DAGBOEKHOUDER


Aantekeningen van een ongeduldige toeschouwer

Ton Korver Amsterdam/Den Haag 2011

Ga naar Archief:
2007–2008–2009–2010–2011–2012


Om naar het begin van de pagina te gaan: klik op =0=

April

Zo ongeveer

Wegwerken

Inschaling

Uitstel

Zonder

Lezen

Duits

Duit

Afstand

Hubris

Amnestie

Ambivalent

Kiplekker

Keus

Casa le Havre

Tweedeling

Beroep

Prestige

Mes

PFO

Golfje

 

Maart

Plaats

Verslag

Rating

Selecteren

Inzet

Scanproof

Een man van eer

Proefschrift

Status

Gul

Oordelen

Uiterlijk

Toneelstuk

Muppets

Involutie

Secuur

Risicogroep

Inenten

Gemengd

Krapte

Het binden van de tijd

Machteloos

Iemand

Makke Schapen


Maxima Moralia
 
Dat had ook de titel kunnen zijn van dit bundeltje aantekeningen. Maar ik wil niet overdrijven. Zo dicht op de huid zitten me de sketches hieronder nu ook weer niet. Ze gaan over dingen die me bezighouden en waar soms de handen van jeuken. Dat is nog niet hetzelfde als het ‘verzonken in ervaring’ dat de Minima Moralia van Adorno als keurmerk heeft. Je moet afstand weten te bewaren. Dat geldt voor de politiek – die karakterlozer wordt met elke nieuwe stap om vooral dicht bij de burger te blijven – en het geldt voor mij.

Niettemin, het kan altijd beter. En dat is een tweede verschil tussen mij en het inspirerende voorbeeld van Adorno. Er is geen goed leven in het slechte is een dictum dat nog uitgaat van een herkenbaar onderscheid tussen goed en kwaad. Daaruit vloeit het oordeel voort. Inmiddels twijfelen we ook daaraan. Dat is geen reden tot wanhoop. Eerder het omgekeerde. Twijfel is, met de gave ons te kunnen vergissen, de opmaat voor schaven en beschaven. Dat wordt makkelijk vergeten, en hoe drukker we het hebben hoe makkelijker. Ik ben aan diezelfde drukte gebonden. Vandaar het ongeduld, gekoppeld aan de afstand die ik met de woorden ‘aantekeningen’ en ‘toeschouwer’ verbind en het voorbijgaande dat meeklinkt in de titel waar ik uiteindelijk voor heb gekozen: dagboekhouder.

 


FiB
tijdschrift Filosofie in Bedrijf

Archief

Dagboekhouder 26
januari - februari 2012

Dagboekhouder 25
november - december 2011

Dagboekhouder 24
september - oktober 2011

Dagboekhouder 23
juli - augustus 2011

Dagboekhouder 22
mei - juni 2011

Dagboekhouder 21
maart - april 2011

Dagboekhouder 20
januari - februari 2011

Dagboekhouder 19
november - december 2010

Dagboekhouder 18
september - oktober 2010

Dagboekhouder 17
juli - augustus 2010

Dagboekhouder 16
mei - juni 2010

Dagboekhouder 15
maart - april 2010

Dagboekhouder 14
januari - februari 2010

Dagboekhouder 13
november - december 2009

Dagboekhouder 12
september - oktober 2009

Dagboekhouder 11
juli - augustus 2009

Dagboekhouder 10
mei - juni 2009

Dagboekhouder 9
maart - april 2009

Dagboekhouder 8
januari - februari 2009

Dagboekhouder 7
november - december 2008

Dagboekhouder 6
augustus - oktober 2008

Dagboekhouder 5
april - juli 2008

Dagboekhouder 4
januari - maart 2008

Dagboekhouder 3
augustus - december 2007

Dagboekhouder 2
mei - juli 2007

Dagboekhouder 1
januari - april 2007

 

Zo ongeveer

Ik ga naar huis, zegt de vader. De zoon begrijpt het niet. Vader is thuis. Langzamerhand wordt het de zoon duidelijk. Als vader thuis zegt dat hij naar huis gaat, dan is hij wel thuis maar hij voelt zich niet thuis en daarom wil hij naar huis omdat je huis is waar je je thuis voelt. Vader is volkomen logisch maar zijn taal is niet meer dekkend met die van anderen, met die van zijn zoon. Geen enkele taal is compleet dekkend met een andere natuurlijk maar meestal zit er voldoende overlap in onze gezamenlijke talen om het met elkaar en met het misverstand leven uit te houden.
Vader dementeert. Er zijn nog woorden, wonderlijk mooie woorden af en toe, en verpakt in wonderlijk mooie zinnen, maar de aansluiting met de taal van de zoon is er niet of slechts een klein beetje. Dat levert soms irritatie op en soms onbegrip, frustratie en de moed der wanhoop. Het is de periode dat de zoon nog probeert vader terug te halen naar zijn taal, de taal die ze ooit zo goed en zo kwaad als het ging deelden, de taal waarvan vader steeds vaker de sleutel verliest. De sleutel is voorgoed weg. De zoon leert accepteren dat vader niet terugkan, dat de terugweg is afgesloten. De taal van vader vraagt om meedenken met hem, niet om correctie door een verwijzing naar de afspraken van de vroegere gedeelde taal, de taal die de zoon nog wel deelt met de meeste anderen maar steeds minder met vader. De woorden van vader verwijzen, ook als ze conventioneel zijn, niet naar de conventie. Ze verwijzen naar hem, naar waar hij op elk moment is, en daarom is het zo belangrijk te weten dat vader met huis ‘thuis’ bedoelt en dat thuis is waar hij zich thuis voelt. Het ligt voor de hand, het is niet helemaal conventioneel, en toch kun je leren, dat als vader thuis zegt dat hij naar huis gaat, dat hij zich dan niet thuis voelt. Thuis is waar je veilig bent, beschermd. De zoon leert, dat als vader zegt naar huis te gaan, hem te beloven dat hij met hem mee zal gaan. Dat alleen al kan de geruststelling zijn die nodig is om vader te bewegen het besluit nog even uit te stellen, bijvoorbeeld omdat de zoon nog iets af moet maken – en dan is het hele punt alweer verdwenen. 
Aan het einde van het verslag dat Arno Geiger over zijn vader maakt, over diens geschiedenis en over de geschiedenis van de relatie van hem en zijn vader, verhuist vader naar een verzorgingshuis in hetzelfde dorp waar hij ook werd geboren en altijd heeft geleefd, de korte periode van zijn dienstplicht aan het Oostfront en de krijgsgevangenschap uitgezonderd. In dat verzorgingshuis is vader onmiddellijk thuis en inmiddels weet de zoon dan al enige tijd waarom thuis voor vader altijd het allerbelangrijkste is gebleven.
De oude koning in zijn rijk, het boek (Amsterdam, De Bezige Bij 2012) dat Arno Geiger over zijn vader schreef, is een belangwekkend boek. De oorspronkelijke titel vermeldt ‘ballingschap’ in plaats van ‘rijk’. Aanvankelijk vroeg ik me af waarom de vertaler de titel heeft gewijzigd. Nu denk ik dat de vertaler daar goede redenen voor heeft gehad.
30 april      

