Schapen kijken - foto Bel Any


DAGBOEKHOUDER


Aantekeningen van een ongeduldige toeschouwer

Ton Korver Amsterdam/Den Haag 2011

Ga naar Archief:
2007–2008–2009–2010-2011


April

Nederdam

Partijpolitiek

Administratie

Federaal

Pimpelen

Bancor

Service

Jaarverslag

Laf

Aflossen

Fiets

Eenling

Score

Consequent

Saneren

Fel

Lezing

Lerares

Insourcen

Geboortemaand

Denker

Maart

Halfgod

Achteraf

Feiten in overvloed

Passender

Nationale Raad

Moeder

Talenten

Hulp en onrecht

Nostradamus

Netwerkdemocratie

Portret

Test

Voorkennis

Gereedschap

Sloop

Gevoelloos

Oom Jan

Europact

Verwisseling

Schaal

Hoofddoek

Scenario's

Bekeuring

Vloek

Eigenlijk

Bezit

Ingewikkeld

Vermoeid

 

 


Maxima Moralia
 
Dat had ook de titel kunnen zijn van dit bundeltje aantekeningen. Maar ik wil niet overdrijven. Zo dicht op de huid zitten me de sketches hieronder nu ook weer niet. Ze gaan over dingen die me bezighouden en waar soms de handen van jeuken. Dat is nog niet hetzelfde als het ‘verzonken in ervaring’ dat de Minima Moralia van Adorno als keurmerk heeft. Je moet afstand weten te bewaren. Dat geldt voor de politiek – die karakterlozer wordt met elke nieuwe stap om vooral dicht bij de burger te blijven – en het geldt voor mij.

Niettemin, het kan altijd beter. En dat is een tweede verschil tussen mij en het inspirerende voorbeeld van Adorno. Er is geen goed leven in het slechte is een dictum dat nog uitgaat van een herkenbaar onderscheid tussen goed en kwaad. Daaruit vloeit het oordeel voort. Inmiddels twijfelen we ook daaraan. Dat is geen reden tot wanhoop. Eerder het omgekeerde. Twijfel is, met de gave ons te kunnen vergissen, de opmaat voor schaven en beschaven. Dat wordt makkelijk vergeten, en hoe drukker we het hebben hoe makkelijker. Ik ben aan diezelfde drukte gebonden. Vandaar het ongeduld, gekoppeld aan de afstand die ik met de woorden ‘aantekeningen’ en ‘toeschouwer’ verbind en het voorbijgaande dat meeklinkt in de titel waar ik uiteindelijk voor heb gekozen: dagboekhouder.

 


FiB
tijdschrift Filosofie in Bedrijf

Archief

Dagboekhouder 20
januari - februari 2011

Dagboekhouder 19
november - december 2010

Dagboekhouder 18
september - oktober 2010

Dagboekhouder 17
juli - augustus 2010

Dagboekhouder 16
mei - juni 2010

Dagboekhouder 15
maart - april 2010

Dagboekhouder 14
januari - februari 2010

Dagboekhouder 13
november - december 2009

Dagboekhouder 12
september - oktober 2009

Dagboekhouder 11
juli - augustus 2009

Dagboekhouder 10
mei - juni 2009

Dagboekhouder 9
maart - april 2009

Dagboekhouder 8
januari - februari 2009

Dagboekhouder 7
november - december 2008

Dagboekhouder 6
augustus - oktober 2008

Dagboekhouder 5
april - juli 2008

Dagboekhouder 4
januari - maart 2008

Dagboekhouder 3
augustus - december 2007

Dagboekhouder 2
mei - juli 2007

Dagboekhouder 1
januari - april 2007

 

Nederdam

Als er iets duidelijk wordt uit de slordige 150 pagina’s waarin Opstelten zijn plannen voor de politie heeft beschreven is het wel dat alle actie van hem zal komen. Tal van ambtenarennamen circuleren in de circulaire maar alleen en uitsluitend als mensen met een telefoonnummer. Wou u nog wat weten? Bel Jan. Ook de ambtenaar die wat meer zou weten van de vervanging van agenten door ‘toezichthouders’ werd genoemd. Naam en nummer, het is beleid nieuwe stijl. De vraag is, kunnen we die ambtenaar ook nog bellen nu het niet doorgaat met die toezichthouders? Als we bijvoorbeeld willen weten waar het bedrag van 30 miljoen vandaan moet komen, nu die al ingeboekte bezuiniging niet doorgaat, bij wie kunnen we terecht? Bij wie kunnen we terecht nu alweer blijkt dat afspraak in dit kabinet en met deze partijen helemaal geen afspraak is en hun handtekening onder het akkoord geen handtekening?

Bij Opstelten vraag ik me altijd af of Rotterdam er beter van geworden is, van zijn burgemeesterschap. Het is natuurlijk niet eenvoudig daar een faire maatstaf voor te vinden. Ik zou denken dat de stoere bevoegdheden om extra eisen te stellen aan kansarmen voordat ze Rotterdamse probleemwijken in mogen een redelijke maatstaf is. Moet te handhaven zijn, het staat stoer dus is het echt een klusje waar Opstelten mee uit de voeten kan. De vraag is of het helpt: staan die wijken er beter voor als gevolg van dit beleid? Nou nee, maar dat komt, zegt men, door het feit dat toen plotseling de arbeidsmigratie uit de wat oostelijker gelegen EU lidstaten op gang kwam en daar was even niet mee gerekend. Kansarmen ringeloren, dat kunnen we. Een wijk verbeteren? Dat moeten anderen maar doen.

En nu mag Opstelten heel Nederland bespelen als was het Rotterdam. Net als in Rotterdam is hij het opperhoofd van de driehoek bestuur, politie en OM. Meer nog, hij heeft er de rechtspraak bij cadeau gekregen. Een minister benoemen op het rechtsstatelijk strategische en helemaal nieuwe domein van justitie plus veiligheid, een minister die als burgemeester een stad niet beter heeft achter gelaten dan hij hem aantrof, allochtoontje pesten daargelaten, het is de achteloosheid van dit kabinet ten voeten uit. Achteloosheid, och.

Het blijft een teleurstelling dat Opstelten het zelfs niet heeft aangedurfd uit te leggen dat die toezichthouders voor hen waren en dat in onze wijken gewoon de echte klassieke agent zou blijven patrouilleren. Ik bedoel niet dat we dat kunnen lezen in die circulaire waarvan nu zo’n twintig regels ongeldig zijn verklaard, ik bedoel dat Opstelten er kennelijk op had gerekend dat VVD en PVV dat zo ook wel zouden begrijpen.

Doen ze ook, Ivo, maar ze kennen jouw spel en spelen het ook. Het gaat niet om beleid maar om spierballentaal. Dat is enige afspraak die telt. Het zit even niet mee, jongen, maar hou effe een laag profieltje aan en het waait zo weer over. De gevolgen zijn voor later en wie dan leeft heeft er nu al voor gezorgd dat hij daar niet meer voor hoeft te zorgen.

24 april

=0=

 


Partijpolitiek

Onze premier en zijn gedoogpartner ontvangen in het Torentje een Zeeuws Statenlid. Doel: de samenstelling van de Eerste Kamer beïnvloeden. Een beetje polderen, al is dat met een Zeeuw al snel polderen over de Hedwigepolder. De politiek wordt door een enkel Statenlid bepaald, de SGP zal er jaloers op zijn. Vanwege die polder? Nee, vanwege partijpolitieke redenen. Het kabinet is tot alles bereid om een meerderheid in de Eerste Kamer te bewerkstelligen. Tja, zegt de premier, ook als premier ben ik nog altijd de leider van de VVD en dat vorige premiers een wat andere rolopvatting hadden is hun zaak. Rutte doet alsof wij de premier kiezen. Hem dus. Dan mag je best partijpolitiek bedrijven, ook als je een minderheidskabinet leidt. Hij is de premier van alle Nederlanders en alle Nederlanders bestaan uit 1/3e van de Tweede Kamer, plus nog 1/6e dofgajes dat zich gedoogpartij noemt. Bij elkaar nog geen vijf miljoen kiezers en daartegenover ook weer een kleine vijf miljoen. In alle gevallen zou je als premier niet een te grote broek moeten aantrekken maar een liberaal met een passende broek moet nog worden uitgevonden. Partijpolitiek. De oppositie protesteert, de coalitie plus gedoogvereniging heeft geen commentaar. Een premier van alle Nederlanders. Als hij het meent kan het niet anders dan dat hoon de eigenschap is die alle Nederlanders verbindt. Het verklaart veel, zo niet alles van het beleid van dit kabinet.

Een lezing van Thomas von der Dunk, in Haarlem en op verzoek van de provincie Noord-Holland, wordt afgelast. Hij had het willen hebben over het taboe dat de laatste tijd op de Tweede Wereldoorlog rust. Daar is hij het niet mee eens, met dat taboe. Een beetje vanuit hetzelfde sentiment als Riemens als ik het goed heb begrepen (ik vond de lezing, afgedrukt in de Volkskrant, geen toonbeeld van helderheid) en met de PVV als voorbeeld van een club die naargeestig en verongelijkt aan de poten van de rechtsstaat zaagt. Geholpen door VVD en CDA, dat wel, dezelfde partijen die namens de provincie Noord-Holland, en in uitstekend overleg met de PVV, zoveel partijpolitiek in de lezing ontdekten dat de uitnodiging aan Von der Dunk is ingetrokken. Betere illustratie bij de strekking van de lezing hadden deze vurige verdedigers van hun vrije woord niet kunnen verzinnen. Dat, moeten wij begrijpen, is geen partijpolitiek.

Met deze coalitie en deze gedoogvrienden is de Nederlandse politiek het tijdperk van de totale willekeur binnen getreden.

23 april

=0=

 


Administratie

Vroeger had je uitzendbureaus. Die heb je nog maar het kan altijd beter. Het ideaal is een werknemer die je helemaal zelf hebt mogen uitkiezen en die toch jouw werknemer niet is want hij of zij is in formeel dienst van een ander, van een payroll onderneming. Zo weet je wie je krijgt en je hebt er toch geen last van want je kunt op elk gewenst moment de betreffende persoon ontslaan. Dat geldt dan als bedrijfseconomische reden. Ik begrijp dat ook uitzendbureaus zich aansluiten bij een payroller. Zo ontloop je alsnog de consequenties van de wet flex en zeker en je blijft toch binnen de wet. Het is geweldig.

Naar men zegt was het in de bouw en de horeca zo’n zootje dat een payroller uitkomst bood. Zo wist de werknemer ten minste voor wie hij werkte en bij wie hij in dienst was. Een voorrecht, kennelijk. Een enorme vooruitgang zelfs en daarom hebben we de regeling voor iedereen opengesteld, ook voor mensen die dachten bij, bijvoorbeeld, het Ministerie van Economische Zaken te werken maar dat helemaal niet doen want ze zijn in dienst van een payroll onderneming. Daar hadden zij niet om gevraagd, daar had het ministerie om gevraagd. Vooruitziende blik! Het geld is op, mensen moeten er uit en kijk, we hebben nog een paar honderd mensen die jaren voor ons hebben gewerkt maar toch niet van ons waren. Godzijdank. Weg ermee. De overheid geeft het goede voorbeeld en de bouw en de horeca zijn er mee geholpen en tal van andere bedrijven, van ministeries tot en met uitzendbureaus, ook. Nu, D66 en Groen Links indachtig, de anderen nog, de conservatieve werknemers die niet alleen op plek A werken maar er ook nog in dienst zijn. Helemaal overbodig. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dit niet eerlijk is. De solidariteit tussen de werknemers vereist dat iedereen in de toekomst in het payroll wezen wordt opgesloten.

Dan is Nederland eindelijk flexibel geworden, wordt iedereen gelijk behandeld en zijn we van veel onvrede verlost. Het is ook redelijk want, zeg nou zelf, personeel betekent administratie die je niet wilt en dus besteed je die administratie uit. Dat aan die administratie ook de werknemer zelf hangt is niet eens het voornaamste motief. Maar mooi meegnomen is het wel. De vraag is: voor wie?

21 april

=0=

 


Federaal

Toen Joschka Fischer zijn idee voor een federaal Europa lanceerde was dat gebaseerd op de wens Europa democratischer te maken. Een vergelijkbaar sentiment werd door Guy Verhofstadt verwoord. Groen en liberaal, daar vinden we de meest uitgesproken voorstanders van een democratische EU. Niettemin, Fischer en Verhofstadt zijn nog altijd roependen in de woestijn. Dat federale Europa komt er wel, over de democratie wordt het stilzwijgen bewaard. Maar, zo stelde Fischer in januari van dit jaar nogmaals vast, de vraag is niet of de Europese staten soevereiniteit kwijtraken, de vraag is alleen aan wie ze het kwijtraken. Het alternatief volgens hem is: aan de EU als politiek herkenbare entiteit of aan, wat hij noemt, de opkomende machten. Welke dat waren zei hij er niet bij. Behalve de landen die de laatste jaren zijn aangeschoven bij de G20 kunnen we ook denken aan het allerminst democratische IMF en aan het bondje dat de Eurolanden met het IMF hebben gesloten. Het IMF is helemaal back in business en business is nu eenmaal niet democratisch. Daar heeft men wel wat anders te doen. Dus ja, waar we soevereiniteit aan afstaan is en blijft een belangrijke vraag. De belangrijkste misschien wel, in Europa.

Het federale Europa is onderweg. Sluipend, nu nog, maar het zou wel eens op korte termijn in een stroomversnelling kunnen raken. Waar de politici hun vingers niet aan durven branden wordt door de gevolgen van de financiële crisis op een meer technocratische wijze opgedrongen – met een stilzwijgende goedkeuring van politici die zich meer en meer exclusief op de taak richten hun staatsschulden en overheidsbegrotingen te saneren en er daarbij niet onderuit komen de schuldenlast van Griekenland, Portugal en Ierland te ‘herstructureren’. De Grieken moeten in ruil daarvoor dan wel hun staatsbezittingen voor vijftig miljard de markt opgooien – maar dat was toch al achterstallig in het marktconforme Europa waar staatsmonopolies niet mogen en veel grotere private partijen dan de staatsmonopolies ooit waren zeer welkom zijn.

Het is een mooi deskundig woord, dat ‘herstructureren’. Het mag nu een tijdje circuleren zodat we er alvast aan kunnen wennen en over enige tijd is de vraag niet meer of we aan het herstructureren moeten slaan maar alleen nog hoe. Gelukkig hebben we daar deskundige ministers voor dus dat is allemaal dik in orde, zeker als we ons er niet mee bemoeien. Gegeven het Nederlandse parlement komt ook dat weer voor de bakker. En zijn de schulden ‘geherstructureerd’ en is een federaal Europa, een geradicaliseerde monetaire unie zullen we maar zeggen, weer een stap naderbij gekomen.

Herstructurering is gewoon schuldhulpverlening. Griekenland vervoegt zich bij een kantoortje, moet de zeggenschap over de eigen financiën afstaan en wordt op rantsoen gezet en als dank voor al die bereidwilligheid gaat het kantoortje langs bij de schuldeisers om die uit te leggen dat als ze het volle pond willen ze ongetwijfeld zo lang moeten wachten dat van het pond nog maar een onsje is overgebleven. Is het dan niet beter een deel van de schuld te vergeten, in de zekerheid dat het restant wel degelijk en reken maar van yes zal worden uitbetaald? Het is helemaal zo moeilijk niet, dat ‘herstructureren’. Wel vervelend en vernederend voor de schuldhulpbehoevende maar wie zich brandt moet op de blaren zitten. Voor niets gaat ook de zon in Griekenland niet meer op.

De echt brandende kwestie is wie zich in dat kantoortje ophouden en wat hun bevoegdheden en machtsmiddelen zijn. Nu, het wie, dat is de EU met z’n tijdelijke noodfonds en, vanaf 2013, het Europese Stabilisatie Mechanisme. Het FD citeert een voormalig Goldman Sachs bankier die stelt dat met deze innovaties de muntunie fundamenteel is veranderd. Hij voegt eraan toe: ‘Geen EU-leider zal het toegeven, maar Europa is in anderhalf jaar tijd getransformeerd tot een federale staat. Niet een staat zoals de Verenigde Staten, maar misschien wel een effectievere, want een euroland in nood kan nu geld krijgen, maar daar staat wel wat tegenover.’ Deze keer moesten de Grieken hun staatsbedrijven verkwanselen, een volgend keer mogen ze de naam Macedonië niet meer claimen of dwarsliggen in Cyprus inslikken. Grote voorspellingen, maar, zou ik denken, niet ondenkbaar of onwaarschijnlijk.

Nee, dat federale Europa komt er wel. Het zal niet democratisch zijn. Al was het maar omdat ministers, staatssecretarissen, premiers en presidenten om het hardst zullen ontkennen dat er ook maar iets van een federatie aan het aankomen is. Politiek in Europa is marktpolitiek en de markt moet je niet democratiseren, de markt moet je laten reguleren. De EU is het uitvoerend comité voor de gemeenschappelijke belangen van de Europese markt, de markt van het geld inmiddels inbegrepen. Ik parafraseer Marx. En ook bij hem staat ‘gemeenschappelijk’ tegenover ‘algemeen’. In het gemeenschappelijk belang weegt het zwaarst wat het zwaarst weegt. In het algemene belang weegt ook het minder zware zwaar, gewoon omdat iedereen aan gewicht kan verliezen en iedereen juist dan nog voor vol wil worden aangezien. Wat iedereen kan overkomen, dat is het algemene belang.

De EU wordt pas een politieke unie als het een algemeen belang weet te vertegenwoordigen. Tot die tijd blijft het een, steeds zwaarder opgetuigde, economische unie voor ‘gemeenschappelijke’ marktbelangen. De Grieken zijn er niet blij mee. We zagen ze nooit helemaal voor vol aan en nu weten we het zeker.

20 april

=0=

 


Pimpelen

De truc is het gat tussen waarneming en toerekening, tussen perceptie en attributie, te ontkennen. Het is het kenmerk van de rechtgeaarde sektariër. Alles wat gebeurt wordt onmiddellijk vertaald in een oorzaak en een agent. In het geval Wilders: het complot en de linkse elite. Zijn tweet naar aanleiding van uitspraak van de wrakingskamer, gisteren is er een illustratie van: ‘Teleurstellend dat wrakingsverzoek is afgewezen. Hoge heren houden elkaar de hand weer eens boven het hoofd. Het circus gaat nu weer verder.’ In zo’n wereldbeeld past alles want alles is altijd al verklaard voordat het zelfs maar is gebeurd. Daarmee is één van de spelregels van een normaal gesprek – dat niet alles vanzelf spreekt en dat je daarom ook een gesprek aangaat – opgeheven. Met Wilders kun je geen gesprek voeren.
Dat lijkt me lastig voor zijn advocaat. Tenzij, natuurlijk, het een advocaat is die meent dat het voor de uitoefening van zijn beroep niet nodig is nog enige afstand aan te houden tussen hemzelf en degene die hij verdedigt. Door het laten vervallen van die afstand is Moszkowicz het proces Holleeder kwijtgeraakt. En het is precies die kwaliteit die hem tot de geschikte advocaat voor Wilders maakt. Neem de stijl van Wilders, voeg er een forse scheut pedanterie aan toe en je krijgt Moszkowicz. Normaal zien we als eerste de pedanterie, maar ook een advocaat heeft zichzelf niet altijd in de hand. Afgelopen vrijdagavond liet de advocaat de pedanterie de pedanterie en ging direct op de stijl over. Ik vermoed dat de advocaat behoorlijk gepimpeld had – hij kwam een beetje ordinair over. Het was weekend zullen we maar denken en dan berg je het decorum op, samen met de toga.
De advocaat belde naar Pauw en Witteman, die met Bertus Hendriks in gesprek waren. Een buitenkansje voor de heren van de presentatie. De advocaat begon nog herkenbaar, door te zeggen wat hij van plan was en tegelijk te ontkennen dat hij het zei (andere advocaten zeggen gedurig dat hij zo’n knap advocaat is – dat komt, vermoed ik, door die opzichtige en doorzichtige taalkronkel): ‘ik heb u vanmiddag in de rechtszaal al een leugenaar genoemd dus dat zal ik hier niet herhalen’. Het is één keer leuk, daarna is het goedkoop, een vorm van verbale zelfbevrediging. Zo’n man moet ook wat en met een goed glas alleen komt hij niet klaar. Daarna kwam de echte aanval pas. Een combinatie van lafheid en karaktermoord door te suggereren dat Hendriks een jodenhater was, een vriend van Hamas en daarom per definitie onbetrouwbaar, en in staat elk middel uit de kast te halen om Wilders te treffen. Het laatste zei de man uiteraard niet, maar dat Hendriks de agent van duistere machten was, dat snapte toch iedereen? Dat hoefde hij er toch niet bij te zeggen? De advocaat weet, net als Wilders, dat iedereen die het niet met hem eens is in het complot zit, getuigen en rechtbanken, het is bij elke tegenspraak één pot nat.
Ik neem aan dat de advocaat met z’n dubbele tong hoopte dat Hendriks zou happen en de provocatie zou beantwoorden. Dat deed Hendriks niet. Te weinig gepimpeld ongetwijfeld. Niet dat het er iets toe doet. Het bewijst slechts hoe duivels het complot in elkaar steekt.

19 april

=0=

 


Bancor

De Amerikanen verzetten zich nog steeds. Ze spartelen. De kritiek op de dollar als internationale reservemunt groeit. Terecht, de Amerikanen hebben er een potje van gemaakt. Afgelopen week, voor de zoveelste keer, stelden de Chinezen voor de dollar te vervangen door een reservemunt, opgebouwd uit de waarde van een aantal bepalende munten. De Russen, de Indonesiërs en andere landen uit Zuid Oost Azië en ook de Brazilianen hebben zich inmiddels bij de Chinezen gevoegd. De reactie van Geithner is typerend: hij begint over de wisselkoersen (dus over de waarde van de Chinese munteenheid). Een opzichtige poging van een Amerikaanse minister van Financiën de positie van de dollar voor de zoveelste keer uit de wind te houden. De vraag is hoe lang nog. Zelfs Strauss-Kahn, de huidige baas van het IMF (qua stemverhoudingen nog altijd het speeltje van de VS), heeft al een balletje over een nieuwe reservemunt opgeworpen. En inderdaad, een gemoderniseerde versie van de Special Drawing Rights zou wat kunnen uithalen – als de basis ervan wordt verbreed (de euro moet er op z’n minst gelijkwaardig aan de dollar in, het pond heeft een te grote broek aan, de yuan moet erin enz.) en het bedragje dat nu de naam van SDR’s draagt wordt vergroot. Van het laatste is overigens al sprake maar het is nog lang niet genoeg.

Zoals wel vaker: de EU zwijgt. Het begint op te vallen. Indien de EU zich achter de pleidooien zou scharen om de internationale reservemunt anders op te tuigen zouden de Amerikanen niet zo makkelijk wegkomen. De EU geeft de Amerikanen echter tot nu toe alle ruimte. Dat is een risico, niet alleen omdat ook de EU over dollarreserves beschikt die, gegeven de Amerikaanse staatsschuld en het begrotingstekort aldaar (Griekenland, Portugal en Ierland steken er gunstig bij af – en het IMF vindt het allemaal wel best) nog fors in waarde kunnen dalen maar ook omdat de koers van de dollar de koers van de euro beïnvloedt op een manier die meer met de Amerikaanse belangen te maken heeft dan met de belangen van de wereldeconomie. Het zogenaamde Triffin-dilemma (het probleem als land van de reservemunt je eigen economie te bedienen en tegelijk de wereldeconomie) is tamelijk actueel – om het voorzichtig te zeggen.

