Schapen kijken - foto Bel Any

 

DAGBOEKHOUDER

Aantekeningen van een ongeduldige toeschouwer

Ton Korver

Amsterdam/Den Haag 2011

Ga naar Archief:
2007–2008–2009–2010-2011


Februari

Schipperen

Winstdeling

Indicatoren

Visionair

Kliek

Handen schudden

Gesluierd

EVRM

Ouderszorg

ICA

Rechten

Maasland

Sputteren

Apart

Taalgeest

Verlegen

Smeltkroes

Jihad rechtspraak

Fusie

Erfenis

Voedsel

 

Januari

Weg

Voorkeur onbekend

Burlesque

23

Met de kennis van nu

Daar en later

Weer een jaar

Statistiek op maat

Sciëntometrie

Politiek uit nood

Divers

Vleien

Omvattend

Epibreren

Profiteren

Eerlijkheid

Bovendien

Identiteiten

Vrijheden

Een nette exit

Perskaart

Straatnieuws

Ook in Amsterdam

Omar

Andere tijden

Typetjes

Weerwoord

Minister van Staat

Zomer

 


Maxima Moralia
 
Dat had ook de titel kunnen zijn van dit bundeltje aantekeningen. Maar ik wil niet overdrijven. Zo dicht op de huid zitten me de sketches hieronder nu ook weer niet. Ze gaan over dingen die me bezighouden en waar soms de handen van jeuken. Dat is nog niet hetzelfde als het ‘verzonken in ervaring’ dat de Minima Moralia van Adorno als keurmerk heeft. Je moet afstand weten te bewaren. Dat geldt voor de politiek – die karakterlozer wordt met elke nieuwe stap om vooral dicht bij de burger te blijven – en het geldt voor mij.

Niettemin, het kan altijd beter. En dat is een tweede verschil tussen mij en het inspirerende voorbeeld van Adorno. Er is geen goed leven in het slechte is een dictum dat nog uitgaat van een herkenbaar onderscheid tussen goed en kwaad. Daaruit vloeit het oordeel voort. Inmiddels twijfelen we ook daaraan. Dat is geen reden tot wanhoop. Eerder het omgekeerde. Twijfel is, met de gave ons te kunnen vergissen, de opmaat voor schaven en beschaven. Dat wordt makkelijk vergeten, en hoe drukker we het hebben hoe makkelijker. Ik ben aan diezelfde drukte gebonden. Vandaar het ongeduld, gekoppeld aan de afstand die ik met de woorden ‘aantekeningen’ en ‘toeschouwer’ verbind en het voorbijgaande dat meeklinkt in de titel waar ik uiteindelijk voor heb gekozen: dagboekhouder.

 


FiB
tijdschrift Filosofie in Bedrijf

Archief

Dagboekhouder 19
november - december 2010

Dagboekhouder 18
september - oktober 2010

Dagboekhouder 17
juli - augustus 2010

Dagboekhouder 16
mei - juni 2010

Dagboekhouder 15
maart - april 2010

Dagboekhouder 14
januari - februari 2010

Dagboekhouder 13
november - december 2009

Dagboekhouder 12
september - oktober 2009

Dagboekhouder 11
juli - augustus 2009

Dagboekhouder 10
mei - juni 2009

Dagboekhouder 9
maart - april 2009

Dagboekhouder 8
januari - februari 2009

Dagboekhouder 7
november - december 2008

Dagboekhouder 6
augustus - oktober 2008

Dagboekhouder 5
april - juli 2008

Dagboekhouder 4
januari - maart 2008

Dagboekhouder 3
augustus - december 2007

Dagboekhouder 2
mei - juli 2007

Dagboekhouder 1
januari - april 2007

 


Schipperen

In de ‘dubbeldikke special’ van De Groene afgelopen week (thema: de aanval op de elite) vond ik welgeteld één zinnetje dat me aansprak: ‘Je hebt meer aan één briljante dokter dan aan vijf middelmatige dokters’. Het kwam voor in een artikel over conservatisme, dus dat hebben we dan ook weer gehad. Dat artikel was een soort summum van kippigheid.

Eén zinnetje is niet veel. Het betekende ook niks,  behalve dat het me even uit het hart was gegrepen. Dat komt zo. Sinds een kleine tien dagen word ik geplaagd door spit. Niet zo’n beetje ook, vorige week kon ik enkele dagen geen beweging voor elkaar krijgen zonder pijnscheut. Maar het gaat beter. Ik kan zitten (niet te lang) en lopen is zelfs weer aangenaam (‘niet zitten en staan, maar liggen en gaan’: dat vertelde me de fysiotherapeut. Met uiteraard de toevoeging dat liggen ook met mate diende te gebeuren. Lastig, als je af en toe wilt slapen). Vandaag gaan we ook weer aan het werk. Ook beweging.

Ja, die elite. Niemand wil er nog bij horen, lijkt het wel. Je kunt beter BN-er zijn dan elite en zelfs als je dat niet wilt zijn dan heb je geen keus want je bent BN-er of je bestaat niet. Het nadeel is dat als je BN-er bent en ook nog een zin met een bijzin kunt produceren je er al snel van verdacht wordt geen BN-er te zijn maar lid van een elite. Het was droef, dit nummer van de Groene. Niemand die uitlegt wat ‘elite’ is of nog is, iedereen die uitlegt dat men het niet is of dat het hoognodig weer terug moet komen zonder te melden wat er dan terug moet komen. Je kunt wel zien dat de Groene een blad van, voor en door de elite is want het leek weer nergens op. Consequent is het wel.

Toch bekroop me af en toe het gevoel dat we bij elite nog steeds aan idealen moeten of mogen denken, over iets verbindends, over iets dat de versnippering of zelfs de polarisatie te boven, kortom over een toekomst die ergens over gaat en waarvoor dan de elite in het krijt zou moeten treden. Ik bedoel, dat de Groene dat eigenlijk vindt. Nergens kwam ik tegen dat als je al van een elite kunt spreken het een elite is die niet de nood van de noodzaak maar de noodzaak van de contingentie (‘opportunisme’ en ‘schipperen’) zou moeten bepleiten en die ons van de ‘eenheid’ verlost ten behoeve van een ereplaatsje voor de ‘paradox’. Ter Braak, welzeker.

Nergens. Met dit nummer is Menno ter Braak definitief naar de mestvaalt der voltooide geschiedenis verwezen. Door de Groene. Een onverdiend lot, ongetwijfeld. Zo veroordeelt de elite van het weekblad een ooit vooraanstaand essayist over de elite. Elite? Weg ermee.

28 februari

=0=

 


Winstdeling

Of het nog altijd zo is weet ik niet, maar lang geleden betaalde je over een lening bij een volkskredietbank geen rente. Als je, zeg, duizend gulden leende kreeg je daarvan niet alles in handen. Een deel werd direct ingehouden en dat waren dan de kosten van de bank. Als je rente wilt vermijden zijn er ook andere mogelijkheden om hetzelfde te bereiken. Je noemt het gewoon kosten en je houdt het voorafgaand aan de transactie in.

Ik moest eraan denken bij de uitzending van Tegenlicht, gisteravond, met islamitisch bankieren als thema. Ook daar geen rente, en wel inkomsten voor de bank. Neem een hypotheek. De bank koopt het huis en verkoopt het kort daarna aan jou. Jij financiert het door een hypotheek op te nemen. Wel voor een hoger bedrag dan de aankoopsom die de bank moest neerleggen en in het verschil zit dan de rente die geen rente genoemd mag worden. Hoe het allemaal precies werkt werd overigens niet meegedeeld in de uitzending (over hypotheken ging het niet, over andere leningen evenmin; het ging des te meer over ‘principes’ en ‘ethiek’). Dat was een gemis, dat slechts gedeeltelijk werd gecompenseerd door de aandacht voor succesvolle vrouwelijke bankiers, in het bijzonder in Kuala Lumpur, Maleisië. Vrouwen en geld, het is kennelijk niet alleen in microkredietenland een goede combinatie. Ook daar had ik meer van willen weten en ook daar kwam het niet van. Toch, het moderne microkrediet komt op naam van Muhammad Yunus en Yunus vraagt wel degelijk rente, ook al woont hij in Bangladesh en ook al is Bangladesh een zeer islamitisch land. Als er geen onderpand beschikbaar is (zoals bij microkredieten) en als het alternatief woekerrente is, dan is het vragen van rente kennelijk wel degelijk mogelijk. De sharia heeft z’n pragmatische kanten. Of hieruit volgt dat zodra er wel sprake is van een onderpand (zoals bij een hypotheek), rente uit den boze is weet ik niet. Vermoedelijk zijn er geen automatismen. De exegeten moeten ook wat te doen hebben.

Eén van de vrouwelijke bankiers legde uit dat wat wij rente noemen bij hen ‘winstdeling’ heet. Dat is bijzonder. Het doet denken aan de klassieke politieke economie, waarin de rente als een ‘aftrek’ van de winst werd geportretteerd. In de klassieke politieke economie heette rente overigens gewoon rente, maar een aftrek van de winst en dus was het ‘delen’ in de winst. De geldverschaffer legt beslag op een stuk van de winst en noemt dat geen rente maar winstdeling. Het lijkt een woordenspel maar dat is het niet. Een spaarder die geld naar de bank brengt, een bank die geld uitleent, ze delen in het islamitische stelsel soms in de winst maar als ze dat doen delen ze ook in het verlies. Er is dan niet alleen sprake van lenen en uitlenen, er is sprake van zoiets als een deelneming (het is lastig de goede woorden te vinden als de praktijken verschillen), er is sprake van gedeelde rechten en plichten. Hun transacties zijn de onze niet zou je kunnen zeggen. Hun transacties, bovendien, hebben een lager risico, juist wanneer de partijen zowel de lusten als de lasten delen.

Ik begrijp dat islamitisch bankieren aan een flinke opmars bezig is – mede geholpen door de enorme financiële crisis van de laatste paar jaar en het wantrouwen in de handel en wandel van de westerse banken. Zo hebben ook oppervlakkige uitzendingen hun nut. Ik wil er meer van weten.

22 februari

=0=

 


Indicatoren

Met de G20 niet meegerekend bevatte de slotverklaring van de ministers van financiën en van de centrale bankiers van de uitverkoren landen negentien afkortingen van organisaties en eerdere overlegrondes. De twintigste afkorting hadden wij natuurlijk willen leveren (wij hebben plotseling de Benelux weer in de aanbieding) maar wij mochten niet meedoen. Zij hebben ons niet gemist en het is de vraag wat wij hebben gemist. De dingen die daar gebeuren staan toch niet in de krant, en ook niet in een verklaring en voor de echte zaken zijn we te veel een calimero.

De slotverklaring is geen besluit en er staan ook geen ‘targets’ in. De afkortingen garanderen de leegheid van de verklaring. Met zoveel ballast aan afkortingen valt niet veel meer dan de zaak met veel wol in te pakken en een diner te organiseren. Hebben de media, behalve ‘gespannen onderhandelingen’, ook nog wat. Onderhandelingen? Men heeft ‘economische indicatoren’ vastgesteld, daar in Parijs, afgelopen vrijdag en zaterdag. Het zouden indicatoren moeten zijn om de ‘onbalans’ in de wereldeconomie vast te stellen. En er wat aan te doen natuurlijk. Frankrijk zat voor en had bedacht dat we dan ook de wisselkoers en de valutareserves van een land moeten meenemen. Daar hadden de Chinezen geen zin in. Dan zijn we gelijk bij de belangrijkste conclusie van de bijeenkomst: de Chinezen wilden niet en het gebeurde niet.

Over indicatoren gesproken, dit is er één. De dagen van de Amerikaanse monetaire hegemonie zijn voorbij. De Amerikanen zijn er niet blij mee, mopperen en leggen zich erbij neer. Ze krijgen het loon van hun eigen starheid uitbetaald. Zij willen de internationale positie van de dollar niet in bespreking brengen en daarom willen de Chinezen hun wisselkoers niet in bespreking brengen. Zo eenvoudig is het. De andere landen staan erbij en kijken ernaar. Indicatoren, zeker, maar met economie hebben ze niet veel te maken. Wat ze daar in Parijs hebben afgesproken lijkt een beetje op de lessen die de EU uit de euro heeft moeten trekken: de schuldpositie van een land en het begrotingstekort alleen zijn niet voldoende, de verhoudingen tussen import en export moeten er ook nog bij. Het zijn geen slechte indicatoren. Ze zullen ongetwijfeld resultaten opleveren voor de echte G20 in november, de G20 van de premiers en de presidenten. Het zullen resultaten zijn die bewijzen dat je niet serieus over de ‘onbalans’ in de wereldeconomie kunt spreken zonder de wisselkoersen te bespreken en – een mens mag altijd hopen – wie weet gaan de Amerikanen overstag en zullen ze eindelijk erkennen dat een debat over wisselkoersen waaruit de positie van de dollar in het internationale monetaire stelsel is weggelaten, zinloos is. Wie over de wisselkoers van de yuan wil spreken moet over de positie van de dollar durven spreken. Dat is even slikken.

21 februari

=0=

 


Visionair

Het heeft natuurlijk met het ambt te maken. Een Minister SZW is niet geslaagd zonder een eigen visie op het beleidsterrein te hebben uitgedragen. Kamp is geen uitzondering. Zijn visie is zeer gelaagd. Het begint natuurlijk met de vergrijzing. De vergrijzing, zo betoogt de minister, heeft consequenties voor de sociale zekerheid. Neem nu de werkloosheidswet. Die is absoluut niet vergrijzingbestendig. Dat is een bijzondere gedachte en ik doe mijn best te achterhalen wat een vergrijzingbestendige werkloosheidswet in zou houden. Volgens de minister heeft het iets te maken met het feit dat straks steeds minder werknemers de premie voor de weewee op moeten brengen. Ik zou denken dat hoe minder werknemers hoe minder – bij een gelijkblijvend werkloosheidspercentage – werklozen en dus maakt dat voor de premie absoluut niks uit. Zou de minister bedoelen dat de werkloosheid een demografisch fenomeen is? Kijk, dat is nog eens nieuw licht op de zaak werpen. Werkloosheid is niet de olie van de arbeidsmarkt, het is demografie! Daar zou ik nooit opgekomen zijn. De minister wel. Ik begrijp er overigens niets van maar dat moet aan mij liggen want de journalisten van de Volkskrant die deze mening uit de mond van de minister optekenden hebben het gewoon opgeschreven. Ze zijn niet van hun stoel gevallen, ze hebben de poten onder de stoel van de minister niet doorgezaagd, dus dan moet het in orde zijn. Alleen snap ik het niet.

Wat ik er wel van begrijp is dat de minister van mening is dat de sociale zekerheid er niet is om mensen te beschermen tegen de willekeur van markt en werkgever. Dat schijnt ook een erg conservatieve opvatting te zijn en deze minister is allerminst conservatief. Hij is gewoon rechts en het verschil is hemelsbreed. De minister is van mening dat de sociale zekerheid er is om de arbeidsmarkt te dienen. Een mooie ordo-liberale gedachte, waarvan het ordo-gehalte hoger is dan het liberale gehalte. Kort: de politiek corrigeert de markt niet, de politiek corrigeert de maatschappij om tot optimale markten te komen. Inclusief uiteraard de arbeidsmarkt, de markt die echter slechts markt mag zijn voor zover het zijn functie (het ten dienste staan van andere markten) naar behoren uitoefent. Dreigt dat in gevaar te komen dan wordt ingegrepen.

De minister spreekt uit (nou ja, niet met zoveel woorden) dat tot elke prijs dient te worden voorkomen dat een krappe arbeidsmarkt ook een markt wordt. Dat zou het loon maar opdrijven en dat kan vanzelfsprekend niet. Vandaar het inzetten van de sociale zekerheid. (Stel je voor, vrijwel geen werkloosheid en dus een lage premie en een laag niveau van uitkeringen, maar ook een klein aanbod. Ja, zeg je dan als marktvriend, dan moet het loon maar stijgen en als dat er wat later toe leidt dat de wal het schip moet keren, nou, dat zij dan zo. Dat is nu eenmaal de wijsheid van de markt en een minister moet het niet beter willen weten dan de markt. Dan zorgt de werkloosheid er wel voor dat de rust op de arbeidsmarkt terugkeert.) Je kunt natuurlijk ook gewoon de grenzen openen – moet je eens zien wat er van je aanbodsprobleem overblijft. Wil de minister, zeker deze minister, ook niet. Ordo is ordo en de maatschappij is er ook nog. Tja, wat staat ons dan te doen?

Gelukkig weet elke minister het beter dan de markt als het over de arbeidsmarkt gaat en ook daarom is het geen markt – tenzij de werknemers er eindelijk genoeg van krijgen aan de kop te worden gezeurd door ministers die bij ruime arbeidsmarkt de markt inroepen en die bij een krappe arbeidsmarkt de sociale zekerheid van stal halen. Ik zie het niet gebeuren en dus zijn de ministers aan zet. Het is hun speeltje. Als er veel gebruik van wordt gemaakt zorgen we dat de toegang wordt beperkt en de uitkeringen korter en lager worden, als er krapte op de arbeidmarkt dreigt zorgen we voor een weewee die van de bijstand niet te onderscheiden is. Dan passen ze wel op, de werknemers.

Enfin, dit zijn bekende zaken en zo lang de Nederlandse vakbeweging doet alsof z’n neus bloedt komt de minister er nog mee weg ook. Bovendien, wat bedoelt de minister eigenlijk met ‘markt’, de markt die hij heeft uitgeschakeld? Ook dat is weer heel eenvoudig. Met ‘markt’ bedoelt de minister willekeur. Hij zegt het zo: ‘Wie een bedrijf begint, selecteert zelf personeel. Mijn neiging is dat als jouw bedrijf in een dip komt en je moet in omvang terug, je ook zelf mag bepalen met wie je door wilt gaan om te overleven en weer sterk te worden. Laat de markt zijn werk doen.’ De markt is de ondernemer die zelf wel bepaalt met wie hij als werkgever verder wil en met wie niet. Dat was ooit al zo – en daarom kregen we arbeidsrecht en sociale zekerheden. Voor Kamp moet het weer worden zoals het was. Hij noemt dat modernisering. Ook dat hebben de journalisten braaf genoteerd. En zeg nou zelf, modernisering is niet conservatief, partijen die niet wensen te moderniseren, die zijn pas conservatief.

Zo komen we via een omweg alsnog uit bij die onbetaalbare weewee. De werkgevers lozen hun oudjes, met de complimenten van de minister. Hebben we ten minste weer eens wat werklozen en dan snijdt het mes aan twee kanten. In de eerste plaats houdt het de anderen rustig en in de tweede plaats kun je die oudjes, juist omdat ze toch kansloos op de arbeidsmarkt zijn, uitstekend aan het werk zetten in de zorg voor weer andere oudjes want daar maakt de minister zich heus niet van af hoor! Hij zegt: ‘Van de kleinere beroepsbevolking hebben we alleen al voor de zorg voor ouderen 600 duizend mensen nodig. Dus de economie moet draaien op minder werkenden’. Zie je wel, zo moeilijk is het niet. Er zijn er minder, de minister heeft er de werkgevers zelf toe opgeroepen. En er zijn er meer nodig, en die komen er ook als de sociale zekerheid en het ontslagrecht maar worden aangepast, pardon: gemoderniseerd.

Er zijn veel oudjes en dat gaat de weewee te zwaar belasten. Daar moeten we wat tegen doen want een vergrijsde weewee moet je niet willen. Het is ook niet eerlijk want nu – nadat de ondernemer z’n zegenrijke marktwerking heeft voltooid – moeten de jonkies de premies betalen om de oudjes uit de wind te houden.

De minister hoop op gehoor bij de oppositie. Hij zei het niet, maar hij dacht aan GL en D66. Bij Rutte kondigt het zich al een tijdje aan, bij deze oppositie ook: het ordo-liberalisme is de toekomst en Kamp is er de profeet van.

19 februari

=0=

 


Kliek


De rechterlijke macht is een D66 kliek. De Algemene Rekenkamer een PvdA kliek. Was getekend: de PVV. De PVV is de club voor mensen die slachtofferrol en complottheorie niet uit elkaar wensen te houden. Voor alles is een schuldige aan te wijzen en zij zijn altijd de klos. Het aardige is dat elke uitspraak uit die hoek vroeger of later op hen terugslaat. Wat je zegt, dat ben je zelf. De PVV is een kliek.
Het woord zelf is het meest bijzondere in dit verband. Kliek. Zoals de PVV het woord gebruikt komt het neer op zoiets als een bende, een coterie, een kongsi, een incrowd. Een kliek trekt zich terug in een achterkamertje. Openbaarheid is de vijand en wat de één zegt, zegt de ander. Er is een gangmaker of leider, het bendehoofd. In een kliek bestaat geen tegenspraak, geen onderverdeling, geen discussie. Je hebt niets dan elkaar, je bent tegen de rest en wat die rest is wordt, per gelegenheid, vastgesteld zoals het uitkomt. Een kliek is geen vereniging. Wilders heeft er een stichting zonder leden van gemaakt. Dat ontslaat hem van ongewenste openbaarheid en dat is logisch want bendeleden vertrouwen elkaar niet. Een bende is niet op vertrouwen geënt, een bende is geënt op wantrouwen naar de buitenwereld toe. Die wereld moet worden geweerd. Dat is een onmogelijke opgave want de bendeleden nemen de buitenwereld mee bij aanmelding. Dat hebben we dan ook gezien en dan blijkt dat het weinig fraais is. Er zijn mensen die zeggen dat de PVV tuig binnenhaalt omdat gerespecteerde mensen zich geen kandidaat durven stellen. Dat is de omgekeerde wereld. Wie zich bij een bende aansluit moet eerst maar eens tonen dat hij of zij dat waard is en dan helpt een geschiedenis van, zeg, deelname aan het openbare debat en het hebben van een eigen mening enz. niet. Integendeel. Een bende heeft z’n eigen criteria van respectabiliteit en die wijken af van de gebruikelijke. Anders heb je geen bende en de verklaring van bijvoorbeeld Fennema dat het tuig van de PVV het product is van de boycot door de nette mensen, door de ‘elite’, is een verklaring die zo uit de PVV zou kunnen komen. Het vervelende is dat de PVV geen verklaring heeft voor wat dan ook. De PVV is z’n eigen verklaring en krijgt wat het verklaart. Meer van hetzelfde. Dat het niet helemaal lukt is niet verbazend. Zelfs de PVV heeft te maken met een omgeving die ze wel voor 99% kan verdoemen maar niet voor dat laatste procentje want ook de PVV moet z’n mensen ergens vandaan halen.
Misschien is het zelfs wel veel meer dan dat ene laatste procentje. Ook de financiering van de PVV komt ergens vandaan en niet vanuit de bende zelf. Ik vermoed overigens dat diverse leden van de kliek best eens zouden willen weten of zij met wat kliekjes worden afgescheept en dat het echte geld zich aan hun waarneming onttrekt. Het hoort erbij, maar enig wantrouwen is ook hier op z’n plek, toch?
Zelf ben ik overigens ook gewoon bijzonder nieuwsgierig naar waar de PVV z’n centen vandaan haalt. Donner moet maar snel met z’n wetsvoorstel komen.
18 februari

=0=

 


Handen schudden

De Hogeschool van Amsterdam heeft een akkefietje. Het kan niet op in de wereld van de hogescholen. Een docent, net terug van een bedevaart naar Mekka, heeft bedacht niet langer vrouwen de hand te kunnen schudden. Het heeft met zijn religie te maken. Ik twijfel daar altijd aan (de islam werkt veelal als een conditioneel als-dan regelprogramma en dan hangt het er maar van af welk ‘als’ je als de invoer voor je regelprobleem kiest – of met welke regeluitlegger je te maken krijgt) maar laat ik het nemen zoals de betrokken docent het neemt. Ik begrijp dat het CvB de zaak voorlopig rustig bekijkt, dat de directeur van de opleiding waar de docent werkt vindt dat het niet mag (ze heeft hem op non-actief gesteld), dat de medezeggenschapsraad ook van mening is dat de gelijkheid tussen mannen en vrouwen met voeten is getreden. Zelfs de burgemeester heeft al gereageerd – en hij vindt ook dat het niet kan. Of ook deze mening van de burgemeester per persconferentie wereldkundig is gemaakt weet ik niet. Het geheel van dit al noem ik de verlate triomf van Rita. Niet dat het haar politieke ambities nog helpt maar wie weet is ze er blij mee. 

Dan is ze ongetwijfeld niet de enige en dat is jammer. Uiteraard, de HvA is een instelling voor openbaar onderwijs en het is raar als binnen een dergelijke instelling een beroep op norm en consequentie van godsdienstvrijheid zwaarder zou tellen dan een beroep op de norm en consequentie van de principiële gelijkheid van mannen en vrouwen. Als de docent zou menen dat het anders in elkaar zit dan vraag ik me af wat hij in het openbare onderwijs te zoeken heeft. Of hij dat van mening is? Meneer, vindt u ook niet dat principe A in deze school voorrang heeft op principe B? En klaar ben je, want wanneer principes botsen moet wat het zwaarst is het zwaarst wegen.

Als je het principieel en alleen maar principieel wilt spelen kun je het zo doen. En als de principes elkaar helemaal uitsluiten staat je ook weinig anders te doen. In een land als Nederland, met z’n geschiedenis van verzuiling, lijkt het me onwaarschijnlijk dat er niets anders op te verzinnen zou zijn. We hebben er de nodige, moeizaam verworven, ervaring mee opgedaan om de principes de principes te laten en de zaak wat pragmatischer af te handelen. Als de docent een vrouw geen hand mag schudden volgt daar niet uit dat hij een man de hand moet schudden. Hij kan beide achterwege laten. Een buiging is ook heel beleefd, en een vriendelijke begroeting (welkom!) is evenmin kwaad. Wat let de HvA een regel vast te leggen dat in alle gevallen de gelijke behandeling prevaleert en dat de implicatie daarvan is dat als je vrouwen geen hand wenst te geven je dan ook mannen geen hand geeft? Ja, wat let de HvA?

Eerlijk gezegd ben ik bang dat alle ferme standpunten die reeds zijn ingenomen – en het non-actief dat is verordonneerd – dat gaan beletten. Los van de kwestie, er is nu prestige in het spel en iemand zal moeten inbinden. Ik zou wel een voorspelling durven doen wie dat is, maar dat is vanuit het oogpunt dat we nog wel eens met deze of met soortgelijke kwesties geconfronteerd zullen worden weinig interessant.

Zo langzamerhand kan nergens meer rustig – diverse mogelijkheden bekijkend en wegend – over worden gedelibereerd. Als we alles als strijd lezen krijgen we overal strijd over, zelfs over hoe de strijd te beëindigen. En overigens ben ik bijzonder benieuwd naar het standpunt van de burgemeester over ritueel slachten.  