=0=

 


Wegwerken

Na vijftien jaar vertrekt Harry Starren bij de Baak. Hij wil wat anders, schrijven bij voorkeur, of een kunstwerk maken. Het lezen van het interview (FD, 28 april, pp. 30-31) leidt tot de veronderstelling dat hij wil gaan doen wat hij altijd al wou doen. De Baak stond hem daarbij niet in de weg, maar het had wel wat beperkingen en waar Starren van droomt is van werk zonder beperkingen. Hij zegt: “Ik zag bij mijn vader dat werk zin kan geven aan het bestaan, maar dat het ook beperkingen oplegt. Ik heb vaak gedacht dat het toch mogelijk moet zijn dat het werk je niet in de weg zit maar juist je ontwikkeling bevordert, dat er een betere deal mogelijk is dan mijn vader bij Philips had”.

Het werk dient werkendeweg je beperkingen weg te werken. Dat is geen haalbare kaart (althans ik hoop dat het dat niet is want wat onbeperkt is strijdig met elk idee van eindigheid en van verandering, van verschil, van werk en politiek) maar het is wel een richting. Het is een criterium om je werk te beoordelen en het is een randvoorwaarde die je aan alle werk zou willen stellen, zeker als dat werk is dat je om den brode moet verrichten.

Werk is per definitie het omgaan met weerstand en de weerstand kan je tegenhouden – je beperken – en het kan je verwarmen en energie geven, je in staat stellen de weerstand voor eventjes te overwinnen. Het gaat niet om het afschaffen van inspanning, van moeite, van vermoeidheid en pijn, van uitputting zelfs, want al die werkaspecten zijn aspecten van het omgaan met weerstand. Het gaat om ‘zin’, om het kunnen selecteren uit keuzes die je wereld niet kleiner maar groter maken, die de opties die je hebt verrijken. Werk moet, om bij de oorspronkelijke betekenis van emancipatie aan te sluiten, het volwassen worden in gang zetten en in gang houden. Alleen dan is werk en burgerschap een huwelijk, dat niet tijdens de rit ontbonden hoeft te worden. Een ontbinding als gevolg van een ontwikkeling, waarbij werk niets meer met burgerschap en burgerschap niets meer met werk te maken heeft.

Tegen deze achtergrond is Nederland de afgelopen twintig jaar niet rijker geworden. Waar verrijking van opties het parool moet zijn, dreigt toenemende verarming. Hoe noemen we het ook weer? We noemen het werken voor je uitkering en zijn verbaasd over het wantrouwen in de politiek.

29 april

=0=


Inschaling

Het is de week van het midden. Het redelijke midden, het radicale midden, de middenklasse. Over dat laatste heeft De Groene een themanummer uitgebracht. Wat ik daarvan overhoud is dat het met de middenklasse ongeveer net zo gesteld als met het maatschappelijk middenveld of de ‘civil society’. Zoek ernaar en je vindt het niet. De maatschappij is globaal, de economie is globaal, de politiek valt steeds minder samen met staat en natie. Vorige week verscheen De Groene met voor het eerst een nummer van De Gids erbij. Dat nummer ging over nostalgie, de droom van een kindertijd die nooit heeft bestaan en daarom zo aantrekkelijk is. De middenklasse, als ik De Groene van deze week op een noemer kan brengen, is ook al nostalgie. Nu ja, bij Fukuyama niet, maar Fukuyama is een buitenbeentje dat denkt de hoofdstroom te kunnen verwoorden en dat is op zichzelf geen kindertijd maar wel puberaal.

De middenklasse is minder een klasse dan een segmentje op een continue lijn die van laag naar hoog loopt. Lees ik. Vraag het de mensen zelf en ze zijn middenklasse. Vraag het economen en ze beginnen over inkomen. Raar. Als je het over klasse hebt dan gaat het niet over inkomen maar over de bron van dat inkomen en dus niet over een vergelijking met de buren of een opgave voor de inkomstenbelasting. Een baan is een bron, vermogen is een bron, dienstverlening is een bron. Een ruwe klassenindeling volgt de voornaamste inkomensbron. Binnen de zo geconstrueerde categorieën bestaan tegenstellingen al naar gelang de samenstelling van de bronnen. Oud is, bijvoorbeeld, meer afhankelijk van vermogen als opgebouwd pensioen, jong meer van banen en diensten. Daar hoort ook het thema van de zekerheid bij, in De Groene zo ongeveer het meest genoemde – en het meest op de tocht staande – kenmerk van de middenklasse. Ben je betrekkelijk zeker van de bruikbaarheid van je bronnen, dan wel van de ter beschikking staande tijd om je bronnen te herschikken, dan val je in de middenklasse, ben je dat niet dan niet. Er vallen steeds minder mensen in de middenklasse en dat is niet eens in de eerste plaats een inkomenskwestie. Het is in de eerste plaats een zekerheidskwestie.

