DAGBOEKHOUDER


Aantekeningen van een ongeduldige toeschouwer

Ton Korver Amsterdam/Den Haag 2011

Ga naar Archief:
2007–2008–2009–2010-2011


Om naar het begin van de pagina te gaan: klik op =0=

Februari

Dikke Bertha

Flauw

Toernooi

Coöperatie

Op weg

Afzeiken

Raspoliticus

Volledig

Fractie

Light

Prijsboete

Onderpand

Vasthouden

Omloopsnelheid

Kliniek Griekenland

Werkwijze

Doorvoer

Schoon

Niet kiezen

Buitensporig

Tegenkracht

Januari

Dirk

Speur

Zoekend

Ontevreden

Apparaten

Prikkels

En niet omgekeerd

Of

Langdurig tijdelijk

Productie

De nieuwe vakbeweging

Griffel

Doublure

Onvolwassen

Geschiedenis

Benoeming

 


Maxima Moralia
 
Dat had ook de titel kunnen zijn van dit bundeltje aantekeningen. Maar ik wil niet overdrijven. Zo dicht op de huid zitten me de sketches hieronder nu ook weer niet. Ze gaan over dingen die me bezighouden en waar soms de handen van jeuken. Dat is nog niet hetzelfde als het ‘verzonken in ervaring’ dat de Minima Moralia van Adorno als keurmerk heeft. Je moet afstand weten te bewaren. Dat geldt voor de politiek – die karakterlozer wordt met elke nieuwe stap om vooral dicht bij de burger te blijven – en het geldt voor mij.

Niettemin, het kan altijd beter. En dat is een tweede verschil tussen mij en het inspirerende voorbeeld van Adorno. Er is geen goed leven in het slechte is een dictum dat nog uitgaat van een herkenbaar onderscheid tussen goed en kwaad. Daaruit vloeit het oordeel voort. Inmiddels twijfelen we ook daaraan. Dat is geen reden tot wanhoop. Eerder het omgekeerde. Twijfel is, met de gave ons te kunnen vergissen, de opmaat voor schaven en beschaven. Dat wordt makkelijk vergeten, en hoe drukker we het hebben hoe makkelijker. Ik ben aan diezelfde drukte gebonden. Vandaar het ongeduld, gekoppeld aan de afstand die ik met de woorden ‘aantekeningen’ en ‘toeschouwer’ verbind en het voorbijgaande dat meeklinkt in de titel waar ik uiteindelijk voor heb gekozen: dagboekhouder.

 


FiB
tijdschrift Filosofie in Bedrijf

Archief

Dagboekhouder 25
november - december 2011

Dagboekhouder 24
september - oktober 2011

Dagboekhouder 23
juli - augustus 2011

Dagboekhouder 22
mei - juni 2011

Dagboekhouder 21
maart - april 2011

Dagboekhouder 20
januari - februari 2011

Dagboekhouder 19
november - december 2010

Dagboekhouder 18
september - oktober 2010

Dagboekhouder 17
juli - augustus 2010

Dagboekhouder 16
mei - juni 2010

Dagboekhouder 15
maart - april 2010

Dagboekhouder 14
januari - februari 2010

Dagboekhouder 13
november - december 2009

Dagboekhouder 12
september - oktober 2009

Dagboekhouder 11
juli - augustus 2009

Dagboekhouder 10
mei - juni 2009

Dagboekhouder 9
maart - april 2009

Dagboekhouder 8
januari - februari 2009

Dagboekhouder 7
november - december 2008

Dagboekhouder 6
augustus - oktober 2008

Dagboekhouder 5
april - juli 2008

Dagboekhouder 4
januari - maart 2008

Dagboekhouder 3
augustus - december 2007

Dagboekhouder 2
mei - juli 2007

Dagboekhouder 1
januari - april 2007

 

Dikke Bertha

De ECB gooit opnieuw een miljardenvis in de strijd. Dikke Bertha wordt het liefkozend genoemd – wat een idiote naam is. De voorkeur voor militair klinkende namen is onder economen niet uit te roeien. Daar zou eens een einde aan moeten komen. Er zou een Dikke Bertha op moeten worden gezet, op die perverse voorkeur vernietigingsmetaforen te gebruiken.

Banken kunnen lenen tegen 1% rente. Luxe, en net zoveel als jezelf wilt. Zelfs zoveel dat het door elk bezwaar van banken de kredietkraan te openen heen zal breken. Bezwaren en bedenkingen – ze worden uit de weg geruimd, met grof geschut. Dat wel. Raar geschut ook. De bedoeling schijnt te zijn banken aan te zetten tot het verlenen van kredieten en kennelijk moet dat dan zo dat ze een risico kunnen nemen zonder zelf enig gevaar te lopen. Het is de paradox van het moderne bankwezen. Risico’s zonder nieten. Het is beter dan een loterij. Een mooie meid, die Dikke Bertha, maar ze verleent haar diensten alleen aan banken. De anderen zullen moeten voortgaan met risico’s te nemen door risico’s te nemen en de eventuele schade van de banken erbij, op de koop toe.

Een centrale bank heeft als functie onder meer het private bankwezen gezond te houden. De ECB ziet het als haar taak alle banken, gezond en ongezond, in leven te houden. Het is alsof Lloyds niet alleen alles verzekert wat niemand anders durft te verzekeren, maar dat doet in de wetenschap vooraf dat tal van slechte risico’s op hun trein zullen springen. Die in elk geval. De afbrokkelende solidariteit in de sociale zekerheid in de EU landen wordt ruimschoots gecompenseerd door de grenzeloze solidariteit ten gunste van krakkemikkige banken. Het is zoiets als een reddingsactie voor RSV maar nu eindelijk zonder die geldverslindende verzorgingsstaat. Er is wel degelijk vooruitgang.

De ECB, is dat een centrale bank? Op inflatie wordt niet gelet. De geldhoeveelheid wordt niet afgestemd op de reële economie, de geldhoeveelheid wordt afgestemd op dorstige banken. De gezondheid van het bankwezen is geen element van beleid, maar van hoopvolle verwachtingen. Die al dan niet bewaarheid kunnen worden. Dikke Bertha moet het doen.

De oorlog is met Dikke Bertha nog nooit gewonnen maar een slagveld levert het wel op. Wie dan nog leeft moet maar voor zichzelf zorgen. Met een beetje geluk staat je bank klaar om je te helpen bij de wederopbouw.

29 februari

=0=

 


Flauw

Het genie van Obama was dat hij geen kandidaat was van groepen Amerikanen. Noch de Afro-Amerikanen, noch de rest van de regenboog konden hem als hun representant claimen. Hij had het meer over een rechtvaardige toekomst dan over een onrechtvaardig verleden. Hij had het niet over het gisteren van diverse groepen Amerikanen maar over de dag van morgen van alle Amerikanen. Als we ons de gelukkig ondenkbare situatie voorstellen dat Obama op bezoek was geweest bij Pauw en Witteman dan was hij daar niet mee weggekomen. Die twee hadden het vast flauw genoemd als Obama had ontkend dat hij de etniciteitskaart speelde. Dat etniciteit een rol speelt is voor hen hetzelfde als op etniciteit spelen.  

Zo, althans, beluisterde ik de uitzending van Pauw en Witteman gisteren (gisteren heb ik hem overigens niet gezien maar naar aanleiding van een berichtje in de Volkskrant heb ik het even opgezocht). Ze spraken met Albayrak. En hadden het over haar afkomst. En, Jeroen Pauw moest natuurlijk aan zijn trekken komen, over het feit dat ze een vrouw was. Pauw bleek zelfs best aardige Turkse vrouwen te zijn tegengekomen. Aan hem heeft het niet gelegen. Albayrak maakte herhaaldelijk kenbaar er allemaal weinig van gediend te zijn. Daarmee verzekerde ze het plezier van de heren. Die er dan ook geen genoeg van konden krijgen. Zuigen en treiteren.

Het is een model. Het is het model Wilders. Op de persoon spelen en hopen dat mensen daar zo genoeg van krijgen dat ze uit hun slof schieten. Dat deed Albayrak overigens niet, maar ze begon al gespannen en in de loop van de uitzending werd die spanning een kramp. Wilders zou zeker over haar afkomst beginnen, meenden de heren. Dus wat zou ze daar aan gaan doen? Het is jammer dat Albayrak er op inging. Het had me deugd gedaan als ze hen had gevraagd of zij meenden dat het werk in het parlement wordt bepaald door de manier waarop je omgaat met Wilders. Volgens de heren is dat zo – behalve dat ze niet de moed hebben het ook te zeggen. De desavouering van elk ander Kamerlid dan Wilders, vorige week door Van Nieuwkerk in gesprek met Martijn van Dam begonnen, gisteren door Pauw en Witteman voortgezet, neemt grote vormen aan. De rest van de Kamer bestaat niet en de studio voor talkshows is het forum geworden om te bewijzen dat je Wilders aankunt, niet om te bewijzen of je parlementair iets zou kunnen betekenen. Het parlement betekent niets dus dat kun je ook niet bewijzen.

Ik ben het helemaal met Wilders eens. De publieke omroep kan worden opgeheven. Het is niet meer dan een vleesgeworden vooroordeel. Erger nog, het is vervelend. Flauw.

28 februari

=0=

 

 

Toernooi

Midden jaren tachtig gaf ik een paar maanden college aan de universiteit van Oregon, in Eugene, een stad met een dikke honderdduizend inwoners. De universiteit stond redelijk aangeschreven (voor de sociale wetenschappen op de 33ste plek in de ranglijst, en dat is niet kwaad als je weet dat er vele honderden universiteiten zijn die sociale wetenschappen aanbieden). Veel buitenlandse studenten, voornamelijk uit Azië (bij economie Taiwanezen en Japanners, bij de sociale wetenschappen uit de overige landen). De Amerikaanse studenten kwamen grotendeels uit de staat zelf, uit Oregon dus. Maar voor hun masters droomden ze van wat beters. Ze schreven sollicitatiebrieven naar, met name, Michigan en San Francisco. Ze kwamen bij je langs voor een aanbevelingsbrief die hun kansen op toelating zou vergroten. Veel aanmeldingen bij de populaire universiteiten, weinig plaatsen.

Tegenwoordig begint de trek naar de betere universiteiten vroeger, steeds vroeger (dat ontleen ik aan RH Frank en PJ Cook, The Winner-Take-All-Society. New York, Virgin Books 20102). Wil je een kans maken op een plaatsje bij een topuniversiteit dan moet je ook je bachelors al aan een heel goede universiteit hebben gedaan. En daarvoor moet je ook al goede resultaten hebben behaald, op een goede school. Een kleine voorsprong aan het begin van je leven kan zich, gegeven steeds beperktere plekken hogerop, vertalen in een enorm verschil aan het eind. Het is een toernooi geworden, je schoolse en universitaire loopbaan. En die daarna ook. Wie wint, wint veel, wie een millimeter tekort komt krijgt niets. Het gaat niet om je absolute prestatie, het gaat om je prestatie op het moment dat er getest wordt. Wereldrecordhouders worden niet gevraagd, toernooiwinnaars worden gevraagd. Dat is zo in de sport, in het amusement, in de advocatuur, in de financiële instellingen, enzovoorts.

Bij Richard Sennett (Together. New Haven/London, Yale University Press 2012) kom ik tegen dat het gevaar van dit soort toernooien is dat de mensen die zich weinig kansen toedichten niet alleen afvallen of uitstappen, maar gewoon helemaal niet meer meedoen. Er is een verschil tussen nulsomspellen en winner-take-all toernooien. Bij nulsom probeer je nog een keer, bij winner-take-all hou je er op een gegeven moment mee op. Dat is een gedachte om goed uit te zoeken, zeker in onze moderne diplomasamenleving en de gevolgen die dat heeft voor schoolkeuze en uitsluitingspraktijken.

Zou het ook politiek gelden en ligt daar dan de kans voor populistische partijen? Het zou zo maar kunnen – en ook dan is een nader onderzoek belangrijk. Indien samenlevingen zich steeds meer ontpoppen als toernooien met weinig winnaars die door mogen gaan en veel verliezers die daarna nog slechts mogen meedoen aan toernooien van minder allooi, dan zijn we ergens onderweg de weg kwijt geraakt.

25 februari

=0=

 


Coöperatie

Dit jaar is door de VN tot het jaar van de coöperatie uitgeroepen. Slordig van me maar behalve de Rabo was voor mij de coöperatie een beetje een ding van het verleden. Dat is een vergissing. Soms is het verheugend je te vergissen. De coöperatie is er nog altijd. Er zijn drie keer zoveel eigenaren/coöperatieleden als eigenaren/aandeelhouders (en in de snel groeiende landen zelfs vier keer zoveel) en de groei zit er goed in. Landen als Ierland, Noorwegen, Zweden en Finland, Oostenrijk en Zwitserland kennen een grote coöperatieve sector, en ook in landen als India en China verspreiden coöperaties zich snel (met ledenaantallen die de aantallen in Europa overtreffen).

In waarde, overigens, is de handel via bedrijven op aandelen nog vele malen groter dan die van de coöperaties. Het gaat om schattingen en die komen uit op een verhouding van ongeveer 20 op 1. Het gaat om veel meer dan alleen landbouw en kredieten. De coöperatieve sector is bijzonder divers en bestrijkt het land, de winkeltjes en ook de high tech (bron: Ed Mayo, Global Business Ownership 2012; Co-operatives UK, Manchester 2012). Hoewel Muhammad Yunus zijn ‘sociale bedrijven’ niet gelijkschakelt aan coöperaties wordt door hem de affiniteit tussen de twee erkend (zie zijn Building Social Business. New York, Public Affairstm 2010: 7-8).

Mij is niet opgevallen dat er in ons land enige aandacht is geweest voor de oproep van de VN de coöperatie in het zonnetje te zetten. De armen van de financiële crisis reiken ver. Dat de Rabo het in de crisis het beste heeft uitgehouden wordt zelden toegeschreven aan de coöperatieve eigendomsvorm van die bank. Waarom eigenlijk niet? Ik lees in de Volkskrant een brief van een aantal economen over de woningbouwmarkt. Mij valt op dat het minder over woningen dan over banken, schulden en andere bedreigingen van de centen gaat. Ook de arbeidsmarkt komt voorbij. Maar wonen, nee. Dat is niet meer dan de aanleiding. Niettemin, de corporaties waren nooit coöperaties maar wat niet is zou kunnen. Zou het ombouwen van corporaties in coöperaties geen aardige bijdrage aan dit bijzondere jaar zijn? Dan gaat het ten minste eens om wonen als het over wonen gaat.

24 februari

=0=

   

 

Op weg

Mijn primaire interesse was, zo schrijft Hernando de Soto (The Mystery of Capital. Transworld/Black Swan Books 2001), niet het eigendom zelf maar de toegang tot eigendom, het recht op eigendomsrechten (o.c.: 109). Het recht op rechten, dat is meer een burgerschapscredo dan een eigendomscredo. Gaat het hem in eerste aanleg om burgerschap of om eigendom? Moeten we op weg naar een economische democratie van het eigendom of naar een politieke democratie van het burgerschap?