17 februari

=0=

 


Gesluierd

In het verslag van NRC over het verkiezingsdebat van maandagavond staat dat CU lijsttrekker Kuiper een ‘gesluierd ja’ had laten horen op de vraag van de PVV of hij het christendom ‘beter’ vond dan de islam. De krant verbaasde zich erover: had Slob niet eerder een ‘gesluierd nee’ laten horen?

Ik verbaas me over de vraag zelf. Je kunt een Ajax-fan vragen of hij van mening is dat Feyenoord een betere ploeg heeft dan Ajax maar of het zin heeft? Je kunt ook vragen of voetbal (een religie) een betere sport is dan korfbal (een ideologie) en ook dan geef ik weinig voor de vraag. Van de PVV verwacht ik niks, van andere partijen iets meer. Naïef, dat blijkt maar weer. Mij viel op dat Kuiper zijn sluier gebruikte om erop te wijzen dat het christendom beter was omdat het de liefde van Jezus kende. Dat hebben die moslims mooi niet, die liefde,  en daarom staan ze op achterstand. Niemand die zei dat Kuiper daarmee nog een wereldgodsdienst op achterstand zette, terwijl de CU zich daar toch zeer mee verbonden acht. Jammer, het had nog een interessante uiteenzetting over de woestijn als religieuze broedplaats op kunnen leveren. Het doet er kennelijk allemaal geen bal toe. De PVV werd de vraag bespaard of die partij niet van mening is dat uitgerekend de religie van de Bergrede het zo verderfelijke dhimmigedrag oproept, het gedrag dat het gehele westen uitlevert aan de agressie van de islam. En dat daar eens wat aan gedaan zou moeten worden, dat in de allereerste plaats. Nee, die vragen niet, het zou de zaak maar compliceren. In de Nederlandse politiek is alles geoorloofd, behalve nadenken. Nadenken is elitair en dat kost stemmen. Het is, ook niet onbelangrijk, een vaardigheid die je van de moderatoren bij een debat al lang niet meer kunt eisen. Ik ben aan het werk, zal Ferry Mingelen zeggen, en dus heb ik daar nu geen tijd voor. Nadenken is voor na de uitzending.

De enige sluier in de Nederlandse politiek is de sluier over het nadenken. Meer dan een sluier; het is een complete boerka. Geen hoofddoekje, geen chador, een boerka. Heel functioneel, als je weet wat het is. Daarom, laten we van de gelegenheid gebruik maken en eindelijk eens het eeuwigdurende misverstand over wat een boerka is en wat een chador, uit de wereld helpen. Een boerka is een politiek programma, een chador een onhandige gewoonte. Dat is het en dat is het verschil. Heel eenvoudig, ook voor politici te begrijpen. Vanuit de chador kijkend is de boerka een onding, vanuit de boerka kijkend is alles gesluierd. Zo schieten we op.

Ik werd helemaal blij toen de PVV lijsttrekker aan het eind van de uitzending Marleen Barth van de PvdA toeriep dat de PVV voor verplegers was en de PvdA voor veelplegers. De schat. Hij had het uit het hoofd geleerd, thuis voor de spiegel geoefend en geoefend, het met Martin Bosma nog voor de uitzending afgestemd, er tijdens de uitzending steeds maar geen plekje voor weten te vinden en dus moest het aan het einde nog even omdat het nou eenmaal moest. Mosterd na de maaltijd. Opboeren. Betere kwalificatie voor een overbodig debat kan ik even niet bedenken. Er hing een grauwsluier over.

16 februari

=0=

 


EVRM

In Nederland houden we ons aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Daarin is ook, in artikel 8, de privacy geregeld. Dit staat er: “1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”
Zou Simonis ook het tweede lid van dit artikel kennen? Je zou vermoeden dat als hij het al heeft gedaan hij het belang van een priester groter achtte dan het belang van parochianen – in dit geval zeer jonge parochianen. Ja, zegt Simonis nu, maar de priester had zich laten behandelen en dat was goed afgesloten. Hij zou voortaan met z’n handen van jonge jongetjes afblijven. Het recht op privacy van de priester is groter dan dat van de kindertjes en hun ouders. Dat is een wel bijzonder particuliere opvatting en een opvatting die nergens door het EVRM wordt ondersteund. De kerk heeft een rechtssfeer die immuun is voor de buitenwereld. Blijkbaar. Een sfeer die ook het recht geeft zich op de buitenwereld te beroepen als het de kerk goed uitkomt. Een passe-partout. Want, zegt Simonis, begin jaren negentig dachten we anders over recidive dan nu. Nu zijn we minder goedgelovig.

Dat kan wezen maar een goedgelovige dienaar van de kerk is toch wel wat erg veel van het goede. Dat uitgerekend Simonis zich hier op beroept (in zijn antwoord op de vragen van NRC) is raar. Het is ook stuitend: een ontkenning van de zondige mensen die wij nu eenmaal zijn, volgens zijn catechismus dan, en een ontkenning van het feit dat priesters ook onder die catechismus vallen. Ben je priester dan gelden andere wetten. Inderdaad, een passe-partout. Simonis draait. Hij is de zondaar die in de zonde volhardt. De zonde van de ontkenning.

Simonis gaat van kwaad tot erger. Nee, dan Antoine Bodar. Die heeft zijn les van de paus beter geleerd. De priesters zijn in de fout gegaan door de tijdgeest! Die was nu eenmaal heel anders in de jaren zeventig en zo. Het probleem zit niet in de kerk maar in de kerk die een kind van z’n tijd is. Dat is geen excuus – Bodar was gisteravond in DWDD veel strenger dan Simonis (tot hij zoals te doen gebruikelijk werd overschreeuwd door Jan Mulder, de vrijheid gegeven door een op de achterbank meeliftende, er het zwijgen toe doende Matthijs van Nieuwkerk) – maar blijkbaar wel een verklaring. Raar is het wel. De tijdgeest nu is dat je niet eens meer een onderscheid kunt maken tussen een pedofiel en een pedoseksueel (vorige week een interessant artikel in De Groene over pedofilie en de ‘tijdgeest’ die het doen van onderzoek ernaar vrijwel onmogelijk maakt) omdat het allemaal te verdorven voor woorden is en ziet: de kerk is het er opnieuw, bij monde van de paus en Antoine Bodar, mee eens. Als de tijdgeest maar streng genoeg springen zelfs de priesters niet uit de band. Zo heft de kerk zich op: de kerk spreekt de tijdgeest en wat de kerk doet wordt verklaard door diezelfde tijdgeest. In die verklaring verdwijnt het ambt en met het ambt het mysterie en met het mysterie het geloof. Dan is zelfs de laatste reden vervallen om deze kerk niet direct, onverkort en onmiddellijk onder hetzelfde strafrecht te brengen als waar de tijdgeest om vraagt. En onder het EVRM natuurlijk, zelfs als Simonis het blijkbaar even vergeten is.

15 februari

=0=

 


Ouderszorg

Als we ouderenzorg zeggen bedoelen we eigenlijk ouderszorg en omdat we die zorg zelf niet meer verlenen maar het overlaten aan zorginstellingen schamen we onszelf, we voelen ons schuldig en vinden de ouderenzorg maar niks. Steeds duurder en steeds minder kwaliteit. De zorg was ooit ‘Gemeinschaft’ en we hebben er ‘Gesellschaft’ van gemaakt. In die verandering is de zorg van een relatie tot een product geworden, de zorg is verzakelijkt en bureaucratisch geworden. Niemand herkent zich er nog in. De warmte is eruit, het toezicht is er voor in de plaats gekomen en omdat we het zaakje niet vertrouwen komt er nog meer toezicht. Als de regel niet werkt krijgen we nog een regel. Het loon van de angst. We hebben het zelf gedaan.

In de enkele zinnen hierboven heb ik een paar elementen achter elkaar geplaatst uit een stuk van Han Noten (Toezien in de zorg – de macht van angsten en de kracht van vertrouwen, in Socialisme&Democratie 2011/1-2: 65-75). Het stuk is een bewerking van twee lezingen van Noten, voorzitter van werkgeversvereniging ActiZ en lid van de Eerste Kamer. Als ik lees dat de mensen vroeger zelf voor hun ouders zorgden ben ik altijd zo benieuwd hoe dat was. Of het goed was, zorgzaam, liefdevol. Of juist niet, of soms wel en soms niet. Vermoedelijk is het beeld heel gemengd, net zoals het beeld van de overigen in een dergelijk huishouden, van hen die de zorg leveren. Er zijn culturen waar het voor schoondochters niet leuk is omdat het voor de oudste vrouw des huizes wel allemaal in orde is. Dochters en schoondochters, die mochten het doen. Voor je ouders zorgen betekende traditioneel nogal eens bij hen inwonen in een ondergeschikte positie en maar wachten tot je zelf de heer des huizes mocht spelen. Of geld genoeg had om een eigen huishouden te beginnen. Mensen die hun ouders nooit verlaten zijn nogal eens mensen die weinig te kiezen hebben.

Ik vraag me ook altijd af wat mensen doen die kunnen kiezen: of zorg door hun huisgenoten en geliefden of zorg door een buitenstaander, een verpleegster of verpleger, een dienstbode of bediende voor 24 uur per dag. Ik zou er in elk geval niet vanuit gaan dat de ‘Gemeinschaft’ teruggehaald zal worden als de ‘Gesellschaft’ het maar zou toestaan. Ik zou er ook niet naar streven, al was het maar omdat hier op een wel heel curieuze manier twee ontwikkelingen aan elkaar worden gerelateerd: de ontwikkeling dat mensen in steeds meer verbanden functioneren die hen geen van alle geheel opslokken en de ontwikkeling dat afhankelijke ouderdom je steeds meer op jezelf terugwerpt, ten koste van de meeste van die verbanden. Hoe die ontwikkelingen op elkaar af te stemmen is een heus vraagstuk. Wat het met schuld en schaamte te maken heeft? Niets – tenzij je altijd al schuldig en beschaamd was.

Wat ik mezelf van die zorg herinner is dat mijn moeder toen ze nog geen zorg nodig had zwoer dat ze nooit bij haar kinderen zou willen wonen – daar had ze te veel en te vaak slechte voorbeelden van gezien. Of ze daar ook mee op haar blinde moeder doelde (die bij drie van haar dochters in huis had gewoond en er uiteindelijk zelf een eind aan maakte) weet ik niet. Het moet haast wel. Twee keer was het niet goed gegaan, bij de derde dochter (plus man plus zoon) had ze een warm thuis gevonden, dacht ik. Niet genoeg om te willen blijven leven. Aan de andere kant, er is nooit een hard woord over gevallen. Alsof iedereen er vrede mee had. Toen de moeder van mijn vader overleed waren diens kinderen, eigen en aangetrouwd, het snel eens. Vader moest naar een bejaardenhuis. Zelf had hij er niet veel over te vertellen. Of hij gehoopt had bij één van zijn kinderen te worden uitgenodigd weet ik niet. Hij legde zich er bij neer en sloot vrede met zijn nieuwe bestaan. Met zijn zus liep het slechter af. Tante Jans had geen man, geen kinderen. Ze viel een keer in haar huis, werd na enige tijd naar het ziekenhuis vervoerd en dat was het dan. Genadig, vergeleken met haar vriendin die helemaal kind noch kraai had en op een gegeven moment in een tehuis belandde. Ik ben er wel eens geweest om haar namens tante Jans iets te brengen. Ze woonde op een slaapzaal, waar het stonk. Er was weinig van haar over. Haar mooie krullen waren pieken geworden, ze was niet aangekleed en de glimlach was verdwenen. Niet ik schaamde me, maar zij. Het was pijnlijk. Ze is er niet lang geweest. Ze overleed, waarom en waar aan weet ik niet.

Niet om opgewekt van te worden en dat werd mijn moeder ook niet. Ik geloof dat ze vond dat opa het nog het beste had gehad maar die opvatting hield ze uiteindelijk niet vol. Toen puntje bij paaltje kwam, toen ze niet langer zelfstandig kon wonen, wou ze liever bij één van haar kinderen maar die had wel wat anders aan z’n hoofd. Hij was haar favoriete zoon en ze had een hekel aan zijn vrouw. Dat lot deelden haar andere schoondochters, in wisselende mate. Geen formule om het zelfs maar te overwegen. Van haar kinderen moest ze het niet hebben – een klacht die ze voor zover ik kon nagaan in brede kring heeft geuit. Als ik Noten goed begrijp zou ik me daar zowel schuldig als beschaamd over moeten voelen. Merkwaardig, ik kan die gevoelens niet vinden – en overigens gaat het om wel twee heel verschillende gevoelens. Bij Noten zie ik er amper verschil tussen. Waarom niet?

In Nederland wordt veel ´mantelzorg´ verleend, het functionele equivalent voor wat ooit ´in huis nemen´ was, met daarbij de vraag natuurlijk wie nou wie in huis had genomen. Dat is zorg naast de professionele hulp, niet in plaats ervan. Althans in principe, in de praktijk kan het tegenvallen. Mantelzorg kun je niet kiezen en er zijn ook geen vouchers voor. Het gebeurt omdat mensen andere mensen helpen. Dat kan uit plichtgevoel zijn, uit liefde, omdat je het nu eenmaal doet, omdat iedereen wel eens iets moet doen, enzovoorts. Ouders en schoonouders scoren hoog op de lijst van activiteiten in de mantelzorg. De meeste mensen doen het naast een baan, sommigen combineren het ook nog met vrijwilligerswerk. Je kunt het tegen heug en meug doen – en met een tevreden gevoel terugkomen. Je kunt het vrolijk doen – en ontredderd terugkomen. Maar hoe dan ook, ik neem aan dat het niet met minder gevoel en warmte gebeurt dan voorheen en ik neem zelfs aan dat het met meer gevoel gebeurt juist omdat mensen niet compleet aan elkaar zijn overgeleverd. Ouderenzorg en mantelzorg zijn bij elkaar een stuk beter dan de ´ouderszorg´ waar Noten van droomt. In elk geval, voor zover mijn eigen ervaring strekt en helemaal zonder ervaring ben ik niet.

Nog altijd vind ik het een vooruitgang dat de verzorgingsstaat erin is geslaagd de staat van afhankelijkheid die ouderdom in toenemende mate is te verzachten. De idee dat we dat moeten afbouwen in naam van een ´imagined community´ die nooit bestond maar vooral weer terug zou moeten keren is een onjuist idee. De professionele zorg moet beter, ongetwijfeld. Zorg is altijd een drieslag. Het gaat om de relatie tussen de zorgverlener en de verzorgde, het gaat om de kwaliteit van zorg en zorgverlener en het gaat om de kosten. Zeg maar, in direct medisch verband, om de huisarts (voor wie je een persoon bent), om de specialist en het ziekenhuis (waar de patiënt geen persoon is maar een serie aandoeningen), en de zorgverzekeraar (voor wie je een account bent). Care, cure en cost, in verschillende doseringen en accentueringen. Bij Noten heb je de indruk dat hij die dingen niet uit elkaar heeft gehouden en dat is jammer want het oprukken van specialisatietjes en kosten in de directe zorgrelatie heeft velen van de thuiszorg vervreemd en velen die ervan afhankelijk zijn in de kou gezet. Meer handen aan het bed roept men dan, terwijl het misschien helemaal om die handen niet gaat, maar om meer oren en ogen. Om aandacht. Ook dan, juist dan, zou ik zeggen, gaat het om competente zorgverleners, zij het dat ze wat anders competent zullen zijn dan nu. Zorg in de persoonlijke zin van het woord is, zou je kunnen zeggen, geen kwestie van de minuten per verrichting die we er nu van hebben gemaakt, zorg is een kwestie van tijd. Tijd is aandacht, geen verrichting.

14 februari

=0=


ICA

Het Islamitisch College Amsterdam gaat dicht. Een tijdje ging het goed, toen kwamen de scherpslijpers en ging het slecht. Dat was wat ik oppikte, gistermiddag, luisterend naar het tweede deel van de uitzending over het college door het onvolprezen radioprogramma Argos. Diverse docenten, bestuurders en leerlingen schetsten een beeld van een school die steeds minder een school werd en steeds meer een in zichzelf gekeerde overtuiging. Ten koste van leerlingenaantallen en kwaliteit van het onderwijs.

Een aantal ouders overweegt nu, aangevuurd door deels dezelfde scherpslijpers die eerder de school in z’n achteruit hebben gezet, over te gaan op thuisonderwijs. De wethouder is tegen, maar heeft, zo las ik in de krant (Trouw, de Verdieping, gisteren), juridisch geen poot om op te staan. Als de ouders een privé school willen oprichten dan kan dat, een vergunning om een school te hebben is makkelijk te verkrijgen, een mandaat om ook werkelijk een school te runnen is afhankelijk van het voldoen aan kwaliteitseisen. Met thuisonderwijs is het anders. Daar hoef je namelijk geen school voor te hebben, daarvoor moet een school ontbreken. Merkwaardig maar waar. De onderwijsvrijheid gaat ver, en de minister is tevreden dus waar hebben we het over?

Als je als ouder ontheffing van de leerplicht vraagt om thuisonderwijs te verzorgen, dan krijg je die ontheffing als er binnen een straal van een aantal kilometers geen school te vinden is die voldoet aan jouw eisen van orthodoxie. En als je daarna met andere ouders die hetzelfde probleem op dezelfde manier hebben opgelost een bondje sluit om het gezamenlijke kroost in het buurthuis enige nuttige kennis van wat dan ook bij te brengen, dan kan dat en dan mag dat. Misschien functioneert het als een private school maar het heet niet zo en dan is het ook niet zo. Noem het keetleren.

Het is een oude kwestie: van wie zijn die kinderen nou eigenlijk? Met de pacificatie hebben we besloten dat de kinderen in de eerste plaats van de ouders zijn. Dat was in naam van de vrijheid van godsdienst. Wij hebben een strakke koppeling aan weten te brengen tussen onderwijsvrijheid en godsdienstvrijheid. Dat kan ook anders – het stelsel hier is per slot tamelijk bijzonder. Het zou ook wel prettig zijn als we daar minder strak en krampachtig in waren – maar dat is een probleem dat onoplosbaar is met het CDA, dat het wel best vindt dat je van mening kunt verschillen over wat een godsdienst is, zolang hun onderwijsvrijheid niet bedreigd wordt. Ik zou vermoeden dat politiek Nederland het CDA de wacht zou moeten aanzeggen: je hebt onderwijsvrijheid of je hebt het niet en als jullie het motief voor die vrijheid – levensovertuiging – zo gemakkelijk verkwanselen voor een bord linzen dan bestaat die afspraak, die pacificatie, niet meer. Dat is de politieke kant.

 

Ik vermoed echter dat het de Amsterdamse wethouder Asscher helemaal niet om godsdienst gaat. Het gaat niet om godsdienst omdat het om de opvoeding gaat. Het gaat nu niet om de vrijheid van onderwijs en de godsdienst, het gaat om de vrijheid van onderwijs en de opvoeding. Kort: de ouders hebben te veel te zeggen en dat is zo af en toe knap onhandig. Voor de wethouder. We zoeken een oplossing. Dat is de juridische kant. Asscher loopt hard. Kinderen moeten vroeger naar school, deels in de vakantie naar school, en steeds omdat het anders niet goed gaat en het gaat niet goed als het van de ouders moet komen. De achterstanden komen door de ouders, door de opvoeding van de ouders. Of het nu om het basisonderwijs gaat of om het ICA, dat punt is de constante. In het beleid van Asscher neigt onderwijs naar jeugdzorg en jeugdzorg heeft steeds meer bevoegdheden nodig en steeds meer middelen, om als het zo uitkomt de ouders op afstand te zetten. Niet de kinderen zijn het probleem, hun ouders zijn dat.

Of de kinderen daar beter van gaan leren weet ik niet. Dat ze op z’n minst met een fors loyaliteitsconflict worden opgescheept, daar twijfel ik niet aan. Asscher heeft met z’n dreiging over de rechter de zaak op scherp gezet, en in de prestigesfeer getrokken. Misschien is het nu nog bluf. Zet hij door, dan gaat hij het verliezen, zegt onderwijsrechtexpert Paul Zoontjens. Dat zou best kunnen.

Het debat over onderwijsvrijheid wordt steeds oneigenlijker. We hebben nu een minister die om haar onderwijsvrijheid uit de wind te houden segregatie accepteert, en we hebben in Amsterdam een wethouder die een aantal ouders incapabel acht. Dat is segregatie in de praktijk. Op de Veluwe toestaan wat je in Amsterdam verbiedt. Omdat je op de Veluwe niet aan die ouders kunt komen en in Amsterdam wel? Er gebeurt veel in naam van de kwaliteit van onderwijs.

13 februari

=0=


Rechten

Trouw berichtte gisteren over een recente publicatie van het wetenschappelijk instituut van het CDA over de ziektekosten, in het bijzonder die voor langdurige zorg. De AWBZ dus, of althans wat er nog van over is. Dat dient te worden ontmanteld want anders is het in 2060 niet meer te betalen. Wat is het probleem? Het probleem is dat mensen rechten hebben en dat ons dat te veel gaat kosten. Daarom nemen we hen die rechten af, stellen er een aantal voorzieningen voor in de plaats, laten de mensen zelf kiezen uit die voorzieningen en als het op is, is het op. Waarom is het nodig in de AWBZ? Omdat dat nog een recht is, een recht op zorg, en omdat hoe meer mensen 80 jaar en ouder worden hoe meer de zorg en langdurig en heel duur wordt. Het probleem is dat mensen steeds ouder worden, dat hoge ouderdom problemen met zich meebrengt die onoplosbaar maar wel kostbaar zijn en waarvan we aannemen (het rapport van het instituut neemt dat stilzwijgend aan) dat we ze nooit onder de knie zullen krijgen en voor zover we ze onder de knie krijgen, tot nieuwe problemen leiden die het leven wel verlengen maar de zorg niet goedkoper zullen maken. Er worden steeds meer mensen zo oud en hoewel de wet ook daar voor bedoeld was meent het wetenschappelijk instituut van het CDA dat dit toch de bedoeling niet kon zijn. Vier auteurs schreven voor het Europese wetenschappelijke bureau van de christendemocratische partijen het rapport ‘Health Care Reforms in an Ageing European Society, with a focus on The Netherlands’ (Van Asselt, Bovenberg, Gradus en Klink; Centre for European Studies, 2010). Geheel conform de filosofie van Bovenberg wordt de zorg voor de langdurige zorg overgedragen aan de familie. Dat gebeurt al, zeggen de auteurs tevreden, met name in de Middellandse Zee naties en in de nieuwe EU leden uit Oost Europa. Daar was het altijd al zo en hoewel de commercie ook daar oprukt, de staat doet dat niet. Er zijn geen rechten, behalve in Nederland. Dat kan niet.

Er was eens een recht en tegen de tijd dat je er gebruik van denkt te moeten maken wordt het recht ingetrokken en krijg je een voucher. Je krijgt geen hulp want dat is te duur. Je had namelijk recht op professionele hulp, op hulp in natura. Dat is niet efficiënt en daarom krijg je in de toekomst een bedragje en daarmee mag je zelf inkopen. Echt geld. Niks betutteling door een arts of een verpleegkundige die altijd alles beter denken te weten. Jij, als zorgconsument, weet toch zelf wel wat goed voor je is? Nou, dan mag je het ook zelf inkopen. Je hebt het maar voor het uitkiezen. Inkopen? Inkopen en je mag zelf beslissen waar je het bedragje aan uitgeeft. Ik zou er maar zuinig op zijn dan heb je misschien gedurende het hele jaar wat. Dit is, in kort bestek, de inhoud en de aanbeveling van het rapport. De familie, de hoeksteen van de samenleving. Broodnodig want de samenleving is je familie. Op anderen hoef je niet te rekenen en op de staat al helemaal niet.

Bij de sociale zekerheid (de ww bijvoorbeeld) had je ook ooit rechten. Overkwam je iets dan werd je gecompenseerd. Je kreeg een uitkering en die kon je zelf besteden. Leek me heel redelijk. Bij een werkloosheidsuitkering heb je het over mensen die buiten hun schuld ergens in verzeild zijn geraakt en dat zal hun oordeel en hun vermogen om verstandige beslissingen te nemen niet hebben aangetast. Ze weten wat goed voor hen is. Maar nee, daar zien we de omgekeerde beweging. Ze weten het niet. Anders waren ze toch niet in de problemen gekomen? Nou dan. We helpen ze, door hen de zorg voor zichzelf uit handen te nemen. De ww en de arbeidsongeschiktheidsregeling en de bijstand worden zo geactiveerd dat er voor de werkloze en werkzoekende hooguit een zakcentje overblijft en de rest wordt besteed aan allerlei nuttige zaken waar anderen dan hij over beslissen. Die weten namelijk beter wat goed voor hem is.

Het zijn opmerkelijke omkeringen. Waar mensen geholpen moeten worden mogen ze zichzelf leren helpen, waar mensen zichzelf kunnen helpen wordt hen dat uit handen genomen in naam van hun flexibele inzet waar ze vooral niet zelf over mogen beslissen. Er is echter één constante: wat ooit rechten waren is veranderd in voorzieningen waarvan we maar moeten afwachten wie ermee aan de haal gaan.

