Schapen kijken - foto Bel Any


DAGBOEKHOUDER


Aantekeningen van een ongeduldige toeschouwer

Ton Korver Amsterdam/Den Haag 2011

Ga naar Archief:
2007–2008–2009–2010-2011



Juni

In Nederland

Dissident

Apen

Een schrale troost

Revanchisme

Naarmate

Liever ogen en oren

Samenstelling

Intellectuelen

Tja

IBB

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet

Oude tijden

Doe het zelf

Hoeveel?

Vuurtje

Losse eindjes

Hybride

Emanciperen

Eerste viool

Afserveren

Straffer

Vervloekt

Schreeuw

Handen


Mei

Prioriteiten

Met man en macht

Aanbieding

Hoffelijkheid

Poster

Symbool

Detail

Democratie van het verleden

Backlash

Rollenspel

Brady

Economische onzin

Faseren

Opvang

Kieskring

Winnaars

En passant

Afgedwongen

Splijtstof

Kanker

Onverdoofd


 

 


Maxima Moralia
 
Dat had ook de titel kunnen zijn van dit bundeltje aantekeningen. Maar ik wil niet overdrijven. Zo dicht op de huid zitten me de sketches hieronder nu ook weer niet. Ze gaan over dingen die me bezighouden en waar soms de handen van jeuken. Dat is nog niet hetzelfde als het ‘verzonken in ervaring’ dat de Minima Moralia van Adorno als keurmerk heeft. Je moet afstand weten te bewaren. Dat geldt voor de politiek – die karakterlozer wordt met elke nieuwe stap om vooral dicht bij de burger te blijven – en het geldt voor mij.

Niettemin, het kan altijd beter. En dat is een tweede verschil tussen mij en het inspirerende voorbeeld van Adorno. Er is geen goed leven in het slechte is een dictum dat nog uitgaat van een herkenbaar onderscheid tussen goed en kwaad. Daaruit vloeit het oordeel voort. Inmiddels twijfelen we ook daaraan. Dat is geen reden tot wanhoop. Eerder het omgekeerde. Twijfel is, met de gave ons te kunnen vergissen, de opmaat voor schaven en beschaven. Dat wordt makkelijk vergeten, en hoe drukker we het hebben hoe makkelijker. Ik ben aan diezelfde drukte gebonden. Vandaar het ongeduld, gekoppeld aan de afstand die ik met de woorden ‘aantekeningen’ en ‘toeschouwer’ verbind en het voorbijgaande dat meeklinkt in de titel waar ik uiteindelijk voor heb gekozen: dagboekhouder.

 


FiB
tijdschrift Filosofie in Bedrijf

Archief

Dagboekhouder 21
maart - april 2011

Dagboekhouder 20
januari - februari 2011

Dagboekhouder 19
november - december 2010

Dagboekhouder 18
september - oktober 2010

Dagboekhouder 17
juli - augustus 2010

Dagboekhouder 16
mei - juni 2010

Dagboekhouder 15
maart - april 2010

Dagboekhouder 14
januari - februari 2010

Dagboekhouder 13
november - december 2009

Dagboekhouder 12
september - oktober 2009

Dagboekhouder 11
juli - augustus 2009

Dagboekhouder 10
mei - juni 2009

Dagboekhouder 9
maart - april 2009

Dagboekhouder 8
januari - februari 2009

Dagboekhouder 7
november - december 2008

Dagboekhouder 6
augustus - oktober 2008

Dagboekhouder 5
april - juli 2008

Dagboekhouder 4
januari - maart 2008

Dagboekhouder 3
augustus - december 2007

Dagboekhouder 2
mei - juli 2007

Dagboekhouder 1
januari - april 2007

 

In Nederland

Er zijn maar weinig gelovige hoogleraren in ons land. Ongeveer één op de zes noemt zich ‘theïst’. Bij elkaar ruim vier op de zes noemt zich agnost (28% van het totaal) of atheïst (44%). Het aandeel ietsisten is verwaarloosbaar. Dat is aardig want op het geheel van de Nederlandse bevolking is het aandeel ietsisten het grootste contingent (ruim één op de drie) en dat is meer dan theïst (een kwart ongeveer) en agnost (ook ongeveer een kwart), en veel meer dan atheïst (één op zeven noemt zich atheïst). Grappig is de verdeling onder disciplines. Biologen zijn zeer van het atheïsme, historici houden zich voor agnost en de theïsten hebben hun intrek genomen in de filosofie en de theologie. De van de gemiddelde score voor hoogleraren minst afwijkende discipline is de geneeskunde. Jammer is dat de economen niet als afzonderlijke discipline te vinden zijn. Gewoon, nieuwsgierigheid.

Hoogleraren zijn behoorlijk overtuigd van hun levensbeschouwing. Bijna de helft is er erg zeker van, en een derde gewoon zeker. Slechts één op de vijfentwintig twijfelt wel eens. Dat zullen die ietsisten wel weer zijn – maar dat staat er niet bij, in het rapport dat Forum C over de kwestie uitbracht. Overigens vermoed ik dat elke twaalfde hoogleraar die van mening is dat theïsme en wetenschap ‘volledig in harmonie met elkaar zijn’ er de allersterkste overtuiging op nahoudt.  

Het aardige is niet zozeer dat de hoogleraren zo verschillen van hun collega’s in bijvoorbeeld de VS maar dat de bevolkingen verschillen. Bij ons zijn de ietsisten de grootste club en dat vinden we in de VS niet. Daar is het gros van de bevolking (meer dan zes op tien) theïst. In Nederland is daarom de hoogleraar niet te herkennen aan diens atheïst of agnost zijn maar aan diens afstand tot het ietsisme.

Jammer dat het rapportje van Forum C daar nou net niet op ingaat. Het wordt geconstateerd en met rust gelaten. Ik had er meer van willen weten, van dat ietsisme van de bevolking  en het nietsisme van de hoogleraar. Ik ga er niet over maar ik zou zo een vervolgonderzoeksvoorstel kunnen bedenken.

30 juni

=0=

 


Dissident

Het heeft even geduurd maar eindelijk is de echte liberaal in de VVD opgestaan. Het is René Leegte (Kies VVD, Stem Leegte. Hij is op plaats 32 de Kamer in gekomen). Hij is van mening dat het KNMI te eenzijdig de IPCC klimaatlobby steunt, partijdig is en dus gestraft moet worden. Ik zal het uitleggen zegt de man, en hij doet het nog ook! Het klimaat, zo is zijn stelling, is een complex systeem vol met complexe processen. Daar begint mijn probleem. Als het een systeem is, waar en wat is dan de omgeving van dat systeem? Ik zoek een omschrijving en vind dat het een systeem is bestaande uit verschillende systemen (‘het gekoppelde atmosfeer/oceaan/landsysteem, inclusief fysische, chemische en biologische processen’. De omschrijving is van Gerbrand Komen, die, vorige week, sprak op een KNAW seminar over het nut en onnut van wetenschappelijke modellen). En ik begrijp dat het een ‘open, complex en niet-lineair’ systeem is. Dat helpt niet erg. De systemen beïnvloeden elkaar over en weer, maar wat de omgeving van het klimaatsysteem is: het staat er niet bij en het lijkt me ook zoeken in een zwart gat.

Een complex systeem met complexe processen. Dat is  al snel te veel van het goede en dus moet er gemodelleerd worden. We praten over de eigenschappen en effecten van systemen aan de hand van modellen. Daar kun je van alles mee doen, zegt Komen, tot en met de voorbereiding van beleid aan toe. Uiteindelijk vervangen modellen de beleidsbeslissingen natuurlijk niet. Wat je beslist hangt, bijvoorbeeld, af van je risicotaxatie en je risicohouding. Het zal ook wel afhangen van allerlei belangen maar Komen is te beleefd om dat te noemen. Verder dan het wijzen op de ‘subjectieve’ component in je risicowereldbeeld komt een beetje wetenschapper niet. Geen belangen, die zijn voor politici en andere echte mensen. De modelleegte van de echte beslissing wordt opgevuld door René Leegte.

Zo kun je met behulp van modellen een poging wagen de waarnemingen die je toch al deed wat aan te scherpen en je kunt proberen, door simulaties bijvoorbeeld, de uitkomsten van je waarnemingen toe te rekenen aan factoren en processen. Neem de uitstoot van kooldioxide, het deeltje wat wij daar zelf aan hebben toegevoegd en de gevolgen voor de opwarming van de aarde. Leegte vindt dat eenzijdig want, zo redeneert hij, als je je alleen concentreert op wat de industrie voor gevolgen heeft voor ons milieu dan ben je al gauw bezig de industrie de schuld te geven van alle problemen op aarde. Er is niemand die dat zegt, behalve Leegte zelf, maar voor hem is het voldoende om het KNMI van partijdigheid te beschuldigen. Het is maar een model en niet het echte klimaat (ik bedoel uiteraard het ‘klimaatsysteem’) en er zijn nog wel meer dingen dan alleen die door ons toegevoegde uitstoot van kooldioxide. Zegt Leegte. Het KNMI moet gewoon eens ophouden dat telkens weer te benadrukken. En omdat het KNMI even eigenwijs is als de IPCC moet het worden gestraft. Geen publiek geld meer voor het KNMI.

Ik vraag me af waar mevrouw Neppérus gebleven is (was het niet haar speeltje?) maar het gaat me om iets anders. Ik ben heel verheugd over de leegte van Leegte. Ik wacht zijn voorstel in over het privatiseren van het CPB. Kijk, dat over die klimaatmodellen, dat heeft hij gewoon niet begrepen dus dat waait wel over. Voor bezuinigen heeft dit kabinet geen enkele redenering of reden nodig en het type eenzijdigheid dat daar heerst heeft de volledige instemming van Leegte. Wat de politiek mag mogen de modellenbouwers niet, daar gaat het hem om. Nu, de modellenbouwers van het CPB kennen – en daar wijken ze toch echt af van het KNMI, beste René – inderdaad slechts één echte, bepalende, beslissende, factor en daar leiden ze alles uit af. Die factor noemen ze schaarste en met schaarste moet je verstandig omgaan. Daar hebben ze modellen voor. Nu is het verschil tussen schaarste en het klimaat aanzienlijk. Het klimaat is lastig te definiëren maar het is er wel. Dat kun je van schaarste niet zeggen want schaarste is niks. Het is geen toestand, geen stand van zaken, het is niet meer dan een perspectief op zaken, een manier van kijken en beschrijven dus en: een mooie aanleiding om te modelleren. Behalve in de economie zul je nergens zoveel eenzijdigheid aantreffen.

Leegte heeft het foute voorbeeld gekozen. Het zij hem vergeven. Ik hoop dat hij terugkeert op de dwaling zijns wegen en zijn pijlen gaat richten op het CPB. Dan, pas dan, zou de VVD weer eens een echte dissident in de gelederen hebben. Ik gun het ze. Het zou een grote leegte opvullen.

29 juni

=0=

 


Apen

In Spreuken 6 lezen we de volgende vermanende oproep: ‘Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs’. De spreuk werd een keer gebruikt in het stripverhaal van Schulz, Peanuts. Het meisje dat de spreuk ter harte neemt, en het uit gaat zoeken, is er niet veel wijzer van geworden. Ze zegt: ‘Heb ik gedaan. De mieren hebben het antwoord ook niet.’ Kijk, daar hebben we wat aan. Als je van de studie van de wegen van de mier niet alles kunt opsteken wat nodig is, nou, vraag het ze dan! Het levert evenmin wat op maar je hebt het in elk geval geprobeerd.

Een wetenschappelijke attitude. Resulteert niet in het antwoord dat alle overige antwoorden overbodig maakt en toch kun je beweren dat je de vraag volgens de regels der kunst hebt bewerkt. Anderen kunnen dat ook en zo kom je verder maar niet bij het definitieve bewijs. Je kunt het de mieren niet vragen en als het wel zou kunnen zou de ene mier er weer heel anders in staan dan de andere. Dat is de les der bescheidenheid. Wat we weten is slechts zo lang houdbaar tot we het anders weten en dan begint het weer van voren af aan. De wetenschap is geen rechtbank waar men bewijzen niet gebruikt om ze steeds opnieuw ter discussie te stellen en te onderzoeken, maar om er een besluit (schuldig/onschuldig, toelaatbaar/ontoelaatbaar, waar/onwaar) op te baseren. Wie de wetenschap voor het gerecht daagt is alleen al daarom een obscurantist, altijd bereid om, zeg, de onderwijzer die de evolutietheorie in de schoolklas uitlegt, te beschuldigen van eenzijdigheid en valse voorlichting. En een verbod op die dwaalleer te eisen. We kennen het geval. Er was die beroemde rechtszaak in de VS, al in 1925: het ‘apenproces’. En ook daarna, tot en met de dag van vandaag, is het onrustig gebleven op dat front. Obscurantisme, creationisme en ‘intelligent ontwerp’, het is dief en diefjesmaat.

Ik zou denken dat als gelovigen de rechtbank willen inschakelen om te beslissen over wat wetenschappelijk geldige kennis is ze twee dingen tegelijk bewijzen. Het eerste is een volstrekte miskenning van de aard van wetenschappelijke kennis. Het tweede is hun minachting ervoor. Hen gaat het niet om kennis, het gaat hen om het grote Gelijk dat altijd weer wordt bedreigd door de heidenen.

CDA, SGP en CU vragen om uitstel van de stemming over het verbod op onverdoofd slachten. Ze willen dat eerst de rechter zich uitspreekt, naar aanleiding van een aangespannen kort geding tegen een onderzoek van de universiteit Wageningen. De rechter moet iets zeggen over ‘herkomst en waarde’ van het onderzoek. Curieus. Als je fraude vermoedt, heb dan de moed dat te zeggen want daar kan een rechter iets mee. Voor het overige is het het terrein van de rechter helemaal niet. Willen deze partijen dat als de rechter wordt geconfronteerd met verschillende adviezen over de waarde van het onderzoek en de bewijskracht van de uitkomsten ervan (en dat is te verwachten) er een beslissing wordt genomen over wat het beste wetenschappelijke advies is? Waarom dan niet gelijk een religieuze rechtbank ingeschakeld?

We hebben al een politicus die de waarheid in pacht heeft en daarvoor in de rechtbank tal van deskundigen had opgeroepen om zijn stelling te bevestigen dat de islam verderf is. Het werd nog toegestaan ook, zij het een onsje minder dan de missionaris had gewenst. Naar nu blijkt staat hij niet alleen. De SGP vertrouw ik de compliciteit met zulke waanzin wel toe en het CDA, zoals bekend, doet alles voor een bord linzen. Maar dat de afbraak van de CU zo snel zou gaan – nee dat had ik niet verwacht.

Het kan altijd nog erger dus laten we de moed erin houden.

28 juni

=0=

 


Een schrale troost


In Trouw wordt ingegaan op een stuk dat Amartya Sen in The Guardian publiceerde. De krant haalt er de zorgen van Sen uit over het democratisch tekort als gevolg van de vrijwillige uitlevering van de EU aan de financiële sector. De krant vergeet een centrale passage in het stuk op te nemen. Die passage neem ik hier over. Sen schrijft:
‘It is no consolation for me to recollect that I was firmly opposed to the euro, despite being very strongly in favour of European unity. My worry about the euro was partly connected with each country giving up the freedom of monetary policy and of exchange rate adjustments, which have greatly helped countries in difficulty in the past, and prevented the necessity of massive destabilisation of human lives in frantic efforts to stabilise the financial markets. That monetary freedom could be given up when there is also political and fiscal integration (as the states in the US have), but the halfway house of the eurozone has been a recipe for disaster. The wonderful political idea of a united democratic Europe has been made to incorporate a precarious programme of incoherent financial amalgamation.’
Met de invoering van de euro heeft de EU slechts het halve werk gedaan en het is slecht werk gebleken. Het is een ‘recept voor een ramp’ en al doende zijn de vooruitzichten op een democratische Europese Unie verkwanseld. Europa wordt eerder geregeerd door kredietbeoordelaars – dezelfde die voor een belangrijk deel verantwoordelijk zijn voor de financiële misère waar we nu in zitten – dan door haar eigen instellingen. De remedie? De eerste stap naar een oplossing is dat instellingen als de ECB, de Europese Commissie, de regeringen van de lidstaten hun fundamentele aversie uitspreken tegen de kredietbeoordelaars en de beoordeling voortaan overlaten aan een instelling die ter verantwoording kan worden geroepen. Uiteraard, het doel moet zijn verdere politieke en fiscale integratie (zoals al zo vaak is gezegd, al voor de invoering van de euro en zoals al zo vaak is genegeerd door politici, regeringen en centrale banken). Maar de eerste stap is het de deur wijzen van de private kredietbeoordelaars. Het is van een grote treurnis dat in de Nederlandse politiek de funeste rol van die instellingen blijkbaar zo weinig indruk heeft gemaakt dat er als regel geen woord aan vuil wordt gemaakt.
Dat hij gelijk heeft gekregen, zegt Sen, is geen troost. Niet eens een schrale.

27 juni

=0=

 


Revanchisme

De wijsheid komt al lang niet meer uit het oosten. De wijsheid komt uit het zuiden, in het bijzonder: uit Vlaanderen. Nog meer in het bijzonder: uit Leuven. Ik heb het over een interview met Paul De Grauwe (NRC Handelsblad van 24 juni).

De vraag is, zegt De Grauwe, hoe het kan dat Spanje er slechter voorstaat dan Engeland, terwijl de Engelsen een grotere staatsschuld en een groter begrotingstekort hebben dan de Spanjaarden. Ook de banken in Spanje waren aan het begin van de crisis gezond (net als de banken in Portugal en zelfs Griekenland). Kerngezond zelfs, zegt De Grauwe. Ook dat kon je van de Engelsen niet zeggen. Van ons ook niet overigens. En van de Amerikanen al helemaal niet, maar het leuke van het voorbeeld Engeland is natuurlijk dat het land wel lid is van de EU maar de euro aan zich voorbij heeft laten gaan. En om dat laatste gaat het. Dat is de stelling van De Grauwe. En hij licht de stelling kernachtig toe.  

Dus, hoe kan het dat een land dat er beter voorstaat dan een ander land er korte tijd later veel slechter voorstaat? Wat hebben de Engelsen dat de Spanjaarden niet hebben en omgekeerd, wat hebben de Spanjaarden dat de Engelsen niet hebben? Nu, de Spanjaarden hebben het pond niet en de Engelsen hebben de euro niet. De Engelsen kunnen het pond inzetten om hun problemen het hoofd te bieden, de Spanjaarden kunnen de euro daar niet voor gebruiken want ze gaan er niet over. Gaat het goed in Spanje dan stromen de euro’s toe. Gaat het minder, dan stromen de euro’s weg en waar de Engelsen het pond met het pond kunnen besturen kunnen de Spanjaarden dat niet met de euro. En als de Spanjaarden geen euro’s meer hebben moeten ze lenen en dat is duur en hoe minder ze hebben hoe duurder het wordt. Dan, op gezag van de EU en het IMF en volgens bekend recept van het IMF, krimpt de economie omdat het toch ergens vandaan moet komen en dan roepen wij dat ze toch eens moeten leren de tering naar de nering te zetten. Minder nering, dan minder tering. De broekriem en omdat de rijken veel minder broekriemen dragen dan de minder bedeelden moeten de minder bedeelden het gelag betalen. Logisch. En omgekeerd, in landen als Duitsland (en op het achterzitje Nederland) mogen de uit Spanje gevluchte euro’s graag neerstrijken. Is dat niet aardig? Dan daalt de rente op onze obligaties, de waarde ervan stijgt en het omgekeerde vindt plaats in Spanje. Even niet aan gedacht bij de constructie van de euro. Dan zijn er, achterom kijkend,  twee mogelijkheden: of Zalm wist het toen ook niet en dan hij is nu ongeschikt als bankdirecteur, of Zalm wist het wel en dan hij is met afstand de slechtste minister van financiën geweest die we ooit hadden. Beide is ook mogelijk. Wat we weten is dat Zalm en de Kamer het destijds vooral te kwaad hadden met de moraal van de Italianen, niet met de constructie van de munt en al evenmin met de constructie van de politieke structuur die je daarvoor nodig hebt.

Nederland en Duitsland ‘overdrijven de schuldvraag kolossaal’, zegt De Grauwe. Dat kennen we: de moraal inzetten als het verstand het laat afweten. Een aardig systeem, alles bij elkaar, met als klein defect dat het, aldus De Grauwe, gebaseerd is op ‘revanchisme’. We boeken de kosten van de krakkemikkige constructie die wij de euro noemen af op de landen die daar door de financiële sector geschikt voor worden bevonden en de politici lopen er achteraan.

Kan het anders? Daar zit de pijn. De Grauwe weet wel hoe het anders moet (de EU als serieuze politieke unie, een unie die risico’s poolt in plaats van overlaat aan financiële belangen, een unie met als symbool de euro-obligaties) maar niet of het ook anders kan. Daar gaan politici over – en zolang die zich laten leiden door de waan van de dag, door financiële markten, door het kortzichtige eigenbelang, en door economen die in elk geval in ons land nog altijd de moraal aanroepen wanneer en omdat ze er met hun verstand niet uitkomen, zolang wordt het niks.

De Grieken moeten ons vertrouwen verdienen – onze minister van financiën. Met ons is niks mis, met de euro is niks mis, met de EU is niks mis. Als zij zich ten minste een beetje weten te gedragen. Die De Grauwe maakt het veel te moeilijk. Was hij al niet eens adviseur van Verhofstadt? Nou dan.  

26 juni

=0=

 


Naarmate

Naarmate het debat heviger is, komt aan de vrijheid van meningsuiting meer ruimte toe.
Naarmate de concurrentie heviger is, komt aan de vrijheid van procederen meer ruimte toe.
Naarmate het voetbal heviger is, komt aan de vrijheid van spelverruwing meer ruimte toe.
Naarmate de terreur heviger is, komt aan de vrijheid van terreurbestrijding meer ruimte toe.
Naarmate het onrechtvaardigheidgevoel heviger is, komt aan de vrijheid het recht te politiseren meer ruimte toe.
Naarmate het cultuurongenoegen heviger is, komt aan de vrijheid de cultuur op te eisen meer ruimte toe.
Naarmate het vijandsbeeld heviger is, komt aan de vrijheid van meningsuiting meer ruimte toe.
Naarmate de oprisping heviger is, komt aan de vrijheid van meningsuiting meer ruimte toe.
Naarmate de meningsuiting heviger is, komt aan de vrijheid van meningsuiting meer ruimte toe.
QED

(parafrases bij de uitspraak van de rechtbank in het proces Wilders)
25 juni

=0=

 


Liever ogen en oren

Interessant artikel weer, in Vrij Nederland, van Margalith Kleijwegt.  Het gaat over Buurtzorg Nederland, zo ongeveer de snelst groeiende zorgorganisatie in het land. Van Buurtzorg kan niet alleen de zorg veel leren; elke sector, bedrijfstak, branche en organisatie kan er wijzer van worden.