De kwesties zijn verbonden, maar niet identiek. Meer dan twintig jaar geleden schreef Kornai dat de informele economie een soort ‘beweging van burgerlijke ongehoorzaamheid’ was (J. Kornai, The Road to a Free Economy. New York, WW Norton & Company Inc. 1990: 40) en het is onmiskenbaar dat ook het boek van De Soto vanuit een vergelijkbaar standpunt is geschreven. Een voltooid burgerschap vraagt om een voltooid eigendomsrecht, om een voltooid recht om je bezittingen in gelegaliseerd eigendom te transformeren om ze vervolgens ongehinderd in te kunnen zetten voor elk doel dat je goed dunkt. In een informele economie is je handelingsvrijheid beperkt, in een formele economie is de wereld de grens. In ontwikkelingslanden beschikken de mensen in totaal over biljoenen en biljoenen aan bezit dat echter, omdat je beter dan Houdini moet zijn om er het formele eigendom van te kunnen claimen, amper inzetbaar is buiten een zeer kleine kring van mensen. Eigendom is eigenlijk communicatie, schrijft De Soto, communicatie over activa en het potentieel dat die bezitten (o.c.: 58). Een huis is een huis, maar het eigendom van een huis zorgt ervoor dat je het niet alleen kunt gebruiken om in te wonen maar ook om het als onderpand in te zetten. Je kunt het als kapitaal gebruiken. Kapitaal wordt door De Soto begrepen als een medium (op zich onzichtbaar, net als energie) dat zich in principe aan elke vorm kan hechten. Kapitaal kan elke vorm van bezit in beweging brengen – voorondersteld dat het bezit van een eigendomstitel is voorzien (De Soto o.c.: 36-47 en passim).

In het Westen is eigendom het product van een langdurig proces geweest. Niet gepland, niet ontworpen, maar eerder samengesteld uit tal van elementen van lokale gewoonten en erkenningen, die op elkaar zijn betrokken en op elkaar zijn afgestemd in juridische formats waarvan we de herkomst zijn vergeten. De Soto heeft een soort archeologie van het eigendom geschreven en is er achter gekomen dat de kern van het eigendom niet het ding maar het recht is. Het levert in zijn boek tal van fascinerende geschiedenissen op.

Maar toch. Ik had meer aandacht willen hebben voor het recht op toegang. De ene burger heeft dezelfde toegangsrechten als de andere. Een burger kan als burger niemand uitsluiten, een eigenaar kan dat bij uitstek. Een eigendom dat niet kan uitsluiten is geen eigendom en daarom is het best mogelijk om in de informele economie een bron van burgerlijk verzet te zien; zodra dat verzet het gewenste resultaat heeft gehad is wel de strijd om de eigendom beslecht, maar de strijd om burgerschap nog lang niet. De Soto schrijft terecht dat het legaliseren van bezit door het tot eigendom op te waarderen, uiteindelijk geen juridisch maar een politiek project is (o.c.: 199-216). Als het dat is zou, naar mijn smaak, niet het eigendom maar het burgerschap centraal hebben moeten staan. In Hongarije, om even terug te keren naar Kornai (en naar De Soto omdat bij hem de problematiek van de ontwikkelingslanden en van het postcommunistische Oost Europa dezelfde is), is het eigendomrecht gemoderniseerd. Het burgerschap is dat niet – het staat aan alle kanten onder druk.

22 februari   

=0=

 

 

Afzeiken

In de kranten lees ik dat Rutger Castricum gisteren werd afgezeken in DWDD. Dat gebeurde onder het motto dat Castricum een afzeikjournalist is. Of woorden van gelijke strekking. Je kunt daar twee dingen bij ervaren. Je kunt zeggen dat de man z’n trekken thuis heeft gekregen en dat verdiend heeft. Lekker puh. Je kunt ook zeggen dat DWDD zich weer eens van z’n bekende dubbelzinnige kant heeft laten zien. Ik zeg het laatste. Het is de enige manier waarop ik het succes van DWDD kan verklaren.

Heeft u bijgedragen aan de val van Cohen, was een vraag die aan Castricum werd gesteld. Hij hoopte van wel, was het antwoord ongeveer. De verslaggever als aanvaller, korter had Castricum het niet kunnen samenvatten. Hij zou een uitstekend tafelheer voor het programma van Van Nieuwkerk zijn. Is de voor de hand liggende vraag gesteld of DWDD heeft bijgedragen aan het vertrek van Cohen? Ik heb de uitzending niet gezien maar ik heb zo’n idee dat die vraag niet gesteld is. DWDD ondervraagt anderen, niet zichzelf. Ze hadden Castricum nodig om zichzelf uit de wind te houden.

Cohen verklaarde dat hij het niet had gered in het politieke en medialandschap dat kortheidshalve met ‘Den Haag’ wordt aangeduid. Het medialandschap heeft inderdaad niets nagelaten om Cohen af te branden. Het treurige is dat ze dat niet aan zichzelf toeschrijven maar aan Cohen. Hij had geen oneliners in de aanbieding. Dat de media zelf om oneliners vragen en om niets anders komt ook al niet door de media. Ze vragen er zelf niet om, de ‘mensen’ vragen erom en wat die vragen leveren zij. Dat de media zich als een lachspiegel tussen Cohen en de ‘mensen’ hebben gewurmd, die gedachte zal bij de media niet opkomen. Media hebben geen gedachten en DWDD is er de bekroning van.

De enige goede reactie van de PvdA is een langdurige mediastilte. Ik ben echter bang dat de eerste afspraken voor het meedoen aan talkshows al gemaakt zullen zijn. Zeg ze af. Zeik ze af.

21 februari

=0=

 


Raspoliticus

In het FD van afgelopen zaterdag een groot artikel over Maxime Verhagen, raspoliticus. Hij heeft het ‘m weer geflikt, dat is de toon. In het vorige kabinet liet hij achteloos vanuit New York weten dat het kabinet zich nog maar eens moest bezinnen op Uruzgan, nu laat hij weten dat er niet alleen bezuinigd moet worden maar ook gestimuleerd en hervormd. Ja, vermeldt de schrijver van het artikel, dat van Uruzgan pakte niet zo goed uit maar ook een echte tacticus kan zich wel eens vergissen. Toen ging ik wat meer rechtop zitten in mijn stoel. Zou de raspoliticus zich nu weer vergissen? Jammer, daar werd niets over gemeld. Ik moet dus wel aannemen dat de schrijver van mening is dat Verhagen het dit keer goed ziet.

Wat ziet hij dan goed? Daar ben ik niet goed in voorgelicht. Dat hij de PVV een hak zet, het is evident. Dat hij de VVD kietelt ook. Maar om te slagen heeft hij twee dingen nodig: hij moet geloofwaardig zijn en hij moet gezaghebbend zijn. De bron van het eerste is onmisbaarheid, de bron van het tweede is gezag. Ik zou denken dat een raspoliticus nagaat hoe het met die kwaliteit van z’n bronnen is gesteld en ik zou denken dat een raspoliticus ervan doordrongen is dat, zelfs al zijn de bronnen in orde, je er nog niet automatisch van overtuigd mag zijn dat de verhoopte geloofwaardige en gezaghebbende effecten wel zullen volgen – wat je ook doet.

Ik geloof niet dat Verhagen al te veel op zijn onmisbaarheid moet rekenen. Ik geloof dat het ook met het gezag van Verhagen niet erg in de haak is. Ik geloof dat de geloofwaardigheid van Verhagen zeer is aangetast en ik geloof dat hij allerminst nog gezaghebbend is. Noch met zijn bronnen, noch met de weerklank van zijn gebruik van de bronnen is het goed gesteld. Het is er zelfs beroerd mee gesteld.

Verhagen heeft met zijn aankondiging dat er ook hervormd moet worden een poging gedaan zijn reputatie binnen het CDA, gegeven het recente rapport van de commissie De Geus, wat op te vijzelen. En hij heeft dat in dezelfde beweging weer ongedaan gemaakt door er een soloactie van te maken. Als dat een raspoliticus moet voorstellen zou ik niet weten wat een politiek dier is. Of is het allemaal hetzelfde?

20 februari

=0=

 


Volledig

Wat zou een ‘volledig liberaal’ zijn? Ik kom op de vraag omdat ik de aanduiding tegenkom in een artikel, getiteld Het neoliberale fantoom, in De Groene van deze week. Het artikel is geschreven door Edwin van de Haar. De auteur zegt niet wat neoliberalisme is, hij zegt dat wat anderen neoliberalisme noemen geen neoliberalisme is en concludeert daaruit dat het neoliberalisme helemaal niet bestaat. Het is een fantoom. Een heerlijke argumentatie waarmee elk –isme voorgoed begraven kan worden. Onder de zoden ermee!

Ik geloof dat in de wandeling het neoliberalisme geassocieerd wordt met het liberaliseren van tal van bedrijvigheden die eerder nog in mindere of meerdere mate afgeschermd waren van concurrentie, met het dereguleren van factormarkten (in het bijzonder de kapitaalmarkt) en met een visie op de wereld die niet veel anders inhoudt dan alles wat God en de mensen zouden kunnen verzinnen in het perspectief van het streven naar nut en het maximeren van nut te plaatsen. Bedrijvigheden blootstellen aan concurrentie, factormarkten van regels bevrijden, een eenkennige visie die voor ieder van ons geldig en goed genoeg wordt geacht. Je mag er anders over denken maar het zal je opbreken. Zo’n visie. Wie niet horen wil moet maar voelen. Griekenland, luistert u?

Van de Haar heeft het er niet over. Deregulering komt in zijn vocabulaire niet voor. Dat is jammer. Voor velen is deregulering bij uitstek een neoliberale aantasting van het liberalisme. Deregulering wordt gemotiveerd vanuit een rechtsopvatting waarin het recht de maat wordt genomen door de vraag te stellen naar de efficiëntie ervan. In het jargon van de deregulering staat niet het recht van de efficiency ter discussie maar de efficiency van het recht. Het zal Hayek een gruwel zijn, en het zal Rand wel bevallen. Van de Haar schrijft dan wel dat Hayek en Rand twee werelden zijn maar of je aan de hand daarvan iets over neoliberale deregulering kunt zeggen is voor hem kennelijk niet interessant. Moet het ergens over gaan? Wel zeker. Het gaat erover wie er het meeste van afweet. Niet de wijsheid en de helderheid van dat weten, maar de omvang. Daar gaat het om. Ik weet er meer van dan jij schijnt zijn boodschap aan Hans Achterhuis (schrijver van het ‘ten onrechte bewierookte boek De utopie van de vrije markt’, aldus Van de Haar)te zijn. Dat kan best waar zijn maar wat kan ons dat schelen? Wat kan het De Groene schelen? Dat vind ik pas raadselachtig. Op het voorblad vind ik de aankondiging ‘Jammer voor de SP: het neoliberalisme bestaat niet’. Wie verzint zoiets? Bestaat deregulering niet? Bestaat liberalisering van handel niet? Bestaat de monocultuur van die ene exclusieve economische rationaliteit niet? Voor Van de Haar bestaan die dingen inderdaad niet want waar men van mening over verschilt en waar onzin over wordt gedebiteerd bestaat volgens hem niet. De Groene zal het er wel mee eens zijn. Wat het met de SP te maken heeft, waar het überhaupt iets mee te maken heeft – ik ben er niet achter gekomen.

19 februari

=0=

 

 

Fractie

Als een elftal slecht presteert moet de coach oppassen. Frank de Boer zit er nog, maar alleen omdat hij voorlopig nog wordt gered door het bestuurlijke gekrakeel bij Ajax. Een trainerwisseling kunnen ze er nu even niet bij hebben. Ajax speelt vreugdeloos, fantasieloos, zonder geloof in wat dan ook. Mij lukt het niet meer een hele wedstrijd te blijven kijken. De echte fan blijft wel kijken en heeft dan natuurlijk wel het probleem dat er toch ergens verantwoordelijken moeten worden gevonden voor de matige prestaties. Normaal kom je dan bij de trainer uit, maar de fans roepen om Cruyff en branden iedereen af die er anders over denkt. Daarom is Ajax een bijzondere club. Al lang niet meer vanwege het voetbal, en wel vanwege een verbeten doordrijver die veel suggereert en weinig oplost. De fans zijn er blij mee en noemen dat in het belang van de club. Even doorbijten en dan zal het wel weer in orde komen. Wees eerlijk, wie wil de fans hun geloof afnemen? Dat kunnen alleen de mensen zijn die van voetbal houden en voetbalclubs als niet meer dan gebrekkige uitvoerders van het voetbal zien. Die verschuiven hun aandacht naar de club die het beste is – of ze gaan wat anders doen. Het zijn de ietsisten in de voetbalreligie. Die mensen kun je als voetballiefhebber niet serieus nemen, omdat een voetballiefhebber een clubliefhebber is en een club is niet zomaar iets. Een club is veel, als het al niet alles is. Een ghostwriter column in de Telegraaf en de steun van een hork die in tv-programma’s mensen beledigt en een voetbalblaadje runt zorgen er verder voor dat de grootste bek wordt vereenzelvigd met het beste voetbalverstand. Van die media, de vormen die teloor zijn gegaan. Cruyff zonder media is ondenkbaar geworden. Cruyff met media is de man die de vorm voorbij is. Cruyff is een niemandsland waarvan de fans denken dat het er goed toeven is. Volg mij – het is de roep van de onnavolgbare.

In het voetbal zijn fracties schaars. Maar ze komen voor. Of eigenlijk, volgens de media komen ze voor. En heb je eenmaal fracties dan zijn er vanzelfsprekend ook weer fracties binnen fracties. Neem het Nederlands elftal van 1996. Er zou daar een fractie zijn die als De Kabel werd aangeduid en de kabel stond voor de hechte vriendschapsband tussen Bogarde, Kluivert, Davids, Seedorf en Reiziger. De vrienden zouden apart staan van de rest van het elftal en kijk, er werd een foto gepubliceerd waarbij de vrienden (overigens samen met Rob Witschge) aan het ontbijt zaten. Verdacht. Kluivert kon dan later wel beweren dat de tafelindeling elke dag veranderde maar het kwaad was geschied. Tijdens het Europese toernooi van 1996 werd Davids verwijderd en had die dat niet over zich afgeroepen omdat hij had gezegd dat coach Hiddink z’n hoofd eens moest weghalen uit de reet van een paar blanke spelers (Danny Blind en Ronald de Boer naar verluid) zodat hij eindelijk eens wat zou zien. Dan tellen we op. We hebben een kabel, een foto, een hoofd op plekken waar dat hoofd helemaal niet hoort te zijn. We hebben een fractie in een elftal en de fractieleider van het hele elftal kan het schudden. Gelukkig is het met Hiddink heel goed afgelopen en van de kabel is, nadat we ervan gesmuld hebben, niet veel meer overgebleven.

Ik lees in NRC Handelsblad van gisteren een stuk over een fractie die moeilijk bij elkaar is te houden. De krant onderscheidt liefst zes fracties binnen de fractie van de PvdA die bij elkaar moet worden gehouden door coach Cohen. Het doet denken aan Ajax en het doet denken aan het elftal van 1996. Meer Ajax, of meer 1996? Dat had ik willen lezen, maar daar heeft de krant uiteraard geen enkele belangstelling voor. Belangstelling kost tijd en tijd is er niet, tijd is nog schaarser dan fracties in een elftal. Media houden niet van voetbal, alleen van onrust in voetbalclubs. Media houden ook niet van politiek (dan zouden ze iets meer aan zelfbeschrijving en zelfreflectie moeten doen), ze houden alleen van onrust in politieke partijen. De media zijn de voornaamste politieke fractie. In alle bescheidenheid, want mochten ze succes hebben dan schrijven ze ook dat toe aan de anderen. Een medium is onzichtbaar toch?

18 februari

=0=

 

 

Light

Wat ik er precies van moet denken weet ik ook niet maar de uitspraak van Job Cohen (gisteren in Trouw) over de uitgangspunten van PvdA en SP zit niet lekker. Cohen zei, helemaal aan het einde van het dubbelinterview met hem en Hans Spekman: ‘Als ik alles overzie, staan zij wat uitgangspunten betreft waar wij staan’. Hij voegde er onmiddellijk aan toe dat Europa een heel groot verschil was tussen de partijen maar kennelijk is Europa geen uitgangspunt. Daar zou ik meer over willen weten, maar dat staat weer niet in het interview.