11 februari

=0=

 


Maasland

Nu minister Kamp moet bezuinigen op re-integratie en arbeidsbemiddeling is hem een geniale gedachte ingevallen: de jongens en meisjes moeten het zelf maar opknappen! Men noemt deze gedachte geen gedachte maar een model: het Maaslandmodel. We hadden het Rijnlandmodel, we krijgen het Maaslandmodel. Het Maasland heeft er niets mee te maken, het Rijnland wel want we willen iets anders dan het Rijnland. Het Maasland is niet interessant vanwege het contrast met het Rijnland, het is uitsluitend dat contrast. Geretoucheerd, de werknemers zijn amper nog herkenbaar. Desondanks, het is merkwaardig want het Rijnland hadden we afgeschoten omdat werkgevers en werknemers er zo goed in waren geslaagd om gemene zaak te maken op kosten van de publieke kas. Gevolg: we weerden de werkgevers en werknemersorganisaties van het gehele terrein, van de WAO tot en met de re-integratie en de arbeidsbemiddeling. Ze hadden hun rechten verspeeld. Dat was ferm. Sindsdien hebben we een ‘keten’ zonder de uiteinden van de werkgever en de werknemer en die keten werkte niet goed. Dat kon ook niet omdat de partijen om wie het ging onbevoegd waren verklaard. Wel leverde het ons een eindeloos gemier op met arbeidsbureaus, uitkeringsinstanties en re-integratie. Het hielp niet want het kon niet werken maar ministers en parlementsleden dachten dat het niet lag aan de geaborteerde keten maar aan de organisatie. Daarom volgde reorganisatie op reorganisatie en nu heeft de minister bedacht dat het te veel kost en dat daarom werkgevers en werknemers weer mogen meedoen. Het is het Rijnlandse model in tijden van een dreigende tekorten op de arbeidsmarkt en we noemen het het Maaslandse model omdat we de herinnering aan toen zo onaangenaam vinden. Niettemin, het is niet het model dat anders is, het zijn de omstandigheden. Het Rijnland kwam onder water te staan toen de kaalslag in de Nederlandse economie, in het bijzonder in de jaren tachtig, de werkgelegenheidsvooruitzichten tamelijk verduisterde. De klappen vielen – net als vandaag – in de maakindustrie en in de collectieve sector. De kabinetten Lubbers meenden daarvoor de oplossing te hebben in het op zo ongeveer elk denkbare manier vervroegd laten uittreden van ouderen – opdat jongeren nog een kans zouden krijgen. Dat was kortzichtig en tot op de dag van vandaag zitten we met de gebakken peren. Het liep fout omdat werkgevers en werknemers voor de mensen die geloosd moesten worden de financieel zachtste ontsnappingsroute wisten te vinden. Dat werd te duur en dus kreeg niet het beleid de schuld maar de sociale partners. Exit Rijnland. Met de omzetting in de jaren negentig werd het accent verschoven van werkgelegenheid naar participatie. Iedereen moest meedoen want er dreigden helemaal geen overschotten en dus werkloosheid, maar tekorten en dus meer banen dan mensen. Dan zijn we in het Maasland terechtgekomen. De werkgevers en werknemers moeten weer meedoen om iedereen die even buiten de boot zou kunnen vallen zo snel mogelijk te verschepen naar nieuw werk. Ere wie ere toekomt: het is het CNV (CNV Vakmensen) dat ons het Maasland op een presenteerblaadje heeft aangeboden. Overigens: de naam circuleerde al eerder (Wout Buitelaar heeft het morele copyright op zijn naam, zie W. Buitelaar, red., DSM; Portret van een Maaslandse reus. Amsterdam, Mets & Schilt n.d.: 80-120), maar dan wel in verband met een medezeggenschapsmodel – en het is precies die medezeggenschap die in het CNV plan wel erg zwak ontwikkeld is. Dat zal de minister ongetwijfeld bevallen maar dat is nog geen reden er blij mee te zijn.

Het CNV heeft een plan voor de boventalligen respectievelijk overtolligen. Het idee is simpel. De WW wordt direct ingezet om mensen van de ene naar de volgende baan te bemiddelen. De schaal is de regio en dus moeten in het bijzonder de werkgevers regionaal gaan en leren samenwerken. Er zijn al voorbeelden via poortwachtercentra (begonnen in Noord Holland Noord maar ook elders populair geworden) en in initiatieven zoals in Hardenberg, Overijssel. Donner vond het vorig jaar ook al zo’n aardig idee. Hij schreef in zijn arbeidsmarktbrief: “Een voorbeeld daarvan is om werknemers die met ontslag worden bedreigd tijdig aan ander werk te helpen: van-werk-naar-werk. De ontwikkeling van het zogenoemde Maaslandmodel van CNV Vakmensen is wat dat betreft illustratief. Bedrijven kunnen hierbij een stapje extra zetten bij het aan het van-werk-naar-werk helpen van hun werknemers in
het netwerk van bedrijven in de regio en de sector. Dit heeft vooral meerwaarde voor werknemers die niet snel zelf ander werk vinden en daardoor het risico lopen langdurig werkloos te worden. Juist de huidige arbeidsmarkt vraagt om mobiliteit, ook tussen sectoren,
van met ontslag bedreigde werknemers en werklozen naar vacatures die er (elders) zijn.
Regio’s en sectoren vragen om experimenteerruimte en willen WW-uitkeringsgeld in kunnen zetten om werklozen en met werkloosheid bedreigden beter aan ander werk te kunnen helpen. Dit verzoek komt bijvoorbeeld van het Transfercentrum “De Noaber” in Hardenberg.”

Mooi allemaal, maar er zijn drie vuiltjes. In de eerste plaats blijft men zeulen met mensen die het minst mobiel zijn en daarom ook het minst in staat zijn zelf een vuist te maken. De consequentie is dat het eerst fout moet gaan en dat daarna wordt gekeken wat er nog te repareren is. Het paard achter de wagen dus. Ten tweede komt van zeggenschap van de werknemers niets terecht. Het zijn bedrijven en werkgevers die de mensen mogen aanwijzen die verplaatst moeten worden. De werknemers en hun vertegenwoordigers staan daar buiten. En in de derde plaats zal het niet helpen want het plan is gevat in de beeldvorming van een arbeidsmarkt waar binnenkort te weinig ‘handen’ zullen zijn. Een beeldvorming waarin niet de handen maar de ‘ogen, oren en stem’ centraal komen te staan (geen poppetjes maar vaardigheden) ontbreekt. Dat is jammer want als je een poppetje verplaatst komen er niet meer poppetjes. Maar als je de vaardigheden goed gebruikt worden die beter en nemen toe. De verantwoordelijkheid daarvoor kun je maar beter niet bij de werkgevers laten. Die hebben er tamelijk eenzijdig gebruik van gemaakt en dat is de basis van het probleem. Toen, en nu. CNV Vakmensen en de ministers Donner en Kamp willen dat best zo houden. Dat is pas verspilling, zou ik zeggen.

Het Maasland is het Rijnland zonder de stem van werknemers. Curieus is het wel. Je zou verwachten dat bij een dreigend tekort de stem van de werknemers steeds zwaarder zou tellen. Er blijkt niets van. Nee, dat Maaslandmodel is er hooguit voor een korte termijn waaruit het perspectief op de lange termijn kundig is verwijderd. Toch zonde.

10 februari

=0=

 


Sputteren

Zou de kogel door de kerk zijn? Sarkozy en Merkel hebben een plannetje in de week gelegd om de euro eindelijk eens van de instituties te voorzien waardoor het een echte munt kan worden. Het gaat om harmonisatie van vennootschapsbelasting, van pensioenleeftijden en ook nog een verbod op inflatiecorrectie en dus gaat het ook om de arbeidsmarkt. Een beetje fiscale integratie daarom en een zoveelste poging om de arbeidsmarkt wat Europeser te maken – maar dat blijft een lapmiddel. Niettemin, die integratie is althans een eerste erkenning dat je geen gemeenschappelijke munt kunt hebben en de rest kunt laten voor wat het is. Rutte sputterde over de belasting (je bent een ondernemingsparadijs of je bent het niet meer) en over de pensioenen (de aanvullende pensioenen dan, de AOW zal hem een zorg zijn). Leterme, op zijn beurt, sputterde over de inflatiecorrectie want die staat in België steviger dan België zelf. De kleintjes, ze moeten nog leren dat als je wilt aanschuiven het couvert niet gratis is. De tijd zal het ze wel leren, als hen althans de tijd wordt gegund.

Het gaat langzaam maar het gaat. De euro is een Europese munt en dat eist een rol voor de EU die niet samenvalt met de rol van de ECB. Hoe dat eruit komt te zien hebben Sarkozy en Merkel nog niet onthuld. Vermoedelijk weten ze het ook niet. Ze weten dat het zo niet langer gaat en dat is al heel wat. Spannend is het wel en wie weet moet nu eindelijk ook De Jager eens wat meer zeggen dan hij tot dusver heeft gedaan (Merkel napraten – en dat kan nu even niet). Misschien moet De Jager De Groene van afgelopen week eens lezen en dan in het bijzonder het lange artikel van Paul Krugman (‘Is Europa te redden?’).

Volgens Krugman zijn er vier manieren waarop EU kan omspringen met de crisis van de euro. Drie daarvan zijn slecht, één is goed. Krugman is econoom, dus er is altijd wat te kiezen maar slechts één keus leidt tot resultaat. Het heet keuzevrijheid. Dit terzijde. De eerste slechte manier is doorgaan met wat al aan de gang is. De tweede manier is de herstructurering van de schulden van landen als Ierland, Griekenland enz., de derde is de Argentijnse manier (wanbetaling en devaluatie – binnen het eurogebied betekent dit dat sommige landen uit de euro zullen stappen). Alle drie leiden tot rampspoed en meer rampspoed. De vierde manier is verder met de europeanisering. Hij noemt euro-obligaties als een bescheiden voorbeeld. Merkel en Sarkozy hadden het daar niet over maar zetten toch een voorzichtig stapje vooruit – al wist Krugman dat nog niet toen hij z’n artikel schreef.

Ik denk dat Krugman gelijk heeft. Jammer is alleen dat hij de rol van de VS in dit geheel verwaarloost. De financiële crisis heeft veel met de VS te maken, het voortwoekeren ervan in Europa ook met de euro. Dat is correct maar daar houdt het verhaal niet op. Krugman had het niet alleen over de euro moeten hebben maar ook over de dollar en over de monetaire politiek van de VS waarin nog altijd onbekommerd misbruik wordt gemaakt van de spilfunctie van de dollar. Adembenemende tekorten in de VS, mede mogelijk gemaakt door de dollar. Zou toch eens iets aan moeten gebeuren maar Krugman blijft (niet in dit artikel maar wel in zijn vele columns in de New York Times) hardnekkig pleidooien afsteken voor meer bestedingen in de VS, en dus voor meer tekorten. Europa moet inderdaad besteden – maar de VS moet dat niet. Europa moet de VS aan de tand voelen over de rol van de dollar – en die aanbeveling ontbreekt bij Krugman. Dat is jammer. De euro heeft niet slechts meer Europa nodig. De euro heeft ook een andere dollar nodig.

Het zou mooi zijn als Rutte ook daar eens over zou sputteren. Of, voor mijn part, De Jager. Heeft die ook eens een eigen geluid.

9 februari

=0=

 


Apart

Handig, een goede arbeidsdeling. In het Ministerie van OCW gaat de minister over het onderwijs, de staatssecretaris over cultuur. Cultuur is met de huidige staatssecretaris een kwestie van de meeste stemmen gelden en de minister volgt dat. In het onderwijs gaan de meeste stemmen sinds jaar en dag naar een scheiding van witte en zwarte scholen want zo kiest wit. Daar kunnen de betrokkenen goede redenen voor hebben en dat het gevolg segregatie is niet een bedoelde uitkomst maar wel een uitkomst. Dat die redenen vaak goed zijn, dat heeft nu exact te maken met het feit dat onderwijs en opvoeding geen gescheiden werelden zijn. Het is aan de overheid om de onbedoelde segregatie-effecten tegen te gaan en op z’n minst te verzachten want zoals het nu is hebben sommige ouders wel en andere ouders geen of veel minder keuzevrijheid. En zeker politici die op de bres staan voor hun maatschappelijk middenveld zouden een opvatting van de overheid moeten hebben waarin deze, in naam van het publiek, optreedt om onwenselijke onbedoelde effecten zoveel mogelijk ongedaan te maken.

De minister had het, ‘als christendemocraat’, over de vrijheid van onderwijs en daar hecht ze aan. Ja, ze hecht ook aan elkaar ontmoeten en zo maar dat is niet iets waar ze zich ‘als minister’ nog druk om maakt. Ze zegt het zo: ‘Het is goed als mensen van verschillende culturen elkaar ontmoeten. Maar voor mij als minister is bestrijding van de segregatie an sich geen doel’. Ze bedoelt dat als de ouders niks met elkaar hebben je het de kinderen ook niet hoeft aan te doen. Ze zegt dat, hoewel segregatie een onwenselijk effect is, de overheid daar buiten staat. In naam van het publiek wordt door haar het publiek verdeeld. Dan kan per heden ook het ‘zonder last en ruggespraak’ worden opgeheven. Ik heb in tijden geen betere samenvatting van onze politieke cultuur gelezen: segregatie ‘an sich’. Het is zoals het is en wat de mensen ervan denken, denken ze er maar van. Ooit hadden we een maatschappelijke tweedeling, nu ook een politieke. Zolang de onderwijsvrijheid maar bestaat.

Ik ben allerminst een tegenstander van onderwijsvrijheid. Ik ga ervan uit dat schools onderwijs en ouderlijke opvoeding altijd een spanningsveld opleveren en dat je daarbinnen niet anders kunt dan zo goed en zo kwaad als het gaat te schipperen. Nooit zal iedereen er tevreden over zijn – vandaar dat die vrijheid van onderwijs zo belangrijk is want dat is de aangewezen weg om je eventuele onvrede te vertalen in een eigen onderwijsideaal dat je vervolgens terug hoopt te vinden in een onderwijspraktijk. Ook dat is een spanningsveld, overigens. De praktij stelt eisen – wat het ideaal ook voorschrijft. Ik geloof dat men dat professionele ruimte heeft gedoopt, recent. Daar zijn we nog niet mee klaar, het feit alleen al van het claimen van die ruimte geeft aan dat soms het ideaal wat te hard loopt en de professionaliteit van het onderwijs bedreigt. Godsdienst is één ding, onderwijs iets anders. Van besturen verwachten we inzicht in beide. Dat is tot dusver een te hoge verwachting gebleken dus daar moeten we eens wat aan doen. Het laat de onderwijsvrijheid onverlet – het toont slechts aan dat die vrijheid meer is dan een plannetje plus wat overheidsfinanciering. Niettemin, de eerste spelregel is dat de mogelijkheden om je ideaal te verwezenlijken voor iedereen beschikbaar zijn. Daar is van alles fout gegaan. Op tal van plekken in het onderwijs heerst een feitelijk monopolie van een enkel schooltype. De gedachte dat grote scholen eerder tot een monopolie leiden is een foute gedachte. Omvang heeft er niets mee te maken, de kwaliteit, de samenstelling en de representativiteit van besturen alles. Nederland is aan de vrijheid van onderwijs nog nooit toegekomen. De vrijheid van onderwijs is verkommerd tot met de voeten stemmen voor hen die goed ter been zijn en maar blijven zitten waar je zit voor de overigen. OK, af en toe wordt er een islamitisch schooltje opgericht en daar maken we ons druk over. Dat die scholen op z’n minst evenzeer een reactie zijn op een verprutste onderwijsvrijheid als de vervulling van een diepgekoesterde wens om vooral apart te gaan – en alles ertussen in – lijkt me buiten kijf te staan. Voor het gemak maken we ons zorgen over het laatste, opdat het eerste niet genoemd hoeft te worden.

We hebben nu een minister die verklaart dat integratie haar zaak niet is omdat segregatie het ook niet is. Het levert een overheid op die onbedoelde effecten negeert en daarmee zichzelf negeert. ‘An sich’. Als aan de ouders de schoolkeuze is, is aan de overheid de effecten daarvan te bewaken. Waar heb je anders een overheid voor? Het kan niet anders dan dat het CDA deze effecten wel best vindt. Liever christelijk onderwijs dan een overheid die doet waar de overheid voor is. Het CDA is bereid heel ver te gaan om bij de Statenverkiezingen niet nogmaals het lid op de neus te krijgen.

Deze minister is stuitend

8 februari

=0=

 


Taalgeest

Aan het lezen van ‘Wij zijn ons brein’ van Dick Swaab ben ik nog steeds niet echt begonnen. Nu ik er een kritische recensie over tegenkwam, ‘Wij zijn meer dan ons brein’ van Herman M. van Praag (Trouw, Letter&Geest, 5 februari), heb ik het even doorgebladerd. Ik zocht naar taal. Niet naar de geest die Van Praag ook dit keer weer uit de hoge hoed toverde, maar naar taal. Ik nam aan dat Swaab de taal niet als het product van ons brein zou afficheren en inderdaad, dat heeft hij ook niet gedaan. Hij schrijft (: 51) ‘De moedertaal is onafhankelijk van onze genetische achtergrond, en wordt slechts bepaald door de omgeving waarin het kind in die kritische periode voor de taalontwikkeling na de geboorte opgroeit’. En even verder, als was het een boodschap speciaal voor Van Praag, schrijft Swaab over een experimentje om uit te vinden of kinderen, als ze maar niet werden lastiggevallen door moeder en moedertaal, vanzelf de ‘taal van God’ zouden gaan spreken. Zeg maar: ze zouden de geest wel krijgen, de geest zou ongetwijfeld in hen varen. Jammer, het gebeurde niet: ‘De kinderen konden helemaal niet spreken en stierven allen op jonge leeftijd’. Het experiment stamt uit begin 13e eeuw. Ik zou vermoeden dat Van Praag nog steeds niet verder is gekomen.

Zonder brein gaat het niet, zonder taal ook niet en het brein verklaart wel ons taalvermogen maar niet onze taal. Swaab is er kristalhelder over, Van Praag maakt er een soepje (het ‘zelf’) van waarin behalve het brein ook de geest suddert. Overigens, die ‘geest’ dient wel met een hoofdletter te worden geschreven want dat de mens de maat aller dingen zou zijn is Van Praag een gruwel. Mensen meten (meer staat er niet) maar daar neemt Van Praag geen genoegen mee. Van Praag wil dat mensen de maat wordt genomen, in naam van ‘Gods adem’.

Inderdaad, Van Praag is blijven steken in de 13de eeuw. Je zou bijna denken dat hij zichzelf opvat als een oereigen product van de ‘taal van God’.

Herman M. van Praag ‘is emeritus hoogleraar psychiatrie aan de Universiteiten van Groningen, Utrecht, Maastricht en het Albert Einstein College of Medicine in New York’.

Godbetert.

7 februari

=0=

 


Verlegen

Mensen die in het openbaar meedelen dat ze verlegen zijn, zijn niet verlegen. Die zijn uit op een effect. Nee, ik was niet verbaasd toen Jolande Sap haar toespraak op het congres van Groen Links gisteren begon met de zin: ‘Diep in mijn hart ben ik nog altijd een verlegen meisje’. Het moet een hele zelfoverwinning geweest zijn om, toen haar toespraak over de tijd heen ging (veel meer tijd dan alle indieners van een motie hadden gekregen overigens) de voorzitter van het congres in de hoek te zetten en aan de zaal te vragen of die haar verzoek om nog meer tijd wou steunen. Ze kreeg applaus en ging gewoon door. Er kwam meer applaus. Ze had zich, zei ze, ‘niet voorbereid op applausmomenten … dat is niet mijn sterkste kant’.

En zo werd het pacifisme van GL ontwapend. Tegen zulk ontwapenend gedrag kon het congres niet op. Dat wou het ook helemaal niet. Het ging nergens over, behalve over het huis van Jolande waar vergaderd werd, over een nachtelijk telefoontje met Mariko Peters die ooit de motie over politietrainers had bedacht, over deuren die op een kiertje stonden, over de boosheid van Jolande op Mark, over de garanties die geen garanties zijn maar wel spijkerhard en nog zo wat. Het werd ‘inhoud’ genoemd en ‘debat’ en zelfs een ‘debat dat over inhoud ging’. Het kon niet op. Af en toe vroeg ik me af of Groen Links is overgenomen door een reclamebureau. Het zou me niet verwonderen.

De toeschouwer die gehoopt had dat bij al dit huiselijk geweld ook nog wel een plekje zou worden ingeruimd voor de kleine Sahar die door dit kabinet naar Afghanistan gestuurd wordt kwam bedrogen uit. Het zal wel te persoonlijk geweest zijn. Het zal de kleine Sahar aan verlegenheid ontbroken hebben. Groen Links zal, net als de minister, wel menen dat Kunduz en Sahar twee verschillende kwesties zijn. Nee. Dat schreef Bas Heijne, ook gisteren. Heijne heeft gelijk.

Groen Links heeft niet alleen het kabinet gesteund met Kunduz. Groen Links heeft tegelijk minister Leers gesteund, de man die elke koppeling van een individueel leven en het grote ideaal ontkent. In haar strategie alle politiek terug te brengen tot persoonlijke oprispingen heeft Sap aangetoond dat er in haar persoon voor een andere persoon, Sahar of wie dan ook, geen plek is. Haar hart heeft ze verpand aan optimisme, aan idealen, aan solidariteit. Daar is voor kleine meisjes geen plaats. De twee A-4tjes waren vol en je moet van ophouden weten. Sap is er niet verlegen mee. Haar partij ook niet meer.

6 februari

=0=

 


Smeltkroes

In de VS werd begin vorige eeuw vaak het beeld van de smeltkroes gebruikt. Bevolkingsgroepen van her en der zouden versmelten in de kroes die Amerika heette. Ze zouden er uitkomen als Amerikanen. Herboren als het ware. Het was een bijzonder beeld. Het beeld was niet correct, om tal van redenen niet maar de belangrijkste reden was toch wel dat, zoals eens werd opgemerkt, de kroes zelf was gesmolten.

We zien een herhaling in Europa. Er is een soort consensus ontstaan dat de multiculturele samenleving gefaald heeft. Dat is niet waar want er was nooit een multiculturele samenleving. De samenleving, de kroes van de Amerikanen, was er nooit, en is er nooit gekomen. Ik weet niet of dat heel erg is – het beeld van een samenleving is wel wat erg huiselijk voor complexe maatschappijen die hun complexiteit niet meer de baas zijn en daarom een imaginaire droom van de gemeenschap, van het samenleven, te voorschijn toveren. Zwaktebiedingen, gesymboliseerd in het oeverloze en smakeloze gedrens over ‘waarden en normen’. Het zijn regressieve bewegingen, net zoals de stilzwijgende erkenning van het falen van de multiculturele samenleving door het er niet meer over te hebben. In plaats daarvan en geheel in lijn met de regressie hebben we het nu over het multiculturalisme. We hebben de samenleving weggeretoucheerd en er direct cultuur van gemaakt. Gemakshalve hebben we geopteerd voor een monocultuur.

Hier in Nederland zijn we het er al jaren over eens. De SP vroeg ooit om een onderzoek waarvan de uitkomst (‘mislukt!’) al vooraf was vastgelegd. Toen het rapport van de commissie Blok kwam (‘zo beroerd was het allemaal niet’) was de wereld, de samenleving bedoel ik, te klein. Van het rapport is weinig meer vernomen. Enkele maanden geleden nam ook Merkel afscheid van het multiculti complex. Dat deed ze overigens een stuk minder leugenachtig dan te onzent. In haar visie was die samenleving er inderdaad nooit geweest. We hadden destijds wat mensen nodig die we verder niet wilden zien en waarvan we aannamen dat ze na gedane arbeid wel weer zouden vertrekken. Het bleken foute aannames. Dus moest er een multiculturele samenleving komen die niet kwam. Door hen? Dat zei Merkel niet en dat siert haar. De arbeidsmigranten zijn er nog steeds, dat wel, en omdat wij niet bewegen moeten zij bewegen. Wij zetten ons schrap en verwachten dat zij dat zullen steunen. Nee, een programma is het niet en een idee nog veel minder. Zou Cameron een idee hebben? Hij gaat er vandaag over praten, lees ik in de krant. Hij zal zeggen dat het multiculturalisme is mislukt en heeft geleid tot radicale en zelfs fundamentalistische jongeren. Wonderlijk. Disreali wist midden negentiende eeuw al dat Engeland twee naties bevatte – en dan schatte hij het aantal eerder te laag dan te hoog. Het aantal is niet kleiner geworden – Engeland is het land van rangen, standen en klassen en de migratie heeft dat eerder onderstreept dan verzacht.

Multiculturalisme is de uitdrukking van het ontkennen van de samenleving die er nooit was, in naam van diezelfde samenleving. Hoe zouden we ons anders van hen kunnen onderscheiden?

5 februari

=0=

 


Jihad rechtspraak

Dat we ook dit soort rechtspraak hadden wist ik niet maar Joost Eerdmans wel. Gelukkig hebben we het nog niet in Nederland. De Denen daarentegen doen eraan. In Denemarken hebben ze ook showprocessen met, zoals Meindert Fennema terecht opmerkte, een zeer bijzondere uitkomst. De verdachte werd namelijk niet veroordeeld. Zou dat het jihad aspect van de showrechtspraak zijn?

Ik zag het afgelopen woensdag bij Uitgesproken WNL. Lars Hedegaard, de Deense oprichter van de Free Press Society was aangeklaagd en vrijgesproken. Hij was aangeklaagd omdat hij had beweerd dat moslims er de slechte gewoonte op nahouden hun kinderen (vooral de meisjes geloof ik) te verkrachten. Dat vond men daar in Denemarken niet zo mooi en dus werd het een zaak. De rechter vond dat Hedegaard wel beledigend was geweest. Niettemin, hij had het in privékring gezegd en dan telt het niet. Een verstandige rechter. Niet voor Eerdmans natuurlijk want die was nu eenmaal vastbesloten dat het hier om een showproces ging en dat Denemarken de proeftuin van de jihad rechtspraak was geworden. Hoe gek kun je wezen denk ik dan maar tijdens de uitzending kon Eerdmans gewoon zijn gang gaan. Een aanwinst, die jongen. Zeer uitgesproken ook en daar gaat het toch maar om. Michiel Bicker Caarten was te weinig uitgesproken en is daarom ontslagen. Fons van Westerloo die WNL mag besturen zei het zo: ‘Michiel heeft de opstart uitstekend gedaan. Nu zoeken we iemand die de programma's meer WNL-signatuur kan geven.’ Die iemand heeft WNL gevonden. Geweldig toch?

Zou Joost zich zorgen hebben gemaakt over de reden dat Hedegaard werd vrijgesproken? Dat de man zijn verwerpelijke uitspraak gezellig in de huiselijke kring, onder vrienden en gasten en zo, had gedaan? Telt privacy? Zou het dan ook hier tellen? Immers, was privacy niet ook het kenmerk van de situatie – een etentje bij Bertus Hendriks, gewoon, in diens huis – waar arabist Hans Jansen zich in bevond en waar Wilders en zijn Bram zo grotelijks misbruik van wisten te maken, met de volledige instemming van Hans?

Gisteren werd bekend dat ‘na onderzoek’ was gebleken dat er geen druk op Jansen was uitgeoefend en dat raadsheer Schalken zich ook verder keurig had gedragen. Nee maar! Dat doet pijn. Het verklaart wel de opstelling van Eerdmans. Hedegaard had veroordeeld moeten worden – want nu staan Hans en Geert en Bram in hun hemd. Geweldig, die WNL-signatuur.