Of leren, afleren is beter. Wat Buurtzorg doet is zo vanzelfsprekend dat alleen in organisaties waar het zo is geregeld dat sommigen spreken en de mensen die het werk uitvoeren niet, men op de gedachte is gekomen dat wie niet spreekt vast ook niet kan zien en horen en dus alleen voorzien van een volledige set instructies op pad gezonden mag worden – en daar onder geen beding van mag afwijken. Geniale gedachte en laten we eerlijk zijn, het opstellen van al die instructies is geen sinecure en het opstellen van de instructies die aan de instructies ten grondslag liggen is dat nog veel minder. Dat is verantwoordelijk werk dat hoger en nog hoger moet worden beloond dan het eenvoudige werk van de uitvoerder. Bovendien, de instructies zijn niets waard als ze niet berusten op een uitgebreide inventaris van standaardsituaties, standaardcategorieën, standaardbehoeften en standaardverrichtingen. Die op hun beurt in een standaardadministratie moeten worden ingevoerd, zodat we kunnen zien of de tijd en het geld wel efficiënt worden besteed. Daarbovenop moet uiteraard een toezichthoudend orgaan komen dat vanwege de alom gewaardeerde transparantie volledig volgens standaard dient te opereren. Daar horen, het is belangrijk dat niet over het hoofd te zien, gestandaardiseerde instructies bij die, dat begrijpt iedereen, aan de hoogste en dus gestandaardiseerde eisen van het afleggen van verantwoording dienen te voldoen. Vanzelfsprekend? Het spreekt helemaal niet vanzelf. Hier is over nagedacht want niets spreekt vanzelf. Een steunkous aantrekken is slechts een schakeltje in een ontzaglijk complexe logistieke keten. Dat vergeet men wel eens. Het is onbegrijpelijk dat er voor al dit denkwerk zo weinig begrip bestaat. Terwijl men voor elke vraag bij een callcenter terecht kan waar u altijd na een zekere wachttijd een antwoord krijgt, ook al is het niet het antwoord op de vraag die u stelde. Maar dan had u uw vraag maar moeten standaardiseren. Tot het onmogelijke is niemand gehouden en zeker de medewerker van het callcenter niet.

Buurtzorg Nederland gaat hier op zo ongeveer alle punten tegen in. Daar gaan ze ervan uit dat iemand die iemand helpt dingen ziet die het kantoor niet ziet, en dat je van dat zicht gebruik kunt maken. Levert beter werk op en levert betere dienstverlening op. Ze gaan er ook van uit dat juist omdat de werknemers dingen zien die het kantoor niet ziet de werknemers in staat zijn en ook in staat moeten worden gesteld om in overleg met hun cliënten eigen prioriteiten te stellen. Alles kan, maar niet alles tegelijk en wat elke keer wel en niet kan wordt niet langer op het kantoor bedacht en opgelegd aan de uitvoerders. De verpleegkundigen doen het zelf, ook als dat inhoudt dat ze, bijvoorbeeld, de huisarts moeten inschakelen. Via het kantoor? Nee, zelf. Ook dat is beter voor het werk en de dienstverlening. En omdat alle dure mensen van de plannen, de instructies, het toezicht en het toezicht op het toezicht niet in de organisatie van Buurtzorg voorkomen is het gehele zaakje nog een stuk goedkoper ook. Buurtzorg levert pas handen als eerst de ogen en oren hun werk hebben gedaan. Mooi. En je hoeft het niet allemaal in je eentje te doen: ‘zet verpleegkundigen bij elkaar, maak ze verantwoordelijk voor wat ze doen en skip de manager; dat is niet alleen efficiënt maar scheelt ook een hoop geld. Dankzij een uitgekiend ICT-systeem kunnen de verpleegkundigen niet alleen van elkaars patiënten op de hoogte blijven, maar elkaar op afstand ook om raad vragen.’ Zo is het maar net.

Er zijn wel voorwaarden. Wil je wat zien en horen dan scheelt het als niet elke dag iemand anders bij de cliënt aanbelt. Met steunkousen kun je dat doen, met horen en zien is het geen aanbeveling. Dat lijkt me een verder voordeel. Een tweede voorwaarde is die van de bereikbaarheid. Er is geen vervreemdend callcenter bij Buurtzorg, de mensen die je helpen zijn altijd bereikbaar. Dat kan natuurlijk belastend zijn maar het hoort wel bij het type relatie waar Buurtzorg z’n fort van wil maken. Overigens, je kunt het niet alleen voorwaarden noemen maar ook als effecten zien van het soort relatie – langduriger, intensiever – waar Buurtzorg aan hecht.

Op één punt is de formule van Buurtzorg niet af. Juist vanwege de relatie tussen cliënten en verpleegkundigen nemen de laatsten de problemen als het ware mee naar huis. Soms. Dat is een belasting en die kan te zwaar worden: ‘Van de verantwoordelijkheid die nu op mijn schouders rust, lig ik soms wakker. We begeleiden veel patiënten in de laatste fase van hun leven, en dat is zwaar. Anders dan vroeger neem ik mijn werk tegenwoordig mee naar huis.’
Het hoort bij de benadering. Wat er niet bij hoort, niet bij hoeft te horen althans, is dat Buurtzorg de belasting overlaat aan de verpleegkundigen zelf. Ook daar zouden de mensen elkaar kunnen helpen. En ze zouden erbij geholpen kunnen worden. Door dezelfde Buurtzorg.

24 juni

=0=

 


Samenstelling

Een jaar of zes zal ik geweest zijn toen er bij ons op de hoek een nieuw gezin kwam wonen. Ze waren katholiek in een niet-katholieke buurt maar, zo zei mijn moeder na enkele verkennende bewegingen richting de vrouw die met haar kinderen de woning was ingetrokken (er was geen vader), ze waren best in orde. Dar waren ze ook. Wij wisten het al want er was een jongetje bij dat gewoon meevoetbalde. En dan was je in orde. Voor het overige was de buurt waar ik woonde een baken van stabiliteit. Weinig nieuwkomers, weinig vertrekkers. Ja, wij, toen ik een jaar of veertien was. In onze nieuwe buurt was het opnieuw beginnen. Maar ook daar waren voetballende jongens en er was een pleintje. Jammer was wel dat de winkels niet meer tussen de huizen stonden of op een hoek zaten. De winkels waren apart. Dat is een behoorlijke aanslag op de openbare ruimte want straten met winkels zijn levendiger straten dan straten zonder. De buurt maakt gebruik van die straten, voor een boodschapje, voor een praatje, en al doende blijft de zaak in evenwicht. Niemand had het ooit zo bedacht. Het werkte gewoon. Pas toen buurten en wijken werden bedacht ging het fout. Le Corbuiser heeft nooit de scepter gezwaaid in Utecht maar een beetje ‘functionele scheiding’ was er toch wel, veel meer in het toen nieuwe Kanaleneiland waar we naar toe gingen dan in het Zuilen waar we vandaan kwamen. Er was ook geen speeltuin meer, beheerd door een buurtbewoner. En er was geen woningbouwvereniging meer, waar je naar toe ging als er iets met je huis was, of met de buurt. Zuilen had meer openbare ruimte dan het Kanaleneiland, hoewel het Kanaleneiland meer ruimte had. Inmiddels zijn beide wijken radicaal van samenstelling veranderd. Het zijn allebei ‘krachtwijken’ en als je een krachtwijk bent ben je niet erg krachtig. De openbare ruimte in die wijken is eruit gesloopt.

Als in jouw buurt 9 van de 10 mensen elk jaar verhuizen zou je zeggen dat de samenstelling van je buurt sterk verandert. Maar wat als de mensen die terugkomen behoorlijk lijken (wat betreft gezinssituatie, inkomenspositie, etnische achtergrond, leeftijd enz.) op de mensen die vertrokken? Is dan de samenstelling van je buurt sterk veranderd of juist hetzelfde gebleven? Ik zou zeggen: het eerste. Het SCP (Wonen, wijken en interventies) zegt het tweede. In het eerste geval komt een ‘buurt’ niet tot stand en in het tweede geval misschien wel of misschien niet. Dat hangt in dat geval niet langer af van de snelheid en het aantal van de wisselingen per tijdseenheid. Het hangt af van de ‘kenmerken’ van de bewoners. Wie snelheid en aantal overslaat en vervolgens iets over ‘cohesie’ te berde wil brengen slaat niet alleen over, die slaat ook mis. Zuilen had samenhang, in elk buurtje, het Kanaleneiland had al veel minder samenhang, de krachtwijken nog weer minder.

Het SCP heeft snelheid en aantal bewegingen overgeslagen en zelfs waar het dat niet doet (in hoofdstuk 4 van het rapport) , doet het er niets mee. Ik lees (: 64) dat in de ‘aandachtswijken’ (de krachtwijken) de ‘dynamiek’ (verhuisbewegingen) groter is dan in andere wijken. Dat ‘zou’ gevolgen kunnen hebben – maar het is niet onderzocht en waar er even verderop nog op wordt teruggekomen gaat het weer niet over die beweeglijkheid op zich maar over de gevolgen ervan voor het aantal keren dat verschillende ‘inkomstengroepen’ elkaar tegenkomen en of dat al dan niet goed is voor de laagste inkomstengroepen. Een zelfstandige betekenis voor beweeglijkheid – toch geen onbekend fenomeen in stadsstudies – ontbreekt. ‘Zo blijft onduidelijk of de hogere verhuisdynamiek in de aandachtswijken ook van invloed is op de onderlinge contacten tussen de inkomstengroepen en mogelijk op die manier nadelig uitwerkt voor de stijgingskansen van de lage-inkomstengroep’ (: 71). Het zal wel. Als men met deze vraagstelling mijn Zuilen van destijds had benaderd was men überhaupt niets te weten gekomen. Ja, als men de openbare ruimtes van toen en nu had vergeleken misschien wel. Maar dan had er enig besef over de openbaarheid van die openbare ruimtes moeten meespelen. Dat besef, het schittert door afwezigheid. De rapportage van het SCP gaat over buurten en wijken zonder zelfs maar een gedachte te hebben over wat het zijn, waren en kunnen worden. Het rapport komt nergens vandaan, is nergens en gaat nergens naar toe.

22 juni

=0=

 


Intellectuelen

Om vooral te bewijzen dat hij geen ‘intellectueel’ is haalt Theodor Holman Shakespeare’s  beroemde uitspraak aan dat oost oost is en west west en ‘never the twain shall meet’. Bewijs geleverd. Een schoolkind weet beter. Niet dat het schoolkind ooit gelijk van Theo zou krijgen want Theo is net als Theo en overschreeuwt alles en iedereen, zichzelf inbegrepen. Daar vloeit ook zijn hekel aan ‘intellectuelen’ uit voort. Intellectuelen willen bij gelegenheid ook een plekje op de bühne. Maar dan hebben ze buiten Theo gerekend. De bühne is van hem.

Ik zal het wel verdrongen hebben maar Theo was een voorstander van de oorlog in Irak. Miljoenen vluchtelingen, duizenden en duizenden burgerslachtoffers, terreuraanslagen als de nieuwe pestilentie, maar voor Theo is het allemaal prachtig. Irak, dat is een ‘regio’ met een ‘democratisch gekozen coalitieregering’. Het kost wat maar dan heb je ook wat. Wie zei dat ook weer, dat als je een omelet wil maken je een eitje moet breken? Was dat ook niet Shakespeare?

Irak, vindt Theo, is de voor de hand liggende bestemming voor de Syrische vluchtelingen, ware het niet dat de grens met Irak potdicht wordt gehouden door de Syriërs. Dus gaan ze maar naar Libanon en Turkije. Zouden daar ondemocratisch gekozen regeringen aan de macht zijn? Het blijft een rare boel daar in die regio. Die kiezen daar regeringen in plaats van parlementen. Zegt Theo, dus dan zal het wel zo wezen.

Theo heeft een vraag: ‘Ik vraag me wel eens af wat al die 'intellectuelen' nu denken, die destijds tegen de inval in Irak waren, maar nu moord en brand schreeuwen dat Kadhafi en Assad platgebombardeerd moeten worden. Was Saddam Hoessein niet erger?’ Als ik het wel heb zou Theo van George Bush een antwoord willen hebben op zijn prangende vraag (: ‘Dank je, George Bush, dat je, voorafgaand aan de 'Arabische lente', de eerste dictator in het Midden-Oosten hebt verdreven.’). Maar George zegt niks. Theo wil dolgraag bombardementen, hoe meer hoe beter zelfs, maar Theo wil geen ‘intellectuelen’ die altijd tegen George waren en nu tegen Kadhafi en Assad zijn. Misschien zijn ze ook wel tegen bombardementen, hoewel je dan in de redenering van Theo niet ook nog tegen dat geboefte kan zijn. Het is het één of het ander. Meer smaken zijn er niet.

Eigenlijk zou ik best een intellectueel willen zijn. Alles om kenbaar te maken dat ik mij niet in het gezelschap van Theo wil ophouden.

21 juni

=0=

 


Tja

Het was de eerste van een reeks uitzendingen onder de naam ‘het filosofisch kwintet’. Het thema is de rechtsstaat, en gisteren ging het over veiligheid en rechtsstaat. Behalve de moderatoren (Clairy Polak en Ad Verbrugge) zaten drie gasten aan tafel, een terrorisme-expert, een veiligheidsexpert, en de nationale ombudsman.

Het viel tegen. Hoewel het niet de bedoeling was ‘om elkaar te overtuigen’ gebeurde weinig dat aan iets anders deed denken. Ik had gehoopt dat iets van de spraakverwarring rond ‘veiligheid’ zou worden opgehelderd. Het kwam er niet van. Neem de trits veiligheid, beveiliging, bedreiging. Het land wordt veiliger en niemand voelt zich veilig. Wat volgt daaruit? Nou, dat er niet veel hoeft te gebeuren (‘objectieve veiligheid’) en dat mensen zich toch erg bedreigd voelen (‘subjectieve veiligheid’). Het een staat betrekkelijk los van het ander maar in de uitzending leek men ervan uit te gaan dat hoe minder bedreigd men zich voelde hoe veiliger men was. Dat schiet niet erg op. Ik ben behoorlijk veilig maar heb natuurlijk ook last van de bedreiging die wij de financiële sector noemen. Bijvoorbeeld. In de uitzending hielden ze het liever op veiligheid als een ‘containerbegrip’. Tja. Filosofen zouden toch moeten weten dat containerbegrippen meer op containers lijken dan op begrippen – maar die kans werd gemist in dit filosofische kwintet.

De veiligheidexpert vertelde dat het hem niet zou verbazen als er inmiddels meer particuliere beveiligers rondliepen dan politiemensen. Dezelfde expert opperde dat het misschien niet zo gek zou zijn als we veiligheid als een grondrecht bezagen. Dat leek me nou eens een kwestie, in combinatie bij voorkeur, die het oppakken waard was. Veiligheid is, wat het ook is en waar het ook in het recht te vinden is, een publiek goed – en de beschikbaarheid en de kwaliteit van dat publieke goed komt in het gedrang als het wordt omgevormd tot een privaat goed. Wordt het omgevormd? Of is het een aanvulling? Is een aanvulling neutraal ten opzichte van het publieke karakter van het publieke goed? Rechtsstatelijk best interessante vragen. De vragen werden niet gesteld. Waarom niet?

Elly liet me een niet ondertekend epistel van de gemeente zien, gedateerd 17 juni en afkomstig van de afdeling ‘controle en handhaving’. Het ging over het ‘efficiënte’ gebruik van woonruimte en de gemeente maakt zich zorgen over het efficiënte gebruik in woningen van mensen die veel vierkante  meters bewonen. De gemeente maakt zich niet alleen zorgen, ze maakt zich ook gedachten. Wat, denkt de gemeente, als we het eens zo spelen dat we doen alsof er geen door huurbeleid, hypotheekrenteaftrek, grondprijzen, kantoorbouwbeleid enzovoorts opgeroepen schaarste is maar een heus tekort? Zoals in tijden van oorlogen en natuurrampen? Dan kunnen we tenminste wat! Eerlijk gezegd, ik weet niet of de gemeente deze gedachte heeft, of de gemeente überhaupt gedachten heeft. Misschien iets wat op een gedachte lijkt maar het opschrijven niet waard. Of wel waard maar te linke soep? Ze komen kijken en ze kondigen aan dat ze ‘in het uiterste geval’ tot vordering over kunnen gaan. Wat het ‘uiterste geval’ is staat er wijselijk niet bij. Wij mogen onze eigen gedachte maken. Veel beter, ieder de eigen gedachte. Laat ze maar piekeren want als niemand piekert zou ook niemand zich bedreigd hoeven voelen en dan is de lol er al van af voordat ze zelfs maar begonnen zijn.

In een rechtsstaat is de eerste regel dat de wetten die door de wetgever worden opgesteld ook voor diezelfde wetgever gelden. Als ik burgemeester Van der Laan zou zijn zou ik me knap onveilig voelen in mijn knots van een pand aan de Herengracht. Meer nog, ik zou m’n huis extra gaan beveiligen en in elk geval zou ik iedere dienstdoende controleur/handhaver de deur wijzen. Toegang? Lazer op.

Het lijkt me een zaak waar het filosofisch kwintet de tanden in zou moeten zetten. Maar na de uitzending van gisteren twijfel ik of het de moeite waard zal blijken. 

Zojuist lees ik in het Parool dat het om een nepbrief gaat. De wethouder (Van Ossel) neemt de zaak ‘zeer serieus’ en laat uitzoeken waar de brief vandaan komt.

Ik wacht gewoon een nieuwe brief af.

20 juni

=0=

 


IBB

De Internationale Bijbel Bond (IBB) wil het evangelie bekend maken aan jong en oud, aan alle mensen, waar ze ook zijn. Minister Donner heeft daar z’n eigen variant op bedacht, voor hem staat IBB gelijk aan Integratie, Binding en Burgerschap. Het is de titel van zijn ‘integratienota’, afgelopen donderdag aan de openbaarheid prijsgegeven. Zijn evangelie: Hollandse waarden. Ik moest aan vis denken. De haring is de Hollandse waarde bij uitstek. We zijn er groot mee geworden. We zijn er nog groot mee – alleen halen we ze amper nog uit de Hollandse wateren. Hollandse nieuwe is alleen Hollands omdat het op z’n Hollands bewerkt is. Tja.

Het valt in Donner te prijzen dat hij de waarden waarop volgens hem de Nederlandse samenleving berust heeft benoemd. Het zijn, achtereenvolgens, vrijheid, gelijkwaardigheid, verdraagzaamheid en solidariteit. Dit zijn, zo schrijft hij, ‘waarden die vanouds de Nederlandse samenleving hebben geschraagd.’ Mijn goede vriend Luuk zou dit ‘zwangere’ begrippen hebben genoemd maar zover komt de minister niet. Hij vindt het eigenlijk nogal vanzelfsprekend. Hij zal het uitwerken in de nota, schrijft hij, maar ik heb het tot mijn spijt niet kunnen vinden. Jammer. Hoe ‘vanouds’ is vanouds? Ik vind het mooie waarden maar voor een deel zijn ze tamelijk nieuw, voor een ander deel zijn ze nieuw en toch al sleets, en voor weer een ander deel zijn ze toekomstmuziek. Ze zijn in beweging zou je moeten zeggen en welke kant het op moet, daar bestaan verschillende meningen over, afhankelijk van je gereformeerde inborst bijvoorbeeld. Vanouds waren we verdeeld, vervolgens waren we verzuild en nu zijn we, ja wat zijn we nu eigenlijk? De minister weet het wel maar hij is er ondanks zijn belofte niet aan toegekomen het voor ons uiteen te zetten (Hij komt niet verder dan het volgende proza: ‘Bij alle maatschappelijke verandering en culturele ontwikkeling die er onmiskenbaar ook is, berust de samenleving op een fundamentele continuïteit van waarden, opvattingen, instituties en gewoonten die de leidende cultuur vormen in de Nederlandse samenleving en mede bepalend zijn voor de herkenbaarheid daarvan’. Het is bar en boos, maar meer is er niet en het is genoeg om hen, die niet van de leidende cultuur zijn, op afstand te houden. Wie de schoen past, dat is leidende cultuur). 

We weten het wel maar we komen er niet aan toe het te beschrijven. Weer wat vergeten, net zoals we vergeten zijn onze waarden helder en onontkoombaar aan nieuwkomers mee te delen en hen erop aan te spreken. En omdat we dat vergeten zijn zitten we nu met de gebakken peren, lees: het multiculturalisme. Lange halen, snel thuis. Daar gaat het om, om ‘thuis’. Waar wij al zijn en zij nog niet. Komen ze er? Dat hangt van de grootte van het huis af en van de hoogte van de drempels. We kunnen wat bijbouwen maar dat is een eindige onderneming – hoewel, wat in de breedte niet kan, kan in de hoogte wel en daarom willen we toptalenten – en we kunnen meer drempels verzinnen, de drempels hoger maken en een prijs vragen voor de pogingen over de drempels heen te komen. Dat doen we dan ook, alles in het belang van de integratie.

Het integratiebeleid kent twee uitgangspunten. Het eerste is ‘dat immigratie van mensen die geen of weinig kansen en perspectief hebben op een participatie en zelfredzaam bestaan in de Nederlandse samenleving moet worden voorkomen’. De zin is krom, de verbinding met integratie nog krommer, tenzij integratie betekent dat we er alles aan doen om integratie tegen te maken. Zou kunnen, ik herken er wel wat in. Het tweede uitgangspunt is ‘dat “niet afkomst, maar toekomst telt”. Dit impliceert dat er geen beleid meer wordt gevoerd op basis van herkomst. Integratie zal dan ook niet meer door specifiek beleid, gericht op afzonderlijke groepen, worden gerealiseerd, maar door algemene maatregelen die uitgaan van de verantwoordelijkheid van betrokkenen en van maatschappelijke instellingen’. Oef.

Uitgangspunt twee is strijdig met uitgangspunt één. In geval van conflict beslist uitgangspunt één. En wie zelfredzaam is kan zichzelf redden tenzij er een probleem opduikt waar je met goed fatsoen niet zelf uitkomt en als dat al zo is dan heb je dat probleem niet vanwege je afkomst. We schaffen het doelgroepenbeleid af en gaan over op algemeen beleid dat bij problemen waar niemand wat aan kan doen wordt ingezet. Mij zul je daar niet over horen klagen. Ik heb het niet zo op doelgroepenbeleid – het ondermijnt bijvoorbeeld artikel 1 van onze Grondwet. Maar daar heb ik nog nooit een minister over gehoord. In gelijke gevallen mensen gelijk behandelen? Dat is te lastig. Als het zo uitkomt definiëren we eenzelfde geval voor verschillende groepen als verschillende gevallen. Dan hoeven we ze ook niet gelijk te behandelen. Een kind kan de was doen en Donner is een proper man. Recent heeft hij dezelfde wisseltruc voorgesteld voor de waardering van de woningkwaliteit. Als we het nog niet weten zullen we het nog wel leren. De Polen, Roemenen  en Bulgaren hoef je niets te leren, die weten precies waar het over gaat, de Turken weten het weer anders maar weten het ook, en weer anderen hoeven het niet te weten want die willen we niet hebben. Als het gaat om de prijs voor de nota met de meeste inconsistenties gooit de integratienota hoge ogen. Onder druk wordt alles vloeibaar – Donner wel in de eerste plaats.

