0=

 


Voorbij?

Naar men zegt was met de val van de Berlijnse Muur de Tweede Wereldoorlog voorbij. Daar wil ik niet in treden; mijn probleem is dat als de Tweede al voorbij is, de Eerste dat niet is. Alle breuklijnen uit en als gevolg van die oorlog zijn sindsdien weer aan de oppervlakte gekomen en hebben tot scheuringen geleid, afscheidingen, etnische zuiveringen, oorlogen. De strepen op de kaart die na die oorlog zijn getrokken zijn even zoveel conflicthaarden. Het vlakgom is gehanteerd op sommige plekken, op andere plekken waar het vlakgom nog geen kans heeft gekregen ligt het in de aanslag. In het Midden Oosten zijn onrust en conflict zo ongeveer endemisch. In Europa is het product van de onafgesloten oorlog een onaangename herleving van het nationalisme, dat met de rug naar de ontwikkelingen sinds de Tweede Oorlog is gaan staan. In islamitisch Azië wordt de godsdienst ingezet als politiek wapen. Wij zien dat niet als zwakte van de islam maar als kracht en origine, omdat het goed uitkomt in ons eigen regressieve nationalisme.

Het begon – in de tegenwoordige culturele variant waarin cultuur gelijk staat aan waar je vandaan komt en niet waar je heen wilt (en weer wel waar je beslist niet heen wilt) – met Bolkestein. Het werd opgepikt door Scheffer en Fortuyn en vandaag de dag kraait de haan van Bolkestein victorie in Wilders en Bosma. Geradicaliseerd en schreeuwerig. In het ‘zij zijn begonnen’ van Martin Bosma klinkt niet alleen de vermeende onschuld door maar ook en vooral de rancune. Het is wrok, woede uit frustratie en afgunst, nooit de kracht van de toorn (het is jammer dat in de Nederlandse vertaling van Sloterdijk’s Zorn und Zeit de Toorn is vervangen door de Woede). Sla er maar op – maar alleen dan als je je sterk genoeg waant en gedekt wordt. Geen wonder dat de godsdienst wapen is en hoogtij viert: wilde de kordaatheid van de toorn effect hebben dan was de goedgeluimdheid van de goden geen extraatje waar je ook zonder kon. Het was beslissend en het is beslissend. Voor ons: christelijke waarden en normen in de oorlog tegen de islam. Priester en slagveld, schering en inslag, en Kluveld en Spruyt zingen de lof van de Staatkundig Gereformeerde Partij. Ik bedoel maar.

De rancune was decennialang voornamelijk sociaal. De rancune is inmiddels politiek geworden en heeft, met dit kabinet – en eerder al met het ministerschap van Verdonk – nu de staat bereikt. Ook dat is regressie: de staat in z’n nationale gedaante kalft af en slaat terug. Geen toorn, wel uit frustratie geboren woede over alles dat er nooit was en toch is afgenomen.

De Eerste Wereldoorlog is niet voorbij. Gisteren was de 11e november en het stormde.

12 november

=0=

 


Schaarse tijd

Volgens het SCP voelen de meeste mensen zich bij tijd en wijlen onder druk staan. Er is te weinig tijd, dan wel de blokjes tijd die de school of de kinderopvang, of de reistijden, het huishouden en het werk voor hun respectieve rekening nemen sluiten niet goed op elkaar aan. Er is een tekort of er is schaarste. In het SCP rapport Tijd op orde? Een analyse van de tijdsorde vanuit het perspectief van de burger,worden die dingen niet uit elkaar gehouden en dat is jammer. Als er een tekort is moet er wat af, als er schaarste is moet je eens goed nadenken over hoe je je tijd verdeelt. In het effect kan het op hetzelfde neerkomen, in de beleving zit er een wereld van verschil in. In het rapport wordt de schaarste stilzwijgend als perspectief genomen (onder welke condities zou je je tijdbesteding anders inrichten, in het bijzonder een baantje nemen of een groter baantje nemen?), in de antwoorden op de vragen geven de burgers terug dat voor hen tal van dingen gegeven zijn en dat ze daarom niet aan andere dingen toekomen. Bij schaarste is alles gegeven, in het leven van de burgers niet. Daarom is een schaarsteperspectief een ongelukkige invalshoek en het reflecteert meer het overheidsbelang bij arbeidsparticipatie dan het burgerbelang van een eigen tijdsorde. Daar had beter over nagedacht moeten worden.

Wat het rapport nu biedt gaat niet over het perspectief van de burger. Het gaat over de problemen die de overheid kan verwachten als de overheid de arbeidsparticipatie wil vergroten tegen de wil van de burgers in. Dat is amper nieuw. We horen al jaren pleidooien voor meer arbeidsparticipatie, van de overheid en van commissie die door de overheid worden ingesteld dan wel pleidooien gebaseerd op onderzoekingen waarvan de bevindingen aan de overheid worden aangeboden. De teneur daarvan is steeds dezelfde: mensen mogen kiezen maar eigenlijk is er niets te kiezen dan meer arbeidsparticipatie want als we anders kiezen gaat het land naar de knoppen. In de keuzewereld van de schaarste is er slechts één goede keuze. Tel uit je keuzewinst.

Kennelijk is de burger hardleers; elk nieuw onderzoek bewijst het (het hier genoemde SCP onderzoek inclusief). Maar niet de burger is hardleers; de overheid en de eraan gelieerde dan wel erop gerichte onderzoeksbureaus zijn het. De vraag is niet of de burger niet doorheeft dat er meer gewerkt moet worden en hoe dan; de vraag is of de overheid doorheeft dat als je jaar in jaar uit te horen krijgt dat je burgers wel willen werken maar niet ten koste van zaken waar anders een tekort aan zou ontstaan, je als overheid eens moet ophouden om dingen die niet schaars zijn (en die niet schaars zijn omdat ze voor de burgers niet ter discussie staan) alsnog in het keurslijf van de schaarste (kiest u maar!) te persen. Burgers wijzen sommige keuzes af omdat ze een aantal dingen rond huis en haard niet in het keuzemenu van de arbeidsparticipatie op willen nemen. Hoe moeilijk kan het zijn?