Nog tijdens de tweede wereldoorlog stelde Keynes een internationale reservemunt voor die hij de Bancor noemde. Het zou een eenheid moeten zijn die werd gedekt door een bundel goederen en diensten, en pas in tweede instantie door goud. De Amerikanen verwierpen het idee. Het moest de dollar worden, een dollar die sinds 1971 niet langer in goud inwisselbaar is. Inmiddels zijn we veertig jaar verder. In een rapport van het IMF, vorig jaar april (Reserve Accumulation and International Monetary Stability), werd het idee van Keynes weer van stal gehaald. Er komt nog iets bij. Keynes stelde ook een belasting voor die de deelnemende staten zouden moeten betalen als hun lopende rekeningen teveel overschotten dan wel tekorten zouden vertonen. Ook dat idee begint weer te circuleren – al zijn in Europa Nederland en Duitsland tegen. Tekorten? Graag. Overschotten? Nee, dank u. In breder internationaal verband zullen ze ook wel tegen zijn.

Is het vreemd te veronderstellen dat de zwijgzaamheid van de EU mede wordt ingegeven door de kleingeestigheid die in Nederland al sinds Zalm en in Duitsland sinds Merkel de scepter zwaait? Een nieuwe internationale reservemunt is nodig. Maar nu even niet. Wij hebben het liever over Griekenland dan over de VS. Als Griekenland niet bestond zou het uitgevonden moeten worden. Heerlijk om over zo’n reserve te beschikken.

18 april

=0=

 


Service

In een interview van ruim een week geleden vertelde de nieuwe baas van ProRail dat haar klanten de vervoerders op het spoor waren. Dat zijn niet de reizigers uiteraard. Reizigers zijn geen vervoerders, ze worden vervoerd. Dat de verantwoordelijkheden zo zijn verdeeld is geen beslissing van ProRail. Het is een beslissing geweest van regering en parlement.

De nieuwe baas van ProRail was tot voor kort de hoogste vrouw bij Defensie. Ze houdt van reorganiseren. In de tijd dat ze daar werkte heeft ze 45 reorganisaties doorgevoerd en 2000 man weten te lozen. Ze hadden haar nooit moeten laten gaan denk ik dan. Aan de andere kant, ze is er van overtuigd dat ook ProRail wel een reorganisatie kan gebruiken. Ik zou daar ongerust van worden maar mevrouw Gout geniet ervan. Het zal ook wel de reden zijn dat ze bij ProRail is aangesteld. De bezem erdoor, heerlijk. Altijd goed. Anders slapen de mensen maar in. Een beetje onzekerheid en ze komen kwispelend naar je toe.

Dat van die reizigers had ze niet moeten zeggen. Ze heeft natuurlijk gelijk maar je mag het niet uitspreken. Charlie Aptroot sprak er onmiddellijk schande van. Het gaat om de reiziger, wat zullen we nou hebben. Ook andere Kamerleden grepen hun kans. Monasch pruttelde iets over regentenmentaliteit en Bashir van de SP voorspelde een heel korte aanstellingsduur. Ach gut. De minister volgde op korte afstand. Ze was ‘not amused’ en heeft naar de telefoon gegrepen om het mevrouw Gout aan het verstand te peuteren. Het heeft geholpen. De minister: ‘Ik heb met haar gepraat en uitgelegd wat de bedoeling is. Dat onderschrijft ze volledig’. Dat is nog eens daadkracht. Uitleggen wat de bedoeling is. Zou mevrouw Gout niet hebben begrepen dat er met treinen ook reizigers meegaan? Mijn indruk was anders maar wat heeft de minister in hemelsnaam dan wel bedoeld?

De minister bedoelde precies hetzelfde als de Kamerleden. Reizigers zijn kiezers, kiezers heb je nodig, kiezers hoef je niet te bedienen maar je moet zeggen dat je alleen hen bedient en voor de rest kunnen ze in de stront zakken. Wat betreft de minister mag dat laatste ook letterlijk. Het is een keurig meisje dus ze zegt het niet. Ze doet het.

Mevrouw Gout is misschien wel een hele goede baas in een tijd dat je onzekerheden nodig denkt te hebben om te regeren. Maar voor de politiek is ze ongeschikt. Ze zegt waar het volgens op haar op staat en dat is een politieke doodzonde. Nee, dan de minister. Die zegt dat het hele spoor haar geen bal kan schelen. Onderhoud? De minister is van Zen zonder onderhoud. Zij is er om de staatsschuld kleiner te maken. En zij is politica door het laatste keer op keer te herhalen en het eerste impliciet te laten. Die conclusie moeten we zelf maar trekken en dan is er altijd nog mevrouw Gout om de schuld te krijgen. Dat zal ze niet gezegd hebben. Wel denk ik dat mevrouw Gout het heeft begrepen. Wat zei de minister ook al weer? ‘Dat onderschrijft ze volledig’.

Dat is ook de bedoeling.

17 april

=0=

 


Jaarverslag

De Raad in de Staat is het altijd weer spannende beginhoofdstuk van het jaarverslag van de Raad van State. In de media is er summier aandacht aan besteed, in het bijzonder aan de passages over de kabinetsformatie en de onkunde van de politici tijdens die formatie. Het staat er niet maar het komt er wel op neer: het doel heiligt de middelen.

Dat is interessant omdat het gehele betoog van Tjeenk Willink in het teken staat van het aandragen van bezwaren tegen die doel/middel formulering. Het kernbezwaar wordt door Tjeenk Willink als volgt verwoord: ‘‘Het politieke’ is verbestuurlijkt en het bestuur is - in zijn denken - vermarkt.’ Het is een korte zin en het is een diagnose die er niet om liegt. Tjeenk Willink legt het begin van de misère bij de privatisering en het ‘op afstand plaatsen’ van publieke taken en bevoegdheden terwijl de politici uiteraard wel verantwoordelijk blijven. Het heeft geleid tot een fantastisch conglomeraat van zelfstandige bestuursorganen (zbo), van rechtspersonen met een wettelijke taak (rwt) die vaak ook zbo zijn maar niet altijd, zoals in het geval van academische ziekenhuizen, de NS en schoolbesturen. Wat ze delen is dat ze eigen bevoegdheden hebben en dus niet hiërarchisch ondergeschikt zijn aan een minister. Ze worden op de vingers gekeken door een ook al uitdijend apparaat van toezichthouders die, zo constateert Tjeenk Willink, vaak als ‘autoriteit’ worden aangeduid. Merkwaardig is het inderdaad. Eén van de belangrijkste overheidsinstrumenten zijn de middelen en tekens van gezag. Geef dat uit handen, en dat heeft de overheid dus gedaan, en niemand die nog weet waar gezag voor staat. Het is de perfecte uiting van de crisis in het gezag en het komt neer op het vermarkten van het bestuur – niet alleen in het denken overigens. Je zou hebben verwacht dat om daar nog enige paal en perk aan te stellen de positie van de rechterlijke macht versterkt zou zijn – maar ook die staat onder druk van de markt. Het kost te veel, het duurt te lang, het verstoort het bestuur, het spreekt zelfs tegen, en wordt gekortwiekt. Logisch. Ook hier het marktdenken. Dit kabinet wil, consequent als het soms is, de rechtsgelijkheid en de rechtszekerheid op de schroothoop gooien. Dat kost maar geld en leidt tot vertraging. De burger moet maar eens weten dat het recht duur is en dat je er alleen gebruik van moet maken als het echt nodig is. Betalen dus, als je zo nodig wilt procederen. Het wachten is slechts op het invoeren van klassen in het recht. Als je meer betaalt dan je toch al moet betalen kun je eerste klasse door het recht toeren. Bestaande ongelijkheden worden verscherpt. Het zal het recht wel selectiever maken, niet efficiënter. Voor dat laatste heb je, ik noem maar wat, een adequaat OM nodig en juist in zaken waar het een beetje ingewikkeld is en door advocaten nog ingewikkelder wordt gemaakt staat het OM vaker wel dan niet met lege handen. Duur en improductief. Je kunt met veel wegkomen – als je veel kunt besteden.

Op z’n minst even zorgelijk is het eerste deel van het zinnetje van Tjeenk Willink: het politieke is ‘verbestuurlijkt’. Lelijk woord voor een nog lelijker praktijk. Het politieke heeft, schrijft Tjeenk Willink, te maken ‘met een visie op het algemeen belang, een visie op de
toekomst, op de wereld waarin wij willen leven.’ Het politieke ‘komt voort uit het samenspel
van staat en maatschappij’ en is alleen al door z’n toekomstdimensie niet op de korte maar op de lange termijn gericht. En in die zin staat het ‘haaks op het marktdenken’. Tjeenk Willink wijst naar de politieke partijen die het juist op dit punt hebben laten afweten. De partijen staan, als het goed is, in beide werelden, in die van de samenleving en in die van de politiek. Het is niet goed.

Ik weet het niet zeker maar ik vermoed dat Tjeenk Willink in deze beschouwing, zijn laatste als vice-voorzitter van de Raad van State, een balans van een periode heeft opgemaakt die niet alleen hem tot grote somberheid heeft veroordeeld. Het opmerkelijke stilzwijgen waarmee zijn betoog is begroet bevestigt z’n insteek. Het zal allemaal wel en zo, maar we hebben er geen tijd voor want tijd is kostbaar en mag niet worden verspild aan zoiets als reflectie. Daar hebben we de Raad van State al voor, toch? Nou, laat het dan tot dat clubje vrijgestelden beperkt blijven. Weten die mensen wel wat ze kosten en willen ze nog meer kosten maken?

Onze rechtsstaat is er niet meer om de markt te sturen, de markt is er om de effectiviteit en efficiëntie van de rechtsstaat te beoordelen. De rollen zijn omgedraaid. Het is, om het allemaal nog erger te maken, niet eens een exclusief Nederlands verschijnsel. De gehele EU staat in hetzelfde teken. Maar, zoals Alain Supiot dat voor de EU beschreef en Tjeenk Willink voor Nederland, de beslissing is in eerste en laatste instantie een politieke.

Nu de politici nog, en hun partijen.

16 april

=0=

 


Laf

En zo zijn we weer een illusie armer. Het komt door Donner. Voor mij was het wel iemand. Ik vond z’n taal opmerkelijk, mooi gebeeldhouwde zinnen. Humor ook, altijd het optreden in de Kamer gelardeerd met een scheutje ironie. De Kamer at meestal uit zijn hand. Hij was beter.

Hij bracht me ook aan het twijfelen. Hij had het moeilijk de jurist recht te doen in de politicus. Ik vind niet dat de rechtsstaat er beter op geworden is en daar is hij medeverantwoordelijk voor. Ik meende te kunnen observeren dat dat hem niet gemakkelijk afging. Twee zielen in één borst. En verder is de man een ontzettend handige duivel. Een politiek evenwichtskunstenaar. Zo langzamerhand is hij de langstzittende minister, de kleine onderbreking naar aanleiding van de brand in het asielzoekerscentrum bij Schiphol niet meegerekend. Het was een smet op het blazoen dat hij toen de verantwoording in de Tweede Kamer ontliep door als minister af te treden. Maar goed, hij smachtte kennelijk al naar de volgende ronde. Weer op als minister.

Woensdag maakte Donner bekend dat hij de gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad over de SGP voor zich uit schuift. Het Europese Hof voor de rechten van de Mens moet eerst maar spreken vindt Donner. Want er zijn grondrechten in het spel. Kennelijk gaat deze minister niet over grondrechten. Die geeft hij liever uit handen. Op zichzelf al kwalijk maar het is ook een laffe smoes. Nederland heeft het VN verdrag over gelijke rechten voor man en vrouw niet alleen ondertekend maar ook geratificeerd. Dan zit je er aan vast. Het is de lafheid van politici geweest dat ze die elementaire consequentie niet zelf hebben willen nemen en de zaak voortdurend hebben doorgeschoven naar de rechter. Na de uitspraak van de Hoge Raad – jongens, jullie hebben ervoor getekend en dus is er geen ontsnappen aan – had ik van Donner verwacht dat hij het niet over grondrechten zou hebben maar over betrouwbaarheid.

Nu, om dit luizige kabinet uit de wind te houden, verkoopt Donner de regel dat je je aan je afspraken moet houden voor het bord linzen dat SGP heet.

Dat is laf. Hij is voor mij door het ijs gezakt. Precies, weer een illusie armer.

15 april

=0=

 


Aflossen

Minister De Jager denkt dat als het onroerend goed van die IJslandse bank wordt verkocht we al ongeveer tweederde van onze vordering binnen kunnen slepen. Tweederde, het is je wat. Een kinderhand is gauw gevuld en nu weten we gelijk wat daadkracht betekent voor dit kabinet. Daadkracht is genoegen nemen met tweederde. Met het verschil had de bezuiniging op het bijzonder onderwijs kunnen worden vermeden – het is niet meer dan logisch dan dat de fractie van het CDA alle moties om die bezuiniging af te zwakken heeft verworpen. Het verschil moet ergens vandaan komen.

Ik denk dat de goede man zichzelf aan het overschatten is. Of het een goed plan is, het zou kunnen. Maar het is niet zo handig om het vooraf bekend te maken. Hij had gewoon kunnen wachten tot na de verkoop van grond en gebouwen en dan een claim leggen. Nu weet heel IJsland dat de betaling naar Nederland moet. Dat kan het bieden beïnvloeden. De Jager is toch niet vergeten wat af en toe in ons land gebeurde, de gedwongen verkoop van een boerderij, nog maar een paar decennia geleden? Het bod was zo laag dat het niet meer dan een grijpstuiver opleverde. IJsland is een overzichtelijk land, met een kleine bevolking en ze zullen de hoop van De Jager niet van harte voeding geven. Ze weten nu waar ze aan toe zijn. Die Hollander wil geen geld aan een proces uitgeven, hij wil zo snel mogelijk geld zien en dus is hij kwetsbaar. Hij is de kaartspeler die z’n kaarten voor iedereen zichtbaar op tafel heeft gelegd.

De daadkracht van De Jager is geen daadkracht. Het is inhaligheid en het gaat Nederland duur opbreken. Eén miljard denkt De Jager te kunnen binnenslepen. Destijds dacht de geniale Gerrit Zalm twintig miljard te kunnen binnenslepen door allerlei frequenties te laten veilen. Hij had er niet helemaal rekening meer gehouden dat de biedende partijen het op een akkoordje zouden gooien: even veel biedende partijen als kavels. In het nette uiteraard, dat akkoordje, want een echt akkoord was niet toegestaan. Dus kregen we iets in de orde van grootte van vijf miljard aan opbrengst, een kwart van het geschatte bedrag.

Als De Jager tweehonderdvijftig miljoen binnenhaalt mag hij, de daadkrachtige bestuurder, in z’n handen knijpen.

13 april

=0=


Fiets

Afgelopen zaterdagmiddag liep Elly, fiets aan de hand, over de stoep. Van de andere kant kwamen twee meisjes, de ene wandelde, de ander fietste naast haar. Het fietsende meisje reed tegen Elly aan, de twee meisjes namen de vechthouding aan, schopten tegen de fiets van Elly, grepen haar beet. Elly werd gered door twee mannen, die haar ontzetten. De meisjes bonden in.

Het fietsen op stoepen is een verworven onrecht. Het heeft een grote vlucht genomen. Voor zover ik heb kunnen waarnemen is het geen punt bij de politie. Als er maar een lichtje op zit en je niet al te ostentatief door rood licht rijdt is het wel goed. Op de stoep vermijd je het rode licht dus dat is mooi meegenomen. De stoep is in bezit genomen. Het is net als in het Vondelpark – maar daar is het in naam van de gezelligheid zelfs officieel beleid dat de fietser en de wandelaar door elkaar heen bewegen. Ik heb mijn kinderen leren fietsen in het Vondelpark. Ik zie het nog zelden gebeuren. Het park is te druk. Het beleid is ongewijzigd.

Als het al niet winkels en horecazaken zijn die het trottoir innemen doet de aannemer het wel met steigers en containers. En anders is er de gemeente want in Amsterdam moet veel op de schop en straten en stoepen worden opengebroken. En dan de fietsen. Kinderen, volwassenen, ouders met kinderen. De fietsen worden groter, breder, langer. Stoep. Publiek bezit als privé eigendom. Zeg er wat van en niet het fietsen maar het zeggen wordt als affront beleefd.

Aan ouders van schoolgaande kinderen is door Veilig Verkeer Nederland gevraagd naar een gouden tip voor de verkeersopvoeding van hun kinderen. Het advies van een van de moeders is de rollen om te draaien en het kind te vragen hoe de ouders zich in het verkeer moeten gedragen. Goed idee. Ik kom het tegen in een bericht in het Reformatorisch Dagblad over het verschijnsel dat steeds meer basisscholen het verkeersexamen laten voor wat het is. Een deel doet dat met zowel het schriftelijke als het praktische examen, een deel schrapt alleen het praktische examen. De geciteerde redenen zijn dar er te weinig goede fietsen zijn, dat de kinderen niet kunnen fietsen, en dat de kinderen te weinig fietservaring hebben. Intrigerend, dat ‘goede’.

Het is grappig. Niemand kan nog fietsen en overal in de stad struikel je over de geparkeerde fietsen. Op de stoep. Het is hoog tijd dat de gemeente wandelroutes gaat aanleggen.

12 april

=0=

 


Eenling

Zou de man die zich op de Dam in brand stak een eenling zijn geweest? De media haastten zich te verklaren dat er geen politieke motieven in het spel waren. Als de media iets niet weten vullen ze het ontbrekende in met geruststelling, verontwaardiging, verdoezeling, al naar gelang. De Telegraaf bood op z’n internetpagina een stukje uit de RTL reportage over de jongeman uit Alphen aan den Rijn en zette dwars over het beeld van de foto plus volle naam (de jongen is publiek bezit geworden): ‘dit is de klootzak’. Welke klootzak daar voor verantwoordelijk was stond er niet bij. Het heldendom van De Telegraaf is bekend. In het geval van de man op de Dam kwam daar nog de hoon van Theodoor Holman bij (Parool, vrijdag 8 april, column De Asielzoeker). De plek voor compassie en verering bij Holman is al lang bezet. Vandaar. Eén martelaar is genoeg, meer kan niet. Holman schrijft alleen over zichzelf. Een aanleiding biedt is altijd makkelijk te vinden.

In het geval van de jongen uit Alphen aan den Rijn en diens noodlottige schietpartij met zeven doden en ettelijke gewonden wist onze premier direct waar het om ging. Een eenling. Het zal wel rustgevend zijn bedoeld maar het is het niet. Er zijn steeds meer eenlingen. Ik hoorde de lokale officier van justitie zeggen dat het motief van de dader nog niet bekend was. Dat vond ze jammer voor de nabestaanden. Merkwaardige wereld. Ze zal wel oorzaak hebben bedoeld want of er een motief was kon ze evenmin weten als wat het motief was. Voor een motief moet je kunnen kiezen en we weten niet of deze jongen nog kon kiezen. Misschien was er ooit een motief en was het al lang overgenomen door een waan. Weten we niet.

Een forensisch psycholoog (Corine de Ruiter) en een psychiater (Bram Bakker) weten het wel. De Ruiter vind het lastig te vergelijken en slaat direct aan het vergelijken want het gaat om ‘mensen die al labiel zijn,  een neiging tot agressie hebben en een gebrekkige controle hebben over hun impulsen.’ Daar hebben we er steeds meer van vindt ook Bakker: ‘Ikzelf heb het idee dat het aantal drop-outs geleidelijk aan het toenemen is nu de stress in de maatschappij almaar groter wordt. Er is ook een specifieke, serieuze doelgroep: jonge mannen. Misschien moeten we die actiever gaan volgen.’

Men hoeft niets te weten om toch alles te weten. Het gros van de psychiaters en forensisch psychologen gaat hopelijk zorgvuldiger te werk. Ik dacht altijd dat ‘een typisch gevalletje van’ in de leerboeken werd beschreven en dat individuele casuïstiek pas aan de beurt kwam als zo’n geleerde iets meer wist van de persoon in kwestie. Nee dus. Helemaal niet nodig. Labiele jonge mannen, zo tussen de 17 en 25 jaar, drop-outs: dat is de doelgroep. Mohammed B. valt net buiten de doelgroep, Volkert van der G. en Karst T. ook al. Toch was, als ik het me juist herinner, Karst ook een eenling. Bij Volkert en Mohammed werd dat niet gezegd. Die waren hooguit een beetje eenzelvig en eigenaardig. Politiek. Bij Karst werd dat niet gezegd. Of? Ook de verbrande asielzoeker viel buiten de doelgroep. Die viel inmiddels overal buiten, uitgeprocedeerd en al. Niet politiek. Als ik in de schoenen van De Ruiter en Bakker zou staan zou ik trouwens de leeftijdsgrens niet alleen verhogen maar ook verlagen. Eenlingen die een beetje labiel zijn, het wemelt ervan.

Dat zegt De Ruiter ook. Zij heeft ‘het idee dat mensen in Nederland steeds meer op een eiland leven.’ De troostende woorden van Rutte blijken een complete maatschappij analyse te zijn. Toch vermoed ik dat hij de conclusie (ja, zover gaat een forensisch psycholoog die het lastig vindt om te vergelijken maar geen enkel probleem heeft ‘trends’ te ontwaren) van De Ruiter niet gaat delen. Zij vindt dat de harde aanpak niet helpt en ze pleit voor ‘een soort sociale buurtaanpak.’ Het zou een nieuwe ‘trend’ zijn maar het is kansloos. Oom Ivo zou het niet goedkeuren en de gedoogpartners zouden eerst de sociale samenstelling van de aan te pakken buurt willen weten. Het is trouwens dweilen met de kraan open. Eenling is Elckerlyc.

11 april

=0=

 


Score

De EU ministers van financiën zijn het eens geworden over hoe Brussel de lidstaten de wacht mag aanzetten als ze economisch onder de maat presteren. Er zijn negen indicatoren waaronder, zo meldt het FD, arbeidskosten, huizenprijzen, handelsbalans en private schulden. Ook lees ik dat de ministers overwegen een tiende indicator toe te voegen, de relatieve omvang van de bancaire sector. Daarover is nog geen besluit genomen. Er schijnt nog ‘enige discussie’ te zijn over overschotten op de handelsbalans. Onze minister denkt dat overschotten helemaal in orde zijn maar Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Spanje zijn weer van mening dat overschotten knap verstorend kunnen werken. Ze citeren China, ze bedoelen Duitsland en Nederland. Volgens De Jager is het Chinese overschot te danken aan de lage koers van hun munteenheid en dat telt dus niet. De wereld van De Jager is een erg eenvoudige wereld. Het lijkt de VVD wel. Als het in ons voordeel is moet je er vanaf blijven, alleen wat in ons nadeel kan uitvallen komt voor correctie in aanmerking. Het is jammer dat er nog niet een elfde criterium is toegevoegd: willekeur. Als het al is besproken zal De Jager er een veto over hebben uitgesproken.

Die arbeidskosten, huizenprijzen en private schulden zijn grote stappen voorwaarts op weg naar een EU economisch beleid. Het gaat over grote dingen, over de arbeidsmarkt, de huizenmarkt en de hypothekenmarkt. Alles wat dit kabinet dacht te mogen overslaan is door De Jager via de omweg van de EU alsnog binnengekomen. We kunnen De Jager en Rutte nog voordat ze iets hebben gezegd al horen zeggen dat het niet over ons gaat maar over de anderen. Het is de vraag of hun gedoogpartner dat zal willen delen want je hoeft bij de PVV maar het woord Brussel te noemen of ze staan op hun achterste benen. Een reflex, kunnen ze ook niets aan doen, net zoals de SP er niets aan kan doen. De andere partijen weten natuurlijk al lang dat de consequentie van de monetaire unie al veel te lang is uitgesteld en dat het er ergens toch een keertje van moet komen. Dat wordt alles bij elkaar nog een heleboel gedraai.

We mogen hopen dat de relatieve omvang van de bancaire sector alsnog wordt toegevoegd. Hoe groter die sector, hoe groter de hoeveelheid vuil in de wereld van de financiële producten. De Jager zal wel tegen zijn. Wij hebben een ‘relatief’ grote bancaire sector – en een grote hoeveelheid financieel vuil. Het worden weer mooie parlementaire dagen.