Het is nog erger. De integratienota van de minister – en het beleid van dit kabinet – is gebaseerd op een leugen. Dit kabinet en deze minister voeren wel degelijk een rigoureus doelgroepenbeleid. Ze schaffen de doelgroepen niet af, ze veranderen alleen de doelgroepen, ze vervangen de doelgroepen die nog iets te maken hadden met onze waarden van vrijheid, gelijkwaardigheid, verdraagzaamheid en solidariteit en daarvoor in de plaats komen de doelgroepen die voor hen de ‘top’ representeren. Kansen zijn voor kanshebbers en de enige doelgroepen die we steunen zijn de kanshebberdoelgroepen. Zo eenvoudig is dat. Of dat afkomstneutraal is valt te bezien. Dat het een eenzijdig soort toekomst belooft, ja, dat spreekt. De integratienota gaat niet over integratie en rechten. De nota gaat over exclusiviteit en voorrechten.

19 juni

=0=

 

 

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet

Op de radio hoor ik dat een groep experts heeft uitgevonden dat de leiding van een organisatie niet alles ziet. In het bijzonder bij een calamiteit schijnt dat het geval te zijn. De calamiteit in kwestie, de kwestie naar aanleiding waarvan de experts hun expertise aan het werk hebben gezet, was een brand in de Schipholtunnel voor treinverkeer, ongeveer twee jaar geleden. Verschillende treinen kwamen toen stil te staan in de tunnel. Het duurde geruime tijd voor de reizigers en het personeel, laten we zeggen, uit de brand werden geholpen. Dat heeft per brand (brand in de trein, brand in de tunnel, treinen al in de tunnel, treinen net voor de tunnel, één trein, meer treinen) verschillende oorzaken, waaronder de constante oorzaak dat het personeel niks mag doen voordat de leiding, een eindje verderop, heeft gesproken. Uiteraard mogen de reizigers ook niks doen. Als je niks mag regelen duurt het langer, zeker als de situatie om regelen vraagt. Maar ja, de leiding regelt. Je zou het niet voor mogelijk houden maar zo hebben we het geregeld.

Het heeft ook met de tunnel zelf te maken. Het is makkelijker een brandje te blussen buiten de tunnel dan erbinnen. En het kost ook nog eens meer tijd om bij de brand in de tunnel te komen. En al die tijd moeten personeel en reizigers het maar zien uit te zingen. Dat kan beter.  Hebben ze bedacht. Wat als de leiding nu eens gaat regelen dat een trein zo snel mogelijk op eigen kracht en op eigen initiatief van het personeel de tunnel mag verlaten? Dan kan de leiding ervoor zorgen dat het overige treinverkeer op afstand wordt gehouden – even niet jongens, er zijn nu andere voorrangsregels – en kan het personeel de trein de tunnel uit loodsen. Dat is wel een enorme inbreuk op de privileges van de leiding want de leiding was altijd alziend en nu moeten ze accepteren dat (1) ook het personeel wat ziet en (2) dat onder omstandigheden het personeel het beter ziet dan de leiding. Heftig. Geen wonder dat je experts nodig hebt om de leiding van die merkwaardige omkering der verhoudingen te overtuigen. En de omstandigheden te preciseren uiteraard want anders wordt het anarchie. Per omstandigheid moet er, om de anarchie in de driegende kiem te smoren, een cursus worden georganiseerd zodat het personeel weet wat het moet doen als het weet wat de situatie is waarin het wat mag doen. Als er een situatie ontstaat die nog niet beschreven is en waar dus ook geen cursus voor bestaat – ja, daar zijn we nog niet uit. Laten we hopen dat ons zicht op mogelijke situaties dekkend voor alle situaties is. Zonder vroomheid gaat het niet. Voor zover de expertise strekt.

Ik vind dat de leiding van dit land in de handen van kinderen moet worden gegeven. Die speelden altijd al, zonder daar experts voor nodig te hebben, het spelletje ‘ik zie, ik zie wat jij niet ziet’. Kinderen hebben het principe van een verstandige opbouw van een arbeidsorganisatie beter door dan leidinggevenden en experts – en ze hoeven er niet eens de taal der organisatie voor te spreken. Wie weet is het zelfs wel een voorwaarde dat ze die taal niet spreken. Pas als de kinderen zijn ingeburgerd spreken ze de taal der organisatie – en dan laten ze zich aanleunen dat anderen beweren altijd alles wat zij zien beter te zien ook al zien die betzieners helemaal niks van wat jij ziet want jij bent er en zij zijn er niet. Een beetje leiding is altijd ergens anders. Toch?

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet. De machinist dacht het altijd al en nu stellen de experts hem in het gelijk. Er is wel degelijk vooruitgang.

18 juni

=0=



Oude tijden

Geklier met maten en gewichten was in de goede oude tijd een uitgelezen manier om een extraatje binnen te halen. Hoe concreter de standaard (een voet, een el, een emmer) hoe meer lokale variatie. Maten en gewichten waren een gevecht, en gaven beter de machtsverhoudingen weer dan de dingen die in kaart gebracht werden. Er waren ook geen kaarten – en dat was niet het minste probleem. Er was niet eens een gemeenschappelijke taal die ieder sprak of verondersteld mocht worden te spreken. Wat wij de moderne staat noemen is afhankelijk van standaardisatie, van gestandaardiseerde eenheden, nodig om land, bevolking, welvaart, gezondheid enzovoorts de maat te nemen. Hoe kun je anders niet alleen belasting heffen maar ook een beetje calculeren waar je als staat op kunt rekenen? Bijvoorbeeld. Dat is niet onschuldig. Meer en meer richten wij ons naar de standaard en genereren zodoende zelf de uniformiteit die het tellen, rekenen en classificeren vergemakkelijkt. Inclusief de grotere of kleinere vormen van oplichting die het oproept (een koe van 600 kilo is lang niet altijd 600 kilo koe). Standaardisatie maakt de maat niet minder machtsafhankelijk (ik verbaas me elke keer opnieuw over de bekwaamheid waarmee het CBS het prijsindexcijfer buiten het publieke debat weet te houden) maar wel anders afhankelijk. Minder willekeur en vooral: geen lokale variatie. Als er schaarste aan koeien is worden de koeien duurder, niet zwaarder. En als Limburg meer koeien wil dan Brabant dan betalen ze daar maar voor – zonder dat de koeien dat in gewicht compenseren.

Zou je denken. Maar dan heb je buiten minister Donner gerekend. Vervang ‘koeien’ door ‘huizen’ en je kunt het plan van Donner uittekenen. Omdat hij er maar niet in slaagt het huurbeleid te laten aansluiten bij vraag en aanbod (en dat lukt hem niet omdat de huren samenhangen met de kosten van kopen en omdat de kosten van kopen samenhangen met de hypotheekrenteaftrek en omdat die aftrek sacrosanct is) probeert de goede man nu de lokale knelpunten op te lossen door aan de maten en gewichten te knoeien. De woningkwaliteit wordt prijsafhankelijk (opgehangen aan de WOZ) en gaat lokaal variëren. Als Donner z’n zin krijgt. Donner krijgt vaak z’n zin. Grappig is het wel. Woningkwaliteit? Dat is wat de gek ervoor geeft meneer. Het lijkt het huidige cultuurbeleid wel. Meer nog, het is het huidige cultuurbeleid.

Ik moet bekennen dat Rutte en Zijlstra school maken. Onze cultuur subsidieert alleen datgene wat zich reeds bewezen heeft, bij voorkeur op de markt. Elke cultuur – of het nu de muziekcultuur is, de toneelcultuur, de museale cultuur, de arbeidsmarktcultuur, de wooncultuur, de multicultuur – die niet al tot een succes geworden is krijgt geen steun meer maar straf. We steunen alleen nog de topcultuur. Er zit best een gedachte achter het heiligen van de hypotheekrenteaftrek. De verdeling van de vleespotten van de subsidies vindt alleen nog plaats volgens het Mattheus-principe: “Aan wie heeft zal gegeven worden en hij zal overvloed hebben; maar van wie weinig bezit zal ook dat nog afgenomen worden.”

Geen wonder dat Donner er zich best in kan vinden. Het liberalisme van het Boek, oude tijden die herleven, een droom die bewaarheid wordt en hij mag er nog aan meewerken ook.

17 juni

=0=

 


Doe het zelf

Het nieuwe werken is ooit door Bill Gates bedacht. Op 19 mei 2005 verzond hij een email waarin hij het aankondigde en uitlegde. Kort daarna bracht Microsoft een White Paper uit waarin het allemaal nog eens dunnetjes werd overgedaan. In 2005 was LinkedIn nog maar net begonnen geloof ik. De ‘sociale media’ moesten nog aan hun zegetocht beginnen. Vandaar dat Gates het meer over IT had dan over CT maar hij bedoelde beide. Dat krijg je als je de wereld vanuit je eigen bedrijf en de daar ontwikkelde technologie beschrijft. Software, daar ging het om. Over de Cloud hadden we het toen nog niet, en ook niet over het overbodig worden van je harde schijf. Dat moest nog komen.

Inmiddels is het nieuwe werken overgenomen door de sociale media. De IT geloven we wel, het is nu de communicatie die aan het roer staat. De voorspellingen over het einde van de organisatie zijn niet van de lucht. Zelf organiseren, jezelf met anderen organiseren, dat is de nieuwe organisatie en omdat je over je eigen kapitaal beschikt (iets dat je met het internet verbindt) en dat zelf op een door jou gekozen moment en op een door jou bepaalde plek in werking stelt heeft je baas het nakijken. De bazen zijn overgestapt van het uitdelen van opdrachten op het inwachten van het resultaat. Hoe? Doe het zelf maar. Wanneer? Ha, daar heb ik je. De baas hanteert de klok en je moet op tijd leveren. De baas is helemaal niet weg. Wie de tijd bepaalt, is de baas.

Dokter, wanneer mag ik naar huis? Het is de vraag die steeds gesteld wordt in het ziekenhuis. De dokter geeft geen antwoord. Of een antwoord in de zin van dat we het nog even moeten aankijken, moeten zien hoe de dingen zich ontwikkelen. Als de patiënt naast je al lang naar huis is (‘en toch dezelfde klachten had, niet dokter?’) en jij niet dan knaagt er wat en de arts helpt je niet uit de brand. Ziekenhuistijd is tijd van de ander. Nergens beter dan in het ziekenhuis nemen we waar dat tijd de factor is. Daar is het de tijd nog niet voor: wie dat kan zeggen en nog serieus genomen moet worden ook, die heeft het voor het zeggen.

Het nieuwe werken is pas voltooid als we over termijnen beschikken zoals de dokter erover beschikt. Vanuit dat gezichtspunt zijn we er nog niet eens aan begonnen.

15 juni

=0=

 


Hoeveel?

Op de dag dat S&P bekend maakt dat Griekenland het minst kredietwaardige land ter wereld is lees ik in de kranten dat minister De Jager pleit voor extra steun aan dat land. Anders gaan we misschien voor tientallen miljarden het schip in. De Jager wil liever dat de termijn van de leningen aan Griekenland wordt verlengd dan een herstructurering van de schulden. In het geval tot het laatste zou worden besloten vreest hij grote onoverzichtelijkheid, en gevaren voor een land als Spanje. Besmettingsgevaren. Kortom, De Jager wil tijd kopen.

Tientallen miljarden. Maar hoeveel dan? Het gekke is dat de omvang van de schade niet door de tekorten van Griekenland worden bepaald maar door de verwevenheden in het financiële stelsel. De aanduiding van De Jager kan twee dingen betekenen. De man weet echt niet welke schade door de talloze incestueuze financiële vervlechtingen kan ontstaan, of hij weet het wel en wil het niet naar buiten brengen. Wat erger is mag de Kamer zeggen. Niettemin wordt het zo langzamerhand tijd dat de verstrengelingen van de financiële sector en hun effecten in kaart worden gebracht. Als dat nog niet gebeurd is zou dat op zich al reden zijn de minister een forse reprimande te geven. Wat is dat voor gedoe om de hele tijd met hel en verdoemenis te schermen en geen openheid van zaken te geven?

Er is, behalve kennis van zaken, een tweede reden voor de minister om stommetje te spelen. Het wordt steeds lastiger te ontkennen dat de EU moet interveniëren. Dat is pas echt tegen het zere been. Wij leven in de ontkenning, al jaren en tot dusver valt weinig enthousiasme te bespeuren de ogen te openen voor de noodzaak van meer Europese eenheid.  

De Jager vraagt helemaal geen uitstel op de termijn van de leningen aan Griekenland. De Jager vraagt de instemming van de Kamer om de gang naar een grotere invloed voor de EU nog even te traineren. Geen wonder, daarom, dat SP en PVV hoe dan ook tegen zijn. Tegen alles. Die willen dat de Grieken weer op de drachme overgaan. Zij zien de bui wel hangen, en gaan op de rem staan. Niets nieuws. Het probleem ligt niet bij die partijen. Het probleem ligt bij de overige partijen. Hoe lang kunnen die nog toestaan het probleem te reduceren tot de moraal van de Grieken, in tegenstelling tot de politiek van Europa?

Voorlopig nog wel, ben ik bang. Niet elke partij heeft het lef van de CU (de CU voor Europa, dat is pas echt nieuw) om openlijk voor een ‘harde’ herstructurering – en dus voor een serieuze EU-afwikkeling – te pleiten. De meesten zullen met De Jager meegaan – en uitstel accepteren om vooral geen positie voor Europa te hoeven kiezen. Nog niet. En zo lang dat zo is zullen we ook niet weten hoe de financiële kaarten zijn verdeeld.

14 juni

=0=

 


Vuurtje

Dat de PvdA zoveel voormalige stemmers heeft ligt niet aan Job Cohen. Het ligt aan de partij zelf, aan het ontbreken van een ‘visie’. Dat heeft Maurice de Hond voor ons uitgezocht, in reactie op de vele geluiden uit de partij waaruit zou blijken dat er aan de poten van de stoel van Cohen werd gezaagd. Na lang zoeken werd er zelfs iemand gevonden die op de tv kwam uitleggen wat hij in kranten ook al had gezegd: dat Job weg moest. Het was de bekroning van de imitatiedrift van de media, die al na de parlementsverkiezingen van vorig jaar hadden besloten dat Cohen niet op de juiste plek zat. Voor één keer ben ik De Hond dankbaar. Niet dat het gaat helpen. Media in Nederland zijn een betreurenswaardig tijdverdrijf en als het Cohen niet is vinden ze wel weer wat anders. Het goede nieuws zit niet bij de media, het zit bij de kiezers. Die kunnen ten minste nog een partij van een partijleider onderscheiden. En als zij niet meer op een partij stemmen dan doen ze dat omdat die partij tekortschiet. Natuurlijk, in het geval van Wilders is het onderscheid zinloos, maar bij Wilders is elk onderscheid zinloos. Dat, per slot, is de zin van Wilders. Maar bij andere partijen zit dat anders in elkaar en hoewel de media dat al lang vergeten zijn, de kiezer is het niet vergeten. Er is hoop voor Nederland.

In kranten is het nieuws inwisselbaar. Je kunt kranten nog onderscheiden op wat de grootste en de eerste koppen zijn, en, toegegeven, sommige kranten slaan wel eens een item over – maar daar krijg je dan wel het nodige shownieuws voor terug. Maar wat er is, is, als het er is, hetzelfde. Vrije nieuwsgaring is de vrijheid te doen wat de anderen ook doen. Alleen de commentaren verschillen, en de columns. Het zou me niks verbazen als het nieuws over het gedoofde vuurtje rond Cohen ergens een commentaar zou halen. En anders wel een column. Ik zie het Theodor Holman zo doen. Het is snel verdiend en als ik zijn columns lees weet ik wel zeker dat snelle verdiensten voor hem meer tellen dan de tekst van een column. Hij had er recent al eentje over Cohen maar een kniesoor die daar op let. En wat je ook van Theodor kunt zeggen, niet dat hij een kniesoor is.

De jongeren die her en der in Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten de straat opgaan zien in politieke partijen een probleem, eerder dan een oplossing. Er wordt nu af en toe opgemerkt dat de nieuwe media waarvan ze gebruik maken geen aankondiging zijn van een revolutie 2.0. Nee, dat klopt, maar nog opmerkelijker is dat het nieuwe media zijn. De oude media zijn, net als de politieke partijen, een onderdeel van het probleem. Gek, dat die oude media dat van die partijen wel opmerken en dat van henzelf niet.

De voormalige stemmers op de PvdA vinden ook de partij het probleem, en niet Job Cohen. Maar eigenlijk denk ik dat ze de media die het hoofd van Cohen eisten en passant ook als probleem definiëren. De Hond heeft hen dat niet gevraagd geloof ik. Maar zelfs als hij het gedaan had, dan nog zou het de oude media niet hebben gehaald.

13 juni

=0=

 


Losse eindjes

Tweespalt, dat is het woord in de kop van een artikel in het FD van 11 juni dat er het meest uitspringt. Het gaat over het pensioenakkoord van afgelopen vrijdag. En het akkoord leidt tot tweespalt, dat is de voorspelling. Tussen wie, dat staat er niet bij maar er is conflictstof genoeg. En dat komt weer door alles wat niet geregeld is in het akkoord. Noem het openstaande rekeningen, in afwachting van hun afwikkeling. Losse eindjes, mag ook, en klinkt prettig onschuldig.

Vijf kwesties worden genoemd: de kans op verschillende systemen voor verschillende fondsen (en de gevechten aan de CAO-tafel die daar uit voort kunnen komen), de vage juridische status van het akkoord, de kans dat bonden hun eigen referenda gaan organiseren zodat het FNV referendum mosterd na de maaltijd wordt, de ook niet onbelangrijke vraag naar de waarderingsgrondslag voor de verplichtingen van de fondsen (en dus de dekkingsgraad), de verplichting dat als de leden van de fondsen meer risico zullen moeten dragen hen daarover fatsoenlijk te informeren – en dat is niet eenvoudig.

En dan heb ik het nog niet eens gehad over de losse eindjes van het verleden: de overgeslagen zzp-er bijvoorbeeld en de werknemer met veel kleine baantjes achter elkaar (veel wisselende contacten als het ware) die geen van alle tot opname in een pensioenfonds leiden. De voortgaande subsidiëring van minder naar beter gesitueerden, deels samenvallend met de sociaaleconomisch bepaalde levensduurverwachting na je 65ste. En de versnippering in het pensioenlandschap zelf, en de zwijgzaamheid over het toezicht en over het beleggingsbeleid. De vraag of een pensioenfonds een bank of een verzekeraar is en de vraag of dat voor het risico dat je loopt nog enig verschil maakt. De vraag of je stemloos aandeelhouder wordt of stemhebbend lid van een onderlinge. De vraag of een pensioen uitgesteld loon is of een verplichte inleg in een casino. Pak dat er ook nog bij en het akkoord zal een splijtzwam in de polder blijken. De tweespalt gaat over de polder, over de versnelde afbouw van de polder. Ik stel voor het akkoord te betitelen als het Hedwigepolderakkoord.

Tja, zal een pensioenfonds binnenkort misschien moeten melden, wat u aan pensioen krijgt hangt af van wat we nog aan verplichtingen hebben uitstaan maar hoeveel dat nou weer is, daar zijn we nog op aan het studeren. Laten we daarom voorzichtig uitbetalen, misschien valt het mee en dan komt er periodiek wel eens een eindafrekening. Wat in het vat zit verzuurt niet, moet u maar denken. Daar zorgen wij voor. Ja, dat het dan wel niet verzuurt maar misschien wel vervliegt, dat is nu eenmaal het risico waar wij u over vertelden, weet u nog?

Dat wordt nog een ingewikkelde vertelling. Misschien moet mevrouw Jongerius een paar van die vertellingen als voorbeeld opnemen in de uitleg bij de nog onbekende referendumvraag. Ik zou het doen als ik haar was. Anders doet FNV Bondgenoten het wel in het eigen referendum waar die club nu mee schermt – zo zal, vermoed ik, de verwoording van en de toelichting op referendumvraag de eerste uiting van tweespalt worden. De polder zal onder water worden gezet.

Tweespalt, inderdaad. Op weg naar de splijtzwam.

12 juni

=0=

 


Hybride

In het eerste en het laatste hoofdstuk van het boek van Gijs Herderscheê (De Geldpomp; hoe Nederland de miljarden verdeelt [en er af en toe wat weglekt]. Amsterdam, uitgeverij Balans 2010) wordt onze aandacht gericht op begrafenisverzekeringen. Dit soort verzekeringen stond aan het begin van de ‘onderlinge’ sociale zekerheid en zoals het er naar uitziet zijn enkele ervan ook vandaag de dag nog niet helemaal van hun oorspronkelijke uitgangspunten afgedwaald. Dat is bijzonder. Omdat de overheid vanaf 2009 begrafeniskosten niet langer als aftrekpost erkent ziet hun toekomst er zelfs beter dan ooit uit. Met andere onderdelen van zelfgeorganiseerde solidariteit die in contact met de centrale overheid zijn geweest staat het er minder goed voor. De meeste uitkeringen zijn ‘genationaliseerd’, zoals Herderscheê dat noemt, en andere initiatieven zijn hun aanvankelijke leden zover ontgroeid dat zelfs de overheid, ondanks het bedenksel van de ‘maatschappelijke onderneming’, er niet goed raad mee weet. Dat roept de vraag op waarom de sociale zekerheid wel en zorg- en woonarrangementen niet zijn ‘genationaliseerd’. Volgens Herderscheê kunnen we daar eigenlijk ook best de scholen aan toevoegen omdat het daar steeds minder om geloof en gezindte gaat en steeds meer om sociaaleconomische en raciale scheidslijnen.