De zekerheid is aan erosie onderhevig en niet zo ’n beetje ook. De arbeidsmarkt en de markt voor diensten is wereldwijd geworden en de gedachte dat het daarbij voornamelijk gaat om de laagbetaalde zaken is al lang ingehaald door de ontwikkelingen. Steeds meer dingen kun je overal laten doen en dus botst de geografie van de zekerheid (de omstandigheid dat je het werk hier moest doen omdat het elders niet kon) steeds harder op de economie van de markt (de omstandigheid dat het werk overal kan gebeuren en dat daarom de locatie niet langer door technologie en organisatie wordt begrensd). Je hoeft niet te ‘outsourcen’ en dat hoef je niet omdat je dan nog vanuit een staande organisatie redeneert. Waar het nu om lijkt te gaan is ‘sourcen’: de beste bronnen opzoeken waar ze zich ook bevinden en dan is, inderdaad, de kans dat de beste bronnen zich binnen je eigen organisatie bevinden extreem laag (de verschuiving in bronbereik wordt in deze termen verwoord in het Groene-artikel van Reinier Bijman en Yasha Lange, Werk in Uitvoering: 35). Dat was altijd al zo maar tegenwoordig kunnen we elke bron vinden, waar die zich ook bevindt, en we kunnen de bron niet alleen vinden, we kunnen er ook bij. Ik geloof dat het datgene is wat we ‘markt’ noemen. Het gevolg is dat je nog wel een inkomen kunt hebben uit arbeid of diensten, maar dat de vraag of je die inkomsten morgen nog hebt steeds moeilijker met, inderdaad, enige zekerheid te beantwoorden valt. Je zekerheden hangen af van je snelheid en de grenzeloze markt heeft een gestaag hoger tempo. Dat valt niet bij te benen, tenzij je in staat bent het tempo van de markt te beïnvloeden, de grenzeloosheid te begrenzen, de invloed van een specifieke locatie te herstellen. Maar goed, dat is oud nieuws.

En het is een beetje nieuw nieuws al kan ik daarvoor niet bij De Groene te rade maar wel in The Economist van 21-27 april, dat een special bevat over de ‘derde industriële revolutie’. Het argument loopt via ‘schaal’. Dan gaat het echter niet over de inkomensschaal waarop we proberen af te lezen wie nog bij het midden hoort. Het gaat om de inschaling van de schaalvoordelen van de grote organisatie. Die voordelen nemen af begrijp ik uit The Economist, als gevolg van de ontwikkeling van nieuwe materialen, goedkopere en slimmere robots, slimmere software en online dienstverlening (collaborative manufacturing) en 3D printers (additive manufacturing). Misschien zijn die laatste twee nog wel het mooiste voorbeeld van het verdwijnen van schaalvoordelen. De informatisering heeft de industrie bereikt en leidt tot nieuwe, zuinige, lichtere, duurzamere, schonere en kleinschaliger productiemogelijkheden. In dat gebeuren wordt het schaalvoordeel opgevolgd door een ander voordeel. Inderdaad: dat is het voordeel van een locatie een beetje in de buurt van de gebruiker. Je kunt de gebruiker inschakelen. Dan scheelt het als je elkaars taal spreekt, aan een half woord genoeg hebt, de context niet hoedt uit te leggen, snel signalen kunt oppikken. En dan ben je af van een aantal logistieke problemen, van problemen met intellectueel eigendom, van stijgende loon- en transportkosten, van de traagheid van voorraadaanpassing en de daaraan gekoppelde traagheid van het kunnen profiteren van een nieuw ontwerp. De locatie is zelf een bron.

Of het allemaal doorzet, ik zou het niet weten. Mij interesseert het omdat het het denken in trends zo aardig verstoort. Daar lijdt het debat over de middenklasse, dat grotendeels een debat is over verdwijnende zekerheden, ook onder, onder die trends. In De Groene vind ik (: 29) een citaat van Banerjee en Duflo die, gevraagd naar wat er nou zo middenklasse aan de middenklasse is, als antwoord poneren dat dat de vaste baan is. Die baan was de zekerheid en die zekerheid is door de markt geërodeerd. Kan wezen, maar wat als we de vaste baan nu eens vervangen door de locatie? Dan wordt de locatie (de regionale economie) de schaal van de zekerheid. Is dat een trend? Nee, het is geen trend. Het is een mogelijkheid.

28 april

=0=

 


Afspraak

Ik kan me de tijd nog herinneren dat een afspraak een afspraak was. Je kon er wel eens eentje niet nakomen maar dan moest je wel wat uitleggen. Zo werkt het niet meer. Vanaf de tijd dat we verondersteld worden allemaal altijd en overal bereikbaar te zijn is een afspraak een steeds opnieuw onderhandelbaar arrangement. Je past het aan als het zo uitkomt en je beroept je er op als het zo uitkomt. Je maakt bijvoorbeeld een afspraak om uiterlijk 1 mei in Brussel een briefje te bezorgen met enige mededelingen over de stand van zaken van een andere afspraak. Je wilt je daar aan houden maar dat kan alleen als weer andere gemaakte afspraken ongedaan worden gemaakt. Dat kan allemaal best, en je hoeft er niet eens de kunst voor te beheersen om over je eigen schaduw heen te kunnen springen. Jezelf uit de wind houden is al genoeg.

Wat mij interesseert is welk briefje Frankrijk naar de Europese Commissie stuurt. Het lijkt erop dat de dagen van Sarkozy geteld zijn en die van Hollande aanstaande. Hollande heeft al aangekondigd dat voor hem bezuinigen niet alleen een kwestie is van minder uitgeven maar ook van waar je wat aan uitgeeft en dat alles vanwege de eenvoudige gedachte dat sommige uitgaven nuttig zijn en andere niet. En omdat dit geluid uit Frankrijk komt gaan de ministers van de Ecofin op 15 mei praten over die fameuze 3% afspraak. Dat mag misschien wat soepeler. Onze minister bezoekt die vergadering van de Ecofin ook. Hij staat ongetwijfeld al in zijn agenda maar vanwege de drukte van de afgelopen twee dagen is hij het mogelijk even vergeten. En de Kunduz-coalitie heeft er ook niet bij stilgestaan. Die hebben zo hun eigen afspraken. Grappig overigens dat de CU van tegenvoeter D66 heeft geslikt dat de SGP niet eens is uitgenodigd bij het overleg over de begroting. Zo zit je op de achterbank en zo sta je buiten spel. Het kan verkeren. Mogen we bij Slob enig leedvermaak vermoeden?