Van de overheid verwacht ik op dit vlak niets. Van onderzoeksbureaus wel? Ik begin er aan te twijfelen. Tijd is pas schaars als je ervoor kiest om tijd vanuit dat perspectief te bekijken. Dat is niet het perspectief van de burger. Het perspectief van de burgers is helemaal niet onderzocht. Het SCP moet z’n eigen onderzoek eens leren lezen.

11 november

=0=

 


Export

We mogen aannemen dat die zeshonderd miljard van Bernanke niet in eerste instantie voor binnenlands gebruik zijn bedoeld. Ze zijn er om het buitenland een lesje te leren, de Chinezen voorop. Het is voor de export. Het probleem is dat iedereen toch al in z’n maag zit met de Amerikaanse dollar. Nog meer van die flappen is niet ieders droom. Het probleem is ook dat de overeenkomst tussen een dollarregen en een aswolk vrij groot is: de regen trekt zich van staatsgrenzen en staatsbelangen niet veel aan, de aswolk ook niet. De gok van Bernanke is dat, omdat ook hij niet weet wat de weersvoorspelling van morgen is, de regen niet als een orkaan terugkeert in de VS. Hij hoopt er het beste van en ondertussen is hij voor prijsstabiliteit. Trichet heeft het nog maar eens herhaald: alle centrale bankiers zijn voor prijsstabiliteit. Ook Bernanke. Het hoort bij rol. Zeg dat je tegen prijsstabiliteit bent en je kunt het schudden als centrale bankier. De bede voor prijsstabiliteit is tot mantra verworden. Het weerbericht voor prijsstabiliteit trekt zich niet veel aan van bezweringen.

De vraag is hoe lang de rest van de wereld de Amerikaanse monetaire hegemonie nog zal dulden. De laatste actie van Bernanke heeft veel losgemaakt. Het regent kritiek, tot en met de vinnige kritiek van de Duitse minister van Financiën. Niks prijsstabiliteit maar destabilisering. Het liegt er niet om. Bij ons blijft het, voorspelbaar, stil. Ik kan me zomaar indenken dat De Jager wel blij is dat hij niet naar die G20 mag. Stel je voor, dan had hij een mening moeten hebben terwijl hij niet tegelijkertijd de Amerikanen te vriend kan houden en de Duitsers gelijk kan geven.

Geef mij Zoellick maar. Die heeft nu, en dat is niet niks, de kat de bel aangebonden. Hij pleit voor een nieuwe monetaire wereldstandaard, de opvolger van de dollar en dus niet afhankelijk van de luimen van de VS, van de al dan niet goed begrepen belangen van de VS. De standaard zou de waarde van diverse munteenheden moeten combineren. Hij noemde, naast de dollar, het pond, de euro, de yen, de yuan. Een soort Robecomunt voor het internationale geldstelsel, in de hoop dat de schommelingen in de waarden van de afzonderlijke munteenheden elkaar zullen opheffen. De droom van Keynes – een internationaal geldstelsel zonder goud maar net zo goed als goud (goud zonder goud als het ware), daar wil Zoellick nog niet aan. Hij wil terug naar goud als garant voor de waarde voor het nieuwe internationale geld: één eenheid van dat geld is in principe goed voor zoveel van een gram goud. Dat wordt nog heel ingewikkeld.  

Het zal slikken zijn voor Obama. Bij het begin van zijn ambtsperiode serveerde hij de Chinezen, die een vergelijkbaar voorstel hadden ingediend, direct af. Geen denken aan. Niemand sprak hem tegen, want niemand had het er verder nog over. Dat hij het nu opnieuw krijgt voorgelegd, en dit keer nog wel door de Amerikaanse directeur van de Wereldbank, is op zichzelf al een teken aan de wand. Uiteraard kan Obama het zich niet permitteren – tenzij hij absoluut niet wil worden herkozen over twee jaar – het voorstel over, of zelfs maar in beraad, te nemen. Het zou al een groot wonder zijn als de G20 tot overeenstemming zou komen over zoiets als een studiecommissie. Laten we eens iets onderzoeken! Het zou verstandig zijn.

Weerberichten kun je niet afdwingen maar dat maakt de meteorologie niet overbodig. Eerder het tegendeel.

10 november

=0=

 


Roulette

‘Russisch roulette met de geldpers’, staat boven een artikel in De Pers. Het is een opiniërend stuk over de gevolgen van de 600 miljard dollar die de Amerikanen in hun economie gaan pompen. Raar is het wel. De staat geeft obligaties uit om aan geld te komen en koopt die obligaties nu terug met geld, dat door de staat niet uit belastingen is bijeengesprokkeld, maar waarvoor het gewoon de geldpers heeft aangezet. De nood zal hoog zijn. De in het artikel aangehaalde economen zijn van mening dat de actie eerder inflatie zal opleveren dan groei. Dat de actie zichzelf in de staart gaat bijten.

Paul Krugman (in de NYT van zondag) is op zichzelf niet tegen de actie en is het daarom niet eens met al die ongeruste economen die in De Pers worden aangehaald. Dat was ook te verwachten. Hij vindt dat inflatie eraan kan bijdragen dat het geld sneller circuleert (wie bij inflatie op z’n geld blijft zitten is een dief van eigen portemonnee want het geld dat je hebt wordt minder waard – en dus kun je het beter uitgeven). Hij vindt ook dat Bernanke het zo zou moeten presenteren: reken maar op een beetje meer inflatie, dus … Maar wat Bernanke zei was precies het omgekeerde: “I have rejected any notion that we are going to try to raise inflation to a super-normal level in order to have effects on the economy.” Volgens Krugman zegt Bernanke dat omdat hij nog altijd van de foute theorie is. Dat kan, het kan natuurlijk ook zijn dat Bernanke het zegt omdat hij de centrale bankier is en een centrale bankier zal nooit zeggen dat hij de inflatie een zetje wil geven. Centrale bankiers zeggen juist dat zij het prijsniveau stabiel willen houden. Geen inflatie dus en daarom, nu weer volgens Krugman, zal niemand het geld eerder, sneller of guller uitgeven. Het wordt niks met die 600 miljard.