4 februari

=0=

 


Fusie

Van de minister mogen Connexxion en Veolia fuseren. Van de Mededingingsautoriteit mag het ook. Er blijft genoeg concurrentie over, dat is het argument. De minister zal geen gebruik van de mogelijkheden maken die het bezit van een derde van de aandelen Connexxion (nog maar enkele jaren gelden was dat nog het hele aandelenpakket) haar biedt. Je verkoopt eerst het gros van de spullen en daarna maak je van de rest geen breekpunt. Het is aardig dat argument over concurrentie te bekijken want dat gaat niet over het kunnen kiezen door de reiziger, het gaat over aanbestedingen waar ook andere bedrijven op kunnen intekenen. De reiziger is interessant. Diens belangen worden, dat lijkt me de consequentie van de redenering van minister en mededingingsautoriteit, voldoende behartigd door bedrijven die ook een graantje willen meepikken. Op elk gegeven moment is er voor de reiziger niets te kiezen maar voor een enkel bedrijf nog wel en dat heet dan voldoende concurrentie. Dat weten we dan ook weer. De burger zal misschien denken dat je voor concurrentie meer dan één bedrijf nodig hebt maar dat een zo opgevatte concurrentie niet meer dan een middel tot een doel is en het doel is dat de burger wat te kiezen heeft. Zoveel gezond verstand is aan een bedrijf niet besteed. Logisch, het is hun belang niet. Een bedrijf gaat voor de winst. Aan de minister, de NMa en de Kamer ook niet. Dat is niet slechts opvallend, het is vooral pijnlijk.

In de Tweede Kamer was wat gemor (er blijven te weinig bedrijven over, zegt een enkeling) en de vakbonden zijn tegen want die vrezen dat de werknemers in de knel komen. Minder werk, slechtere omstandigheden, slechter CAO. Begrijpelijk. Obligaat wordt iets gemompeld over de reiziger. Dat die uit publiek oogpunt de belangrijkste partij is blijkt helemaal nergens uit. Concurrentie is er voor bedrijven, niet voor reizigers. We zagen het eerder bij de uitverkoop van de energiesector en van andere voorheen openbare nutsbedrijven. Ook daar was concurrentie een bedrijvenfeestje waar de consumenten niet voor waren uitgenodigd. Het vervoer zit in een mooie traditie van uitverkoop en uitbesteding. Aan de andere kant, je had mogen verwachten dat de vele kritische geluiden over privatisering althans in de Kamer tot enige vergelijkende reflectie zouden hebben geleid. Daar is het niet van gekomen. Ik vermoed dat de Kamer alleen over privatisering wil debatteren als het nergens in het bijzonder over gaat.

De minister heeft de grote steden genadiglijk toegestaan hun aanbestedingsperikelen een jaartje op te schuiven. Dat ging allemaal in één beweging, die fusie en het uitstel. En zeg nou zelf, hoeveel concurrentie is er in die grote steden?

3 februari

=0=

 


Erfenis

De mooiste erfenis van een georganiseerde groep is het stimuleren van de organisatie van andere groepen. Het komt er weinig van. Een georganiseerde groep houdt het liefst alles zelf. Er is geen erfenis. Soms is het mogelijk lid te worden van de al georganiseerde groep, soms ook niet. Als je lid wordt ben je georganiseerd en dan moet je niet zelf nog aan het organiseren slaan want dat is fractievorming en als je al een fractie hebt is fractievorming uit den boze. Het schijnt overigens ook voor te komen dat een georganiseerde groep zich niet als zodanig wil laten kennen en daarom ook geen leden toelaat. Ledenpoppen wel. Maar daarvoor moet je in Nederland zijn.

De meeste georganiseerde groepen hebben weinig behoefte aan organisatie van andere groepen. Liever spelen ze die uit elkaar, net zo lang tot er geen groepen meer over zijn, alleen nog individuen. Dat regelt makkelijker en dus zien we dat de slechtst georganiseerde groepen de meeste regels krijgen opgelegd. Gebeurt er dan toch nog wat dan worden hen nieuwe regels opgelegd. Het tegengaan van groepsvorming en van de organisatie van zulke groepen tot een publiek is de beste manier om ervoor te zorgen dat van verzet geen sprake meer is. Voor verzet moet je jezelf, in de regel met anderen, kunnen organiseren. Ga dat tegen (biedt de mensen draconische straffen en/of individueel confectiemaatwerk aan) en je houdt het lekker rustig. Onvrede krijg je wel maar onvrede is beter dan onrust. Onvrede kun je meten, onrust veel minder. Het is er al voordat je het door hebt. Dan mompel je iets over een kloof, je gaat het land in, je weet plotseling weer voor wie je het allemaal doet en je hoopt dat het overwaait.

Het waait niet altijd over. Wie het collectief vreest en elke eigen organisatie behalve de eigen organisatie ontmoedigt krijgt met politieke ondernemers te maken die een gat in de markt zien door de onvrede te ‘benoemen’ en daar aanhang (nee, alsjeblieft geen groepen) voor te mobiliseren. Het kan ook dat de onvrede zich los van de ondernemers al een uitweg heeft gezocht en gevonden en er, inderdaad, onrust is ontstaan. Dan kan de ondernemer een poging wagen erbij aan te sluiten en de kans dat zoiets lukt moeten we niet gering schatten. Hoe succesvoller het beleid om collectief en publiek te verjagen is geweest, hoe groter de winstmogelijkheden voor de politieke ondernemer. Waar het volk gedesorganiseerd is, is de tijd rijp voor, en de arena in afwachting van, helden. Welke helden? Ja, om dat te weten moeten we weten wat het volk denkt en behalve dat het volk ontevreden is weten we niet veel want daar hebben we zelf voor gezorgd. Het kunnen zo maar hele rare helden zijn. Misschien zijn zij niet raar, maar hun vrienden des te raarder. Zonder vrienden gaat het niet en je hebt soms meer vrienden dan je wist en je lief was. In tijden van nood kun je niet kieskeurig zijn en daar profiteren weer andere ondernemers van.

Een kleine politieke geschiedenis van het moderne Egypte, met speciale aandacht voor het moderne van die geschiedenis. Geen bijzonder opwekkende erfenis, zeker voor ons niet want we kennen het niet en dat is op zich al bedreigend. Toch? Aan de andere kant, wij zijn ook modern en wij houden ook niet heel erg van collectieven, zeker niet als we ze niet kennen maar wel vrezen. We begrijpen het wel en zo. Alleen, mag het een beetje ordelijk blijven? Mag het vooral zo blijven als het is, en dan een beetje anders?

In de laatste alinea heb ik naar ik vermoed zo ongeveer de boodschap beschreven die een Amerikaanse gezant (Frank Wisner, naar ik begrijp tussen 1986 en 1991 ambassadeur in Egypte) bij Mubarak heeft afgeleverd. Denkt u wel eens aan aftreden, mijn president? Als u het snel doet zal de dank van mijn land groot zijn en dan zijn we ook in één keer klaar met de onrust waar u noch wij gelukkig van worden.

Wat zou de gezant in het vooruitzicht hebben gesteld? Draconische straffen of confectiemaatwerk waar de president niet helemaal blij van is geworden? Het blijft spannend.

2 februari

=0=

 


Voedsel

In Tunesië moet je aan de kust zijn. Het achterland is verwaarloosd. Naar men zegt begon de opstand in het achterland. Niet stad en land is de tegenstelling maar kust en achterland. De staat rooft de zaak leeg, onteigent waar nog iets te halen is en omdat de staat de dictator plus kliek is zijn de rovers nog wel aan te wijzen. Wil je een baan in Tunesië dan moet je eerste betalen want banen gaan naar de mensen die bereid en in staat zijn daar wat geld voor over te hebben. Er wordt veel geklaagd over de gebrekkige ondernemingszin in armere landen maar dat is onzin. Alles is handel en overal valt een slaatje uit te slaan. Hier, bij ons, is het met de ondernemende mens slecht gesteld. In heel veel zaken mag je niet eens handelen, en over nog veel meer dingen in de winkel kun je niet onderhandelen. Geen wonder dat bij ons de zaken door de managers zijn overgenomen. Ondernemende types hebben we niet meer. Daarvoor moet je op reis, ver weg. Tot en met een slaapplaats voor een dakloze wordt verhandeld. Kom daar in managerskringen eens om. Die zouden hooguit een percentage op de prijs zetten maar er zelf in handelen? Ze weten niet hoe.

De meeste ondernemende mensen in armere landen zitten in de politiek. In die landen stelt de staat nog wat voor. De staat heeft heel goed door dat alles waar geen geregistreerde eigendomstitel aan vastgeplakt is voor het oprapen is. Niet dat zo een titel veel helpt maar het helpt wat. Waar een bevolking niet meer dan de traditie kan inroepen (dit was altijd onze grond, ons water) is diezelfde bevolking weerloos. Het land moet voor de export worden ingericht, het water is voor alles nodig behalve voor de mensen, de grond kan worden verkocht. Het gaat maar door. Inderdaad, alles is handel en daarom wordt het voedsel duur. Je kunt het gaan subsidiëren maar zelfs dat is niet eenvoudig - nu ook de financiële crisis de arme landen heeft gevonden en de staat moet bezuinigen is het niet alleen niet eenvoudig meer (want wie van de rovers moet voor die aalmoezen opdraaien?), het wordt zelfs moeilijk. Verlaag de subsidies maar en noem het marktconform – het zal het politieke ondernemerschap alleen maar stimuleren. Zolang de bevolking het pikt.

Wij maken ons zorgen over de macht van moslims. We zouden ons beter zorgen kunnen maken over de greep van mensen op hun eigen bestaansvoorwaarden die in naam van markt en economie door talloze roofstaten teruggebracht zijn van bijna niks tot minder dan niks.

1 februari

=0=

 


Verwijderen

Onze commissie De Wit kwam met een gezamenlijk rapport over de crisis. Niet dat het een rol speelde in de verkiezingen en al helemaal niet in het kabinet van nu (spaarbanken losmaken van zakenbanken? Kan niet, zegt De Jager. De Kamer vind het best), maar toch. Geen minderheidsrapporten, gewoon één rapport namens de hele commissie. Kom daar in de VS maar eens om. Hun Financial Crisis Inquiry Commission publiceert een rapport van ruim zeshonderd pagina’s. Onderdeel daarvan een minderheidsrapport van de Republikeinen. Twee rapporten dus.

Waarom een minderheidsrapport? Dat komt niet omdat het meerderheidsrapport uitspreekt dat de crisis vermijdbaar was (let wel: deze crisis, dat het soms beter en soms behoorlijk slechter kan gaan wordt door de commissie niet ontkend. Maar: deze crisis met deze verwoesting was niet nodig geweest). Geen geringe conclusie. De Republikeinen hadden er geen bezwaar tegen. Waarom dan toch een minderheidsrapport? Dat komt omdat de Democraten in het meerderheidsrapport spreken over ‘deregulering’, over ‘schaduwbanken’, over ‘inter-connecties’ en over ‘Wall Street’. Tja, zou je denken, dat heeft er vast iets mee te maken gehad. Nee, zeggen de Republikeinen, helemaal fout en we hebben ze nog gewaarschuwd het niet te doen maar ze deden het toch. Hadden ze het niet gedaan, hadden ze niet met de vinger naar de doorgeschoten deregulering gewezen, niet naar de schaduwbanken die nergens aan gebonden waren en een steeds grote deel van de financiële handel opvraten, niet naar de vele onderlinge en volstrekt ondoorzichtige banden en verbindingen tussen de grote spelers in de financiële wereld, en niet naar de sterk toegenomen macht van de financiële sector, gesymboliseerd in Wall Street, ja dan hadden de Republikeinen best kunnen instemmen. Maar nu niet. Zij hadden liever een rapport waarin, ik noem maar wat, Katrina alleen vermeld mag worden als voorbeeld van een leuke meisjesnaam. Dan schiet het op.

Wat is beter? Onze commissie waarvan de uitkomsten geen rol spelen of hun commissie waarvan de uitkomsten direct gepolitiseerd worden? Ik ben er nog niet helemaal uit maar mijn eerste voorkeur gaat naar de VS. Beter een goeie heibel dan een alles, en in het bijzonder elk fatsoenlijk politiek debat, absorberende deken. Indien de keuze zich beperkt tot een menu met alleen deze twee onaantrekkelijke alternatieven, geef mij dan de Amerikaanse ruzie maar. De Republikeinen willen niet meer dan een aantal woorden verwijderd hebben – met als gevolg dat die woorden in ieders geheugen gegrift staan. Wij hebben een minister die roept dat je zakenbanken en spaarbanken helemaal niet kunt scheiden. Zij hebben Republikeinen die zeggen dat het ongedaan maken van die scheiding door Reagan en Clinton niet bepalend is geweest voor de crisis. En dus moest dat aspect van deregulering uit het rapport en dus kregen we een minderheidsrapport. Liever dat dan, zoals bij ons, de verwijdering van elk politiek debat. Veel liever.

31 januari

=0=

 


Weg

Afgelopen week werd het manifest ‘Naar nieuwe arbeidsverhoudingen’ gepubliceerd. De Financiële Telegraaf bracht het als groot nieuws. Elders veroorzaakte het nog geen rimpel. Het manifest is een gezamenlijk initiatief van AWVN, FNV Bondgenoten, CNV Vakmensen en de Unie. Het is, zou je kunnen zeggen, een oefening in sociale innovatie.

Het is hoog tijd voor nieuwe arbeidsverhoudingen. Het arbeidsaanbod in mensen geteld groeit niet en wordt ouder, het arbeidsaanbod in vaardigheden uitgedrukt wordt onderbenut maar kan wel degelijk groeien. Op voorwaarde dat die vaardigheden ook worden benut en niet worden verwaarloosd of genegeerd, bijvoorbeeld door mensen te binden aan elk voorbijkomend baantje, hen op te sluiten in slechts één kunstje tot ook dat niet meer hoeft en ze aan de kant worden gezet, door de mensen wier vaardigheden het zijn om andere mensen buiten het overleg over het gebruik van hun vaardigheden te houden. Omdat dat nu de orde van de dag is zijn we inderdaad toe aan nieuwe arbeidsverhoudingen. Aan een nieuwe sociale zekerheid ook.

Bovendien, bij stagnerend en zelfs dalend aanbod en aantrekkende vraag wordt de positie van datzelfde aanbod verhoudingsgewijs sterker. Je hoeft het niet alleen te willen, je zou het nu ook moeten kunnen. Maar dan wel anders. Het is natuurlijk mooi dat voor alle contractvormen, dus ook voor flexwerkers en zzp-ers en voor kansarmen, de ‘ontwikkeling centraal staat’, maar dat gaat niet zonder de actieve inschakeling van de betrokkenen zelf. De eerste vernieuwing in de arbeidsverhoudingen is een hergroepering van het arbeidsaanbod – en die vernieuwing ontbreekt. Als ontwikkeling centraal staat mag je ook wel beseffen dat daar de ontwikkeling van eigen organisatievormen bij hoort. Er staat geen woord over in, in het manifest. Het bekt lekker, nieuwe verhoudingen, maar als de praktijken ontbreken zullen we het met het woord moeten doen. Dat is raar want wie gaat nu eigenlijk over die ontwikkeling als het de mensen wier ontwikkeling het is niet zelf zijn? Moet de ontwikkeling in handen blijven van werkgevers die wel wat anders te doen hebben, van uitzendbureaus die wel wat anders te doen hebben, van uitkeringsinstanties die keer op keer falen, van gemeenten die weinig anders kunnen dan WWB en WMO aan elkaar plakken? Waarom ontbreken nieuwe organisatievormen van en voor het aanbod van arbeid? Zijn aanbieders van arbeid niet in staat een eigen regie te voeren? Is de zwakte van de vakbonden niet in de allereerste plaats het gevolg van het volledig kwijt zijn van elke regie over het aanbod van arbeid?

Als ontwikkeling centraal staat dan zou je verwachten dat dan ook wordt ingezet op vaardigheden meer dan op ‘participatie’. Er is te veel participatie geweest en er wordt nog meer participatie aangekondigd op kosten van de ontwikkeling van vaardigheden. Gaat u maar sneeuwruimen. In de nieuwe arbeidsverhoudingen zou je moeten kiezen, zou je een voorrang verwachten. In het manifest wordt niet gekozen. Men wil én meer vaardigheden én meer participatie. Dan kunnen we, tegen de achtergrond van de vaardigheden verkwistende recente geschiedenis, wel raden wat het zwaarst gaat wegen. Ja, ik zie ook wel dat in het manifest de volgorde is dat we het eerst over de mensen hebben (‘mensen maken het verschil’), dan over de aantallen (zoveel mogelijk, zo lang mogelijk: ‘een nieuwe arbeidsmarkt’) en ten slotte over de duurzaamheid (‘duurzaamheid essentieel’). Het komt er op neer dat het verschil der mensen met hun vaardigheden te maken heeft, dat de nieuwe arbeidsmarkt ervoor moet zorgen dat het aanbod linksom of rechtsom ondergeschikt blijft aan de vraag en dat de duurzaamheid tegelijk bedrijven en werknemers van dienst moet zijn. Dat zijn geen arbeidsverhoudingen maar verlanglijstjes die elk budget te boven gaan. Dat is jammer want nieuwe arbeidsverhoudingen zonder voorrangsregels zijn oude arbeidsverhoudingen. Van de nadruk op duurzaamheid blijft niet veel over – tenzij daarmee bedoeld wordt dat de partijen die altijd al meenden te weten wat het beste voor ons was dat ook in de toekomst menen te weten. Wat er ook gebeurt.

Het is mooi dat de initiatiefnemers van het manifest het onderlinge vertrouwen zo belangrijk vinden. Je zou denken dat met dat vertrouwen enig risico genomen kan worden want zo functioneert vertrouwen. Enig idee van welke risico’s met welke inspanningen en op welke manier (met welke ‘arbeidsverhoudingen’) genomen moeten en kunnen worden, was welkom geweest. Het ontbreekt. De partijen doen liever alsof hetgeen ze nastreven al bereikt is en ze op die prettige basis verder kunnen gaan met waar ze toch al mee bezig waren. Zo begrijp ik althans de wonderlijke zinsnede in het manifest dat men ‘na die weg’ (de weg naar nieuwe arbeidsverhoudingen) een ‘nieuw evenwicht’ tussen beide groepen ‘creëert’. Welke groepen? Dat zijn de ‘vaste’ en de ‘flexibele’ werknemers. Ik vermoed dat het ‘na die weg’ meer is dan raar Nederlands. Na die weg gaat u, vaste werknemer, linksaf en, flexibele werknemer, rechtsaf? Na die weg moet u nog maar eens om de weg vragen?

Nieuwe arbeidsverhoudingen beginnen met nieuwe arbeidsverhoudingen en de weg ernaar toe komt niet na de weg maar is de weg. Verschrijvingen zijn geen toeval. Het gaat niet goed met de innovatie in Nederland en de sociale innovatie wil niet achterblijven.

30 januari

=0=

 


Voorkeur onbekend

Op de radio hoorde ik Midden-Oosten deskundige Robert Soeterik vertellen dat hij er nog niet zo zeker van was dat de moslimbroederschap in Egypte klaar stond om de macht over te nemen en hij wist ook niet hoe groot hun aanhang was, mocht de broederschap zich melden bij eventuele verkiezingen. Gisteravond hoorde ik Bertus Hendriks, ook een Midden-Oostendeskundige, stellig beweren dat Mubarak wel kon inpakken. De president zelf scheen daar nog niet van op de hoogte te zijn en de Amerikanen ook niet. Die zijn in verwarring en roepen op tot ‘democratisering’. Ze zijn er een beetje laat mee, en ze zijn ook weinig geloofwaardig. De repressieve dictaturen in het Midden-Oosten hebben in de VS een steun en toeverlaat gehad en de VS is niet in een positie snel een nieuwe koers uit te kunnen zetten. Ze moeten wachten op de afloop en er het beste van hopen.

Het nadeel van dictaturen is dat ze geen mechanisme hebben hun eigen opvolging goed te regelen. Een nog groter nadeel van dictaturen is dat voorkeuren onder de bevolkingen die ze onder de duim houden onbekend zijn. Een rechtsstatelijke democratie, met vrijheden van vereniging en pers en mening en met grondrechten die de overheid ook verder op enige afstand van het leven en bewegen van de bevolking plaatst, is vanwege het kunnen articuleren van die voorkeuren in principe veel sterker – zolang de rechtsstaat in ere wordt gehouden. Daar wordt aan geknabbeld want populisme kan heel democratisch zijn maar het is zelden erg geïnteresseerd in de rechtsstaat. Het populisme is populair – in ons land wemelt het van de commentatoren die het populisme vanuit democratisch oogpunt gerechtvaardigd vinden en over de rechtsstaat verder maar zwijgen. In Afghanistan worden verkiezingen gehouden en met de rechtsstaat gaat het beroerd. Sommigen denken dat je met politie verder komt, anderen dat je met politie een rechtsstaat misschien kunt handhaven maar zeker niet kunt vestigen. Voorlopig houd ik het erop dat je aan de Afghaanse verkiezingen uitstekend kunt aflezen dat verkiezingen zonder rechtsstaat de democratie eerder schaden dan sterken.

Het fascinerende nu in landen als Tunesië en Egypte (en Jemen en Jordanië) is dat de zittende regimes een tik hebben gekregen – en niemand weet wat de gevolgen zullen zijn. Het angstige is dat het opbouwen van een rechtsstaat meer tijd kost dan het organiseren van verkiezingen en dat de uitslag van de verkiezingen, hoe democratisch ook, weinig goed nieuws voor de rechtsstaat kan inhouden. Tot dusver hebben de VS en Europa hun neus opgehaald voor die rechtsstaat van hen. Geen wonder dat de onrust groot is. Als je decennia regimes in de lucht houdt die het onmogelijk maken voor de bevolking om zich op hun voorkeuren te organiseren en hun voorkeuren te uiten dan weet je inderdaad niet wat eruit kan komen. Daar hebben de dictaturen lang van geprofiteerd en de bevolkingen niet. Wie dictaturen zaait zal onzekerheid oogsten. Dat moet dan maar – nu het zo ver is gekomen als het is gekomen.

29 januari

=0=

 


Burlesque

Nee, in Afghanistan is het niet om te lachen en daar gaat dit stukje dan ook niet over. Dit stukje gaat over het Nederlandse parlement en de Nederlandse regering en die verzorgen inderdaad een voorstelling die in een cabaret niet zou misstaan. Wil de oppositie garanties? Dan krijgt de oppositie garanties. Zijn er wel garanties te geven? Het papier is geduldig en dus krijgt de oppositie alles op papier, met handtekeningen, stempels, toeters en bellen, alles wat ze maar willen. Staat de premier persoonlijk garant? De premier staat persoonlijk garant. De aansluiting bij de wereldgemeenschap is gered. Die waren we kwijt omdat de garantie erop dreigde te verlopen en nu hebben we de garantie toch maar mooi weten te verlengen.

Groen Links wil eigenlijk een missie in een land dat net zo keurig is aangeharkt als het eigen land. De militairen helpen de burgers en de politie in noodgevallen, niet omgekeerd. Geen politie bij de militairen, daar hebben we al een militaire politie voor en die is er voor weer andere dingen. Als de Duitsers even geen tijd hebben om onze trainers uit de wind te houden wachten we dan tot ze weer wat tijd voor ons hebben? Als de Afghaanse politiemensen zelf aangeven dat ze best hun best willen doen maar dat het gewoon niet zo werkt, werkt het dan wel zo? Welzeker, zegt Groen Links. In elk fatsoenlijk land is de politie gescheiden van de militairen en ook al is dat niet zo in Afghanistan dan wordt het maar zo in Afghanistan, dus voor ons is het al zo in Afghanistan en kan het kabinet het verschil bijpassen? Welzeker kan het kabinet dat bijpassen. Meer nog, het kabinet garandeert het en de premier staat ervoor. Wat wil een mens nog meer?

Een mens zou willen dat parlementariërs niet in hun eigen rookgordijnen klimmen en ons voorhouden dat zulke toeren echt het echte werk zijn. Groen Links is een partij die het parlement van 150 tot 100 leden wil terugbrengen. Na gisteren kan het wat mij betreft nog wel met minder ook. Wat moet je met een overheid die niet alleen bestaat uit een gedoogkabinet maar ook uit een gedoogoppositie?

Groen Links is erin geslaagd de zuivere scheiding tussen politie en leger, tussen civiel en militair op te leggen aan een missie die zich daar niet aan kan houden. Waar Groen Links werkelijk in is geslaagd is in het uitwissen van het onderscheid tussen regering en parlement. De meerderheid van het parlement gelooft niet in het controleren van de regering. De meerderheid werpt zich, bij monde van mevrouw Sap, liever ongevraagd op als tekstschrijver van de regering. Het levert burleske teksten op.

28 januari

=0=

 


23

Er zijn boeken waarvan je hoopt dat ze breed worden gelezen. Het boek van Ha-Joon Chang,  ’23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme’ (Amsterdam, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2010) is zo’n boek. Aanstekelijk geschreven, heldere stellingen, argumenten en tegenargumenten goed gesorteerd, alles bij elkaar een overtuigende aanval op het neoliberale marktfundamentalisme en, meer nog, een aanval op het denkkader dat daarbij hoort en in zowel z’n eenvoudige vorm bij beleidsmakers als in z’n meest technische en ingewikkelde vorm bij economen heeft gezorgd voor producten en processen, die ons in de meest diepe crisis sinds de Tweede Wereldoorlog hebben gestort. En nee, het is niet de globalisering die de hoofdschuldige is. Het is de deregulering die sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw heerst en vanaf de jaren negentig in een stroomversnelling is gekomen. Deregulering is zo ongeveer het marktfundamentalisme, daar komt het op neer.

Alle onbetamelijke flauwekul die over ons is uitgestort (de markt weet het beter; de overheid weet niet waar het over gaat; de markt is het toonbeeld van rationaliteit – alsof complexiteit nog altijd een beheersbaar kunstje is dat je met het juiste inzicht heus wel onder de knie kunt krijgen, kijk maar naar de prachtige risicospreidende producten van de financiële sector, gebaseerd op de meeste geavanceerde technieken –; de lange termijn brengt iedereen de voordelen van een geliberaliseerde markt; industriepolitiek is onzin en pervers; protectie is altijd en overal uit den boze; een kleine overheid is per definitie beter dan een grote en dus zijn de verzorgingsstaat en een beetje wat voorstellend arbeidsrecht hindernissen wat ze in Zweden, Denemarken, Finland en Noorwegen daar ook van mogen vinden en hoe goed ze het ondanks hun handicaps ook doen; staatsbedrijven zijn altijd inefficiënt, hoe sneller een land aansluiting vindt bij de wereldmarkt hoe beter het is; de coup van het management heeft echt wel met productiviteit en de markt te maken; arme landen lijden niet alleen onder corruptie maar ook onder luiheid en een gebrek aan ondernemingszin enzovoorts enzovoorts) het staat er allemaal in en wordt kundig gedemonteerd.