In alle gevallen speelt de overheid direct of indirect een cruciale rol in de financiering van de arrangementen. Bij de sociale zekerheid komt daar echter nog wat bij: hier heeft de overheid zich meester gemaakt van de uitvoering ervan. Waarom? De verklaring is politiek. In de opbouw van een statelijk verpakt maatschappelijk ‘middenveld’ hebben de christelijke politieke partijen, steeds in combinatie met liberalen dan wel sociaaldemocraten, de beslissende rol gehad. De nationalisering van de sociale zekerheid vond plaats gedurende de paarse kabinetten – de eerste en tot dusver enige kabinetten waarvan de christelijke politieke partijen waren uitgesloten. Paars heeft de sociale zekerheid van vakbeweging en werkgevers afgenomen. Aan andere arrangementen is Paars niet toegekomen en sinds het CDA weer in de regering zit wordt er wel als altijd veel gekankerd op dat middenveld en, gegeven de ‘professionalisering’ van en de ‘marktwerking’ in zorg, onderwijs en huisvesting, wordt het gekanker tegenwoordig steeds luider begeleid door geweeklaag over de beloningen van bestuurders – maar tot het door de overheid overnemen van de uitvoering van die arrangementen is het niet gekomen. Wel leidt het tot de vraag wat er met de pensioenfondsen gaat gebeuren want die worstelen net als die andere hybride organisaties met het probleem van wie die miljarden nu eigenlijk zijn, en de pensioenfondsen staan wel dicht bij de al genationaliseerde overige sociale zekerheid. Het zou mooi zijn als er eens een systematische geschiedenis geschreven zou worden over hoe diverse stichtingen en stichtingen van stichtingen gebruik hebben gemaakt van de onduidelijke eigendomsstatus van de bijeengebrachte gelden, om er bij gelegenheid leuke dingen mee te doen – zonder dat degenen voor wie de fondsen ooit bedoeld heetten te zijn daar wat over te zeggen hadden. Zonder dat ze het doorhadden ook, of het pas doorkregen toen het te laat was. Zoals met de verkoop en de gevolgen daarvan van het havenpensioenfonds. Dat in dat opzicht allerminst uniek is gebleven. Het is, in ditzelfde verband, overigens jammer dat de pensioenfondsen als zodanig door Herderscheê wat karig worden bedeeld in zijn verhaal. Overigens, wat er wel wordt verhaald is ook zonder die pensioenfondsen de moeite meer dan waard.

Voor iemand zoals ik is het boek een ware Fundgrube van de gebeurtenissen die de polders hebben gemaakt tot wat het is. Tegelijk besef ik dat de schrijver daarmee z’n publiek heeft beperkt – wie het allemaal niet heeft meegemaakt of in onderwijs en in nieuwsgaring heeft meegekregen dan wel opgepikt, zal er een zware dobber aan hebben. Niet omdat het moeilijk geschreven is, allerminst. Het is geen kwestie van schrijfstijl, het is een kwestie van herkenning. De proef zouden, behalve de parade van meer en minder bekende namen van de bespelers van het polderveld,  de afkortingen kunnen zijn. Ik moest toch weer even wat opdiepen bij het weer tegenkomen van brouwsels als de diverse varianten van de OSV, van Tica, Ctsv, Uszo, SFB, Guo en zo veel, veel meer. En dan heb ik ze in mijn werk in enigerlei verband nog wel eens moeten onderzoeken, vroeger en soms wat langer en soms niet eens zo lang geleden. Wie dat gemengde genoegen niet heeft gehad zal het lezen minder eenvoudig vallen, vrees ik. En dat is jammer want het boek verdient een groot lezerspubliek.

Herderscheê spreekt enigszins verbaasd over het verdwijnen van de publieke arbeidsvoorziening, dus de arbeidsbureaus, de CWI’s, en nu ook het ‘werkbedrijf’ van het UWV. Alle landen hebben een publieke arbeidsvoorziening, alleen Nieuw-Zeeland en Nederland niet of niet meer. De laatste fase van onze arbeidsvoorziening was al een fase zonder invloed van werkgevers en werknemers. Het was dat ene loket waar Flip Buurmeijer zo blij mee was (Buurmeijer is de man die met afstand het vaakst wordt genoemd in het boek). Een levenswerk! Een beter recept voor mislukken dan dat ene loket waar je niets te vertellen hebt als je werk zoekt en waar de werkgever geen toegang heeft, lijkt me niet eenvoudig te bedenken. Er is inmiddels dan ook niets van over. Het is blijkbaar niet meer nodig. Waarom niet? Omdat de sociale zekerheid van vandaag wordt ingezet om te bereiken wat de arbeidsvoorziening nooit wist te bereiken: het vermijden van de situatie dat je bij de sociale zekerheid moet aankloppen. Kom je bij de sociale zekerheid op de koffie dan kun je het wel schudden. Dat besef is tamelijk wijdverbreid zo zoetjesaan en wie heeft dan nog een afzonderlijke arbeidsvoorziening nodig? Met de stok van de sociale onzekerheid achter de deur kan de markt het beter. Flexwerk rukt steeds meer op – over niet al te lange tijd hebben we het wapengekletter over het ontslagrecht opgeborgen in het archief van de dingen die voorbij zijn gegaan. Het is zo eenvoudig: maak van het arbeidsrecht zelf een voorziening, privatiseer die vervolgens en klaar zijn we. Die conclusie had, naar aanleiding van de ontmanteling van de publieke arbeidsvoorziening, in dit rijke boek best een plekje mogen hebben.

De werkgevers en de werknemers zijn de uitvoering van de sociale zekerheid kwijt. Als ik me niet vergis zouden de werkgevers er ook niet rouwig om zijn als dat zich ook over de pensioenfondsen ging uitstrekken. Dat roept het vermoeden op dat de begrafenisfondsen het zo gek nog niet hebben gezien. De onderlinge kan best – maar dan in de beperkte betekenis van het woord, een betekenis die de kring niet groter maakt dan hen die hebben ingelegd. Vanuit dat gezichtspunt zijn gezamenlijke fondsen van werkgevers en werknemers op zichzelf al hybride – en dat is geen aanbeveling in onrustige tijden.

Als ik de toon van het boek goed heb beluisterd ontwaart Herderscheê nog genoeg van waarde in de vertrouwde hybride polder als ontmoetingsplaats. Maar, met het verdwijnen van de uitvoering van de sociale zekerheid zijn er minder ontmoetingen. Ook minder baantjes en de bijbehorende emolumenten maar vooral minder ontmoetingen en in die ontmoetingen, in het overleg, lag de ‘functie’ van de polder. Het bevorderde de expertise over de sociale zekerheid en het bevorderde het onderlinge begrip, ook als de meningen behoorlijk uiteenliepen. Daar is aan getornd en niet zo’n beetje ook. Herderscheê betreurt dat, en is allerminst zeker over het vervolg, over de toekomst van de polder. De werkgevers presenteren zich tegenwoordig liever als ondernemer dan als werkgever, de vakcentrales zijn niet immuun voor de politieke polarisatie in het land en hoe graag je de rust ook wilt bewaren in arbeidsvoorwaardenland, het kan zo uitkomen dat je die rust niet langer als het kroonjuweel van de polder wilt koesteren. Inderdaad, het kan zo uitkomen.

Overigens is van de armen begraven worden ook de schande niet meer die het ooit was. In Amsterdam, zo meldt de schrijver, is er zelfs een ‘grafdichter’ voor aan het werk. Met de auteur hoop ik dat zijn boek niet een gedicht is, uitgesproken bij de begrafenis van de polder.

10 juni

=0=

 


Emanciperen

In de Volkskrant lees ik dat etnische minderheden en emancipatiebeleid niet langer iets met elkaar te maken hebben. In de hoofdlijnen van dat beleid, zoals uiteengezet door minister Van Bijsterveldt, gaat het alleen nog over vrouwen, homo’s en lesbiennes en transgenders. Dan gaat het dus nog wel degelijk over ons beeld van etnische minderheden denk ik dan maar want intolerantie ten opzichte van andere smaken, dat kenmerkt hen. Ons niet. Zijn die hoofdlijnen de minister gedicteerd door de PVV? Het zou me niets verbazen.

Hoewel de hoofdlijnen bol staan van de verwijzingen naar het VN Vrouwenverdrag en het enthousiasme dat het kabinet eraan ontleent, Donner heeft daar niets mee te maken. En met Donner het kabinet niet. Daar zou toch eens wat mee gedaan moeten worden, en ook met de praktijk dat ambtenaren kunnen weigeren een homopaar te trouwen. Met een beroep op de hoofdlijnen kan de Kamer vragen om uitvoering van het besluit over het vrouwengeklier van de SGP en om een keurig gareel voor weigerachtige ambtenaren. Het zal niet gebeuren, de hoofdlijnen zijn er niet voor ons, ze zijn er voor hen, juist omdat we ze niet noemen.

Maar stel je eens voor dat de Kamer Donner oproept tot maatregelen tegen de tegenstribbelende trouwambtenaar. Ik zou het snel doen als ik in de Kamer zat, al was het maar om Donner tot enig bestuurlijk inzicht te dwingen rond het bestuursdictaat dat de goede man als bestuursakkoord blijft verkopen. Met dat dictaat heft Donner immers de bestuurlijke autonomie van de gemeenten op (en van de waterschappen en van de provincies). Die moeten gewoon uitvoeren wat de centrale overheid hen oplegt. Dat heeft met decentralisatie even veel te maken als de dwingende opdracht die in gelukkiger tijden door de werkgever aan de werknemer werd verstrekt. Niemand die er maar aan dacht zoiets decentralisatie te noemen. Donner, die denkt er aan, net zoals Van Bijsterveldt eraan heeft gedacht om de emancipatie uit te kleden en ons (hen natuurlijk ook) op te leggen dat maar wat mooi te vinden.

Laat de Kamer maar eens in actie komen. Wedden dat Donner de gemeentelijke autonomie erbij zal halen om niets te hoeven doen tegen de onwillige gemeenteambtenaar?

Het komt best in orde met de emancipatie in dit land. Gewoon, decentraliseren.

9 juni

=0=

 


Eerste viool

Als het je geboorterecht is de eerste viool te spelen, wat overkomt je dan als dat recht je ontnomen wordt? Het overkomt Sigrid, één van de twee hoofdfiguren in de nieuwe roman van Lucette ter Borg, Valkruid (Amsterdam, Cossee 2011). De andere hoofdfiguur is Valentine, haar één jaar jongere zus. En eigenlijk is er nog een hoofdfiguur, een viool die Sigrid kocht en waarvan ze hoopt dat het een zeldzame, kostbare viool is, een viool die haar de rang van eerste violist zal teruggeven. Die viool staat model voor het valkruid, een kruid dat zowel giftig is als geneeskrachtig. En als je erin valt krijg je blaren. Sigrid hoopt op het geneeskrachtige zullen we maar zeggen. Dat geeft haar wanhoop mooi weer. Wie gelooft nu dat de aanschaf van de racefiets van Lance Armstrong je tot kanshebber voor de Touroverwinning maakt? Sigrid zou het geloven.

De zusjes komen oorspronkelijk uit Bohemen, zijn net voor de oorlog naar Twente verkast, zijn daar getrouwd. Twee keer een misvangst, die van Valentine een grotere dan die van Sigrid. Valentine is, met opluchting, al enige jaren weduwe. Ze heeft een zoon – die haar nogal mijdt.  De zussen vertrekken, voor het eerst sinds dertig jaar, samen voor een reisje langs de Rijn. Inmiddels is Sigrid 63 en Valentine 62. Van de mooie meisjes die ze ooit waren is een magere en knokige Sigrid overgebleven en een dikke, altijd etende (‘om de leegte te vullen’) Valentine. Ze zijn oudere vrouwen nu – en het lichaam wil niet altijd meer alles wat een reisje langs de Rijn, en überhaupt het reizen, vergt. Het wordt ons meegedeeld door misselijkheid, kokhalzen, stoelgang, rugpijn, pijn in de voeten, boeren, winden, oorpeuteren. Elsbeth Etty zag van al die dingen de ‘functie’ niet, las ik in haar piepkleine karakterisering van het boek. Echt niet? Nu, de zussen kunnen weinig van elkaar hebben maar ze zijn allebei wel oud genoeg geworden om te beseffen dat oud worden zo z’n gevolgen heeft.

Sigrid heeft het reisje bedacht en ze heeft er een bedoeling mee. Ze wil haar viool laten onderzoeken op herkomst, kwaliteit, uniciteit en daarvoor moet ze in Duitsland zijn. Kort daarvoor heeft ze te horen te kregen dat haar positie als concertmeester in het Twentse concert haar zal worden afgenomen. Ze is niet goed genoeg meer, ze heeft haar dagen gehad. Het reisje moet haar de viool opleveren die haar herstelt in haar status van eerste. Valentine heeft ze daar niet over ingelicht.

Van jongs af aan was zij de eerste, met Valentine op het tweede plan. Zo had hun vader, even onbetrouwbaar als hun moeder onvoorspelbaar was, het beslist. Zij de viool, Valentine een ondersteunende piano. Ze treden al op jonge leeftijd op. Eenmaal getrouwd laat Valentine het optreden voor wat het is en wordt pianolerares. Sigrid blijft in de muziek. Die heeft een ‘carrière’ gehad (Valentine zegt het herhaaldelijk). Het valt wel mee, denken wij, lezers, dan, maar in elk geval denkt Valentine dat haar zus het beter heeft gedaan dan zij. Tot Sigrid opbiecht dat ze in haar orkest wordt teruggezet en totdat Valentine eindelijk doorheeft hoe het toch zit met die viool die Sigrid de hele tijd meesleept en nooit bespeelt.

Het reisje is een uitstekende aanleiding een heel leven van na-ijver uit te pakken. De zussen weten te veel van elkaar, er is conflictstof, er is hun jeugd, er is de relatie geweest tussen Valentine en de man van Sigrid, er is de superioriteit van Sigrid, er is het nog altijd niet versleten isolement van Valentine – wier man zo stom was de kant van de NSB en de Duitsers te kiezen. Er is zoveel, en tegelijk zo weinig waardoor de zussen vrede hadden kunnen sluiten met hun eigen leven en op basis daarvan ook met dat van de ander. Nu spelen ze een nulsom spel met elkaar, mooi verwoord door elk hoofdstuk te laten vertellen door afwisselend één van de zussen. Als het goed lijkt te gaan met Sigrid, gaat het niet goed met Valentine, en omgekeerd. Ze gunnen elkaar het licht in de ogen niet zou mijn moeder zeggen.

Het wordt natuurlijk niks met die viool en het wordt ook nooit meer wat met de carrière van Sigrid. Zoveel kunnen we wel voorspellen. Zoveel voorspelt ook Valentine die zich steeds beter voelt naarmate de afgang van Sigrid scherpere vormen aanneemt. Wat de één kwijtraakt wordt door de ander als wapen ingezet. De viool wordt het gif voor Sigrid, haar valkuil, en het ding lijkt de genezing voor Valentine in te luiden.

Zo ver laat de schrijfster het niet komen. Het einde is bruusk, dramatisch, te zwaar aangezet. Als ik de uitgever was geweest had ik de schrijfster aanbevolen het laatste hoofdstuk anders in te richten. Jammer, maar het neemt niet weg dat ik een mooi, ik zou willen zeggen ‘spannend’, boek heb gelezen.

7 juni

=0=

 


Afserveren

Hij is meer ontspannen, zei Elly. We keken naar Buitenhof, naar Wellink. Een vertrekkend president van DNB. Je kon het zien. Wellink maakte grapjes en dat ging hem goed af. Over Lippens, over Vermeend, over Buiter. Lippens werd met ironie bestreden, Vermeend werd afgeserveerd (‘weet veel van belastingen’, maar dat is niet hetzelfde als iets weten van een  financiële crisis in Griekenland), Buiter werd eerder als een laboratoriumexpert weggezet dan als een huisarts, als iemand aan het bed. Maar je gaat een zieke patiënt toch niet lastig vallen met statistieken en waarschijnlijkheden? De kans op genezing, hoe miniem ook, hangt toch ook af van het vertrouwen dat de patiënt er zelf nog in heeft? En is de huisarts er ook niet voor om het vlammetje van de vertrouwen aan de praat te houden, te versterken misschien wel? Vast. Maar toch. Economen vallen bij lastige dingen of terug op de moraal of op medische metaforen. Wonderlijk. Een na-ijlend effect van de Fysiocraten? Je weet maar nooit.

De vraag is of, als Vermeend zoveel weet van belastingen, hij gelukkig zou zijn met de nieuwe definitie van belastinggeld die Wellink introduceerde: ‘het is pas belastinggeld als het niet terugkomt’. Het ging over extra geld voor Griekenland. Wellink betoogde dat het nu nog veel te vroeg is voor schuldsanering. Eerst moet Griekenland z’n lopende huishoudboekje op orde hebben, pas dan kun je kijken naar de schulden uit het verleden. Ik wist niet dat je, behalve op papier, die dingen zo mooi kon scheiden. Wellink leek er geen probleem mee te hebben en de interviewer vond weer alles goed. Alweer een vernieuwing. Ik had overigens verwacht dat Wellink ondervraagd zou worden over de opvatting van Trichet dat Europa maar eens moet nadenken over een Europese minister van financiën. Dat was toch een opmerkelijk standpunt van een man die blijkbaar meent dat serieuze besluitvorming in de EU een duwtje nodig heeft want zelf komen de politici er niet uit. Die spreken alleen nog voor de bühne en waar ze verder over spreken blijft buiten de mededelingen.

Het heden is één ding, het verleden een heel ander. En, het is pas belastinggeld als het niet terugkomt. Als de Grieken niet betalen dus. Ik blijf het verbazende omschrijvingen vinden. Over dat belastinggeld, wat is het dan in de tussentijd, in de tijd dat we nog niet weten of de Grieken betalen? Een manoeuvre zonder gevolgen voor de manier waarop je het belastinggeld voor andere kwesties dan Griekenland, wat die ook mogen zijn, kunt inzetten? Voor andere dingen dan dat krediet voor Griekenland dus? Bestaat die gratis lunch waar economen altijd voor waarschuwen dan echt? Hebben we met één beweging het concept van de alternatieve kosten (‘opportunity costs’) afgeschaft? Misschien? In het geval dat Griekenland wel betaalt?

Het was mooi om te horen hoe Vermeend z’n trekken thuis kreeg. Afgeserveerd. Maar omdat hij nu eenmaal wel wat van belastingen weet en dus van belastinggeld ben ik toch benieuwd wat hij van de terminologische vernieuwing van Wellink vindt. Gek, ik had de indruk dat ook Wellink gisteren uitsluiten voor de bühne sprak.

6 juni

=0=

 


Straffer

Kennelijk gaat het niet goed in de Nederlandse gevangenissen. Tal van dagactiviteiten zijn geschrapt, gevangenen zitten langer op cel, de bewaking is deels overgenomen door cameratoezicht, bewaarders worden vervangen door beveiligers, het aantal gevangenen met psychische problemen is gegroeid, de gevangenispopulatie wordt steeds veeltaliger en daarmee wordt de onderlinge communicatie steeds lastiger, het is een lange lijst. Een paar jaar geleden liep ik regelmatig rond in Overmaze, een gevangenis in Maastricht. Ik sprak met bewakers en leidinggevenden. Allen maakten zich grote zorgen. Als tegenprestatie werden ze beloond met reorganisaties en reorganisatieplannen. En met nieuwe concepten, die ook. Je schaft wat af en noemt het een kwaliteitsimpuls. Op uitvoeringsproblemen wordt niet gelet, alsof er wel besturingsproblemen en nooit uitvoeringsproblemen zijn. Het is vragen om ellende.

Uit de opmerkingen van staatssecretaris Teeven – ik hoorde ze gisterochtend op radio 1 – leid ik af dat voor hem de zaak heel eenvoudig is. Sommige gevangenen doen hun best, andere gevangenen doen dat niet. De eersten zullen het beter krijgen, de laatsten zullen het slechter krijgen. Het probleem zit in de gevangenen en nergens anders in, dat is het wereldbeeld van Teeven.

Ik sprak een bewaarder die me vertelde dat hij, een dag voor ons gesprek, met de lift naar de bovenste verdieping van Overmaze was gegaan. De moeilijkste gevangenen zitten boven. Het was heet, toen, en hoe hoger je in het gebouw kwam hoe heter het werd. Beneden, waar wij elkaar spraken was het al bijzonder warm, daarboven moet het een oven geweest zijn. Het was een oven, zei hij. Hij kwam aan, deed de liftdeur open, zag dat zijn collega niet in het kantoortje zat (de regel is dat, tenzij je veilig in het kantoortje zit, je minimaal met twee mensen moet opereren en daar hield men zich aan. Wel werd het aantal gevangenen dat door twee bewaarders werd bewaakt steeds verder opgehoogd). Er kwam een gevangene op hem af en hij wist dat er gevaar in de lucht hing. Je kent de mensen op een gegeven moment, zei hij, en dan weet je elke beweging te taxeren als bedreigend of niet. Dit keer was het bedreigend. Een getroebleerde gevangene en een bewaarder die er even alleen voor staat. Hij werd gered door de gong: zijn collega kwam terug en de gevangene keerde terug op zijn schreden. Mijn gesprekspartner zei dat er in de loop der jaren steeds meer gevangenen bij waren gekomen die eerder op een psychiatrische afdeling dan in een reguliere gevangenis thuishoorden. Hij zei ook dat als je met die mensen wat moest de eerste voorwaarde was dat je ze wat langer kon observeren. Het beleid, zei hij, liet dat steeds meer aan een camera over.

We mogen aannemen dat deze gevangene door de staatssecretaris op een strenger regime zal worden onthaald. Dan treffen we hem nooit meer buiten de cel aan. Probleem opgelost. Noem het versobering en je hebt nog een mooi doekje voor het bloeden ook.

Teeven minacht gevangenen. Hij denkt dat het rekenmachines zijn die in staat geacht moeten worden de voor- en nadelen van hun handelingen in te schatten en gaat het dan fout dan zijn zij fout. Ze zijn niet zo gek als een deur. Ze zijn fout en fouten worden bestraft. Vandaar de minachting. Daar hoort een begeleidende minachting voor de bewaarders bij. Het eerste zou de staatssecretaris misschien wel willen toegeven. Ze hebben het ernaar gemaakt, toch? Het tweede zal hij niet durven zeggen. Dat hoeft ook niet. Ik weet zeker dat de bewaarders de boodschap uitstekend zullen begrijpen.

5 juni

=0=

 


Vervloekt

Het boek van Martin Pikaart, De Pensioenmythe (Amsterdam/Antwerpen, Uitgeverij Business Contact 2011), begint met een omschrijving van wat een mythe is. Het is een opmerkelijke omschrijving. In de beleving van Pikaart is een mythe zoiets als een vloek die mensen in hun domheid over zichzelf afroepen en waarvoor latere generaties nog altijd moeten boeten. Het boek had daarom De Pensioenvloek moeten heten. En Pikaart vervloekt die vloek waaraan hij onschuldig is en waar hij en zijn generatie toch voor moeten bloeden. Het boek staat in het teken van de woede en het beschrijft de zoektocht naar en de misdaden van de aanstichters van al dat kwaad. De aanstichters, dat zijn de bonden. Niet de werkgevers, niet de pensioenfondsen, niet de pensioenbeleggers, niet de overheden. De bonden. Pikaart is voorzitter van het AVV, het Alternatief voor Vakbond. Wat dat alternatief is, is niet moeilijk te raden. Dat is de overheid, de ‘politiek’: ‘Het is de politiek die hier dient in te grijpen. En snel, want het drijfzand wacht niet’ (: 222). Het zijn de laatste zinnetjes in een boek dat teveel van een boos pamflet heeft. Wel een lang pamflet en dat is niet goed. Je schrijft een boek of je schrijft een pamflet maar je moet ze wel uit elkaar houden. Daar is Pikaart niet in geslaagd.