Dat uitgerekend Frans Timmermans op het interview reageerde met een uitgebreide mail (die natuurlijk uitlekte) hoeft niet te verbazen. Hij schreef het niet, maar voor hem is Europa wel degelijk een ‘uitgangspunt’. Daarin steun ik hem, en het punt staat niet op zichzelf. Deze week nog hoorde ik Roemer over het discriminatiemeldpunt van de PVV melden dat hij er op tegen was, maar ook dat hij best begreep dat mensen klachten hadden en dat je daar niet aan voorbij moest gaan. Nee maar. Het lijkt de PVV wel: als je tegen het meldpunt bent omdat je tegen discriminatie bent, heb je dan geen oor voor de klachten van mensen die van wat dan ook overlast ondervinden? Het ging toch om het label (‘MOE’), alsof mensen uit Midden- en Oost- Europa overlast aan hun kont hebben hangen of, dichter bij de PVV, in hun genen hebben? Alweer een ‘uitgangspunt’: niet meeliften met de modieuze vertekening van het beeld over de PVV, een beeld waarin aan die partij wordt toegegeven dat hij in elk geval de ‘problemen’ heeft benoemd – maar dat de verpakking af en toe wat onsmakelijk is. De PVV benoemt geen problemen, de PVV schept problemen. Maar de SP mag graag van twee walletjes eten.

Maar los van alle verstandige dingen (in het bijzonder over middengroepen en over de nestgeur van de SP waar – een grapje van de Duitse humorist Karl Valentin – in het verleden niet alleen het verleden maar zelfs de toekomst beter was) die Timmermans in zijn mail schrijft, nergens kon ik uit het interview iets afleiden waaruit zou blijken dat Cohen en Spekman van de PvdA een “SP light” willen maken. Of Timmermans wist dat zijn mail de openbaarheid zou bereiken weet ik niet. Maar hij had kunnen weten dat als dat zou gebeuren, die kwalificatie van een calorievrije PvdA zou gaan rondzingen. Dat is dan ook gebeurd. En het is precies die kwalificatie die niet terecht is.  

17 februari

=0=

 

 

Prijsboete

In zijn recente boek Cognitive Surplus (London, Allen Lane 2010) heeft Clay Shirky een hoofdstukje opgenomen over ‘cultuur’. In dat hoofdstukje staat onder meer een verslag van een experiment in een tiental kinderopvangverblijven in Haifa. Het experiment betrof het ophaalgedrag van de ouders, en de mogelijkheden daar wat in te veranderen. De tijd van ophalen was vier uur in de middag. Regelmatig kwamen ouders te laat en de vraag was wat je daar aan kon doen.

In het experiment werden de opvangverblijven in twee groepen gesplitst. Bij de ene groep verblijven, vier in aantal, bleef alles bij het oude. Bij de andere zes verblijven werd een boete ingesteld op te laat komen. Wie meer dan tien minuten te laat was kreeg een maandrekening waarin een boetebedrag was opgenomen. Het resultaat was verrassend. In de controlegroep van vier veranderde niets, maar bij de experimenteergroep nam het aantal keren dat de ouders te laat kwamen fors toe. Ze betaalden de boete graag – want nu ze toch betaalden was van een civiele relatie (je houdt rekening met het personeel van de opvang) een commerciële geworden. Je betaalt er toch voor? Nou dan. De boete is een prijs die diverse ouders maar al te graag opbrengen en wie heeft betaald, die heeft aan al zijn verplichtingen voldaan.

Het opmerkelijke is, schrijft Shirky (: 131), dat de onderzoekers, een tweetal psychologen, hun bevindingen publiceerden in een artikel (‘een boete is een prijs’) in een juridisch tijdschrift, niet in een psychologisch. Ze hadden het ook in een economisch blad kunnen doen (en dat deden ze met een vergelijkbaar artikel, ook uit 2000) want het is een experiment in gedragseconomie waarover ze rapporteren, zij het een experiment waarbij ik me afvroeg of we de resultaten ervan niet eens aan de politie moeten aanbieden, of, nog beter, aan de ministers die de politie op boetequota zetten – en zich sindsdien nog meer dan eerder verbaasd afvragen waarom het met het gezag van de politie zo slecht gesteld is. En we kunnen het aantal speelterreinen best uitbreiden met, ik noem maar wat, medische en andere zorg en onderwijs en verdere vormen van professionele dienstverlening.   

Ik ontwikkel een steeds grotere weerzin tegen een staat die van zijn burgers ‘hardwerkende belastingbetalers’ maakt en vervolgens verwacht dat zijn gezag daar niet onder zal lijden. Zo een staat verschilt niet van een private organisatie en zo een staat maakt van alle betrekkingen tussen mensen en tussen de mensen en zichzelf vraag en aanbod op een marktplaats. Je betaalt de prijs maar dan heb je ook wat en als het niet bevalt ga je je recht halen. Inderdaad, ook de boete is een prijs. Respect man!

Na enkele maanden werd het experiment in Haifa beëindigd. De boetebepaling verdween. Het gedrag van de ouders in de verblijven waar de boete had gegolden verdween niet. Het te laat komen bleef hoger dan voor de boetebepaling. Het is als met vertrouwen; het komt te voet en gaat te paard. Tel uit je winst.

16 februari

=0=

 

 

Onderpand

Behalve een enkele politieke partij is iedereen er wel van overtuigd geraakt dat de hypotheekrenteaftrek anders gaat worden. Ook de banken en DNB. De banken zullen niet uit liefde voor de schatkist een ietsje inschikken bij hun hypothekenhandel en ik denk dat het ook niet komt door de financiële crisis. Die maakt de banken wel wat kopschuw (de bomen bleken zelfs voor hen niet tot in de hemel te groeien) maar dat gaat over. Het heeft met iets anders te maken. Het heeft met het onderpand te maken. En nee, dat onderpand is niet het huis zelf. Het onderpand is het inkomen van de hypotheekgever en de basis van dat inkomen is in het merendeel van de gevallen diens baan. De baan is het functionele equivalent van het onderpand. Mensen die een huis kunnen kopen met een waarde gelijk aan of hoger dan de aankoopprijs krijgen geen hypotheek als ze niet over een eigen vermogen beschikken of over een baan die ze morgen en overmorgen ook nog zullen hebben. It is the job, stupid.

Banen die je niet alleen vandaag hebt maar ook nog morgen en overmorgen zijn er steeds minder. Daarom zijn ook steeds minder banen geschikt om als joker in te zetten in het grote hypothekenspel. Het gevolg is dat de hypothekenmarkt onder druk komt te staan. De reactie van de banken is dat indien de baan een minder goede voorspeller is, het inkomen dat ook is. Vandaar dat een eigen vermogen de ontstane leemte maar moet opvullen. Minder riante hypotheken voor werknemers dus en om het erin te wrijven zal de staat de hypotheekrenteaftrek wel aan banden leggen. De banken maken de koffie schaars en de staat de melk voor de cappuccino. Wat schaars is, is duur. Hoe minder banen met een lange duur er zijn, hoe minder makkelijk een huis kopen wordt. In de frisse plannen van GL en D66 om de woningmarkt en de arbeidsmarkt aan te pakken ben ik deze interactie niet tegengekomen.

Als de baan niet meer als het feitelijke onderpand kan functioneren, wat dan wel? Het antwoord ligt voor de hand. De baan was de basale sociale zekerheid van het gros van de mensen (wat men sociale zekerheid noemde kwam pas in werking als je geen baan meer had, voor kortere of langere tijd). De baan was de primaire sociale zekerheid en het was die zekerheid die als onderpand functioneerde. Het was geen recht, maar het was bijna zo goed als een recht, als een eigendomsrecht (over de, ik zal maar zeggen, kapitale waarde van het eigendomsrecht las ik met veel genoegen het boek van Hernando de Soto, The Mystery of Capital. Zijn gedachtegang, hoewel in eerste aanleg alleen toegespitst op ontwikkelingseconomieën, ligt aan de basis van dit stukje). Rechten maken van dingen pas de eerbiedwaardige objecten waarmee je kredieten kunt scoren; ze maken er kapitaal van. Gewoon, omdat dingen geen dingen zijn maar relaties.

De sleutel bij ons is de sociale zekerheid. De verknoping van arbeidsmarkt en woningmarkt is alweer een reden om de sociale zekerheid weg te halen uit de handen van de overheid en terug te geven aan de mensen wier zekerheid het verondersteld wordt te zijn. Was dat – een sociale zekerheid als instrument van mensen in plaats van als een wapen tegen hen – trouwens niet een element, nog niet eens zo heel lang geleden, van de prachtige levensloopplannen en levensloopregelingen die ons allemaal wat meer ontspanning beloofden?

Moeten we maar weer eens boven water halen, die plannen en regelingen. Zit vast wel wat nuttigs bij.

15 februari

=0=

 

 

Vasthouden

Als je iets niet goed hebt gedaan is het verstandig te kijken naar wat je niet goed hebt gedaan. Je moet niet als eerste naar het ‘gedaan’ kijken, naar de activiteiten, maar naar het ‘iets’ dat is misgelopen. Vervolgens kijk je of de indicatoren die je gebruikt om dat ‘iets’ wat dichterbij te brengen wel op orde zijn. Dan weet je niet alleen of je wel het goede hebt gedaan maar ook of je dat goed hebt gedaan. Pas daarna kijk je hoe je je tijd beter kunt besteden. Het roer omgooien of inzetten op die indicatoren waarop je met je altijd beperkte tijd en middelen beter wilt scoren.

Ik geloof dat dit een redelijk gebruikelijke manier is om je prestaties te beoordelen of dat te laten doen. Maar niet bij Groen Links, althans bij de fractievoorzitter van Groen Links in de Tweede Kamer. Die reageert typisch bureaucratisch: als er iets niet klopt dan doen we meer van hetzelfde. Heeft het niet gewerkt? Dan moeten we harder werken. Is de regel niet effectief? Dan plakken we er nog een regel aan vast. Mevrouw Sap was ooit beleidsmedewerker bij het Ministerie SZW en dat heeft, denk ik, z’n sporen nagelaten. In het moderne managementspeak heet dit een gevalletje competency trap. Waar je ooit goed in was is ook vandaag nog goed genoeg.

‘We moeten ook naar onszelf kijken. We hebben het gewoon niet goed gedaan. We moeten harder aan de slag’. Ik lees het in Trouw en het is opgetekend uit de mond van Jolanda Sap. Het had natuurlijk ook uit de mond van een voetbaltrainer kunnen komen, kort voor diens ontslag, als niemand er nog in gelooft. Nee jongens, ideeën heb ik niet maar als we allemaal een stapje extra zetten komt het dik in orde. Het mag natuurlijk ook een manager zijn van een bedrijf in zwaar weer. Die zal dan zeggen dat het maar eens afgelopen moet zijn met de cultuur van lapzwansen en op kwart voor vijf je spullen inpakken.

‘We houden vast aan onze koers, dat is wat we zelf belangrijk vinden’. Weer een citaat, uit dezelfde Trouw van maandag. Welke koers? De juiste koers, de koers die we al hebben en die hebben we omdat we dat belangrijk vinden.

Nu de anderen nog. Maar daar gaan we keihard aan werken want dat hebben we nog niet genoeg gedaan. Niet genoeg? Nee, dat blijkt toch? Anders hadden we dat iets wel beter gedaan. Er is, zoals wel vaker, geen speld tussen te krijgen. Zou een wig helpen?

14 februari

=0=

 

 

Omloopsnelheid

Gaan we aan toezicht ten onder? In het FD van afgelopen zaterdag staan liefst drie artikelen over toezicht. Het eerste over een versnipperd toezicht op corporaties. Daar hebben we het Vestia-drama aan te danken begrijp ik. Het tweede over de ‘overspannen controledrift’ van de overheid in het onderwijs. De stelling is dat hoe meer de overheid uit handen geeft, hoe groter het wantrouwen en hoe meer toezicht wordt ingesteld. Het derde gaat over de ziekenhuizen. Daar is de kop ‘zorgbestuurder geen baan voor plucheplakker’. Plucheplakker, een merkwaardige uitdrukking voor een situatie van een steeds grotere omloopsnelheid van bestuurders. Nog in 2000 had een ziekenhuisbestuurder gemiddeld 7,3 jaar te gaan. Nu is dat nog 4,4 jaar. Ter vergelijking, een bestuurder in de gehandicaptenzorg zat in 2010 gemiddeld 7,7 jaar. De reden voor het verschil? Het toezicht. Toezichthouders eisen meer ‘bedrijfseconomische’ kennis en waar die niet goed genoeg is moet er iemand worden vervangen. Is dat niet curieus? In de woningbouwcorporaties zitten tal van bedrijfseconomisch geschoolden en dat is geen voordeel gebleken, in de ziekenhuis moeten er meer komen: zou dat een voordeel zijn?

Het heeft met marktwerking te maken. De verzekeraars dus. Als de overheid niet om meer papier en steeds gedetailleerder registraties van alles vraagt dan doet de verzekeraar het wel. Om betere zorg? Uit het artikel valt dat niet af te leiden. Het thema is eerder de overleving van een ziekenhuis dan de overleving van een patiënt. Die komt helemaal achteraan. Kleine ziekenhuizen hebben het moeilijk, moeten verdwijnen of op z’n minst taken afstoten, de reisafstand voor patiënten en familie neemt toe en morgen kan het weer anders zijn.

De marktwerking heeft ook gevolgen voor de relatie tussen medisch specialisten en de bestuurders. Dat is al een oud probleem en ik kan nergens uit afleiden dat het makkelijker oplosbaar is geworden. Niet lang geleden bleek dat tal van medici vinden dat bestuurders niets over het medische werk weten en toch ingrijpen. Bestuurders, op hun beurt, waren van mening dat medici net deden alsof zij maar wat aanklooiden.

Als de marktwerking die doofheid over en weer aanscherpt – in naam van de bedrijfseconomische kennis – dan zijn we nog verder van huis. Het zorgelijke is dat marktwerking veel verder gaat dan de markt. Het beïnvloedt alle organisaties. De wereld gaat snel en wie het bij wil houden moet snel met geld kunnen schuiven. De omloopsnelheid van alles moet omhoog. Ten koste van wat? Dat zoeken we nog wel uit. Daar hebben we het toezicht voor. Toch?

13 februari

=0=

 

Kliniek Griekenland

De aankondiging van een levenseindekliniek (in Den Haag, in bedrijf vanaf 1 maart aanstaande) doet nogal wat stof opwaaien. In NRC Handelsblad van gisteren (column Folkert Jensma) werd er aandacht aan besteed en in Trouw stond een al wel heel warrig artikel van een ‘docent bestaansfilosofie’ aan de Universiteit voor Humanistiek, met als strekking dat het vooruitzicht op een goede dood de eenzaamheid van de stervenden niet zou verlichten en daarom ook helemaal geen goede dood was. Voor haar hoeft die kliniek niet. De schrijfster, Christa Anbeek, meent dat ‘geestelijk begeleiders’ of ‘geestelijk verzorgers’ of ‘gidsen’ hier zegenrijke arbeid zouden kunnen verrichten. De geboorte van een professie? Misschien, als de verzekeraars de bewezen diensten willen vergoeden maar, zo las ik, die doen dat nog niet.

Een nieuwe professie is ook een nieuw specialisme. Dat stuit Jensma tegen de borst. Hij vraagt: ‘Maar zodra het levenseinde een specialisme wordt, is de dood dan niet het voorbestemde antwoord op de hulpvraag’? Goede vraag. Een arts is er voor het leven en in laatste instantie voor de begeleiding bij het sterven of de begeleiding naar het sterven toe. Krijgen we nu stervensartsen? Tot dusver was het zo dat euthanasie alleen kan indien, ik citeer opnieuw Jensma, ‘een arts klem zit tussen de plicht het leven te behouden en de plicht het lijden te verzachten’. Zou dat ook de overweging geweest zijn bij de arts die, dat stond ruim een week geleden in NRC Handelsblad, een dementerende vrouw van haar leven afhielp? De vrouw had in betere tijden verklaard dementie niet te willen meemaken, maar toen puntje bij paaltje kwam was ze niet meer in staat haar verzoek te herhalen. Ze stribbelde tegen toen haar man en de arts concludeerden dat ze in haar geest handelden door de euthanasie alsnog door te zetten. Ja, er waren andere artsen geraadpleegd, twee zelfs maar dat was alleen omdat de eerste collega niet akkoord ging. Daarom werd doorgezocht. Met de kliniek in aantocht hoef je niet meer door te zoeken. In een keer raak. Bert Keizer schreef gisteren in Trouw een woedende column over de arts en de vrouw, met als titel Er was geen verzoek.