Wordt het niks? Geen flauw idee. Als Krugman gelijk krijgt gaat het geld niet rollen en dan wordt het inderdaad niks. Het zou inhouden dat de centrale bank de regie over het geldaanbod helemaal kwijt is. Je gooit er wat in en er gebeurt nog niets. De rente is al bijna negatief, er zijn al eerder honderden miljarden in omloop gebracht en kennelijk blijft het geld steken op het eerste adres waar het aankomt, waar dat zich ook bevindt. Bij de banken, vermoedelijk. Waar anders?

Binnenkort zal Krugman misschien de geest van Silvio Gesell oproepen. De man die voorstelde dat iedereen die z’n geld niet uitgaf er na korte tijd belasting over moest gaan betalen. Het effect is van inflatie niet te onderscheiden en de staat houdt er nog wat aan over ook.

In de VS kunnen ze natuurlijk ook de tering naar de nering zetten. Is geen geldpers voor nodig en Gesell kan rustig doorslapen.

9 november

=0=

 

Wetenschappers onder elkaar

Jason W. is van z’n geloof afgevallen. Hij heeft de wetenschap ontdekt en geloof daar nu even rotsvast in als voorheen in z’n oude geloof. Zekerheid is mooi – je wint er geen wetenschap mee maar een kniesoor die er op let. Zo’n kniesoor is Afshin Ellian beslist niet. Hij is ook wetenschapper en hij erkent de ware geest die nu in Jason gevaren is. Hoe dat kan (het kan niet maar, als gezegd, een kniesoor die erop let), Ellian legt het ons uit.

In gevangenschap leest Jason mooie boeken. Plato, Nietzsche, Popper. Popper hield niet van Plato en wat Nietzsche beweerde, Popper zag het net wat anders. Of totaal anders. Nietzsche en Plato, ook al geen gezworen kameraden. Het doet er niet toe. Voor Ellian, want het doet er natuurlijk wel degelijk toe. Ellian schrijft dat Jason zegt: ‘De Koran is het woord van Allah, als daar ook maar een foutje in staat – en de wetenschap heeft aangetoond dat dat zo is – is dat genoeg om de islam in één keer te weerleggen’. De slotsom van Jason: ‘Religie is obscuur vergeleken met de heldere argumenten van de wetenschap’.

Ik zou zeggen dat Afshin zou moeten zeggen dat Jason nog maar een keertje tentamen moet doen en nog een keertje, net zo lang tot Jason afstapt van de gedachte dat wetenschap en godsdienst substituten zijn. Of hij daarna nog enig geloof zal overhouden is niet zeker – mij kan het niet schelen want daar gaat het niet om. Nu heeft Jason slechts één geloof ingeruild voor het andere en volgens Ellian moet Jason daarmee worden gecomplimenteerd. ‘Jason, ga zo door’, schrijft de geleerde en hij wenst de jongen alvast sterkte voor het geval hij in handen van een shariarechtbank zou vallen. Enige wellustigheid kan Ellian niet worden ontzegd.

De vraag is: wat zegt hetgeen Ellian zegt over wat Jason zegt, over Ellian? Nu, het zegt veel. Aan de hand van Jason bewijst Ellian in één beweging het ongelijk van de Iraanse staat, het ongelijk van Job Cohen, het ongelijk van Geert Mak, het ongelijk van de westerse islamliefhebber (die niet denkt maar een apologeet is), het gelijk van Hirsi Ali en het gelijk van Paul Cliteur. En, vergeten we dat vooral niet, het gelijk van Afshin Ellian, ja zelfs in het bijzonder het gelijk van Afshin Ellian.

Afshin en Jason, twee wetenschappers onder elkaar. Jason in een betraliede toren, Afshin in een ivoren toren. Verschil moet er zijn maar ze delen ook veel. Hun torens. Ik zou best eens willen weten wat Jason van zijn recente annexatie door Afshin vindt.

8 november

=0=

 

BAM!