Er is van alles mis met ons pensioenstelsel: er zitten veel te veel omslagelementen (waaronder de ‘doorsneepremie’) in onze geroemde kapitaaldekking bijvoorbeeld en die zetten de generaties na de babyboomers op afstand, gewoon, omdat het veel kleinere generaties zijn. Plus de indexatie en plus de welvaartsvastheid. In de hoogtijdagen van de eindloonregelingen werd een en ander nog versterkt  door de zogenaamde ‘backservice’ – maar Pikaart verzuimt te vermelden hoeveel eindloonregelingen er überhaupt nog zijn, net zoals hij verzuimt te onderscheiden tussen de nadelige gevolgen van omslag en backservice voor jongeren vergeleken met de nadelige gevolgen voor de lagere inkomens die wel pensioen kunnen sparen maar financieel toch amper boven het niveau van de AOW uitkomen. Hij noemt het, hij berekent het niet. Hij berekent op basis van modellen en vergeet de reële gegevens mee te nemen (: 129-140). Waarom? Om vooral te benadrukken dat de jongeren het gelag betalen en dat de bonden de echte boosdoeners zijn (: ibid. en 206-208). Niettemin, de babyboomer van net vijftig jaar die werkloos is geworden, is een tamelijk veel voorkomend geval. Vut? Nee. WW? Eventjes en uitsluitend als geoormerkte uitkering. Kansen op de arbeidsmarkt? Mmm. In de huidige constellatie krijgt een werkloze werk aangeboden maar geen baan. Te oud, weet je wel. Babyboomer? Dan ben je stokoud dus vergeet het maar. Hoeveel mensen kunnen het inderdaad vergeten? Hun verdere pensioenopbouw vergeten – en het al opgebouwde pensioen zal op hun 65e weinig tot niets meer opleveren. Dat geldt overigens breder – voor zo ongeveer het totaal van de sociale verzekeringen waarvan de staat de regie heeft overgenomen. Pikaart (: 36) vindt het prachtig – nu de pensioenen nog. Hij heeft er de wegvallende premies van de werkloze babyboomer graag voor over. Die premies zijn niet interessant, de claims zijn het en elke vervallen claim is meer waard dan al die premies bij elkaar. Werkloze babyboomers, daar zouden er meer van moeten zijn. Hij zegt het niet, hij impliceert het. Nu, althans dit kabinet zal Pikaart op z’n wenken bedienen.

Zouden de uitkomsten zo tegen kunnen vallen dat (net zoals het CPB kort geleden berekende dat de generatie waar Pikaart voor zegt op te treden door de staat niet het minst maar het rijkst bedeeld is – een studie die Pikaart niet noemt), Pikaart had moeten concluderen dat het niet de jongeren maar de lage inkomens zijn die de prijs van de rijkdom van de anderen betalen. Zoals met de AOW: eerder een subsidie van arm aan rijk dan een faire verdeling van lusten en lasten? Zoals überhaupt met de regelingen van de verzorgingsstaat. Arm en rijk, dat zijn geen extremen van jong en oud, het zijn meer en meer extremen van laag- en hoogopgeleid. Leeftijd, opleidingen en banenkansen, die drie bepalen de mogelijkheden voor pensioenopbouw. Daar had dit boek op in moeten gaan – en dat doet het niet. Pikaart houdt niet van laagopgeleiden. Bij de spaarzame acties van laagopgeleiden – zoals met de schoonmakers – ontbreekt zijn AVV. Niet interessant. Geen ‘doelgroep’. Die zijn ook natuurlijk lang niet allemaal jong en verder is oud en laag opgeleid een waarschijnlijker combinatie dan jong en laag opgeleid. Pikaart slaat het liever over. Waar goede data en berekeningen nodig zijn krijgen we niet meer dan de vooropgezette mening van Pikaart dat linksom of rechtsom de jongeren de klos zijn. Hinderlijk, en vooringenomen.

Verder, Pikaart wijst er terecht en met nadruk op, is de verhouding tussen premiebetaling en beleggingsrendement een risico – een risico dat in omvang sinds de jaren tachtig in omvang sterk is toegenomen. De uitkeringen moeten steeds meer uit de rendementen komen en dat is lastig als de mensen rekenen op een vast pensioen, de rendementen fluctueren en als er steeds minder werknemers zijn die premie betalen en steeds meer ex-werknemers die een uitkering verwachten. Die spanning zat er altijd al in maar uit het boek haal ik dat de periode sinds de jaren tachtig de meest belangrijke – of de meest beladen – is geworden. Het premieverloop sinds de jaren tachtig is nogal grillig: relatief hoge premies tot en met 1980 en vanaf rond 2005, veel lagere en erg fluctuerende premies in de tussenliggende jaren. De jaren negentig kennen we, het leek niet op te kunnen, tot de internetzeepbel uit elkaar spatte. De jaren tachtig zijn de meest merkwaardige. Scherp dalende premies bij een even scherp toenemend gebruik van de VUT. Het waren de jaren van de eerste grote shake-out van oudere werknemers en wat je had mogen verwachten gebeurde niet. De premies stegen niet, ze daalden. Dat kwam niet door de rendementscijfers, het kwam door wat Pikaart de ‘rijping’ (: 97) van de fondsen noemde, en die rijping zorgde ervoor dat het vermogen van de fondsen gestaag omhoog ging. In 1980 besloeg het pensioenvermogen de helft van het BNP, in 2000 was het al meer dan het totale BNP, in 2020 wordt het anderhalf keer het BNP en in 2040 twee keer het BNP (: 96). De rendementen, daarom, zijn percentages over een steeds groter vermogen. Ook als, zoals Pikaart stelt (: ibid) de komende twintig jaar ruim zeventig procent van het vermogen van de fondsen uitgekeerd wordt aan de pensionado’s blijft een vermogen over van om en nabij de omvang van midden jaren negentig – ter dekking van dan veel minder uitkeringen. Dat laatste vergeet Pikaart te melden.

Niks aan de hand dus. Wie arm was blijft arm, wie het wat beter heeft blijft het wat beter houden. Zo is de sociale zekerheid opgezet en de pensioenen passen daar keurig in. Maar of het klopt? Dat is nu precies wat we niet weten want de voorspellingen over schulden en rendementen hangen af van de waardering van de verplichtingen van de fondsen en van de waarderingen van de beleggingen en hun rendementen. Het gaat om de (lange) rente en om het lange termijn rendement op aandelen. En het gaat om het beleggingsbeleid. Op alle drie fronten zien we dat de onvoorspelbaarheid is toegenomen, alweer in het bijzonder sinds de jaren tachtig, de jaren van het grote dereguleren, van het ‘vrijmaken’ van de financiële sector. Daarin hebben de pensioenfondsen mee willen spelen en dat hebben ze dan ook gedaan. Heeft het wat opgeleverd? Nee, zou ik menen, gelet op de nogal ongesorteerde en licht tegenstrijdige opmerkingen van Pikaart dienaangaande (: 105-117, 122-126). Nu ja, het heeft een grotere onvoorspelbaarheid opgeleverd, en daarmee snelle fluctuaties en de nodige paniek, afgewisseld met gejubel over de oneindige mogelijkheden op financiële markten – zolang het goed gaat. Dat, echter, past niet in het beeld van Pikaart. In zijn wereld zijn het de bonden die het hebben gedaan en wat er ook mag gebeuren, die conclusie staat vast. En dat is jammer en overbodig en het riekt teveel naar een complot. Het bederft het boek.

4 juni

=0=

 


Schreeuw

Nog in de vorige eeuw schreef  Pim Fortuyn zijn ‘De verweesde samenleving’. De centrale stelling van dat essayistische boek was dat “[w]ij leven in een tijd zonder richting, zonder ideologieën, zonder aansprekende ideeën, zonder vaders en moeders, kortom in een samenleving van wezen”. Nu, in 2011, komt Bas Heijne in zijn serie essays, verzameld in het mooie Moeten wij van elkaar houden? (Amsterdam, De Bezige Bij 2011) tot een vergelijkbare slotsom. Dat is opmerkelijk want Heijne en Fortuyn zijn twee werelden. Heijne moet niets hebben van de politieke richting die Fortuyn, gegeven diens probleemstelling, is ingeslagen. Bij hem geen ‘religieus-sociologisch’ traktaat (de ondertitel van het boek van Fortuyn). Heijne hangt geen God aan, maar houdt een pleidooi voor ‘de onbekende god’, de god van de twijfel (: 131-140). Zijn vraag: ‘hoe zeker moet je zijn om de twijfel te kunnen huldigen?’ Nu, zoveel zekerheid was Fortuyn niet gegeven.

Ze delen een probleemstelling, niet de oplossingen (Heijne, o.c.: 93-97). Want, voor zover Heijne aan oplossingen denkt gaan die allemaal in de richting van de behoefte aan nieuwe, aansprekende verhalen, verhalen waarmee een brug geslagen kan worden tussen de rede van een humanistische Verlichting en het emotionele recht op onbehagen over je buren. Nee, wij moeten niet van elkaar hoeven houden. Het serieuze probleem is te bepalen wie wanneer, onder welke omstandigheden en waarom onder dat ‘wij’ valt. Het probleem is bovendien dat niet als een serie ‘als … dan’ regels vast te pinnen maar ook nog de ruimte open te laten voor gebeurtenissen en situaties waarvoor steeds opnieuw nog geen regels zullen blijken te bestaan. Ik denk dat onze grondwet beide restricties aardig accomodeert en ik denk ook dat Heijne (hij spreekt zich er niet als zodanig over uit) daar best mee uit de voeten kan. Fortuyn kon dat niet. Die wou van de grondwet een hitparade maken en hij wist wat op nummer één zou moeten staan. Al het overige was – je zou het een eerste en dominante markering van populisme kunnen noemen – geen twijfel maar lafheid. Zijn oogst is niet de rust/onrust van de twijfel geweest, wel de woede en het ongeduld van het eigen gelijk.

‘Iedereen weet dat er veel gescholden wordt op internet, in Nederland zelfs aantoonbaar meer dan in andere landen’, schrijft Heijne (: 116). Hij verwijst naar de site van de Telegraaf. Hij heeft gelijk. Ik mag die site ook graag raadplegen voor ‘reacties’ van de lezers en ik sta keer op keer verbaasd over wat ik daar allemaal tegenkom. Het liegt er niet om, zou je kunnen zeggen, of ook en meer in de geest van Heijne: daar maken de mensen van hun hart ten minste geen moordkuil. Heijne verklaart het uit onmacht (: ibid) en leest het als een onstilbaar verlangen (‘smachten’) naar ‘gemeenschap’. Daar kun je best een vraagteken bij zetten. Waarom ‘onmacht’ en niet ‘radeloosheid’? Waarom een smachten naar gemeenschap en niet het verzet tegen en de angst voor de (reële of potentiële) gemeenschap van de ‘anderen’, de eis dat die anderen hun gemeenschap geheel en al opgeven? Ik stel die vragen omdat voor mij die ‘gemeenschap’ van Heijne maar geen contour weet te krijgen – behalve die van het stopverbod van de grenspaal. Is er binnen de grenzen ook nog wat van een gemeenschap? En wat dan? Ik heb het in het boek niet kunnen achterhalen.

Heijne lezend zou ik zeggen dat er minder behoefte is aan een gemeenschap dan aan begrijpelijkheid. Zijn eigen voorbeeld is treffend uitgewerkt in een essay met als titel ‘Enter mr. Frank Visser’ (: 65-76). ‘Herkenbaarheid, nabijheid en dialoog’, daar gaat het om en als dat er is accepteren we ook het gezag van de rechter, van de ‘rechter in de regio’, de rechter die naar de mensen toegaat en op locatie en niet in een rechtbank zijn werk doet. Waarom? Omdat, zou je kunnen zeggen, mensen best met hun ongelijk kunnen leven als ze zich maar serieus genomen voelen, als ze gehoord worden. Het gaat, om het oude onderscheid van Fishkin maar weer eens van stal te halen, om procedurele in plaats van substantieve rechtvaardigheid. Onze rijdende dan wel regionale rechter is daar de belichaming van – dat is de herkenbaarheid en de nabijheid en die, op hun beurt, horen integraal bij de mogelijkheid van een dialoog die met het gezag van de rechter kan worden besloten.

Begrijpelijkheid dus, geen gemeenschap. Ik zou denken dat de roep om ‘verhalen’ (bij Heijne, en kort geleden ook in de Den Uyl-lezing ‘Vertrouwen in de symbolische samenleving’ van Mark Elchardus) eerder in het teken van begrijpelijkheid staat dan in die van de gemeenschap. Het enkelvoud van dat laatste woord is verhullend, en het blokkeert de begrijpelijkheid. Gemeenschappen worden net zo makkelijk opgericht als ontbonden en laten zich al lang niet meer kortwieken tot ‘de’ gemeenschap. Wat Heijne de verandering van de wereld in de belevingswereld noemt komt daar op neer, op het je melden en afmelden bij min of meer virtuele gemeenschappen. Dat heeft niets met individualisme te maken als we dat als de tegenpool van gemeenschappelijkheid lezen. Het heeft te maken met nieuwe, min of meer vluchtige, gemeenschappen van mensen die om welke reden dan ook iets willen delen en dan wel zien waar ook dit keer het schip strandt. Nou en? Schepen zat, je hoeft maar om je heen te kijken. We hebben geen land nodig, we hebben een leesbare kaart nodig.

De woede op de ander is eerder je gram halen op hen die ervan worden verdacht nog wel hun gemeenschap te hebben dan een schreeuw om het terugkrijgen van de gemeenschap die wij ooit hadden en waarvan iedereen uit ervaring weet dat die nooit heeft bestaan. Wij moeten helemaal niet van elkaar houden en dat zijn we ook vooral niet van plan – maar wij vermoeden dat zij het wel doen.

Verweesd zijn we niet. Wel is het lastig geworden om chocola te maken van de coördinaten van je kaart. Dat is geen beschuldiging. Het is een opgave.

2 juni

=0=

 


Handen

Alleen in het verkiezingsprogramma van de SP en van de PVV komt het woord ‘verpleeghuis’ voor. Zegt Bert Keizer, gisteren in Trouw. Voor de andere partijen is het niet eens het noemen meer waard. Ouderenzorg is armenzorg, we willen er niet van weten:  ‘De afkeer van oudere mensen, die niet meer bijdragen aan de economie en aan de voortplanting van de soort, die afkeer is er niet uit te knuppelen.’ Dat gaat ver, zeker voor een verpleeghuisarts als Bert Keizer. Het komt niet nergens vandaan. Er is ongerustheid over het gemak waarmee antipsychotica worden gebruikt om dementerende ouderen rustig te houden. Die ongerustheid wordt gevoed door Engels onderzoek dat aangeeft dat als gevolg van medicijngebruik er jaarlijks nogal wat doden vallen onder de ouderen – geen medicijn zonder bijwerking. Voor Nederland wordt, op basis van het Britse rapport, geschat dat het om ergens tussen de 550 en 760 doden per jaar gaat. Het bekende woord van de geslaagde operatie en de overleden patiënt wordt zo wel heel erg praktisch.

De medicijnen worden aangereikt en toegediend door handen. Dat is de reden dat ik zo de pest heb aan die andere uitdrukking, ‘meer handen aan het bed’. Het gaat niet om meer handen, het gaat om meer ogen en oren. Het gaat om tijd en om de continuïteit die nodig is om überhaupt een relatie op te bouwen met een oudere in een verpleeghuis of gewoon met iedereen die in een langduriger afhankelijkheidssituatie verzeild raakt. Ik kom in het artikel in Trouw veel tegen over de bekwaamheden die nodig zijn om goed waar te nemen en goed te luisteren. Dat is waar en we hebben, je hebt vermarkting of je hebt het niet, de zaak steeds meer zo georganiseerd dat elke verrichting een standaardverrichting moet zijn, tegen een standaardtarief en in standaardtijd. In een dergelijke organisatieomgeving kan niet geluisterd worden en kan niet waargenomen worden want in de manier waarop we het hebben georganiseerd zit alles al (alles, er is geen enkele plek voor wat anders), alles wat gezien kan worden en alles wat gehoord kan worden. Toegegeven, er is regelmatig een probleem met ruis maar dat organiseren we ook wel weer weg, met nog betere, nog beter dekkende standaarden. Functiedifferentiatie, protocollen, fijnmazige registratie en voor het al het overige is er het toezicht.

Dat bericht uit Engeland zal wel weer even een schrikreactie geven. Aan de andere kant, wie de staatsecretaris hoort over bezuinigingen op de AWBZ, op het steeds verder afbouwen van de AWBZ en de verplaatsing van de verantwoordelijkheden naar gemeenten en haar onbeschaamde eisen aan de mantelzorg en de ‘vrijwilliger’ weet dat zo’n onderzoek uit Engeland voor haar niet meer is dan een mogelijke voorbereiding op een tv moment.

Mocht het zo ver komen, ik wed dat ze de wens uit zal spreken van ‘meer handen aan het bed’.

1 juni

=0=

 



Prioriteiten

De staatsschuld van de Verenigde Staten is zo om en nabij even groot als het BNP van dat land. Dat plaatst de grootste economie ter wereld op dat punt op ruwweg hetzelfde niveau als Griekenland. Het verschil is dat de Amerikaanse economie tientallen keren groter is dan de Griekse. De vraag is of we ons meer zorgen moeten maken om de Amerikaanse economie dan om de Griekse of juist omgekeerd. Een kwestie van prioriteiten.

In Europa zijn we daar wel achter. De Griekse. Reddeloos verloren en handen van aftrekken. Reddeloos verloren en handen nog niet van aftrekken. Dat zijn de mogelijkheden. Vandaag heeft, in de Telegraaf, Willem Vermeend, financieel productontwikkelaar op veilige afstand en minister in het kabinet dat de Grieken toestond zich bij de euro te scharen, zich aangemeld bij het kamp van mensen die vinden dat de Grieken de eurozone moeten verlaten. Die economie van hen stelt niet veel voor, het zal een beetje pijn doen bij ons maar als ook de banken gedwongen worden een deel van het verlies voor hun rekening te nemen, moeten we het maar doen. Weg ermee. Het is beter voor ons en vast ook voor hen. En passant kwalificeert Vermeend de ECB als lakei van het grote bankwezen. Dat weten we dan ook weer.

De boosheid op Griekenland doet denken aan de boosheid op frauderende uitkeringstrekkers. Peanuts in vergelijking met het grote graaien en lachwekkend in vergelijking met de ijver waarmee de grote problemen worden ontweken. Het bankwezen. De economie van de VS. De staatsschuld in de VS. Het IMF als lakei van de VS. De samenhang ertussen: streng voor Griekenland, de mantel der liefde voor de VS.

Wat Vermeend voorstelt is een gebouw waarvan de fundamenten niet deugen op te knappen –  door een raam in het gebouw dicht te metselen. Hij doet dat in het belang van de kiezer. Een beetje laat maar desondanks.

Politici en ex-politici die de kiezer aanroepen doen mij altijd denken aan ondernemers die het belang van de werkgelegenheid van stal halen als ze steun nodig hebben. Het bekt goed en het gaat over wat anders.

31 mei

=0=

 


Met man en macht

Zaterdagavond bezocht Bill Clinton een café in Amsterdam. Koffie en appeltaart. Er werden nogal wat foto’s gemaakt. En handen geschud, veel handen. Met de machtigen der aarde, of zij die ervoor doorgaan, wordt graag handen geschud. Aanraking, nabijheid, het is alsof je deelt in de macht want macht is, wat het verder ook is, afstand. De machtigen zijn onbereikbaar. Dan laat je je een buitenkansje die afstand te overbruggen niet ontgaan – laten we zeggen dat het een public relations fooi van Clinton is geweest. Ik zag enkele gezichten. Alsof ze opgetild werden. Kijk mij eens. Een heuse prikkel. Vroeger wou je ook nog een handtekening als bewijs dat het echt was gebeurd, vandaag volstaat een fotootje met je gsm.

Macht erotiseert. Clinton weet er alles van. DSK ook, maar hij was ongetwijfeld even vergeten dat zijn bekendheid die van Clinton verre van evenaart. Daar is hij dan nu wel van op de hoogte. Het is ook moeilijk. Altijd komen ze als ze even de mogelijkheid zien naar je toe. Je hebt lijfwachten nodig en traliehekken en camera’s om ze in de gaten te houden, om ze tegen te houden, om ze van je weg te houden. Ze zijn jouw speeltje op de zeldzame momenten dat je even wilt spelen. Denk je, maar je vergist je. Dat is de keerzijde en het loopt niet altijd goed af.

Gisteren zag ik in Buitenhof Peter van Ingen in gesprek met ex-minister Dekker (tegenwoordig van een ‘taskforce’ die vrouwen aan de top moet brengen) en met een seksuoloog, mevrouw Bezemer. Beiden bleken deskundig op het onderwerp van ongewenste omgangsvormen op het werk. Het had niets met macht te maken maar met mannenmacht. Zet in de top een redelijk omvangrijk contingent vrouwen en het zal gedaan zijn met de mannenmacht en dus met de ongewenste omgangsvormen. Vrouwen zijn minder afstandelijk dan mannen, daarom dus. Daarom? Daarom. Waarmee maar bewezen dat het hele onderwerp niets te maken heeft met macht en alles met mannen. Vrouwen doen zoiets niet. Een vrouw in een machtspositie is daar te fatsoenlijk voor. Die komt uit een andere cultuur – want ook daar waren Van Ingen en de dames het over eens, het was ook een kwestie van cultuur. Of eigenlijk ook weer niet want het gaat niet om cultuur, het gaat om mannencultuur en in die cultuur gaat het niet om de cultuur maar om de mannen die ook daar een beestenboel van maken. Met seksueel getinte grappen en meer. Zelfs als je verzet aantekent blijft het groezelig.

Eindelijk heb ik begrepen wat ‘met man en macht’ betekent. Ik zal Buitenhof er eeuwig dankbaar voor zijn. Overigens bleek Clinton die appeltaart zo lekker te vinden dat hij de hele taart heeft meegenomen. Het is hem gegund en wie wat later ook een stukje wil heeft gewoon pech. Morgen is er weer een dag en hoe vaak komt een mens Bill Clinton tegen?

Jammer, daar ging het niet over in Buitenhof. Daar denken ze dat macht een bedenkelijke moraal is waar je je met graagte tegen afzet. Macht is in die contreien zelf al een ongewenste omgangsvorm. Wel lekker overigens. Ik zag ze ervan genieten. Macht is verleiding – bij Buitenhof staan ze erboven. Macht, dat zijn de anderen.