Op radio 1 hoorde ik voormalig defensieminister Eimert van Middelkoop enige ongerustheid uitspreken over de gebroken afspraak met betrekking tot het pensioenakkoord. Begrotingsafspraken zijn belangrijker dan polderafspraken. De polder, er is niet veel van over en het pensioenakkoord staat er model voor. De werknemers betreuren de geschonden afspraak, de werkgevers spreken van een goed begrotingsakkoord. De polder ging nooit over begrotingen en de begroting hield er rekening mee de polder niet onder water te zetten. Dat was vroeger. Vandaag wordt Nederland meer door financiën dan door overleg geregeerd.

We kunnen ons opmaken voor de vechteconomie.

27 april

=0=


Uitstel

En dus komen de verkiezingen pas medio september. Het zou de democratie ten goede komen, de democratie van de nieuwe partijen. Gelet op het gemak waarmee Brinkman een nieuwe partij aankondigt kan het snel, gegeven een beetje aandacht in de media. Het is een onzinargument. De parlementaire democratie is een kiezersdemocratie, geen partijendemocratie. Daar heeft het parlement nu weer een stokje voor gestoken. Merkwaardig dat de partijen die destijds aan de wieg stonden van het onzalige EU referendum nu het oordeel van de kiezer willen uitstellen. In de tussentijd kondigt zich een continuering van het huidige kabinet aan, mede gesteund door CU, GL en D66. Net genoeg voor een kleine meerderheid van 77 zetels. De Kunduz-coalitie. Een treffende aanduiding. Daar weten ze niet of het nu een civiele of een militaire missie is omdat wij hier dat misverstand hebben geschapen. Hier weten ze niet of ze politiek bedrijven of het postbusnummer van de financiële markten moeten zoeken omdat ze in verwarring zijn of ze daar in Brussel onze maat willen hebben of ons de maat willen nemen. Die verwarring is het product van het gedoogkabinet en het nieuwe gedoogkabinet maakt zich sterk dat er helemaal geen verwarring is. Het wordt daadkracht en verantwoordelijkheid genoemd. Het zijn de termen van de oude gedoogcoalitie. Het zal niet de enige overeenkomst zijn.

De kans dat de financiële wereld een heel andere kijk op de zaken heeft dan ‘Brussel’ is nogal groot. De financiële wereld is weinig geïnteresseerd in 3%, gewoon omdat dat een raar politiek percentage is dat met verstandig beleid even veel te maken heeft als de PVV. De financiële wereld pleit al geruime tijd voor een bestedende EU, niet voor een beknibbelende, en dan gaat het in het bijzonder over landen als Duitsland en Nederland. De begrotingsafspraken in de EU zijn het product van voornamelijk binnenlandse politieke overwegingen van de sterkere landen. Daarom zijn het slechte afspraken – in elk geval vanuit financieel-economisch oogpunt. Er is geen Europese paraplu, er is alleen per land een paraplu en steeds meer landen kunnen zich geen paraplu meer veroorloven. Er is geen Europees tekort, er zijn slechts nationale tekorten en er is geen Europees tekort omdat er een tekort aan Europa is.

De Kunduz-coalitie dient Europa niet. Zou het dat wel doen dan is de deelname van de CU eraan onverklaarbaar. Mijn verbazing zit echter niet bij de CU, mijn verbazing zit bij GL en D66. Nu weten we van D66 dat die partij de meest merkwaardige coalities heeft gesteund en eraan heeft deelgenomen. Maar dat ook GL die kant op schuift, dat gaat sneller dan ik had gedacht.

Alleen al om te voorkomen dat ook D66 en GL mee gaan doen aan de vergissing dat de EU en Brussel hetzelfde zijn, zouden snelle verkiezingen wenselijk zijn. Die gaan er niet komen. Dat is jammer. De kleinst denkbare politieke eenheid voor het voeren van economisch beleid is inderdaad Europa. De Kunduz-coalitie denkt nog steeds dat Nederland er zelf groot genoeg voor is.

26 april

=0=

 


Zonder

Onze samenleving kan niet zonder religie. Donner schijnt het gezegd te hebben, in De Balie. De redenering is dat zij die niet geloven ook geloven. Zij schijnen te geloven dat er niets buiten de zichtbare werkelijkheid is. Nu geloof ik niet, en ik geloof evenmin dat Donner heeft nagedacht over die zichtbare werkelijkheid (ik hoop het maar voor ‘m) en omdat ik dit laatste geloof, geloof ik en zo heeft Donner toch weer gelijk. Hij heeft altijd gelijk. Misschien moet ik daar voortaan het onderscheid maar in zoeken tussen mensen die in hun taalgebruik het ‘ik geloof’ niet uit de weg gaan, vergeleken met mensen die in dat gebruik het bewijs van religie zien. Vervang de betekenis van religie door de huiselijke betekenis van geloven en je komt een eind. Donner had vanzelfsprekend ook kunnen zeggen dat een samenleving zonder misdaad, geweld, uitsluiting, insluiting, en opsluiting evenmin kan bestaan en dan had hij even veel of even weinig gezegd.

Als er geloof op staat is het geloof. Dat schiet lekker op. Het levert een geloofsbetekenis op die net zo instructief is als de betekenis van een mening. Alles is geloof en alles is een mening en daarom hebben we zowel de vrijheid van geloof als van mening. Als je ermee in de problemen komt is er altijd de rechter nog en als die ook niet doet wat we nuttig en nodig (illustraties van sterke geloofsovertuigingen) vinden hebben we de wet achter de hand. Als ik Trouw juist heb gelezen bediende Donner zich ook van die uitgang, in zijn geval om het verschil te verklaren tussen het wel verbieden van de boerka en het niet verbieden van het rituele slachten. Hij kon het verschil niet bewijzen natuurlijk, maar hij geloofde dat het zo was.