Tot voor kort wist ik niet wat een flashmob was. Nu wel. Meer nog, ik was er een deeltje van. Een flashmob is een groep mensen die plotseling op een openbare plek samenkomt, iets ongebruikelijks doet (of verwacht dat anderen dat zullen doen) en daarna weer snel uiteenvalt. Je kunt je mobieltje gebruiken om mensen te verwittigen, je kunt het internet inzetten. Mensen die zijn bereikt kunnen weer andere mensen bereiken. Een olievlek.
Wij hadden een olievlekje. Mensen die het berichtje hadden gekregen hadden het amper verder verspreid. Maar toch, er stonden plotseling, half drie gistermiddag op de hoek van de Kleiweg en de Blauwstraat in het hartje van Gouda, zo’n vijftig mensen bij elkaar. Even verderop in de Blauwstraat stond een geluidswagen. Vlakbij de wagen een groepje jongelui. Er klonk muziek. Eén meisje begon te dansen, seconden later gevolgd door nog één en weer seconden later waren alle jongelui aan het dansen op de muziek uit de wagen. Het klonk goed, ze dansten goed. Geen wonder, het waren jonge mensen van een dansschool, dansschool Touche/Sara. Steeds meer mensen kwamen er op af, in minder dan een minuut waren het er al zo’n driehonderd. Er werden foto’s gemaakt, filmpjes (ik heb nog niet gekeken maar Youtube zal het al wel hebben). De mensen bewogen mee. De muziek hield op, de jongelui hielden er mee op, de mensen gingen verder met het doen van hun boodschappen. Een evenementje. Het was goed. De omstanders hadden het aangenaam gevonden. Nog even en ze hadden meegedanst, zo’n stemming. Had het langer geduurd, wie weet wat er was gebeurd. Het was niet de bedoeling het langer te laten duren. De dagelijkse gang van zaken had even een andere vorm aangenomen. Daar was het om begonnen. We laten het hier niet bij, dit was een begin, en een volgend keer doen we hetzelfde maar dan anders of we doen iets heel anders. Vermoedelijk beide. Cultuur, als demonstratie van het eenvoudige gegeven dat het ook anders kan, dat alles anders kan, zelfs de dagelijkse gang van zaken. Geen brede aankondiging vooraf om mensen de drempel over te krijgen te komen kijken. Liever de verrassing, een beetje aangewakkerd door de met de flashmob bereikte mensen.
En een beetje voorbereiding. De geluidswagen hadden we ingehuurd, met de dansschool was de zaak voorbereid. We (medewerkers van de Bibliotheek, van het regionaal Archief, van het Museum, van BAM dus, en een aantal mensen van de Haagse Hogeschool, allen verzameld onder de projectnaam Waterwolf) wisten – we hadden her en der navraag gedaan – dat muziek en dans bij een boel Gouwenaren hoog scoorden op de lijst van dingen waar ze wat blijer van werden. Er wordt ook veel gedanst in Gouda, er zijn meer dansscholen, voor tal van stijlen, en met veel jongeren als lid. Gouda heeft een rijk cultureel leven, niet alleen in het dansen. Ook dat leven wordt bedreigd; er moet – zegt men – worden bezuinigd. Cultuur is duur, cultuur als een aanbod door en vanuit instituties is duur. Cultuur waarbij de instituties de mensen opzoeken, om hen in beweging te krijgen, om hen tot initiatieven te bewegen, waarbij van de instituties meer platforms voor dan leveranciers worden gemaakt, daar zijn we mee bezig. Duur? Nee. Noem het cultuur als cocreatie, met als effect dat zowel de vraag naar als het aanbod van cultuur toeneemt, al was het maar omdat de grenzen tussen vraag en aanbod vervagen, want dat heb je met cocreatie. Het grijpt om zich heen – en het wordt ook steeds makkelijker. Het is niet duur. In principe is het makkelijk, en goedkoop. In principe. Wij willen er in Gouda wat meer praktijk van maken en wat gisteren gebeurde was er een kleine illustratie van. We hebben bibliotheek, archief, noch museum aangeprezen want het ging niet om hun institutionele cultuurproducten, het ging om Goudse cultuuractiviteiten. Die uiteraard voor de BAM instellingen van belang zijn, maar dan wel in de volgorde van eerst de activiteiten (de cocreatie) en pas dan de producten van de instituten. Het is de droom van een cultuur die je niet consumeert maar die je gebruikt en als gebruiker sta je zowel aan het begin als aan het einde van de keten. In principe, het principe dat we wat praktisch proberen aan te kleden.
Gek, berichten over het gevarieerde cultuurleven van Gouda bereiken nooit de Telegraaf. Dat blad heeft het liever over het ei dat een verslaggever van hen (of was het Powned weer?) tegen het hoofd kreeg gegooid. Bam!; maar dit keer zonder ons. Met foto, van het ei dan, niet van de verslaggever. Het zou best gegooid kunnen worden door een achtjarig jochie waarvan we niet de levensjaren interessant vinden maar diens ‘achtergrond’. Dat laatste, daar verstaat de Telegraaf nou ‘cultuur’ onder. Je kunt niet eens meer een fatsoenlijk vraaggesprek voeren in Gouda. Het stond groot in de krant en het ei van de PVV, Fritsma, was er als de kippen bij om een spoeddebat aan te vragen. Over straatterreur. Van wie? Voor sommigen spreekt dat vanzelf.
Hun cultuur is de onze niet.

7 november

=0=


Slapen

Deze passage tref ik aan in NRC Handelsblad: Door de wraking van de strafkamer en andere recente incidenten met rechters generen steeds meer magistraten zich voor hun professie. „Er zijn collega’s die slecht slapen. ‘Daar gaat ons vak’, vrezen ze”, zegt een van hen. „Andere rechters verzwijgen op feestjes liever hun beroep.”
Tja. De rechters in Amsterdam zijn verdeeld over de wraking van drie van hun collega’s. Of ze dat de wrakingkamer kwalijk nemen is niet duidelijk. Wel wordt gesuggereerd dat het beter zou zijn als Amsterdamse rechters niet door andere Amsterdamse rechters zouden worden gewraakt maar, bijvoorbeeld, door Haarlemse. Op sociale gronden een goede suggestie maar het heeft met de zaak niets te maken. Als het wel zo is zijn de rapen pas echt gaar.
De rechters spreken met meel in de mond. Het probleem ligt niet bij de rechtbank maar bij het OM. Het OM klaagt aan en stelt tegelijkertijd dat er niks is om aan te klagen. Dat betekent dat er juridisch niets is om een klacht op te baseren. Als er juridisch niets is moet er wat anders zijn waardoor de klacht in behandeling is genomen. Het gedram van het hof in dit geval. En dan verbaasd zijn dat diegenen die het goed uitkomt het een politiek proces te noemen, het een politiek proces noemen. Tja.
Het probleem ligt bij het OM. Om diverse redenen, netjes opgesomd in een door advocaat en hoogleraar theorie van het informatierecht Egbert Dommering geschreven artikel in De Groene van deze week (Zwijgen is zilver, wraken is goud). De belangrijkste reden heeft te maken met het negeren door het OM van wat in het jargon ‘positieve verdragsverplichtingen’ heet. Dat houdt in dat een staat niet alleen goede sier mag maken met het overnemen van allerlei verdragen tegen bijvoorbeeld discriminatie maar er ook nog wat aan moet doen. Het in het proces tegen Wilders in het geding zijnde artikel 137d van het wetboek van strafrecht bijvoorbeeld heeft van alles te maken met het VN verdrag tot het uitbannen van iedere vorm van discriminatie. Daar zit wat aan vast. In actie komen bijvoorbeeld en niet, zoals het OM hardnekkig heeft volgehouden, elke actie blokkeren en als je door anderen tot actie wordt gedwongen dat vrolijk saboteren. In dat laatste is het OM heel goed geweest. Het heeft nagelaten iets aan onderzoek te doen bijvoorbeeld (is er aanzet tot discriminatie en haat geweest?). Er lagen genoeg klachten. Die kun je onderzoeken en precies dat heeft het OM niet gedaan. Dat had twee gevolgen. Het eerste: de klagers klaagden over het OM. Dat mag niet in de rechtszaal. Het OM kan verdommen te doen wat het moet doen maar in de rechtszaal komen ze er mee weg – tenzij de rechtbank zelf vragen stelt. Dat is ook gebeurd – het tweede gevolg – en zodra dat gebeurde kwam de heilige Bram in het geweer. Hij had geen problemen met een partijdig OM, hij had problemen met een rechtbank die vragen stelde want elke vraag, elke opmerking, getuigde zijns inziens van vooringenomenheid en partijdigheid. Daarnaast mocht Bram gezellig aanschuiven bij media zoals DWDD – waar alles mag als het maar vettig is en waar op enige serieuze voorbereiding strenge straffen staan.
De conclusie van Dommering dat het OM met andere mensen moet komen in de volgende ronde ligt voor de hand. Het was al hoogst curieus dat dezelfde mensen die er eerder blijk van hadden gegeven niets voor een proces te voelen het proces desniettemin mochten voorbereiden en uitvoeren. Het zal nog curieuzer worden als ze de volgende ronde weer aan de beurt zijn. Ik denk zo maar dat de rechters slecht slapen vanwege een OM dat hen in een positie brengt dat zij de officiële aanklagers moeten leren wat dat is: aanklagen. En daar vervolgens in het publiek op worden afgerekend. Geen wonder dat het proces een proces is geworden, niet met een aanklager, een verdachte en een rechter, maar een proces tussen rechter en verdachte, de laatste ondersteund door media die wel een relletje lusten en door een mediageile advocaat.
Het gevaar voor de rechtspraak zit niet bij de rechters, het gevaar zit bij het OM. Nee, voor de nachtrust is dat geen goede zaak.
6 november