Sinds de hoogtijdagen van de deregulering (en we zitten er nog midden in) is in alle landen die er door zijn bestreken de groei getemperd ten opzichte van de decennia ervoor, en waar de groei is gestegen wordt niet gedereguleerd en is de staat een belangrijke speler. Sinds de hoogtijdagen van de deregulering is de winst in de financiële sector versneld (en op z’n grenzen geknald) en die in de reële sector geremd en hoe groter de discrepantie, hoe instabieler de economie, hoe groter de onzekerheid, in het bijzonder van de werkgelegenheid, en hoe meer crisesverschijnselen (in Azië, in Latijns-Amerika, in Rusland, en nu bijna wereldwijd) het toneel zijn gaan beheersen. Noem het boek een pleidooi voor een gemengde economie en je hebt de toon wel getroffen. En laten we de ‘kenniseconomie’ niet vergeten. De opmerkingen over Zwitserland (de laagste score van alle rijke landen in deelname aan het hoger onderwijs, de grootste nadruk op industrie) zijn behartigenswaardig. Een rijk land, dat wel. Het is bij de opmerkingen over de kleinere rijke landen soms alsof we Katzenstein weer horen: kleine landen met een open economie zijn gebaat bij een activistische staat en zo lang ze zich daar aan houden hebben ze mooie kansen. Dereguleren ze – IJsland is de illustratie – dan is het wachten op de afstraffing. En vergeet verder de industrie niet want de industrie is veel belangrijker dan we vandaag de dag horen. We gebruiken meer industriële producten dan ooit, ze worden alleen steeds goedkoper omdat de diensten in productiviteit achterblijven en uit die ‘dominantie’ door duurte (en door statistische herschikkingen als gevolg van andere definities en natuurlijk ‘outsourcing’ en ‘concentratie op onze kerntaken’) leiden we dan de ‘postindustriële’ economie af. De industrie is de sector die, het lijkt de sociaaldemocratie wel, aan z’n eigen succes wordt opgehangen. Dat het laatste ‘ding’ een klacht is over het soort economie dat aan scholen en universiteiten wordt geleerd en dat niet alleen in het bedrijfsleven maar ook en misschien wel met name in het beleid de scepter zwaait, is een logische afsluiting van het boek (een laatste concluderend hoofdstuk daargelaten).

Deregulering dus. Ik had er meer over willen weten. De suggestie in het boek is dat we sinds het harde en vrijwel wereldwijde monetaire beleid om de inflatie in toom te houden de grotere voorspelbaarheid in de waarde van de munteenheid hebben moeten betalen met een groeiende onvoorspelbaarheid overal elders. Dat is wat te kort door de bocht. Het eigenlijke probleem is niet alleen dat een inflatiebeleid van een werkgelegenheidsbeleid niet veel overlaat (dat wordt een bijproduct), het is veeleer dat de monetaire autoriteiten aan de leiband zijn gaan lopen van de financiële sector. Het beleid van Greenspan was een beleid dat allereerst de liberalisering en waar nodig de ondersteuning en redding van de kapitaalmarkten op het oog had en het beleid van de Europese Centrale Bank is niet anders geweest. Hadden we er ooit aan getwijfeld dan heeft de crisis van 2008 en later ons de ogen wel geopend. Inflatiebestrijding is één ding (het heeft Duitsland niet belet er een sterke economie mee op te bouwen), het je uitleveren aan de financiële sector een heel ander. Dat laatste, dat is de deregulering geworden. Het eerste is  er in de tijd zo ongeveer mee samengevallen. 24 dingen had ik willen hebben dus. Maar het klopt: het belangrijkste agendapunt is het de-dereguleren: het vertragen van de snelheid van de kapitaalbewegingen (de Tobintaks wordt genoemd en Chang heeft nog veel meer pijlen op z’n boog) om ervoor te zorgen dat we niet alleen verdienen met het snelle geld maar ook nog produceren om met al dat geld wat nuttigs te kunnen doen en je niet voortdurend om je heen hoeft te kijken of je baan, je bedrijf, je woning, je spaargeld, je pensioen er nog is. Het lijkt lang geleden.

Ik weet wel zeker dat het boek van Chang op beleidsmakers en rechtgeaarde economen geen enkele indruk zal maken. Leuk voor de vakantie en zo, maar voor het leven van alledag ongeschikt. Dat is het echte probleem.

27 januari

=0=

 


Met de kennis van nu

Defensie heeft niet alleen gelogen over de schuld die het droeg aan de dood van een militair – de kwestie waarvoor Spijkers destijds in het geweer kwam. Defensie heeft ook gelogen over de aanleiding voor het ontslag van Spijkers. Defensie heeft Spijkers niet ontslagen vanwege het feit dat Spijkers had gelekt (klokkenluider had gespeeld) maar omdat hij zich zo in de zaak zou hebben vastgebeten dat hij niet meer naar behoren kon functioneren. Spijkers was doorgedraaid, dat was de stelling. Naar aanleiding van het vonnis van de hoogste bestuursrechter eind vorig jaar kunnen we nu zien dat daar niets van klopte. Uit documenten van Defensie blijkt dat Spijkers wel degelijk is ontslagen vanwege het lekken. Dat vuiltje is nu ook weer schoongepoetst.

Uit documenten? Uit documenten. Defensie heeft willens en wetens documenten achtergehouden voor de rechter en dus kon deze met de kennis van nu zeggen dat als de rechter toen over die documenten had beschikt het ontslag niet op die gronden had kunnen worden verleend. En voor de rest? Voor de rest niets. Spijkers is ook op dit punt in het gelijk gesteld en Defensie hoeft niets meer te doen dan te slikken en over te gaan tot de orde van de dag. Misschien hebben ze ook geslikt maar dan hebben we er verdomd weinig van gezien.

We mogen concluderen dat de wet openbaarheid bestuur nog lang niet ver genoeg gaat. De bestuursrechter heeft bijvoorbeeld niet gezegd dat als nog een keer blijkt dat spullen worden achtergehouden en verdonkeremaand het de plicht van de verantwoordelijke bewindspersoon is de ambtenaren te instrueren die spullen op te duikelen en ter beschikking te stellen en als dat niet mocht gebeuren achteraf daarvoor aansprakelijk te zijn. In een kabinet dat meent dat sommige dingen niet mogen verjaren zou dat gesneden koek moeten zijn.

Het kabinet heeft echter helemaal niet gereageerd. Noch Donner, noch Hillen hebben de kwestie ook maar één woord waard gevonden. Dan weten we genoeg. Het kan zo weer gebeuren en het gaat natuurlijk weer gebeuren want het gebeurt altijd.

Bij gebrek aan een klokkenluider regeling die ergens op slaat is het lekken van informatie die niet traceerbaar is op de persoon waar het vandaan komt noodzakelijk. Bij gebrek aan een fatsoenlijke openbaarheid van bestuur is dat lekken des te noodzakelijker.
Dat is wat we met de kennis van nu kunnen zeggen en eerlijk gezegd, dat hadden we met de kennis van toen ook wel kunnen zeggen.

26 januari

=0=

 


Daar en later

In ochtendblad Trouw van gisteren staat het verslag van een interessant gesprek dat de krant had met Anke van Hal, hoogleraar Duurzaam Bouwen. Volgens haar zal de bouw na de crisis anders zijn dan ervoor. De crisis biedt kansen. Dat hebben we eerder gehoord, bij het financiële geldstelsel en de regulering daarvan bijvoorbeeld. Daar is nog weinig van terechtgekomen. Voor de bouwsector is dat belangrijk. Er gaat het nodige geld in om, zullen we maar zeggen, en dat geld is zelden ons spaargeld alleen, het is voornamelijk geld dat in het hard van de financiële wondertransacties circuleert, de transacties die nu zoveel pijn doen. In de bouwsector bijvoorbeeld, de sector die per project veel geld nodig heeft ook nog voor lange tijd. Niet eenvoudig in een tijd waar alles op duurzaam wordt gezet – behalve het geld. Opmerkelijk, daar gaat het in het hele artikel niet over. De Nederlandse bouwwereld laat weten dat ze een ‘dubbele dip’ voor hun kiezen krijgen. De bodem is nog niet bereikt. Dat is niet zo raar, want de bouwwereld is conjunctuurgevoelig. Dat komt door hun afhankelijkheid van overheidsbestedingen maar dat effect is zo sterk niet meer. Het komt voornamelijk door hun financieringsafhankelijkheid en dat effect zou vandaag de dag wel eens dubbel kunnen tellen.
Het artikel schetst de noodzaak van een nieuwe manier van bouwen, die minder met stenen en cement te maken heeft als met, bijvoorbeeld, de behoefte aan privacy, aan veiligheid, aan een omgeving waar je kinderen kunnen spelen. Je wilt geen woning maar een leefklimaat en een leefomgeving, daar komt het op neer. Dat wisten we al en hoe duurzaam een gated community is? Het hoeven niet van die forten te worden natuurlijk, maar het zou kunnen en het gebeurt al. Van hal denk aan wat anders want een gated community is een product van vraag en aanbod en de toekomst is meer dan dat, de toekomst is anders. De toekomst gaat niet slechts over de belangen van hier en nu maar ook ‘de belangen van mensen dáár en later’. Het duurzame bouwen is goed voor iedereen en het is goed voor alles, voor het milieu, voor de tropische regenwouden, voor de ontwikkelingslanden, het kan niet op.  
Met dank aan de crisis die alles ter discussie heeft gesteld. Van Hal noemt veel op en inderdaad, de tijd dat het vastgoed vanzelf wel in waarde vermeerderde is volgens haar voorbij. Zegt zij. Zou het? In Amsterdam bijvoorbeeld? Of op sommige plekken wel en op andere niet en wat betekent dat dan voor markten, klanten en bouweisen? Welke zakelijke klant wil een duurzaam gebouw als de klant er zelf vandaag in wil en morgen wil kunnen vertrekken? Welke zakelijke klant wil morgen nog überhaupt een groot gebouw? Hoe duurzaam schatten die klanten zichzelf eigenlijk in? En als ze het al willen zullen die grote klanten met hun grote gebouwen dan in het belang van de duurzaamheid ’s avonds netjes het licht uitdoen?
Ik heb de indruk dat mevrouw Van Hal een toekomst schetst die hoogst wenselijk is en door een aantal goed in de slappe was zittende vragers ook wel wordt gesteund. Nee, niet in de zakelijke markt, misschien eerder op de woningmarkt. Vooralsnog is er nog veel te winnen, met betere materialen, met energiebesparing en met een concept waarin de stenen het inderdaad afleggen tegen het ‘concept’. Gegeven de ruimte, in Nederland niet overdadig aanwezig, zeker niet in de grote steden. Vraag en aanbod van ruimte, wordt dat ook duurzaam? Waarom verpatsen we dan elk stukje grond dat we hebben? Waarom verpatsen we het overal? Waarom zien we dat het financiële belang nu al zover is gevorderd dat het overal ter wereld hele stukken land, soms ter grootte van Nederland of nog groter, opkoopt om er wat mee te doen en in elk geval handel mee te drijven?
Ik weet het niet zeker maar ik denk dat een duurzame bouw allereerst afhankelijk is van duurzame financiën. Toch weer overheidsafhankelijkheid, dit keer niet om de sector te spekken maar om de sector minder conjunctuurgevoelig te maken. Als dat laatste niet geregeld is blijft het eerste een mooie droom. Ik weet het, zonder dromen gaat het niet, maar dromen alleen bouwen nog geen huizen, fabrieken en kantoren. Hier en nu niet, daar en later niet.

25 januari

=0=

 


Weer een jaar

Zaterdag zagen Elly en ik Another Year, de film van Mike Leigh. Uit de titel mogen we afleiden dat het een jaar was als vele eerdere, en de opmaat voor nog meer. We volgen een wat ouder echtpaar, zij (Gerri) therapeute, hij (Tom) geologisch ingenieur. Tom en Gerri, het grapje komt uiteraard een keer voor. Ze wonen in een leuk huis in Londen en hebben een volkstuin waar veel van hun vrije tijd in gaat zitten en die de groenteman althans van de klandizie van deze mensen berooft. Het zijn aardige mensen, vanaf hun studietijd bijzonder aan elkaar verknocht, met een zachte humor voor bijna alles. Er zijn wel grenzen overigens. Ze hebben één volwassen zoon, die in de juridische hulpverlening zit. Misschien als advocaat, zeker weten doen we het niet. Een aardige jongen die in het jaar dat we de familie volgen een vriendin krijgt waar hij erg blij mee is en zij ook. Z’n ouders ook overigens. We hadden niet anders verwacht. Die vriendin is één gebeurtenis waardoor niet elk jaar helemaal vergelijkbaar is met elk ander. Een tweede gebeurtenis die dit jaar een eigen gezicht geeft is het overlijden van de vrouw van de broer (Ron) van de echtgenoot. Zij verzorgen de crematie, de broer zelf is tot weinig in staat en bereid tot nog minder. Het contact was niet veel, maar het is een broer. Die ook nog een zoon heeft, die – zo horen we – vroeger zo’n aardig joch was. Nu niet meer. Hij arriveert te laat voor de crematie en geeft daar, de file, het tijdstip van de crematie en de familie de schuld van. Ze hadden op hem moeten wachten. Je proeft z’n woede en z’n rancune.

Ons filmgezin is een veilige pleisterplaats voor verschillende soorten en maten wrakhout. Zij heeft een collega (Mary) die zo verknipt is dat ik er alleen al als kijker nerveus van werd. Een prachtige rol van een ramp van een vrouw, een oud meisje dat denkt niet oud maar nog een meisje te zijn, dat heus wel zelfstandig is, en het o zo graag niet zou zijn. Die wel een oogje heeft op de zoon des huizes en van chagrijn vrijwel uit elkaar spat als blijkt dat hij een vriendin aan de haak heeft geslagen. Die te veel drinkt en ook op andere manieren – elk denkbare manier eigenlijk – ongeschikt is voor het leven. Het is een onmogelijk mens en in al haar onmogelijkheid hartverscheurend triest. Grenzeloos eenzaam en daarom onbegrensd impertinent, nieuwsgierig, opdringerig. Haar kracht bestaat in het ophouden van de schijn. Ze doet het slecht maar ze doet het. Schijn doet leven.

Ze heeft haar evenknie in een oude vriend (Ken) van het echtpaar, een dikke man die we al op weg naar hen toe in de trein aantreffen, met een fors blik bier en chips. Hij eet en drinkt niet, hij zwelgt. Dat zien we ook als hij is aangekomen. Bier, wijn, hij is nooit zonder. Zie, en hoor, hem eten en je hoeft zelf niet meer. Hij heeft een oogje op Mary. Mary niet op hem. Ken is uitgespeeld en hij weet het. Hij houdt de schijn niet op maar zou zijn eenzaamheid graag inruilen voor gezelschap, zelfs dat van Mary. Juist dat van Mary, want hoeveel keus heeft hij nog? Hij is realist. Mary ook. Voor haar is Ken de man die, zou ze ermee in zee gaan, het afscheid betekent van elke illusie. Daar is ze niet aan toe. Tom en Gerri organiseren een barbecue en Mary gaat in op de uitnodiging maar niet op die uitnodiging. Ken kan het wel schudden bij haar en dat zegt ze hem ook, in andere woorden maar wel woorden die niets aan duidelijkheid te raden overlaten.

Dat Ron na de crematie wordt uitgenodigd om een paar dagen bij Tom en Gerri op te knappen, of bij te komen, of wat dan ook, het verbaast niet. We zijn dan al in de winter, bij het einde van de film. In de tuin moeten een paar dingen nog gebeuren en dus zijn Tom en Gerri aan het werk in de tuin en Ron blijft thuis. Dat verbaast ook niet, Ron is geen man voor een tuin. Ron is een man voor zo ongeveer niks. Hij zegt niet veel, geeft spaarzaam antwoord en soms geen antwoord. Vragen moeten niet te dicht in de buurt komen. Als Mary op bezoek komt, die winterdag, en Ron alleen aantreft heeft ze al moeite genoeg om binnen te raken. Ron is gehard maar Mary brengt hem toch licht van z’n à propos. Je hoort hem bijna denken en Mary ook. Ze denken wel aan wat anders, niet aan hetzelfde. Krijgt Mary het door? Mary heeft zichzelf uitgenodigd. Kennelijk is er enige verwijdering ontstaan met Gerri maar die houdt de afstand niet vol. Ze raadt Mary professionele hulp aan. Nee, niet bij haar. Mary zal het niet doen. Als alles moet veranderen is de stap naar veranderen te angstig en groot. We zagen het eerder in de film, aan het begin. Een vrouw, zo platgeslagen dat de huisarts haar doorverwijst naar de therapeute, naar Gerri. Ze gaat erheen om er vanaf te zijn. Ook bij haar zou alles anders moeten en dat is teveel. Hulp is er voor hen die althans een begin kunnen maken ook zichzelf te helpen.

Mary blijft maar eten die dag, net als zoonlief en vriendin. Ja Mary, de vriendin is er nog en het ziet er naar uit dat ze er nog een hele tijd zal zijn. Niet zoals Ron, de nieuwe huisgenoot voor tijdelijk. Het diner is de laatste scène in de film. We zien het beeld stilstaan bij Mary, die kijkt alsof ze voor het eerst enig besef van de situatie en van haar situatie heeft en daar zo verbijsterd door is dat haar gezicht er geen uitdrukking aan weet te geven. Ook het geluid valt weg. Met dat beeld en in die stilte houdt het op.

De film heeft weinig actie en is toch spannend, door wat er niet gebeurt meer dan door wat er wel gebeurt. Een jaar zoals er meer waren en meer zullen komen. Lange tijd geen film gezien die met zoveel liefde en achting is gemaakt.

24 januari

=0=

 


Statistiek op maat

Op school hebben we geleerd dat statistische uitspraken geen individuele geldigheid claimen. Het gaat over u maar niet over u persoonlijk. Er is maar één statistiek die voor u en ook voor u persoonlijk opgaat en dat is de statistiek van de regel dat wie leeft ook sterft. Moet een keer gebeuren, leg je er maar bij neer, hang je er niet aan op, als het ware, als het ware. Aan de andere kant is het maar statistiek en niet meer dan statistiek, dus wanneer we doodgaan en onder welke omstandigheden, dat vertelt het verhaal godzijdank niet. Daar zit nog handel in. En keuze, als je zelf wilt kiezen wanneer en onder welke omstandigheden. Er wordt aan gewerkt.

In Trouw wordt de laatste tijd veel geschreven over de nieuwe statistiek op maat die preventie heet. Gaat het voor jou niet op? Dat had je gedacht. Het gaat bij uitstek voor jou op. Zozeer zelfs dat we best mogen spreken over een preventiecomplex. Ik weet wel dat het niet zo wordt genoemd en dat er dus helemaal geen sprake van is maar nu ik erover spreek is er sprake van. Deze zin staat model voor de ene vleugel van het preventiecomplex. Het is de vleugel van de kromme logica. Voorbeeld: elke misdadige carrière is ooit begonnen met spijbelen en dus … Het zijn vooral bestuurders die dol op dit type logica zijn. Ze verbinden er de conclusie aan dat voorkomen beter is dan genezen. Preventie dus. Spijbelen is helemaal niet zo onschuldig, het is zelfs hartstikke schuldig en het is de eerste stap op weg naar het einde.

De kromme logica vleugel is niet de mooiste vleugel van het complex. Dat komt omdat de voorstanders ervan altijd een beetje belachelijk overkomen. Iedereen snapt dat van de redenering geen bal klopt. Al was het maar omdat het verschil tussen jou en de misdadiger niet in het spijbelen gezocht hoeft te worden. Spijbelen geeft niet het verschil maar veel eerder de overeenkomst aan. We hebben allemaal gespijbeld en hoewel het niet de norm van de school is, is het wel een teken van een doodgewone ontwikkeling van je kind. Trouwens, even later ontdekken we het grijze ziekteverzuim dus waar hebben we het over.

Waardoor het verschil in carrière dan wel ontstaat, daarvoor kunnen we in de tweede vleugel terecht. Dat is de vleugel die het motto voert dat elke afwijking van de standaard in de tijd bezien waarschijnlijk steeds groter zal worden en daarom in alle gevallen een probleem oplevert dat je niet moet willen hebben. In deze vleugel is het niet je gedrag wat je vertoont dat onze zorg is, in deze vleugel is onze eerste zorg het gedrag dat je had moeten vertonen – en dat je niet vertoont. Wat je laat zien interesseert ons niet, behalve als afwijking van de norm, als afwijking van onze standaard, de standaard die we op alle kinderen toepassen, dus op jou. En op je ouders desnoods ook want het komt allemaal niet nergens vandaan.

Schop de therapeut de school uit, adviseert Paul Helders in Trouw gisteren. Hij maakt zich boos en ongerust over het leger aan therapeuten dat in elk kind een markt ziet want waar we blij zouden moeten zijn met het gegeven dat elk kind verschillend is, zien zij er een markt in. Ze handelen niet op het verschil, ze handelen op de afwijking van de maat en dus moet een kind een looptherapie, een bewegingstherapie, een spraaktherapie, een therapie om wat rustiger te worden enzovoorts. Wij willen helemaal geen kinderen meer, wij willen alleen nog exemplaren van het Kind. Kleine verschillen zijn toegestaan om het leuk te houden maar een verschil dat een afwijking dreigt te worden wordt zo vroeg als mogelijk opgespoord, behandeld en uitgebannen.

Helders wijt het aan de marktwerking in de zorg. Geef de zorg vrij en iedereen die denkt wat aan te bieden te hebben verzint er een ‘product’ bij en gaat op zoek naar een markt. Scholen zijn mooie plekken om de markt te ontdekken en onzekere ouders en schoolpersoneel en bestuurders met slappen knieën zijn een wankel en beïnvloedbaar, en daarom maar al te willig publiek. Gouden combi van omstandigheden. Smijt die aanbieders de school uit, adviseert Helders en dat lijkt me een heel zinnig advies. Maar ik vraag me wel af of het preventiemonster daarmee getemd is. Op tal van terreinen is in naam van het bestrijden van de afwijking de jacht op het verschil geopend. Het onderwijs is een mooie, zij het weinig fraaie, illustratie. Een illustratie van de tendentie de ander niet als de ander te zien maar als een risico dat zich als je even niet oplet kan transformeren in een gevaar. Denk eens aan de kosten, roepen we dan, de kosten van niet-ingrijpen. Dat moeten we niet willen, daar wordt niemand gelukkig van. Ingrijpen dus, tijdig, voortijdig, vooraf.

De mens is de mens een risico en het begint al bij de conceptie.

23 januari

=0=

 


Sciëntometrie

Gistermiddag was ik bij de oratie van Paul Wouters, in het auditorium van de Universiteit van Leiden. Stampvolle zaal, met op de valreep nog wat extra stoelen, neergezet door een man die zich ook daarvoor al verdienstelijk had gemaakt door mensen te verwijzen naar waar gereserveerde plaatsen waren en waar vooral niet. Dat hebben ze allemaal nog in Leiden en dan heb ik het nog niet eens gehad over het orgel dat voorafgaand aan en ter afsluiting van de bijeenkomst werd bespeeld. Ik was wel eens eerder in het auditorium geweest maar dat bespeelde orgel was nieuw voor me. Met alle belangstelling werd het wel erg warm in de zaal en dan is een uur op harde bankjes zitten met het hoofd (ik zat in een zijvak) naar rechts gedraaid, lang.
Dat lag niet aan de oratie zelf. Van sciëntometrie wist ik weinig en het was boeiend in kort bestek achtergrond, begin, ontwikkeling en strijdpunten van het vak mee te krijgen. Ik vermoed dat iedereen die zich wel eens met onderzoek in welke vorm dan ook heeft beziggehouden intuïtief aan het sciëntometen is geslagen: welke onderzoeksliteratuur is relevant (wat kom je vaak tegen), welke subthema’s en aspecten moet je hebben om jouw thema een beetje in het vizier te krijgen (verwijzingen, doorverwijzingen, dwarsverbanden), dat soort dingen. Hoe verder je met een onderzoek gevorderd bent, hoe sneller want gerichter het gaat. En het houdt nooit op. De onderzoeker houdt op, het onderzoek vanzelfsprekend nooit. Wat je van je zoektocht hebt kunnen gebruiken slaat neer in je eigen rapport en dan kan iedereen zien waar je de spullen vandaan hebt. Het bevordert de controle op hoe je met de spelregels van onderzoek bent omgesprongen en het laat zien wat, wie, hoe en waar door een onderzoeker van belang is gevonden.
Als elke onderzoeker dat doet kun je per thema, per veld, per discipline turven waarvan het meest gebruik wordt gemaakt. Dat is handig want dan kunnen onderzoekers en beginnende onderzoekers snel hun weg vinden en dus ook snel aan de slag met het opzetten van eigen onderzoek zonder dat het risico dat je opnieuw het wiel uitvindt al te dreigend is. En, zo gaat het verhaal, je wilt uiteraard met iets nieuws komen dus dan is het een zegen dat je kunt achterhalen of het pad dat je wenst te belopen niet al eerder is bewandeld. Zo, begreep ik, is het ook begonnen, maar dat duurde niet lang. Van een zoekinstrument is dit meten veranderd in een beoordelingsinstrument. Wie wil meetellen kan zich maar het beste richten op het beste en het beste is wat uit metingen tevoorschijn komt als het beste (het meest aangehaalde – met allerlei verfijningen die niet echt verfijningen zijn maar wel verraden dat het met de kwaliteitsmeting niet echt wil lukken als je niet het spul maar slechts de tijdschriftverpakking meeneemt). Zo ontstaan allerlei indexen van tijdschriften, artikelen, citaties. Wie niet in zo’n index voorkomt heeft het niet goed gedaan en daar zit straf op want bij de verdeling van onderzoeksgelden geldt dat wie citationeel niet bestaat ook voor de onderzoeksubsidie niet bestaat. Voor de buitenissige letteren, waar ze nog in boeken geloven en niet alles in artikelen hoeven stoppen, is een boekenindex in de maak. Aan vrijplaatsen doen we niet meer.
Over wat de beste indicatoren zijn wordt dus strijd geleverd. Dat is een strijd die ook economisch van belang is. Elsevier heeft het aanvankelijke Amerikaanse quasi-monopolie doorbroken en nu zijn er twee grote spelers. Er wordt alles bij elkaar heel wat afgemeten en omdat het nu eenmaal lastig is om kwaliteit te meten als je de kwaliteit niet meet maar dat door ‘indicatoren’ laat vervangen wordt het de moeite waard leven en tijden van indicatoren op hun beurt te onderzoeken evenals wat ze aanrichten in hoe onderzoekers hun onderzoek formuleren en hun voorstellen zo inrichten dat de aansluiting met de citatiewatchers alleen nog maar een kwestie van uitvoering lijkt. Het is als met cultuur: niet slechts een descriptie maar een heuse inscriptie. De indicatoren doen hun werk al voordat er iets gedaan is. Dat is pas cultuur.
Sciëntometrie meet de metingen van indexen en indicatoren en meet de gevolgen. Dat is het aardige. Het is een complex systeem in een veld van weer andere complexe systemen en dan wordt het op een gegeven moment (de citatologie bestaat nog niet zo lang en de meta-morfose van de sciëntometrie bestaat nog korter) mogelijk een eigen wetenschapsveld in te richten. Daar is vervolgens nog wel het nodige aan te plukken, te ontwikkelen, te vergelijken want elk monitoren wordt vroeger of later herhaald in het monitoren van het monitoren en dus valt er veel te leren van het inspecteren over en weer van elkaars methoden, procedures enzovoorts en overal zien we dat het toezicht verschuift van achteraf naar vooraf – naar preventieve zelfcensuur bij de uitvoerders zou je kunnen zeggen. Ook dat kan worden onderzocht – en dat zijn ze in Leiden nu ook van plan. Het vak sciëntometrie roept bij mij gemengde gevoelens op, maar dit laatste, het onderzoek naar een onderzoekswereld die zichzelf naar het toezicht toe modelleert, daar ben ik buitengewoon benieuwd naar. Dat het zo werkt weten we, maar hoe het zo werkt, waar het sterk werkt en waar minder, waar het aanstellingen en continueringen van aanstellingen beïnvloedt zo niet bepaalt: ik ben benieuwd.