30 mei

=0=

 


Aanbieding

Als je voorzitter van de Eerste Kamer wilt worden en je weet niet zeker of de leden dat een goed idee vinden, dan moet je je eigen meerderheid organiseren. In de huidige verhoudingen betekent dat het paaien van de SGP. De VVD raakt er steeds meer bedreven in. Het regent voordelige aanbiedingen. Daaronder, en hoogstpersoonlijk door mevrouw Dupuis verpakt, het muilkorven van het wetenschappelijk onderzoek. Mevrouw Dupuis komt uit de wetenschap dus dat zit wel goed. Het gaat als volgt.

Je laat je interviewen door NRC Handelsblad. Je zegt:  ‘Kerkklokken horen bij Nederland’. Lees: dat moskeelawaai hoort hier niet. Je zegt ook: ‘Met de SGP werk ik al twaalf jaar samen, zeer naar tevredenheid’. Lees: paars heeft nooit bestaan. En dan zeg je: ‘Op de medisch-ethische dossiers is het vrij rustig. Ik ben zelfs eerder gestopt als hoogleraar medische ethiek dan het moment waarop dit, gezien mijn leeftijd, had gemoeten. Het medisch-ethische debat is zelfs vrij saai geworden. Het is gewoon duidelijk hoe het ervoor staat’. Lees: als ik het medisch-ethisch onderzoek op sterk water moet zetten om voorzitter te mogen spelen dan doe ik dat. Lees het met uitpuilende ogen, zo groot als schoteltjes. En sta perplex.

Mevrouw Dupuis heeft in 2003 de universiteit vaarwel gezegd. Toen was het dus al ‘vrij rustig’ en ‘vrij saai’ met die medische ethiek van haar en bovendien als het gewoon duidelijk is hoe het ervoor staat moet je niet langer je hoogleraarsalaris willen incasseren want onderzocht hoeft er niets meer te worden. Dat is gewoon duidelijk. Wat er ook gebeurd mag zijn op zulke gebieden als abortus en euthanasie, als gentherapie en embryo-onderzoek, als klonen en stamceltherapie, het is gewoon duidelijk dat het allemaal vrij rustig en saai is geweest en dat er ook niets te gebeuren staat waar de SGP zich zorgen over hoeft te maken. En mocht dat wel gebeuren dan staat mevrouw Dupuis er garant voor dat er niets gebeurt.

Zou de SGP dan nog aarzelen? Natuurlijk doet de SGP dat want aan zulke groteske flauwekul wordt ook in die kringen geen enkel geloof gehecht. Bij de VVD, daar zullen ze het geloven maar daar doet men dan ook alles om een meerderheid te krijgen.

Ik moet toegeven, mevrouw Dupuis heeft wel rekening gehouden met de kans dat de SGP haar medisch-ethische woord niet altijd voor zoete koek zal aannemen. Daarom wordt, om het mooi af te ronden, ook de scheiding van kerk en staat in de aanbieding gedaan. Als je toch bezig bent moet je het goed doen. ‘Eigenlijk’, zegt mevrouw Dupuis, ‘is de Church of England de ideale Kerk’. Ze voegt eraan toe: ‘De Kerk moet worden gescheiden van de Staat, maar niet absoluut’. Ze had, met haar ideaal in het achterhoofd, ook kunnen zeggen: absoluut niet.

Dat de VVD nog eens zou pleiten voor een staatskerk bewijst de kracht van het geloof. De wonderen zijn de wereld nog niet uit.

29 mei  

=0=

 


Hoffelijkheid

Gisteren verwelkomde onze nationale en zelfbenoemde opperconservatief Bart-Jan Spruyt (in de opinierubriek van de Volkskrant) wethouder Andrée van Es in het conservatieve kamp. Ik aarzel dan altijd wat, niet bij Van Es maar bij het conservatisme van Spruyt. Hij was toch de man die dacht ook Wilders voor zijn conservatieve karretje te kunnen spannen? Nog maar enkele dagen geleden had Wilders het, allerminst hoffelijk, over ‘islamitisch stemvee’, geïmporteerd door Job Cohen. Nieuw in ruwheid was dat niet. Voor Spruyt was het nooit een probleem. Dat krijg je, als je van conservatisme partijpolitiek wil smeden. Om met Lance Armstrong te spreken: I rest my case.

Misschien zal het de wethouder wel gerust stellen dat ze zo kon worden misverstaan. Want als ik het goed heb begrepen is haar oproep om hoffelijkheid in de allereerste plaats een correctie op de verkrampte integratieretoriek die sinds jaren het publieke debat, de publieke toon en de publieke omgangsvormen domineren. En daar aan een aanzienlijke verruwing hebben bijgedragen. Nee, geen oorzaak maar een bijdrage. De hoffelijkheid waar Van Es naar op zoek is zoekt niet de verschillen om die uit te vergroten maar de overeenkomsten om vanuit die gedeelde (‘overlappende’) consensus verder te gaan, in de richting van en gericht door een idee van wat een waardig leven is. Dat is inderdaad een Rawlsiaanse positie en het heeft weinig met het politieke conservatisme van Spruyt te maken. Als je het al aan een politieke stroming wilt binden, dan aan die van het politieke liberalisme, inderdaad, de stroming waar Groen Links zich sinds Halsema aan optrekt. Van Es is dicht bij huis gebleven.

In Trouw sprak ook Frank Ankersmit zich uit. Begin aan de oppervlakte, was zijn mening, en hij dacht daarbij aan het handen schudden. Ik weet niet of ‘oppervlakte’ het juiste woord is en ik weet ook niet of ‘handen schudden’ iets oppervlakkigs is. Ik weet wel dat elkaar begroeten veel met hoffelijkheid te maken heeft. Maar kennelijk is het al zo ver gekomen dat we eerst maar eens moeten vaststellen wat hoffelijkheid inhoudt – voordat we eerst een gebaar van de ander verwachten. Van Es dacht, met een knipoog zoals ze zei, meer aan hartelijkheid, gastvrijheid en openheid. Daar krijgt ze wat mij betreft alle handen voor op elkaar.

27 mei

=0=

 


Poster

‘Als daar maar geen deelgemeenten van komen’. Het was de ter plekke bedachte openingszin van minister Donner op een grote bijeenkomst, gisteren, over de ‘metropoolregio Rotterdam - Den Haag’.  De bezoekers waren, voornamelijk, raadsleden en andere gemeentebestuurders.  De bijeenkomst vond plaats in het Kyocera stadion in Den Haag. Heb ik dat ook eens gezien. Als de bijeenkomst een jaar eerder georganiseerd zou zijn had het nog net het ADO stadion geheten, nu heet het naar de hoofdsponsor van die club. Raar.

Donner reageerde op een toespraak van burgemeester Aboutaleb die de samenwerking van de twee grootste steden in de regio wel in een ‘huwelijk’ zag uitmonden. Een vergezicht ongetwijfeld en de vraag is ook of economische motieven een goede basis voor een huwelijk zijn. Dat economische belangen (het schijnt een vaststaand feit te zijn dat er over niet al te lange tijd nog slechts een klein aantal ‘topregio’s’ zullen zijn overgebleven in Europa en daar wil de metropoolregio graag bij horen – wist ik niet, dat ‘vaststaande feit’) tot meer bestuurlijke coördinatie en tot samenwerking tussen gemeenten aansporen mag voor de hand liggen. Maar een huwelijk? En als het belang zo onomstreden economisch is, moet het motief (bij arbeidsmarktbeleid bijvoorbeeld) dat dan ook zijn? Desondanks, het typeerde de stemming. Ook Van Aartsen was zo ongeveer jubelend, net als andere burgemeesters, wethouders, raadsleden. Er staat al het nodige op stapel: een gezamenlijke vervoersautoriteit, een ov netwerk, het samen optrekken om nieuwe bedrijvigheid te lokken, meer afstemming tussen universiteiten enz. Een economische agenda, voornamelijk. En, zo werd keer op keer benadrukt, het was geen blauwdruk ‘van bovenaf’ opgelegd, het was allemaal ‘van onderop’ gekomen. Daar waren enige kanttekeningen bij.

Zo benadrukten zowel een vertegenwoordigster van het MKB als een vertegenwoordiger van VNO-NCW West dat zij het allemaal prachtig vonden en zo, maar dat het misschien handig was geweest als zij hadden mogen meepraten en meedenken. Invloed, alstublieft, niet alleen applaus. Ook de rol van de provincie kwam, ik druk me voorzichtig uit, niet erg uit de verf. De provincie mag meeliften, niet meesturen. Ik denk dat dat het zo ongeveer samenvat. Over de burgers hoeven we het niet eens te hebben. Het is allemaal voor hen en dat zullen ze dan wel merken. Vermoedelijk spreken de gemeentebesturen en de gemeenteraden voor de burger. Dat is een heroïsche veronderstelling. Lijkt me.

Tja, die gemeenteraden. Een collega van de HHS had me uitgenodigd samen met haar een ‘postersessie’ te begeleiden bij één van de werkgroepen waarin de grote bijeenkomst af en toe werd opgesplitst. Het zou gaan over onderwijs en arbeidsmarkt en, uiteraard, over de mogelijkheden en kansen van meer samenwerking tussen gemeenten op die gebieden. Jaap de Koning van SEOR hield een inleiding, er waren wat vragen over, en daarna de postersessie. Tijdens de vragen werd voornamelijk gelamenteerd over de verdwenen ambachtsschool. Zelfs de huishoudschool kwam weer voorbij. Het was alsof het verhaal van De Koning niet meer dan een aanleiding was om wat stoom af te blazen. Sneu voor hem. Wij werden op hetzelfde onthaald. Opnieuw veel gedoe over de ambachtsschool, gelardeerd met klachten over een teveel aan theorie in het vmbo en over foute (want te vroege en te weinig geïnformeerde) keuzes in het vmbo, met klachten over de vele rechten van mensen en te weinig plichten en met de wens wat strenger te worden. Ze schenen hun burgers eerder lastposten dan steunberen te vinden. Met de posters (er waren er drie, behalve die van ons ook posters van het Nicis en van het Regionaal Platform Arbeidmarkt Haaglanden) had het zo ongeveer niets te maken. En dat was merkwaardig, niet omdat dat zo nodig moet, wel omdat alle posters het thema van de samenwerking tussen gemeenten en relevante partijen als rode draad hadden. Maar over samenwerking ging het helemaal niet. De langslopende raadsleden bevestigden elkaars onvrede – de gedachte dat ze er waren om na te gaan of twee meer konden dan één scheen bij niemand op te komen.

Van onderop, Aboutaleb en Van Aartsen waren er maar wat trots op. Ik denk dat ze daar iets voorzichtiger mee moeten omspringen. Er is, te beginnen bij nogal wat raadsleden, nog heel wat werk te verrichten.

Bij het verlaten van de bijeenkomst kregen we een poster. Met een luchtfoto van de metropoolregio. Mooie foto. Van bovenaf en op veilige grote afstand genomen. Deelgemeenten waren er niet op te zien. Donner kan gerust zijn.

26 mei

=0=

 


Symbool

Als ik het proza van Mark Rutte goed heb begrepen dan is de koning(in) het symbool van de eenheid en de continuïteit van de Nederlandse staat en samenleving. Nu kan je dat wel zo opschrijven maar daarmee is het probleem alleen nog maar gesteld. Het is er niet mee opgelost. Er zijn per slot twee vragen. De eerste is die naar de rol van symbolen als uitdrukking en als aanjager (de brief van Rutte heeft het over ‘aanmoedigen’) van de eenheid van staat en samenleving. De tweede is die naar de aanspraken van een koning(in) op die rol. Hebben we aan een vlag, een volkslied en het Nederlands elftal niet genoeg? Dat laatste klinkt wat badinerend misschien maar Frankrijk was zelden meer een eenheid dan ten tijde van het behalen van het wereldkampioenschap voetbal in 1998. Aanmoediging genoeg en meer dan de president van dat land in de regel weet op te roepen. En vorig jaar beweerde een jongen op het Museumplein dat hij, verlies van de finale of niet, ooit aan zijn kinderen zou vertellen dat hij aanwezig was geweest bij een ‘historisch’ gebeuren – afgebeeld op een groot scherm, een scherm ter vervanging van de aanwezigheid ter plekke maar goed genoeg om de momentane eenheid te symboliseren. Nou vooruit, aan te jagen. Als ik moest kiezen uit het antwoord op de vraag wat het sterkere symbool is, de koningin of koning voetbal, dan is de keus niet moeilijk. Ik weet dus niet hoe sterk de aanspraken van de koningin zijn op de symboolrol, in elk geval voor zover het de ‘samenleving’ betreft. Die rol, immers, is helemaal vergelijkbaar met die van het gezag: het staat dan wel boven maar het komt van onder. Dat laatste ontbreekt in de brief van Rutte.

Er ontbreekt wel meer. Want, over welke staat hebben we het nog? Dat er een plekje gevonden is voor de koning(in) in het staatsbestel en in de grondwet is één ding, de vraag naar de eenheid van die staat is een hele andere. Nederland zet zich krampachtig schrap om de controle over z’n eigen grenzen te houden en het land doet dat omdat het die controle al lang kwijt is. Het is een achterhoedegevecht, het kan lang duren, het kan heel lelijk uitpakken, maar het wordt nooit een voorhoedegevecht. Dan moet je geen symbolenretoriek te voorschijn toveren alsof dat allemaal wel het geval is.

De brief van Rutte is een fraai exemplaar van het kabinetsbeleid. Een beleid vol evidenties, een beleid dat op de rem staat en een beleid dat elke serieuze, ik zou bijna zeggen: politieke, vraag uit de weg gaat. Verwoord in een symbolische brief.

25 mei

=0=

 


Detail

Gisteren luisterde ik aan het einde van de middag naar een lezing van Bob Kuttner. Het was een mooie lezing, gehouden door een prominente linkse Democraat uit de VS, een bewonderaar van JK Galbraith, auteur van diverse boeken over politiek en economie van de VS en nu bezig aan een tour langs diverse Europese sociaaldemocratische partijen, steeds met dezelfde vraag: hoe kan het dat na het failliet van het neoliberalisme centrumrechtse partijen de politieke winst van dat failliet opstrijken?

Je zou, in de geest van Galbraith, kunnen zeggen dat de belangrijkste interventie van FD Roosevelt destijds de Glass-Steagall Act was, de wet die gewone banken en investeringsbanken uit elkaar haalde zodat tussen het geklier van het laatste en de besognes van de eerste een stevige buffer werd geplaatst. Zoals we weten hebben eerst Reagan en daarna Clinton die wet ongedaan gemaakt en sindsdien is de schokbestendigheid van de reële economie behoorlijk aangetast en die van het monetaire beleid verder uitgekleed. De vraag daarbij is niet waarom de bankiers zich met hand en tand verzetten tegen het weer splitsen van algemene en investeringsbanken, de vraag is waarom de politici en de centrale bankiers aan de leiband van de financiële sector lopen. Goeie vraag. Het rapport van de commissie De Wit had als één van de belangrijkste aanbevelingen die splitsing op te leggen – en minister De Jager heeft laten weten daar niets voor te voelen. In de Tweede Kamer blijft het er akelig stil over. Dat is interessant: waarom?

In Europa komt daar nog iets bij. Vanaf het verdrag van Maastricht is het gewicht van de aanpassing aan conjunctuur en conjuncturele schokken verplaats naar de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid. Dat was beleid: geen begrotingsautonomie meer en geen aanpassing van de wisselkoersen meer. Tegelijkertijd begon het grote dereguleren en dus waren we niet alleen onze begrotingsmogelijkheden voor een deel kwijt, we verloren ook de greep op het monetaire stelsel en dus op het beheersen van de geldhoeveelheid. Die taak was naar de ECB verplaatst maar wat de ECB uit kan richten tegen de financiële sector hebben we gezien: weinig. Met het binnenhalen van het IMF is dat, nog net niet met zoveel woorden maar niettemin, ook zo ongeveer toegegeven. Om de rommel op te ruimen want meer kan en doet het IMF niet. En waar wordt de rommel naar toe gebracht? Precies, naar de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid. Die moeten zich aanpassen.

En nu is het IMF op zoek naar een nieuwe directeur omdat de net verdwenen directeur wordt beschuldigd van verkrachting. In Europa wordt gehoopt op weer een directeur van Europese huize, maar ook de Mexicanen lopen zich warm en wie weet wie zich de komende weken nog meldt. De VS kunnen met hun stemgewicht de doorslag geven – de EU aan een meerderheid helpen of de kaarten zetten op nieuwe en opkomende economieën. Dat wordt nog een hele koehandel omdat ongetwijfeld ook de positie van de dollar geïmpliceerd is. De consequenties van het voortijdig aftreden van DSK hakken erin.

Kuttner had daar een opmerkelijke kanttekening bij, bij die deconfiture van DSK. Waar had het kamermeisje de moed vandaan gehaald een machtig man als DSK aan te klagen? Goed, ze wist vooraf niet wie hij was maar de mensen in het hotel die haar opvingen wisten dat wel degelijk. Waarom ging Sofitel achter een onbeduidend kamermeisje staan? Is er dan toch nog ergens recht in deze wereld?

Volgens Kuttner is er slechts recht – in dit geval het recht om niet zonder pardon je baantje te verliezen als je je stem verheft tegen een belangrijke gast in een duur hotel – als er macht achter staat. En die macht was er want het Sofitel hotel is ‘georganiseerd’. De belangen van de werknemers daar worden bewaakt door een invloedrijke en assertieve vakbond. Dat die bond daar kwam (bij het Novotel hotel, net als Sofitel onderdeel van de Franse Accor groep was eerder de bond de toegang ontzegd) was het gevolg van een actie van de Franse bonden die, toen de Accor directie over het beginnen met het Sofitel hotel moest besluiten, een Amerikaanse collega de besluitvormende vergadering binnensmokkelde en die slaagde erin met de steun van zijn Franse vrienden Accor over de bondsstreep te trekken (en in de nasleep daarvan de manager van het bondsvijandige Novotel hotel z’n congé te geven).

Dat was een detail dat ik in de zaak DSK nog niet had gehoord. De boodschap is er, ondanks alle somberheid, één van hoop. Mooi toch?

24 mei

=0=


Democratie van het verleden

In Buitenhof noemde Ybo Buruma, in gesprek met Clairy Polak, het recht ‘de democratie van het verleden’. Het is een prachtige, paradoxale, kwalificatie. Zo democratisch is het verleden niet en je kunt er aan twijfelen of de democratie toen beter was dan nu. Maar dat was ook niet de strekking van de opmerking van Buruma, denk ik. Hij doelde op het ‘geronnen’ besef van wat waardevol is dat in het recht een plek heeft gevonden. Noem het de wijsheid van eeuwen, gewogen en zwaar genoeg bevonden, en bijvoorbeeld gecodificeerd in grondrechten. Tegelijk is het een waarschuwing voor het rechtspositivisme dat alleen in wetten en besluiten geldige rechtsbronnen ziet. Daarmee is het ook een waarschuwing voor een democratieopvatting waarin de helft plus één voldoende legitimatie zou zijn om het recht te herschrijven naar de luimen van die meerderheid. Zijn democratie van het verleden is een pleidooi tegen de politisering van het recht. Buruma ziet overigens hele goed in dat het niet alleen gaat om het aannemen van een afwerende houding. In zijn pleidooi voor een betere en publieke beargumentering van de vonnissen van rechters klonk dat door. Dat is een argument dat als ik het wel heb ook al herhaaldelijk door Theo de Roos is verwoord, met Buruma één der rechtsgeleerden die plaatsnam in de commissie die vermeende juridische dwalingen tegen het licht moest houden.

De politisering van rechters en rechtspraak was het hoofdthema van het gesprek. Tegen Buruma’s  benoeming bij de Hoge Raad is door de PVV bezwaar uitgesproken want niet de PVV zou het recht politiseren, Buruma zelf zou te politiek zijn. Dat betekent in termen van de PVV dat Buruma een standpunt heeft dat niet het standpunt van de PVV is. Nou, denk ik dan, als dat alles is dan is er niet zo veel nieuws onder de zon. Maar het is niet alles. Ik moet denken aan het artikel dat afgelopen week in De Groene stond over Wilders en zijn advocaat Moszkowicz. Het artikel (‘Alle rechters een kuisheidsgordel’, geschreven door Annerie Smolders) behandelt de ‘onschuldpresumptie’: een verdachte is onschuldig tot het tegendeel is bewezen. Volgens Moszkowicz had raadsheer Schalken tijdens het befaamde diner die presumptie geschonden – hoewel de gekwelde arabist geen getuige was maar slechts deskundige en Schalken niet de rechter was die Wilders zou oordelen maar wel in het gerechtshof zat dat opdracht gaf tot vervolging van Wilders. Niettemin, Schalken was niet de rechter, en ook niet de officier. Maar, hij had er in een eerdere fase mee te maken gehad en dat was op zichzelf al genoeg om aan zijn goede trouw bij de handhaving van de onschuldpresumptie te twijfelen. Alles met de haren erbij gesleept – en genoeg om het proces steeds meer en steeds verder te politiseren.

Dat had zo z’n achtergronden want in de nasleep van het proces Holleeder werd een rechter gekapitteld die achteraf in de media wat over Holleeder had gezegd en dat achteraf werd fluks omgetoverd in een vermoeden dat die rechter dan ook vooraf die mening wel gehad zou hebben. Ja, en dan is de onschuldpresumptie toch wel aangetast. Niet toch? Voor Moszkowicz in elk geval genoeg aanleiding om ook Schalken van vooringenomenheid te betichten. Die had zich onmiddellijk uit de voeten moeten maken toen hij onze arabist zag binnenkomen, die immers ook een ‘publicist’ is en die dus, als hij in die kwaliteit al niet de media representeert, op z’n minst zelf een medium is. Dan, inderdaad, is een magistraat zonder kuisheidsgordel een makkelijke prooi. Je provoceert en als er wat terug wordt gezegd noem je dat een aantasting van de onschuldpresumptie. Je bent ergens en als je wordt aangesproken in het gezelschap heb je van je vooringenomenheid blijk gegeven. Dat is de democratie van het heden zou je kunnen zeggen: de rechter is schuldig zodra hij alleen maar in de buurt is. Ervoor, erna, altijd. Het is het recht van de verdachtmaking waarin Moszkowicz het recht van de verdachte heeft getransformeerd.

Ik heb wel wat met die democratie van het verleden. En ik vind dat de schuldpresumptie die de PVV over de rechtspraak als geheel heeft uitgestrooid geen navolging verdient. Ook niet als het wordt opgepikt door Moszkowicz. Wroeten, suggereren, insinueren: het is het recht van de advocaat van kwade zaken. Dat Wilders en Moszkowicz elkaar gevonden hebben is geen toeval.