10 april

=0=



Consequent

Twee Kamerleden van de VVD vinden dat het Europese Hof in Straatsburg moeten worden teruggefloten door het mensenrechtenverdrag uit 1954 aan te passen. Het Hof, zeggen ze, doet dingen die de bedoeling niet zijn. Daarmee bedoelen zij op hun beurt dingen die hen niet bevallen en wat deze Kamerleden niet bevalt moet weg. In 1954 was de wereld nog overzichtelijk. Nu niet meer en dan ben je eigenlijk niet gehouden je aan oude afspraken te houden. Dan kan het nog een drukke bedoeling worden. Elke keer als het Hof iets beslist wat conform het verdrag is en door de VVD toch als ongewenst wordt gezien moet het verdrag worden aangepast. Want, redeneren de heren, als wij democratisch iets besluiten dan kan het niet zo zijn dat een internationaal verdrag dat ondergraaft. De VVD doet in het kabinet voortdurend dingen die internationaal niet door de beugel kunnen. De consequentie is dat we ons voortaan alleen willen houden aan verdragen zo lang die ons bevallen. Anders, weg ermee!

Interessant standpunt. Ik ben echter bang dat de VVD een beetje in verwarring is. De intellectueel van dienst, Frits Bolkestein, schrijft vandaag in de Volkskrant dat het verdrag over de Europese muntunie twee ‘geboortedefecten’ heeft. Er is geen centrum dat sancties kan opleggen en er is slechts één rente voor twee ‘landengroepen met verschillende economische culturen’. Zodra het over economie gaat wordt zelfs de taal van de dienstdoende intellectueel bizar. Niettemin is de conclusie dat die defecten er nu eenmaal zijn en dat we daar niets aan moeten veranderen. Het opheffen van de eerste sanctie zou kunnen betekenen dat Europa op weg gaat naar een politieke unie en daar zit, een enkele Belg daargelaten volgens Bolkestein, niemand op te wachten. In combinatie met het opheffen van het tweede defect zou een en ander kunnen betekenen dat Duitsland en Nederland de kans lopen te worden overstemd. ‘Daar hebben de Duitsers geen behoefte aan en wij ook niet’.

Op het vlak van verdragen is de VVD ten prooi aan volstrekte willekeur. Soms moet het maar anders, soms moeten we ons bij ‘geboortedefecten’ neerleggen en het verdrag laten voor wat het is. Het lijkt inconsequent maar is het niet. Het recht is er niet om te regelen, het is er om geregeld te worden om ons ten dienste te staan. Daarom, de Kamerleden en de dienstdoende intellectueel zijn het – gelukkig maar – over één ding eens. Als een verandering ons kan schaden dan moeten we niet veranderen, als een verandering in een verdrag ons van voordeel is moet het wel veranderen.

Dat is best consequent, zij het dat de VVD dan ook de consequentie moet accepteren dat voor die partij Europa tot de status van wisselgeld is teruggebracht.

Waar ik aan twijfel is of het ooit anders was voor de VVD.

9 april

=0= 

 


Saneren

Eind vorig jaar (om precies te zijn: op 30 november) schreven alle kranten hetzelfde bericht in dezelfde bewoordingen: de Portugese bankensector loopt gevaar als de overheid de staatsschuld en het begrotingstekort niet drastisch saneert. De bron van het bericht was de Portugese centrale bank. Niet iedereen was ervan overtuigd dat de Portugezen bij het Europese noodfonds moesten aankloppen. Het probleem van de Portugezen was, zei men,  een zwakke economische concurrentiepositie, geen financieel wanbeheer of een opgeblazen bankensector. Als dat zo is dan lijkt een gang naar het noodfonds inderdaad niet voor de hand liggend. Dat loopt met een boog heen om concurrentieverhoudingen, hoewel die sinds de invoering van de euro niet in het voordeel van landen als Portugal zijn verschoven. Indien vandaag de ECB met de verwachte renteverhoging komt is dat mogelijk wel in het belang van economieën zoals de Duitse en de onze, maar niet in het voordeel van de Portugese of de Griekse. Zo is het steeds gegaan met het beleid van de ECB. Wat het zwaarst is weegt het zwaarst, ook als dat de onevenwichtigheden eerder vergroot dan verkleint. De beleidsconcurrentie heeft het met straatlengtes gewonnen van de beleidsconvergentie.

Of er een samenhang bestaat tussen het moment van aankondiging door de Portugezen, gisteren, dat ze nu toch maar naar het noodfonds afreizen en de vermoede plannen van de ECB weet ik niet. Het lijkt me niet ondenkbaar, al was het maar omdat het niet zeker is dat de huidige interim-regering van Portugal überhaupt bevoegd is een dergelijke aanvraag in te dienen. De afgetreden regering wilde bezuinigingen in eigen hand houden en werd geblokkeerd door het parlement. De interim-club straft het parlement: nu gaan we naar het noodfonds. Barroso zal het snel behandelen. Kan dat? Ik ben benieuwd.

De stabiliteit van de euro wordt hoe dan ook gekocht op kosten van een groeiende instabiliteit voor de zwakkere economieën in de eurozone. Dat is gunstig voor Moody’s en de zijnen, het is ongunstig voor de EU. Minister De Jager had geen commentaar. Raar, hij krijgt wat hij vraagt en voor de rest zoeken ze het maar uit, daar in Portugal.

De EU heeft nog een boel te saneren, te beginnen met zichzelf. Je kunt niet alles aan het IMF overlaten.

7 april

=0=

 


Fel

Vandaag zal een oratie worden uitgesproken, in Tilburg, over ‘interreligieuze dialoog’. Het is een nieuwe leerstoel en volgens de eerste bezetter ervan, Marcel Poorthuis, is het hard nodig. Want nergens ter wereld worden religie en religieuze waarden zo snel ontmanteld als juist bij ons. Het instituut kerk is van zijn troon gevallen. Het schijnt te komen (ik ontleen het aan een uitspraak van Poorthuis in het Reformatorisch Dagblad) doordat de mensen de zekerheden van de kerk verlaten en tegelijkertijd steeds fundamentalistischer worden over andersdenkenden, zoals moslims. Godsdienstsociologen zijn op zoek naar een verklaring. In Tilburg denken ze in ieder geval dat een interreligieuze dialoog zal helpen. Dat zal dan wel onderdeel van de verklaring zijn. Kennelijk heeft het daar tot dusver aan ontbroken. Het zou ook averechts kunnen werken maar uit de korte mededelingen van Poorthuis blijkt daar niets van.

Hoe zou Poorthuis dat weten, van die ongeëvenaarde snelheid en felheid? Het zijn ferme uitspraken en ze doen vermoeden dat ze gedaan zijn op basis van stevig onderzoek. Daar ben ik benieuwd naar en in het bijzonder ben ik benieuwd naar de opvattingen van mensen die nog wel bij de kerken horen en uiteraard ook een mening hebben over andersdenkenden. Zouden die meningen minder fundamentalistisch zijn dan de mening van mensen die de kerk de rug hebben toegekeerd? En van mensen die nooit wat met de kerk hadden? Als ik digitale kranten lees en de lezersreacties bekijk kom ik weinig nuance tegen en des te meer grofheid. In Trouw bijvoorbeeld kun je over de recente periode een duidelijke verruwing van taal en reactie observeren. Bij de Volkskrant eveneens. In de aanloop naar de verkiezingen voor de provinciale staten bleek in kringen van de SGP meer sympathie voor de PVV dan bij eerdere verkiezingen. In keurige kerktaal, dat wel, dezelfde taal die de CU nu weer terug wil zien in de verwoording van het beleid van de partij door de fractie in de Tweede kamer. Christelijk-sociaal mag niet meer. Wel christelijk en ook sociaal maar niet christelijk-sociaal. Het woord geeft aanstoot. En de CU heeft verloren aan de PVV. De vraag is niet alleen wat mensen van hun voormalige kerk hebben meegenomen – bitter weinig behalve forse meningen begrijp ik – de vraag is ook wat ze er vandaag de dag nog van meenemen.

Het zou zomaar kunnen dat de impliciete verklaring van Poorthuis (het komt omdat de mensen die de kerk verlaten meer dan ooit behoefte aan zekerheden hebben en die in een rauw soort fundamentalisme denken aan te treffen) op drijfzand is gebaseerd. Die interreligieuze dialoog lijkt me een goed plan. Een nog mooier plan zou een intrareligieuze dialoog zijn. Als die wat stelligheden zou opruimen hoeven mensen die binnen de kerk en buiten de kerk ook niet meer uit te venten.

6 april

=0=

 


Lezing

We hebben individualisme zonder individualisering, zei Mark Elchardus gisteravond in zijn Den Uyl lezing. Hij citeerde Paul de Beer. Hij had ook zichzelf kunnen citeren. De individualisering moet nog komen, maar dan moet het individualisme worden overwonnen. Of is het al overwonnen en weten we het nog niet? Daar kwam ik niet helemaal uit. Elchardus betoogde dat in de rijke landen van Noord-West Europa, de landen waar de sociaaldemocratie zich het sterkst heeft ontplooid, de burgers van hoog tot laag tamelijk tevreden zijn en dat tegelijk het onbehagen in politiek en samenleving toeneemt, vandaag de dag bij de laagopgeleiden, enkele decennia eerder bij de hoogopgeleiden. De koers op individueel welzijn is geslaagd, de koers op collectief welzijn is ondergesneeuwd. Dat heeft met een aantal ontwikkelingen te maken waarvan de belangrijkste wel is dat ook sociaaldemocratische partijen hun politieke programma’s teveel als belangenbehartiging uitventen terwijl de kiezers – tegen de redenering van Anthony Downs in – een visie op en een verhaal over maatschappij en politiek verwachten. De politiek, stelde Elchardus, moet geen belangengemeenschappen aanspreken maar interpretatieve gemeenschappen. De maatschappij is behoorlijk veranderd en daar zijn de partijen maar heel langzaam achter gekomen. De politiek is nogal verplaatst en daar zijn de politieke partijen nog niet achter. De kiezers zijn er wel achter en drukken dat uit in hun stemgedrag.

De schaarste is wel opgelost. Dat verklaart de tevredenheid van de burgers met hun eigen bestaan, de tevredenheid die voor veel lager opgeleide burgers blijkt samen te gaan met onbehagen. Het lijkt me een wel heel snelle conclusie. Schaarste is geen tekort en we kunnen goederen en diensten aanslepen wat we willen, het zal de schaarste niet opheffen. Het zal de schaarste eerder aanscherpen – we zien het in het bijeenkomen van een schaarste aan banen en een overvloed aan werk. Amsterdam gaat nu werklozen inschakelen bij de digitalisering van z’n eigen archieven en biedt de werklozen in dat kader geen baan aan. De stad zet ze aan het werk. Dat zien we zien steeds meer en het bevestigt de hegemonie van de schaarste. Ik zou vermoeden dat we steeds meer leven in de interpretatieve gemeenschap van de schaarste en dat het de taak van de sociaaldemocratie is aan die hegemonie een einde te bereiden. Dat doe je niet door te beweren dat we het probleem van de schaarste wel hebben opgelost. In de eerste plaats zijn lang niet alle tekorten opgelost en is de verdeling ongelijker dan ooit eerder in de naoorlogse periode. In de tweede plaats is alles schaars geworden omdat we alles – tijd, leefomgeving, ontplooiingskansen – in het perspectief ervan hebben gezet. Ja, opleiding is een sleutel. Die moet dan ook gebruikt worden om een andere ruimte dan die van de schaarste te ontsluiten. In de schaarste gedijt het individualisme, op kosten van de individualisering want we dienen allemaal te worden opgevoed in de mal van de schaarste en dat uniformeert heel aardig en laat van individualisering weinig heel. Als het zo is dat de toekomst van de sociaaldemocratie ligt in het verminderen van het individualisme en in het scheppen van mogelijkheden voor individualisering (het Verlichtingsideaal waarvan we volgens Elchardus nooit afstand mogen doen) dan is het de hoogste tijd voor het afschaffen van de dwangbuis van het schaarsteperspectief. Een mooie uitdaging voor het onderwijs, dat wel. Een mooie uitdaging voor de arbeidsmarkt ook – en daar kan vandaag al mee worden begonnen. Zorg ervoor dat de kunstmatige banenschaarste – minder banen dan werk – wordt aangepakt en je verandert belangenposities en interpretaties. Je verandert de interpretatieve gemeenschappen. Daar ging het toch om?

5 april

=0=

 


Lerares

Op de vraag wat ze wou worden had het meisje een snel antwoord. Ze wou lerares worden. Het werd haar gevraagd door Bram Vermeulen (aflevering twee van zijn zevendelige tv documentaire over Turkije). Vermeulen was bij haar thuis. Vader, moeder, een jonger broertje en zij. Een jaar of dertien, veertien. Een Koerdisch gezin in Istanbul, stad van zeventien miljoen inwoners. Met Vermeulen spraken ze Turks. Dagelijks komen er mensen bij. Migranten uit het land zelf, uit omringende landen, uit Afghanistan, uit Afrika. Overleven, daar ging het om. De stelling dat migranten de typische zzp-ers zijn, we zagen het alom. En in Istanbul wonen inmiddels tussen de twee en drie miljoen Koerden. Van de mensen onder hen die met Vermeulen in gesprek gingen geen lofzang op Atatürk (zou jij blij zijn met iemand die je je land, je taal en je cultuur afneemt? Het werd Vermeulen gevraagd naar aanleiding van diens vraag over het portret van Atatürk dat aan de muur van het café hing. Dat portret? Dat moet, dat is verplicht, daar kom je niet onder uit). Bij een Koerdische bruiloft op straat werd gezongen voor en in naam van Apo, de koosafkorting voor Öcalan. In het Koerdisch. Istanbul is een stad met vele smaken.

Op de tv was een Koerdische zender te vinden. De vader van het meisje constateerde het met tevredenheid. Het meisje keek liever Turkse tv. Meer keuze natuurlijk, maar ook de taal. Ze sprak wel Koerdisch, zei ze, maar ze kon het niet schrijven. Haar Turks was beter. De vader beaamde het, met spijt. De consequentie van de trek naar Istanbul. Kinderen naar een Turkse school. Met, aan het begin van de schooldag, een gezamenlijke bijeenkomst – alle kinderen verzameld op het schoolplein – om Atatürk te eren en het uit te schreeuwen hoe heerlijk het is om Turk te zijn. De kinderen die we het zagen doen leken het niet al te ernstig te nemen.

Ze wou lerares Turks worden, zei ze, afstandsbediening van de tv in de hand. Haar vader leek er vrede mee te hebben. Hij had een verhaal gevonden waarin hij zijn treurnis over het verlies van het Koerdisch bij zijn kinderen kon combineren met hoop voor de toekomst voor de Koerden, voor de mensen in het oosten. Zijn dochter zou, eenmaal lerares, terugkeren naar zijn geboortegrond en de mensen daar Turks leren. Zodat ze aansluiting zouden vinden in en met Turkije. Een prachtige droom. Het meisje bleef vriendelijk glimlachen. Afstandsbediening in de hand.

4 april

=0=

 


Insourcen

Een oorlog is tegenwoordig een strijd tussen reguliere strijdkrachten aan de ene en ongeregelde groepen aan de andere kant. Twee legers tegen elkaar zien we niet vaak meer. Het gevolg is dat de positie van de bevolking in het gebied waar de oorlog wordt uitgevochten tot de centrale strategische variabele is opgerukt. We merken het. Steeds grotere verliezen onder de burgers, steeds verwoedere pogingen ‘hart en hoofd’ van de bevolking te winnen. Tegenstrijdig, dat wel. Een bevolking is daarnaast zelden één geheel, maar een verzameling groepen en categorieën met van elkaar verschillende en soms strijdige belangen en verwachtingen – en dat maakt dat de zaak nog ingewikkelder.

Een regiem verdrijven zonder een bevolking te kennen is daarom niet aan te bevelen. Het is één van de grotere problemen in de moderne oorlogsvoering. Ik lees het in het artikel ‘Soep eten met een mes’ in NRC Weekend van 2 en 3 april. Al in de oorlog in Vietnam bleek het belang van cultureel antropologische kennis, en van kennis van de taal of talen van de bevolking. Over taal gaat het in het artikel niet, over kennis van de cultuur wel. Er wordt gesproken van een CULAD, een externe cultureel adviseur. Dat moet anders, vindt Martijn Kitzen, bezig aan een proefschrift over counter-insurgency ‘in gefragmenteerde traditionele samenlevingen’. Kitzen, zelf militair en tegenwoordig docent aan Defensie Academie, is een voorbeeld van z’n eigen stelling, en hij is niet de enige. Kitzen is behalve militair ook politicoloog, aan zijn academie komen nieuwe wetenschappelijke disciplines aam het woord, en, zegt hij, ‘steeds meer jonge officieren volgen een aansluitende master-studie aan een universiteit’. De kennis moet in huis zijn en niet alleen van buiten hoeven komen.

Defensie als het nieuwe model voor de overheid? We zijn de laatste jaren overspoeld met overheidsprojecten waarbij de kennis (ik denk aan de wanvertoning van de Noord/Zuid lijn) van buiten moest komen. De gemeente had die kennis over jaren afgestoten. Geen kerntaak. Uit de ontluisterende rapportage van de gemeenteraad van Amsterdam, eind 2009, bleek dat de gemeente geen flauw idee had waar het allemaal over ging. Geen coördinatie dus. Bovendien waren de diverse deskundigen het lang niet altijd eens. Geen wonder bij zo ’n uniek project maar het kwam de samenwerking niet ten goede. Externe kennis is in zulke situaties geen zegen. Amsterdam zit er nog mee. Zelf, in eigen huis, beschikken over kennis van zaken is een voorwaarde om iets af te kunnen stoten – maar dan moet je de kennis zelf niet afstoten. Bij defensie, kennelijk, is men daar nu achter gekomen. Laten we hopen dat het snel wordt ingevoerd. Joeri Boom, in gesprek met Christ Klep en Rob de Wijk verwijst, naar aanleiding van de recente interventie in Libië, naar Kosovo. Toen was onbekend met wie men eigenlijk in zee ging, nu is dat opnieuw het geval. Wapens vervangen geen kennis. Eenvoudiger kan niet, toch wordt de regel steeds met voeten getreden. Het is een model. In dezelfde Groene waar Boom in schrijft vind ik een verhaal over moderne ontwikkelingshulp met de spottende titel ‘weapons of mass instruction’. Het is een verhaal over mislukte projecten, die, zegt men, te vaak ‘aanbodgestuurd’ waren. Vraagsturing, daar gaat het om. Ja, maar wat is de vraag en wie formuleert de vraag en heeft iedereen wel dezelfde vraag? Meestal bestaan daar geen goede, eenduidige, door ieder gedeelde antwoorden op. Toch entameren we projecten. En dan gaan we nat, zoals een medewerker van opleidingsinstituut voor de publieke sector ROI het verwoordt.

‘Kennis hebben van de lokale situatie’, daar gaat het om. Ik lees het in hetzelfde artikel. In ons land kunnen we nog niet eens een zomerpaleisje van de kolonel vinden. Het ministerie van Defensie moet bezuinigen. Er zal vast wel wat in de outsourcing worden gegooid.

Ik denk dat Martijn Kitzen nog even moet wachten met zijn kennisdroom. We doen graag mee en hebben geen weet van waar het over gaat. 

3 april

=0=

 


Geboortemaand

Het technisch rapport van Cruyff heeft als strekking dat er bij Ajax te veel koninkrijkjes zijn ontstaan. Het gevolg is dat niet de speler maar een team voorop staat. Blijkbaar wordt gestreefd naar zoveel mogelijk kampioenschappen van zo veel mogelijk teams – ook als dat betekent dat talentvolle spelers nog maar even moeten wachten. In het rapport wordt dat het geboortemaand effect genoemd. Als teams in jaarklassen worden ingedeeld in de diverse competities is er altijd de neiging om jongetjes die aan het begin van een jaar geboren zijn te bevoordelen. Het maakt veel uit, in termen van kracht bijvoorbeeld, of je aan de start van een competitie begint met kinderen die net jarig zijn geweest of met jongetjes die dan al bijna driekwart jaar de voorgeschreven leeftijd hebben. De laatste zijn een stuk sterker en krijgen, gelet op het belang van het team, de voorkeur, ook al lopen er talenten rond die meer beloven maar, gemiddeld, minder kracht hebben. Het gevolg is een soort Mattheus effect: zit je in het team dan heb je voordelen en daar word je beter van zodat je de volgende keer weer mee mag doen, zit je er niet in dan mis je die en mag je de keer erop weer niet meedoen (het wordt beschreven in Malcom Gladwell’s Uitblinkers; waarom sommige mensen succes hebben en andere niet. Amsterdam/Antwerpen; Contact 2008: 21-42). Ik wil niet uitsluiten dat Cruyff er ook de ‘tienduizend urenregel’ aan vast heeft geplakt maar zo expliciet is het rapport niet. Het is ook geen rapport; het presenteert een paar stelligheden en een paar organisatieplaatjes, meer niet.

Malcolm Gladwell heeft dus Ajax bereikt en nu Cruyff er het copyright (Cruyff Inc. © Maart 2011) op heeft genomen is het van hem. Pronken met andermans veren, maar als Cruyff gelijk heeft, heeft hij gelijk. De vraag is of hij gelijk heeft. Hij is zelf van eind april, een grensgevalletje dus. Abe is van november, Faas van oktober. Dat biedt weinig steun. Marco is van oktober, Frank R. is eind september. Frank de B. is net als Cruyff een twijfelaartje met z’n half mei, net als Dennis. Wim Jonk is weer oktober en de vermaledijde Danny is van augustus. Onze Wesley is van juni, Robin van augustus. Alleen Arjen is in januari geboren en Rafael, altijd een goede tweede, is van februari. In het Nederlandse voetbal is het geboortemaand effect tot dusver niet heel sterk. Dat is mijn bescheiden conclusie. Het is geen test maar ik zou Ajax aanraden Johan niet op z’n valse veren te geloven maar gewoon na te gaan of die geboortemaand er veel toe heeft gedaan in het recente verleden.

Het neemt niet weg dat Cruyff best gelijk kan hebben in zijn kritiek op het team als koninkrijkje (het is in tal van soorten onderwijs een bekend thema en probleem) en zijn pleidooi voor meer aandacht voor de individuele spelers. Het had de zaak gediend als hij op de regel van de tienduizend uur (degenen aan de top werken niet alleen harder dan de anderen, ze werken véél harder en bij de grens van tienduizend uur begint zich dat uit te betalen; Gladwell o.c.: 46-50) had gekoerst en dat van die geboortemaand niet voor zoete koek had geslikt.

Het technisch rapport is een dorre vertaling van de kleine Johan die eindeloos een balletje tegen de muur trapt.

2 april  

=0=

 


Denker

Per heden hebben we een denker des vaderlands. Geen grap. Ik meen begrepen te hebben dat de denker het nieuws gaat duiden. Of zoiets. De denker zelf, Hans Achterhuis, wil zich geen dagsluiter noemen. Hij wil vragen stellen, verschillende kanten laten zien van een vraagstuk. Hij is geen partij maar wijst partijen op hun partijdigheden. Of zoiets. Vanuit kennis, zegt hij, want voordat hij iets zegt heeft hij het onderwerp waar het over gaat diepgaand bestudeerd. Jaren zelfs. Dat jaren niet genoeg zijn voor wat dan ook is hem kennelijk ontgaan. Of is het alleen dan geen bezwaar als je filosoof bent?

We hebben al wetenschapsjournalistiek, we krijgen nu filosofiejournalistiek. Volgens mij hadden we dat al (Wijnberg bijvoorbeeld, Groot en Valkenberg, het filosofisch elftal van Trouw). Er wordt nu een icoontje op gezet. Het wachten is nog op de onderzoeker des vaderlands. En, uiteraard, omdat we ook een theologisch elftal hebben, op de theoloog des vaderlands. Het wordt nog spannend. Ik vind dat we tweejaarlijks recht hebben op verkiezingen voor de eretitels, net zoals we dat hebben mogen meemaken met de dichter des vaderlands.