=0=

 


Globalisering

De EU heeft een globaliseringsfonds. Daar kunnen bedrijven een greep in doen als ze op grote schaal mensen moeten ontslaan – als gevolg van de globalisering dan, niet als gevolg van wanbeheer. ABN Amro heeft 5.2 miljoen euro uit dat fonds aangevraagd want ze moeten veel mensen ontslaan en dat kost geld. Moet de bank ontslaan vanwege de globalisering? Het zou een nieuwe invulling van het woord zijn.

Minister Kamp wil dat uitkeringsgerechtigden die vrijwilligerswerk verrichten niet langer vrijgesteld worden van hun sollicitatieplicht. Ook mensen die geen kans op de arbeidsmarkt hebben moeten de arbeidsmarkt op. De gedachte dat je van vrijwilligerswerk ook wat wijzer wordt is niet juist volgens de minister. De arbeidsmarkt kan best wat druk op de ketel gebruiken. Vrijwilligers die niet solliciteren zorgen niet voor druk en voordat je het weet duiken ook de mensen die niet helemaal kansloos zijn het vrijwilligerswerk in. Nog minder druk. Binnenkort denken uitkeringsgerechtigden nog dat ze recht hebben op een uitkering omdat ze niet voor niets uitkeringsgerechtigden worden genoemd. Een ernstige misvatting. Een uitkering is een tijdelijke voorziening die alleen onder straffe voorwaarden wordt toegekend en waarop streng wordt gecontroleerd. Als uitkeringsgerechtigde heb je geen recht, je hebt minder recht en dat zul je weten ook. Hooguit krijg je een subsidietje, maar reken er niet op.

Wethouder van Es van Amsterdam gaat bij uitkeringsgerechtigden voortaan de nadruk leggen op hun eigen kracht. Ze bedoelt dat zij niet meer voor hen wil opdraaien. Geen subsidie meer. Dat wil ze afmeten aan de inspanning van mensen om een baan te krijgen. Doen ze te daar te weinig aan dan worden ze gekort of ze raken hun uitkering kwijt. Helemaal geen subsidies meer. Het gaat om een baan. Niet om een opleiding als je geen werk hebt want dat is te duur en te weinig effectief. Alles is te duur in een stad met een NZ lijn en verder zit de conjunctuur ook al niet mee, lopen de inkomsten uit bouwplannen en dus grond terug en dan is er nog de centrale overheid. Staatssecretaris Zijlstra heeft overigens een aardige opvatting over de overheid. Indien een gemeente bereid is het nationaal historisch museum onderdak te bieden dan beschouwt hij het geld dat daarmee gemoeid is als privaat geld en dan doet hij niet moeilijk. Amsterdam ziet wel wat in dat museum. Het zal ongetwijfeld een educatieve functie krijgen en met een stadspas kunnen de uitkeringsgerechtigden er op een koopje naar toe. Niet dat het helpt; het zal niet effectief kunnen zijn. De wethouder zegt het zelf. Wat helpt is eigen kracht.

ABN Amro heeft geen eigen kracht meer, ook al is de bank zelf verantwoordelijk voor de perikelen. Ik denk dat we de minister, de staatssecretaris, de wethouder er niet over zullen horen. Eigen kracht geldt alleen voor de minst krachtigen. Al het overige werkt niet en is verspilling van geld en dat geld hebben we zelf hard nodig.

Het is het gevolg van de crisis en de crisis is een tijdelijke groeistuip in de globalisering. De bank vraagt er subsidie op aan, de uitkeringsgerechtigden krijgen kariger subsidievoorwaarden.

De globalisering heeft merkwaardige kostgangers. Overigens zijn de kansen op een baan vanuit een uitkering niet toegenomen. Dat mevrouw van Es meent dat die kansen wel toenemen door het verplichte aantal te schrijven sollicitatiebrieven per tijdseenheid te vergroten en daar streng op toe te zien is van een diepe treurnis. Ze had ook kunnen zeggen dat het geld op is. Door de crisis in de globalisering bijvoorbeeld en de doorwerking daarvan in de budgetten van de gemeente. Gewoon, geen geld meer voor jullie. ‘Eigen kracht’ is een trap na, uitgedeeld door een wethouder die de eigen kracht, de durf, niet heeft om de dingen bij de naam te noemen. Ze is het spiegelbeeld van een bank die het evenmin durft.