23 mei

=0=

 


Backlash

Gisteren in het FD: de Nederlandse economie groeit, het aantal banen is afgenomen. Geciteerde verklaring: omdat we met de deeltijd ww een extra impuls hebben gegeven aan de toch al bestaande tendentie in bedrijven om voor hen belangrijk personeel slechts vertraagd tot zeer vertraagd af te stoten (vertraagd ten opzichte van een daling van de omzet: ‘labour hoarding’) zitten de bedrijven voorlopig ruim in hun mensen en daarom komen er geen banen bij, ook niet ter opvulling van het reguliere verloop. Het banensaldo is daardoor negatief. Het wachten is op het aantrekken van de arbeidsmarkt en het wegkopen van arbeidskrachten bij je concurrent (‘labour poaching’, ja we hebben overal een nette naam voor). Er is nog een derde mogelijkheid: ‘labour pooling’, het regionaal bij elkaar brengen van het arbeidsaanbod en de distributie ervan. Arbeidsvoorziening en personeelsvoorziening in één orgaan, zoiets. Het zou door de overheid kunnen worden gestimuleerd. Met deze overheid zal het er niet van komen. Kamp schaft liever de arbeidsvoorziening als zodanig af en niemand die er om maalt. De deeltijd ww was er niet voor de arbeidsvoorziening, die was er voor de personeelsvoorziening van bedrijven. Daar gaat het om, om die personeelsvoorziening. Voor de rest zoek je het maar uit.

Gisteren in het FD: de bezuinigingen in Griekenland hebben tot gevolg dat talloze bedrijven in het midden- en kleinbedrijf vrezen het bijltje er bij neer te moeten gooien. Eén reden: 70% van die bedrijven werkt in gehuurde panden en kunnen de huur niet meer opbrengen – tenzij er wettelijke maatregelen komen om de huur- dan wel pachtprijs aan banden te leggen. Het is het recept dat Zalm zal aanspreken: het moet nog veel erger worden voor het beter kan worden. Het is het klassieke recept van het IMF, in dank overgenomen door de EU. De Griekse regering overweegt maatregelen om huren en pachten in de hand te houden. Kijk, dat is nog eens aardig. Had het onze regering en ons parlement niet gesierd als ze daar eens een oordeel over hadden afgegeven in plaats van het opdissen van en het elkaar overbieden met smakeloze retoriek over het luie Griekenland en de corrupte en feestvierende Grieken?

Wij introduceren liever maatregelen met een forse backlash. En we doen dat omdat behalve in termen van backlash kennelijk over niets zal worden nagedacht. De premier zegt het in iets andere bewoordingen: als de Grieken ter plekke dood zouden vallen zonder dat wij een bloemetje hoeven te sturen is dat prima. Uitstekend zelf. Hebben ze toch om gevraagd? Nou dan.

Een normaal mens zou bij zoveel laffe schijnheiligheid gaan vloeken. Maar vergis je niet, het politiek leiderschap (dat moet je af en toe tonen volgens de premier – het ‘af en toe’ is een vondst) heeft die reactie voorzien – en verbiedt hem. Zelfs vloeken gunt Rutte ons niet meer: de VVD heeft bij monde van de voortreffelijke Teeven z’n handtekening teruggetrokken onder het wetsvoorstel dat inhield de godslastering uit het wetboek van strafrecht te halen. Om een stem te winnen is de VVD tot alles bereid. SGP-ers! Is het nou nog niet goed? Wat willen jullie nog meer?

Ik noem het de democratie van de backlash. De meeste stemmen gelden.

22 mei

=0=


Rollenspel

Het probleem is, zei Rutte, dat we ons aan geen enkele afspraak hebben gehouden. Dus hoe moet dat nou op Verantwoordingsdag? Ze maken gehakt van ons en ik kan er niet veel tegen doen.

Je kunt natuurlijk even ziek zijn, dan doe ik het wel. Ik kan heel goed een half uur spreken en absoluut niets toegeven, absoluut niets zeggen en nog minder toezeggen. Dat was Verhagen – die zo z’n eigen gedachten had bij die rol. Hij groeide er nu al in.

Ik vind dat het zo niet moet gaan, zei Wilders. Dat Verhagen de show wou stelen hinderde hem. Verhagen, in zijn ogen, was een typische Roomse gluiperd en verdiende geen enkele etalage en zeker niet die van het kabinet waarvan hij, Wilders, de sleutel in handen had. Zijn gedachte was even simpel als geniaal: als we het niet over de prestaties en beloften van het kabinet moeten hebben omdat we dan hopeloos door de mand vallen, dan moeten we het over iets anders hebben.

Verhagen zag het niet zitten. Het kabinet had dan wel weinig om zich op de borst te slaan, Wilders had helemaal niets. Van zijn beloften was het saldo negatiever dan van het kabinet. Dat zou zeker aan de orde komen en het was niet in het belang van het CDA dat Wilders kon ontsnappen. Maar inderdaad, wat dan?

Ook Rutte aarzelde. Hij vond het op zichzelf een goed idee en de strapatsen van Wilders hadden de VVD geen windeieren gelegd. Aan de andere kant, het kabinet kon zich niet nergens iets van aantrekken, niet zomaar Verantwoordingsdag afschaffen. Dus om het nergens over te hebben, daar kon het kabinet het initiatief niet bij nemen. Dan zou Wilders de kat de bel moeten aanbinden, en het toneel voor de zoveelste keer voor zichzelf kunnen opeisen. Wilders de hoofdrol? Geen prettig idee. Maar ook bij Rutte speelde de vraag: wat dan?

Wilders zag de aarzelingen en rook z’n kans. Ik kan het over Griekenland hebben, zei hij. Dat blaas ik wel op en dan kunnen jullie als verantwoordelijke mensen terugzeggen dat het allemaal niet zo eenvoudig is als ik het voorstel en dan zeg ik weer dat we die Grieken niet moeten pamperen zoals jullie van plan zijn te doen en dan zeggen jullie weer dat ik onverantwoordelijk bezig ben en voor je het weten is het hele debat voorbij.

Nog altijd aarzelend stemden Rutte en Verhagen in. Ik zal Stef informeren, zei Rutte en Verhagen beloofde Sybrand voor te bereiden. Aldus geschiedde. Het verliep prima. Zeker voor herhaling vatbaar. In 2011 is van de toch al verzwakte praktijk van de Verantwoordingsdag afscheid genomen. Niemand die het erg scheen te vinden. We mogen de Grieken wel dankbaar zijn. Of Geert natuurlijk. Die verzint voor volgend jaar vast wel weer wat nieuws. Geen feiten in de politieke verantwoording: het kabinet heeft de stijl van Wilders geadopteerd. En morgen is morgen. Wie dan leeft, dan zorgt.

21 mei

=0=

 


Brady

Ten tijde van de grote Latijns Amerikaanse schuldencrisis in de jaren tachtig werd een uitweg gezocht volgens de formule van de Amerikaanse politicus Thomas Brady. Zo kregen we de Brady obligaties. Die kwamen er op neer dat banken en, bijvoorbeeld, pensioenfondsen, met een claim op de betreffende landen in Latijns Amerika die tamelijk waardeloze claims inruilden voor veel safere obligaties, die die landen uitgaven. Het kostte de banken en andere instellingen wel zo ongeveer een derde van de waarde van de oorspronkelijke claims. De in circulatie gebrachte obligaties werden op hun beurt gegarandeerd door Amerikaanse staatsobligaties. Die waren een soort onderpand. De schuldlanden kochten die Amerikaanse staatsobligaties (en moesten daar bijvoorbeeld op hun beurt grondstoffen als onderpand voor inbrengen) volgens een speciale formule. Dat was de formule van de zo genoemde ‘zerobonds’ of ‘nulcouponobligaties’ die voor hen (en daarmee indirect voor hun schuldeisers) gunstig zou uitwerken als de rente op geleend geld voor zou dalen. In de gevallen destijds, en in het huidige Europa voor landen als Griekenland enzovoorts, een alleszins reële verwachting.

Het werkte. Het instrument van dit type obligaties bestaat overigens nog altijd en de vraag is interessant waarom de EU het niet gebruikt om de Griekse schulden te ‘herstructureren’. Immers, zo de Brady obligaties iets inhouden, dan toch wel de herstructurering van de schuldenlast (de ‘haircut’ die de schuldeisers maar moeten accepteren). Zonder de schatkist (toen de Amerikaanse, nu de Europese) gaat het echter niet en de ECB heeft al laten weten er helemaal niets voor te voelen. Bovendien, in de huidige politieke constellatie van de EU kan de ECN niet eens euro-obligaties uitgeven. Juncker, die het in het recente verleden ooit suggereerde, werd onmiddellijk teruggefloten. Ook Wellink, die van alles wel wat vindt, vindt hier niks van. Een diep stilzwijgen heerst, van zijn kant en van de kant van het kabinet.

De vraag is wat er zo verschillend is tussen de Latijns Amerikaanse crises van weleer en de huidige Europese crises. Ik zou denken: het verschil zit in de banken. Wellink kan dan wel roepen dat als we de Grieken te grazen nemen de DNB direct al vier miljard kwijt is maar – en daar is een meer dan gradueel verschil met de jaren tachtig – met de politiek van het opknippen, herverpakken en eindeloos opnieuw verhandelen van schuldpapieren is het totale effect ongetwijfeld veel groter. Hoe groot, dat is nog altijd een uitstekend bewaard geheim waarvan vermoedelijk geen der deelnemers in het casinospel precies weet wat de omvang ervan is en waar het ophoudt.

Het belang van Nederland, waar het kabinet gisteren over sprak om de aanval van Wilders te pareren, is ongetwijfeld in het geding. De Jager droomt al van de Griekse staatsbedrijven als onderpand. Hun belang is het onze niet. Zo lang wij echter niet weten hoe alle vertakkingen en lijnen in de financiële wereld lopen kan dat belang te pas en te onpas van stal gehaald worden. Dat, nu, lijkt me allerminst in het belang van Nederland. En ook niet het belang van de EU, met de eurolanden voorop.

20 mei

=0=

 


Economische onzin

Als iemand Wilders van het spreken van onzin beticht heb ik daar in het algemeen weinig moeite mee. Gisteren deed Wellink het en vanochtend hoorde ik het op de radio. Ik weet niets van politiek, zei Wellink, en deed vervolgens een politieke uitspraak. Dat is merkwaardig. Het is ook merkwaardig om de president van de DNB het woord solidariteit in de mond te horen nemen. Hij had het niet over de demonstranten in de diverse Europese landen, mensen die de straat opgaan in het terechte gevoel dat zij moeten opdraaien voor iets waar ze nooit in zijn gekend. Hij had het over de verwevenheid van de EU economieën en over wat in zijn visie ongetwijfeld welbegrepen eigenbelang is. Ik zou dat geen solidariteit willen noemen – als we zonder al te veel schade van de Grieken af zouden kunnen, zouden we het doen, denk ik. Het gaat niet om hen, het gaat om ons. Daar kwam het betoog van Wellink op neer. Bankpresidenten moeten niet over solidariteit spreken, althans niet ex officio.

Bovendien is het allemaal veel te laat. De euro is op politiek drijfzand gebouwd en daar plukken we nu de vruchten van. Het moment om daar tegen te protesteren is destijds gepasseerd, door de DNB en door Financiën. Dat is één reden uiteraard waarom Zalm nooit president van de DNB moet worden, maar het is ook een reden dat Wellink nu, als hij toch geen politieke uitspaken wil doen, op economische gronden moet pleiten voor een veel sterkere politieke EU. Dat deed hij niet, als econoom.

Wilders zal best economische onzin gesproken hebben. Wilders had het dan ook helemaal niet over de economie. Wilders heeft het over het betalen van een rekening waar hij geen zin in heeft en waarvan hij weet dat de meerderheid van de bevolking er ook geen zin in heeft. Zo eenvoudig is het. Daar had Wellink dan maar op moeten reageren, niet met een veronderstelde rekensom maar op de vraag waarom burgers moeten betalen wat bankiers en ministers van Financiën hebben laten lopen. En parlementen natuurlijk, Vendrik niet te na gesproken. Maar Wellink deed dat allemaal niet en dat is dan niet voor de eerste keer. Wellink heeft, gegeven de politieke verhoudingen in Europa, geen politieke onzin gesproken. Het neemt niet weg dat hij daarmee de politieke malaise in de EU eerder bestendigt dan opheft. Hij zou best een toontje lager mogen zingen.

19 mei

=0=

 


Faseren

In het net verschenen rapport van de RMO (Migratiepolitiek voor een open samenleving) wordt een ‘gefaseerde’ toegang van migranten tot de voorzieningen van de verzorgingsstaat bepleit. Anders, zo is de waarschuwing, ondermijnen van de financiële en normatieve houdbaarheid van de bedoelde instituties. De vraag is: welke instituties? Wat ik uit het rapport opmaak wordt voornamelijk gedacht aan de sociale verzekeringen en, neem ik aan, de bijstand. Daar zit een probleem aan want de migrant wordt onmiddellijk aangesproken op het betalen van premies en belastingen. Maar daar heeft de Raad een oplossing voor: ‘De migrant die op basis van economische gronden en financiële zelfredzaamheid toegang heeft gekregen tot Nederland, heeft desalniettemin direct bij aankomst in Nederland met de Nederlandse verzorgingsstaat te maken. Hij is namelijk wettelijk verplicht om premies voor pensioen en
sociale zekerheid af te dragen. Ook draagt de migrant fiscaal bij aan de verzorgingsstaat.
Als de toegang tot de verzorgingsstaat in het licht van migratiepolitiek wordt gefaseerd, ligt het in de rede afdrachten te beschouwen als een spaartegoed dat bij vertrek uit Nederland wordt uitgekeerd’ (: 45).

Dat voorstel lijkt me even sympathiek als onuitvoerbaar. Er zijn behalve migranten wel meer mensen die afdragen en toch niet in aanmerking komen voor de geneugten van de verzorgingsstaat. Mensen met te kleine baantjes, mensen met een te wisselend werknemersbestaan, ze dragen wel af maar krijgen lang niet altijd wat terug – hetzij een werkverplichting in het kader van de WWB. Daarmee zijn hun afdrachten geen spaartegoed en ze kunnen het ook niet meenemen. De anomalie gaat nog verder. Er zijn tal van werknemers die altijd afdrachten betalen maar – het komt voor – nooit gebruik hebben hoeven maken van de uitkeringskant van de sociale verzekeringen. Geen spaartegoed dus.

Ja, zal de Raad zeggen, maar in ons voorstel gaan we ervan uit dat als de migrant werkloos wordt hij of zij moet opkrassen en, voegt de Raad eraan toe, dan is zo een vrij besteedbaar spaarpotje een doekje voor het bloeden waardoor het allemaal misschien wat minder erg is én het ‘levert als economische transfer een bijdrage aan ontwikkeling van het land van terugkeer’ (ibid.). Dat is merkwaardig. Het rapport beweert dat het over alle migranten gaat, nu blijkt het toch weer over migranten uit minder ontwikkelde landen te gaan. En als je uit die landen kennismigranten wil importeren zou een vergoeding aan die landen voor de door hen gemaakte kosten van opvoeding meer voor de hand liggen dan een bonusje aan de betreffende mensen zelf.

Zo een passage maakt de indruk van goede wil maar ik ben bang dat het voornamelijk problemen oproept. Van rechtsgelijkheid bijvoorbeeld. Dan ben ik gelijk bij een andere zwakke stee in het rapport. De Raad benadrukt het belang van het onderschrijven door de migranten van de democratische rechtsstaat. De Raad weet ook dat je dat niet als voorwaarde kunt stellen. Maar waarom niet de eenvoudige regel geldt dat migranten zich hebben te houden aan de wetten van het land waar ze verblijven, dat wordt niet vermeld omdat de Raad meer wil. De Raad maakt er nu een soort opvoedingstraject van en wil in dat verband niet te moeilijk doen over taal. Dat laatste lijkt me juist – ook al omdat je het bij tal van migranten toch niet kunt afdwingen en het ook lang niet altijd nodig is. Dus ja, wat wil de Raad nou helemaal, mede tegen de achtergrond van het gegeven dat de overheid zich ten aanzien van de cultuur van de migranten uiterst terughoudend moet opstellen – zo lang ze zich maar aan de wet houden?

De Raad is erop uit de migratiepolitiek los te koppelen van het integratiegedoe. Dat is mooi, maar bij elke passage lees ik hoezeer de gedachten en aanbevelingen door datzelfde gedoe zijn bepaald. Ik denk dat de overheid zich bitter weinig van het advies zal aantrekken. En dat is jammer, al was het maar vanwege de twee nuttige en informatieve bijlagen bij het rapport.

18 mei

=0=

 


Opvang

De meeste vluchtelingen van de toekomst zijn geen vluchtelingen. Het zijn klimaatvluchtelingen en die categorie bestaat niet. Zo kun je op de vlucht moeten slaan en toch geen vluchteling zijn, althans niet in de zin van de internationale verdragen waaraan je nog enige hoop op hulp zou kunnen ontlenen. In termen van het Nederlandse beleid zou je als ‘gelukszoeker’ worden getypeerd en gelukzoekers, daar doen we niet aan. Tenzij ze geld meebrengen maar dan zijn het of ondernemers of vermogenden maar opnieuw: geen vluchtelingen.

Ik lees het in de Groene van vorige week met daarin een aantal artikelen over de problematiek van vluchtelingen, asielzoekers, gelukszoekers, illegalen, statenlozen. Een belangwekkende reeks artikelen. Opmerkelijk is dat de meeste mensen op drift zijn geraakt door de twee oorlogen in Irak en Afghanistan en dat de direct omliggende landen verreweg de grootste aantallen mensen hebben opgenomen: Pakistan, Iran en Syrië. En vergeet de landen zelf niet want de meeste mensen gaan de grens niet over maar trekken naar een ander deel van hetzelfde land. Afghanistan dus en Irak. Wij daarentegen, in beide oorlogen betrokken, hebben het zuinig gehouden maar wij zijn dan ook verklaard voorstander van ‘opvang in de regio’. Dat beleid is een doorslaand succes. Slechts een fractie van de mensen die door oorlogen gedwongen op de vlucht slaan komen hier naar toe. Het zijn er nog te veel, vinden we en in Europees perspectief is die claim niet eens zo raar. Ook dat valt op.

Nederland heeft in EU verband lang aangedrongen op Europees beleid. Europa zou moeten komen tot een verdeelsleutel voor binnenkomende vluchtelingen en asielzoekers. Na Tunesië en nu Libië valt op hoe weinig Europees het beleid van de EU lidstaten er is. De roep om interne grenscontroles neemt toe. De praktijk ervan ook zagen we nog maar kort geleden in Menton, Frankrijk. Als de buitengrenzen niet werken halen we de binnengrenzen van stal. Net als bij de euro wordt geen EU beleid opgetuigd maar een beleid dat de nationale belangen zo goed en zo kwaad als het gaat veiligstelt.

Ooit waren we voor regionaal beleid en regionale opvang. Maar de EU is zelfs geen regio. In de Groene wordt geschreven dat het beleid van het huidige kabinet – zelfs de al gemaakte afspraken op laag water zetten – door de recente ontwikkelingen in Noord Afrika en het Midden-Oosten meer kans van slagen heeft gekregen dan nog maar een half jaar geleden werd verwacht.

Er waait een gure wind door Europa. En dan hebben we de klimaatvluchtelingen nog niet eens gehad.

16 mei

=0=

 


Kieskring

De CU is niet opgebouwd uit afdelingen maar uit kieskringen. Gisteren diende de kieskring Maassluis en Elburg een motie in met als strekking dat de PVV niet anders bejegend diende te worden dan welke partij dan ook waartegen de CU zich principieel verzet. De motie, ondersteund door het landelijk bestuur, werd aangenomen. Een belangrijke motivering voor de motie was dat de CU Pechtold eigenlijk een grotere griezel vindt dan Wilders.
Dat heeft de nieuwe leider van de CU goed opgepikt. In zijn toespraak tot het congres gaf Slob aan dat hij D66 maar ‘brr’ vindt, afschuwelijk en afschuwelijk libertijns. En de PVV? Dat gaat een heel stuk omfloerster: ‘En ja, dan zullen we van tijd tot tijd ook principieel verzet moeten leveren tegen een partij als de PVV die, als het er op aan komt, een overwegend seculiere agenda hanteert, selectief winkelt in grondrechten en tegenstellingen in de samenleving tussen bevolkingsgroepen vergroot.’
Van tijd tot tijd. Het is weinig principieel in een partij die van christenpolitiek weer ouderwets christengetuigenis aan het maken is. Er werd gisteren niet alleen afscheid genomen van Rouvoet, er werd afscheid genomen van diens poging ruimte te scheppen voor politieke criteria in politiek werk. Die poging was nog lang niet af – en ze wordt nu geaborteerd. De CU mag dan wel bezwaar hebben tegen abortus, ze is er gisteren wel degelijk toe overgegaan – en eigenlijk al met het rapport Schipper dat de weg vrijmaakte voor een terugkeer naar de veiligheid van het eigen gelijk, en het bijbehorende opportunisme, een opportunisme waarvan de speech van Slob al tamelijk doordrenkt was. Een politieke abortus van het politieke kind waarvan Rouvoet de verwekker was.
De CU vindt nu ‘dat er weinig verschil is tussen de PVV, die moslims zou discrimineren, en D66, dat christenen niet al te serieus zou nemen’. Zo’n uitspraak bevestigt dat alles wat Rouvoet tot stand wou brengen bij het vuilnis is gezet. Het politieke verschil tussen PVV en D66 is levensgroot en wie dat ontkent is niet langer met politiek bezig maar met getuigenis. Terug bij af dus. Slob ging doodbedaard nog een stapje verder met zijn principiële verzet tegen D66 en zijn ‘van tijd tot tijd verzet’ tegen de PVV. Eigen godsdienst eerst, dat is de boodschap die de motie nog niet en de nieuwe fractieleider al wel dorst te brengen.

15 mei

=0=

 

 

Winnaars

De leden van de pensioenfondsen hebben gewonnen. Dat is de mening van de voorzitter van FNV Bondgenoten. Hij vergist zich. De pensioenfondsen hebben gewonnen en op het doen en laten van die fondsen hebben de leden bitter weinig invloed. Het enige wat de leden nu weten is dat hun pensioenfonds zich meer (meer risico) of minder (hogere buffers) als een gewone bank kan gaan gedragen. Voorspelbaar is dat de twee zwakke plekken in het huidige stelsel (een te versplinterde basis voor optimale risicodeling en een te selectieve toelating van mensen met kleine baantjes, met te veel baanwisselingen en –nieuw!- met wel werk en geen baan want een uitkering en mensen met wel werk en geen baan want zzp-er) niet worden verholpen. Eerder het tegendeel.

Daarom, de winnaars zijn de pensioenfondsen zelf, en hun entourage uiteraard van adviseurs, herverzekeraars, zich noemende beleggingsexperts en ongetwijfeld nog veel meer nuttige mensen waarvan ik nu even niet op de beroepstitel kan komen. Je kunt erover twisten of de FNV zelf winnaar is. De interne onenigheid is even bezworen maar het rare mengsel dat het compromis is (steeds minder defined benefit, steeds meer defined contribution) leidt ertoe dat verschillende werknemers voor gelijke pensioenpremies verschillende pensioenen gaan ontvangen. Daar zullen de leden niet blij mee zijn en het zal de aantrekkelijkheid van de bonden niet vergroten. Leden kunnen met de voeten gaan stemmen en daar – misschien – luisteren de bestuurders wel naar. De herwonnen eenheid is cosmetica.