Opmerkelijk, dat ‘des vaderlands’. Het roept het beeld op van de overzichtelijkheid van ooit, de overzichtelijkheid die we kwijt zijn geraakt en die door dichters en denkers moet worden teruggehaald. We verlangen naar de tijden van Wim Kan, toen we nog onder ons waren en de oudejaarsconferences aan hem toebehoorden. Alleen aan hem. Deed hij het niet dan vonden we een vervanger als Seth Gaaikema niet het echte werk. Tegenwoordig is iedereen oudejaarsconferencier en dat is ook goed want het vaderland van toen bestaat niet meer en zal ook niet terugkomen. De dichter en de denker zijn een stap terug in de tijd. Ze laten het zich aanleunen. De dichter heeft er zelfs campagne voor gevoerd. Overigens publiceerde Ramsey Nasr naar aanleiding van de installatie van het kabinet Rutte het gedicht Mijn nieuwe vaderland en daar ontlenen we dan weer hoop aan. Nasr verving ‘des’ door ‘mijn’ en zo hoort het. Zoals een dichter betaamt bewees Nasr dat filosofie geen referaat is maar een doen, een interventie. Dat hij met het gedicht tegelijk Tollens (Wien neerlandsch bloed …) een hak zette was mooi.

Daarnaast een denker zetten is schools. We vragen een schoolmeester. We krijgen een schoolmeester. En Nederland wordt weer een schoolklasje. Hoe zei Rob Wijnberg het ook al weer? En mijn tafelheer is Plato. De filosofische talkshow waar je pas wat mag zeggen als je iets wordt gevraagd.

De driepotige kater van vrienden heet Plato. Een huiselijke kater, beter zijn er niet.

1 april

=0=

 


Halfgod

De net afgetreden voorzitter van de raad van commissarissen, Uri Coronel, beschrijft Cruyff als een halve en misschien wel hele god. Daar kun je niet van winnen. Cruyff zelf is zich van geen kwaad bewust maar het schijnt dat de communicatie binnen Ajax soms met wat ruwe woorden gepaard gaat. Had Coronel geen zin meer in. Ik geef hem groot gelijk.

Een hele god is Cruyff niet. Hij had niet voorzien dat bestuur en commissarissen (en dan is er ook nog een directie) zouden opstappen. Een beetje god had dat wel geweten. Een halfgod dus, en een ongeduldige, bazige, eenkennige halfgod bovendien. Hij zal z’n zin krijgen. Eerder dacht hij via Van Basten te werk te kunnen gaan. Toen die niet compleet wenste mee te gaan met de plannen van Cruyff (Van Basten vond dat het allemaal wat te snel ging) vertrok Cruyff onmiddellijk. Het is alles of niets.

Dat is het nu opnieuw. Cruyff dient een plan in en daar kan niet aan getornd worden. Het moet helemaal worden uitgevoerd en iedereen die daar tegen is weet niets van voetbal en dient te vertrekken. Er zijn bij Ajax tal van mensen die niets van voetbal weten en dus wegmoeten. Vindt Cruyff, die kennelijk van mening is dat het in een voetbalclub om het voetbal gaat. Dat is een mooi standpunt. Wie weet is er ergens nog een amateurclub die aan het ideaal voldoet. Voor de rest ben ik bang dat Coronel gelijk heeft. Afgelopen zondag zei die (in Buitenhof) dat Kleisterlee geen gloeilampen kon maken maar niet daarom een slechte bestuursvoorzitter van Philips was. Zo is het maar net. Philips werd niet groot door Gerard, Philips werd groot door Anton. Een bedrijf leiden is simpel maar het moeilijkste wat er is, is simpel een bedrijf leiden (een variatie op Cruyff: “Voetbal is simpel, maar het moeilijkste wat er is, is simpel voetballen” ).

Johan heeft al aangekondigd dat hij dat niet gaat doen. Zijn beeld van een bedrijf leiden is dat hij er niet mee wordt lastiggevallen, dat hij het aan anderen overlaat die moeten uitvoeren wat hij zegt en dat die verantwoordelijk zijn voor het geval het onverhoopt niet goed mocht gaan.

Cruyff is een straf voor Ajax.

31 maart

=0=

 


Achteraf

Balkenende maakt school met zijn zeperd van ‘de kennis van toen’. Dat was een tamelijk opzichtige en laffe uitvlucht maar hij kwam er mee weg. Ook met de kennis van toen was duidelijk dat er geen volkenrechtelijke basis was voor de Irak oorlog. Het sloeg nergens op. Desondanks. De Kamer liet het passeren. Dat zullen velen zich goed in het geheugen hebben geprent.

Gisteravond was het weer raak. Achteraf gezien, zei minister Rosenthal, hadden we een andere afweging gemaakt. Het was dus fout en dat gaf hij ‘ruiterlijk’ toe. Het was ook zo jammer en ‘akelig’ dat er een paleisje van de kolonel vlakbij stond en dat het paleisje door militairen van de kolonel werd bewaakt. Ook nog. Akelig, inderdaad. Vervelend ook dat wij dat niet wisten want, opnieuw Rosenthal, de MIVD ‘had geen informatiepositie’. En in Den Haag beschikken ze evenmin over Google Earth dus dan weet je pas achteraf waar je naar toe vloog. En wie en wat je tegenkwam. Akelig.

Het moet voor de betrokken militairen ook vervelend zijn geweest. Geen informatie behalve een kruisje op de kaart waar je ongeveer moet landen. Daar zijn ze dan ook zo ongeveer terecht gekomen. Niet helemaal waar het plan was maar dat wisten wij en zij ook pas achteraf. Alleen een Nijmeegs bedrijf waarvan een werknemer moest worden geëvacueerd wist alles maar daar was even geen contact mee. Hoorden we achteraf. Hillen betuigde zijn spijt want hij was ‘uiteindelijk’ verantwoordelijk. In dit geval was hij niet uiteindelijk maar direct verantwoordelijk. Het werd hem vergeven.

De ontbrekende ‘informatiepositie’ van de MIVD was niet omdat de MIVD geen informatie had. Het was omdat de MIVD door de regering niet in de positie was gebracht om informatie te geven. Timmermans constateerde het, Rosenthal keek pijnlijk. Het waaide over. Alles waaide over.

Misschien zou de Kamer, met de kennis van nu, een onderzoek moet gelasten. Het zal de enige manier zijn om te weten te komen waarom het kabinet twee dagen voor de verkiezingen tot deze stunt besloot. En passant nemen we dan ook de rol van het bedrijf en diens werknemer mee. Dat de Kamer zich met de complete nietszeggendheid van deze ministers en hun premier heeft laten afkopen is immers niet alleen lachwekkend. Het is tenenkrommend. Het leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid kan definitief naar het rariteitenkabinet worden verhuisd. Of is het daar al aangekomen en zijn we ook daar niet van op de hoogte?

Alles is mogelijk en alles tegelijk ook. Dat is pas nieuws.

30 maart

=0=

 


Feiten in overvloed

De Kohnstamm-lezing dit jaar is verzorgd door Louise Fresco. Ik heb de tekst van de lezing niet gezien, ik ga af op een korte versie ervan in de Volkskrant. Ik kies, om mee te beginnen,  de volgende uitspraak: ‘Terwijl we meer weten dan ooit tevoren, weten we niets meer zeker en zijn we over alles bezorgd’. Dat is een interessante stelling. Correct, lijkt me. De vraag is hoe we hem het beste kunnen lezen. Omdat we meer weten dan ooit te voren weten we niets meer zeker en daarom zijn we over alles bezorgd? Of: terwijl we meer weten dan ooit, weten we ook steeds beter wat we nog niet weten en hebben zo het vermoeden dat er nog veel meer is waarvan we niet eens weten dat we het niet weten, en beide beïnvloeden hetgeen we wel weten en daar maken we ons zorgen over? Er is voor beide lezingen wel iets te zeggen. De lezing van Fresco is echter een heel andere. Als ik het goed gelezen heb. Haar invalshoek maakt van wetenschap een ander soort politiek en beide, wetenschap en politiek, worden geregeerd door de wetten van de (het woord is van Chomsky) concision: ‘de beperking van het publieke debat tot de tijdslimieten en vormregels van de televisie, waardoor discussies structureel beperkt blijven tot ideologisch geaccepteerde conventies’. Ik citeer hier Rob Wijnberg (En mijn tafelheer is Plato. Amsterdam, De Bezige Bij 2010: 19), maar het is een voortreffelijke samenvatting van het betoog van Fresco. Wetenschap is een media-event geworden en wordt daarom beoordeeld naar de wetten van de bijbehorende formats.

Het merkwaardige is nu dat Fresco zich daar niet alleen bezorgd over maakt, het merkwaardige is dat ze een en ander presenteert als de positie waarin de gehele wetenschap zich bevindt. Als we aannemen dat Fresco een gerespecteerd wetenschapper is versterkt ze met haar lezing het effect dat ze wil bestrijden. Dat kun je als een bevestiging van haar stelling zien, je kunt het ook als een capitulatie opvatten. Zij onderschrijft het eerste, ik het tweede. Het is alsof je de wetenschap beschrijft aan de hand van de commotie (klimaat, vervlechting van onderzoek en industrie, onheilsprofetieën) die af en toe ontstaat en die in de media wordt opgeklopt of, vooruit, wordt verzonnen en uitgevent.

‘Sinds het einde van de vorige eeuw wordt kennis minder beschouwd als objectief, maar als gereedschap in allerlei welles-nietes spelletjes, bijvoorbeeld over klimaat of gezondheid’. Zo’n zinnetje geeft te denken. De datering is slordig, de ophef daarentegen is wel van recente datum. Heeft dat met kennis te maken of met de overheid? Ik neem maar aan dat Fresco de overheid in het vizier heeft. Wat moet ik anders met deze opmerkelijke mededeling: ‘Tot een generatie geleden was de overheid een objectieve bron van kennis’? Als dat al zo was dan is dat een reden tot zorg maar voor Fresco is het verdwijnen van die overheidspositie het probleem. Fresco heeft het niet over kennis en wetenschap, ze heeft het over gezag. Het gezag is verdwenen en daarin is de wetenschap meegesleurd. Dat is voor de overheid inderdaad een probleem, met de kanttekening natuurlijk dat de overheid ook al lang het centrum niet meer is waar het maatschappelijk leven om draait. Het is niet alleen ‘verwarring’ die daaraan ten grondslag ligt.

En voor de wetenschap, de wetenschap van Fresco, zou het een aanbeveling moeten zijn dat niets voor zoete koek, dat niets op ‘gezag’ wordt aanvaard. Wetenschap is geen reclame volgens de tot vervelens toe herhaalde slogan dat ‘wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat’. Wetenschap heeft niets met gezag en alles met de vrijheid om alles continu ter discussie te stellen, aan hernieuwd onderzoek en hernieuwde toetsing te onderwerpen, vanuit een nieuw perspectief (bijvoorbeeld een perspectief dat vraagtekens stelt bij het concept ‘objectiviteit’) te herzien.

En niemand heeft het overzicht en kan dat opeisen. Fresco noemt het gevolg ervan ‘de toenemende tolerantie voor onwetendheid en de toenemende intolerantie voor het rationele debat.’ Het zou zowel de wetenschap als de democratie ondermijnen. Ze verwart de wetenschap met de kansel en de democratie met de staat. Er zijn toch ‘feiten in overvloed’ die zulke gelijkstellingen logenstraffen?

29 maart

=0=

 


Wil

Neurowetenschappers hebben weinig op met de vrije wil. Je kunt wel zeggen dat iets je eigen keus is en dat niemand je heeft gedwongen maar dat is inbeelding. Niet jij beslist over je brein, je brein beslist over jou, inclusief de suggestie dat jij beslist. We kunnen het allemaal steeds nauwkeuriger waarnemen maar, wat we ook waarnemen, niet de vrije wil. Waarnemen is weten en wat buiten de waarneming valt bestaat niet. In Trouw (als afsluiting van een hele reeks artikelen over de vrije wil) kwam ik afgelopen zaterdag een fantastische kronkelredenering tegen van neurowetenschapper Ben Westerink: ‘Groeiend inzicht in de levenswetenschappen leert ons dat er voor fenomenen als altruïsme, egoïsme, angst, esthetiek, passie, liefde en religieus gevoel, materialistische verklaringen voorhanden zijn. Voorts zijn in ons brein hersengebieden aangetroffen die bij bovenstaande fenomenen nauw betrokken zijn’ (de cursivering is van mij, ik kon het even niet laten. Een impuls, kan ik niet altijd onderdrukken. Het heeft niets met vrije wil te maken).

Er zijn me twee dingen opgevallen in de discussie over de vrije wil. In de eerste plaats het methodologisch individualisme, met de kanttekening dat het individu daarin is vervangen door het brein. In de tweede plaats de stilzwijgende veronderstelling dat verklaren ook voorspellen inhoudt. Bij het eerste punt is het grappig dat Harald Merckelbach (in NRC-Handelsblad van afgelopen zaterdag) een Canadees onderzoek aanhaalt waarin werd aangetoond dat, als je een taak uitzette waaraan je niet alleen wat kon verdienen maar waarmee je ook kon frauderen, het aantal fraudeurs groter werd als mensen voorafgaand aan de uitvoering van de taak een verhaaltje te lezen kregen over het niet-bestaan van de vrije wil (vergeleken met andere proefpersonen die een neutraal tekstje lazen). Interessante casus want wat verklaart nu het gedrag? De ingebouwde verontschuldiging voor fraude in het tekstje over de vrije wil? Volgens het methodologisch individualisme verklaart altijd de keuze het gedrag. Daar kun je uiteraard iets anders voor bedenken, bijvoorbeeld dat het niet de keus maar de zin is die het handelen verklaart, de keuze inbegrepen. De verhaaltjes spelen eerst een rol in de zin (eerste selectie) die de proefpersonen aan de taak konden verbinden en pas daarna in de keuze (tweede selectie). Er is tussen deze mogelijkheden alleen dan geen verschil indien we uitgaan van Sen’s ‘rational fools’.

Maar als er helemaal geen vrije wil bestaat wat kan dat er dan toe doen? Het doet denken aan een experiment waarover Robert Frank rapporteert, een experiment met als vraag of, en als resultaat dat, studenten economie door hun opleiding en training zelfzuchtiger zijn geworden dan andere studenten (R.H. Frank, What price the moral high ground? Princeton and Oxford, Princeton University Press 20102: 155-182). Arme studenten economie. Ze geloven er echt in, in dat rationele eigenbelang. Ze baseren er hun adviezen op en zo worden we er allemaal armer van, of we ervoor kiezen of niet. Eigenlijk zouden we geen parlementen moeten kiezen maar de adviseurs van parlementen, regeringen, overheden. Garanties zijn er overigens niet maar het zou leuk zijn als het gezonde verstand het economenverstand eens zou aflossen.

Tenzij we extreme veronderstellingen over zelfselectie binnensmokkelen heeft het methodologisch individualisme een probleem, op individueel niveau en op het niveau van het plaatsvervangende brein. Voor de economen die al helemaal door de molen zijn gehaald maakt het trouwens geen verschil. Het brein kiest wat genetisch de beste kans op overleving biedt, de econoom kiest altijd de beste mogelijkheid want daarzonder overleef je niet. Dat leer je wel. Methodologisch individualisme is in hun handen een uniform dat iedereen past. Er bestaat alleen een vrije wil omdat je fout kunt kiezen en je kiest het foute als je niet helemaal goed bent afgeleverd en als je niet helemaal goed bent afgeleverd is er ook geen sprake van een vrije wil. QED

Het tweede, belangrijker, punt gaat over de verhouding van verklaren en voorspellen. De beste illustratie is die van de toerekeningsvatbaarheid, het verantwoordelijk zijn voor je handelingen. Als kan worden aangetoond dat er bij jou in de prefrontale kwab iets mankeert, kan dat niet alleen helpen om te verklaren waarom er wat misging. Maar zo gaat het niet. Het wordt tevens gebruikt in voorspellende zin: als je zo in elkaar zit moest het wel fout gaan en daar kun je niet verantwoordelijk voor worden gesteld. Als ik lees dat die redenering wordt gevolgd (Merckelbach geeft voorbeelden) dan begrijp ik dat gevangenen wel eens onder de hersenscan willen (zie je wel, ik was het niet, het was mijn brein). Maar dat komt niet door de hersenscan en ook niet door de neurowetenschappen. Het komt door de ingesleten gewoonte verklaren en voorspellen op één lijn te zetten. Een ongelukkige gewoonte. Zouden we daar echt uit vrije wil aan begonnen zijn?

28 maart

=0=

 


Passender

Of westerse ouders te slap zijn? Volgens mevrouw Amy Chua (hoogleraar recht aan Yale) wel. In de Groene van deze week staat een voorpublicatie uit haar boek, een boek dat in de VS het nodige stof heeft doen opwaaien. Als de voorpublicatie goed geselecteerd is kan ik me de aanschaf van het boek besparen. Bagger. Bar en boos. Het begeleidende artikel van Xandra Schutte in dezelfde Groene is beter. Haar stelling is dat het boek van Chua aan de angst voor het oprukkende China appelleert en aan de vrees dat we het aan het verliezen zijn. Het moet niet moeilijk zijn een argument te bedenken om angst en vrees te verklaren uit de ongewilde en onbedoelde maar desniettemin niet minder reële effecten van ons eigen succes (als je het zo wilt noemen maar los daarvan: China, India enz. doen zo langzamerhand beter wat wij eerder al deden).

China en India zijn aan het inhalen en als je iemand inhaalt ga je net wat harder dan de persoon die je inhaalt. De Chinezen in de VS (mevrouw Chua is het kind van etnische Chinezen die voordat ze naar de VS emigreerden in de Filippijnen woonden) weten het maar al te goed en geven het goede voorbeeld. Migratiegeschiedenissen hebben zo hun eigen dynamiek en consequenties maar zij koppelt het niet aan geschiedenis maar aan het karakter van hele volkeren, hele continenten, hele, ja aan wat eigenlijk? Voor de gevestigden is de herinnering aan hun eigen migratiegeschiedenis soms een déjà vu en soms is het zo ver weggezakt dat het wel nieuw en onbekend en vreemd lijkt. Iets van anderen. Als je niet gewend bent ingehaald te worden had je daar misschien niet helemaal op gerekend. Jij gaat niet langzamer, zij gaan sneller en als je rechten niet afhangen van de vraag of je aankomt maar van de vraag of je als eerste aankomt – dan is ingehaald worden geen prettige ervaring. Mevrouw Chua wil dat haar kinderen als eerste aankomen – en ze verbiedt haar kinderen mee te spelen in alles wat zelfs maar naar gezelschap en samendoen ruikt. ‘Rugged individualism’ noemden de Amerikanen dat altijd en ze dachten in navolging van Turner dat het bij hun ‘frontier culture’ hoorde – maar nu blijkt het een Chinese eigenschap te zijn. Het geeft ook niet, die grens was toch al lang naar binnen geslagen en dus mag je hem in jezelf zoeken. Kijk mama, zonder grenzen! Gokken zal ook wel een Chinese eigenschap zijn en, inderdaad, als je wint bij het gokken hoef je niet te delen. Mevrouw Chua is het kind van Ayn Rand en Gordon Gekko. Altijd al gedacht dat die uit China kwamen en nu weten we het zeker.

Mevrouw Chua verwisselt de ethiek van het winnen met die van het spel en het spel met de opvoeding. Daar zullen ongetwijfeld tal van redenen voor zijn maar dat zullen geen opvoedkundige redenen zijn. Zij denkt van wel en zij vindt dat haar opvoedingsmethoden – doorgaan tot je de eerste bent ook al val je erbij neer – wel degelijk getuigen van liefde voor haar kinderen. Wat ik ervan meekrijg zijn voorbeelden van onbeschaamde emotionele exploitatie. We weten dat zoiets heel makkelijk leidt tot kinderen die hunkeren naar erkenning. Die hunkering beschouwt mevrouw Chua als een bewijs dat het allemaal wel snor zit. Je kunt ook een hond dingen aanleren waarvan de wereld paf staat. Daar zijn wedstrijden voor. Mevrouw Chua wenst en behandelt kinderen als wedstrijdhonden en denkt dat ze hen daarmee het beste voorbereidt op de wereld. Zij noemt het opvoeding en besteedt er bakken tijd aan. De kans dat haar kinderen leren en instrueren zullen vereenzelvigen is groot. Laten we voor de kinderen hopen dat er nog wat bijeffecten optreden die het draaglijk maken. Dat krijg je met kunstjes, andere mensen zouden het leuk kunnen vinden. Het is niet de bedoeling dat ze zich met andere mensen inlaten maar je weet maar nooit. Ik zou ze, in dat geval, aanraden dat voor hun moeder verborgen te houden.

Ik vermoed dat mevrouw Chua weinig op zou hebben met rugzakjes. Ze zou in elk geval haar school zo kiezen dat er geen rugzakjeskinderen in de klas met haar kinderen zouden zitten. Vast besmettelijk en mevrouw Chua is ongetwijfeld van de smetvrije gemeente. Of ze bereid zou zijn wat meer belasting te betalen om scholen voor speciaal onderwijs mogelijk te maken vraag ik me af. Vermoedelijk niet. Haar kinderen zijn begaafde kinderen en dat is voor haar de norm. Voor minder doet ze het niet. Overigens, ook ‘passend onderwijs’ zou in haar vocabulaire vloeken in de kerk zijn. Over die rugzakjes, de afbouw van speciaal onderwijs en ‘passend onderwijs’ staat in dezelfde Groene een uitgebreid artikel (‘Nooit meer rust in de klas’). Geheel in de lijn der verwachtingen wordt op gepaste wijze bezuinigd op passend onderwijs, evenals op de rugzakjes en het speciale onderwijs. Passend onderwijs is maatwerk en nu moeten we het met een kleiner maatje doen. Het lijkt op passende arbeid, arbeid die niemand past en waarvan wordt aangenomen dat het iedereen past. Het valt op dat niet slechts de woorden leugenachtiger worden maar ook dat er een fraaie parallellie bestaat tussen onderwijs en arbeid. Reorganiseert het één, dan ook het ander. Afstemming, zeggen we dan en iedereen ziet dat die inderdaad steeds slechter wordt. Dat roept om een nieuwe reorganisatie, steeds gecombineerd met een bezuiniging die echter ook ‘kansen’ biedt en als een ‘uitdaging’ kan worden gezien. Klopt, in die geest voeden we iedereen op en voor het resultaat ben je zelf verantwoordelijk. Uiteindelijk schaffen we de arbeidsvoorziening af en dan ook het speciale onderwijs maar. Het huidige kabinet trekt lijnen door, voor iets nieuws is het niet in de markt.

Mevrouw Chua heeft van opvoeding een klus gemaakt die geklaard moet worden. Haar opvoeding is even intentioneel als het onderwijs dat is. Er is geen verschil. Er is alleen resultaat. Het is die invalshoek die ook meer en meer het Nederlandse beleid met betrekking tot de jeugd, het onderwijs en de re-integratie karakteriseert. We leren u niets, behalve dat ook wij, gegeven passend onderwijs en gegeven passende arbeid, elk verschil tussen leren en instrueren aan het onderdrukken zijn.

27 maart

=0=

 


Nationale Raad

De VS overwegen de Nationale Raad van Libië te erkennen. Frankrijk had dat al gedaan en wij hier vinden dat Frankrijk voor z ’n beurt heeft gesproken (vandaar dat wij ook wilden dat, bij ontstentenis van de VS als leidinggevende, de NAVO zou gaan sturen), maar nu de VS spreken zou het best kunnen dat wij ook tot erkenning geneigd zullen zijn. Waarom? Uit de Volkskrant van vanochtend maak ik op dat de Raad een fraai document (over mensenrechten en rechten voor vrouwen) heeft geproduceerd. Dat is niet iedereen gegeven, dat moet gezegd. En erkend.