5 november

=0=

 



Wie slim is moet sterk zijn

Niet alleen het CBS heeft een interessante studie uitgebracht (De Nederlandse Samenleving 2010), ook het CPB heeft van zich laten horen. Niet over 2010 maar over 2040 (NL2040). Over die laatste studie heb ik een paar opmerkingen, hoewel ik niet kan nalaten de door het CBS vermelde uitkomst te melden dat hoger opgeleiden gemiddeld zeven jaar langer leven dan laag opgeleiden. Die uitkomst geeft precies aan wat er zo mis is met het AOW gedoe van de laatste jaren.

Het CPB heeft weer een scenariostudie gepleegd. Centraal staan dit keer ‘mensen’ en ‘steden’. Bij steden gaat het er om of ze groot of klein zullen zijn in 2040, bij mensen (‘workers’) gaat het er om of het specialisten (van taken niet langer van producten) of generalisten (veel taken) zullen zijn. Producten zijn in de toekomst, per veronderstelling, altijd en nog meer dan nu het product van lange en globaal gecomponeerde ketens waarbij de kosten beslissen over wat door wie waar wordt gemaakt. Wat gedeeld wordt zijn de taken. De ambachten kunnen het schudden, maar professional kan elke slimmerik wel worden. Met die tweedeling in speciaal en generaal hangt samen of de informatietechnologie centraal wordt in het werk (specialisten) dan wel de communicatietechnologie (generalisten). Groot en klein en IT gebaseerde taken of CT gebaseerde taken, het levert bij elkaar vier scenario’s op. Het CPB telt ook in deze studie weer op tot vier en daar moeten we het mee doen. De overtuiging in de scenario’s is dat wie slim is daar niet genoeg aan heeft maar ook sterk moet zijn en dat hangt weer af van de manier waarop de takendeling resoneert in en samengaat met stedelijke omgevingen. Wie niet slim is hoeft ook niet sterk meer te zijn. Voor hen resten slechts de kruimels.

De voornaamste beslissing in de scenario’s is niet vermeld. Het is de beslissing over wie beslist over de taken. Het CPB gaat er zonder enige nadere uitleg van uit dat ondernemingen beslissen. De vraag is waarom. Als ik op de stroom recente publicaties over het web, de netwerken, 2.0, ‘crowdsourcing’, de ‘long tail’,  enzovoorts let dan valt op dat met het gemak waarmee vandaag de dag al nieuwe gemeenschappen worden gevormd en weer worden ontbonden, één kenmerk al die gemeenschappen verbindt. Dat is dat daarin specialisten en generalisten samenkomen. Ze zijn niet gescheiden maar gecombineerd en ze kunnen de combinatie snel aanpassen, afhankelijk van de nagestreefde belangen en belangstellingen. Een interessant aspect van de meeste van die gemeenschappen is dat je er geen ondernemingen voor nodig hebt. De onderneming staat voor een specifieke oplossing van het coördinatieprobleem dat je krijgt wanneer mensen bronnen, tijd, expertise enzovoorts moeten verzamelen, delen en inzetten, zodat er kan worden samengewerkt. De voorsprong van de onderneming op het coördinatievlak slinkt, de nieuwe gemeenschappen bewijzen het steeds opnieuw. Het is eerder omgekeerd: ondernemingen proberen een graantje mee te pikken van de nieuwe mogelijkheden van gemeenschapsvorming en ze proberen ze voor hun karretje te spannen. Ze zijn van leidend volgend aan het worden. Bovendien, die gemeenschappen gebruiken ook niet (in plaats van de ondernemingshiërarchie) de markt als coördinatievorm want voor zover hun coördinatie al wordt beheerd is dat eerder op basis van wat met Elinor Ostrom de ‘governance of common pool resources’ wordt genoemd, dan op basis van een onderneminghiërarchie of op basis van markten en contracten. Over de wet hebben we het al helemaal niet, want ook die volgt (het CPB droomt over een Europese patentruimte, in de VS droomt men van een nieuwe patentorde waarbinnen de goedkeuring van patenten openbaar wordt gemaakt door inschakeling van, inderdaad, tal van virtuele gemeenschappen, gemeenschappen gevormd vanuit de belangstelling van specialisten die van hun generieke communicatiemogelijkheden en vaardigheden gebruik weten te maken). Niet over wetten dus, wel over regels. Die allemaal in aardige slogans worden verwoord (‘geen copyright maar copyleft’, ‘geen download zonder upload’ etc.).

Als het CPB ons enig inzicht in 2040 wil verschaffen had ze het ten minste over de toekomst van de onderneming moeten hebben. Maar precies die toekomst wordt niet onderzocht. Dat is slim noch sterk.

4 november

=0=

 


Moegetergd

Volgens het FD heeft de moegetergde Amerikaanse kiezer de Republikeinen in het zadel gehesen. In het Huis met een klinkende overwinning, in de senaat met het inhalen van een fors deel van de achterstand die ze op de Democraten hadden. Nog niet alle stemmen zijn geteld als ik dit schrijf en blijkens de gegevens op CNN zijn er nog een paar staten waar de partijen elkaar op de hielen zitten. Als de Democraten pech hebben wordt het in de Senaat 50-50. Nog vier zetels zijn onbeslist.

Moegetergd, het is een merkwaardig woord. Wat de Amerikanen in die energievretende staat heeft gebracht is ook door CNN onderzocht. Het is niet de energie, en ook niet oorlog en terrorisme. Het is niet de gezondheidszorg en het is niet het onderwijs. Het is evenmin het enorme tekort van de Amerikaanse overheid. Het is de economie. Meer dan de helft van de mensen heeft de economie als voornaamste zorg. Hun banen. Ze constateren dat er veel geld in de economie is gepompt en ze constateren dat de werkloosheid tien procent bedraagt. En dat in een land zonder noemenswaardige ontslagbescherming en zonder noemenswaardige ww-uitkeringen. Dat moet hoognodig worden gemoderniseerd, dat blijkt maar weer. Misschien een beetje onze kant op? Een mens zou benieuwd zijn naar het commentaar van D66 en GL op die combinatie van hoge werkloosheid en geen ontslagbescherming en ww. Overigens, waar de ww niet helemaal een wassen neus is, in die staten hebben de Democraten hun zeteltjes beter kunnen verdedigen dan in de overige staten. Ik zie geen causaal verband, ik merk het alleen op.