Een wat agressievere variant van het de hand lichten met betekenissen is het in politiek en commercie zo populaire ‘framen’. De truc van het frame is de betekenis van een woord of uitdrukking op te laten eten door de bijbetekenis, de denotatie door de connotatie. Van die variant zullen we de komende maanden weer vele fraaie voorbeelden te zien krijgen. Na het mislukte overleg in het Catshuis opende Wilders direct. Hij zou niet meedoen aan de dictaten van Brussel en hij was er voor de ouderen. Daar ging het maar om. Het frame van de islam is even opgegeven, het frame van de even verwerpelijke EU is er voor in de plaats gekomen en daarom zijn ook de slachtofferrollen veranderd. Henk en Ingrid moeten even plaatsmaken voor hun ouders. De bijbehorende stap is inmiddels ook gezet. De anderen lijden aan het euvel van gekwebbel dan wel zwartepieten, Wilders houdt zich daarentegen aan de feiten en zal met de spelletjes van de anderen niet meedoen.

Onze samenleving kan niet zonder frame. Dat had Donner moeten zeggen. Dan had hij er aan toe kunnen voegen dat het woord samenleving zelf al een heel bruikbaar frame is.

23 april

=0=


Lezen

Hoe lees je een tabel? Ooit hadden we de uitspraak over lies, damned lies and statistics. Daarna kwam de variant waarin de statistieken werden aangevuld, toen heette het strike statistics. Vandaag de dag zou ik denken dat we die stakingen beter kunnen vervangen door indices over ontslagbescherming: lies, damned lies and employment protection statistics.

Matthijs Bouman verwijst in een artikel in Z24 naar data van de OECD. Het gaat overigens om data uit 2008 – dat had Bouman er wel bij mogen zeggen. Kennelijk te veel moeite. Nog meer moeite die Bouman zich heeft bespaard is de betreffende data een beetje fatsoenlijk te lezen. Dat is ernstig. Er kan veel in journalistiek Nederland en als zelfs serieuze mensen zoals Bouman hun eigen punt belangrijker vinden dan de eenvoudige weergave van de data, dan wordt het wel heel erg somber.

De OECD data bestaan uit een drietal scores op typen ontslagregels en uit een totaalscore. De typen zijn respectievelijk individuele ontslagen voor reguliere contracten, individuele ontslagen voor flexibele contracten en collectieve ontslagen. Nederland scoort tamelijk hoog voor het eerste (dan is het moeilijker iemand te lozen), laag voor het tweede en laag voor het derde. In het totaal zijn we een middenmotor. Goed draaiende economieën zoals Luxemburg, Noorwegen, Finland en Duitsland komen hoger uit. Economisch succes en ontslagbescherming hebben minder met elkaar te maken dan de apologeten van de versoepeling de moeite van het vermelden waard vinden.

Niet alleen dat. Ook de relatie tussen meer bescherming voor de flexibele contracten en minder voor de vaste vertoont weinig patroon. Twee keer hoog komt voor, twee keer laag ook, evenals laag/hoog en hoog/laag. Hetzelfde geldt voor het patroon tussen individuele en collectieve ontslagbescherming.

De data van de OECD zijn een mooie bron voor onderzoek. Ze lenen zich niet voor opportunistisch gebruik. Wie zich dat toch permitteert, zoals nu ook Matthijs Bouman, maakt geen gebruik maar misbruik.

21 april

=0=

 


Duits

Decennia geleden werd het Duits als verplicht leervak afgeschaft in het voortgezet onderwijs. Hetzelfde lot was het Frans beschoren. Leerlingen mochten kiezen, de ene of de andere taal. Door dat besluit verviel aan universiteiten en andere instellingen van hoger onderwijs de mogelijkheid om literatuur uit die talen op een verplichte lijst te zetten. Het is een fraai voorbeeld van hoe kiezen gepaard gaat met verarming.

Gisteren was de Dag van het Duits. Het was ook de Dag tegen het Pesten. Misschien moest men op scholen wel kiezen waar aandacht aan te besteden want je kunt niet alles kiezen. Er is zoveel te kiezen dat je moet kiezen. De samenkomst van die twee dagen is een mooi voorbeeld van onbedoelde ironie.

Er moet gekozen worden en de consequenties krijgen we later. Ik lees een mooi boek over De Tocqueville, genaamd Mild Despotisme. De auteur is Albert Jan Kruiter en hij heeft er een prijs voor gekregen. Over het boek kom ik nog te spreken, voorlopig beperk ik me tot het mild despotische effect van de keus tussen Frans en Duits die de schrijver ook heeft moeten maken en die er toe heeft geleid dat bij hem, zoals bij talloos veel anderen, zowel de ene als de andere taal wordt gemeden als de pest. Wat is het geval?

We krijgen een uitgebreide beschouwing over leven en werken van De Tocqueville en over de manier waarop latere auteurs met diens werk zijn omgesprongen. De schrijver doet dat allemaal om de actualiteit van De Tocqueville voor de hedendaagse maatschappelijke, politieke en bestuurlijke ontwikkelingen te schetsen. Veel van het gebruikte bronnenmateriaal is afkomstig van Franse en in mindere mate ook Duitse auteurs. In de uitgebreide literatuurlijst is geen Franse of Duitse titel te vinden. Het gros van het materiaal komt uit het Engels, inclusief al het materiaal van De Tocqueville zelf.

Mild despotisme is het regiem waarin je zelf voor je eigen beperkingen mag kiezen en daar nog tevreden mee bent ook omdat het tenslotte je eigen keus is geweest. Meer nog, je weet niet eens dat je in dat gareel bent gestopt want dat blijft voor de meesten van ons toch onzichtbaar. We hebben hooguit kritiek op de staat die ons dit allemaal aandoet – en verwachten de oplossing van diezelfde staat. Kruiter meent dat er ook in ons land meer milde despotie voorkomt dan ons lief zou moeten zijn.

Zijn keuze voor het Engels is er een mooie illustratie bij. Hij acht er zelfs geen motivering meer bij nodig. De staat is geslaagd.