Document of niet, de Amerikanen zoeken uiteraard net zo hard als vele anderen naar een uitweg uit de impasse die mede door het westerse optreden is ontstaan. Nog gisteren wees een hoge Amerikaanse militair op het gevaar van de grondtroepen van de kolonel, een gevaar dat ook door de luchtaanvallen niet was bezworen. Je hoorde de verzuchting om meer, om meer mogelijkheden. Erkenning zou een uitweg zijn? Gegeven erkenning kun je ingaan op een verzoek om militaire steun, komend van de erkende partij. In zekere zin is dat ook het pad dat Frankrijk is ingeslagen. Daar waren we het niet mee eens, maar toen had Washington nog niet gesproken en ons buitenlands beleid hebben we nu eenmaal aan de Amerikanen uitbesteed. Pas als zij onze verlegenheden hebben getransformeerd in een ferm klinkend standpunt doen we de mond open. Dat maakt indruk, zij het dat Rosenthal nooit indruk maakt. Maar dat is tijdelijk.

De afgelopen week is het Kosovo-woord al herhaaldelijk gevallen. Erkenning versterkt de gelijkenis met Kosovo. Maar de verschillen met Kosovo zijn veel groter dan de overeenkomsten. Is de uitkomst van de erkenning een deling van het land? Leidt het, net als in Kosovo, tot een internationale bemoeienis van vele jaren? Kosovo is, twaalf jaar na dato, nog altijd niet als onafhankelijke staat erkend door het grootste deel van de leden van de Verenigde Naties en is dus ook geen lid van de VN. Is dat het toekomstbeeld? Of is de weg van de erkenning, opnieuw, een vlucht naar voren zonder echte routebeschrijving?

26 maart

=0=

 


Moeder

Een vrouw uit Harlingen krijgt een kind. Ze is 63 jaar, en alleenstaand. Technisch is ze, zoals het redactioneel commentaar in het RD van 23 maart niet nalaat te onderstrepen, eerder een draagmoeder dan een moeder. Ook Trouw had er, woensdag een hele pagina voor over. Het geeft te denken. Het is een kind zonder vindbare biologische ouders. Egoïstisch, die mevrouw? Zelf zegt ze dat lang niet alle jongere moeders goede moeders zijn. Ze zegt ook dat niemand weet hoe lang het leven nog is dat je gegund wordt en dat ook, opnieuw, jonge mensen morgen onder de tram kunnen komen. In haar verdediging klinkt door dat ze de meeste bezwaren wel had zien aankomen, dat ze erover heeft nagedacht en toch heeft besloten een baby te wensen en die wens door te zetten. Ze hoopt het kind te zien opgroeien, en ze hoopt dat haar kind, een dochtertje, blij zal zijn met haar moeder. Nooit eerder hadden we een vrouw die op zulk een leeftijd nog een kind kreeg. Ze had voor haar draagmoederschap naar Italië gemoeten, hier is zoiets niet mogelijk.

Het houdt me bezig. Ik vind de argumenten van de vrouw meer dan praatjes voor de vaak en ik heb daar persoonlijke redenen voor. Je kunt natuurlijk zeggen dat gemiddeld genomen een vrouw van 63 nog maar een jaar of twintig voor de boeg heeft en dat de laatste paar jaar daarvan niet de beste zullen zijn. Je kunt zeggen dat het ontbreken van een partner het kind extra kwetsbaar maakt maar daar staat tegenover dat mannen gemiddeld korter leven dan vrouwen dus de netto winst is dubieus. Het is hoe dan ook kwetsbaar. Dan is de vraag plotseling veel algemener; de vraag is: wat vinden we van kwetsbare mensen die toch een gezin stichten? Die vraag had het RD moeten behandelen – nu komen ze niet verder dan de opmerking dat een kind een geschenk van God is en niet van een Italiaanse wonderdokter.

Mijn vader was een kwetsbare man. Aan het begin van de oorlog ziek geworden en daar nooit echt van hersteld. Een kasplantje, hij is niet ouder dan 46 geworden. Niettemin, mijn moeder en hij kregen vier kinderen. Het eerste, een meisje, heeft slechts anderhalve dag geleefd. Een open rug. Daarna drie jongens van wie alleen de laatste (ik) na (een paar maanden na) de bevrijding is verwekt. Groot lef dus, ziekte, oorlog, amper inkomen, kinderen. Hadden ze het überhaupt moeten doen? Had mijn vader het moeten doen? Waren zijn kansen toen om zijn kinderen te zien opgroeien veel groter dan die van de vrouw uit Harlingen nu?

Ik vraag het maar. Ik heb geen antwoord. Terugkijkend zou mijn stelling zijn dat het niet mijn vader maar mijn moeder was die we als we de zwakke schakel moeten betitelen. Ze is nooit tegen de omstandigheden opgewassen geweest – de omstandigheden hebben haar ook niet vriendelijk behandeld. Ze heeft tamelijk vruchteloos en steeds verbetener geprobeerd haar wereld klein te houden en alles wat daar niet in paste ofwel te negeren ofwel tot meer van hetzelfde om te toveren. Het werd in toenemende mate schril. In termen van het opvoeden van kinderen heb je dan niet veel in handen en zo heb ik dat ook, en opnieuw in toenemende mate, ervaren. Mijn vader heeft zijn vrouw overschat, niet zichzelf. Hij was, ook niet rijk bedeeld door de omstandigheden, een levensblije man (ook van Dickens’ Tiny Tim wordt wel beweerd dat hij, net als mijn vader, leed aan een nierkwaal: en ook Tiny Tim behield er een goed humeur bij. Sommige dingen zijn ongelijk verdeeld en kunnen ook niet worden gecompenseerd), die ook met zijn kinderen blij was. Dat ervaar ik nog altijd, vijfenveertig jaar na zijn overlijden, als een geschenk en daar heb ik het RD niet voor nodig.

Dit is geen antwoord op de vragen waarmee de mevrouw uit Harlingen ons heeft geconfronteerd. Kwetsbaarheid stelt vragen waarop geen algemene antwoorden, positief of negatief, te geven zijn. Ik heb die antwoorden niet. Ik weet niet eens hoe de vragen goed te stellen. Dit hier is niet meer dan een poging erachter te komen over wie we het nu hebben als we zeggen het over die mevrouw te hebben.

25 maart

=0=

 


Talenten

Het gemiddelde inkomen van hoogopgeleiden is tegenwoordig al twee keer zo hoog als dat van laagopgeleiden. Het staat in de Volkskrant, vandaag. Eindelijk worden competenties en talenten beloond denk ik dan. Vroeger werd je beloond voor je functie, nu wordt je beloond voor wat je allemaal nog kunt, misschien wel zult, bijdragen. Dat maakt verschil. Soms wordt het de opmars van prestatiebeloning genoemd maar dat is een vergissing. Het gaat niet om prestaties, het gaat om verwachte prestaties en, vooruit dan maar, om de beoordeling van wat je hebt gedaan in het licht van de verwachtingen voor de nabije toekomst. Dus geen prestaties maar de gedachte eraan. Managers hebben het er maar druk mee.

Er moet een tijd geweest zijn dat je iemand competent noemde als die persoon competent gedrag vertoonde. Daarnaast hield competentie bevoegdheid in – wie onbevoegd de geneeskunst uitoefende kon daar last mee krijgen. En ook aan je elektriciteit mocht niet iedereen zo maar komen. Maar daar wil ik het niet over hebben. Ik wil het hebben over de nieuwe inkleuring van competenties hebben, een inkleuring die het de overheid bijvoorbeeld mogelijk maakt om van 30.000 functieprofielen over te schakelen op een miezerige 52. Competenties staan hier voor verwachtingen en het zal dan ook niet verbazen dat competenties nu de concurrentie aan moeten gaan met talenten, want dan wordt er niet alleen iets van je verwacht, er wordt zelfs veel van je verwacht. Als van een voetballer wordt gezegd dat het talent er nog steeds niet is uitgekomen dan staat daar niet dat de voetballer het slecht heeft gedaan – er staat dat we meer hadden verwacht. Dat speelt door in zijn beloning, in zijn prestatiebeloning. Het is een uitspraak over ons, die we aan hem toeschrijven. De oude competenties gingen over wat je deed en hebt gedaan en daarom morgen ook nog wel kunt, de nieuwe competenties gaan over waar wij je geschikt voor achten in de wereld van morgen en overmorgen. Bij de oude competenties verloste de loodgieter je bekwaam van je verstopte aanrecht, bij de nieuwe competenties is dat nog maar afwachten maar je kunt wel staat maken op een beleefde, aardige en ook anderszins klantvriendelijke man want dat verwachten we vandaag de dag. De oude loodgieter was bekwaam maar misschien niet competent. De nieuwe loodgieter is altijd competent maar niet altijd bekwaam. Omdat we bij de loodgieter, net als bij de dokter, toch zelden precies weten welke behandeling succes genereert kom je er als loodgieter en dokter misschien nog wel weg mee ook. Dan ben je geschikt. Of niet geschikt, dat kan ook. Je wordt beloond voor wat we nog van je verwachten, en dat is veel of weinig. Hoe meer we verwachten hoe hoger het loon van vandaag en, omdat de spoeling steeds dunner wordt, hoe meer we verderop nog van je verwachten want jij hebt de kansen en anderen niet. De beloning houdt op z ’n minst gelijke pas en dat verklaart dat je aan de top heel verdient. De verdiensten reflecteren uiteraard nooit je prestatie (die komt morgen pas en morgen hebben we nog hogere verwachtingen), ze reflecteren de hiërarchie en hoe hoger in de hiërarchie hoe hoger de verwachtingen en hoe hoger de beloning. Het is als met de waarde van een bedrijf. Die wordt niet bepaald door wat een bedrijf presteert maar door de verwachtingen van de aandeelhouders en die letten op de wereld van morgen – en waarderen navenant.

We investeren in je naar de maat van wat we nog van je verwachten – en als je oud en/of laagopgeleid bent verwachten we niet veel van je maar als je hoogopgeleid bent en jong kan het bijna niet anders dan dat je de moeite waard bent. Je kunt nog zo je best doen maar als we niet veel van je verwachten is het water naar de zee dragen.

Ik beschrijf in alle beknoptheid de ontwikkeling van HRM. Nee, gelukkig word ik er niet van. HRM draagt bij aan de tweedeling tussen kanshebbers en kanslozen en doet dat zonder te letten op wat mensen kunnen en de aandacht te verplaatsen naar wat we denken dat ze kunnen in situaties die nu misschien niet actueel zijn maar het heus wel zouden kunnen worden. HRM draagt bij aan de tweedeling van banen voor mensen in wie we wel wat zien en van werk voor mensen in wie het niet zien. Als dat zo is kun je, lid zijnde van de tweede categorie, net zo goed een boodschapje voor je ouwe buurvrouw doen. En enig aanpalend werk. Per slot, buurvrouw verwacht niet veel en is al dankbaar voor elke kruimel. En jij houdt er nog een goed gevoel aan over ook. Het is beter dan water naar de zee dragen.

24 maart

=0=

 


Hulp en onrecht

Die Donner heeft meer katholieke trekjes dan ik dacht. De RK kerk heeft een stichting Hulp & Recht waarvan het voornaamste effect (ik wil niet zeggen: functie) is dat veel dat naar buiten had moeten komen, niet naar buiten is gekomen. Die stichting is een verlengde arm van het instituut dat wordt aangeklaagd. Ik noem dat cynisme, hoon en minachting, alles in één keer. De stichting had beter hulp en onrecht kunnen heten of hulp door onrecht. Er staat natuurlijk tegenover dat de kerk slechts heeft genomen wat het openbaar bestuur heeft toegestaan en geduld. Noem het de schaduwkant van het gedogen en als het heet wordt is schaduw wel zo aangenaam.

Zou Donner zich hebben laten inspireren door Hulp & Recht? Het moet haast wel. Bij Donner heet het een Advies- en Verwijspunt. Voor klokkenluiders. Een onafhankelijke instantie mag het niet worden. Het is gewoon een verlengstuk van de overheid. Het doel is het voorkomen van misstanden en de-escalatie. Mocht zich ooit een klokkenluider melden dan moet die maar een antwoord geven op de vraag of hij de zaak niet had moeten voorkomen in plaats van melden en of hij nu echt van mening is dat zijn melding een bijdrage is aan de de-escalatie van de kwestie. Ook hier cynisme, hoon en minachting in één keer. Kwaad voorbeeld doet kwaad volgen.

De minister schoffeert de Kamer. Dat is een gewoonte, zo langzamerhand. De Kamer had om een onafhankelijke commissie gevraagd en de Kamer wilde een en ander een plek geven bij de Ombudsman. Ik had liever geen vaste commissie maar steeds een ad hoc commissie met bijvoorbeeld een ervaren bestuursrechter, een deskundige op het terrein van de kwestie die de oorzaak van de gemelde misstand was, en een vertrouwenspersoon die de machinaties van het organisatiewezen goed kent. Zoiets. En vooral om te voorkomen dat er een nieuwe organisatie ontstaat. Liever niet. Daarom ad hoc en niet permanent of ‘vast’. Maar dat is mijn voorkeur en die doet niet ter zake. De wensen van de Kamer wel. Die ook nog moet slikken dat de minister meent het allemaal wel met een algemene maatregel van bestuur te kunnen afmaken.

De Expertgroep Klokkenluiders (een klein gezelschap verontrusten) heeft de hand weten te leggen op het conceptplan van Donner en heeft hem een advies aan de hand gedaan (waaraan ik in het bovenstaande het nodige heb ontleend). Het FD van gisteren berichtte erover. Het had Donner gesierd als hij gewoon had toegegeven dat klokkenluiders en organisaties niet samengaan, niet kunnen samengaan en dat een klokkenluidersregeling zoiets is als bisschop Muskens die een armlastige zwartwerker wel begrijpt en de diefstal van een brood onder omstandigheden ook en daar een regeling voor zou willen. Dat kan niet. Het was ook niet waar Muskens om vroeg. De bisschop vroeg niet om een regeling, hij vroeg om clementie, om recht met een buiging naar rechtvaardigheid in plaats van naar de wet. En werd met de wet om de oren geslagen. Verder vroeg de bisschop om hulp. Recht en hulp, niet georganiseerd, geen stichting, maar medemenselijkheid. Misstanden, daar had de bisschop het over en misstanden moet je voorkomen en niet laten escaleren.

Misschien moet Donner eens te biecht bij Muskens. Die kan hem vertellen dat je een organisatiefout niet met nog meer organisatie moet bestrijden, en dat je een lid van je personeel die terecht een misstand heeft gemeld niet naar de regel van de organisatie maar naar de regel van het fatsoen de maat moet nemen.  

Ik denk dat Donner een signaal heeft afgegeven dat er onder zijn ministerschap geen regeling zal komen. Ik denk dat de Kamer het zal slikken.

23 maart

=0=

 


Nostradamus

Aan de waarde van de voorspellingen van Nostradamus is vaak getwijfeld. Dat krijg je, een 16e eeuws arts en astroloog doet uitspraken over gebeurtenissen jaren en eeuwen verder. Nu er echter een probleem is met Libië neemt de belangstelling weer toe. Nostradamus had het immers al over een kolonel aldaar, over een tentbewoner, over een barbaar die de koning had verdreven , en, zeggen sommigen, over een oorlog tussen 2011 en 2015 die tweederde van de Europeanen het leven zou kosten en driekwart van de islamieten. Chemische wapens worden geciteerd, die zelfs in het bijzonder. Aan de Amerikanen is weer niet gedacht. En nu vergelijkt Poetin de militaire actie tegen de kolonel met een ‘middeleeuwse kruistocht’. Ga er maar aan staan.
Poetin is er kennelijk niet zeker van dat de oorlogvoerende naties op het juiste paard hebben gewed. Dat zal Medvedev wel met hem delen maar die is voorzichtiger. De kruistocht van zijn premier is de zijne niet. Er is geen plan, hoorde ik Joris Voorhoeve zeggen. Toch merkwaardig. De kans op een heuse burgeroorlog is al benut door de kolonel en dat zal er niet beter op worden. En dan geen plan? Het lijkt op gokken, in dat geval. De burger in Libië beschermen en aan de kant blijven staan als ze elkaar te lijf gaan?
Wat doe je als je wat gedaan hebt en het is nog niet helemaal wat het zijn moet? Dat weet niemand, behalve Nostradamus want de christelijke landen zullen het de islamieten nog behoorlijk inpeperen (volgens zijn interpreet Manfred Dimde, dezelfde die de chemische wapens te voorschijn toverde want chemische wapens, die kende Nostradamus nog niet). Een andere oorlog maar wie weet.
Er wordt gespeculeerd over een deling van het land (Ko Colijn die de huidige situatie vergelijkt met – de afscheiding van – Kosovo), er wordt gehoopt op het uit elkaar vallen van het leger van de kolonel, op overlopers en deserteurs, er wordt gehoopt op een volksbeweging die dit keer het hele land in z ’n greep krijgt. Op een wonder.  

Misschien staat het wel in de sterren.

22 maart

=0=

 


Netwerkdemocratie

In de politiek heb je geen diploma’s nodig maar nergens kom je zoveel diploma’s tegen als in de politiek. Dat was niet altijd zo en als het al zo was stonden die diploma’s voor iets anders. Afkomst bijvoorbeeld, zoals van adel zijn. De vraag is, staan die diploma’s nu opnieuw niet voor zichzelf maar voor iets anders? Ik zou denken dat het antwoord bevestigend moet zijn. Diploma’s staan voor netwerken en daarom hebben we ook geen diplomademocratie maar een netwerkdemocratie.

Het woord diplomademocratie is een aantal jaren geleden gemunt door Mark Bovens. Hij schreef er een artikel over in B&M. Dat artikel is nu een boek geworden, van Bovens en Anchrit Wille (De diplomademocratie; Amsterdam, uitgeverij Bert Bakker 2011). Interessant boek, vol met data over de opkomst en de oververtegenwoordiging van de gediplomeerden in de politiek, de politieke partijen (en de verandering van die partijen van massapartijen in kaderpartijen), het parlement, commissies en andere vertegenwoordigende organen. Het is geen specifiek Nederlands fenomeen, al is het in ons land wel heel uitgesproken. De auteurs stellen dat er niet zozeer sprake is van een kloof tussen politiek en burger. Er is sprake van een kloof binnen de burgers, de kloof die de laagopgeleiden scheidt van de hoogopgeleiden en die de laagopgeleiden effectief weert uit de politieke gremia. De kloof zorgt er ook voor dat velen zich niet alleen sociaal niet herkennen in de politiek (het zijn hun mensen niet) maar ook aan het kortste einde trekken als het gaat om de agenda van de politiek, om de prioriteiten die gesteld en ter hand worden genomen. Het leidt tot een verschillende waardering van en tot een verschil in vertrouwen in de politiek. Bij de vraag hoe daar van iets van recht te zetten vallen de roep om meer directe democratie en een herstel van de stemplicht op.

Behalve de empirische onderbouwing van hun argument en de remedies die ze presenteren gaan de auteurs ook in op de oorzaken van de dominantie van de hoogopgeleiden. Een diplomademocratie is volgens hen een ongemakkelijke combinatie van democratie en meritocratie en de oorzaken zoeken ze met name in die meritocratie, in navolging van Michael Young en licht badinerend verbeeld door de formule van intelligentie en inspanning, IQ + effort = merit (o.c.: 87). Ze gaan er verder niet echt op in en dat is jammer. Een oorzaak verdient beter. Immers, als een diploma beide componenten zou moeten indiceren en we treffen in het boek herhaaldelijk argumenten aan die eerder in de richting van diploma-inflatie (: 80-81) wijzen dan in die van diploma-appreciatie, dan is er iets mis. De gediplomeerden verdringen de ongediplomeerden en de vraag is hoe dat komt. De auteurs geven aan dat een plekje in bijvoorbeeld het parlement steeds meer neerkomt op het verwerven van een positioneel goed, een goed waarvan ook bij stijgende vraag het aanbod niet toeneemt, juist niet toeneemt (het voorstel het aantal Kamerleden van 150 naar 100 terug te brengen versterkt het positionele karakter van een zetel in de Kamer). Dat duidt inderdaad op appreciatie. De inflatie zou eerder betekenen dat een diploma steeds minder een indicator van een succesvolle uitoefening van het Kamerlidmaatschap wordt. Dat is een nogal verschillende invalshoek – en het geeft aan dat meer aandacht besteed had moeten worden aan welke vaardigheden nu eigenlijk nodig zijn voor een goed Kamerlid. Het kunnen omgaan met het woord (in en ook steeds meer buiten de Kamer) is uiteraard van belang maar dat gediplomeerden daar beter in zijn dan niet-gediplomeerden is vooralsnog een onbewezen aanname. Wel geeft het aan dat, net als overal elders, vaardigheden (dingen die je kunt, zoals een regering controleren) het veld ruimen voor competenties (dingen die van je worden verwacht zoals service-with-a-smile en een geslaagd optreden bij Pauw en Witteman). Ja, het politieke bedrijf is ook nog ‘complex’ – maar groeit die complexiteit de Kamerleden, diploma of niet, niet steeds meer en steeds zichtbaarder boven het hoofd?

De vraag is: wat wordt gevraagd? Nou, dat je goed gebekt bent lijkt wel de eerste en voornaamste eis te zijn (: 82). Maar belangrijker nog is het antwoord op de vraag wie je ertoe in staat stelt, wie je toestaat, om je vermogen tot one-liners in de politiek en daarbuiten te etaleren. Dat antwoord bestaat in de verandering van massapartijen in kaderpartijen en die verandering staat er garant voor dat de kaders behalve zichzelf uitsluitend klonen van zichzelf naar voren schuiven. En kaders, dat zijn professionals en professionals zijn gediplomeerd en als het kader iemand naar voren schuift moet het wel een lid van ons soort mensen zijn (: 82-84). Het is de Michels-these in een nieuw jasje die ons wordt voorgehouden. Eigenlijk is er geen sprake van een politieke arbeidsmarkt (: 79-85) want er is geen sprake van een onafhankelijk aanbod. De vraag bepaalt het aanbod en het zal dan ook niet verwonderen dat we in de tekst een zinsnede tegenkomen die direct ontleend lijkt aan een vroege studie over de interne arbeidsmarkt waarin ook het onafhankelijke karakter van het aanbod (en dus het hooguit metaforisch gebruik van het woord ‘markt’) wordt ontkend. Ik doel op Lester Thurow’s Generating Inequality (New York, Basic Books 1975: 77-81) en de echo ervan in de uitspraak (die ze overigens niet als echo herkennen) van Bovens en Wille dat de mensen zonder diploma ‘achteraan in de rij terechtgekomen’ zijn (: 81). Het was goed geweest als ze eraan hadden toegevoegd dat je op deze manier niet de beste mensen rekruteert maar de mensen die het minste risico voor je partij opleveren. Het diploma garandeert geen ‘merit’, het diploma is een verdedigingsnoodzaak om slechte risico’s buiten de deur te houden (Thurow, o.c.: 96). Het verschil is belangrijk.

De ondertitel van het boek van Bovens en Wille is ‘over de spanning tussen meritocratie en democratie’. Dat klopt niet want in de meritocratie schitteren de merites door afwezigheid. Het is allemaal veel platter en taaier als gevolg daarvan. Ze geven het zelf aan: het gaat niet om prestaties, het gaat om netwerken, het gaat om ‘een centrale positie in de juiste netwerken’ (: 79). Ons probleem is niet de diplomademocratie. Het is de netwerkdemocratie.

21 maart

=0=

 


Portret

Het Europese Hof heeft beslist dat de verplichte kruisbeelden in de Italiaanse staatsscholen niet in strijd zijn met de rechten van niet-rooms-katholieken. Dat mag Italië mooi zelf bepalen heeft het Hof gezegd. Het is wel een religieus symbool maar er is geen bewijs dat het invloed heeft op de kinderen. Daar zou het Hof best wel eens gelijk in kunnen hebben. Zelf vermoed ik dat het meer invloed heeft op de kindertjes die gelovig worden opgevoed dan op de rest, maar daar heeft het Hof het niet over.