22 januari

=0=

 


Politiek uit nood

Een tijdje dacht ik: dit boek ga ik gewoon niet lezen. Het boek in kwestie: Not for Profit; why democracy needs the humanities, van Martha Nussbaum (Princeton/Oxford, Princeton University Press 2010). Dat ik het wou overslaan kwam door een recensie van het boek door Arnold Heumakers in NRC Handelsblad, alweer van augustus vorig jaar. Ik ben meestal tamelijk onder de indruk van Heumakers dus vandaar. Ik heb het aan het zittende kabinet te danken dat ik het boek alsnog heb aangeschaft. Bij deze een paar bevindingen, voor ik het weer eens vergeet.
Allereerst over de titel van het boek. Nussbaum stelt vast dat meer aandacht voor de letteren (inclusief filosofie en geschiedenis) niet ten koste gaat van de winst. Het gaat ten koste van de focus op snelle winst en het is die focus die steeds meer aan de winnende hand is. Haar boek is een pleidooi tegen de snelle winst. Dat bepaalt mede actualiteit ervan. Verder valt op dat die ‘humanities’ van haar ook uitstapjes in psychologie, in pedagogie (veel pedagogie), in economische geschiedenis en politieke wetenschappen bevatten. Geen sociologie, ook geen economische theorie, behalve de ontwikkelingsbenadering van Sen. Culturele antropologie, dat vermoedelijk weer wel. De eenheid is ver te zoeken want het is meer datgene waartegen ze zich verweert dan iets anders dat voor de consistentie van het betoog garant moet staan. Het is eerder de tegenstelling tot techniek die haar standpunt in deze het beste beschrijft dan een klassiek pleidooi voor meer filosofie in het studiepakket – hoewel het dat ook is. Het is jammer, gegeven deze achtergrond, dat Nussbaum nergens uitlegt wat ze met die techniek bedoelt. Dat is een tekortkoming want op deze manier verwordt de techniek tot de naïeve en soms ook geslepen handlanger van de jongens met de blik op het snelle geld. Daar worden we niet veel wijzer van. Laat Veblen het maar niet horen, laten de technocraten het maar niet horen. Laat Dewey, één van haar kroongetuigen, het maar niet horen.
Nussbaum heeft het eerlijk gezegd niet over techniek en evenmin over technologie. Behalve woord, schrift en andere door de tijd geëerbiedigde vormen van analoge communicatie, in het bijzonder op basis van spel en dans, toneel en muziek, beeld en verbeelding (‘maar het najagen van een droom vereist dromers’: 137) vinden we weinig. Dat ook dit boek met behulp van een dure uitgever en een uitgebreid netwerk van steeds meer elektronisch bemiddelde marketing, distributie en transport de weg naar de lezer heeft gevonden kun je uit de tekst niet afleiden. Digitale communicatie en digitale technologie – en alles wat die mogelijk maken aan zelforganisatie, aan leren en aan en andere nieuwe vormen van cultuur en uitwisseling – worden in het boek niet eens genoemd en dus ook niet hun effecten op en vooral ook hun mogelijkheden voor productie en logistiek. Kort door de bocht daarom, en alles in dienst van haar zorgen over de ‘economisering’ van het leven, van het dagelijkse leven tot en met de wereld van het onderwijs en het onderzoek. En de wereld van de cultuur natuurlijk en bij ons zijn onderwijs en cultuur verenigd in de persoon van staatssecretaris Zijlstra, een man die een tamelijk af product is van de economisering van onderwijs en samenleving. De economie is buiten haar oevers getreden. For the record: Zijlstra rondde eerste een studie marketing af aan de Hanze Hogeschool voordat hij sociologie ging studeren aan de RuG, een opleiding waarin het zogenaamde ‘rationele keuze’ model goed, zo niet dominant, vertegenwoordigd is. Dat komt er nou van zou Nussbaum zeggen, hoewel ze Obama kapittelt omdat deze, ondanks een fraaie ‘liberal arts’ opleiding, gewoon meedoet aan een onderwijsbeleid dat op rendement en niet op burgerschap is afgesteld. Ook Obama is een kind van dezelfde tijd als Rutte en Zijlstra en Cameron en Clegg. Het is geen goed boek dat ze heeft geschreven. Het rare is dat ondanks haar pleidooien voor empathie – en je kunnen verplaatsen in de huid van de andere en zelfs van de andere kant – ze zich daar zelf met een Jantje van Leiden van af heeft gemaakt.
Heumakers verwijt Nussbaum dat ze het omgekeerde en dus eigenlijke hetzelfde doet als haar tegenstanders. Zij streeft een politieke ideologie na waarin de geesteswetenschappen weer helemaal aan hun trekken komen. Hij heeft gelijk, behalve dat van die ideologie. De politiek bij Nussbaum is er niet vanwege de ideologie, de politiek is er uit nood. Dat maakt het nodige verschil. Zij wil geen eigen dominantie opbouwen, ze wil een andere dominantie afbouwen. Namelijk die waarin de politiek niet alleen de economisering bevoordeelt, maar ook alles wat betreft cultuur en burgerschap tot instrument maakt van een ideologie die meent dat het altijd en dus ook dan en daar om keuzes gaat, om selectie – en die daarom ook zelf moet kiezen want in de economisering is er altijd één keuze de beste, met uitsluiting van alle overige. Hindoes zijn goed, moslims zijn slecht, en daarom kiezen we voor de hindoes en tegen de moslims, van die dingen die nooit voorbijgaan. Het voorbeeld, ze had het er al uitgebreid over in haar The Clash Within (Cambridge MA, Harvard University Press 2007) en het komt in dit boek terug. Terecht want het is een model – niet om na te volgen. Als ik naar het huidige kabinet kijk vind ik haar pleidooi niet zo gek. Haar wending naar de politiek is geen politieke. Het is een wending uit nood. Juist daarom is het zo treurig dat het geen goed pleidooi is geworden.

21 januari

=0=

 


Divers

Volgens Kamerlid Heijnen houdt deze regering diversiteit tegen uit angst voor positieve discriminatie. Volgens Donner mag nog altijd iedereen z’n eigen ‘meetbare doelstellingen’ verzinnen. Mij lijkt dat diversiteit geen beleid is op het niveau van individuen (al heeft het natuurlijk wel consequenties op dat niveau) maar op het niveau van de categoriale samenstelling van een groep, een personeelsbestand, een directie enzovoorts. De regering wil dat de ‘beste’ wint en dat is inderdaad het onmogelijk maken van elk beleid op diversiteit dan wel positieve discriminatie. De regering denkt niet in teams, de regering denkt in individuen. Heijnen stelt dat divers samengestelde teams beter presteren. Dat zou kunnen maar dat hangt dan niet af van de diversiteit per se maar van de diversiteit van een klantenbestand en van cognitieve diversiteit, de diversiteit van verschillende expertises, kennis, ervaringen, intuïties. Dat is de diversiteit van het verschil en hoewel dat in de praktijk best kan samenvallen met verschillen in ‘cultuur’ van groepen en categorieën mensen hoeft dat niet zo te zijn; ons onderwijs zorgt er steeds meer voor dat al dergelijke verschillen steeds meer worden weggemasseerd. De vrouwenemancipatie is vooral een kwestie van vrouwenhomogenisering, van vrouwenassimilatie geworden. We zijn allemaal kinderen van dezelfde onderwijscultuur en in staatssecretaris Zijlstra zien we er de perfecte uitwerking van. Geen cognitieve diversiteit, iedereen een prettige ondernemende instelling en visie op alles, en je kunt cultuur tot rekensom maken en de reserves van het hoger onderwijs ook. De premie van de veranderingen in het hoger onderwijs van de laatste vijfendertig jaar betaalt zich nu uit. Zijlstra is geen kwade genius, hij is een product, hij is ons product en Rutte valt in dezelfde categorie, zij het misschien in een net wat hogere prijsklasse. Diversiteit? Het mocht wat.

Nu we het er toch over hebben, zijn er wel verschillen tussen jongens en meisjes? Ik had er nooit zo bij stil gestaan dat je daar aan zou twijfelen maar nu blijkt dat het wel degelijk een serieuze vraag is. Er zijn mensen die stellen dat als je alle door opvoeding en cultuur aangebrachte verflagen van de mensen af krabt het resterende verschil minimaal is. Ik lees in het De Groene van afgelopen week, in een artikel over wat voor verschil we zien in het brein van het kind. Weinig dus. We brengen de verschillen zelf aan en zeggen dan dat je toch wel kunt zien dat het een echte jongen/een echt meisje is. We halen eruit wat we er eerst zelf in hebben gestopt. Nou vooruit, niet helemaal, er is nog wel een ietsiepietsie verschil misschien maar als dat al zo is dan toch niet als in de vergelijking van Mars en Venus; het gaat hooguit om de bewoners van Noord- vergeleken met die van Zuid-Dakota. Een aardig beeld.

Ik heb de indruk dat de onderzoekers die in het artikel worden aangehaald zouden willen weten hoe baby’s zich zouden ontwikkelen zonder de hinderlijke tussenkomst van ouders, opvoeding en cultuur. En vervolgens aantonen dat die ouders en die opvoeding en die cultuur wel degelijk een rol spelen. Tja, denk ik dan, dat haal je de koekoek. Ik weet het niet zeker maar als het niet zo is begrijp ik hun argumenten niet en ik begrijp nog veel minder waarom een aantal van hen zo boos zijn. De wereld is slecht uiteraard maar of de wereld nou uitgerekend hierdoor slecht is, ik weet het niet. De onderzoekers wel? Wat, zo heb ik me afgevraagd, hebben ze nou precies onderzocht behalve mijn vooroordelen en die van andere mensen en misschien ook wel de vooroordelen van zichzelf? Ik heb geprobeerd het te achterhalen maar ik ben er niet uitgekomen. Ik kom niet veel verder dan een uitwisseling van meningen over hoe je een gelijke score van jongens en meisjes op tests (die geen gelijke score is maar een interpretatie van de observanten) kunt interpreteren. Dat lijkt eerder op een licht vermoeiend recursief gebeuren dan op een verklaring. We doen wat we doen en wat we doen doen we omdat we niets anders kunnen doen dan wat we doen. We zijn kinderen van onze tijd als het ware en dat geldt voor jongens en voor meisjes.

Niettemin, diversiteit kan op de schop want dat versterkt de vooroordelen alleen maar. Lijkt me de conclusie van het artikel te moeten zijn. Er is amper verschil, behalve het verschil waarvoor we zelf verantwoordelijk zijn. Wel een groot verschil overigens maar als je dat beloont versterk je hooguit de vooroordelen over wat de ene categorie doet afwijken van de andere. Zoiets? Het zal wel en zelf ben ik ook helemaal niet tegen een beleid dat het beleid op diversiteit weer terugbuigt naar het eerbiedwaardige positieve actiebeleid. In de versie van Heijnen is diversiteit per slot niet meer dan eigen belang dus daar komen bedrijven, organisaties en regeringen vroeger of later toch wel achter. Omdat er te weinig gezonde Hollandse jongens zijn overgebleven bijvoorbeeld. Laat ze dat zelf maar uitzoeken. Een werkverdeling dus. De bedrijven regelen hun eigen diversiteit, de overheid regelt de opheffing van discriminatie. Wat dat is, is – bij gebleken gebrek aan redenen voor genderdiversiteit – geen achterstand meer maar achterstelling. Daar hadden we toch die positieve actie voor?

20 januari

=0=

 

 

Vleien

Wouter Bos is twee keer door het CDA voor leugenaar uitgemaakt. Of Jack de Vries beide keren aan de wieg van de beschuldiging stond weet ik niet. Het kan me ook weinig schelen. De bewindslieden die Bos aanklaagden (Balkenende en Verhagen) mogen zelf hun verantwoordelijkheden houden, De Vries of niet. Ik heb me afgevraagd waarom Bos zo’n geliefd doelwit was en ik heb me afgevraagd waarom aan Bos iets van de verdenking bleef kleven. Het zijn twee heel verschillende vragen. De eerste is niet zo ingewikkeld. Bos moest worden afgestopt, zodat hij de verkiezingen niet zou winnen. En hij moest het bezuren toen het CDA haar plannen met Afghanistan niet kon doorzetten.
Dat het Bos bleef de eerste keer bleef aankleven snap ik nog wel. Politici staan in een slechte reuk. Wilders profiteerde en profiteert ervan en Balkenende wou ook wel eens een graantje meepikken. Bos was niet op zo’n aanval voorbereid en dan is het kwaad snel geschied. En het hield lang aan. Toch was het niet daarom dat Verhagen het refrein weer inzette, afgelopen jaar bij de val van het kabinet. Denk ik. Ik denk dat het kwam omdat Verhagen hoog spel had gespeeld, geen middel had geschuwd en toch bakzeil moest halen. Ik denk dat het wrok is geweest en dat zijn weerzin tegen de PvdA daaruit voortkomt. Niet uit de onbetrouwbaarheid van Bos maar gewoon, omdat de man een slecht verliezer is. Dat zijn gevaarlijke mensen in de politiek. En hij is ver gegaan. Neem het volgende citaat uit een tweetal recent vrijgegeven berichten van Wikileak (overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad): ‘Eén ervan beschrijft een onderonsje tussen de Amerikaanse ambassadeur bij de NAVO Daalder en directeur-generaal De Gooijer (Buitenlandse Zaken). Zou het geen idee zijn als de Amerikaanse minister van Financiën Geithner zijn Nederlandse ambtsgenoot Bos tijdens een topoverleg in Pittsburg apart zou nemen en hem duidelijk zou maken dat Nederland alleen mag meedoen in de G20 vanwege zijn bijdrage aan Afghanistan, is De Gooijers vraag. Voor Bos, wiens positie doorslaggevend was voor de vraag of Nederland tegen de afspraken in de missie zou verlengen, zou dat signaal voldoende moeten zijn om overstag te gaan. Geithner werd zorgvuldig geïnstrueerd, blijkt uit het tweede bericht. Hij moest in diplomatieke bewoordingen duidelijk maken dat Amerika een partnerschap met Nederland waardeert, „niet alleen in Afghanistan, maar ook in de NATO en G20”.’
Daar is over nagedacht en een minister die zover gaat z’n ambtenaren te instrueren om via de band van de Amerikanen een minister uit het eigen kabinet onder druk te zetten, die gaat te ver. De ambtenaar is natuurlijk ook geen knip voor de neus waard maar de minister, de politiek verantwoordelijke voor en de opdrachtgever van de ambtenaar is het al helemaal niet. Hoe het Verhagen in de dagen na dit akkefietje is gelukt om nog met Bos aan een kabinetsbeleid te werken is me een raadsel. Het moet hem allemaal niets kunnen schelen – als hij z’n zin maar krijgt. Onbetrouwbaarder dan Verhagen, zouden we ze hebben in de Nederlandse politiek?
Blijft de vraag waarom Bos er ook een tweede keer door in verwarring kon worden gebracht. Hij had het dit keer kunnen zien aankomen. Het is me een raadsel. Het is natuurlijk mooi dat Bos nooit in de tegenaanval is gegaan. De eerste keer denk ik dat hij gewoon uit het veld was geslagen. Een politicus die niet steeds hetzelfde zegt is een verstandig politicus en dat het CDA daar een leugenaar uit bakte, daar zal hij niet mee hebben gerekend. Maar de tweede keer? Zou het komen door een zekere ijdelheid van Bos, reden waarom hij gevoelig was voor vleierij, soms glimmend een compliment in ontvangst nam, groeide als hij werd geprezen – en in verlegenheid werd gebracht als het hem allemaal weer werd afgenomen en hij in de hoek werd gezet?
Ergens heb ik steeds het vermoeden gehad dat het aftreden van Bos, niet als minister maar als eerste man van de PvdA, daar mee te maken had. Een ontoetsbaar vermoeden, ik weet het. Maar van Job Cohen weten we dat aan hem vleierijen niet besteed zijn. Kan toeval zijn. Is het toeval?
Hoe dan ook, Verhagen moet aftreden. Het zal niet gebeuren, maar het moet wel. In de Tweede Kamer heerst rust, dat zegt veel. Wij hebben liever een bondgenoot die ons chanteert en een minister die liever die bondgenoot heeft dan het kabinet waar hij in zit, dan enige beschaving. Nieuwe politiek. Alles is geoorloofd.
18 januari

=0=

 


Omvattend

Duitsland staat niet langer afwijzend tegenover meer Europese beleidscoördinatie. Zegt, uiteraard met de nodige slagen om de arm, minister van financiën Schäuble. Het zou een zekere harmonisatie moeten inhouden van belastingen en pensioenleeftijden en dus arbeidsmarktbeleid. Frankrijk is welwillend ten opzichte van een verhoging van het bedrag in het Europese noodfonds. En Spanje is weer bezig met de hervorming van banken, door de spaarbanken in rustiger vaarwater te brengen. Of drie keer scheepsrecht is weten we nog niet maar opmerkelijk is het wel, dit drietal berichten in het FD. Langzaam schuift Europa op – naar meer Europa.
De verhoging van de pensioenleeftijden (men spreekt van een zekere bandbreedte waarbinnen de leeftijden zich nog mogen ophouden) is interessant. We krijgen dan een soort pensioenslang zou je kunnen zeggen, net zoals we dat destijds met de munteenheden hadden. Dat liep uit op de euro, eerst als rekeneenheid en later als de munt met alles erop en eraan. Staat ons dat ook te wachten met de pensioenen? Mocht dat zo zijn, dan wordt het spannend. Het zal de gehele sociale zekerheid beïnvloeden en met de sociale zekerheid de arbeidsmarkt die voor steeds meer mensen het karakter van een markt zal verliezen omdat het alternatief niet langer werk of werkloosheid mag zijn maar een uitkering, strak gekoppeld aan elk voorbijkomend baantje. De verhoging van de pensioenleeftijd zal een mooie aanjager blijken te zijn voor een maatschappij waarin werken een plicht is en de keus alleen overblijft voor mensen die toch al wat te kiezen hadden. Of werken, eigenlijk moeten we het onderscheid tussen arbeid en werk van Hannah Arendt weer in ere herstellen: de arbeid (sleur van het dagelijkse redderen, sloven en zorgen opdat de anderen aan de slag kunnen) wordt plicht, het werken behoudt het aura van de keuze (en nu dan ook echt aan de slag jongens, want geen product zonder productie en zonder productie geen inkomen en in dat geval verwijzen we door naar het re-integratiebureau en u krijgt geen tweehonderd gulden). Meer is er niet want handelen is handeldrijven geworden en dat brengen we gewoon onder bij het werken. Ook een politicus is uiteindelijk niet meer dan een politiek ondernemer, opererend op een politieke markt. Nou vooruit, je hebt er geen diploma voor nodig dus dat treft. Uiteraard, die re-integratiebureaus zijn er ook. Het zijn de re-integratiebureaus die cursussen verzorgen over hoe je in het keuzemenu terecht kunt komen: als je heel erg je best doet, zo erg je best doet zelfs dat vooraf uitgerekend kan worden dat slechts weinigen uitverkoren zullen worden. Dat wordt dan later de re-integratiebureaus weer verweten omdat die te weinig effectief zouden zijn. Onzin natuurlijk, ze zijn extreem effectief alleen niet in het vak waar ze voor zijn opgericht. En verder hangt het gewoon af van de hoeveelheid arbeid die benodigd is om de gekozenen te ondersteunen en vrij te houden. Dat wordt steeds meer. Arbeid en werk, het verschil in duurzaamheid dat Arendt er ooit mee wilde aangeven is er wel af, het verschil in status daarentegen is helemaal terug. In een nieuw jasje. Niets blijft het zelfde en toch verandert er niet veel.
Dat wordt nog wat, al zijn we in Nederland reeds een behoorlijk eind op weg en Duitsland met Hartz IV ook. Maar het echte vuurwerk zit bij de eventuele belastingharmonisatie. Meestal lopen wij keurig in het gelid met Duitsland; bij de belastingen daarentegen vallen wij onder de belastingparadijzen (we concurreren dan ook fors met onze belastingen, net als België en Luxemburg – en Engeland, maar dat valt buiten de euro, net zoals Zwitserland en een boel klein grut dat voornamelijk leeft van paradijselijke belastingregimes). Wij wel en elke harmonisatie zal ons nopen wat minder te concurreren met die belastingen. Voor een land met veel multinationals geen eenvoudige opgave. Voorwaar! Daarom, het worden spannende tijden en ik hoor het kabinet al denken dat omvattend natuurlijk mooi is maar dat het niet al te omvattend hoeft te zijn. Zachtjes aan, anders breekt ons lijntje.

17 januari

=0=

 


Epibreren

Meten is, zoals we weten, meestal het vertalen van de ene onwetendheid in de volgende. Je zet ergens een = teken tussen twee dingen, geeft ze een numerieke waarde op een schaal die je zelf hebt verzonnen en kijk: je weet dat je hebt gemeten. Dat, niet wat, maar een kniesoor die erop let. Meten is weten dat, niet weten wat. Het is een nuttige bezigheid, miljoenen mensen in de monitoring industrie zijn er mee bezig. Er komen er steeds meer bij. Monitoren is het werkwoord van de laatste decennia. Het is net als geld; je hebt er nooit genoeg van, er kan alleen maar bij. Er moet bij. Dat je de meeste metingen ook nog eens een keer in een verhoudingsgetal kunt weergeven zegt alles over er wat van de ratio is terechtgekomen. De filosoof vraagt zich af wat het nut van nut is, de argeloze toeschouwer vraagt naar de ratio van de ratio. Als we maar in gesprek blijven. Ook dat kun je meten en het heerlijke is dat je altijd en per definitie net zoveel gesprekken ontvangt als voert. Daarom kun je ook heel makkelijk nagaan of sommige mensen heel veel voeren en ontvangen en andere mensen heel weinig en alles er tussen in. Hele wetenschapstradities – ‘netwerkanalyse’, ‘sociaal kapitaal’ – zijn erop gebouwd. Vertrouwen, het hangt er vanaf. De schoorsteen moet roken en met de brandstof zijn we niet kieskeurig.

Toch vraag je je af of we het in heel veel gevallen van monitoren en meten niet gewoon hebben over ‘epibreren’. Het woord, een prachtig woord, stamt van een onbekende ambtenaar. Laten we hem ‘de’ onbekende ambtenaar noemen en alsnog een standbeeld voor hem oprichten. Het woord is door Carmiggelt (in het cursiefje ‘Het woord’, uit 1954) populair geworden. Althans, een beetje. Het is een variant op het antwoord (‘ongeveer de helft’) naar aanleiding van de vraag hoeveel ambtenaren werken. Als de ene helft werkt eet de andere helft echter allerminst uit de neus. Die andere helft doet alsof ze aan het werk is, die ‘epibreert’. Epibreren is doende niets doen, is doende de indruk wekken dat er van alles wordt gedaan. Zulke woorden moet men koesteren. Ik denk dat vele ervaringsdeskundigen het woord niet kennen – om het te kennen heb je er ooit iets voor moeten doen om het te achterhalen en dat is strijdig met de praktijk ervan. Het is een pragmatische paradox, van het soort van die cake die je wilt hebben en die je wilt opeten.

De laatste dagen worstelt Groen Links ermee. Ik was buitengewoon onder de indruk van wat fractievoorzitter Sap als de hoofdvraag voor haar partij verwoordde: “Kunnen we op dit moment in de geschiedenis een verschil maken met een missie, maar ook Afghanistan niet helemaal in de steek laten en zorgen voor een alternatief?” Daar is fors op geëpibreerd, dat geef ik je op een briefje. Ik vind het een geniale vraagstelling, schotsen springend van de ene onbekende naar de volgende en zo fantastisch elliptisch geformuleerd dat ik er helemaal blij van werd – en ik proef er die cake in. Zeker weten. Wat er ook uit komt, het komt goed. Je moet weten op te vallen maar ook weer niet te veel want anders denken ze nog dat het je daar om gaat. Terwijl het om de Afghanen gaat.

Of je met een missie ‘een’ verschil kunt maken is geen moeilijke vraag. De missie is er nog niet en zodra hij er wel is, is dat een verschil. Dat verschil kun je op elk moment in de geschiedenis maken en dus ook op ‘dit’ moment. Ja, dus, een verschil, nou en of. Of het er toe doet is weer een heel andere vraag en mevrouw Sap zou het graag zo doen dat het lijkt alsof we wat doen terwijl we niks doen en dat laatste als een alternatief presenteren waarmee de Afghanen maar wat geholpen zijn. Het alternatief is zoiets als nooit geschoten is ook nooit raak. Dat is beter dan nooit geschoten is altijd mis. Je zou de verkeerde eens kunnen raken en dat zal met het alternatief waar mevrouw Sap van droomt niet kunnen gebeuren. We schieten niet. We epibreren. En dan kan Rutte wel zeggen dat wie niet wil schieten ook niet zal opschieten maar dat zijn ook slechts epibrerende woorden. Mevrouw Sap, ik denk dat zij er op uit komt dat wie wil schieten zichzelf in de voet zal schieten en dat ze dat niet als hulp kan verkopen. De beste hulp schiet niet maar schiet te hulp. De beste hulp is epibrerende hulp. Het verschil zal meetbaar zijn of het zal er niet zijn. Knollen en citroenen, appels en peren, je kunt het zo gek niet maken of er is wel een boom over op te zetten. Gesprekken aanvragen, voor gesprekken gevraagd worden, gesprekken voeren en gesprekken ontvangen. Als je populair wilt zijn kunnen het er maar het beste veel zijn. Die gaan komen, en de registratiemachinerie staat al te trappelen. We zullen het monitoren en de interruptiemicrofoon scherp in de gaten houden.