20 april

=0=


Duit

Gisteren berichtte het FD dat de nog te kiezen voorzitter van De Nieuwe Vakbeweging rechtstreeks door de leden zal worden aangewezen. Dat zou meer macht voor een voorzitter opleveren. Vandaag bericht het FD in een commentaar dat dit mooi voor de polder zou zijn. Het FD voegt eraan toe dat voorlopig hiermee de strijd eerder wordt aangewakkerd dan gedempt. Hoe het FD dit allemaal weet wordt niet bekendgemaakt. De krant spreekt van bronnen die ‘nauw’ betrokken zijn. Dat kan van alles inhouden: insiders, betrokken bestuurders, kwartiermakers, mensen die her en der wat hebben opgevangen.

De minister beweegt wel en niet. Hij beweegt niet in de pensioenen. Ik lees, opnieuw in het FD, dat de commissie die nieuwe rekenregels voor de pensioenen moet vaststellen nog niets is opgeschoten. Wat de AOW betreft moet Kamp bovendien afwachten wat er uit het Catshuis komt en hij zit daar niet aan tafel. De SGP zit bijna aan tafel, de minister van SZW niet. We kunnen de notie van vakminister per heden afschaffen. De premier en de vicepremier zijn van alle markten thuis en hebben wel hun fractievoorzitters gedoogpartners maar niet hun vakministers nodig. Het is ongekend. De burger wordt verondersteld veel te gedogen van een gedoogkabinet.

Het bijzondere Nederlandse woord ‘draagvlak’ is aan het kabinet niet besteed. Aan de minister van SZW wel. Hij wil weten (en gaat daarvoor te rade bij de SER en bij de STAR) of er wel voldoende draagvlak voor afgesloten CAO ’s is. De SER moet daar advies over uitbrengen en de STAR, gelet op diens wettelijke rol bij de afhandeling van aanvragen voor algemeen verbindendverklaringen, moet de procedure op dat gebied nog maar eens kritisch toetsen. De minister is bang dat de afspraken in de CAO te weinig ruimte laten om af te wijken van diezelfde afspraken. Als werknemers en werkgevers dat willen natuurlijk. Wat dient te geschieden als de en partij wel en de andere niet wenst af te wijken is niet gevraagd door de minister. Dat mogen SER en STAR zelf uitzoeken. Het lijkt erop dat de minister een voorstander is van wel een CAO (vanwege de rust en de greep op loonkosten) en van niet een CAO (vanwege het feit dat welke afspraak je ook maakt niet iedereen er even gelukkig mee zal zijn).

‘Mijn vraag is simpel’, schrijft Marcia Luyten in een column in de Volkskrant, ‘Waarom heeft u besloten om op het moment dat de vakbeweging meer dan ooit nodig was, haar te vernietigen?’ De vraag stelt ze aan Agnes Jongerius en aan Henk van der Kolk, volgens haar de boosdoeners. Ze waren lid van het ‘medisch team’ van onze economie en laten het er bij zitten als er meer dan een pleister nodig is. Ze waren niet alleen medici, ze waren ook brandweerlieden en net op het ogenblik dat het blusapparaat leeg is nemen zij hun verlof op. Dat is niet mooi van ze. In plaats van bestrijders ontpoppen ze zich als aanjagers van de crisis.

Zou Luyten met haar duit in het zakje nu een voor- of tegenstandster zijn van een sterkere centrale machtspositie van een voorzitter? Ik zou vermoeden dat ze een voorstandster is – het idee is dat de zittende machten inleveren en de invloed van bijvoorbeeld zzp-ers, voor wie Luyten een lans breekt, zich beter kan doen gelden. Het gekke is dat ik in haar column daar helemaal niets over vindt. Ik vind iets van een stelling dat we ons de crisis niet uit kunnen besteden en dat er een radicale hervorming van de arbeidsmarkt nodig is. Waarom het eerste niet kan en waar het tweede in zou bestaan, wordt niet toegelicht. Dat is vervelend. Je kunt de nieuwe vakbeweging lezen als een aanval op de bonden en een uitnodiging aan mensen die zich door de vakbeweging niet vertegenwoordigd voelden en er toch door vertegenwoordigd werden. Die spagaat is misschien ook wel de reden van de crisis – met het pensioenakkoord (waar Luyten ook al niets over schrijft) als aanleiding. In dat geval is de ‘vernietiging’ hetzelfde als wat ik de erkenning noem, de erkenning dat de FNV is vastgelopen en er zonder ingrijpende aanpassingen niet uit komt. Had de FNV dat op een ander moment moeten doen? Als het niet nodig was soms?

Het FD heeft gelijk. De polder staat onder water en we kunnen er de Vlamingen niet eens de schuld van geven. Luyten had het niet over brandblussers en medicijnen moeten hebben maar over pompen.

18 april

=0=

 

 
Afstand

In Trouw stond gisteren een artikel over de aanstaande Wet Werken Naar Vermogen. Er is veel verzet tegen die wet omdat die met forse bezuinigingen gepaard gaat en omdat de wet in de bepaling van de ‘loonwaarde’ van het werk van mensen nodeloos ingewikkeld is gemaakt en eerder conflicten uitlokt dan oplost (de werkgever heeft belang bij een lage waarde want dan moet de gemeente – de centrale overheid laat de gemeenten de kale regeling uitvoeren, zoals te doen gebruikelijk bij kaalslag – bijpassen, de gemeente heeft belang bij een hoge waarde want dan hoeft het niet of slechts weinig bij te passen). Zo vernietig je al doende ook de wet minimumloon maar waar gehakt wordt vallen nu eenmaal spaanders en, zo zegt men, men schaft het minimumloon niet af, er worden slechts uitzonderingen toegestaan. Op vergelijkbare manier wordt ook het ontslagrecht niet afgeschaft. De wet is overigens bedoeld om mensen ‘met afstand tot de arbeidsmarkt’ (de ‘nobele gedachte achter de wet’ volgens Trouw) een duwtje richting regulier werk te geven. In de formulering ‘afstand tot de arbeidsmarkt’ zit het venijn. Het legt het probleem, elk probleem zo langzamerhand, bij mensen en niet bij het functioneren van de arbeidsmarkt. Het zijn niet de mensen die afstand van de arbeidsmarkt nemen, het is de arbeidsmarkt die een groeiende groep mensen op afstand zet en houdt. En die afstand wordt eerder groter dan kleiner.