Europarlementariër Sophie in ’t Veld spreekt, ik citeer het Reformatorisch Dagblad, van ‘een grote tegenslag in de strijd voor de scheiding van kerk en staat en een enorme klap voor het fundamentele recht op vrijheid van religie’. Meer nog, haar stelling is (en nu haalt de krant haar letterlijk aan): ‘Er is geen sprake van echte vrijheid van religie in Europa als een land het ene geloof boven het andere stelt.’ De vrijheid van religie. Echte vrijheid van religie. Fundamentele rechten. Het is onthutsend. Het kruisbeeld was er voor onze bevrijding en nu wordt het een symbool van onderdrukking, van aantasting, van knechting. Van de ongelovigen die er ook naar moeten kijken? Nee, van de gelovigen die er geen genoeg van kunnen krijgen. Dezer dagen wordt het verschil tussen politiek en mentale acrobatiek steeds kleiner.

Mijn ouders waren tegen het koningshuis. Religieus waren we ook al niet. Dus gingen we naar het openbare onderwijs. De scholen die ik bezocht hadden steevast een forse foto van koningin Juliana aan de muur. Ik kan me niet herinneren dat mijn ouders hier ooit een poging tot indoctrinatie in hebben gelezen, noch dat ze bang waren dat hun zoontjes onverhoeds in het kamp der Oranjeklanten zouden opduiken. Verstandige mensen. We hebben ons ook nooit druk gemaakt om kerkklokken, om nonnen die je zomaar in het wild kon tegenkomen en andere uitwassen van godsdienst. Ze gaan hun gang maar, dat was de houding van mijn ouders. Wij weten wel beter. Heerlijk gevoel. Had ons zomaar afgenomen kunnen worden als al die gekkigheid helemaal ondergronds had gemoeten. Dat zou wel eens helemaal in z’n tegendeel kunnen verkeren. Ja, een portret zet aan het denken.

Volgens mevrouw in ’t Veld hebben we geluk gehad dat ons ongeloof in het koningshuis niet door die portretten is geërodeerd. En hoe dan ook, het portret heeft de vrijheid bedreigd en dat pikken we niet. Of eigenlijk niet de vrijheid maar het recht op vrijheid en dat is nog veel erger.

Volgens mij ziet het Europese Hof het beter.

19 maart

=0=

 


Test

De docent van de HvA die had bedacht dat hij zijn godsdienst wel mee mocht nemen naar de openbare school waar hij werkte is zijn baan kwijt. Hij gaf bedrijfseconomie, deed dat goed naar men zegt en had bedacht dat omdat de profeet ook geen huwbare vrouwen de hand schudde hij dat ook niet meer zou doen. Bedrijfseconomisch een interessante casus voor de school maar daar gaat het niet om. Het gaat om de vraag of openbaar hetzelfde is als neutraal, om de vraag of neutraal hetzelfde is als de scheiding van kerk en staat, om de vraag of die scheiding hetzelfde is als een godsdienst als privé affaire, en om de vraag of privé hetzelfde is als iets voor jezelf houden, er anderen niet mee confronteren, laat staan lastig vallen.

Het hoofddoekje van de vrouw is de hand van de man. Rare mensen zijn het toch. Zo lang ze het thuis doen moeten ze het zelf maar weten maar eenmaal buiten zijn ze van ons en dan moeten ze zich aanpassen aan onze normen en waarden. Die zijn dat je vooral moet doen wat je niet kunt laten (dat zijn onze waarden) tenzij wij vinden dat je moet laten wat je doet (dat zijn onze normen). In de openbaarheid dan want voor thuis hebben we nog geen sluitende aanpak verzonnen. Komt ook nog, er wordt hard aan gewerkt.

Tofik Dibi wil een debat over de scheiding van kerk en staat. Hij vindt dat nodig om te bewijzen dat de Kamer heus wel een inhoudelijk debat kan voeren, om het kabinet uit te dagen ‘aan te geven hoe het aankijkt tegen bijvoorbeeld vrijheid van godsdienst en godslastering’, om de christelijke partijen te laten ‘onderbouwen wat ze vinden’ en te hopen dat iedereen het debat ingaat zonder standpunten want als je standpunt al vaststaat ‘dan luister je niet meer echt naar de argumenten van anderen’. De schat.

Zou Tofik een standpunt hebben over de docent bedrijfseconomie die nu z’n baan kwijt is? Er zijn twee mogelijkheden. Hij heeft het niet en dan is zijn debatwens overbodig. Hij heeft het wel en dan moet hij daar het debat mee ingaan. Ook een test. Ik vermoed dat Tofik geen mening heeft en eerst het debat wil afwachten. Aardige jongen. Hoge aaibaarheidsfactor. Wil bij iedereen een graag geziene gast worden. Alweer een test. Ik gun het hem allemaal van harte. Maar wat doet hij toch in de politiek?

18 maart

=0=

 


Voorkennis

Op de huurwoningenmarkt is voorkennis regel. Het is ook geen markt, in ons land is de woningnood nooit voorbij. Dat zou eens moeten worden uitgezocht. In Vlaanderen doen ze het beter. Met de koopwoningen trouwens ook. Goed voor een mooi parlementair onderzoek: hoe kan het dat in ons rijke land zoiets eenvoudigs als een redelijke woningdistributie maar niet van de grond wil komen? Er is vergelijkingsmateriaal zat, dus wat let ons? Belangen letten ons.

Tussen 1955 en 1964 werkte mijn vader op de tekenkamer van de Gemeentelijke Bouw- en Woningdienst Utrecht. Die dienst huisde in een saai kantoorgebouw, vlak bij het Domplein. Het was, na zijn korte bestaan als huisschilder in de jaren dertig, de eerste en enige baan van mijn vader. Een vaste aanstelling kreeg hij nooit, hij kwam niet door de medische keuring. De directeur liet hem weten dat hij niet voor zijn baan hoefde te vrezen, keuring of niet. Het sloot wel uit dat mijn vader ooit promotie zou maken – want daarvoor had je een vaste aanstelling nodig. Een sollicitatie begin jaren zestig bij Staatsbosbeheer strandde op hetzelfde, op zijn gezondheid. Zelfs het afleggen van een rijexamen bleek niet mogelijk.

De tekenkamer werd bevolkt door vier mensen: naast mijn vader waren dat H., Van D. en M. H. was de chef, een vrolijke man die er door zijn collega’s op werd aangekeken dat hij niet heel ijverig was. Van D. was de jongste. Hij werd ervan verdacht ambitieus te zijn en omdat de positie van chef al was bezet vertrok Van D. op een gegeven moment naar de buitendienst. Iets met inspectie als ik het me goed herinner. Ik kan me vergissen. De meest intrigerende collega was M. Een extreem sombere man, afkomstig uit Opperdoes, en nogal gereformeerd. Hij was getrouwd met Annet, een dikke vrouw met een sprankelende lach en met een lichtvoetigheid die me altijd weer verblijdde. Ze raakten min of meer bevriend met mijn ouders. Ze hadden vier kinderen, drie dochters en een zoon. Aan die kinderen waren de jaren zestig zichtbaar niet besteed. Misschien speet het hen, misschien ook niet. Ze woonden en leefden in een enclave, leek het. Ook zijn kinderen verschaften M. geen vreugde. Niets verschafte hem vreugde, denk ik, behalve als zijn somberheid werd bevestigd door een voorval in de wereld, zo somber dat iedereen er wel somber van zou worden. Dan kreeg zijn zachte stem net dat beetje extra nadruk waardoor je wist dat er nog leven in die man zat. Hij vond de wereld niet fair, de meeste mensen niet eerlijk want zwak. Hij legde de lat hoog – vermoedelijk om hem niet te hoeven halen. Ik dacht altijd dat God het vast zo had geregeld dat zijn vrouw (die je natuurlijk in de stijl van zijn atmosfeer ‘opgeruimd’ moet noemen) zijn droefgeestige zwaarmoedigheid exact in die mate moest compenseren dat ze her en der welkom waren en bleven. Bij mijn ouders in ieder geval werkte het zo en zelf kon ik vaststellen dat zijn humeur mij niet aanstak. Wel nieuwsgierig maakte, overigens.

Behalve H. woonde de hele tekenkamer plus aanhang op het Kanaleneiland, dat begin jaren zestig werd opgeleverd. Ik heb nog een foto waarop ik op een zandvlakte de fietsen van mezelf en van mijn vader vasthoud. Hij nam de foto – hij hield van fotograferen – en staat er dus niet op. De foto waarop hij staat en die ik nam heb ik nooit meer kunnen vinden. Misschien niet afgedrukt: ik had geen goede hand met een fototoestel. De zandvlakte, dat was de bouwrijp gemaakte grond voor de nieuwe wijk die daar moest ontstaan. Op de foto kun je de lijntjes van de touwen zien die de kaveltjes hun plaats wezen. We stonden voor het imaginaire huis dat we later zouden bewonen. Het huis naast het hoekhuis, dat wou mijn vader hebben en hij kreeg het ook. Net zoals Van D. en M. hun huizen kregen.

Uiteraard hadden ambtenaren van een tekenkamer geen privileges. Ze wisten alleen een paar dingen wat eerder. Mijn vader legde mij uit dat hij die woning wel degelijk op correcte wijze had veroverd. Geen voorkennis, wel de juiste kennis op het juiste moment. Of een vergelijkbare uitleg die geen uitleg was maar wel een reden moest suggereren. Ik weet niet waarom hij dat deed. Kennelijk vond hij het nodig. Ik had er geen problemen mee. Nee, dan M. Van hem had ik maar al te graag tekst en uitleg gehad. Kon hij het, steile man die het was, rijmen? Ik heb het nooit durven voorleggen. Hij hoorde bij mijn vader, niet bij mij.

Na het overlijden van mijn moeder in 1994 heb ik het contact met hem verloren. Dat krijg je als het geen contact van jou is maar alleen van je ouders. Jammer. Hij was me sympathiek en tot op de dag van vandaag weet ik niet waarom.

17 maart

=0=

 

Gereedschap

Een begrip is een stuk gereedschap. Je maakt er onderscheidingen mee, het voorkomt verwarring en met een beetje geluk kun je het daarna eindelijk eens hebben over wat er nu werkelijk aan de hand is – in plaats altijd terug te vallen op de banaliteit dat jij het toch echt anders ziet. Daarom zijn begrippen niet alleen nuttig, ze zijn zelfs noodzakelijk, althans in een beetje geordend discours. Ze horen bij de spelregels van het vak. Bovendien, goed gereedschap is het halve werk en het bespaart, ook niet niks, een boel overbodig werk. De hoeveelheid onderzoek dat direct de prullenbak in kan, omdat men van mening is dat de begrippen van goed en kwaad ook goed en kwaad zijn, is verbazend groot. Of omdat met het begrip cynisme verwart met cynisme, het begrip multicultureel met multicultureel en het begrip wetenschap met wetenschap. Of omdat men denkt dat het begrip normatief voldoende normatief is om er elke keer als je in de problemen komt de gaten in je argumentatie mee op te vullen.

Je zit in de trein en je leest wat. Het is niet moeilijk te raden wat ik las. Ik las De improvisatiemaatschappij; over de sociale ordening van een onbegrensde wereld van Hans Boutellier (Den Haag, Boom | Lemma Uitgevers 2011). Een onbegrensde wereld kun je slechts beschrijven door een goed begrip van wat een grens is: een hobbel, minstens twee zijden, meer of minder makkelijk over te steken – tot aan de volgende grens. Moet ik nu aannemen dat in een onbegrensde wereld de eerste, de laatste en alle tussenliggende grenzen zijn opgeheven? Hoe ‘orden’ je iets wat zonder grenzen is? Ik bedoel dit niet als een paradox want het is geen paradox. En Boutellier bedoelt het ook niet als een paradox. Ik denk dat het als een ‘metafoor’ ziet. Mijn vraag: een metafoor waarvan? Niet van de wereld, begrensd of onbegrensd. Mijn improviserende bod (ik heb zelden zo veel moeten improviseren als bij dit boek) is dat Boutellier het over de benarde burger heeft die het wel leuk vindt, dat internet en zo, maar ook bedreigend en, onder ons gezegd en gezwegen, meer bedreigend dan leuk. Het is geen boek over de maatschappij, het is een boek over de Nederlandse burger. Dat maakt verschil. Begripsmatig bijvoorbeeld.

Er is ook geen sprake van een ongeordende maatschappij, althans niet in de beeldvorming van Boutellier. De maatschappij is zelfs buitengewoon geordend, met tal van instituties, met het recht, met een staat die we niet moeten onderschatten en met professionals die, hoe ‘eenzaam’ (: 151) ook, hun publieke taak uitoefenen. Eenzame professionals, je moet er maar opkomen, op een ‘begrip’ dat van de professional een held maakt en de professie (het gezelschap dat de professional begeleidt) en passant verdonkeremaant. Hoezo, eenzaam? Eenzaam maar niet alleen? Nee, ordening genoeg. Waar het aan schort is aan het geloof van de burger. De burger zit in een kramp en zegt dat het komt omdat het zo spartelt. Kan, kan niet, zou je moeten onderzoeken. Dat gebeurt niet, de kramp is model.

Het verklaart de opbouw van het boek. De burger wil niet ontspannen, de burger wil meer greep want de burger zit in het defensief. Neem de hufter. De hufter is de ander. Niet alleen onbeschaafd maar ook onveilig. De burger is onveilig, niet vanwege de gebeurtenissen maar vanwege het gevoel. Het gevoel? Het gevoel. Dus willen we meer straffen, we willen handhaving. Of eigenlijk, we willen het wel en we willen het niet. Willen we meer straffen? Dat valt nog wel mee (: 123). Wie moet je straffen? De hufters natuurlijk maar dat zijn kleine vissen. Het zou zo maar kunnen dat het ‘gevoel’ van onveiligheid berust op de correctie observatie en de correcte redenering dat de schade capaciteit van bijvoorbeeld het financiële stelsel, dat de capaciteit van vernietiging in het energiestelsel, dat de capaciteit van ontregeling in de internationale verhoudingen te groot is om door wie dan ook beheerst te worden. Het kan zijn dat de burger best weet dat wat door de experts en de politici als risico wordt verkocht geen risico’s zijn die je wel durft te nemen maar gevaren die je niet zou moeten willen lopen omdat je je er niet tegen kunt weren. Dat de politici die ons vertellen dat het zo’n vaart niet loopt niks kunnen doen behalve doen alsof. Het kan zijn dat de boosheid op de politiek daar mee te maken heeft – niet boos om wat ze doen maar boosheid omdat ze doen alsof. De burger zou wel eens een boel rationeler kunnen zijn dan de expert – maar die gedachte is in het boek niet te vinden. Dat de experts het ook niet weten en dat de burgers dat uitstekend doorhebben – het is een gedachte die niet eens wordt geopperd. Wel dat in onze ‘participatiemaatschappij’ iedereen moet meedoen – en de afstand tussen burger en expert er niet kleiner door wordt. Misschien heeft het één iets met het ander te maken? Evenmin komt de eenvoudige gedachte naar voren dat wat voor de één een risico is voor de ander een gevaar kan zijn: dat niet alle burgers gelijk zijn en dat niet alleen risico’s niet voor iedereen hetzelfde uitwerken maar gevaren evenzeer. Ook als iedereen verliest verliezen sommigen meer dan anderen en uit het verschil vloeit niet alleen na-ijver voort maar ook de wetenschap dat zulke uitkomsten de ongelijkheden eerder versterken dan afzwakken. Het ‘gevoel’ is geen verklaring, het is een product en de burger zou geholpen zijn als hij minder als patiënt en meer als verstandig mens werd behandeld. Zelfs als de burger de complexiteitstheorie niet kent.

Tja, die complexiteit. De wereld is een netwerk, gevormd uit en door chaos. Chaos, zou je kunnen zeggen, is latente structuur en de structuur kan zich vormen en vertakken tot netwerken, met daarbinnen knooppunten, knooppunten van knooppunten en relaties tussen al die knooppunten. Sommige knooppunten zijn succesvoller dan ander knooppunten, hun aantrekkingskracht is groter en omdat succes succes genereert wordt hun aantrekkingskracht nog groter. Scheefgroei kan het gevolg zijn want niets is eeuwig, zelfs de eeuwigheid niet. Nou, misschien wel, maar omdat we dat niet weten telt het niet. Het is een soort evolutietheorie, vergissingen inclusief. Dan komt er wel weer wat anders. Denk aan de nijlbaarzen van Tijs Goldschmidt (Darwins hofvijver; een drama in het Victoriameer. Amsterdam, Prometheus 1994). Afhankelijk van de sterkte van de koppelingen in het netwerk bewegen we allemaal mee als er in het netwerk iets gebeurt (de Braziliaanse vlinder van Edward Lorentz die een tornado in Texas inluidt. Het is niet altijd leuk een ‘attractor’ te zijn). En we bewegen synchroon omdat het ritme niet aan ons maar aan het netwerk is uitbesteed. Dat is een onrustige gedachte dus waar is de stabiliteit?

De stabiliteit zit in de systemen want die hebben we ook nog, na en naast de structuur en de sync. Systemen hebben de eigenschap eerder meer dan minder zichzelf te blijven bij een verandering, een gebeurtenis, een verstoring. ‘Order from noise’ (: 117). Dat geeft rust want je doet wat je deed en je bent wie je was. Nu heb ik twee vragen. In de eerste plaats of het netwerk een systeem is of een structuur. Uit het boek leid ik het tweede af  maar dat is niet erg overtuigend. Uiteraard, als het netwerk ‘onbegrensd’ is heb je geen systeem want geen systeem zonder omgeving en wat niet begrensd is, is hetzelfde als iets zonder omgeving. Hoe netwerken dan toch (: 152) kunnen uitsluiten (ze stellen hun eigen grenzen in dat geval zou je kunnen zeggen en trekken zich van de onze niets aan) is, hoe zal ik het zeggen, een raadsel. Hier had enige conceptuele helderheid niet misstaan. Al is het concept nog zo snel, de vraag achterhaalt hem wel. Dat brengt me bij mijn tweede vraag. Er is niet één systeem, er zijn talloze systemen en subsystemen. Die werken allemaal volgens hun eigen code, die codes kunnen elkaar tegenspreken en staan elkaar regelmatig naar het leven en niemand die er de regie over voert. Kortom, zou het zo kunnen zijn dat de stabiliteit van Boutellier wel opgaat op het niveau van elk afzonderlijk systeem (en ook dat is een dubieus uitgangspunt want gedacht zonder omgeving) maar niet op het niveau van de verzameling van alle systemen? Dat dat zelfs het ‘probleem’ is dat we al knutselend en improviserend steeds opnieuw mogen oplossen zonder dat het ooit opgelost wordt omdat het – de terugkeer naar chaos daargelaten – niet opgelost kan worden? Ik vraag het maar. Het boek geeft geen antwoord. Wel een bezweringsformule maar dat is niet hetzelfde.

Die bezwering bestaat in door de staat geschraagde, door de professionals bewaakte en door de instituties gereguleerde ‘normativiteit’ (: 136-137). Ik kan er ook niks aan doen maar onze netwerken zijn dan wel grensoverschrijdend, ze houden zich godzijdank wel aan onze verkeersregels. Dat wil zeggen, zo lang wij vertrouwen hebben in onze verkeersregels want met alleen controle lukt het niet. Waarom niet? Dat zou ‘onaantrekkelijk’ (: 131) zijn. En het begrip ‘onaantrekkelijk’ is zo onaantrekkelijk dat we dat niet zouden moeten willen.

De burger moet worden gerustgesteld en de burger kan worden gerustgesteld. Gaat u maar rustig slapen. Niettemin, met het conceptuele gereedschap van De improvisatiemaatschappij kun je niet eens de boter uit het pakje krijgen, laat staan er een deuk in slaan.

16 maart

=0=

 


Sloop

Met een tweetal mededelingen heeft minister Kamp eindelijk het overlijden van de arbeidsvoorziening aangekondigd. Het is alles bij elkaar nog een lang ziekbed geweest maar nu trekt de minister de stekker eruit. Van het UWV wordt het werkbedrijf geamputeerd en de RWI wordt gewoon opgeheven. De eerste voorzitter van de RWI zei bij aantreden dat hij de RWI als een soort regionale SER opvatte. Dat is Kamp niet vergeten. We hebben toch al een SER? Wat moeten we dan met twee? Goede observatie. En dat werkbedrijf, ach dat had al overal rondgezworven voor het bij het UWV werd geparkeerd en nu hoeft het niet meer. De mensen hebben tegenwoordig toch een computer? Dan zoeken ze het daar maar op.

Sinds we geen werkgelegenheidsbeleid meer hebben (we noemen het nu participatie en dat gaat over het aanbod, niet over de vraag) hebben we alleen nog een werklozenbeleid, het werklozenbeleid loopt via de uitkeringen, de uitkeringen gaan zoetjesaan richting gemeente, de gemeente kent z’n pappenheimers, de gemeente heeft geen belang bij uitkeringen waar niks tegenover staat en klaar zijn we. Appeltje eitje. Het wachten was op een minister die gewoon zou zeggen waar het op stond. Die hebben we dus nu. Arbeidsvoorziening? Arbeid is je eigen verantwoordelijkheid, stommerd, en als je daar niet mans genoeg voor bent dan zetten wij je wel aan het werk. En anders geen uitkering. De arbeidsvoorziening flankeerde het werkgelegenheidsbeleid, de uitkeringsmachinerie het werklozenbeleid. De arbeidsvoorziening hield, door z ’n bestaan, de illusie in stand dat je aan een baan kon komen. De gemeentelijke uitkeringsfabriek maakt met die illusie korte metten. We hebben geen banen maar we hebben wel werk.

Je werk is je re-integratie en omdat de enige echte re-integratie je werk is hebben we een aparte UWV voorzienig voor re-integratie niet meer nodig. Was duur, bracht weinig op (het had een lage ‘netto effectiviteit’ volgens de economen – en die schreven dat toe aan de re-integratie en niet aan het verdwenen werkgelegenheidsbeleid), dus weg ermee.

Het reserveleger van Marx was geen leger, het was een zootje ongeregeld. Het reserveleger van de gemeenten, dat wordt beter. Kamp, zo heet de minister toch?

15 maart

=0=

 


Gevoelloos

Maar liefst 83% van de Nederlandse docenten in het voortgezet onderwijs heeft geen gevoelens voor hun leerlingen. Schokkend. Van elke zes docenten die je tegenkomt zijn er vijf gevoelloos. Nooit deernis, nooit vertedering, nooit verontwaardiging, nooit frustratie, nooit bang. We zullen maar aannemen dat ook de laag eronder, die van woede, agressie, haat, niet aan bod komt. Geen passie dus. Het is verbijsterend. Ik kijk en kijk naar beelden over Japan en denk Spielberg aan het werk te zien. Dat is niet zo, ik kijk naar een ramp van onvoorstelbare proporties. Maar neem me niet kwalijk, 83% gevoelloze docenten is ook niet mis. Even onvoorstelbaar en daarom door KRO ’s Brandpunt als groot nieuws gebracht. Sven Kockelman presenteerde het item en dan weten we genoeg. Zo ’n stem die van alles een urgentie maakt en van elke urgentie een kwestie van schuld en boete.

Wat vindt u in z ’n algemeenheid van relaties tussen leraren en leerlingen? Dat was de eerste vraag in de enquête die Brandpunt had laten uitvoeren. Nu, die zullen er plenty zijn. In kleine gemeenschappen komt het voor dat een ouder les geeft op de school waar ze ook hun kind naar toezenden. Familierelaties dus. Of je kent als docent de ouders van een leerling, hebt die leerling zien opgroeien, maakt je zorgen of juist niet. Relaties dus. In ons land is zelfs Amsterdam een dorp; het zal op elke school voorkomen, die ‘relaties’. Desondanks, van elke vijf docenten vinden vier dat ‘het absoluut niet kan’. Onze scholen voor voortgezet onderwijs worden bevolkt door griezels van docenten, door onmensen. Brandpunt, overigens, vindt dat niet de gevoelloze onmensen het probleem zijn maar de paar normale docenten die antwoorden dat ze gevoelens hebben en relaties wel denkbaar achten, zij het ‘onder voorwaarden’.