Ik wacht het Kamerdebat over de missie gelaten af.

16 januari

=0=

 


Profiteren


In het FD van gisteren staat een artikel over geldstromen. Omdat landen in Afrika snel groeien en wij niet gaat er een boel geld naar toe. Welk geld? Het geld van westerse centrale banken. Is dat geld daarvoor bedoeld? Nee, dat is het niet maar omdat deze banken geld op een belachelijk lage rente uitzetten kunnen private banken er vrolijk mee speculeren en als zij dat kunnen, kunnen hun klanten dat ook. Kunnen de centrale banken daar niets tegen beginnen? Dat zouden ze misschien wel willen maar centrale banken zijn alleen nog maar centraal in de zin dat particuliere banken het handig vinden er even langs te gaan. Hun beslissing net zoals het de beslissing van de centrale banken is om zich een ongeluk met de rente te botoxen om er toch vooral aantrekkelijk uit te blijven zien.
Zo staat het er: “Profiterend van het lage rentebeleid van de westerse centrale banken steken investeerders hun geld in landen met mooie groeivooruitzichten. In de ontvangende landen zorgt dat kapitaal ervoor dat projecten gemakkelijker kunnen worden gefinancierd, waardoor de verwachtingen gemakkelijker worden gerealiseerd, aldus de Wereldbank. Het wordt echter een probleem als de kapitaalstromen zichzelf beginnen te voeden, ‘wanneer beleggers gaan speculeren op snelle koerswinsten die te behalen zijn door geld te steken in een appreciërende munt’. Deze strategie is volgens Timmer  ‘onvermijdelijk instabiel’.” Timmer, dat is Hans Timmer, directeur van de onderzoeksafdeling bij de Wereldbank. Het is aardig dat beleggers blijkbaar beginnen met hun geld (wat niet hun geld is, maar we mogen al lang geen zout meer leggen op elke slak) te spenderen aan groeivooruitzichten. Gewone mensen kunnen die niet eten maar beleggers wel. Die zijn dol op groeivooruitzichten. Hans Timmer is er ook blij mee. Hij is daarentegen weer niet blij met groeivooruitzichten uit koerswinsten die uiteraard ontstaan als de vooruitzichten nog gerealiseerd worden ook of als we dat denken. Aan denken heb je vaak niet veel maar in dit geval kom je er een heel eind mee.
Om wat voor vooruitzichten gaat het eigenlijk? Timmer doet net alsof om het twee verschillende typen vooruitzicht gaat, in de trant van beleggers die met mooie intenties iets beginnen, al dat moois onderweg vergeten en overgaan tot speculeren. Zou het ook zo in de boeken staan? Echte winst en speculatiewinst, eerlijk rendement en casinorendement? De lange termijn van de echte groei en de korte van de schnabbel? Ik zou er niet op rekenen. De zichzelf voedende kapitaalstromen van Timmer waren blijkbaar aanvankelijk kapitaalstromen die door anderen werden gevoed. Hij hoeft zich geen zorgen te maken. Het voedt zichzelf met voedsel van anderen, steeds meer voedsel zelfs, zoveel dat het zelfs begint op te breken en er gebraakt moet worden.
De snel groeiende economieën van Afrika worden eindelijk serieus genomen. Ze zijn nu opgenomen in hetzelfde casinokapitalisme dat wij ook hebben. Ten opzichte van ordinaire roof is het ongetwijfeld een verbetering. Het verschil is wel dat de rovers soms nog eigen product waren. Sprinkhanen zijn dat niet. Die trekken zich van geen enkele grens wat aan.

15 januari

=0=

 


Eerlijkheid

Waar is de eerlijkheid van ‘bloedlaster’? Het is de vraag van een hoogleraar recht aan de Universiteit van Tennessee, Glenn Harlan Reynolds (opiniepagina Washington Post, 10 januari). Het zal wel van zijn dagelijkse weblog komen. Hij reageert op de ophef, ontstaan door de aanslag in Arizona en de verbinding van die aanslag met het verbitterde politieke klimaat in de VS.

Wij kennen dat woord niet van een in bloed gedoopt of met bloed besmeurd of met bloed geschreven schot- of smaadschrift. Als wij de joden willen beschuldigen dat ze het bloed van kinderen gebruiken om hun matzes te kruiden dan noemen we dat het ‘bloedsprookje’.

Het woord werd, behalve door Reynolds, twee dagen later ook door Sarah Palin gebruikt om hen aan te klagen die haar hadden aangeklaagd. Was smaad, verdachtmaking, vuile aantijging niet genoeg? Was haar argument dat een kaart als schietschijf gewoon een kaart was en geen  schietschijf niet genoeg om al die vuile leugenaars het schaamrood op de kaken te bezorgen? Maar waarom moest er dan in haar woorden weer bloed vloeien? Het moest. Het is haar handelsmerk. Niettemin, het is interessant je af te vragen waarom haar retoriek van het bloed de antisemitische wending moest nemen die het nam. De toespraak waarin ze de uitspraak deed is op You Tube te zien. Het is een uiterst zorgvuldig gecomponeerde en geregisseerde toespraak. Palin en haar adviseurs hebben niets aan het toeval overgelaten. Het roept de vraag op naar het waarom van de provocatie. Zou ze het van Nixon hebben? Net als hij is Palin zeer voor het officiële Israel – het merendeel van de rechtse politici is dat, daar en hier. En ook net als Nixon een combinatie van bewondering voor Israel en een diep en virulent wantrouwen jegens joden? Ik vertrouw Israel en ik wantrouw Gabrielle Giffords? Wou ze even peilen hoe deze manoeuvre wordt opgepikt door de populariteitspolls?

Wie het filmpje bekijkt weet in elk geval één ding zeker. Palin kijkt ons zo oprecht, zo direct, zo helder, zo eerlijk in de ogen dat je haar zou willen geloven – maar ja, die mond bederft het weer. Haar mond is haar zwakke plek. In dit geval: letterlijk en figuurlijk.

In de Groene van deze week staat een artikel over vrouwen aan de top en over het quotum dat nodig is om er meer aan de top te krijgen. Tegenwoordig worden artikelen opgefleurd met pakkende citaten die dan in groter lettertype worden afgedrukt. Opdat we het niet zullen overslaan. Een citaat: ‘Vrouwen kunnen niet opscheppen en niet liegen over zichzelf’. Zoiets is geen laster, toegegeven. Het artikel hoef ik al niet meer te lezen en dat spaart tijd. Maar zou de auteur wel eens hebben nagedacht? Over Sarah Palin bijvoorbeeld en over nog wel wat dames op wie de Tea Party een grote aantrekkingkracht blijkt uit te oefenen?

Professor Reynolds wordt in de VS een fenomeen gevonden. Er wordt gezegd dat zo’n 50.000 mensen dagelijks het weblog van professor Reynolds volgen. Of Sarah dat ook doet weet ik niet. Dan haar adviseurs maar? Ik zou haar aanbevelen haar adviseurs in de toekomst wat strakker aan te lijnen en niet in elk woord met bloed erin een heerlijk hapje te vermoeden.

14 januari

=0=

 


Bovendien

Er zijn heel veel mensen die kiezen voor flexwerk en dat zelfs zo graag doen dat ze nog blijer zijn wanneer blijkt dat uit flexwerk vast werk voortvloeit. Het wordt er niet beter op met de voorzitter van VNO-NCW. Bovendien, zei hij, hebben we dat flexwerk omdat het ontslagrecht zo rigide is. Als alles flex is, bestaat rigide niet meer. Een vondst, of eigenlijk een trouvaille. Een trouvaille die tot mantra is geworden en die gisteren weer eens herhaald is door VNO-NCW. Het is dezelfde trouvaille die al een paar jaar de lakmoesproef van progressief Nederland is – als het aan D66 en Groen Links ligt. Het is ook een truc. Klaagt er iemand over de slechte rechtspositie van flexwerkers dan ligt dat niet aan hun rechtspositie, het ligt aan de rechtspositie van de andere werknemers. Je moet er maar opkomen. Men is er opgekomen. Bij zulk vernuft hoort de vergelijkbare redenering dat ik in de rode cijfers ben beland omdat jij in de zwarte zit. Dat zou natuurlijk kunnen hoewel ik me afvraag of de werkgevers dit als legitimatie van een markteconomie naar voren zouden durven schuiven. Wat het geval kan zijn (jouw winst is mijn verlies) wordt als wetmatigheid verkocht (jouw winst komt door mijn verlies en het komt uit mijn verlies), en vervolgens op het schild van het principe gehesen. Dat de ondernemers er niet achter zijn gekomen dat de redenering ook kan luiden dat zij hun winst behalen op kosten van het verlies van zowel hun concurrenten als van de werknemers mag hen worden vergeven. Dat er politici zijn die evenmin verder kunnen denken moet hen vooral niet worden vergeven. Overigens vermoed ik dat de ondernemers er wel degelijk achter zijn gekomen. Het komt alleen niet goed uit het ook te zeggen en dan spreek je niet als ondernemer maar word je voor de gelegenheid even weer de werkgever. Het gaat weer wat beter met hen. Met de politiek gaat het juist wat minder. Overigens vermoed ik dat de politici daar weer juist niet achter zijn gekomen.

De FNV hijst de stormbal, luidt de noodklok, trekt aan de bel en krijgt het gehoor dat we vooraf ook wel hadden kunnen voorspellen. Benarde flexwerkers? Wees zelf eens wat flexibeler. Ook het CNV blaast z’n partijtje mee, onder het motto dat het toch niet zo kan zijn dat. Een motto van politici, dat valt nog het meeste op. Wat niet zo kan zijn is als regel wel zo en de zinswending wordt vaak ingezet om een zo vanzelfsprekende moraal op te dissen dat verdere actie niet meer nodig is. Wat vanzelf zou moeten spreken spreekt ook vanzelf. Wat vanzelf spreekt is dat sociale partners af en toe stoom af moeten blazen. Dat doen ze ook en geen beter tijdstip dan het begin van een nieuw jaar. Er is ergens iets grondig mis in de wereld van de sociale partners.

Dat de werkgevers aan versoepeling van het individuele ontslagrecht vasthouden is begrijpelijk. Zij zien de dag aanbreken waarin de arbeidmarkt van een schaarstemarkt in een tekortmarkt omslaat. Dat vermindert hun opties dus het zou helpen als ook de werknemers minder opties overhouden. Alle beetjes helpen en het ontslagrecht is zo’n beetje. Van de bonden zou je wat anders verwachten. Een strategie bijvoorbeeld die begint bij de stelling dat niet het arbeidsrecht het probleem is maar het vertegenwoordigingsrecht. De bonden en de werkgevers hebben zich tot dusver uitstekend kunnen vinden in het weghouden van de flexwerkers van de onderhandelingsgremia. Wij spreken toch namens u? Ja, en daar zou eens verandering in moeten komen want de flexwerkers kunnen ook best namens zichzelf spreken. Als hen daartoe de mogelijkheden worden geboden.

Wat de flexwerkers nodig hebben is niet dat alle werkenden op een flexcontract worden gezet. Wat ze nodig hebben is meer vertegenwoordiging en een eigen vertegenwoordiging. Zo lang de bonden daar niet aan willen roeien de flexwerkers tegen de stroom in en roeien ze met riemen die de hunne niet zijn. De arbeidsmarkt van de toekomst wordt krapper. Dan zou je mogen verwachten dat iedereen zou inzien dat wat aantallen niet meer vermogen door betere vaardigheden kan worden gecompenseerd. Die moeten dan wel gebruikt kunnen worden want gebruik van vaardigheden is verbetering, is ‘groei’ van vaardigheden. Flexwerk voor iedereen slaat de bodem onder zo’n strategie weg, gewoon omdat onder flexwerkcondities het gebruik en zeker de groei van vaardigheden een kwestie van toeval wordt.

Zouden vaardige mensen niet vaardig genoeg zijn om zelf mee te beslissen over wat het beste gebruik van hun vaardigheden is? Gek, daar gaat het nou nooit over.

13 januari

=0=

 


Identiteiten

Afgelopen maandag bezocht ik de nieuwjaarsreceptie van bibliotheek, museum en regionaal archief van Gouda. Vanuit de Haagse Hogeschool doen we een project met deze instellingen, vandaar de uitnodiging en de aanwezigheid. Ik kwam daar ook M. tegen en dat verheugde me. M. is een bijzonder gewaardeerde vrijwilliger in het regionaal archief. Een paar maanden geleden werd hij ziek. Er was kanker geconstateerd en het zag er slecht uit. De eerste aanval heeft M. echter glansrijk overleefd, zij het dat hij veel medicijnen moet slikken, een chemokuur ondergaat en steeds moe is. Maar maandag was hij er. Optimistisch, opgewekt, heel dapper. Ja, zei hij, maar mijn partner is dan ook geweldig en zijn kinderen (die al volwassen zijn) zijn dat ook. Dat helpt.

We kwamen over zijn vriendenkring te spreken. Hij heeft een aantal vrienden die hij al heel lang kent. Goed gezond allemaal, nooit geconfronteerd met ziekte, verval, aftakeling, dood. En nu was M. ziek geworden en niet zo’n beetje ook. Dat bleek bij de vriendenkring de nodige verlegenheid (ik geef het maar een naam want hij wist ook niet wat het was) te hebben opgeroepen. Ze meden hem een beetje, hij dacht omdat ze er misschien niet goed mee wisten om te gaan of op z’n minst dachten dat ze dat niet zou lukken – en daarom maar een wat lange windstilte hadden ingelast. We waren het er over eens dat het heel goed kon dat zijn vrienden inderdaad M. niet meer zagen maar alleen nog de patiënt – en van het vooruitzicht alleen al schrokken en daarom voor de confrontatie terugschrokken. Hij was voor hen van identiteit geswitcht en zij zouden zichzelf eens kunnen tegenkomen. De waarschijnlijkheid dat hen dat zou gebeuren nadert één. Liever niet daarom?

Volgens filosoof Pieter Hoexum (Trouw, Letter&Geest, 8 januari) speelt bij vriendschap nabijheid nauwelijks een rol. Of het een vorm van luiheid is – onder vrienden scherm je je af van de rest van de wereld die het maar moet uitzoeken – wordt in het midden gelaten. Je kunt onder vrienden makkelijk problemen uit de weg gaan, en aan de andere kant kunnen vrienden door hun vriendschap juist kritiek op elkaar hebben en van elkaar accepteren. Dat van die nabijheid is raar. Hoexum maakt van nabijheid fysieke nabijheid – zo kan hij claimen dat vriendschap ‘altijd al’ virtueel was. Vriendschap is geestverwantschap en de hele constructie heeft Hoexum nodig om een tegenstelling te scheppen tussen vriendschap en naastenliefde – om vervolgens naastenliefde weer te vereenzelvigen met ‘nabuurschap’. Wonderlijke verwisselingen – dat de gruwel van religie vaak ligt in de naastenliefde voor iedereen en de verplettering van iemand in het bijzonder (de iemand die fysiek nabij is bijvoorbeeld) is aan hem niet besteed. En dat allemaal om te bewijzen dat vriendschap niets met de aanwezigheid van vrienden te maken heeft en het dus heel goed op afstand kan volhouden. Hoexum suggereert dat het ook heel goed zonder aanwezigheid kan beginnen. Dat had ik graag eens uitgelegd gezien. Dat men in de nood zijn vrienden leert kennen – en dan moeten ze wel degelijk bereikbaar en aanwezig zijn – is aan de man voorbijgegaan. Curieus want zijn kroongetuige Montaigne begon met schrijven nadat hij zijn vriend Etienne de la Boétie verloren had, en daardoor zijn ‘gesprekpartner’ kwijt was. Ze konden elkaar lange tijd niet zien maar wel elkaars gezelschap oproepen. Een vriend is ook aanwezig als hij niet aanwezig is. Zou het zo begonnen zijn en waren de heren elkaar wel degelijk eerst in den lijve tegengekomen, hadden ze hun vriendschap op die basis gestalte gegeven en konden ze tegen die achtergrond hun vriendschap ook best cultiveren als ze elkaar een tijd niet zagen? Dat klinkt al wat bekender – hoewel het de angel uit het verhaal van Hoexum haalt. Aanwezigheid en nabijheid (elkaar ‘zien’) horen bij vriendschap, en een lange afwezigheid vergroot de vreugde van de aanwezigheid. Met statistiek heeft het niets te maken (hoe vaak treft u die en die?), met intensiteit alles.

We moeten de vrienden van M. nog maar even de tijd geven. Wie weet komen ze er alsnog achter dat M. helemaal niet van identiteit is geswitcht – en dat zij dat ook niet hoeven doen. Als ze elkaar weer treffen en dus zien. Nee, Hoexum heeft het bij het verkeerde eind. Je hoeft bij elkaar de deur niet plat te lopen (een uitdrukking van mijn moeder die niet zo op vriendschap gesteld was) – maar je moet wel weten dat hij altijd open staat.

12 januari

=0=

 


Vrijheden

Paus Benedictus is, ik twijfel er niet aan, een intelligente man. Dat heeft tot gevolg dat als ik er weer eens niets van begrijp ik me afvraag waar de man nu weer mee bezig is. Zijn bezwaar tegen seksuele voorlichting en maatschappijleer op scholen bijvoorbeeld. Wat is het bezwaar? Het bezwaar is dat die lessen de vrijheid van religie aantasten. Ik lees het en het is omdat ik sloffen aan heb want anders waren m ’n schoenen er bij uitgevallen. Zou de paus het echt menen? Zou hij menen dat als er op een school iets wordt verteld over religie dat zo een vertelling de vrijheid van de agnost en de atheïst bedreigt en daarom uit de scholen verbannen moet worden? Wie kaatst moet de bal verwachten maar zou de paus trek hebben in deze bal?

Voor de overzichtelijkheid houd ik het er maar op dat de paus zijn pijlen richt op landen met een goedgelovige gemeenschap en een regering die even goedgelovig is maar nu even niet. Althans er niet nog even onbekommerd als voorheen in gelooft. De vrijheid van religie mag niet langer zo ver strekken dat er voorschriften uit voortvloeien wat we wel en niet mogen leren en onderwijzen – ook als dat niet strookt met wat Benedictus ervan vindt. Hij zou er zelfs blij mee kunnen zijn; het biedt weer eens een opening naar een goed gesprek en een goed gesprek veronderstelt dat de uitkomst voor niemand vooraf vaststaat.

De paus houdt niet van een goed gesprek. Hij spreekt ons aan, hij spreekt ons toe, hij spreekt ons tegen, maar hij gaat niet met ons in gesprek. Daar zal dan ook wel de kern van bezwaren liggen. Als hij met ons in gesprek moet dan moeten al zijn beambten dat ook en dan is het einde zoek. Voor de paus en zijn ondergeschikten is een gesprek met onbekende uitkomst een gruwel. Een oud patroon, dat wel, en een patroon waarin niet geleerd kan worden.

Leren leidt er maar toe dat je, in het licht van je mogelijkheden, je eigen voorkeuren opvoedt. Ik las het zaterdag nog, in de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad. Daar wordt een Indiase wetenschapper geciteerd over leren en onderwijs: ‘Onderwijs is een zelforganiserend systeem waarin leren een emergent fenomeen is’. Zo is het maar net want de geciteerde wetenschapper (Sugata Mitra) heeft het in de praktijk zien gebeuren, zien gebeuren dat kinderen die hij toegang gaf tot een computer met internetverbinding (een gat in een muur, de computer erdoorheen en de straatkinderen mocht het zelf uitzoeken en, weer wat later, ook proberen voor hen nieuwe en onbekende opdrachten uit te voeren – wat ze lukte) hun eigen onderwijs organiseerden en al doende het nodige leerden. Kennis uit de muur, luidt de kop van het artikel. Een beetje slordig, want in de kennis zat niet de muur, die mochten de kinderen zelf gaan opbouwen. Niemand had het erin gestopt, laat staan kennis ‘overgedragen’. Maar ze leerden, samen. Inderdaad, zelfgeorganiseerd en wat eruit kwam was vooraf niet bepaalbaar, maar er kwam veel. Tot en met, in ander verband, vragen over de schepping aan toe. Dat is uiteraard tegen het zere been, Dat kun je als gelovige vereniging niet toestaan want die voorkeuren zijn van het geloof en het geloof, dat is de kerk. In Iran weten ze dat en ze gaan het onderwijs aanpassen. De paus weet het ook. Een logisch denkend man, de paus. Als er niet geleerd mag worden heeft het ook geen zin in leerinstellingen de kinderen iets te leren. Instructie, dat is meer dan genoeg. De rest bedreigt de vrijheid van religie maar.

11 januari

=0=

 


Een nette exit

Twee columnisten van de Volkskrant, Paul Brill en Martin Sommer, vinden dat Nederland die politiemissie maar moet gaan uitvoeren. Beide columnisten heb ik heel hoog dus ik heb met meer dan gewone aandacht hun argumenten gevolgd. Dat komt overigens ook omdat ik weinig heil verwacht van een missie die meer op een tanend geloof berust dan op inzicht in de situatie, op de relatie tussen te bereiken doel en het ingezette middel, en op een afweging van mogelijke toekomstige nadelen die ons nu als voordelen worden aangesmeerd. Mij althans doet het geheel meer denken aan het sturen van een loodgieter terwijl de aanleg van een compleet waternet nodig is. Dat maakt de loodgieter niet overbodig misschien maar er zijn urgentere dingen.

Brill en Sommer stellen beiden dat Nederland het niet kan maken de Amerikanen in de steek te laten nu die bezig zijn aan een nette exit-strategie. De Amerikanen zelf hebben tenslotte ook niet om de huidige perikelen gevraagd en zij lopen niet weg. Wij wel? Bovendien, zo stelt Brill heel uitdrukkelijk, de zaak daar op zijn beloop laten brengt grote gevaren met zich mee in een regio die uiterst instabiel is, niet alleen in Afghanistan maar ook in Pakistan. En wie Pakistan zegt, zegt India want Kasjmir is er ook nog (we nemen voor het gemak aan dat de aanspraken van China op Kasjmir even niet meedoen). Verder, waarom behalve India ook Iran onvermeld gelaten? En wie Iran zegt, zegt het Midden-Oosten en zeg nou zelf, dat heeft er op z’n minst óók mee te maken en, nu we het er toch over hebben, wie het Midden-Oosten noemt, noemt de VS en zo is de cirkel rond. De VS is deel van de cirkel en is de cirkel want je komt ze overal tegen en niet toevallig. Zo’n exit brengt nog heel wat met zich mee en het gaat helemaal niet om Afghanistan, het gaat om de VS en om onze relatie met de VS en wie dat zegt weet dat het daarom eigenlijk om onze relatie met de EU gaat. Ja, zo kom je nog eens ergens.

Brill en Sommer veronderstellen dat de Nederlandse relatie met de VS een relatie is waar de EU niets in heeft te zoeken. Dat hebben we eerder meegemaakt, met de Britten die Irak de dampen aandeden, schoorvoetend gevolgd door een zich als een schoothondje gedragend Nederland. Nee, dat was niet goed voor de EU en al helemaal niet toen Duitsland en Frankrijk te kennen gaven dat zij  met de hele zaak niets te maken wilden hebben. Het resultaat: een zwakkere en verzwakte EU. Sinds die tijd is dat er niet beter op geworden. Ook een kwestie van urgentie: de EU opkalefateren. Daar zou mijn prioriteit liggen en dan bedoel ik ook: afhankelijk van de Nederlandse relatie met de EU en de visie daarop een antwoord ontwerpen voor onze relatie met de VS en de visie daarop. Dan weten we daarna ook wat voor een nette exit-strategie nodig is.

10 januari

=0=

 


Perskaart

Een journalist is iemand met een perskaart zei Fred Teeven ooit. Ik vind dat wel een aardige definitie, en een handige want het levert je een criterium op bij het hanteren van het verschoningsrecht. Er is dan wel een grondwettelijk recht op vrije meningsuiting maar voor sommigen zijn de condities beter dan voor anderen. Een perskaart.

Zo’n kaart hoort bij vervlogen tijden. Niet als bescherming en toegangskaartje, wel als aanduiding van wat een journalist doet, in onderscheid van andere mensen. En dat is natuurlijk wat we willen weten. Wat doet een journalist dat andere mensen niet doen omdat ze geen journalist zijn?

Ik ben bang dat het antwoord is dat een journalist werkt voor een krant, een tijdschrift, radio, tv, voor media dus, die het nodige kapitaal kosten om op te richten en in stand te houden en waar een heuse arbeidsverdeling de boventoon heeft, met leidinggevenden en ondergeschikten en zo. Het is niet het werk dat de journalist definieert op zo’n manier dat anderen dat werk niet doen, het is de knap kapitaalintensieve organisatie waarvoor de journalist werkt die het stempel verleent. En de perskaart. Een journalist is iemand zonder beroep en met een kaart.

Toch, zo’n beetje iedereen is nu journalist en het is een fluitje van een cent de wegen te vinden om je oprispingen mee te delen aan iedereen die er maar voor in aanmerking wenst te komen. Reageren kan ook en er een gezelschapje van bouwen omdat sommige dingen je meer interesseren dan andere en dat voor anderen net zo is, is in een handomdraai gepiept. Een computer of een modern telefoontje volstaan en je levert de foto’s er nog bij ook want wat de journalist aangaat, gaat ook de persfotograaf aan. Je hebt geen perskaart maar je staat wel bij het nieuws waar het gebeurt en als het gebeurt, en daarin ben je sneller dan de journalist die eerst nog maar moet zien ter plekke te komen. Geen wonder dat steeds meer journalisten hun eigen nieuws maken, de gebeurtenissen liever interpreteren en aankleden dan direct verslaan. Dan ben je als journalist in elk geval de eerste want de gebeurtenis waar je over bericht ben je voornamelijk zelf. Ook dat metier, overigens, wordt door steeds meer mensen beoefend. Het beste van een monopolie is een rustig leven schreven de economen al, en nu het monopolie is opgeheven – dat apparaat van kranten enz. is steeds minder bepalend om iets op te hoesten en te verspreiden – is het met de rust ook gedaan. De journalisten zijn in ‘crisis’. Ze oefenen hun vak niet uit, ze zijn op zoek naar de dingen die hen meer publiek opleveren dan andere dingen van andere journalisten van andere media die met hetzelfde probleem worstelen. Het levert steeds minder journalistiek op en steeds meer eenvormigheid waarbinnen het geringe onderscheid meer bestaat in de schrilheid van de toon en de lachers die je op je hand krijgt met een scherp commentaar, dan wel de boosheid die je weet te mobiliseren omdat je de verontwaardiging liever aanwakkert dan de verslaggeving en het debat over gebeurtenissen zelf.