Waarom doet me de levenseindekliniek toch zo denken aan Griekenland? Waarom doet de arts me denken aan het IMF en de echtgenoot van de overleden vrouw aan de Griekse regering?

Aan de vrouw werd uiteindelijk niets meer gevraagd. Aan de Grieken ook niet. Misschien moeten wij het probleem eens voorleggen aan Christa Anbeek.

12 februari

=0=

 

 

Werkwijze

Tot tweemaal toe is de PVV erin geslaagd de doorgang van de Willem Arondéuslezing te frustreren. Dat gaat heel eenvoudig. Je maakt een boel stampij zodra je weet aan wie wordt gedacht voor de lezing en je bent pas tevreden als de lezing wordt afgelast dan wel dat de voorgedragen persoon er geen zin meer in heeft. Eenvoudig recept. Behulpzaam om elke benoeming of voordracht die je niet zint de nek om te draaien. De PVV noemt het openbaarheid en vindt het een fundamenteel recht. Ze bedoelen dat de Provinciale Staten ooit vergeten zijn een reglementje op te stellen om de commissie die het spul mocht voorbereiden bij de les te houden. Ze dachten natuurlijk dat het vanzelf sprak dat je niet alles wat je niet beviel direct op straat kieperde. Begrijpelijk, maar de tijden zijn veranderd. De PVV gooit alles op straat wat de partij tegen de haren instrijkt en dat is, de herkomst van hun eigen subsidies uitgezonderd, vrijwel alles. Vleesgeworden rancuneproleet Brinkman staat model.

Afgelopen maandagavond besloten Provinciale Staten van Noord-Holland dat de commissie voortaan in beslotenheid zou werken. Dat vindt de PVV, bij monde van Brinkman, niet in de haak. Hij gaat de bestuursrechter inschakelen, met een beroep op de wet openbaarheid bestuur. Het middel is potsierlijk, het beroep op die wet is potsierlijk en het geeft de PVV de aandacht waarzonder die partij die geen partij is, niet kan bestaan. Brinkman zoekt de grenzen van de wet op als hem dat zo uitkomt en hij zoekt de wet op als dat hem ook zo uitkomt. Het is alles voor de bühne. Ik hoop voor de geestelijke gezondheid van Brinkman dat hij dat zelf ook wel weet. Ik twijfel eraan. We kennen allemaal het verschijnsel dat als je ongelijk hebt de verschansing in je eigen flauwe kul hoog op kan lopen. Het is een eenvoudige truc. Gesteld, wij vragen aan Brinkman of hij wel goed bij z’n hoofd is. Dat kan best omzwachteld en de man is zo mediageil dat hij er nog op in zal gaan ook. Meer nog, het is een kans. Ik hoor het hem zeggen: ‘Ik mag toch best naar de bestuursrechter? Wordt aan dat recht nu ook al getornd? Niet? Maar waarom verklaren jullie me dan voor gek? Waarom plaatsen jullie vraagtekens bij mijn motieven?’

Niet de werkwijze van de lezingcommissie is interessant. Evenmin de werkwijze van Brinkman. Wel de werkwijze van media die nog altijd geen vaste rubriek ‘meelijwekkend en ander PVV nieuws’ hebben.

8 februari

=0=

 

 

Doorvoer

Is dat niet aardig? Onze befaamde export waar alle welvaart van afhangt is voor het grootste gedeelte gewone doorvoer. De export is in transacties gemeten tweederde van het totaal, in termen van het BNP gemeten nog geen derde van het totaal. Nog geen derde? Nog altijd veel natuurlijk maar je zou eruit kunnen afleiden dat alles wat ons land uitgaat niet hetzelfde is als alles waar we onze welvaart aan danken. We doen zelf ook nog wat. Het gros van de ‘export’ (we hebben vanaf heden export-export en ‘export’) was eerst gewoon import, het doet ons even aan, wordt hier kort gestald en vertrekt weer. Het lijkt Schiphol wel, waar ook het gros van de passagiers alleen even overstapt en verder in ons land niets komt zoeken. Schiphol is er blij mee, de omwonenden niet. Nederland is er blij mee. We hebben een traditie te verdedigen. Van trafiek naar eenvoudige overslag. Met een kleine vergoeding voor de gemaakte kosten. Nederland distributieland, die leus dekt nu ook onze exportpositie af. Wat moet je dan nog met een kenniseconomie? Een opslageconomie, dat zijn we al eeuwen. Het is onze identiteit. Nee, de Nederlander ben ik niet tegengekomen, zei Maxima. Ze had ook niet naar de Nederlander moeten zoeken. Ze had handel en transport moeten zoeken. Daar identificeren we ons mee en daar zit dientengevolge, de WRR logica ter zake aanroepend, onze identiteit.

Voor de vakbonden is het eindelijk weer eens goed nieuws. Decennialang de kop gek gezeurd met berichten over onze bedreigde exportpositie en de cruciale rol van loonmatiging om die positie te behouden, te versterken, uit te bouwen en wat al niet, en nu blijkt dat het niet de eksport maar de indoorsport is die de kar trekt en dan hebben we het niet meer over lonen. We hebben het over het MKB, de plaatsgebonden dienstverlening, de overheden, kortom al die sectoren en branches die met een koopkrachtimpuls hier tevredener zijn dan de export-export sector die meer van de koopkracht bij de buren houdt.  En dan hebben we nog de doorsportsector. Gaat evenmin over het kostenaspect van de lonen, en eerder over de ligging van ons prachtland met een enorme haven en een hoeveelheid spoor-, water- en wegverbindingen met ons reusachtige achterland waar je u tegen zegt. Niks lonen, geografie en infrastructuur, publieke goederen bij uitstek. We betalen ons er suf aan, het geeft werk en we verdienen er niet veel aan.

Rijk worden we niet van al die doorvoer. Dat weten we ook al jaren. Het levert weinig hoogwaardig werk op, de toegevoegde waarde houdt niet over en net als bij Schiphol is de belasting voor het milieu aanzienlijk. Export en doorvoer, ze mogen een onsje minder. Investeren door loonmatiging? Nee toch? Koopkracht mag wat meer tellen. Zou de regering er rekening mee houden, in haar besprekingen over een nieuwe ronde bezuinigingen?

Ik geef toe, de vraag is retorisch. 

7 februari

=0=

 

 

Schoon

Ruim een maand duurt de schoonmakerstaking alweer. Ik merk het op de stations van de NS. Op de site van FNV Bondgenoten lees ik dat het dit keer niet de opdrachtgevers zijn die een oplossing blokkeren maar de schoonmaakwerkgevers: “Ze vinden schoonmakers geen doorbetaling bij ziekte waard. Ze bieden geen zekerheid voor tijdelijke krachten. En tot overmaat van ramp koppelen de schoonmaakbazen de toekomstige loonstijging van twee dubbeltjes aan het risico van pensioenen.”

Er is meer. De werkgevers liggen dwars maar er zijn ook andere beren op de weg. Afgelopen week las ik in De Groene een stuk over de schoonmaakstaking. De werkdruk komt voorbij (een wc schoonmaken: 90 seconden). De omstandigheden (een verblijfsruimte in een onverwarmde kelder zonder stromend water, toilet, koffieautomaat). Er zijn de afromende ‘intermediairs’ tussen opdrachtgever en schoonmaakbedrijf die de prijzenoorlog nog wat opvoeren. Er is het circus van de aanbestedingen. En, nieuw voor mij, er is de NMa die, in het belang van de concurrentie, brancheafspraken over minimumtarieven en aanvaardbare werkdruk verbiedt. Het kan niet op. En voorlopig houdt het ook nog niet op. Het overleg van afgelopen woensdag heeft niets opgeleverd. FNV Bondgenoten overweegt aparte CAO’s met de opdrachtgevers af te sluiten en de rest gewoon over te slaan. Het zou mooi zijn – ik zie het niet gebeuren.

Ik lees in het RD dat men in het mbo kwaad begint te worden over de vrijwillige ouderbijdrage die soms per deurwaarder wordt opgehaald. Kan niet, maar de wet schijnt niet al te helder te zijn. Het is vrijwillig maar vrijwilligheid in Nederland is niet vrijwillig. Dat dachten we misschien ooit, in de dagen van de dames van het UVV maar die dagen zijn lang vervlogen. Tegenwoordig hebben scholen een ‘lump sum’ en zoals het woord al suggereert kan een klont ook wel eens op een rare plek terechtkomen. Naast de pot bijvoorbeeld. Staartdelingen doen we niet meer, klontsommen wel. In Vrij Nederland lees ik (‘Poep naast de pot’) dat de vrijwillige ouderbijdrage soms wordt gebruikt om de school niet nog viezer te laten worden. Er is te weinig geld om de school schoon te houden en dus springen ouders in en docenten en dus wordt de ouderbijdrage uitgegeven aan schoonmaakgeld om overblijfouders ook eens wat anders te doen te geven. Een geldinzameling schijnt ook te helpen. En een deurwaarder, laten we de deurwaarder niet vergeten. De reden is dat het ministerie van OCW werkt met een prijsniveau van enkele jaren geleden. De minister vindt dat de afwijking tussen wat zij geeft en wat de scholen moeten betalen (4%) zo gering is dat er niets hoeft te veranderen. Bovendien, voegde ze eraan toe, ‘heb ik daar de middelen nu niet voor’.

Sommige kinderen gaan met buikpijn naar huis. Om vooral maar niet naar de wc in de school te hoeven gaan. Zo zie je, voor elk probleem bestaat een oplossing.

Ergens stinkt er wat.

6 februari

=0=

 

 

Niet kiezen

In NRC Handelsblad van gisteren las ik een uitgebreid artikel over euthanasie. Het ging om een vrouw die al op tamelijk vroege leeftijd met verschijnselen van dementie en Alzheimer was geconfronteerd. Ze had besloten dat ze dat niet wou meemaken als het te erg werd. Ze stelde een verklaring op. Echtgenoot akkoord, huisarts akkoord. Tot het op een gegeven moment inderdaad zo ver was gekomen dat ze wilsonbekwaam was geworden en niet meer kon kiezen. Volgens de wet moest ze echter haar keus voor de dood herbevestigen. Dilemma, en een lange periode van heen en weer adviseren volgt. Uiteindelijk volgt de euthanasie. Wou ze het? Hoe kun je dat weten wanneer iemand wilsonbekwaam is geworden?

Je kiest A en als puntje bij paaltje komt herken je de keuze niet meer en kunt hem dus ook niet opnieuw maken. Bij euthanasie in het geval van Alzheimer is dat een probleem dat niet meer door een beslissing van de aanvraagster kan worden opgelost. De vraag is, waar laat zich dit probleem het best mee vergelijken?

Barry Schwartz (The Paradox of Choice. New York; Harper Perennial Books 2005: 29-33, 116) verwijst naar onderzoek waaruit zou blijken dat als aan mensen die geen kanker hebben wordt gevraagd of zij hun eigen behandeling willen kiezen, een meerderheid van tweederde antwoordt dat ze dat inderdaad zouden willen. Maar van mensen die kanker hebben wil een nog veel grotere meerderheid het niet. In plaats van twee op drie is de score nu één op acht. Verreweg de meeste mensen gaan als ze kanker hebben op de expertise van de artsen af en geven de beslissing uit handen.

Is dit een rare vergelijking? De inhoud van de beslissing is verschillend. Bij euthanasie is het een beslissing met sterven als inzet, bij kanker een beslissing met leven als inzet. Maar de overeenkomst zit in de aard van de beslissing: dat in beide gevallen de arts moet beslissen – als het er op aankomt.

Lezing van het artikel in de krant gaf me een ongemakkelijk gevoel. De vergelijking met beslissingen over kanker ook. Het verwart me. Ik kom er niet uit.

5 februari

=0=

 

 

Opruiend

Een paar dagen geleden zag ik een reportage over een Portugese man die z’n heil in Angola was gaan zoeken. In Angola is werk, het land groeit, en de Angolezen voelen zich door de toevloed van Portugezen in de hoek gedrukt. Het imperium slaat terug schreven de jongens van het Centre for Contemporary Studies nog in 1982 en dat klopt, maar in de omgekeerde richting van die zij toen ontdekten. Het Centre is overigens in 2002 gesloten. Een herstructurering volgens de bestuurders. Nu, de huidige herstructurering van de bevolkingen in de door de eurocrisis bedreigde staten liegt er ook niet om. Het gaat om duizenden mensen, niet alleen overigens uit Portugal. Ook de Spanjaarden zijn op drift, de Grieken, de Ieren. ‘De besten zijn voor de export’, kopte De Pers ruim twee weken geleden. In de VS zoeken in 2011 53.000 Grieken een nieuw bestaan en 40.000 hebben hun hoop op Australië gevestigd, in de eerste helft van 2011 togen ruim 52.000 Portugezen naar Brazilië en 10.000 naar Angola, ruim 11.000 Spanjaarden gingen richting Zuid-Amerika, en nog eens een kleine 23.000 Ieren vertrokken eveneens, naar Australië. Bij elkaar rond de 190.000 mensen. Tel daar de interne EU migratie bij op en het begint te lijken op een volksverhuizing. Het zal de achterblijvers geen vreugde bezorgen.

Veel aandacht voor de achterblijvers is er niet. We hebben het al druk genoeg met onszelf en wie de mantra’s van De Jager hoort weet dat de man niet meer in huis heeft dan Scrooge – voor diens inkeer. Ik begrijp dat De Jager een populair minister is. Dat zegt wat. Protest tegen zijn kale boekhoudkundige retoriek is er zelden. Toch wordt het tijd dat de kiezers in opstand komen. Maar waar lees je dat nog?

Je leest in het blad van de mannenbroeders, het Reformatorisch Dagblad van gisteren. Daar pleit Gerrit de Jong, lid van de Algemene Rekenkamer, voor een hard beleid tegen bankiers en speculanten die wat er ook aan productiviteitswinst wordt geboekt (gevolg van het eruit gooien van vele werknemers en het verhogen van de druk op de overblijvende) afromen en verantwoordelijk zijn voor een steeds schevere inkomensverdeling. Hij heeft het ook over hedge- en private equity-fondsen – als exemplarisch voor een geliberaliseerd kapitalisme – en versiert die met het prachtige woord van het ‘meeuweffect’. Zo wordt een mens weer een woord rijker: ‘Veelal is er echter ook sprake van roofridderij. In het laatste geval spreekt men wel van het meeuweffect. Investeerders komen met veel lawaai binnen,  schijten de boel onder en vertrekken weer.’ Tot het ook voor de meeuwen even winter werd, een paar jaar geleden. Maar ze zijn weer terug en de viezigheid groeit als vanouds. Dat mogen de anderen opruimen.

Iedereen wordt geremd, behalve de aanstichters van de crisis. De indicatie: de steeds ongelijkmatiger inkomensverdeling. Zet de inkomensverdeling hoog, zo hoog mogelijk, op de politieke agenda, dat is de oproep van De Jong. Verstandige oproep. Er moeten meer koppen van politieke leiders rollen – het staat er. Kom in opstand! Het staat er.

De revolutie begint bij de mannenbroeders. Ik ben er verbaasd over en meer dan tevreden. In heb in tijden niet zo’n stevig artikel onder ogen gehad.

Vandaag, overigens, was het niet langer te vinden op de site van het RD.