Nog zorgelijker is dat onze docenten weigeren iets te leren. Op de vraag of hun mening over ‘relaties in hun algemeenheid’ in de loop der jaren is veranderd geeft liefst 95% het antwoord dat ze er met de kennis van vandaag even ferm in zijn als voorheen, met de kennis van toen. Standvastige mensen, dat zijn het. Gelukkig, zij het al te voorspelbaar, zijn het de anderen die zich niet aan de regels houden. Slechts één procent biecht op dat uit hun gevoelens en relaties seksueel contact is voortgekomen. Dat is een hele opluchting, hoewel hun collega’s vermoeden dat toch op elke tweede school dergelijke contacten wel degelijk optreden. Door de schuld van de collega’s, dat wel. Zij zijn het niet, het zijn de anderen.

Er zijn veel vermoedens op scholen over de collega’s die het allemaal zo nauw niet nemen. Het komt zelden verder dan vermoedens want melden bij wie ze het hebben gemeld, daar geven de meesten liever geen antwoord op als ze er naar worden gevraagd. Plotseling zien we het aantal respondenten ineenschrompelen, van een kleine zevenhonderd tot even vijftig. Met die kennis wordt overigens weinig gedaan, meestal komt er niets van. Met de daling van het aantal respondenten wordt ook niets gedaan, de antwoorden worden gewoon meegenomen. Niet elke suggestie is een juiste suggestie zou je mogen concluderen maar daar denkt Brandpunt heel anders over. Scholen stoppen het liever in de doofpot.

De Nederlandse docent is zo gevoelloos dat achterklap, meesmuilen, en vermoedens goed gedijen. Op basis van deze enquête moeten we aannemen dat er weinig onderling vertrouwen is onder docenten. Het is als in het land als geheel: met mij is niks aan de hand maar als ik om me heen kijk is het behoorlijk foute boel. De geleerden die de enquête hebben opgesteld en uitgevoerd (EDG Media) zijn ongetwijfeld het product van dezelfde scholen die ze nu hebben onderzocht. Een fatsoenlijke vraag hebben ze niet leren stellen. De KRO is er blij mee, want hoe slechter de vragen hoe smakelijker de uitkomsten.

14 maart

=0=

 


Oom Jan

De afgelopen tijd denk ik vaak aan oom Jan. De achtergrond is minder persoonlijk (die achtergrond is er ook maar doet hier niet ter zake) dan de titel ‘oom’ aan suggestie oproept. Oom Jan was getrouwd met de zus van een tante van mij. Eigenlijk, zei mijn moeder, is dat geen echte familie. Ik kom nog uit de tijd dat onder de spaarzame mensen die wel eens langskwamen of waar mijn ouders op bezoek gingen enkelen met de titel oom en tante werden versierd. Anderen weer niet. Ik had nog zo ’n oom, oom Heini, daar deelden we de achternaam mee, hij was een schaakvriend van mijn vader en bij elkaar ben je dan oom. Ook goed. Eén kenmerk dat de ooms en tantes die geen ooms en tantes waren deelden was trouw. Ze hielden het tot het eind toe vol en dat was mooi. Het is ook nu nog mooi.

De redenen dat ik oom Jan weer voor me zie zijn tweeërlei. In de eerste plaats is daar minister Uri Rosenthal, de Chris van der Klaauw van de jaren ’10. De VVD heeft een bijzonder vermogen om ministers van Buitenlandse Zaken te kiezen. Bij Chris zat Wiegel erachter, bij Uri is het Rutte. Uri lijkt uiterlijk op oom Jan. Vandaar. De gelijkenis is niet perfect – hij strekt zich niet uit tot over de stem bijvoorbeeld – maar voldoende om terug te denken aan de tijden dat ik het voorrecht had met oom Jan in gesprek te mogen zijn. Oom Jan werkte bij het NVV en dan ben ik bij de tweede reden om aan hem te denken. Hij kon het goed met mijn vader vinden en hij gooide af en toe een balletje op over het lidmaatschap van een vakbond. Waarom was mijn vader geen lid? Het waren gesprekken uit de eerste helft van de jaren zestig, dus het zal niet verbazen dat de oorlog voorbij kwam. Het standpunt van mijn vader was ingegeven door de weinig heldhaftige gedragingen van de bond gedurende de oorlog. Het had hem zei hij, de lust benomen zijn vertrouwen te schenken aan de bond. Het was geen desinteresse, het was wantrouwen. Daar hadden ze het over, over de last en de betekenis van het verleden voor vandaag en morgen. De gesprekken waren vriendelijk en respectvol. Ze mochten elkaar, die twee. Dat mijn vader meer in het algemeen een afkeer had om van wat dan ook lid te worden (de schaakclub was de enige uitzondering), misschien wist of vermoedde oom Jan het. Het kwam nooit ter sprake.

Toen ik ging werken, in 1971, was mijn vader al lang dood maar oom Jan zag ik nog. Ik zei het al, trouw. Hij moedigde me aan lid te worden van de bond. Dat heb ik gedaan – ik ben net wat minder een non-joiner dan mijn vader – en bijgevolg ben ik nu een kleine veertig jaar lid van de Abva, respectievelijk Abvakabo. Ook oom Jan is al lang dood. Ik mis hem want ik had hem graag gesproken, nu. Ik had zijn mening willen horen en met hem in discussie willen gaan over het pensioengeklier van de FNV. Het zou het oppikken zijn van één draad in de discussies die hij met mijn vader had: waarom stelt de vakbeweging zo weinig belang in wat de vakbondsleden kunnen, willen, zouden steunen of zouden tegengaan? Dat is, op z ’n minst, een constante. De FNV onderhandelt over 800 miljard en laat ons weten dat het wel goed komt omdat beter er niet in zit en omdat ze hun best doen voor ons, zonder ons. Afgelopen week kwam het ministerie SZW naar buiten met het nieuws dat er mogelijk ernstige juridische obstakels zijn voor de pensioendeal waar werknemers en werkgevers het al in hoge mate over eens leken te zijn. Ik dacht: het ministerie? Niet de FNV? Hoe is dat mogelijk?

Toen had ik graag even met oom Jan gesproken.

13 maart

=0=

 


Europact

Successieve Nederlandse regeringen zijn erin geslaagd elke serieuze beslissing over Europa (EEG, EG, EU, uitbreidingsbeslissingen, beslissingen over een monetaire unie en over de euro) niet in bespreking te brengen maar te accepteren, aanvankelijk enthousiast, toen aarzelend, toen schoorvoetend, en nu tegenstribbelend. Dat het effect is dat slechts weinigen van Europa houden is misschien niet ingecalculeerd maar wel voorspelbaar en dat mogen de achtereenvolgende regeringen zich aanrekenen. We hadden misschien kunnen verwachten dat na het echec met de Grondwet die geen Grondwet mocht heten de regering iets geleerd had. IJdele hoop.

Eerst wilden we geen noodfonds. Toen deden we mee. Het ging alleen om garanties, niet om geld. Garanties voor 26 miljard. Inmiddels is het bedrag verdubbeld en het gaat niet meer om garanties alleen, het gaat ook om geld. Dus wordt de staatsschuld hoger. We stribbelen tegen, voor de vorm, en gaan akkoord. Nu gaat het om harmonisatie van pensioenen, lonen en belastingen. Leuk praatpapier zegt onze premier. Die garanties waren aanvankelijk ook papier maar zo lang we kunnen ontkennen zullen we ontkennen. Niks aan de hand, de beslissing blijft bij ons. De premier keuvelt opgewekt verder. Ik ben niet eens meer zeker of de man überhaupt weet waar hij het over heeft. Zodra het ingewikkeld wordt haakt hij af, dat is meer dan een beetje zorgelijk.

Hij zou, geflankeerd door De Jager, zich eindelijk eens de vraag moeten stellen en die vraag ook moeten voorleggen of het alternatief niet is of een werkbare politieke EU of een EU die wordt gedicteerd door private kredietbeoordelaars als Moody’s, dezelfde kredietbeoordelaars die giftige hypotheken met een Triple A beloonden en landen als Griekenland met een B1. De prijs van die hypotheken is al lang omgezet in een politieke prijs voor een politieke hypotheek en de EU zou niet weten hoe die te betalen. Dus nemen de kosten toe. De kredietbeoordelaars die er aan hebben bijgedragen om met succes de kredietcrisis te provoceren, mogen nu beoordelen of de maatregelen die landen nemen om de rotzooi op te ruimen wel naar hun beoordelingssmaak is. Je moet er maar opkomen en je kunt het Moody’s niet eens kwalijk nemen want zij hebben dat niet hoeven besluiten. De EU heeft hen de ruimte gegeven en elke keer als zich een voorstel aandient om daar een einde aan te maken gaan Rutte en De Jager zo lang mogelijk op de rem staan. Ze noemen het de autonomie van de lidstaten.

De vraag is niet of de EU meer politieke macht moet ontwikkelen. De vraag is of Moody’s de macht moet krijgen die de EU van z’n lidstaten niet mag hebben. Op die vraag, daar zouden Rutte en De Jager eens antwoord moeten geven. En op z ’n minst: de vraag als zodanig stellen. Ik ben bang dat het hen zowel aan de durf als aan het inzicht ontbreekt om het zelfs maar ter tafel te brengen. En het zal, gegeven de parlementaire verhoudingen, ook niet uit de Tweede Kamer komen.

12 maart

=0=

 


Verwisseling

Meer vrouwen aan de top verbetert de prestatie van een bedrijf. Ik lees het in VK banen en het gaat over de uitkomsten van een onderzoek van Mirjam van Praag en twee van haar collega’s aan de UvA. Als ik het onderzoek lees vermoed ik dat de prestatiemaat niets zegt over gender en alles over cognitieve diversiteit (twee weten meer dan één als ze inderdaad wat verschillends weten, bereid zijn dat in te brengen of te ‘delen’ en er iets moois van te maken), en dat je dat dus moet stimuleren. Dat de krant het niet aan cognitieve diversiteit toeschrijft maar aan gender kan de krant niet helpen. De onderzoekers zelf hebben de verwisseling in het spel gebracht en kranten onderzoeken niet, die bellen op en onderhandelen met de onderzoekers over een goed bekkende kop. Het zou anders moeten maar het is niet anders. Wat bekt een beetje? In dit geval is het niet moeilijk. De titel van het onderzoeksverslag vermeldt ‘gender diversity’ en dus hoeven we maar twee dingen te doen om de zaak te verkopen. In de eerste plaats het woord cognitief nergens te vermelden en in plaats daarvan gender te gebruiken en in de tweede plaats het woord diversiteit verder niet te gebruiken want dat brengt mensen maar op de gedachte dat het niet om gender maar om diversiteit zou gaan en dan is het politieke effect weg.

Het onderzoeksverslag zelf (S. Hoogendoorn, H. Oosterbeek, M. van Praag, The impact of gender diversity on the performance of business teams: Evidence from a field experiment.  Amsterdam, februari 2011) roept vragen op. Het is een soort veldexperiment met studenten (een verplicht studieonderdeel van één jaar) en het is een beetje echt en toch ook weer niet echt echt. Hoe het experiment precies is opgezet: mag ik opmerken dat de onderzoekers daar niet al te helder over hebben gerapporteerd? De onderzoekers wilden het effect van gender diversiteit op prestaties meten en stelden teams samen die die meting mogelijk moesten maken (de teams zelf waren hier natuurlijk niet van op de hoogte, althans: ze waren er niet van op de hoogte gesteld. Voor de onderzoekers kwam dat op hetzelfde neer). Die teams hadden iets te maken met een echt bedrijf en aan de andere kant was dat bedrijf er al voordat er teams aan werden toegedeeld en dan vraag ik me af wat nou de verantwoordelijkheden en de prestaties van de deelnemende studenten nog uitmaken. De gemiddelde grootte van de teams zat rond de tien mensen; dat biedt de nodige ruimte voor variatie die meer met toeval dan met diversiteit te maken heeft. Om te weten of dat inderdaad is opgetreden zou je de uitkomsten van deze studenten moeten vergelijken met hun eerdere uitkomsten, individueel en in ander groepsverband. Dat is achterwege gebleven. Nu zou je zeggen dat, als je het effect van diversiteit wilt meten, je er goed aan doet om die diversiteit niet te beperken tot gender maar ook dingen als herkomst, klasse, enzovoorts mee te nemen. Alles wat bij je cognitieve opmaak hoort, dus, ervaringen, opleidingen, vaardigheden, alles. Doe je dat niet dan weet je niet of je meet of vrouwen gewoon beter zijn dan mannen dan wel dat diversiteit verschil maakt. De suggestie is het laatste (als een team gedomineerd wordt door vrouwen neemt het effect af). Of toch ook weer niet? Als je niet specificeert wat je in je meting meeneemt kun je van alles meenemen, rijp en groen, appel en peer. Je kunt wisselen en verwisselen. Jammer is dat we zo niet kunnen achterhalen of het afnemende succes (dalende meeropbrengsten, we hadden het kunnen weten) van teams met een meerderheid van vrouwen te danken is aan die meerderheid, of omdat er niet meer met mannen wordt geconcurreerd, of dat vanaf een zeker punt de onderlinge concurrentie de samenwerking gaat belemmeren of wat dan ook.

Onderzoekers die niet onderscheiden tussen cognitieve, sociale en culturele diversiteit weten niet waar ze het over hebben en stellen hun onderzoeksresultaten beschikbaar aan de waan de dag. Een onsje diversiteit mevrouw? Ja, doet u die maar eens vandaag. Een mens wil wel eens wat anders.

11 maart

=0=

 

Schaal

Een school moet niet te groot zijn. Dat heeft de Onderwijsraad ooit bedacht en daarom zijn ze streng voor fusies. Een school moet ook niet te klein zijn want ben je te klein dan heb je geen excellente leraren. Minder dan twintig leraren: geen excellentie en dus ook geen beloning voor de excellente leraar. Excellentie is een ‘relatieve kwaliteit’ en geen ‘absolute norm’. Slechts één op twintig leraren kan excellent zijn. Niet meer want dan is de exclusiviteit eraf en dan wordt het ook te duur. De Raad heeft het allemaal gewoon opgeschreven. Zouden ze veel lol hebben gehad? Ik denk het niet, ik ben bang dat ze het heel ernstig menen.

Hoe kom je uit bij de beste? Dat gaat op aanwijzing. Op een school weet iedereen best wie de beste is dus daar kom je wel achter. Door een ‘intersubjectieve beoordeling’ die vervolgens ‘extern gevalideerd’ zal worden. Wie is het rolmodel in deze tent? Beantwoording van deze vraag brengt je vanzelf bij de excellente leraar.

Goed, ze hebben dus geen idee maar het gaat alles bij elkaar (beoordeling en validering) meer kosten dan de hele beloning. Ik weet niet waarom maar ergens komt het me bekend voor. Wat is het effect van die kwaliteit? Het effect is het vermogen andere leraren aan te steken met het excellentievirus. Hoe bereik je dat? Door de excellente leraar extra te belonen, dan zullen de anderen wel worden aangestoken. Het heet prestatiebeloning. De staatssecretaris schijnt er wel wat in te zien. Het is helemaal in zijn geest.

Je excellentie duurt vier jaar. Zou je daarna nog een keer in aanmerking kunnen komen? Het is niet uitgesloten, ‘heraanwijzing’ is denkbaar. Alleen al daaruit kun je afleiden dat de Raad niet weet waar ze het over heeft. Sta ‘heraanwijzing’ toe en de excellente leraar heeft er alle belang bij niemand in haar buurt te laten komen. Zo blijf je de enige excellente in je gezelschap. Dus, maak de rest wat beter – dat hoort bij de aanstelling – maar niet zoveel beter dat je eigen positie in het gedrang komt.

Prestatiebeloning is een moeilijk thema. De Raad heeft er een grap van gemaakt en de staatssecretaris trapt er in. Over de kwaliteit van het onderwijs durf ik me geen generieke uitspraak te permitteren. Over de kwaliteit van beleidsadvies en beleid wel. Het is treurig.

10 maart

=0=

 


Hoofddoek

In het Belgische Genk is door de Hema een vrouw ontslagen omdat ze een hoofddoek droeg. De Hema heeft hoofddoeken niet verboden maar in dit geval kwamen er negatieve reacties van de klandizie. De economische relevantie van een hoofddoek. Het is een interessant vraagstuk.

Ik gebruik het woord economische relevantie in navolging van Max Weber. Die had het over economisch, economisch bepaald en economisch relevant. Je zou kunnen zeggen dat de kwaliteit van de hoofddoek economisch bepaald is (van welk materiaal gemaakt, tegen welke kosten?) en het ontslag heeft de hoofddoek economisch relevant gemaakt. Het zaakje wordt echter gestuurd door wat economisch is en daaronder verstaat Weber een, wat hij noemt, gedragstechniek. Economie is gedragstechniek en in dat woord klinkt een hele cultuur door, een cultuur van efficiency en instrumentele rationaliteit. Tegen die efficiency en tegen die rationaliteit druist de hoofddoek in. Dat doet het hoofddoekje niet steeds en niet principieel. Ja, over het principe wordt gestreden maar dat zegt meer over ons idee van techniek dan over het hoofddoekje in kwestie.  Dat blijkt al uit het feit dat je bij Opzij nu wel met een hoofddoekje aan het werk mag en voorheen niet. Ook Opzij houdt rekening met het publiek en dat publiek is geen constante en juist daarom vereist het constante aandacht. Het blijkt ook uit het feit dat Hema geen verbod op hoofddoekjes heeft ingesteld. En nu met de vraag zit of ze er niet toch een ander beleid op moeten gaan voeren. Een principe heeft echter zo z’n nadelen want in andere gevallen (met een andere klandizie) kan het verdomd efficiënt zijn om hoofddoekjes juist wel toe te staan. Daar kan een jurist weinig mee. De Hema zegt dat het economisch bepaald is, maar dat is het niet als het soms wel en soms niet zo is. Juridisch is interessant dat het niet om bepaaldheid maar om relevantie gaat. Is een hoofddoekje economisch relevant en wat houdt dat in, in deze en in andere gevallen: economisch relevant? Dat, en daarom is het spannend, hangt weer op ‘economisch’.

Die gedragstechniek, daar gaan we nog last van krijgen. Het is een neutraal, zelfs ‘objectief’ klinkende mal maar het berust op de gedachte dat we doelen en middelen, waarden en technologie van elkaar kunnen scheiden. Niemand die het doet, het is eerder een alsof dan een natuurwet, maar niettemin. In de economie als gedragstechniek is niemand een persoon, of, wat op hetzelfde uitdraait, is iedereen dezelfde persoon. Er is een standaardpersoon en daar wordt iedereen op afgerekend. Gradaties kennen we wel, vormen niet. Die standaardpersoon, ik stel voor hem een rationele buik te noemen, een rationele buik die standaardgedrag, conform een standaard gedragstechniek, vertoont. Een buik draagt geen hoofddoek. Toch? Dat is ons monoculturele drama, een drama dat nog wel wat verder gaat dan de draagster van een hoofddoekje.

We zijn allen rationele buiken. Dat zal nog een boel mensen tegenvallen die dachten dat het alleen voor de anderen bedoeld was. Het hoofddoekje is niet meer dan een handige aanleiding en afleiding ineen.  

9 maart

=0=

 


Scenario’s

Als ik me niet vergis worden scenariostudies steeds populairder. Je kunt ze voorzichtig gebruiken (bijvoorbeeld een extrapolatie variëren met een hoge, een gematigde en een lage groei van de economie, van de bevolking, van de buitenlandse handel, van immigratie enzovoorts) en je kunt ze gebruiken als een exploratie in onbekende gebieden. Toekomstonderzoek, daar komt het vandaan, toekomst in de zin van wat ons te wachten zou kunnen staan, niet in de zin van wat ons te wachten staat. Er hoort natuurlijk wel een ‘indien’ bij: wat zou ons te wachten kunnen staan indien we op a inzetten of op b, en op c en of d, en dat dan in verschillende combinaties. De veronderstelling is dat je daar dan ook echt op kunt inzetten, dat wil zeggen dat je het beleid die kant of kanten op kan sturen. Succes is niet gegarandeerd, maar de richting kun je aangeven.

Hoe slechter je kunt voorspellen, hoe eerder je op scenario’s overgaat. Naarmate de wereld onzekerder wordt nemen studies van de explorerende categorie toe. Het CPB is er al enige jaren mee bezig. In hun meest recente scenariostudie (nl.2040) vullen ze het ‘indien’ langs twee lijnen in, die van de productietechnologie en die van de ruimtelijke ontwikkeling. De productietechnologie wordt afgebeeld op een as met als extremen specifieke dan wel generieke (general purpose) technologie, de ruimtelijke ontwikkeling op een as met als extremen verspreiding dan wel concentratie. Plaats de assen dwars op elkaar en je krijgt vier scenario’s (in dit geval: talent towns bij verspreiding en specifieke technologie; egalitarian ecologies bij verspreiding en generieke technologie; cosmopolitan centres bij concentratie en specifieke technologie; metropolitan markets bij concentratie en generieke technologie). De scenario’s zijn niet beter dan de assen waar ze op berusten en waarvan ze worden afgeleid (waarom deze assen? waarom deze extremen?). Bij nl.2040 heb ik twijfels; bij eerdere CPB scenariostudie overigens ook. In dit geval zit me dwars dat de technologiekant ongelukkig is geconstrueerd en bovendien geen keuze toelaat. Het is een voornamelijk exogeen bepaalde as en het punt van scenario’s is nu juist dat je je onzekerheden naar binnen haalt, dat je ze voor een deel endogeniseert. Dat had bij de technologie heel goed gekund, in het bijzonder door de technologie ofwel de kant van de ‘open source’ op te sturen, ofwel de kant van de intellectuele ‘eigendom’. Dat wil zeggen: de technologie weg te halen uit de sfeer van respectievelijk deling van taken en deling van arbeid zoals het CPB dat doet en het in het perspectief van eigendom en bezit te plaatsen. Zou je dat doen dan zou je iets kunnen bedenken over het lot van tal van organisaties die hun brood verdienen aan het beperken van toegang, aan tolheffing op de productie van ideeën dus, en de opkomst van organisaties die amper nog organisaties in de traditionele zin van het woord zijn (geen centrale coördinatie, geen synchrone samenwerking, en kapitaal aangetrokken door crowdsourcing – bijvoorbeeld). Copyright of copyleft, het maakt verschil. Achter het auteursrecht dat we kennen verschuilen zich eerder de belangen van de producent die van het werk van de auteur een boek maakt en de belangen van de distributie dan die van de auteur zelf. Het auteursrecht is beïnvloedbaar. Het staat nu nog model voor de organisatie en exploitatie van ideeën, niet voor de creatie ervan. In deze sfeer (het gaat natuurlijk niet alleen om boeken maar om elk product van ideeën die steeds meer eerst worden gedeeld voordat ze worden toegeëigend, in plaats van in de traditionele en omgekeerde volgorde) beweegt zich de toekomst van de digitale technologie. Je kunt er beleid op maken.