De werkgevers zullen niet blij zijn. Die willen er eigenlijk gewoon van af en ze waren met de FNV een heel eind opgeschoten. Nu wordt dat weer, een beetje maar toch, in het vaarwater van het ongewisse gebracht. Dat hele gedoe van die buffers moest maar eens afgelopen zijn vonden zij en nu komt het alsnog terug. Het kan zijn dat de werkgevers beseffen dat ze met Jongerius wel erg veel van haar voor wel heel weinig van hen hadden gekregen maar ik zou er geen weddenschap op durven afsluiten dat ze het beseffen en al helemaal niet of ze daar ook voor uit willen komen.

Binnenkort word ik 65. Ik denk dat ik me ga verblijden met het opzeggen van mijn lidmaatschap van de bond. Een zelfoverwinning. Ook winnaar. Deel ik toch nog mee.

14 mei

=0=

 


En passant

Het was zo maar een zinnetje in een uitgebreid artikel (NRC Handelsblad, gisteren) over de gedoodverfde nieuwe president van de ECB. Van de twee pijlers onder het beleid van de bank (prijsstabiliteit en het in de hand houden van de geldhoeveelheid) is er één ‘flexibel’ geworden. Dat is de geldhoeveelheid. En dat is ‘omdat de geldhoeveelheid zich in de praktijk onbetrouwbaar gedroeg’. Een interessante zinswending. Je kunt er direct de crisis in de journalistiek aan aflezen want het is geen waarneming maar een interpretatie verkleed als waarneming. Dan mag je daar je eigen interpretatie tegenover stellen. Die is: de geldhoeveelheid gedraagt zich helemaal niet onbetrouwbaar, de geldhoeveelheid is onbeheersbaar voor de centrale banken. Ik zou durven stellen dat de laatste interpretatie beter spoort met de ‘praktijk’ dan de eerste.

Nu is een centrale bank die de geldhoeveelheid niet in de hand kan houden alleen nog in naam een centrale bank. Vergelijk het met de centrale overheid die zich nog graag met de naam tooit centraal te zijn en inmiddels verplicht is bij te storten in het fonds dat de particuliere banken menen nodig te hebben nadat diezelfde banken eerst de grootste roof ooit hebben uitgevoerd, met een piramidespel dat zij op hun beurt op een gegeven moment niet meer wisten te beheersen. De bancaire deelnemers aan het spel verschilden onderling slechts in de mate waarin ze de gewone piramideregels hanteerden of direct op de Ponzimethode overgingen. Vermoedelijk zullen ze het één hebben gedaan en het ander niet hebben nagelaten maar er zijn altijd accentverschillen.

Als er één pijler flexibel is geworden kan de ander dan gewoon blijven staan? Een gewoon mens zou denken van niet maar het artikel meldt er niets over. Hoe, met andere woorden, zit het met de prijsstabiliteit, met de inflatie? Nu, daar kunnen we kort over zijn. De ECB heeft miljarden in het financiële stelsel gestopt in de hoop dat de particuliere banken het carrousel in beweging zouden houden. Deden ze dat niet – en ze deden het niet – dan werden er nieuwe miljarden aangeboden, en geaccepteerd natuurlijk. De voorwaarden waaronder al dat geld in circulatie werd gebracht in de hoop dat de beweging niet zou stoppen bij de bankkluis waar het geld in eerste instantie aankwam waren te aantrekkelijk om het aanbod niet te accepteren. De inflatiebeheersing was daarbij geen randvoorwaarde. Geen pijler dus, eerder een vrome doelstelling en doelstellingen zijn zo goedkoop dat je die onbeperkt in circulatie kunt brengen. Bovendien, omdat de banken ‘in de praktijk’ zelf bijzonder creatief zijn gebleken om geld te maken en omdat de centrale banken daar sinds de grote dereguleringen ook al geen greep op hadden is van twee kanten de beheersing van de geldhoeveelheid uit handen gegeven.

Hebben de centrale banken, heeft de ECB, iets gedaan om het verloren gegane terrein terug te winnen? Niet echt, zou ik denken. Daarmee is niet de groei van de geldhoeveelheid onbetrouwbaar gebleken, wel de rol en de taakopvatting van de ECB. De ECB heeft ‘in de praktijk’ het initiatief op de beheersing van de geldhoeveelheid prijs gegeven aan de private financiële sector. De benoeming van een nieuwe president die al eerder z’n sporen had verdiend in diezelfde sector – hoe had het ook anders gekund: bij Goldman Sachs – geeft aan dat we doorgaan op de ingeslagen weg. Inderdaad, dat de man Italiaan is, is volkomen irrelevant. Dat het netwerk van Goldman Sachs na de VS ook de ECB heeft bereikt is daarentegen wel degelijk relevant.

Het schijnt een ‘heel bekwame man’ te zijn. Desondanks, de gulden dagen van Wim Kan keren nooit meer terug. Bekwaam of niet.

13 mei

=0=

 


Afgedwongen

Gisteren stond in NRC Next een hele pagina over het falen van het HBO. Er was van alles mis, van schaalvergroting, via verzelfstandiging, en fusiewoede tot en met outputfinanciering. Echte bedrijven zouden het geworden zijn, de hogescholen en universiteiten. En passant kwam ook de Wet modernisering universitaire bestuursorganisatie (MUB) voorbij, het laatste en meest onzalige cadeau van voormalig minister Jo Ritzen aan het hoger onderwijs. Ook een bijdrage aan bedrijfsmatig werken. Ik herinner me nog de grote tevredenheid van de Tweede Kamer over die wet modernisering universitair bestuur. Nu zou er te lange leste professioneel bestuurd kunnen worden en was het gedaan met allerlei vertragende inspraak en medezeggenschap die toch alleen maar querulanten in het zadel hielp. Eindelijk!

Afgelopen zaterdag pakte ook Bastiaan Bommeljé uit over het hoger onderwijs. Net als in NRC Next is het niet eenvoudig HBO en WO te onder scheiden in zijn betoog. Het lijkt er eerder op dat de troebelen in het HBO de aanleiding zijn om een heleboel appeltjes te schillen. Dat mag, maar het schiet niet op want het herhaalt de kleine moeilijkheid dat er over alle dingen eerder per soundbite wordt gesproken dan per argument. Dat is te meer een probleem waar het erop begint te lijken dat de staatssecretaris via de Inspectie de regie wenst over te nemen. Alsof er slechts twee smaken zijn, het huidige toezicht via de net opgetuigde en nog lang niet goed draaiende Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) ofwel het Inspectietoezicht. Wat dat laatste betekent kunnen we nu al een beetje zien. De Inspectie constateert op diverse scholen ‘verbeterpunten’. Dat komt er, in het geval van mijn school (de Haagse Hogeschool) op neer dat een net nieuw verzonnen examenreglement op het punt van de formele procedure van het benoemen van een examinator nog niet tot op de letter is uitgevoerd. Dat is een verbeterpunt. Hanteer het nou, dat reglement, tot op komma en letter, en het zal de kwaliteit van de examens opfrissen, vast en zeker. En ziet, de NVAO constateert het zeker en vast niet, de Inspectie vast en zeker wel. Volg de Inspectie!

Kennis? Alleen per reglement. En meer, want ook alleen als het rendeert. Wanneer rendeert het? Als het een redelijke garantie op een baan belooft. De CNV jongerenorganisatie en het LAKS pleiten al voor het afschieten van opleidingen waar wel belangstelling voor is maar weinig banen in te vinden zijn. Een ondernemend geluid zullen we maar zeggen, hoewel het weinig helpt als we, zoals Louise Fresco schrijft in haar reactie op Bommeljé, er achter komen dat we weinig weten van het islamisme terwijl dat voor maar zeker ook na 9/11 wel had geholpen. Maar ja, ervoor waren er geen banen, er erna was erna. En als er geen banen zijn zijn er ook geen baangaranties. Maar er is hoop. De jongelui moeten maar eens gaan praten met Henk Kamps van de ABU, de koepeluitzendorganisatie. Die heeft met Doekle Terpstra afgesproken dat alle studenten die dit jaar bij InHolland afstuderen een baan krijgen aangeboden. Kijk, dat is nog eens een bijdrage aan de kenniseconomie.

Afgedwongen kennis is geen kennis, schrijft Louise Fresco in een reactie op Bommeljé. Dat is aardig, haar pleidooi om het onderwijs een beetje de vrijheid te geven, omdat kennis de nodige vrijheid nodig heeft. Niet dat het iemand in de politiek interesseert. Een kenniseconomie is een quotum diploma’s en hoe je dat quotum haalt is amper interessant. Daar hoeft het onderwijs helemaal niet voor te zorgen, dat doet de keuringsdienst voor onderwijswaren wel.

Desondanks, waarin dat bestaat, die vrijheid waar Fresco zo terecht de nadruk op legt, daarover zou een debat niet misstaan. En ik denk dat de NVAO daar, hoe mank ook, tot dusver meer over te berde heeft gebracht, er meer aandacht voor heeft opgebracht, dan de Inspectie ooit zal doen.

12 mei

=0=

 


Splijtstof

De pensioendiscussie splijt de FNV, lees ik in de Volkskrant. Wat is de splijtstof? Daar gaat het zelden over. Of beter, iedereen vult maar wat in, naar het zo uitkomt. Gisteren zag ik een uitzending van 1 Vandaag die maar weer eens bewees dat we het van de publieke omroep ook niet hoeven te hebben. In de kranten kom ik van alles tegen over vergrijzing onder het opgewekte motto dat, hoewel pensioenen uitgestelde lonen zijn die je als je grijs bent kunt ophalen, daar nu precies het probleem ligt. De mensen worden nog grijs ook. Dat was nooit de bedoeling. Nou ja, met mate, en selectief. Maar als iedereen het wordt is de lol er wel van af. Dan wordt het een probleem. Welk probleem? Het probleem waar ooit de pensioenen voor werden uitgevonden.

Al die grijze mensen hebben, zegt men, belangen. Die zouden ze niet moeten hebben. Ze zouden solidair moeten zijn. Daarvoor hadden ze zich als ik het wel heb ooit voor georganiseerd en nu blijkt dat een vergissing te zijn geweest. Ze dienen hun uitgestelde loon ter beschikking te stellen aan de toekomst want die is schaars en de toekomst is voornamelijk schaars omdat zij met zo velen zijn. Daar hadden ze aan moeten denken en niet aan hun pensioen. Dat je daarmee de schaarste niet opheft – als je de schaarste wilt opheffen moet je niet naar rijkdom streven maar naar, pak ’m beet, een fatsoenlijk bestaan – is een omstandigheid die we liever niet ter discussie stellen. Dat schaarste een manier van kijken naar de wereld is die met elk idee van solidariteit spot ook niet. Het wachten is op de eerste discussiebijdrage die een dergelijke manier van kijken verklaart uit de hebberigheid van de oudjes. We zijn er dicht bij dus het zal nog wel komen.

De splijtstof in de FNV laat zich daarom best opsporen. De splijtstof is de schaarste. In schaarste is alles schaars en wordt steeds meer schaars. Dat het pensioen geen pensioen is maar een belegging is er een uitdrukking van. Het is al lang geen uitgesteld loon meer, het is belegd loon en omdat beleggingen fluctueren – dat zou dan de schaarsteverhoudingen op financiële markten weergeven – zou van het uitstel ook wel eens afstel kunnen komen. Je weet maar nooit – en dat is exact waar het om gaat.

De FNV heeft een boel uit te leggen. Tot dusver is daar niets van gebleken. Uw pensioen, meneer, is geen aandeel. Het is er nog niet eens een certificaat van. Het werkt wel steeds meer als een aandeel want de waarde hangt niet af van wat u inlegt, de waarde hangt af van wat de gek ervoor geeft. Maar het is niet van u. Tegen de tijd dat de verlies- en winstrekening wordt opgemaakt moet u nog maar eens terugkomen, wie weet schiet er wat over. En nee, bij de vaststelling van de balans willen we u niet zien. U bent geen eigenaar. Dat kan toch niet moeilijk te begrijpen zijn? U was nooit eigenaar, u was werknemer.

We democratiseren niet de eigendom, we democratiseren het risico. We doen dat prudent maar hoe we dat doen is te ingewikkeld voor u. We maken een afweging weet u wel. Of het handiger zou zijn om de wirwar aan pensioenfondsen te saneren en er één groot fonds van te maken? Dat dan meteen de kleine aanstellingen en de zzp-er meeneemt? Wat dacht u? Dat al die fondsen zouden afzien van hun belangen?

Het ging nooit over de belangen van de pensioenspaarders. Het ging altijd over de belangen van de pensioenspaarfondsen. En net zoals we banken hebben zien transformeren van spaarbanken naar zakenbanken hebben we een vergelijkbare ontwikkeling gezien bij de pensioenfondsen. Alles in naam van de rijkdom die er zonder het perspectief van schaarste niet eens zou zijn.

De oudere generatie is nog te weinig econoom.

11 mei

=0=

 


Kanker

De rechtbank is de kanker van de democratie. Was getekend: Berlusconi. Wie maakt hier nu school, Geert of Silvio? Het wordt populair te eisen dat de rechtspraak en het recht moeten doen wat de meerderheid vindt. In de VVD gaan stemmen op om het Europese Hof voor de Rechten van de Mens te kortwieken. Stel je voor, een Europees Hof dat is ingesteld om je recht te halen als je het thuis niet haalt wordt aangeklaagd omdat het doet waarvoor het is opgericht. Afgelopen weekend kwam Frits Bolkestein weer voorbij, met kritiek op instituties als het Europese Parlement waarvan de leden wel worden gekozen maar die niet doen wat hun nationale kiezers zo graag willen. Nee, daar is het Europese Parlement ook niet voor opgericht want Europa is geen België. Het is wel een ongelukkige constructie maar de oproep de constructie te verbeteren komt in het vocabulaire van Bolkestein niet voor. De bevolking wil minimaal en dus moet het parlement zich minimaal opstellen. Dat doet het niet en dat vindt de man ernstig. Ik kan nog wel andere ernstige zaken bedenken, waaronder het stelselmatig afbreken van de EU. Bolkestein verwoordt dat anders. Volgens hem is Europa over z’n hoogtepunt heen. Europa, dat ben ik, dat zal de gedachte wel geweest zijn – als er überhaupt nog een gedachte denkbaar is bij Bolkestein.

Toch is het opvallend met welk gemak politici (en oud-politici) alles inzetten om aan de macht te komen. Als ik het wel heb is dat de nieuwe politiek: de politiek waarbij het er niet toe doet hoe je de macht verkrijgt als je hem maar verkrijgt. De media werken als regel trouw mee en als ze het niet doen worden ze gekort en dan werken ze nog trouwer mee. Wat blijft er dan nog over? Parlementen, ambtenaren en de rechterlijke macht. In ons land hebben we de parlementaire democratie in regeerperioden en op basis van een regeerakkoord gemuilkorfd. Die keert pas terug als het zo uitkomt – in naam van de toekomstige machtspositie. Op ambtenaren is de aanval ingezet – het moeten er minder worden en hun gebiedjes dienen permanent te worden herverkaveld en waar handig te worden uitbesteed. Dat disciplineert. Of het motiveert, dat merken we nog wel. Nee, het echte probleem zijn de rechters, de rechtbanken, het recht.

Berlusconi ziet het allemaal heel goed. Hij is de ware populist.

10 mei

=0=

 


Onverdoofd

Afgelopen donderdag hadden Elly en ik wat tijd over. We dachten op tijd te zijn voor de déchetterie maar op donderdag is die voorziening alleen ’s middags beschikbaar. Althans in Château-Chinon, en daar horen wij bij, administratief. We moesten een paar uur wachten. Het was mooi weer, het terras lokte, we kochten kranten en, gelet op onze zee van tijd, daaronder ook een Volkskrant. Ik las dat een Limburgs Statenlid van de PvdA dreigde zijn stem voor de Eerste Kamer wat anders te besteden dan de partij uitkwam. Reden: de partij steunt het initiatiefvoorstel van de PvdD over het verbod op onverdoofd slachten. Nu kwam volgens dit Statenlid de PvdD nog maar net kijken en zijn kennis over hoe erg onverdoofd slachten al of niet is stamt uit een traditie van liefst veertienhonderd jaar, dus voor hem was het een makkelijke keuze. Bovendien, hij had niet voor niks al z’n Turkse kompanen opgetrommeld om ook PvdA te stemmen en voor wat hoort wat. Dergelijke geluiden zijn er meer. Het is in mijn partij kennelijk toegestaan niet de kiezer te vertegenwoordigen maar je eigen achterban. Ik heb tot dusver geen berichten ontvangen dat een dergelijke opvatting uit den boze is. Zo krijgen Henk en Ingrid alsnog gelijk. Geen partij kan het zich permitteren, de mijne staat het toe. Het is verontrustend. Het zou me een lief ding waard zijn als de partij, Eerste Kamer of niet, de betrokkenen zou uitsluiten van welk vertegenwoordigend werk dan ook. Soms is het goed een beetje macht in te ruilen voor gezag en aan gezag ontbreekt het. Het is niet voor het eerst dat de partij op het punt van de godsdienstvrijheid maar wat aanklooit. De uitspraak dat een verbod op onverdoofd slachten sommige groepen veel meer treft dan andere is er een voorbeeld van. Je kunt ook zeggen dat een hogere benzineprijs autorijders veel meer treft dan fietsers. Of dat het verstoren van de zondagsrust veel erger is voor hen die meenden een monopolie op het definiëren van zondagsrust te hebben dan voor hen die er in alle rust een andere opvatting op nahouden.

Er waren weer veel kalfjes in de wei en wat hadden ze het leuk met elkaar en met hun moeders. Eén keer werden ze opgeschrikt; ze werden uit de wei gehaald om gevaccineerd te worden, maar dat wisten ze niet. Angst, stress, onrust. Een uurtje later was het hele gezelschap al weer terug, alsof er nooit wat gebeurd was. Die koeien, in het weiland tegenover ons, hebben het goed en dat zie je. Ze hebben de ruimte, struinen over het hele veld, gaan eens liggen, gaan wat verderop kijken of het gras daar groener is. Als er eentje iets doet doen ze het vrijwel allemaal. Niettemin, als de boer en boerin, vergezeld door hun twee kinderen, ze uit de wei halen merken we hoe snel de dieren uit balans zijn. Gewoon, ze weten niet wat hen gaat overkomen want ze hebben geen beeld van wat kan gebeuren. Ze leven nu en morgen bestaat niet. De tocht naar het slachthuis zal op zichzelf al een ramp voor ze zijn. Uit de wei is niet alleen een andere omgeving, het is ook het kwijtraken van alle bewegingsvrijheid. Het is voortgedreven worden naar het onbekende. Het is een hoog tempo dat niet het hunne is. Niets is meer van hen. Aan hun laatste reis beginnen ze gestrest. De stress zal alleen maar toenemen want stress waar je niets aan kunt corrigeren is foute stress. Als je al niet angstig begon krijg je die angst er ongevraagd gratis bij.

De vraag of je de angst en stress kunt verminderen van dieren op weg naar de slacht (en dat is een vraag die wel degelijk aspecten bezit die los staan van de vraag of wij dieren mogen doden voor voedingsdoeleinden – het feit dat dieren niet weten dat ze naar de slacht gaan omdat ze geen besef van een toekomst hebben is er een illustratie van) kan uiteraard positief worden beantwoord. Maak de overgangen zo klein mogelijk, neem er de tijd voor en je bent al een heel eind in de richting van waar je wezen wilt. Dat maakt de discussie over onverdoofd slachten voor mij ook zo onwezenlijk. Een verdoving kun je bijna achteloos toepassen, een koe of een schaap of welk dier dan ook vastgrijpen om er een mes in te zetten is een overgang die qua bruuskheid en bruutheid de verdoving verre overtreft. Het geleuter over het verwaarloosbare verschil in pijnbeleving tussen verdoofd en onverdoofd slachten als het mes er eenmaal in is gezet vind ik oneigenlijk en beschamend. Het is een poging de stress en de angst van dieren buiten de orde te plaatsen.

Elly en ik lazen tijdens onze vakantie een boek van Thomas Hardy (Elly heeft het uitgelezen, ik weet niet of ik het ooit zo ver zal brengen), Jude the Obscure. In het boek komt een scène voor waarin Jude tegen zijn zin in de positie komt een varken te moeten slachten. Aan verdovingen werd niet gedaan – in die tijd zou dat ook best eens erger geweest kunnen zijn dan de slacht zelf. Jude zet zich over z’n weerzin heen (hij heeft van jongs af aan respect voor dierenleven en is ook vegetariër), maar merkt de angst van het – in een hoek gedreven en vastgezette – dier. Om de duur van angst en stress voor het dier zoveel mogelijk te bekorten snijdt hij de keel van het varken met één forse haal door. Dat komt hem op een honende reprimande van zijn vrouw te staan. Hij had er voor moeten zorgen dat de doodsstrijd van het dier minstens tien minuten zou duren – beter voor het vlees en nu kunnen ze fluiten naar de bloedworst. Ook nog. Er zijn religieuze rituelen, er zijn commerciële rituelen en in het extra lijden van het dier komen ze elkaar tegen.

Uiteraard, met de vrijheid van godsdienst hoeft dit allemaal weinig te maken te hebben. Het gaat over vermijdbaar dierenleed en wie daar de godsdienst bijhaalt ontkent het dier in naam van de exegese. Het kan wel, de godsdienst erbij halen, want wie een rel wil hebben kan er zo eentje maken. Dat het CDA zich nu, met CU en SGP, in het kamp schaart van de voorstanders van onverdoofd slachten laat zien dat het opportunisme van de intensieve veehouderij en de krokodillentranen over smakeloze rituelen het samen uitstekend kunnen vinden.

Onverdoofd slachten gaat over het tegengaan van dierenleed. Daar hebben we, sinds de veertien eeuwen van het boek van ons Limburgse Statenlid, wel iets over bijgeleerd. Niet het verbod discrediteert al die eeuwen, dat doet het Statenlid zelf wel. Me dunkt, het is tijd voor een uitspraak van de PvdA, en een betere (noem het een principiëlere) dan het gestoethaspel dat tot op heden naar buiten is gekomen. De Amsterdamse raadsfractie is inmiddels tegen een verbod, de Kamerfractie overweegt het fabelachtige compromis van eerst onverdoofd de keel doorsnijden en dan, maar dan ook direct, een verdovinkje. Ja, en vraag de dieren vooraf ook nog even wat hun wensen voor het laatste avondmaal zijn. Eén raadslid in Amsterdam schreef dat als de dieren mochten stemmen het elk jaar 365 dagen dierendag zou zijn. Eindelijk, een verstandige reactie.

Die mevrouw, die moeten ze maar woordvoerder van de partij maken.

9 mei

=0=