4 februari

=0=

 

 

Buitensporig

Er wordt een brochure uitgebracht door een Duitse stichting. De Duitse minister van Justitie schrijft er een voorwoord in en deelt in de kosten. Google Duitsland doet dat ook, lees ik. Dat is aardig want de folder gaat over het gebruik van media, in het bijzonder sociale media, van rechts-radicalen die op zoek zijn naar nieuwe, bij voorkeur, jonge aanhang. De meeste aandacht in de brochure gaat uit naar de NPD. Ook Die Freiheit wordt genoemd en in dat verband Wilders. Dat is niet vreemd voor iemand die zo ongeveer de vroedvrouw van die politieke partij mag worden genoemd. Die Freiheit is opgericht nadat haar voorzitter, toen nog lid van de CDU, weigerde een uitnodiging aan Wilders om in Berlijn te komen spreken in te trekken – en vervolgens werd geroyeerd. Zo ontstaan nieuwe partijen. Dat was in september 2010, Wilders spreekt en fitnaat op 1 oktober. Erg druk was het niet. De toegangsprijzen waren volgens de brochure buitensporig hoog en een late poging om met verlaagde toegangsprijzen alsnog meer mensen te trekken mislukt.

Wilders wordt nog een keer genoemd in de brochure. Het gaat over buttons die door populisten ter rechterzijde en door neonazi’s graag worden gedragen: buttons met een afbeelding van een doorgestreepte moskee. Wilders zal dan wel als een rechtse populist te boek staan, want, zo meldt de brochure, hij draagt die buttons ook of hij gebruikt een logo met dezelfde strekking. Wat het is, is me niet compleet duidelijk. Het kan me ook niet schelen.

Dat Wilders bij Die Freiheit optrad is niet omstreden. Dat dit in een brochure wordt opgeschreven doet de waarheid geen geweld aan – en we weten hoezeer Geert de vleesgeworden waarheid is. Of moskeedoorstrepende buttons en logo’s door rechts en nog rechtser worden omhelsd is ook een bewering die kan worden nagegaan op juistheid. Laten we aannemen dat ook dat klopt. Waar maakt Wilders dan zo’n stennis over?

Flauwe vraag, toegegeven. De brochure had het ook zonder Wilders kunnen stellen. De twee verwijzingen naar hem zijn overbodig, ze voegen niets toe aan de kwestie waar de brochure aandacht voor vraagt en die kwestie, rekruteren door sociale media te gebruiken, is belangrijker dan de heibel die Wilders maakt. Het is ook een kwestie die niet tot Duitsland beperkt blijft. Het speelt overal.

Misschien moet Rosenthal daar maar op ingaan, in zijn antwoord op het verzoek van Wilders de Duitse ambassadeur in ons land op het matje te roepen. Jammer, de minister heeft anders beslist. Hij werpt de suggestie van zich af (ik kan het hem bijna horen zeggen) dat Wilders buiten de rechtsstaat en de parlementaire democratie zou opereren. Dat staat zelfs niet bij implicatie in de brochure – het is een zoenoffer aan Wilders. Dat is pas buitensporig.

3 februari

=0=

 

 

Tegenkracht

Wij moeten, zegt de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling in een recent advies, tegenkracht organiseren. Dat is ook de titel van het advies: tegenkracht organiseren. Daar ben ik wel voor te vinden. Mijn vraag is echter of er, tenzij we ze organiseren, geen tegenkrachten zijn. Als ik de ingezonden oprispingen op het internet bekijk dan zou ik denken dat het wemelt van de tegenkrachten. Het schort niet aan tegenkrachten, het schort aan het organiseren. In het advies kom ik deze voor de hand liggende gevolgtrekking overigens niet tegen. Waarom niet?

Het advies constateert dat tal van instrumenten onbedoelde effecten hebben. Ze noemen die effecten pervers (je zou, in de geest van Hirschman, kunnen toevoegen dat ze ook futiel kunnen zijn en rampzalig). Van die onbedoelde effecten weten we overigens steeds meer, en één manier om onze kennis daarover verder te vergroten is om bij het ontwerp van instrumenten al eens het oor te luisteren te leggen bij de mensen die met de gevolgen ervan te maken zullen krijgen. Dan hoef je niet te wachten tot een fabriek het leefklimaat in een woonwijk heeft verpest voordat je de goede bedoelingen van de fabriek (werkgelegenheid en koopkracht, gemeentelijke belastingen enz.) confronteert met de gezondheidsklachten van de omwonenden. Je kunt tegenkrachten achteraf inschakelen, je kunt het ook aan het begin doen. Ook daar is het advies niet aan toegekomen. Dat komt omdat het advies vanuit een organisatie (een bank, een school een instelling voor thuiszorg: dat zijn de gebruikte voorbeelden) naar de klanten, de burgers, de patiënten, de leerlingen, de wereld kijkt en niet omgekeerd. De klanten komen achteraf, als het goed bedoelde instrument minder goed uitpakt. Klanten, zegt het advies, hebben ook belangen, er zijn zelfs altijd meervoudige belangen, en daar moet meer ruimte voor komen. Helemaal mee eens, maar waarom moet dat ‘tegenkrachten’ heten? Waarom niet gewoon ‘krachten’?

Het advies begint met de bonussen in de financiële sector. Op zich een goed, een goedbedoeld, en een productief instrument. Volgens het advies. Waarom is het goed, goedbedoeld en productief? Je haalt een bonus als je de omzet verhoogt. Dan krijg je belang bij een grotere omzet. Daar richt je dan alle aandacht op en omdat je je aandacht maar één keer kunt uitgeven gaat het ten koste van aandacht voor andere dingen. Die offer je op maar als de beloning groot genoeg is hoef je daar niet om te malen. Dat doen we dan ook niet en dat hadden we kunnen weten. Meer nog, we weten het. We vergeten het niet omdat we het niet weten maar omdat het even niet goed uitkomt. Dat is, tenzij je alles met de liefdevolle mantel der onbedoelde gevolgen wilt bedekken, niet onbedoeld. Het is gewoon eenzijdig en het is bewust eenzijdig. Overigens is het prachtinstrument van de bonus daar niet eens bij nodig. Bij de politie halen ze geen bonus maar ze moeten wel bij tijd en wijle hun ‘omzet’ vergroten. Bonnen schrijven. Om de omzet centraal te krijgen is een bonus niet altijd nodig. Ook de politie kan de burgerij heel goed als een markt waar wat te halen is in het vizier nemen. Dat doet de politie ook, als de bestuurders het hen opdragen. Is dat pervers? Welnee, het is gewoon de dommigheid van bestuurders die denken dat Nederland een BV is, en geen land met burgers. Wil de burger een bon? Nee, de burger wil veiligheid en de burger kan daar zelf aan bijdragen, niet als tegenkracht maar als burger.

De RMO moet oppassen om binnenkort niet als de Raad voor de Maatschappelijke Onzin door het leven te moeten gaan.

2 februari

=0=

 

 

Dirk

Als ondergekapitaliseerde banken de oorzaak van de crisis zijn, schrijft Ewald Engelen deze week in De Groene, slaat een transactiebelasting als kut op dirk. Het eigen vermogen van de banken moet omhoog en dan zal alles in orde komen. Gemeten aan zijn criteria (vijftien tot twintig procent eigen vermogen ten opzichte van de balans) heb ik een probleem: het Amerikaanse bankwezen heeft sinds jaar en dag een veel hoger eigen vermogen dan het Europese (en sommige banken in Nederland, ING voorop, hebben er helemaal een potje van gemaakt) en sinds de introductie van de euro is dat eerder slechter dan beter geworden. Mijn idee zou zijn dat het te maken heeft met de export/import problematiek die sinds de introductie van de euro binnen Europa tot groeiende onevenwichtigheden heeft geleid.

Hoe dit laatste werkt, Kleinknecht legt het allemaal uit, vandaag in Trouw. De euro heeft de exportmachine van Duitsland en Nederland aangevuurd en onze exportoverschotten waren de importoverschotten van Zuid-Europa. Die laatste overschotten werden gefinancierd en ons bankwezen is niet te beroerd geweest daar een hartelijke bijdrage aan te leveren. Iedereen, zegt Kleinknecht, stond erbij en keek ernaar. Je kon er wel voor waarschuwen (Kleinknecht verwijst naar een opinieartikel van hem uit 2008, waar hij de eurocrisis aankondigde) maar niemand was geïnteresseerd. Nu nog niet want elke maatregel die de exportpositie van Duitsland en Nederland zou raken is totaal taboe. Met andere woorden, je kunt de bankencrisis oplossen maar daarmee heb je de eurocrisis nog niet opgelost. De gedachte dat als de kapitalisering van de banken ter hand genomen wordt de crisis de wereld wel uitgaat is te eenkennig om serieus genomen te worden.

Daar komt nog wat bij. Eigen vermogen of niet, de uitvinding door verknipte ‘kwants’ van even verknipte kredietproducten is een aparte ontwikkeling, die voorlopig nog niet is stopgezet. Joris Luyendijk berichtte er weer over, over die kwants, in NRC van afgelopen donderdag. Hij sprak met een exemplaar van deze bijzondere mensensoort, die hem meedeelde dat hij het liefst binnen de wereld van de data en de vernuftige bewerkingen van data verbleef. Daarbuiten werd het niks met hem. Dat het daarbuiten ook niet altijd goed was gegaan met zijn producten, het bleef onvermeld. Ik had niet de indruk dat hij zich daarmee bezig hield, maar dat kan ook komen doordat Luyendijk er niet naar vroeg.

Niettemin, Dirk bestaat. Luyendijk heeft hem gesproken en als er een forse transactiebelasting komt op de producten van Dirk heb ik daar alle vrede mee. Laten we maar ferm met die transactiebelasting op de kop van Dirk slaan. Goed voor hem, goed voor ons.

28 januari

=0=

 

 

Speur

Een beter Nederland voor minder geld. Dat is de titel van het SP verkiezingsprogramma 2011-2015. Naar ik uit het nieuws oppikte is Wilders van mening dat de SP streeft naar een federaal Europa. Ik hoorde Hero Brinkman een verslaggever vragen of die het verkiezingsprogramma van de SP had gelezen. Nee? Dat moest hij dan maar eens doen want daar stond het in, dat federale Europa. Het leek me wat overdreven, deze mededeling van Wilders en Brinkman. Wat wil de SP met Europa? Zo komt een mens nog eens tot wat. Ik heb het programma van de SP opgezocht en nagespeurd wat er over de EU in stond. Heeft de PVV gelijk? Nee, natuurlijk niet. Zou de PVV gelijk kunnen krijgen? Is een SP denkbaar die door z’n eigen standpunten genoopt wordt richting een effectieve politieke unie, federaal of anderszins, op te schuiven?

Er zijn drie stukjes programma die een sterkere politiek EU vereisen dan we nu hebben. Dat zijn respectievelijk het pleidooi van de SP voor een wereldwijde financiële autoriteit die bovendien democratisch moet zijn, het pleidooi voor meer Europese samenwerking om belastingconcurrentie tegen te gaan, en het pleidooi om de Europese sociale rechten verder uit te werken en de concurrentieregels daaraan ondergeschikt te maken. Er is meer maar dit zijn de hoofdzaken, geloof ik.

Alle drie de punten zijn onuitvoerbaar in de huidige politieke constellatie van de EU. Een democratische financiële autoriteit: Europa heeft hem niet en wereldwijd bestaat hij ook niet. Zou een dergelijk gezagsinstituut ontstaan dan zal de EU daar met één stem moeten kunnen spreken en zal dat instituut gezaghebbend moeten zijn dan dient die stem democratisch verkozen en gecontroleerd te worden. Dat is een boel en het is een boel Europa. Dat gaat ook op, vanzelfsprekend zou ik zeggen, voor belastingharmonisatie in de EU. Begin daar maar eens mee zou ik denken, het zou een enorme stap voorwaarts zijn en ja, het zou de politieke kracht van de EU net zo in de kaart spelen als het er in voorwaardelijke zin van afhankelijk is. En dan de ambitie over de sociale rechten in de EU en de onderschikking van de concurrentieregels daaraan. Dat raakt het hart van de unie, zoals die in decennia is opgebouwd en veronderstelt een politieke speelruimte voor die unie waarbij de huidige mogelijkheden verbleken.

Ik hoop dat de SP zich aangesproken voelt bij de eerstvolgende gelegenheid een apart hoofdstuk (SPeur) aan de EU te wijden en hom of kuit te geven. Of dat aan de PVV gewijd wordt zal mij een zorg zijn. Als het maar gebeurt.

25 januari

=0=

 

 


Studeerkamer

Na het zoveelste historische akkoord (lof der eenkennigheid) in de EU, waar minister De Jager alweer bij de geboorte aanwezig mocht zijn, hoorde ik de onvolprezen bewindsman rond kwart voor acht op de radio tekst en uitleg geven. Hij vertelde dat je studeerkamereconomen had die hun kritiek op de doorgaande bezuinigingen spuiden zonder echt te weten waar het over ging. Om dat wel te weten moest je rijk zijn. En rijk, dat zijn de financiële markten. Ik meende in de studio enig gegniffel te horen en daar kon ik helemaal in meegaan. Ik geloof dat De Jager zelf ook schrok van zijn boutade. Plotseling schoot hem te binnen dat de ene econoom de andere niet is. Er zijn ook economen die het wel met de bezuinigen eens zijn, riep de goede man. Economen zijn politici onder een andere dekmantel en dan heb je het recht hen in partijen in te delen. Volgens De Jager en dus kwam hij met zijn indeling. Zij die het met mij eens zijn, zij die het niet met mij eens zijn.

Ik vind de dwaze oprisping van De Jager tekenend voor het grote gebrek aan niveau in de Nederlandse politiek anno nu. Het is treurig. De Jager zei nog net niet dat je er geweest moest zijn voor je erover kon meepraten maar dat moet het gevolg van een beperkt historisch besef zijn, niet het gevolg van inzicht in wat hij zei. Er zijn overigens best rijke studeerkamergeleerden – ongetwijfeld ook onder de economen die de bezuinigingsdrift van de ministers van financiën in de EU meewarig afserveren – en zouden die het daardoor wel weten? De minister beweerde het tegendeel. Weet hij veel. Moet hem nu gevraagd worden of hij voortaan elk argument gaat afwegen op een goudschaaltje en of er in dat schaaltje geen andere argumenten maar echt goud moet zitten?

De Jager zegt dat het enige argument dat voor hem zeggingskracht heeft het argument van de financiële markten is. Wij hebben een minister van financiën die van het probleem de oplossing maakt en dat ook als enige oplossing wil horen. Van Job Cohen begrijp ik dat hij het zittende kabinet nergens meer op gaat steunen, tenzij het de euro is. Dan moet Cohen goed weten dat de euro voor dit kabinet niet bestaat. Wat bestaat, dat zijn de financiële markten. Ik zou Cohen aanraden de eurorestrictie te laten vallen. Dat zou, los van De Jager, ook consequent zijn want elke bezuiniging in dit land wordt gemotiveerd door de angst voor financiële markten, en wordt ingevoerd in naam van de solvabiliteit van de staat. Naar we nu weten is de solvabiliteit van de staat voor De Jager en voor dit kabinet een gebaar naar de financiële markten. Niet naar de EU. En gaat het niet om dat laatste?