Trouw haalt het voorbeeld aan van een jonge vrouw die na twaalf jaar in de montageafdeling is gepromoveerd tot verantwoordelijke voor de koffie en thee. Dat zou ze ook wel in een gewoon bedrijf willen. Op de montageafdeling, lees ik, zijn de mensen bezig met het met kleurig behang beplakken van uit karton gesneden hertfiguren die naar Japan worden geëxporteerd. Handgemaakte Nederlandse waar. Men is er trots op. Sommigen werken al veertig jaar op die afdeling en zullen ergens anders nooit tot hun recht kunnen komen. Wat is hun afstand tot de arbeidsmarkt, anders dan de constatering dat de arbeidsmarkt voor hen geen plek heeft?

De arbeidsmarkt is wereldwijd geworden. Aanbestedingen en uitbestedingen vinden de mensen waar ze zijn, waar ze dan ook zijn. De kans dat ze hen in de sociale werkvoorziening zullen vinden is vrijwel nihil. Het werk verdwijnt sneller achter de horizon dan zelfs de snelsten kunnen bijbenen.

In de Tweede Kamer is men voorlopig in meerderheid voor de nieuwe wet. Afstand verkleinen. Er zullen de komende dagen bij de behandeling van het wetsvoorstel weer veel krokodillentranen worden vergoten. Het wordt een debat met de esthetiek van de wansmaak, de ethiek van de honende zoetsappigheid, en met het ongeschokte geloof in de beloning zolang we maar knielen voor de heilige arbeidskoe. Gelukkig gaat het over de anderen.

17 april

=0=

 


Hubris

Toen Bos verklaarde dat Nederland de beste delen van Fortis had gepakt was men in België niet blij. Dat was, begrijp ik nu, niet vanwege de onbeleefdheid van Bos maar ook omdat het gewoon niet klopte. Fortis bestond niet uit losse delen waar je de schaar op los kon laten, de integratie van Fortis met ABN Amro was al behoorlijk op streek en het opknippen van het bedrijf zou schade aan alle onderdelen ervan toebrengen. Voor die schade, zo stellen de Belgen, draagt Bos de eerste verantwoordelijkheid. 

Het wonderlijke is dat niet Bos de deal sloot, maar dat Balkenende en Leterme samen in een half uurtje tot een compromis kwamen, in een kamertje achteraf. Balkenende betaalde meer dan hij aanvankelijk van plan was, Leterme kreeg minder dan hij aanvankelijk had gevraagd. Zo gaat dat. Een fors bedrag voor een ontmantelde bank. In De Morgen lees ik dat Bos en De Jager zich arrogant gedroegen en dat hun gedrag veel irritatie opriep. Hoogmoed komt voor de val, zo vat ik het Belgische sentiment maar samen. Boontje komt om zijn loontje. Overigens zijn de opmerkingen over de botheid van Bos en De Jager afkomstig van anonieme bronnen. Het geeft nog eens aan dat het spijtig is dat de Belgische betrokkenen bij de Fortisdeal niet onder ede gehoord zijn door de commissie De Wit. Ons parlement is het hunne niet.

Het meest intrigerend is het Belgische verwijt dat Bos gewoon niet wist waar hij het over had. Dan gaat het weer over het opknippen van Fortis, zonder rekening te houden met de kosten van het uit elkaar halen van de twee banken, Fortis aan de ene, ABN Amro aan de andere kant. Bos dacht – kennelijk want ook hier hebben we alleen de uitspraken van de anonieme Belgische bronnen – dat het uit elkaar halen van de twee banken een fluitje van een cent zou zijn. Hij is van een koude kermis thuisgekomen. Zalm is er nog altijd mee bezig en het heeft een aardige cent gekost. Gaan we er winst op maken, als ABN Amro weer een particulier bedrijf wordt? Nee. Dat kan verschillende redenen hebben. In de eerste plaats is er natuurlijk gewoon schadeafwikkeling. In de tweede plaats, even waarschijnlijk zou ik denken, is het meestal zo dat bij de verkoop van staatseigendommen aan de markt de staat minder profijt heeft dan de markt. Dat blijft nog even afwachten. De kosten zijn hoog, dat weten we nu wel. Maar Zalm vindt nu weer dat Bos het helemaal zo slecht niet heeft gedaan. Zegt hij dat als voormalig minister of als huidig bankier?

Knippen en plakken is een moderne managementideologie. Een virus zou je kunnen zeggen. Je definieert sommige activiteiten als kern, andere als complementair, weer andere als marginaal. De laatste gooi je over de schutting, de voorlaatste verzelfstandig je, de eerste houd je. De Nederlandse overheid is daar in de jaren negentig – de spoorwegen zijn het voor de hand liggende voorbeeld – een liefhebber van geweest. Het heeft inderdaad wat gekost. Opknippen gaat niet zo maar. De vraag is of Bos door dezelfde managementideologie bevangen was en dan met als casus een bedrijf dat geen wagons maar geld moest laten circuleren. Het kan natuurlijk ook gewoon zijn dat Bos meende met de amputatie van een been de rest van het lijf te kunnen redden. Dan wordt de vraag of amputatie – toch altijd een beetje een paardenmiddel – nodig was.

Het antwoord op die vraag heb ik nergens kunnen vinden.

16 april

=0=

 


Amnestie

Van Max Pam, gelet op zijn column in de Volkskrant, zou Günter Grass nooit voor amnestie in aanmerking komen. Holle woorden, zo beschrijft hij het gedicht van Grass over de atoomdreiging van Israel. Of de woorden hol zijn door hun schrijver of door hun denotatie, daar hoeven we niet moeilijk over te doen. Door hun schrijver, daarover laat Pam geen enkel misverstand bestaan. Niet wat je zegt maar wie het zegt, dat is de kwestie. Alles wat Grass zegt is verdacht en dus doet het gezegde er niets toe. Moet er een Waarheidscommissie voor Grass, als voorbeeld van jeugdige oorlogsmisdadigers, komen? Gelet op wat Pam hem toedicht zou dat niet overbodig zijn.