Het is wel bijzonder dat Clinton’s kwinkslag (‘it’s the economy, stupid’) zich nu tegen Obama keert. Het overheidstekort wordt kennelijk aan de overheid toegeschreven, niet aan de geëxplodeerde kredieteconomie, een beetje zoals bij ons de kosten van Brussel aan Brussel worden toegeschreven en niet aan de ingewikkelde besluitvorming die de lidstaten aan Brussel opleggen. De grote rol van de economie is verder een signaal dat de Amerikanen niet veel verder kijken dan hun baan en hun huis. Dat Obama de politieke betekenis daarvan gemist heeft blijft me verbazen. Heeft hij het gemist? Of is de verwachting dat het in de komende tijd beter zal gaan met banen en huizen, zo veel beter dat bij de presidentsverkiezingen het tij een beetje is gekeerd? Het zou kunnen maar ook dan moet hij Clinton’s les niet vergeten: het ging beter met de economie in de tweede helft van de jaren negentig en het enorme overheidstekort, het tekort dat Clinton erfde van Bush sr net zoals Obama het erfde van Bush jr, werd teruggedrongen. Die twee ontwikkelingen stimuleerden elkaar en dat ligt ook voor de hand. Ze zijn gekoppeld.

Als Obama iets aan de economie wil doen moet hij iets aan de overheidstekorten doen. Hij heeft er in twee jaar nog geen begin mee gemaakt. Die koppeling kan hem over twee jaar behoorlijk gaan opbreken.

Maar waarom de Amerikanen ‘moegetergd’ zijn is me nog altijd niet duidelijk. Of zou het FD het gejoel en gekrijs van de Tea Party bedoelen?

3 november

=0=

 


Tofu

Wat is tofu? Ik zoek het op en vind onder meer dit: ‘Tofu is een zacht kaasachtig voedingsmiddel … een eerder neutraal smakend product dat gemakkelijk de smaak van andere ingrediënten overneemt.’ Zacht en kaasachtig, neutraal smakend, de smaak van andere ingrediënten overnemend. Ik moest aan Groen Links denken, maar van welke ingrediënten neemt GL de smaak over? Dat was nog niet zo eenvoudig. Tot ik in Trouw las dat GL eigenlijk best van Mohammed Rabbae en René Danen af wil.
De krant citeert Kamerlid Tofik Dibi: "René is van de verboden, van de boycots en van de rechtszaken. Wij staan juist voor het voeren van een open debat. Je kunt niet iedereen met wie je het niet eens bent de mond snoeren." En de krant citeert Kamerlid en fractievoorzitter Femke Halsema: "Soms word ik wat ongemakkelijk van de toevoeging oud-GroenLinks-Kamerlid: Rabbae doet zijn uitspraken bepaald niet namens ons." Dan zijn we er nog niet. Het mooiste komt nog. De krant schrijft: ‘Danen, die eerder leider was van het linkse platform Keer het Tij, is een van de aanklagers in het proces tegen Geert Wilders. Dibi is van mening dat de rechtszaak tegen de PVV-voorman eerder averechts werkt. "Door mensen via de rechter het zwijgen op te leggen gaan gevoelens in de samenleving niet weg. Ze worden alleen minder zichtbaar."’
Zou Dibi zijn uitspraken bepaald wel ‘namens ons’ doen? Dan moet GL oppassen. Ik ben bang dat GL niet oppast. Ik ben bang dat GL het verschil tussen tofu en politiek kwijt is geraakt. Met GL kun je alle kanten op, zolang het maar neutraal smaakt en de smaak vrijhoudt voor andere ingrediënten:

  • Door misdadigers via de rechter het zwijgen op te leggen gaan de misdaden in de samenleving niet weg. Ze worden alleen minder zichtbaar
  • Door mensen die haat zaaien via de rechter het zwijgen op te leggen gaat de haat in de samenleving niet weg. Ze wordt alleen minder zichtbaar
  • Door mensen die tot geweld oproepen via de rechter het zwijgen op te leggen gaat het geweld in de samenleving niet weg. Het wordt alleen minder zichtbaar
  • Door mensen hun te hoge beloning af te nemen gaan de hoge beloningen niet weg. Ze worden alleen minder zichtbaar
  • Door mensen afkeurend op hun voorkeuren aan te spreken gaan die voorkeuren niet weg. Ze worden alleen minder zichtbaar
  • Enzovoorts.

Het klopt als een zwerende vinger en het sluit als een bus. GL neemt de smaak van welk ingrediënt dan ook over. GL is een neutraal smakend product, in die partij ‘open debat’ genoemd. Niet het onderwerp bepaalt de smaak, niet het feit dat er besloten moet worden bepaalt de smaak, het debat bepaalt de smaak en het debat hangt af van de ingrediënten. Dat product is een product als een ‘zacht kaasachtig voedingsmiddel’. Daar zal GL dan wel de politiek mee bedoelen. Met een tien en een griffel voor Tofik die van de juf die het recept hoogstpersoonlijk op het menu van GL heeft gezet. Dat het mag smaken.

2 november

=0=

 


Banale paranoia

In de Groene vond ik een verwijzing naar de lezing van Richard Hofstadter uit 1963 (november 1963, dezelfde maand waarin Kennedy vermoord werd) over The Paranoid Style in American Politics. De lezing, of liever het artikel met dezelfde titel dat een jaar later verscheen, wordt veel aangehaald dezer dagen. Dat komt door enkele stellingen die Hofstadter er in heeft verwerkt. Zo is er de stelling dat de paranoia geen afwijking is van rare mensen maar juist een grote aantrekkingskracht heeft voor gewone, ‘normale’ mensen. De paranoia is even banaal als het kwaad waar Hannah Arendt over schreef. Het verschil is dat de banaliteit van het kwaad een 20ste eeuwse ontwikkeling is en de banaliteit van de paranoia veel ouder is (Hofstadter verwijst naar Norman Cohn’s studie over het najagen van het millennium die enkele jaren voor zijn lezing was verschenen en die grote indruk maakte).