24 januari

=0=

 

 

Zoekend

Dat het CDA het midden zoekt ligt voor de hand. De balans binnen die partij is helemaal zoek en daarom lijkt me het hervinden van het ‘radicale midden’ in eerste aanleg een oproep aan de partijleden en bestuurders zelf. Wordt het vandaag eens over wat we morgen zullen doen, iets dergelijks. Als je in het midden geworteld wilt zijn is de huidige ontworteling een pijnlijke constatering. Het is wel een herculische taak. Niet alleen de partij maar ook het land – politiek, economisch, sociaal, cultureel – is nogal gepolariseerd, nogal middelpuntvliedend dus, en dan is het in beweging krijgen van de krachten die het middelpunt juist zoeken geen eenvoudige opgave.
De gisteren gepubliceerde nota (die beter ‘verbinden door kiezen’ had kunnen heten dan ‘kiezen en verbinden’) geeft een eigen uitleg aan dat radicale midden: ‘heldere keuzes in beleid en de verbinding tussen oud en jong, geboren en nieuwe Nederlanders, stad en platteland, alsook de wereldschaal van de economie en de menselijke maat van de gemeenschap’. De vraag is welke heldere keuzes zullen verbinden. Als ik de nota lees stuit ik op tal van paradoxale uitspraken die me doen twijfelen aan de verbindende teneur van de keuzes. Dat wordt nog wat.
Welke keuzes? Nou, Afrikaanse migranten willen we niet. ‘We zijn een open land voor kenniswerkers en vluchtelingen’. De combinatie is bijzonder. Ongevraagde vluchtelingen en gevraagde kenniswerkers, ik zie niet in wat ze met elkaar hebben. Er zijn meer van dit type verschrijvingen (ik denk aan een zinsnede over ‘nieuwkomers en achterblijvers’). Turkije bij de EU willen we ook niet: ‘Verbreding van Europa, een waardevol lange-termijnperspectief, is voorlopig niet aan de orde.’ Daar kan Cor Bosman nog wat van leren. De zinsnede is uitstekend als sarcasme te lezen. Leiden dit soort uitspraken tot verbinding? Ik vermoed het niet. Het zijn uitspraken die door velen worden gedeeld, dat wel, maar waar velen het over eens zijn is bij lange na niet genoeg om verbindend te zijn. Voor hetzelfde geld houden ze de huidige scheidslijnen in stand. SP en PVV delen zeker waar het Europa betreft ook van alles met elkaar maar wat hen scheidt is belangrijker.
Ik heb dat met de meeste uitspraken in de nota. Ik zie niet in wat ze met het midden te maken hebben en ik zie ook niet in hoe ze zouden verbinden. De nota stelt dat je moet werken als je maar enigszins kunt, de nota wil de sociale zekerheid voor werknemers aanpakken en die voor zzp-ers en flexibele contractanten vooral door henzelf laten organiseren, de nota stelt dat het toezicht op de financiële sector goed moet zijn, en dat de overheidsbegroting een overschot moet hebben om de jonge generaties uit de wind te houden. De nota stelt ook dat bekeken moet worden wat mensen zelf kunnen bijdragen aan preventie en zelfredzaamheid – gelet op de onbetaalbare last van ouderen en chronisch zieken. Het zingt allemaal mee met de heersende winden. Hooguit is het taalgebruik nogal omzwachteld maar dat is in CDA kringen niet zoveel nieuws. Of het verbindt? Nee.
Je kunt stellen (zoals in een artikel van het Reformatorisch Dagblad van vandaag) dat het CDA aan het schuiven is met de hypotheekrenteaftrek (het CDA vindt dat je niet slechts schulden moet maken maar ze ook moet aflossen – dat zouden ze wel wat breder mogen trekken) en met de hardheid van het standpunt over immigratie. Beide lijken me meer bepaald door de politieke conjunctuur dan door een echte verandering van standpunten. Het is een partij van schipperaars, het blijft een partij van schipperaars. Niet dat daar als zodanig zo heel veel fout mee is. Het is echter, opnieuw, geen eigenschap die een partij in het midden onderscheidt van een partij aan de flanken.
Regeren, zo staat in de nota, ‘begint bij de erkenning van maatschappelijk initiatief’. Een en ander is een uiting van de erkenning van het geloof ‘in de vitaliteit van de samenleving volgens het Rijnlands model’. Curieus. Rutte zal er niet blij mee zijn. Niettemin. Het Rijnlands model is een model van samenwerking van staat en samenleving maar de staat ontbreekt, twee keer zelfs. Bovendien, de nota bevat voornamelijk passages waarin datzelfde geloof wordt ontkracht. Het was eerlijker geweest indien we in de nota hadden gelezen hoe dit primaat van het maatschappelijk initiatief spoort met de opmerkingen over het moeten meedoen (baanloos werken voor je uitkering), over de totstandkoming van preventie en zelfredzaamheid in de zorg, of over ouders en scholen waarbij de ouders de kindertjes netjes voorbewerkt moeten afleveren bij de school en, bovendien, waarbij ouders en scholen met elkaar bedisselen hoe ouders ‘werk en gezin kunnen combineren’. Wat ik daar ook van vind – en ik vind er niks van – zeker is dat het aanwezige ‘maatschappelijk initiatief’ er hier heel anders uitziet dan onze huidige minister van onderwijs graag heeft, en met haar de schrijvers van de nota.
Misschien is de titel van de nota toch wel adequaat. Uit dit type keuzes vloeit bitter weinig verbinding voort en dan is het wel zo nuttig als het verbinden als een aparte opgave wordt opgediend. Er moet nog heel wat water door de Rijn vlieden wil uit het vergezicht van de nota iets komen dat de krachten naar het middelpunt weet te vinden.

21 januari

=0=

 

 

Ontevreden

Jonge ambtenaren zijn de klos. De overhead bezuinigt en gooit personeel eruit. Dat zijn voornamelijk jongeren en dat wringt in organisaties waar de gemiddelde leeftijd toch al hoog ligt. De gemiddelde leeftijd stijgt. Het lifo-stelsel, gebaseerd op anciënniteit bij zowel doorstroom als ontslagvolgorde, werkt het ook al in de hand, die vergrijzing in grijze organisaties. De meer kansrijke ambtenaren onder de veertig vertrekken, de anderen overwegen het en ook als ze voor zichzelf op dit moment elders weinig mogelijkheden zien zijn ze ontevreden over de overheid als werkgever. Geen doorgroeimogelijkheden. Ze zouden het een goed idee vinden als er wat minder op basis van verblijfsduur zou worden beslist en wat meer op basis van capaciteit en potentieel. Men vindt dat ‘persoonlijke groei en kwaliteit’  het moet winnen van ‘hiërarchische groei en anciënniteit’.

Dit laatste haal ik van de site van re.public (één van de bureaus die het onderzoek onder ambtenaren hebben verricht waaruit de ontevredenheid bleek). Veel verder kom ik niet.  Ik lees dat de overheid ‘stuurloos’ wordt gevonden, bij de ambtenaren is weinig bekend over het ‘strategisch HRM’. Men vraagt zich af waarom er tussen verschillende overheidsorganen niet meer wordt samengewerkt om de doorstroom van mensen te bevorderen. Op de site van Boer&Croon (het andere onderzoeksbureau) staat precies hetzelfde als op die van re.public. Het blijft behelpen.

De overheid, zegt de huidige regering, moet ‘compact’ worden. Donner schreef er vorig jaar een weinig compacte nota over. Het geld is op, de capaciteit moet niet worden uitgebreid maar verkleind, en het mag met minder regels. Tegelijk moet de overheid alleen die dingen doen waar ze bij uitstek over gaat (het uitgangspunt is, schrijft Donner in navolging van het regeerakkoord, ‘je gaat erover of niet’) en dat moet slagvaardig. Tja, zeg ik dan. Voor zover het een visie is, is het een rare visie. Waar gaat de overheid nog over, los van de EU, los van de financiële markten, los van de burgers die ze moet bewaken en bedienen? Nu, de overheid gaat over heel veel, maar zelden of nooit alleen. Je gaat er met anderen over, zou een reëler uitgangspunt zijn en een mooi streven zou kunnen luiden dat je in elk geval het laatste woord hebt en waar nodig ook het eerste.

Als ik daar gelijk in heb dan wordt de vraag waar het werk van de overheid uit bestaat onontkoombaar. Een hiërarchische definitie van dat werk (de minister is je klant en dergelijke) volstaat niet langer. Een statische definitie evenmin. Het werk zal even veranderlijk blijken als de netwerken en andere samenwerkingsvormen waarbinnen het moet worden gedaan. Het werk wordt steeds meer het ‘managen van het onverwachte’, juist omdat je allen die betrokken zijn bij het realiseren van de gewenste effecten niet aan een touwtje hebt en toch moet inschakelen. Maar juist over dat werk weten we niet zoveel. Het lijkt er eerder op dat elke verwijzing naar werk in de overheidsnota’s verdwijnt achter obligate gedachten en opmerkingen over strategie, over competenties en talenten, over missies en slagwoorden van de snit ‘compact’.

Het vasthouden aan anciënniteit is er een uiting van. Het is bij gebrek aan beter en dat beter, dat zou de kennis van werk en werkprocessen moeten zijn. Het lijkt zo voor de hand liggend en is zo ver weg: als het werk in kaart is gebracht weet je wat je ervoor nodig hebt, personeel en anderszins. Weet je dat niet – en dat noem ik pas een gebrek aan visie – dan krijg je dat je wel moet terugvallen op oude routines, ook personeel. De pijlen richten op anciënniteit is daarom best begrijpelijk maar als daar het echte probleem niet zit zou je er ook de oplossing niet in moeten zoeken.

18 januari 

=0=

 

 


Apparaten

Bij het lezen van het hoofdredactioneel in Trouw, gisteren, schoot me het concept van de ‘ideologische staatsapparaten’ van Althusser te binnen. We hebben een repressief staatsapparaat, zoals leger en politie, en we hebben ideologische staatsapparaten, zoals kerken en scholen en ook vakbeweging en politieke partijen. En de media natuurlijk, steeds nadrukkelijker zelfs. Het één (repressie) is enkelvoud, het ander (ideologie) meervoud. Het één is strak gekoppeld aan de staatsmacht, het ander is los gekoppeld (in het jargon hadden we het dan over ‘relatieve autonomie’). Helemaal helder werd het nooit vanwege Althusser’s slordigheid in het uit elkaar houden van aspecten, functies en instituties van de macht. Het zij zo.

Ten grondslag aan de gedachtegang lag een uitgebreid begrip van de staat (een begrip waarbinnen het onderscheid publiek/privaat slechts een ondergeschikte en geenszins een bepalende rol speelde) en een begrip van ‘hegemonie’ dat tot inzet had dat wie in een klassenmaatschappij opgroeide en leefde de bestaande verhoudingen niet als kunstmatig en opgelegd beleefde maar als gewoon, neutraal, als in de eerste plaats ‘algemeen’, algemeen zoals in het ‘algemeen belang’. Vanzelf gaat dat niet, vandaar de nood en noodzaak van ideologische staatsapparaten.

In Trouw, gisteren, werd de angst verwoord voor de versplintering van de vakbeweging, voor een vakbeweging met onmachtige vakcentrales. Zonder invloedrijke centrales is er geen betrouwbaar aanspreekpunt voor de politici, en geen betrouwbaar aanspreekpunt voor de georganiseerde werkgeverscentrales. Ter discussie staat, blijkbaar, de rol van de vakcentrales en van de vakbeweging als, inderdaad, ‘ideologische staatsapparaten’. De strijd binnen CNV en FNV heeft van alles te maken met de rol van de centrales, in het bijzonder de vlucht vooruit in het politieke spel rond het pensioenakkoord, waar werkgevers en overheid de zin wel van inzien en de aangesloten bonden, en wie weet ook hun leden, veel minder.  Het commentaar van Trouw spreekt de vrees uit dat de centrales in de toekomst hun politieke rol niet meer zullen kunnen spelen. Vandaag, zo las ik ook, komen Han Noten en Herman Wijffels met hun volgende notitie over de nieuwe vakbeweging. Die zullen met hetzelfde probleem als verwoord in Trouw geconfronteerd zijn. De bonden – het lijken net politieke partijen in het tijdperk van de stagnerende EU – zijn genoopt meer dan voorheen rekening te houden met de leden. De bonden worstelen met de verhoudingen tussen zittende en potentieel nieuwe leden. Die verhoudingen zijn op drift en ook dat herkennen we in de uitleg van en de (ideologische) strijd over het pensioenakkoord.

Ik ben benieuwd waar Noten en Wijffels mee komen. Maar dat de verhoudingen binnen de nieuwe vakbeweging van alles te maken hebben met de politieke plaatsbepaling van de beweging als ‘ideologisch staatsapparaat’ staat buiten kijf. Nee, het woord kan me niet schelen. De verwoording ervan – de verbeelding van de bestaansvoorwaarden van werknemers in arbeidsrelaties van diverse snit en hun plaats in het geheel van de ‘reproductie van de productievoorwaarden’ – daarentegen des te meer.

17 januari.

=0=

 

 

Prikkels

Stel, je werkt aan een universiteit. De pikorde is dat wie publiceert in erkende tijdschriften overleeft. Per jaar worden een paar van dergelijke producten geëist. Wie daar niet aan voldoet valt buiten de prijzen.

Stel, om te publiceren heb je toegang tot data nodig. Constructie van data is duur, benutting van data soms ook. De toegang wordt slechts verleend als je aannemelijk weet te maken dat je er iets interessants mee weet te doen. Dat weet je vooraf niet. Je moet wat. Het kan tegenvallen. Dan komt je volgende aanvraag in gevaar.

Stel, je bent er bijna. Je komt er achter dat er een constructiefout is opgetreden of, erger nog, dat een deel van je bestand vervuild is. Correctie zou inhouden dat je veel tijd kwijt bent, afspraken over tijd niet zult kunnen nakomen, en met uiteindelijke resultaten blijft zitten die niets nieuws bevatten.

Stel, je maakt deel uit van een onderzoeksteam dat de taken heeft verdeeld. Als je twijfelt over de kwaliteit staat het hele team ter discussie. Niet iedereen deelt jouw inschatting. Je weet dat je in de toekomst van de andere leden van het team afhankelijk blijft.

Stel, je krijgt een artikel ter beoordeling aangeboden waarvan je binnen de kortste keren wel weet waar en van wie het vandaan komt. Je weet ook dat wat jij nu met hun artikel doet door hen een volgende keer, als zij in de rol van beoordelaar zitten, zal worden beantwoord.

Dit zijn de eenvoudiger kwesties. Over commercie heb ik het nog niet eens gehad. Dat zal ook z’n tol eisen (in het overzichtje in de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad gisteren zien we dat onder de bekende en gerapporteerde gevallen van het de hand lichten met de goede onderzoekszeden, de medische centra heel aardig scoren. Toeval?).

Kees Schuyt merkt op dat de bestaande wetenschapscode eenzijdig is gericht op individuen. Dat zijn de prikkels ook. Het lijkt de bonuscultuur wel. Het is de bonuscultuur.

15 januari   

=0=

 

 


En niet omgekeerd

In het interview dat De Groene met Antonio Damaso had komt een citaat voor uit zijn recente boek Self comes to mind. Damasio schrijft: ‘Het meest opmerkelijke aan de bovenste regionen van het optreden van bewustzijn is de opvallende afwezigheid van een dirigent voordat de uitvoering begint. Terwijl, als de symfonie zich ontrolt, er gaandeweg een dirigent tot leven komt. En richting de Finale leidt metterdaad werkelijk een dirigent het orkest – hoewel de uitvoering de dirigent heeft geschapen en niet omgekeerd.’