Nu gaat het niet alleen om auteursrecht. De generieke naam hier is informatierecht en dat is veel breder, want het gaat van informatie over de wereld tot en met informatie over jou. Splits dat en dan zouden het nog eens mooie scenario’s kunnen worden! Hele werelden openen zich, niet alleen de stad, maar stad en land allebei. Zet op de ene as de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (sterk/zwak) af, en op de andere as eigendom van informatie (open/opgesloten). Dan wordt het ongeveer zo:

 
Privacy hoog
 
4. Arcadia
 
3. Utopia
Informatie onbeschermd
 
Informatie beschermd
2. Atopia
 
1. Dystopia
 
Privacy laag
 

Als je de scenario’s een beetje trendmatig leest dan hebben we van 1 tot en met 4 een wereld van afnemende waarschijnlijkheden. We zitten deels in 1 (voor het grote werk) en 2 (de ‘sociale media’), 3 is de droom van gisteren, 4 is de droom (of de schrik) van ooit en van overmorgen. Maar goed, als we het met trends afkunnen hebben we de scenario’s amper nodig. Daarom, geen trends, wel scenario’s? Dat is het aardige, de trends kies je niet echt, de scenario’s wel. De eerste keus is niet tussen de scenario’s maar tussen trends of scenario’s. Pas dan en daarna is er echt iets te kiezen. Natuurlijk, het doet niets aan de onzekerheden, dus aan het motief om scenario’s op te stellen. Het doet iets heel anders. Het doet iets aan dingen waaraan je iets kunt doen, in politiek opzicht in elk geval. Je kunt besluiten de persoonlijke levenssfeer beter te beschermen en je kunt besluiten informatierechten meer of minder exclusief te houden. Bovendien, het licht (zodra je de poging waagt de scenario’s te betrekken op individuen, groepen en organisaties in de maatschappij) de plekken op waar informatierechten en bescherming van de persoonlijke levenssfeer ongelijk verdeeld zijn – en het stelt je daarmee de vraag of je het daarbij wilt laten. Daar komt nog wat bij want dan wordt het pas spannend.  De scenario’s zijn ten opzichte van elkaar amper neutraal zijn, het zijn werelden op zich die meer of minder corresponderen met wat mensen en groepen ervan vinden en met wat mensen en groepen van elkaar vinden. Dynamiek, dus. Geen luxe.

Je kunt het natuurlijk ook gewoon direct de opgave van de politiek noemen. En is het niet de politiek die de opdrachten aan het CPB verstrekt?

8 maart

=0=

 


Bekeuring

Ons land wordt met een zorgwekkende regelmaat op de vingers getikt door internationale rechtbanken. We maken er een rommeltje van op het terrein van migratierecht, asielrecht en meer in het algemeen vreemdelingenrecht. Griezels als Nawijn en Verdonk waren slechts geïnteresseerd in repressie en het roeren van de populistische trom. Vandaag zijn het Leers en Teeven die elke terechtwijzing opvatten als een alibi voor een hoger beroep, voor een wetswijziging die het nog erger zal maken en voor ontkenning. Vrijheid is het feest van het verbieden aan het worden ook als vooraf bekend is dat een verbod ingaat tegen internationale afspraken, verdragen en wetten. Je zou bijna denken: juist als het vooraf bekend is. Ook internationale molens malen langzaam, in de tussentijd kun je goede sier maken met je rancune, en de tussentijd breekt steeds opnieuw aan. Regel niet goed? Dan een nieuwe regel. We leggen ons neer bij een uitspraak door een nog slechtere regel in elkaar te zetten. Bij default wordt zo het belang van de Eerste Kamer aangetoond. Opmerkelijk is dat het in de verkiezingen geen enkele rol speelde. Dat zegt iets over de partijen; laten we hopen dat de aanstaande senatoren hun taak wel serieus opvatten.

Dat Fred Teeven zijn positie dankt aan zijn minachting voor het recht en zijn vertrouwen in de wet – zeker als hij ze zelf mag opmaken – was bekend. Het is spannend of er bij VVD en CDA nog parlementariërs zitten die het niet pikken dat een staatssecretaris van justitie de rechtbank verwijt wat het OM heeft besloten: het verlof van een TBS-er. De Raad voor de Rechtspraak heeft al laten weten dat de staatssecretaris zijn vergissing moet erkennen. Geen overbodige luxe in een tijd dat de PVV de rechtspraak als zodanig aan het politiseren is, daarin nu gesteund door een VVD staatssecretaris. De man zelf peinst er niet over. Hij had het er niet over, hij had het er meer in het algemeen over. Dat is precies het punt. Niet dat de man liegt, hoewel ook dat erg is, niet dat de man de feiten en z’n eigen OM niet kent, hoewel ook dat erg is, maar dat zijn verweer oproept tot een verdere politisering van de rechtspraak, daar zit de pijn.

Ik denk dat de regeringsfracties er hun mond over zullen houden.

7 maart

=0=

 


Vloek

Als je met alles rekening moet houden gebeurt er nooit wat. Met alles rekening houden sluit, al dan niet voorspelde, bedoelde én onbedoelde effecten in. Het neemt de vorm van een totaalplan aan waar niets aan de aandacht is ontsnapt. Er is geen ontsnapping. Het andere extreem is uiteraard dat je, behalve met je eigen belangen, met niets of niemand rekening houdt. Jullie ruimen de rommel wel op, toch? Voor de goede sier voeg je er de zoete libertaire droom van de maximale vrijheid voor allen aan toe. Of niet, naar smaak.

De meeste plannen en ondernemingen liggen ergens tussen de twee extremen in. Waar precies ze zich zouden moeten bevinden is een kwestie die iedereen aangaat en die daarom door de politiek wordt geclaimd. Dat alles kan maar niet alles tegelijk is in dit verband geen probleem maar een voorwaarde voor een oplossing. Neem de tijd – je zult wel moeten – en je ziet wat je teweeg hebt gebracht. En wat je dus, waar en zo nodig, kunt compenseren. Met uiteraard het risico van overcompensatie enzovoorts. De wereld als thermostaat. We regelen de temperatuur niet, we regelen bij en als we de tijd zouden hebben komt het evenwicht misschien ooit in beeld. We hebben de tijd niet.

Dingen kun je waarnemen, je kunt er regelmaat, frequentie en periodiciteit van vaststellen, je kunt er zelfs wat van leren. Aan de andere kant, omdat elke waarneming en elke classificatie niet alleen is wat het is maar ook en onvermijdelijk door wat het is intervenieert in het geziene en beschrevene (elke descriptie is ook een inscriptie), is het spel nooit uitgespeeld. Het begint steeds opnieuw, en sleept z’n eigen interventies mee. De meter slaat altijd een beetje en soms een beetje erg uit. Omdat het een meter is. Ook daar komen we achter. Later. Vertekeningen en overdrijvingen zijn geen toevoegingen die we ook achterwege hadden kunnen laten. Ze horen erbij, anders had de lieve heer ons wel met een foutloze waarneming en een feilloze pen uitgerust.

Zulke banaliteiten zijn behulpzaam bij het tegengaan van elke claim op onbevangen weten en waarheid. Wat we weten over wat dan ook, dat zouden we nu zo langzamerhand in elk geval moeten weten. Het opmerkelijke is dat het zo niet werkt. Ik lees gisteren in de Wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad een artikel over ‘de vloek van het winnende bod’. De strekking ervan is dat de mensen liever afwijkend dan gewoon nieuws hebben en dat onderzoekers ook mensen zijn. Meer nog, de tijdschriften waarin ze publiceren houden ook van de overdrijving die de aandacht trekt – ook al zijn de opzienbarende resultaten van het winnende bod bij nader inzien zo opzienbarend niet. Het afwijkende is soms een troef, niet omdat het betrouwbaar is maar omdat het afwijkend is. In de afwijking zit de winst. En de kans dat je op je eigen woorden terug moet komen. Later, als de vloek je te grazen neemt. Al is de afwijking nog zo snel, de vloek achterhaalt hem wel. Wie weet had je fout waargenomen, gelezen, geïnterpreteerd, beschreven. Wie weet, inderdaad. Nou, wat we weten is dat je het feestje van de afwijking moet hebben gehad voordat je het kunt verstoren. Mensen die beweren dat er niets te vieren is worden niet gepubliceerd. Of later, misschien. De echoput van de media gaat aan de onderzoeksmedia niet voorbij en een tijdschrift moet ook leven. Waarom zou het bij onderzoekstijdschriften voor onderzoekers anders gaan dan in het echte leven voor echte mensen?

Doet het er wat toe? Ja, zeker doet het er toe. Ik raak bijvoorbeeld erg ongerust als ik Robbert Dijkgraaf geciteerd zie met deze absolute dooddoener: ‘Kronkelpaden en miskleunen horen erbij – als je maar de onzekerheden en foutenmarges aangeeft’. Er mag een vlekje opzitten maar onbevangen, dat zijn we. Met de complimenten van de president van de KNAW.

6 maart

=0=

 


Verzekerd

Naar men zegt is er een pensioenakkoord in de maak. Over wat het inhoudt koester ik weinig illusies. De FNV is al om in de kwestie van de AOW leeftijd en de FNV is al om in de kwestie van de koppeling van de aanvullende pensioenleeftijd en de AOW leeftijd. Daar werden vorig jaar nog grote woorden aan gewijd, nu zijn het eenvoudige uitgangspunten geworden waar niet meer aan getornd wordt. Moeilijk wordt de uitwerking pas en welk akkoord er ook wordt gesloten, er zullen onbedoelde effecten optreden. Dat komt door het ‘flexibiliseren’ van de AOW en dat komt door de strakke koppeling tussen aanvullend pensioen en AOW. Zelfgegenereerde complexiteit, met dank aan de flexibele FNV.
Op de site van de vakcentrale lees ik het volgende: “ ‘We zijn een heel eind op streek met de uitwerking van het Pensioenakkoord, maar we zijn er nog niet’, aldus FNV-onderhandelaar Peter Gortzak. Er wordt heel wat afgespeculeerd in de pers. De percentages en breekpunten vliegen je om de oren. Gortzak: ‘Het voert te ver om op al die punten in te gaan. Maar wees ervan verzekerd dat wij alles op alles zetten om een zo goed mogelijke oplossing te vinden voor een toekomstbestendig pensioenstelsel  voor jong en oud.’ Eén ding is zeker: de FNV wil dat minister Kamp een behoorlijke verhoging van de AOW regelt vóórdat de FNV bereid is een akkoord te tekenen.”
Het zal allemaal wel weer goed bedoeld zijn maar de woorden hadden niet ongelukkiger gekozen kunnen worden. ‘Wees ervan verzekerd’. Dat is nu het enige waarvan we steeds minder zeker zijn. ‘Dat wij’. Welke wij? Niet de verzekerden. De FNV doet het zonder hen, zij zullen wel merken wat er uitkomt. ‘Een zo goed mogelijke’. Waarom niet gewoon ‘een goede’? ‘Toekomstbestendig pensioenstelsel’. Sinds de liberalisering van de financiële economie is toekomstbestendig een hoon geworden aan welke bestendigheid dan ook. De adoptie van die term – een kooswoordje van Balkenende – is omineus.
De FNV klopt zich op de borst voor zaken die de hare niet zijn (de hoogte en de als ‘flexibilisering’ verkochte verkruimeling van de AOW) en zwijgt over de zaken die wel de hare zijn: de aanvullende pensioenen. De FNV neemt d’r leden niet serieus. De vakcentrale onderhandelt over een bord linzen. De vakcentrale had over rechten moeten onderhandelen. Het verschil tussen rechten en linzen: het zal de FNV worst wezen.

De prijs van linzen wordt op de wereldmarkt bepaald. Mooi, de wereldmarkt is uiterst toekomstbestendig. Wispelturig ook. Dat is goed nieuws voor speculanten en andere bedenkers van financiële ‘producten’. Gelukkig maar dat de FNV zo d’r best doet.

5 maart

=0=

 


Eigenlijk

Voor zover in de economische wetenschap mensen een rol spelen zijn ze niet meer dan een buik en een calculator. Hun buik vertelt ze wat ze nodig hebben, hun calculator berekent of het een onsje meer of een onsje minder moet zijn. De buik kan onduidelijke en ook wel verkeerde signalen afgeven en de calculator heeft standaard gebrek aan rekencapaciteit. Hij kan ook gewoon kapot zijn maar daar wordt niet echt rekening mee gehouden. Daar komt bij dat de commercie handig inspeelt op de noden van de buik. De commercie vertaalt noden in behoeften en dat kan mooi zijn voor de commercie en minder mooi voor de noden. Bovendien, als de nood hoog is dan moet je. Als je moet dan moet je, Van Kooten en De Bie zeiden het al. Zelfs als je calculator iets anders aangeeft.

Het is een wat armoedige conceptie van mensen, dat wel. Het meest ideaal zou nog de mens als buikspreker zijn, maar dan een echte, iemand die niet slechts met de buik maar ook namens de buik praat. Eigenlijk, bedoel ik. Denk er even over na en je komt tot de slotsom dat het hele woord ‘eigenlijk’ voor economen verboden zou moeten zijn. Hun mensen hebben geen ‘eigenlijk’. Hun buik kan hen meedelen dat genoeg genoeg is (het ‘afnemende marginale nut’), hun calculator kan hen meedelen dat ze, afhankelijk van hun inkomen, met volle buik nog wat geld over hebben gehouden (de ‘marginale neiging tot consumeren’) en meer is er niet. De economie is de wetenschap van de vermiste personen (ontleend aan Mary Douglas en Steven Ney, Missing Persons; A Critique of Personhood in the Social Sciences. Berkeley etc., University of California Press 1998).

Ik moest er aan denken bij het lezen van een interview met Henriëtte Prast, in De Groene van deze week (‘Alles ligt voor het grijpen’). Ze heeft zich kennelijk laten inspireren door Cass Sunstein (‘Nudge’), en diens duwtje in de goede richting. Het heet ‘keuzearchitectuur’, dat duwtje. Heerlijk woord, m’n buik knort ervan. Bijvoorbeeld (het voorbeeld is van Sunstein, niet van Prast) door in de kantine de gezonde dingen vooraan te plaatsen en de vettigheid zoveel mogelijk te verdonkeremanen. Het helpt. Noem het hulp bij behoeften en beeld je in dat je daarmee de noden beter bedient dan in het andere geval. Het is een soort voordringen, een actie waarmee je de buik informeert en de calculator de calculator laat. Geen informatiecampagnes dus, zegt mevrouw Prast want als het probleem de capaciteit van de calculator is (mensen zijn helemaal niet zo rationeel volgens Prast) compliceert zo’n campagne en dat schiet niet op. Het duwtje informeert veel beter (hoewel mevrouw Prast denkt dat een duwtje buiten de informatie valt). Je overbelast er de calculator niet mee en je houdt vast aan de fictie dat we allemaal een buik hebben die ons consumptiegedrag stuurt. En met minder ongelukken ook nog!

Ik kan best leven met dat duwtje. Niet met elk duwtje maar met de idee. Met mijn buik heeft het niets te maken en al helemaal niet met de suggestie dat ik het aan mevrouw Prast en de haren over kan laten te bepalen wat mijn buik ‘eigenlijk’ wil. Zij wil het maar al te graag (‘Ik zeg: help mensen te doen wat ze eigenlijk willen, maar waar ze om allerlei begrijpelijke redenen niet toe komen’). Wat mensen eigenlijk willen hangt af van wat mensen zijn. Zolang dat niet verder gaat dan hun buik en hun rekenmachientje zie ik er om allerlei begrijpelijke redenen graag van af.

4 maart

=0=

 


Bezit

Ik lees een boek over eigendomseconomie, een term geïntroduceerd door een tweetal auteurs (Heinsohn en Steiger) die er prat op gaan dat de gehele economische wetenschap niet heeft opgemerkt dat bezit en eigendom twee totaal verschillende begrippen zijn. En, zeggen zij, wie het verschil niet ziet begrijpt ook niks van economie. Nee maar! Van John Locke tot en met de moderne burger die er achter komt dat alles waar geen eigendomstitel voor is vastgelegd hem vroeger of later wordt ontvreemd (ook al had je eeuwenlang ongeschreven toegangs- en dus gebruiks- en dus bezitsrechten), die hebben allen het verschil tussen bezit en eigendom niet doorgehad. Je moet er maar opkomen dat, als je de woorden niet bezigt zoals de heren dat goeddunkt, je ook de zaken niet begrijpt. 

Ik was bij deze auteurs uitgekomen omdat Sloterdijk zijn talloze beweringen over economie in het bijzonder aan hen ontleent. Misschien begrijp ik nu Sloterdijk iets beter, of in elk geval begrijp ik beter wat ik nooit begreep bij Sloterdijk. Het lijkt wel kapitalisme, een mens volgt omwegen om de weg te vinden. De moeilijkheid is – ik wil het helemaal niet over eigendomseconomie hebben, ik wil het over eigendomspolitiek hebben – dat hoewel ik best weet dat mijn paspoort en mijn rijbewijs mijn eigendom niet zijn (ik bezit ze en dat geldt voor allen die over dergelijke documenten beschikken) ik aarzel over mijn stem. Is die stem, gisteren weer eens uitgebracht, een eigendomstitel of een bezitstitel? Ik geeft toe dat de vraagstelling flauw is want het antwoord is al te bekend. Niettemin, misschien zouden de inzichten van Heinsohn en Steiger eens met dit in het achterhoofd aan de man moeten worden gebracht.

Immers, bezit veronderstelt een verstandig gebruik indien de eigendom elders berust. Bij onverstandig gebruik kan de eigenaar optreden. Van het stembezitsrecht wordt slecht gebruik gemaakt. Vroeger was er nog stemplicht en dat was dan in elk geval nog wat. Toch, het slechtste gebruik dat je van je bezit kunt maken is het niet te gebruiken want als je het niet gebruikt droogt het op. Het lijkt de arbeidsmarkt wel, die plek waar ook zo slordig gebruik wordt gemaakt van de vele vaardigheden die de mensen hebben – en dat schrijven we dan niet toe aan de gebruiker, de werkgever dus, maar aan de bezitter ervan die we, omdat het om markttransacties gaat, als eigenaar aanduiden. Geen eigendomseconomie, wel eigendomsideologie. Ik dwaal af en toch ook weer niet: een bezitter kan een rentmeester zijn, een eigenaar is dat niet. Daarom, ik vermoed dat de meeste stemmers zich opvatten als de eigenaar van hun eigen stem, daarin ondersteund door partijen die elk recht als een eigendom opvatten.

Het is wat omslachtig allemaal maar de verliezers van de verkiezingen gisteren zijn de christelijke partijen, de partijen van het rentmeesterschap. Ze zijn veertig procent van hun zetels in de provinciale staten kwijt en zullen navenant zetels in de Eerste Kamer verliezen. Als de grootste verliezer onder hen, het CDA, toch aan het herbronnen slaat zouden ze eens moeten nadenken over die stem en wat het bezit van die stem betekent, niet in termen van eigendom maar in termen van rentmeesterschap.

3 maart

=0=

 


Ingewikkeld

Natuurlijk was ik weer zo stom om naar het verkiezingsdebat te kijken, gisteravond. Het was geen debat, zoals te verwachten. Dit keer zorgde de NOS er al in de opzet voor dat er niet gedebatteerd kon worden. Er zouden namelijk vragen van het publiek worden beantwoord en dan mochten de politici elkaar naar aanleiding van een antwoord nog een vliegje afvangen. Roemer en Rouvoet waren weer goed, Sap ook. Hermans komt er steeds beter in, Cohen is goed als hij met rustige mensen in gesprek kan (Hermans in dit geval) en anders raakt hij weer gespannen. Brinkman was pijnlijk om aan te zien en aan te horen, de Graaf bladdert snel af. Veel is het niet, alles bij elkaar, maar alle deelnemers waren beter dan de moderatoren waarvan Mingelen zich onderscheidde door het verhaspelen van de namen van de vragenstellers en Van der Heyde haar best deed niemand de ruimte te geven om iets anders te zeggen dan we al zo vaak hadden gehoord.

Nu wordt het ingewikkeld riep ze al tamelijk aan het begin van de uitzending. We gaan op een nieuwe vraag over. Dat zette de toon. Het was naar aanleiding van de eerste vraagsteller. Diens vraag ging over het natuurbeleid en was gericht aan Hermans. Die antwoordde voorspelbaar want 18 miljard is 18 miljard en dat is een getal dat heilig is. De vraagsteller was niet helemaal tevreden met het antwoord en werd wat specifieker. Toen greep Van der Heyde in. Te ingewikkeld. De moderatoren van de NOS zijn er ten diepste van overtuigd dat hun eigen beperktheid model staat voor de hele wereld. Het is beledigend. De vragenstellers hadden zich voorbereid, werden met een kluitje in het riet gestuurd en moesten het er maar mee doen.

Het hoogtepunt van de avond kwam op conto van Rouvoet. De lijsttrekkers van de regeringspartijen beweerden bij hoog en laag dat er nu moest worden ‘doorgepakt’ (het meest gebruikte woord van de avond) en dat niemand op Belgische toestanden zat te wachten. Rouvoet merkte op dat hij in Zeeuws-Vlaanderen nogal wat Belgen had ontmoet die hem vertelden dat ze er niet wakker van lagen, van dat kabinet dat er maar niet wou komen. Rouvoet voegde eraan toe dat hij regelmatig wakker lag van het kabinet dat er bij ons wel was gekomen.

Hij zei nog net niet dat het zelden zo goed met de economie gaat als er even geen regering is. Ook Rouvoet blijft politicus en dan moet je je eigen vak niet al te zeer relativeren. Maar dat hij in de buurt kwam was meegenomen.

En nee, het interview met Rutte bij Nieuwsuur zal de zaak van het kabinet niet verbeterd hebben. Rutte blijft beleefd en bedaard, maar het wordt sleets allemaal. En zijn antwoorden op de vragen naar de vluchtelingenproblematiek aan de grens van Libië en Tunesië waren pijnlijk. Ze zoeken het maar uit, daarginds, en wij zijn bijzonder geïnteresseerd in wat er na komt, niet in wat er nu aan nood is. Opvang in de eigen regio is altijd het beste zei de premier. Wij willen ze niet. Een heldere boodschap, verpakt in vele woorden om het niet te direct te hoeven zeggen. Te durven zeggen. Dat was, met de vertoonde beelden van vele duizenden elkaar verdringende mensen op de vlucht nog op het netvlies, onterend.

2 maart

=0=

 


Vermoeid

Of de democratie vermoeid is? Martin Sommer vraagt het zich af in een aardige column. Vermoeid, en nog zo jong. Dat duidt op een zwakke constitutie.

Het heeft allemaal te maken met de provinciale statenverkiezingen die niemand op zichzelf interessant vindt en iedereen weer machtig interessant vindt omdat vanuit de staten de samenstelling van de Eerste Kamer wordt bepaald. Dat is een constructiefout en slecht voor de constitutie. Geen wonder dat je dan maar naar de stembus sloft, of te democratisch moe bent om zelfs dat nog te doen, en een rood potlood hanteert met een ander vertegenwoordigend orgaan voor ogen dan op het stembiljet staat. Dat is niet goed. Het Amerikaanse stelsel, ik noem maar wat, is veel beter. Bijvoorbeeld. Maar daar hebben ze het dan ook nooit over de ‘afschaffing’ van de senaat, terwijl het hier wemelt van de geleerden die vinden dat de Eerste Kamer best mag verdwijnen. Dat is Nederlandse politiek. Hoe slechter de Tweede Kamer het doet – en die Kamer doet het in elk geval niet goed – hoe luider de roep om de Eerste Kamer dan maar af te schaffen. Het is je ook wat. Neem je een krakkemikkige wet aan, een wet die meer te maken met hele en halve compromissen die elkaar cosmetisch nog net maar juridisch niet goed verdragen en dan komt er een Eerste Kamer die je voorhoudt dat je er weer niks van gebakken hebt! Dat kan natuurlijk niet. In de politiek is geen diploma nodig – er is nog een vrijplaats in ons land voor de ongediplomeerden – dus dan moet de Eerste Kamer niet doen alsof je het wel nodig zou hebben door je steeds weer terug te sturen omdat het over moet.

Bij Martin Sommer lees ik dat de liefhebbers van directe democratie niet meer bij D66 te vinden zijn maar bij de PVV en de SP. Het zegt veel over D66. Misschien kunnen ze hun kroonjuwelen een beetje aanpassen? Door een voorstel in te dienen om de samenstelling van de Eerste Kamer los te koppelen van de statenverkiezingen en er gewoon voor te zorgen dat je als je voor de Tweede Kamer kiest je ook een tweede stem uitbrengt om een deel van de leden van de Eerste Kamer te verversen? Dat kan zo moeilijk toch niet zijn?  

Nee, geen vermoeide democratie. Wel een onaffe; een vertegenwoordigende democratie op krukken.

1 maart

=0=