Noem het de stijl van Wilders, de stijl die het mediabedrijf niet alleen aan ons meedeelt maar die ook steeds bepalender wordt voor de media zelf. Via Trouw werd ik verwezen naar een rapport, uitgebracht door de Nederlandse Nieuwsmonitor, getiteld ‘2010 in de Nederlandse dagbladen: een zoektocht naar grenzen’ . Het is een kort rapport en het bevestigt wat ik al dacht. Nu nog een volgend rapport over waar toch de journalist is gebleven in de journalistiek en we zijn weer helemaal bij. Waarover ook weer?

Iedereen een perskaart!

9 januari

=0=

 


Straatnieuws

Gisterochtend, even voor half tien, loop ik vanuit het station in Utrecht Hoog Catharijne binnen. Vrijwel direct word ik gegroet door een man die ik daar al vaker heb gezien, sinds meer dan een jaar denk ik. Hij is de verkoper van SN, straatnieuwskrant van Utrecht. Die man is een wonder. Hij groet iedereen (goedemorgen, prettige dag), glimlacht erbij, neigt zelfs enigszins met het bovenlichaam en straalt vreugde uit, geen onderdanigheid, geen spoor ervan zelfs. Hoe hij het voor elkaar krijgt, ik vraag het me elke keer opnieuw af. Ik heb hem nog nooit een krant zien verkopen. Wel neem ik een enkele keer waar dat hij met iemand een praatje maakt. Zelf kom ik nooit verder dan een groet terug.

Ik schat hem ergens tussen de veertig en vijftig jaar. Een niet erg grote man, beetje kaalhoofdig, een rond gezicht en altijd een innemende glimlach. Hij is goed gekleed, en ziet er ook daardoor keurig uit. Het is geen Nederlander, hij heeft een accent. Hij is uitstekend verstaanbaar hoewel hij zacht spreekt. Het is niet iemand die je wilt vermijden, daar heeft het natuurlijk ook mee te maken. Hij roept de afstand niet op die ik vaak bij mezelf ervaar bij daklozen. Die afstand, dat is iets heel primitiefs, dat weet ik ook wel, en toch kan ik me er vaker niet dan wel aan onttrekken. Alsof het besmettelijk zou kunnen zijn. Het is gênant en als ik dan een dakloze tegenkom waarbij ik dat gevoel niet heb is dat bijna een opluchting. Toch, zou het niet aan hen liggen? Ze kunnen toch allemaal wel zo aangenaam zijn als mijn man van Hoog Catharijne?

Op de terugweg, zo tegen de klok van twee uur, is hij er niet meer. Vaak staat bij de roltrap beneden naar het Vredenburg nog een dakloze. Die er meer als mijn vooroordeel uitziet en aan wie ik altijd voorbij kijk. Hij was er vandaag niet. Ze verkopen dezelfde krant. Hem heb ik evenmin ooit een krantje zien slijten aan een voorbijganger. Wat ik in Amsterdam nogal eens zie zijn mensen die geen krant kopen maar wel een fooitje geven aan een dakloze die de winkeldeur voor je openhoudt bijvoorbeeld. Dat is een andere situatie, kennelijk. Anders, maar niet eenvoudiger.

In de Groene spreekt Marcel ten Hooven mij toe over de complexiteit van de wereld en dat ik die niet moet ontkennen maar toelaten. Anders wordt het nooit meer wat met de democratie. Het is een verstandig, zij het wat langdradig betoog en het probleem is dat het niet alleen om verstand gaat – hoewel Marcel wel een beetje die indruk wekt. Bij Martha Nussbaum (en die heeft het weer, zo vertelt ze, van Frans de Waal) lees ik dat muizen zich best bekommeren om hun lotgenoten die het minder goed gaat. Als ze met die lotgenoten leven dan, onbekende muizen in de problemen laten hen koud. Van muizen en mensen, de dichter zei al dat hun problemen verwant zijn.

Het is niet altijd eenvoudig respectvol met mensen om te gaan. Ik zou er bescheiden van moeten worden – maar het ongemak blijft overheersen.

8 januari

=0=

 


Ook in Amsterdam

Ook in Amsterdam worden alle wetten gewoon uitgevoerd en gehandhaafd. Was getekend: Eberhard van der Laan, burgemeester. Hij voegde eraan toe dat zijn korpschef ‘net’ over het randje was gegaan en dat hij de reacties op korpschef Welten af en toe ‘een tikje’ aan de hysterische kant had gevonden. Hier spreekt geen burgemeester maar een politicus die meent boven de partijen te staan.

Worden alle wetten uitgevoerd en gehandhaafd? Welnee, daar heeft de burgemeester helemaal de mensen niet voor en zou hij de mensen wel hebben en inderdaad tot ‘uitvoering en handhaving’ overgaan dan zou de stad onmiddellijk, piepend en krakend, tot stilstand komen. Vervolgens zou iedereen z’n biezen pakken en de stad verlaten want in zo’n stad kun je niet leven. Het zou als een bedrijf zijn waar volgens alle ooit bedachte regels en besluiten wordt gewerkt. Het zou één grote stiptheidsactie zijn en niets zo goed om de zaak te verstieren als een stiptheidsactie.

Zou Van der Laan de Amsterdammers gerust hebben willen stellen met z’n uitspraak over alle wetten? Een burgemeester die vanwege het publiekseffect van zijn verantwoordelijkheid voor de bestuurbaarheid van de stad van diezelfde bestuurbaarheid wisselgeld maakt, ik heb het er niet op. Van der Laan is dol op de media, hij zou dol op de bestuurbaarheid moeten zijn. Korpschef Welten meent dat hij bij de beslissingen over de inzet van politiecapaciteit een eigen ‘discretionaire’ bevoegdheid heeft en daar uiteraard gebruik van moet en zal maken. Ik vermoed dan ook dat Welten het meer had over de aangekondigde maatregelen met betrekking tot de koffieshops en, nog belangrijker, het had over de ‘nationale’ politie dan dat hij het had over die anderhalve boerka die de samenleving zo ontregelt. Dat laatste was gewoon een kleine provocatie die meer dan uitstekend heeft gewerkt. De woordvoerders van de regeringspartijen wisten niet hoe hard ze moesten roepen, als waren ze de burgemeester van Amsterdam, dat alle wetten er zijn om te worden uitgevoerd en gehandhaafd. Alle. Zelfs Hero Brinkman die alle wetten aanpast aan zijn omstandigheden, is en blijft van mening wat hij altijd al van mening was. Dat alle wetten voor de anderen gelden.

Niet Welten ging ‘net’ over het randje. Van der Laan deed dat. Ruim, eigenlijk.

7 januari

=0=

 


Omar

Na acht jaar detentie heeft Omar Khadr alles bekend. Door te bekennen wacht hem acht jaar gevangenis, had hij dat niet gedaan dan was hij voor veertig jaar het schip in gegaan. Omar was zestien toen hij werd gearresteerd. Hij zal de eerste persoon zijn die veroordeeld wordt voor oorlogsmisdaden, begaan toen hij nog minderjarig was. Hij zou in een vuurgevecht, juli 2002, in Afghanistan door het gooien van een granaat een Amerikaanse militair hebben gedood en drie andere verwond. Zelf raakte hij bij die gebeurtenis zwaar gewond en verloor een oog. Wat Omar wel en niet heeft gedaan en hoeveel eigen wil zat in zijn aanwezigheid daar, in de buurt van de stad Khost, we zullen het vermoedelijk nooit weten. Pas in 2007, vijf jaar na dato, volgt de aanklacht: moord, samenzwering en hulp aan de vijand. Schuldig of niet, het leven van Omar is stuk.

Laat gisteravond zond de VPRO een documentaire over hem uit. We zien beelden van een jongen in een kamer. Die jongen wordt ondervraagd, we horen vragen en antwoorden, van de ondervragers zien we af en toe een stukje van de rug en een zwarte stip op de plek waar het hoofd moet zitten. De ondervragers zijn Canadezen, leden van de veiligheidsdienst. Omar is Canadees. De Canadezen helpen de Amerikanen die Omar hebben opgesloten in Guantánamo Bay. Omar zelf blijft van hulp van de Canadese regering verstoken. Ook in Canada is niet iedereen gelijk voor de wet en wordt op gelijke manier beschermd door de wet, en alle beloftes van Obama over het schandaal Guantánamo zijn loos gebleken. Het gaat nog steeds door.

We krijgen fragmenten te zien uit vier dagen verhoor. Het doet denken aan gesprekken tussen een student die ergens van wordt verdacht en een directie die niet van plan is op te geven voordat de student heeft gezegd wat hij volgens hen moet zeggen. Zij waren er niet bij, hij wel, maar voor hen is hij geen ooggetuige, hij is dader. Hij wordt bewerkt en hij is bang opnieuw gemarteld te worden. Zo lang hij niet meewerkt, zeggen zij, is dat niet goed voor zijn familie. Het is ook niet goed voor hemzelf. Ze zuigen, suggereren, zijn superieur en ontspannen in hun intimidatie. Zijn positie is de hunne niet en als hij dat al eens vergeten mocht zijn dan herinneren ze hem er wel aan. Met zoveel woorden. Wat hij zegt wordt niet genomen voor wat het is, alleen het goede antwoord is goed en wat het goede antwoord is heeft minder met de gebeurtenissen te maken dan met de lezing van de gebeurtenissen die de ondervragers van de Amerikanen hebben ontvangen. Omar is in hun ogen een fundamentalist. Het wonderlijke is wel dat zij verwachten dat je met een fundamentalist best een deal kunt sluiten: zij een tevreden opdrachtgever, hij een gevangenisstraf met een einde eraan. Hen lukt het niet maar uiteindelijk lukt het wel. Omar kiest eieren voor zijn geld.

Wat ik me afvraag hoe zijn ondervragers zich voelen als zij de documentaire onder ogen krijgen. Goed werk geleverd? Technisch verzorgd zoals het moet? Verbeterpuntjes en ‘leermomenten’?

6 januari

=0=

 


Andere tijden

Toen Coen Moulijn de achtervolging op Real Madrid speler Miera inzette riep Bob Spaak nog om enige beheersing van de kleine Coen. Vergeefs. Coen was boos over de harde tackles van de Spaanse verdediger. In enkele seconden ontstond een complete vechtpartij, net voor het einde van de wedstrijd, september 1965. Feyenoord stond met 2-1 voor. De scheidsrechter heeft de wedstrijd niet uit laten spelen en ook niet over laten spelen, zelfs niet voor die paar laatste minuten. Twee weken later versloegen de Madrilenen Feyenoord met 5-0.

Ik heb het toen gezien, die wedstrijd. Op tv, in een café in Amsterdam, vlak bij het Hugo de Grootplein waar ik destijds een zolderkamer huurde. In zwart-wit, geen kleuren. Ik heb zojuist op You Tube de scène opnieuw bekeken. Een harde overtreding, ook nu nog, en de frêle Coen die de achtervolging op z’n belager inzet. Hard en bijna achteloos uitgedeeld. Je wint er tijd mee. Gewoon, ons even weer goed opstellen voordat die kleine opnieuw tot aan de achterlijn komt. Of er boosheid van de Real spelers in het spel was – het tweede Feyenoord doelpunt, ver in de tweede helft, was niet helemaal zuiver tot stand gekomen en toch toegekend, woedende protesten van Real of niet – en of de overtreding daar het gevolg van is geweest, ik denk het niet. Coen was al de hele wedstrijd met regelmaat onderuit geschopt. Het was eerder onmacht van de verdediger dan het raffinement, inclusief sluwheid, dat je van een Real speler verwachtte. Het waren andere tijden. Voor zo’n overtreding draait tegenwoordig geen verdediger z’n hand nog om. Als je ‘m niet zou maken kun je een voetbalcarrière wel op je buik schrijven. Je maakt die overtreding en incasseert de eventuele straf. Gewoon een gele kaart, een rode kaart, en klaar ben je. Hadden de scheidsrechters die dingen toen nog niet? Ze hadden ze nog niet. Het waren inderdaad andere tijden.

Ik heb de beelden van toen met enige verbazing en heimwee teruggezien. We zijn compleet gewend raakt aan het doel dat elk middel heiligt. Commentatoren als Bob Spaak zijn er ook al niet meer, en de tv is in kleur.

Zaterdag wordt Coen Moulijn begraven en Feyenoord is op trainingsstage in het buitenland. Andere tijden.

5 januari

=0=

 

Typetjes

Het Motivaction onderzoek dat eind vorig jaar in het nieuws kwam schetst een somber beeld van de Nederlander. We kankeren graag bijvoorbeeld en we zijn gejaagd, egoïstisch, agressief en respectloos. We willen wel beter maar de verhoudingen hè, de verhoudingen staan het niet echt toe. Driekwart van de mensen vindt het maar niks en verwacht ook weinig beters voor de toekomst.

Dan houden we altijd nog een kwart over. Daar zit het ‘elan’ en we vinden het voornamelijk bij de ‘pragmatisch ingestelde opwaarts mobielen’ (13%) en de ‘postmoderne hedonisten’ (11%). Wie dat zijn? Het zijn jongeren die het al een beetje gemaakt hebben en waarvan de ene club wat meer van verwennen houdt en de andere club wat meer van beleven. Als je van verwennen houdt dan ben je behoorlijk modern, als je meer van beleven houdt dan ben je zelfs postmodern. Houd je voornamelijk van behouden dan ben je daarentegen conservatief of zelfs nieuw conservatief. De mensen met elan zijn pragmatischer en praktischer dan de postmaterialisten (10%) die bijna hun ouders zouden kunnen zijn maar het meer in ‘ontplooien’ zoeken.
De zorgen om het behoud van welvaart en het egoïsme zien de onderzoekers vooral terug bij de traditionele (16%) en de moderne burgerij (22%). Het woord zegt het al, behoudzucht, bij de plattelandsbejaarden van de traditie zelfs vrijwel exclusief, bij Henk en Ingrid gemengd met een hang naar bezitten. De hypotheek al afgelost of nog niet zullen we maar zeggen. Zij maken zich zorgen over hun baan. Dan hebben we ten slotte nog de nieuwe conservatieven, een beetje oud, met wat geld en zo en vast onderhevig aan de angst voor statusdaling voor hun kindertjes (8%), de jonge gemaksgeoriënteerden die zeer op verwennen zijn gesteld (10%) en ten slotte de kosmopolieten die we maar als dinks (double income, no kids) zullen omschrijven (10%). Meer smaken zijn er niet. Tel maar op en je komt tot de volle honderd procent.
Waar komen toch al die typetjes vandaan? Nu, ze zijn geconstrueerd (en natuurlijk ‘gemeten’) op basis van twee dimensies of assen: een waardedimensie en een statusdimensie. De waarden zijn ‘behouden’ (en dan ben je traditioneel), ‘bezitten en verwennen’ (en dan ben je modern) en ‘ontplooien en beleven’ (en dan ben je postmodern). De status wordt ingedeeld naar laag, midden en hoog, afhankelijk van inkomen en opleiding. Ga maar na. De vraag is: waarom zijn de kosmopolieten niet in het kamp met elan te vinden? Die zitten toch comfortabel hoog in de boom en ze houden van alles tussen bezitten en ontplooien. Zo breed in waarden zijn de andere typetjes niet. Zou het daar aan liggen?
Ik ben, ik geef het maar toe, licht allergisch voor dit type typetjes. Wat je meet is een beetje bij elkaar geharkt en als je dan wilt weten hoe dat gaat krijg je als antwoord dat uit de typetjes toch blijkt dat het typetjes zijn? Nou dan. Je kunt ook je linzen op kleur sorteren, of op omvang, of op de omvang van de oogst, of op de vraag van vorig jaar, of op datum van binnenkomst in de winkel, en vervolgens zeggen dat je verschillende typen linzen verkoopt en zeg nou zelf, het ene bord linzen is het andere niet.

Volgens Motivaction moeten politici zich minder op Sombermans richten en meer op de opgewekte typetjes. Of dat door hun aanstekelijkheid komt of door hun aantrekkelijkheid wordt niet vermeld. Maar het is een raar advies. De opgewekten (24%, eigen berekening, moreel copyright) hebben weinig te maken met regels en ook weinig met elkaar. Low group en low grid zou Mary Douglas zeggen. Ondernemend en zo. De burgerij (38% dus ruim anderhalf keer zo groot) daarentegen zou best eens high grid en low group kunnen zijn, zij houden zich aan alle regels en zijn ook niet snel genoeg om ze te ontlopen. Daar word je niet blij van en zeker niet als de oude verbanden (vooruit: verhoudingen) ook niet meer zo geweldig functioneren of het zelfs al laten afweten. Kun je op kankeren en – omdat we volgens Motivaction allemaal van internet houden – je kunt dat gekanker ook meedelen aan alles en iedereen die ook is aangesloten.

Als ik politicus was zou ik niet van typetjes uitgaan maar van de invloed van de groep waar je bij hoort en de mate waarin de regels jou wel weten te vinden en de ander niet of veel minder. Varieer er wat mee en je houdt geen malle typetjes over maar een heuse typologie. Motivaction is meer bezig met z’n eigen marketing dan met serieus onderzoek.

4 januari

=0=

 


Weerwoord

En dus zaten Elly en ik gisteravond braaf om vijf voor half negen op de bank met de blik gericht op de tv. Freek zou het verlossende woord spreken. We hebben het volgehouden, en ons zo af en toe afgevraagd of we de tijd niet beter hadden kunnen besteden. Dit was Freek niet. Nou vooruit, het was een andere Freek. Tamelijk onherkenbaar en tamelijk saai. Ik had me stevig op de bank genesteld maar het was niet nodig, die voorzorgsmaatregel. Althans, van het lachen zou ik niet van de bank af vallen. En mijn onrust weet ik meestal redelijk goed te onderdrukken.

De charme van Freek had altijd te maken met het aantrekken en wegwerpen van zijn publiek, zo ongeveer in één ademtocht. Zijn ademtocht was mijn ademloosheid. Pure pugilistiek, je had net de tijd bij te komen van een optater om direct daarop een nieuwe stomp te incasseren. Wij waren van hem, hij niet van ons. Hij was tegelijk deel van z’n publiek en wist niettemin de nodige afstand te bewaren. Als in de dans; hij leidde en wij volgden. Zelfs daarover onderhield hij ons. Zijn woord was een oproep tot weerwoord – en voordat we het zelfs maar hadden kunnen bedenken had hij het al uitgesproken. Het was de illusie van geen illusies te hebben en te weten dat je zelfs daarvoor de illusie nodig hebt. Hij wreef het er in, zelfs als hij zelf in de illusie was. In de nacht van Oud- op Nieuwjaar zond Comedy Central flarden van vroegere optredens van Freek uit, op een rare manier aan elkaar geplakt, maar voldoende om het verschil met gisteren pijnlijk te proeven.

Het optreden gisteravond deelde ons niet meer in bij het publiek dat slechts gradueel verschilde van het, om welke reden dan ook, niet-kijkende publiek. Wij waren nu een ander publiek geworden en daarmee heeft Freek het publiek afgeschaft. Er waren nu twee publieken, wij en de anderen en Freek nam ons zo serieus dat we het allemaal net zo goed zelf hadden kunnen bedenken. Eindelijk onder elkaar. Hij verwachtte van ons geen door hemzelf bedacht weerwoord, hij verwachtte dat wij deelden in zijn zorgen over de zorg voor ouderen (zijn we zelf ten slotte niet ook al oud en zijn onze ouders niet nog veel ouder?) en hij ging ervan uit dat we dat eigenlijk wel deelden, die zorg van hem, die zorg over de zorg. Ja Freek, die delen we. Nee, niet om vrolijk van te worden. Het verlossende woord, dat was het woord waar het weerwoord in besloten lag. Het was er niet.

3 januari

=0=

 


Minister van Staat

De Volkskrant schreef dat Balkenende geen Minister van Staat (MvS) wordt. De krant heeft daarvoor z’n voorraadje ingewijden geraadpleegd. Dat blijkt te bestaan uit rekenwonders. Kijk, zeiden ze, Lubbers werd het al vijf maanden na zijn aftreden en Kok negen maanden erna. Balkenende is nu al tien maanden afgetreden en we hebben nog steeds niets gehoord. Dus. Bovendien, Balkenende heeft regelmatig de scheve schaats gereden met het Koninklijk Huis. Dat zijn ze niet vergeten daar.

Zouden die ingewijden destijds Kok na zes maanden ook hebben afgeschreven? Je weet maar nooit. Ingewijden zijn  wel ingewijd maar weten doen ze niet veel. Ze raden op verzoek. Ze slaan er een slag naar. Mocht Willem Alexander als eerste daad van zijn koningschap Balkenende alsnog tot MvS benoemen dan zullen ze wijzen op de dienstbaarheid van Balkenende aan de vele vakantieplannetjes van de koning. Een woning voor de koning, een kroning tot MvS. Gewoon even afwachten.

Balkenende zelf werd nog geprezen in het FD. Een echte hervormer van arbeidsmarkt en sociale zekerheid en ziet: ons land is toekomstigbestendiger dan Frankrijk waar ze maar niet opschieten met die hervormingen. Dat vindt Balkenende zelf ook. Met de kennis van toen heeft hij het toch maar beter gedaan dan het huidige kabinet met de kennis van nu. De arbeidsmarkt is nog niet toekomstbestendig genoeg en dat het ontslagrecht niet is geregeld, dat spijt hem zeer. Niettemin, zo vindt Balkenende en zo vindt het FD, is de balans positief. Er is veel ten goede gekeerd.

Daar kun je van mening over verschillen. Balkenende heeft de onzekerheid voor werknemers vergroot in de veronderstelling dat de werknemers dan ook wel wat meer risico zouden willen nemen. Dat is een slechte gedachte. Je neemt risico’s als onzekerheden een beetje beheersbaar lijken, niet als ze onbeheersbaar worden. Vergroot de zekerheid en de mensen wagen de stap. Verklein de zekerheid en de mensen wagen de stap niet. De grote onzekerheid in Nederland is het gemak waarmee mensen collectief kunnen worden ontslagen. Daar scoren we hoog mee in de rangorde van de EU. De daaruit voortvloeiende tegenzin in risico blijkt uit de traagheid waarmee het individuele ontslagrecht wordt aangepakt. Met z’n allen sta je zwakker dan alleen. Je zou denken dat de deal bestaat in het bemoeilijken van collectief en het vereenvoudigen van het individuele ontslag. Die deal gaat het verstand van Balkenende te boven. Dat van de sociale partners ook en de nieuw liberalen van D66 en GL zouden niet weten wat collectief was.

Er valt nog wel wat te verzinnen. De kabinetten Balkenende hebben de sociale zekerheid gebruikt om de werknemers vaster dan ooit te koppelen aan een baantje. Meer van hetzelfde is dat, niet iets anders, niet een sociale zekerheid die mensen aanmoedigt eens wat anders te proberen. Een onzekere sociale zekerheid is sociale onzekerheid en die hebben we nu. En dan maar klagen over de ontbrekende arbeidsmarkt voor ouderen omdat de ouderen niet bewegen en als hun werkgevers dat voor hen doen – ze ontslaan – dan blijven ze liggen waar ze liggen. Altijd een baan gehad, nooit een loopbaan want hun zekerheden waren gekoppeld aan de baan en vooral niet aan een loopbaan en nu blijkt dat ze al werkend hun loopbaan hebben verwaarloosd. Nee maar! Niet eens toekomstbestendig! Die mensen kennen hun verantwoordelijkheden niet. Dan zullen wij het ze moeten leren. We hebben toch een dreigend tekort aan mensen? We zetten ze gewoon aan het werk op de plekken en met de baantjes die ons uitkomen.

Ik vind dat een voormalig premier die een stelsel van sociale onzekerheid heeft geïnitieerd waarin onze behoefte aan klusjes (waar we niet mee willen worden lastiggevallen en die toch moeten worden gedaan) wordt afgedekt door hen daartoe te verplichten en die dat weet op te tuigen met de mantel van hun morele verantwoordelijkheid, ik vind dat zo iemand eerst een monument moet krijgen en pas dan MvS mag worden.

2 januari

=0=

 


Zomer

Wethouder Asscher van Amsterdam is van plan basisscholieren met taalachterstand te verplichten in de zomer twee weken een extra taalcursus te volgen. Op school. Hun ouders zouden ervoor moeten tekenen, de docenten wijzen aan wie ervoor in aanmerking komt en de rekening heeft nog geen adres maar dat komt wel. Want, zegt de wethouder, een gebrek aan taal heeft ook slechte gevolgen voor de rest van het onderwijs dat je volgt.

Ik noem het dan wel een plan maar ik weet niet of het al een plan is. Het kan ook zijn dat de wethouder vindt dat het te rustig is in de vijver. Dat hij te weinig hoort uit het hoenderhok. Hij weet nog niet of het gerealiseerd kan worden. Wetten en praktische bezwaren – er zijn mindere initiatieven door gesneuveld. Een veeg teken is dat mevrouw Bijsterveld het prachtig vindt. Dat zou een mens aan het denken moeten zetten. Wat zou ze er zo mooi aan vinden? Dat het verplicht is? Dat het de suggestie wekt dat je wat doet? Dat je de heilige vakanties van de docenten er mee aanpakt? Dat het een prachtig precedent is, dat naar veel meer smaakt? Eén zwaluw maakt nog geen zomer.

Gaat het om taal of gaat het om tijd, om de tijd dat de kinderen niet naar school gaan? Het is bekend dat achterstandskinderen na de zomervakantie zijn teruggevallen naar een niveau dat lager is dan voordat de vakantie begon. Gewoon, ze krijgen in die periode met te weinig te maken dat hen bij de les houdt. Als het ware. Van hun ouders pikken ze te weinig op en van de straat pikken ze wel wat op maar daar kan de school weer niks mee. Van die dingen die nooit voorbijgaan. Biedt ze de school aan en de terugval is geringer. In New York hebben ze ermee geëxperimenteerd en het werkte. Maar daar was het op vrijwillige basis; de school begon bij de ouders en als die het zagen zitten was het pleit al bijna gewonnen. Het waren niet de docenten die de kinderen aanwezen, het waren de ouders in samenspraak met de docenten.

Het kan zijn dat het succes van het experiment in New York van alles te maken had met die ouders en hun relatie met hun kinderen. Gek, dat aspect ontbreekt in het interview dat het Parool Asscher afnam. Misschien moet de wethouder nog eens nadenken over de opzet van zijn plannetje. Elke fout die je aan het begin maakt krijg je later terug. En management by interview is dan wel modern, het kan zich tegen je keren.

1 januari

=0=