Het had ook over Keith Jarrett kunnen gaan – aan hem moest ik denken. Gaandeweg komt de dirigent tot leven, en de dirigent is de uitvoerder die zichzelf op sleeptouw laat nemen. En ik moest denken aan de technologie-indeling van James Thompson, meer dan veertig jaar geleden. Thompson onderscheidde een lijntechnologie (zoals van de lopende band en met verticale integratie als uitbreidingsstrategie), een bemiddelingstechnologie die partijen bij elkaar brengt die dat contact zoeken en verder niets met elkaar hoeven (zoals een bank en spaarders en leners, een arbeidsbureau en werkzoekenden en werkaanbieders, een telefooncentrale mensen met een telefoon– tot en met het internet, en met steeds meer klanten als uitbreidingsstrategie), en een intensieve technologie, een technologie die mede afhankelijk is van de medewerking van het ‘object’ in bewerking (zoals in de medische zorg en het onderwijs, en met als uitbreidingsstrategie het steeds meer binnenhalen van dat object: de leerling in het onderwijs, de patiënt in de zorg). Ik vond en vind de technologiebeschrijvingen altijd spannender dan de uitbreidingsstrategie. Dat kwam door de invalshoek van Thompson: voor hem waren de technologieën opgaven voor een organisatie en daarom stonden ze ook in het teken van hun beheersing door een organisatie. Laat die organisatie weg en wat krijg je? Nu, in het geval van de intensieve technologie en in dat van de bemiddelingstechnologie krijg je een werkwijze die helemaal spoort met het bovenstaande citaat van Damasio. Je krijgt eerst de uitvoering en pas dan, en als bijproduct van de uitvoering, een dirigent. Het lijkt wel co-creatie. Waarom? Omdat een organisatie eerst selecteert en pas dan aan het werk gaat, en we hier een situatie hebben waarin we eerst uitvoeren en pas dan selecteren.

Dat heeft ook gevolgen voor de uitbreidingsstrategie. Hoezo, hoe meer zielen hoe meer vreugd? Je richt je eigen ‘community’ maar in en wie weet is klein wel fijn. Je maakt je onderwijs aantrekkelijk en dat niet door van je school een maatschappij in het klein te maken maar door van je onderwijs een gezamenlijke productie te maken. Je herontwerpt de zorg door de patiënt te zien en te behandelen als was ze een aspect van een persoon – en niet de hele persoon. Van die dingen.

Een omkering. Is dat niet aardig?

14 januari

=0=

 

 

Of

Het CNV wordt geconfronteerd met een scheuring. Dit keer zijn het twee kleine bonden (de politiebond met zo’n 25.000 leden en de bond voor defensiepersoneel met rond de 11.000 leden) die de centrale de wacht aanzeggen. Ze vinden dat hun stem te weinig gewicht in de schaal legt en dat het CNV niet goed aansluit op arbeidsmarktontwikkelingen. CNV voorzitter Smit erkent dat het organiseren vanuit het beroep ‘of’ de sector belangrijk is maar dat in het verdedigen van collectieve belangen iedereen wel eens een veer moet laten.

Beroep of sector? In het geval van deze twee bonden zou ik de sector de meest waarschijnlijke kandidaat vinden. Het gaat bij de boze bonden om twee overheidssectoren. Niet verbazend, het CNV was verhoudingsgewijs altijd al beter in overheden dan in bedrijven georganiseerd. Bij de overheid is veel aan de hand, in het bijzonder door de ‘normalisering’ van de arbeidsverhoudingen, de opheffing van de ambtenarenstatus en de vervanging ervan door de regelingen zoals die in het bedrijfsleven gelden. Voor defensiepersoneel gaat die status eraan, althans volgens het wetsvoorstel van CDA en D66. Dat heeft, vermoedelijk, alles met het ontslagrecht te maken. Het functioneel leeftijdsontslag is al verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor diverse overgang- en overbruggingsregelingen. Voor de politie is met betrekking tot de ambtelijke status op de valreep een uitzondering gemaakt. Daarmee wordt het wetsvoorstel weer wat willekeuriger maar, zoals de indieners ervan opmerkten na de niet malse kritiek van de Raad van State, het ging hen om de meer principiële kanten van de zaak. Het zal wel weer.

Het rommelt in vakbondsland en de overheidssectoren dragen daar hun steentje aan bij. Tot dusverre hebben de vakcentrales niet veel anders gedaan dan bezwaar maken tegen de dreigende opheffing van de ambtenarenstatus. Je zou denken, wat maakt het uit of de eerste regel van je contract vermeldt dat je een aanstelling hebt dan wel een overeenkomst? En is het niet een voordeel dat bij normalisering de overheid zich niet langer kan verschuilen achter het wetgeverschap maar zich direct als werkgever moet presenteren? Nu, het maakt heel veel uit. Het maakt van de overheid een bedrijf als elk ander en het maakt van het algemeen belang een belang dat niet boven een bijzonder bedrijfsbelang uitstijgt. Daar stond die ‘aanstelling’ voor.

Laten we aannemen dat de ambtenarenstatus verdwijnt. Dan krijgen we diverse categorieën overheidspersoneel. En we krijgen een voorlopig nog onafzienbare stroom aan uitwerkingsproblemen, aan nieuwe vergelijkingen en nieuwe onvrede over de verdeellijnen en aan beide kanten van de verdeellijnen binnen het overheidspersoneel.

Wat een sector is, het zou het CNV (en niet alleen het CNV) zorgen moeten baren. Misschien wel meer dan tot dusver – gelet op de afsplitsing van de politiebond en gelet op de dreigende afsplitsing van de bond voor defensiepersoneel. Een mooi begin zou zijn om niet langer in het midden te laten of je het wilt hebben over het beroep ‘of’ de sector.

13 januari

=0=

 

 


Langdurig tijdelijk

Minister Kamp wil, in navolging van minister Verhagen, langdurig tijdelijke arbeidscontracten mogelijk maken, contracten met een looptijd tussen 7 en 10 jaar. De gedachte is dat werkgevers met zulke contracten eerder in scholing van personeel zullen investeren dan met kortere contracten. De kritiek op dit plan, opgetekend door het FD en afkomstig van Evert Verhulp en Ton Wilthagen, is dat werkgevers dat van die scholing best zouden kunnen doen, maar dat de werknemers er weinig in zullen zien. Zou kunnen, ik zou het niet weten. Het hangt er maar vanaf zou ik denken, het hangt af van welke werknemers het betreft bijvoorbeeld. Komen die uit het segment dat voorheen een arbeidsovereenkomst voor onbeperkte duur hadden of uit het segment dat met de wet Flex en Zeker het juridische levenslicht zag?

De ministers kun je inderdaad verwijten dat ze – even onbekommerd als de Rotterdamse wethouder die uitkeringsgerechtigden ‘werkklaar’ wil maken en daarom bij de sociale dienst niet langer de uitkeringsafhankelijke als klant erkent maar alleen de werkgever – de arbeidsmarkt alleen bekijken vanuit het perspectief van de werkgever. Het arbeidsaanbod bekijken ze alleen vanuit de optiek van de sociale onzekerheid, en daar springen ze mee om alsof het hun exclusieve speeltje is. Daar mag wel eens verandering in komen en er moet zelfs veranderingen in komen als we ooit een arbeidsmarkt willen hebben, een markt waarin het niet langer de vraag is die het aanbod definieert. Dat zou nog eens vernieuwing zijn.

Los hiervan, de taalkundige vernieuwing van langdurige tijdelijkheid is opmerkelijk. Tot dusver was alleen het leven zelf langdurig tijdelijk en als het niet zo was had je pech gehad. Op de arbeidsmarkt kwam het uiteraard ook voor dat je langdurig bezig werd gehouden met het ene tijdelijke contract na het andere. Het treft zelfs steeds meer mensen dezer dagen. Maar dat nu één contract langdurig tijdelijk kan zijn holt de notie van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd uit. Immers, de gemiddelde baanduur in ons land was altijd al langdurig tijdelijk, inderdaad zo ergens tussen de zeven en de tien jaar. Dat gold dan voor de mensen die geen tijdelijke baan hadden maar een vaste.

De vakbonden stellen dat Kamp het arbeidsrecht aan het oprollen is, en dat met zijn plan het ontslagrecht voor de zoveelste keer wordt omzeild. Ongetwijfeld. Het probleem is dat je het arbeidsrecht niet kunt redden door een verbod het te veranderen. Het arbeidsrecht is nu een baanrecht, een recht gekoppeld aan het hebben van een werkgever. Haal die koppeling weg en je moet eens zien wat er gebeurt. Hoe? Nou gewoon. Ontkoppel de sociale zekerheid en de arbeidsrelatie en koppel de sociale zekerheid aan de stappen (de ‘transities’) die mensen zetten om van de ene baan naar de volgende te komen, als zzp-er te beginnen, een opleiding te volgen enz. Krijgen we eindelijk eens een arbeidsmarkt ook, want net zoals de geldmarkt alleen kan bestaan bij de gratie van de circulatie van geld, van geldovergangen dus, kan de arbeidsmarkt alleen bestaan als een transitionele arbeidmarkt, als een arbeidsmarkt van arbeidsovergangen.

De vraag is niet of langdurig tijdelijk een oxymoron is. De vraag is wie beslist over tijdelijkheid en de duur daarvan. De ministers, geflankeerd door een enkele wethouder, geven die beslissing graag uit handen – in handen van de werkgever. Niettemin, hoe gek is de gedachte dat wat er met het arbeidsaanbod gebeurt ook mag afhangen van de beslissingen van dat aanbod zelf?

De discussie over aanstelling en ontslag begint steeds meer te lijken op die over leven en dood. De gelijkenis? Dat is de vraag naar wie beslist.

12 januari

=0=

 

 


Productie

Het is een wat rellerige titel die we aantreffen op het rapport van het SCP over de kosten en baten van de publieke sector (onderwijs, zorg, politie, rechtspraak): ‘Waar voor ons belastinggeld?’. Sinds 1995 zijn de kosten gestegen en de productie veel minder. De klassenverkleining in het basisonderwijs bijvoorbeeld heeft de kosten omhoog gejaagd. Maar zijn de scores op de Cito-toetsen beter geworden, zijn er meer kinderen naar het hoger voortgezet onderwijs uitgestroomd, zijn de achterstanden verminderd? Nou nee, niet echt, stelt het SCP. We zijn duurder uit en het wordt er niet eens beter op.

Dat kun je ook omkeren. Haal er wat van af en het zal er niet slechter van worden. Goed nieuws voor het kabinet. En een wel heel wonderlijke conclusie, gebaseerd op een idee van productie dat van veronderstellingen en ‘indicatoren’ aan elkaar hangt – alles bij gebrek aan beter. Het is een oud probleem en dit rapport is het zoveelste dat het probleem denkt op te lossen door het te omzeilen en te vervangen door een groeiende kerstboom aan maten en gewichten die ongetwijfeld iets meten en wegen maar wat dat precies is, daar hebben we het niet over. Eén keer wordt in het rapport iets vermeld over ‘indirecte effecten’: dat school ook iets te maken heeft met mondige burgers bijvoorbeeld. Daar wordt dan ook direct weer afscheid van genomen. Niet gemeten, niet goed te meten, niet gewogen, niet erg weegbaar, van die dingen. Dat de overheid publieke goederen levert, het zal wel, maar als we er goederen van willen maken moet het publiek eruit.

Nu we het er toch over hebben, ik heb wel een voorstel om dat product waar het om gaat van een handige indicator, die tegelijk behoorlijk gewichtig is, te voorzien. Dat is, hoe kan het ook anders, het vertrouwen in de overheid. Wie vertrouwen in de overheid heeft, hoeft niet alles te weten, wie dat niet heeft wil alles weten – en wordt aan de chaotische informatiegoden overgeleverd. Zoals we weten is het vertrouwen in de overheid in Nederland laag en dalend en zoals we ook weten is de laagopgeleide wantrouwender dan de hoogopgeleide. Mattheus, ook hier. Diens evangelie is leidend, steeds meer. Ook in het onderwijs. Die dingen mogen we best koppelen. De straf op een lage opleiding wordt steeds groter en het wantrouwen richting de instanties (onderwijs inderdaad maar met name de overheid) die daar iets aan zouden kunnen doen neemt bijgevolg toe. Waar denkt de overheid eigenlijk dat de agressie tegen leraren en onderwijzers, tegen brandweerlieden en ambulancepersoneel, tegen politie en medewerkers van sociale diensten vandaan komt? En denkt het SCP nu echt dat de scores van de politie of van de school niet sterk worden beïnvloed door de afkeer van alles wat met overheid te maken heeft? Zou het SCP niet eens wat meer naar buiten moeten kijken? Zou de overheid dat niet ook moeten doen? Of denken ze daar dat een reclamespotje het klusje wel zal klaren?

Voordat het kabinet de kromme redenering van het SCP volgt – een onsje minder is ook goed – zou het er goed aan doen de effecten op het vertrouwen te meten en te wegen.

Ik denk dat het kabinet daar niet in is geïnteresseerd. Het kan de meest recente productie van het SCP aanroepen om dat te motiveren.

11 januari

=0=

 

 


De nieuwe vakbeweging

De nieuwe vakbeweging is wat het zegt: de vakbeweging beweegt het vak, het beroep, het ambacht, de professie. Een vak is een kruispunt, een station, met aansluitingsmogelijkheden naar bewegingen in het vak zelf en met aansluitingsmogelijkheden naar andere vakken. De nieuwe vakbeweging bemoeit zich met de aanwezigheid en de kwaliteit van de aansluiting. De nieuwe vakbeweging lijkt misschien wel meer op een maatschap dan op een vereniging. De nieuwe vakbeweging eist de taak weer op die het aan overheid en markt is kwijtgeraakt: het organiseren van het arbeidsaanbod. De nieuwe vakbeweging is een arbeidsbemiddelaar en stelt voor zijn leden voorwaarden aan welke vorm van uitlening van arbeid dan ook. De voorwaarden omvatten de traditionele bescherming tegen willekeur van werkgevers en opdrachtgevers, naast voorwaarden met betrekking tot expertise: scholing, training en ervaringsopbouw.

De nieuwe vakbeweging is meer loopbaan- dan baangericht. De nieuwe vakbeweging is er voor de overgangen (de transities) in een loopbaan. De nieuwe vakbeweging strijdt voor een sociale zekerheid die transities vergemakkelijkt en aanmoedigt. De nieuwe vakbeweging legt het initiatief voor transities bij de mensen zelf, niet bij de bepalingen van de arbeidsrelatie, evenmin bij de werkgever of opdrachtgever, en al helemaal niet bij de huidige, door de overheid gecontroleerde, sociale zekerheid. De huidige sociale zekerheid moet op de schop.

De nieuwe vakbeweging streeft naar het afschaffen van de 450 bestaande pensioenfondsen en naar het afschaffen van de (vaste) arbeidsrelatie als toegangspoort naar een pensioenfonds. In plaats daarvan komt één pensioenfonds dat voldoende massa en expertise kan mobiliseren om effectief de (aanvullende) pensioenbelangen te behartigen van allen die deelnemen aan welke vorm van maatschappelijk erkend werk dan ook. Het ‘lid’ zijn van de beroepsbevolking (inclusief huishoudelijke arbeid in gezinsverband en mantelzorg) is het enige toelatingscriterium, zowel voor de aanvullende pensioenen als voor de overige sociale zekerheid.

(nav een oproep van het FD aan de lezer: beschrijf de nieuwe vakbeweging in 300 woorden)

9 januari

=0=

 

 

Griffel

En een zoen van de juf natuurlijk. In het basisonderwijs dan, een tien met een griffel en een zoen van de juf. Hogerop in het onderwijsgebouw verdween de zoen en in tal van gevallen ook de griffel. Gewoon, er werden geen tienen uitgereikt, in het bijzonder niet indien er onderwerpen aan bod kwamen waar geen eenduidigheid te bereiken was. Verheldering, een mooi overzicht, goede vergelijkingen, juiste conceptualisering: allemaal tot je dienst maar een onderwerp dat je niet kunt afsluiten – door de aard van het onderwerp zelf – wordt zelden met een tien beloond. Tenzij de beoordelingscriteria ruimte bieden om meer of minder van de inhoud weg te lopen en het gewicht te verleggen naar stijl, originaliteit, breedte (welk vergelijkingsmateriaal), diepte (welke casus met welk detail), bekendheid en beheersing van de relevante literatuur enz.