Er is de stelling dat het niet om inhoud gaat maar om ‘stijl’, om de wijze waarop ideeën ingang vinden: “Style has more to do with the way in which ideas are believed than with the truth or falsity of their content.” Stijl is belangrijk en Hofstadter wijst op het feit dat massamedia steeds belangrijker zijn geworden en ook de toonzetting van de chiliastische boodschap sterk beïnvloeden. De toon is persoonlijker geworden, vileiner, meer met trivia opgesierd. Sinds zijn lezing is dat alleen maar toegenomen. Bovendien, voorheen ging het misschien om te behouden wat men had (het zuivere Amerika), nu gaat het er om terug te veroveren wat men is kwijtgeraakt. Voorheen, daarom, ging het om het afweren wat van buiten kwam en een gevaar was, nu gaat het niet alleen daarom: de vijand heeft zich in de belangrijkste posities weten in te dringen en daarom hebben we niet alleen met vreemden van buiten af te rekenen maar ook met de verraders in eigen huis. Vroeger waren in de VS de katholieken het gevaar, nu zijn het de moslims en Obama is een moslim. Nee, dat zegt Hofstadter niet (hij overleed in 1970) maar dat al in de jaren zestig heel Amerika werd gemanipuleerd en verstikt door stiekeme communisten, dat was wel degelijk een klacht, de klacht van de banale paranoia. Obama is een communist. Nog wel meer ook. Het is de stijl die er toe doet. Het is de stijl van de Tea Party. De stijl van de zoveelste revolte van het land tegen de stad. De stijl van de ideële verbinding tussen west en oost, conform de intrigerende denkfiguur van Ian Buruma en Avishai Margalit (Occidentalisme. Atlas; Amsterdam en Antwerpen 2004), een verbinding die ongeveer even oud is als de tijd van de moderne revoluties en die er de reactie op is. Het is de uitvinding van de cultuur, de exploratie en meting van het andere, de seculiere wending in het verhaal van bederf. De stad maakt niet vrij, de stad bederft en corrumpeert. De stad is polis en polis is politiek, dezelfde politiek die de stad bevoordeelt en het land uitzuigt. Enzovoorts. Stijl is wat dezer dagen framing wordt genoemd.

Er is de stelling over de renegaat. De renegaat is de persoon die aan de donkere zijde van de gebeurtenissen heeft vertoefd, die er geweest is, die erover kan vertellen, die het heeft overleefd, die teruggekeerd is naar het licht: “He brings with him the promise of redemption and victory.” Koester uw renegaten. Wij koesteren onze renegaten. Geen betere katholiek dan een ex-katholiek, geen betere communist dan een ex-communist, geen betere moslim dan een ex-moslim. We zijn er dol op. Als ze er niet zijn vinden we ze uit.

En er is de stelling over de pedant. Noem de pedant de intellectueel van de beweging en we zijn waar Hofstadter ons wil hebben. Er is altijd wel een enkel feit waarop de pedant wijst. Er zijn geen schaatsen zonder scheve schaatsen en wie zoekt zal vinden. Dan komt het framen natuurlijk, het verplaatsen van het feit naar de hel dan wel de hemel. Scheve schaatsen horen niet slechts bij de islam, ze zijn de islam. Of woorden van gelijke strekking, en steeds herhaald. Het woord framen komt niet voor bij Hofstadter, de werkwijze wel. Hij schreef het hieronder staande citaat niet voor Martin Bosma, maar het lijkt toch wel een soort parafrase van de man: “The higher paranoid scholarship is nothing if not coherent—in fact the paranoid mind is far more coherent than the real world. It is nothing if not scholarly in technique. McCarthy’s 96-page pamphlet, McCarthyism, contains no less than 313 footnote references, and Mr. Welch’s incredible assault on Eisenhower, The Politician, has one hundred pages of bibliography and notes.” Meer coherent dan de wereld zelf en Bosma heeft, als ik het me goed herinner, wel duizend voetnoten in zijn boek. Daar kan die McCarthy een puntje aan zuigen. Hoewel, de man loopt ruim 3 op 1 (drie voetnoten op 1 pagina pamflet) en Bosma slechts 2 ½ op 1. Hij is nog jong zullen we maar zeggen.

De banaliteit van Henk en Ingrid, de framing style van Wilders, de pedante systematiek van Martin Bosma, de Soeslov van de PVV. Waar is de renegaat? Wilders zelf? (2001: de islam is een te respecteren godsdienst. En jaren later: ik zat in 2001 nog onder het juk van Van Aartsen en Dijkstal maar nu kan ik eindelijk vrijuit spreken). Ehsan Jahmi, de protégé van Ellian en het hulpje van Hero B? Is als ex-moslim meer dan geschikt en is aan de andere kant te licht om serieus genomen te worden. Er is een  vacature. Ellian wil niet, hoewel hij als renegaat hoge ogen zou gooien en bovendien alles weet, inclusief alles wat hij niet weet. Het is een lastige kwestie. Een beetje renegaat gaat al gauw met de eer strijken en juist die positie is niet vacant. We wachten af.

Alles bij elkaar doet het ergens aan denken. Rationele dwaasheid, zou Sen zeggen, is de index zowel van een fout begrepen rationaliteit als van een verwisseling van elke gebeurtenis met het denkbeeld ervan. Banale paranoia is in al z’n normaliteit een specimen van rationele dwaasheid. Je vraagt je weleens af: 'Waar hebben wij het aan verdiend ?’ Het is de vraag van Reve, de schrijver die opmerkte dat er in zijn verhalen weer geen normaal mens voorkwam.

In dat laatste vergiste hij zich. Maar de vraag blijft staan.

Morgen zijn er tussentijdse verkiezingen in de VS.

1 november

=0=