In Tilburg ontving student Henk Bovekerk eind vorig jaar een tien voor zijn bachelorscriptie Prototypical Fascism in Contemporary Dutch Politics. Een interessant werkstuk, bijzonder goed geschreven, mooi opgebouwd en natuurlijk uiterst actueel en relevant. De aanleiding van de scriptie is het pamflet van Rob Riemen, een pamflet dat Bovekerk goed en elegant beschrijft – en waar hij afstand van neemt. Maar de vraag – is de PVV fascistisch – blijft staan. Bovekerk beargumenteert dat Wilders en zijn PVV inderdaad een prototypische fascistische beweging zijn. Onder prototypisch verstaat Bovekerk het ‘eerste stadium’ (het oprichten van de fascistische beweging) van het fascisme. Het geheel beslaat 5 stadia, die Bovekerk ontleent aan het werk van de Amerikaanse historicus Robert Paxton (ik raadpleegde diens The Five Stages of Fascism, The Journal of Modern History, 1998, 70-1: 1-23). Bovekerk herkent in de PVV ook stadium 2 (worteling van de partij in het politieke systeem) en 3 (greep naar de macht). Stadia 4 (de uitoefening van de macht) en 5 (radicalisering en/of achteruitgang) zijn nog niet aan de orde.

Waarom het vierde stadium wordt overgeslagen in de scriptie is me niet deelachtig geworden. Bij de PVV lijken stadium 2, 3 en 4 in elk geval in de tijd samen te vallen. Jammer voor de stadia maar ik kan er ook niks aan doen. Bovendien, een dergelijk samenvallen is niet uniek voor de PVV, de afsplitsing van de VVD. Het is meer partijen overkomen, denk aan DS70, de afsplitsing van de PvdA. Nog maar net opgericht en direct al regeringspartner. Maar een beweging? Nee, zou ik denken.

De stadia bij Bovekerk zijn, als ik het werkstuk lees, überhaupt niet erg goed geoperationaliseerd. Meer nog, ze worden als gegeven aangenomen, als vormen ze een onaantastbaar raster dat over de gebeurtenissen rond Wilders en de PVV heen is gelegd. Dat is jammer, in het bijzonder omdat daardoor ook het eerste stadium (het oprichten van een ‘beweging’) niet uit de verf komt. Wat de ‘context’ is – een door Paxton sterk benadrukte factor – en welke ‘massabasis’ de beweging wenst te organiseren komen niet aan de orde. Ja, de ‘islamisering’ en zo, die komen voor. De vraag in hoeverre dat de aanhang van de partij typeert wordt nergens aangeduid en waar die aanhang vandaan komt (bij Paxton een zwaar punt) evenmin. Noch dat de beweging de deur wordt gewezen bij het aankloppen bij de partij. Niet belangrijk? Bovendien, hoezeer Paxton zich ook distantieert van een inhoudelijke omschrijving van het fascisme, hij vermeldt wel de afkeer van de democratie als een verenigend thema. Typeert dat de PVV? Nee toch?

Het wonderlijke is dat de EU (een gemankeerde democratie, een probleem voor de nationale soevereiniteit) als ‘context’ niet wordt vermeld. Waarom niet? Zien we het laatste jaar niet dat de EU de nieuwe islam aan het worden is voor de PVV? En is dat, opnieuw in termen van Paxton, niet een uitdrukking van de flexibiliteit van protofascistische bewegingen op weg naar de macht: het zoeken van aansluiting bij de gevestigde maar in verwarring zijnde machten? Had daar niet een beschouwinkje aan mogen gewijd?

Bovekerk heeft een mooi werkstuk geschreven. Het is niet af, het is onvolledig in wat het wel behandelt en het ontbeert, hoe kritisch ook, een kritische omgang met de gebruikte bronnen, in casu het complexe argument van Paxton. Als ik het had mogen beoordelen had ik Bovekerk graag een scriptieprijs (vooruit: een griffel) uitgereikt. Als compliment voor een mooie prestatie. Maar geen tien.

7 december

=0=

 

 

Doublure

Elke vergelijking heeft z’n manco’s, dus ook deze: de FNV en de EU lijken op elkaar. Beide instituten lopen aan de leiband van een paar leden, beide instituten bedrijven politiek zonder macht, beide instituten komen niet vooruit door stemprocedures op z’n elfendertigst.

De FNV gaat er iets aan doen. De leiband gaat verdwijnen, de politiek komt van onderaf. Maar hoe zal het de stemprocedure vergaan? We wachten af. Niettemin, het probleem is gesignaleerd en het signaal is aanleiding tot activiteiten. Dat is mooi. En meer dan zelfs maar in de verste verte kan worden beweerd over de EU.

De EU is geen organisatie, maar een verdrag. Het merkwaardige is dat de EU wel beoordeeld wordt als ware het een organisatie. En wel op de meeste eenvoudige manier: we weten wat we willen en we kennen de weg ernaar toe. Dan is een beoordeling weinig anders dan het opmaken en controleren van de rekening. In Nederland is dat sinds Zalm de orde. We betalen te veel, krijgen te weinig en we weten precies wat er moet gebeuren om de zaak in evenwicht te krijgen. Zelfs de financiële en schulden crises zijn er niet in geslaagd een realistischer beoordelingsschema aannemelijk te maken. Eerder omgekeerd. Iedereen schijnt te weten wat je moet doen om tot een oplossing te komen. Je doet A en B zal volgen. Dat is in een reguliere organisatie al zelden het geval en in de EU al helemaal niet. Maar we houden eraan vast. Dat de EU leden het over de uitkomsten lang niet altijd eens zijn wordt verhuld door het met veel aplomb hameren op die ene juiste weg die we moeten volgen.

Men zegt dat bondskanselier Merkel afgelopen jaar haar wil heeft weten op te leggen aan de rest van de EU. Daar kunnen we dan uit afleiden dat het oude afstemmingsmechanisme (de afstemming tussen Duitsland en Frankrijk, met de rest in de bijwagen) is opgegeven, Frankrijk naar de bijwagen is verhuisd, die ene weg nog hardnekkiger zal worden doorgedreven en we over de toekomst van de EU meer dan ooit in het ongewisse zijn. We hadden een soort ‘inner circle’ in de brede coalitie van de EU. Die hebben we niet meer. Misschien is dat goed. Die onderlinge afstemming stelde toch al weinig voor. Veel meer dan bij tijd en wijlen een gezamenlijke persconferentie was er niet van over.

Dat lot moeten we de FNV (met de AbvaKabo en FNV Bondgenoten in de rol van Frankrijk en Duitsland) niet toewensen. Geen doublure ajb. Het goede nieuws is dat de plannen om tot een nieuwe vakcentrale te komen in het teken staan van het tegengaan van een dergelijke doublure. De vraag wat ongewenst is, is daarmee beantwoord. De vraag wat wenselijk is niet. En de vraag hoe daar te komen nog minder.

Na het overleg in Dalfsen werd gesproken over een ‘kwartiermaker’. Dat lijkt me hogelijk prematuur. Zo lang onbekend is of de koers moet worden uitgezet naar een huis, een tentenkamp, een schip, een auto of een vliegtuig is een kwartiermaker een vlucht vooruit. Dat, echter, is exact de valkuil van de EU gebleken.

6 januari

=0=

 

 

Onvolwassen

De schoonmakers zijn weer in staking. Hoewel, weer in staking, ze zijn nog in staking. Het vorige conflict was nog maar net beslecht, en er was nog maar net een heuse code verantwoord gedrag opgesteld en aanvaard of de rijksoverheid (in de gedaante van SZW en BuZa), medeondertekenaar van de code, bedacht dat het wel wat goedkoper mocht met de schoonmaak. De redenering was dat omdat het aantal vierkante meters kantoor zou dalen er minder schoongemaakt hoefde te worden. Het zal ooit dalen en kan nu al minder. Geen speld tussen te krijgen. Zoals te doen gebruikelijk bij de overheid werd de korting daarom al vast ingeboekt en bleef het aantal vierkante meters kantoor ongewijzigd. Zodra de kantoorruimte zou afnemen was de schoonmaak er al op afgestemd. Of beter, niet de schoonmaak, maar het schoonmaakcontract, dat toch net aan vernieuwing toe was. Het leidde vorig najaar al tot een staking. De code was in eerste instantie dan ook alleen ‘moreel’ en moraal kun je niet eten. Brecht had het er al over, in nota bene de Driestuiversopera.

Toch is de code interessant. Ik lees erin dat het ding nodig is vanwege de nog ‘onvolwassen marktwerking’ in de sector schoonmaak (en glazenwasserij). Onvolwassen marktwerking, je moet er maar opkomen. De code is een verplichting aan werkgevers, opdrachtgevers en opdrachtnemers en werknemers om met elkaar te overleggen over wat fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden zijn. Dat is een kans. Die kans is door het optreden van SZW en BuZa niet verkeken, wel in gevaar gebracht. De nieuwe stakingen van de laatste dagen staan mede in het teken van het respecteren van de code. De schoonmakers vragen om respect en de code heeft het over respect. In termen van de code houdt dat onder meer in dat de behandeling van de schoonmakers, vergeleken met de behandeling van de werknemers in het inlenende bedrijf, acceptabel dient te zijn. Daarmee komen de posities van de werkgever/opdrachtgever en die van de werkgever/opdrachtnemer in het spel en dat is precies het nieuwe van de code. De oude situatie waarbinnen de werkgever zich verschool achter de opdrachtgever en de opdrachtgever zich verschool achter de opdrachtnemer is, met de code, buiten de acceptabele spelregels geplaatst.

Dat maakt het huidige conflict zo spannend. De schoonmakersbond (deel van FNV Bondgenoten) schrijft geschiedenis als de bond erin slaagt om niet de arbeidsrelatie als hefboom voor verbeteringen te gebruiken maar het feit dat er werk wordt geleverd en dat de basis voor een overeenkomst niet de relatie met een werkgever is maar de relatie die door het werk wordt gevestigd. In dat verband is de eis van de schoonmakers dat ook hun twee eerste ziektedagen moeten worden betaald belangrijk. Het is een signaal dat ook hier het criterium van de arbeidsrelatie het veld moet ruimen voor een ander criterium: wie werk verricht heeft recht op de reguliere sociale zekerheden.

Niet de marktwerking is ‘onvolwassen’. Onvolwassen is ons stelsel waarin de arbeidsrelatie beslist over de rechten waarover werkende mensen beschikken. De arbeidsrelatie is, inderdaad, toe aan een grote schoonmaak.

5 januari

=0=

 

 


Geschiedenis

Hongarije herschrijft z’n geschiedenis, lees ik in Trouw. Elke communist die iets waardevols heeft gedaan dient uit het nationale geheugen te worden verwijderd. Nagy bijvoorbeeld mag niet, Mindszenty mag wel. Nagy was belangrijk in de opstand van 1956, bekocht dat met z’n leven maar was communist. Mindszenty, gevangengezet vanwege zijn onverzoenlijke anticommunistische opstelling, werd bevrijd tijdens de opstand en vluchtte daarna naar de Amerikaanse ambassade. Wat is geschiedenis? Dat Mindszenty telde tijdens de opstand en Nagy niet. Het is het type geschiedenis waar Martin Bosma z’n vingers bij aflikt. Het is geschiedenis die niet door mensen wordt gemaakt en door historici wordt opgetekend en geïnterpreteerd, het is geschiedenis als politieke beslaglegging.

Bosma en Orban zijn slechts extremen, het verschijnsel doet zich overal en altijd voor. Van straatnamen (Stalinlaan) en hun verandering (Vrijheidslaan), via monumenten, gedenktekens, symbolen en herdenkingen tot en met het verbod op ontkenning (Holocaust) en het opeisen van de benaming van gebeurtenissen (dit is genocide).

Nog even en ook het optekenen van de geschiedenis van de geschiedenis gaat vallen onder het politieke copyright, het gebruik van het geschiedenisgebruik als wapen in de strijd. Voor Bosma en Orban is dat niets nieuws, voor Sarkozy is het een middel tot herverkiezing en is het in ons land niet de CU (oktober 2011: Kamerlid Esman wil dat Rosenthal de Armeense genocide ‘erkent’) die hetzelfde wilde als Sarkozy nu heeft doorgedreven?

Ik begrijp dat men in Turkije niet blij is met Sarkozy. De Turkse regering is boos maar ook de mensen die in Turkije streefden naar een eerlijker geschiedschrijving. Zij worden buiten spel gezet. Als geschiedenis politiek is met andere middelen kun je je als geschiedschrijver en als burger beter bergen. In plaats van een uitwisseling in een openbare ruimte wordt de geschiedschrijving langzaam maar zeker getransformeerd in een politiek gevecht in een politieke arena.

Ik ben geen historicus maar wel burger. Het stilzwijgen van historici, geconfronteerd met een oprukkende politieke usurpatie van het terrein waarop zij hun ambt uitoefenen, verbaast me en ik vind het verontrustend. Als burger gaat het nog een stapje verder. Het is een bedreiging. Geschiedenis als een politieke markt met de nationale overheid als marktmeester. Het maakt deel uit van een nationale regressie die zich, overigens, niet tot de geschiedenis beperkt maar er wel een aantrekkelijke buit in ziet.

3 januari

=0=

 

 

Benoeming

Omdat we onze oude munt inwisselden voor de euro, en daarmee de DNB tot onderdeel maakten van de ECB, moest onze Bankwet worden aangepast. Zo kregen we de Bankwet 1998. Interessante wet, die inmiddels wel enige aanpassing behoeft. Zo had en hield de bank een raad van commissarissen maar ook in de nieuwe wet is niets geregeld over de kwaliteit van de commissarissen. Of ze iets weten van het bankbedrijf bijvoorbeeld en of dat een eis is voor benoeming. Het is niet te vinden. Er staat wel iets in de zogenaamde profielschets maar die is zo algemeen verwoord dat ik er met een beetje goede wil ook in zou passen en mijn vrienden, vriendinnen en kennissen ook. Kortom, wie commissaris mag worden kan op basis van die profielschets niet worden bepaald. Daar moeten kleinere gezelschappen voor aan het werk en hoe dat geregeld is: dat staat er natuurlijk niet in.

Omdat ik in NRC Handelsblad las dat Bolkestein commissaris is (in elk geval tot 1 november van vorig jaar, of de man is herbenoemd kan ik niet vinden) en omdat Bolkestein over elke economische kwestie uitsluitend onzin in de aanbieding heeft ben ik een beetje ongerust geworden. Je zou mogen hopen dat de overige commissarissen beter toegerust zijn voor hun taak maar uit het feit dat de raad vergeten is om zelfs maar de procedure bij de aanwijzing van een nieuwe directeur van de Bank te handhaven leid ik weinig geruststellends af. In het Kamercommissiedebat over de herziening van de Bankwet, van oktober 2011, mocht het geen rol spelen. Dat ging ook meer over de gebleken ondeskundigheid van de raden van commissarissen van particuliere banken dan over die van de centrale banken. En alleen Ewout Irrgang maakte zich enige zorgen over jongens die weer andere jongens benoemden.

In de uitgebreide reconstructie in NRC Handelsblad van afgelopen zaterdag over de benoeming van Klaas Knot – tot zijn benoeming ingeschakeld bij de opvolgingsprocedure – bleken de regering, Mark Rutte voorop, en de raad van commissarissen met Bolkestein voorop overwegende bezwaren te hebben tegen de eerste kandidaat van de bank, Lex Hoogduin. Om hun zin door te drijven hebben ze voor het gemak artikel 12 lid 2 van de Bankwet terzijde geschoven. Dit is de tekst van dat artikel: De president en de directeuren worden telkens voor een periode van 7 jaar bij koninklijk besluit benoemd. Voor elke benoeming wordt in een gemeenschappelijke vergadering van de directie en de raad van commissarissen een aanbevelingslijst van drie personen opgemaakt.

Die lijst is er niet gekomen. Het lijkt erop dat Knot benoemd is door het aan de kant schuiven van de Bankwet.

2 januari

=0=