Het zou de commissie ‘Hondenjaren’ moeten heten, dat spreekt, opdat de gehele zevenjarige oorlogsperiode wordt bestreken, met de eenjarige oorlogsdeelname van Grass als centrum. Wat zou het opleveren? Zou het opleveren dat Grass voortaan elk recht van spreken moet worden ontnomen? Dat hij alsnog voor de rechtbank wordt gesleept? Volgens Pam is Demjanjuk slechts een kruimeldief, vergeleken met de echte schurk Grass. Demjanjuk is berucht, Grass is, net als Polanski, beroemd en dat verklaart, ik volg nog altijd Pam, het verschil in behandeling. De ene misdadiger wordt bestraft, de andere gaat vrijuit. We bestraffen geen misdaden, we bestraffen reputaties. Pam eist nog net niet dat Grass de Nobelprijs moet inleveren. Toch roept dat wel een vraag op want heeft Grass nu schitterende boeken geschreven of niet? Kortom, had Pam niet alleen op de klank van de woorden in moeten gaan maar toch ook op de inhoud ervan? Ik vind van wel. Pam ontloopt de kwestie en dat is niet mooi van hem.

Ik begrijp niets van gedichten dus op de kwaliteit van het gedicht van Grass zal ik niet ingaan. Hoewel, als Grass gewoon de woorden achter elkaar had gezet tot de regel vol was, was er geloof ik niet veel verloren gegaan. Ik ga ook niet in op de aanduiding van de Iraanse premier als een praatjesmaker, hoewel velen dat een wel erg vriendelijke betiteling vinden. Wat het ook is. Maar gedicht of niet, Ahmadinejad of niet, Israel is een kernwapennatie, en onderwerpt zich aan geen enkel kernwapenverdrag en aan geen enkele kernwapencontrole. Israel voelt zich bedreigd door Iran (dat lijkt me een redelijk uitgangspunt), en zou een ontwikkeling in gang kunnen zetten, die niet eens met kernwapens hoeft te beginnen om er toch op te kunnen uitlopen.

Ik geloof dat de inhoudelijke strekking van het gedicht van Grass daarop neerkomt. Grass spreekt Duitsland hier op aan. Dat is te bescheiden. Het geldt voor alle landen, Nederland inclusief.

14 april

=0=

 


Ambivalent

De columns van Ko Colijn, wekelijks in VN, lees ik altijd met grote aandacht. Ze zijn heel goed geschreven en Colijn weet waar hij het over heeft. Deze week (‘Einde van Dezer Dagen’) schrijft hij over Heldring, de columnist van NRC die er na 52 jaar de brui aan heeft gegeven. Geen inspiratie meer. Colijn gelooft daar niets van en voegt daar aan toe dat als Heldring al eens in herhalingen viel dat niet de fout van Heldring was maar van de wereld – die zelf in herhalingen viel. De constanten van Heldring – politiek gaat over macht en niet over idealen, het project Europa gaat niet lukken, mensenrechten zijn voor een klein land als Nederland geen politiek nastreefbaar doel maar hooguit een middel – worden door Colijn allemaal opgevoerd. Om ze vervolgens te relativeren: is de wereld sinds 1960 echt niet veranderd? De EU heeft al lang het dagelijks leven bereikt en het aantal internationale organisaties is duizelingwekkend. Zoals Colijn schrijft: er zijn om en nabij drieduizend multilaterale verdragen en dertigduizend mensenrechtenorganisaties. Ook niet onbelangrijk, het aantal democratieën in de wereld is sinds 1960 verdrievoudigd. Colijn schrijft het niet op, maar de suggestie dat deze ontwikkelingen iets met elkaar te maken hebben ligt voor de hand. Zeker, politiek gaat over macht en democratie en mensenrechten gaan niet buiten de macht om. Ze vormen de macht. Als macht al de constante is dan is de wijze waarop de macht wordt uitgeoefend de variabele, de bezorger van de dynamiek in de politieke verhoudingen. Het lijkt erop dat Colijn Heldring voorhoudt dat hij dat uit het oog verloren is. Dat kan zijn – hoewel het dan een kwestie van meer of minder is en niet van of/of.

Wat die halve eeuw heeft laten zien is dat de vele prachtige idealen over Europa en over een rechtvaardige wereld niet hebben geleid tot wat ervan verwacht werd. Daar ook niet toe konden leiden. Als dat het punt van Heldring was dan heeft hij het, gedocumenteerd en met veel kennis van zeken, inmiddels wel gescoord. Het lijkt met wat mager, maar zo begrijp ik Colijn. Die er verder op wijst dat er dan toch nog een ideaal is gesneuveld: dat van de autonome natiestaat als basiseenheid in de nationale en internationale politiek, de staat die bij Heldring kennelijk geen ideaal was maar een rotsvaste werkelijkheid. Alweer, zo lees ik Colijn. Of ik dat goed doe, daar is zijn column net te ambivalent voor. Hij zou het bedoeld kunnen hebben, hij impliceert het ook, maar hij schrijft het niet. Hij is ambivalent in zijn waardering van Heldring. Of zou Colijn menen dat het hem niet om Heldring gaat maar om de wereld van Heldring?

13 april

=0=

 


Kiplekker

‘Het systeem is doodziek, maar de hoofdrolspelers voelen zich kiplekker’. Het is een uitspraak van Jacques Wallage. Hij had, zei hij, z’n notities uit de korte tijd van zijn informateurschap, alweer een kleine twee jaar geleden, nog eens geraadpleegd en daar stond het, zijn observatie. Het systeem, dat was de regering, het kabinet en de Kamers. Doodziek, maar de spelers hadden er geen last van. Het land had er last van, maar het land was zo kort na de verkiezingen voorlopig buiten spel gezet. Zo werkt het, en het werkte misschien ooit aardig, maar nu werkt het niet meer. Iedereen weet het, behalve de hoofdrolspelers.

De aanleiding gisteren was een bijeenkomst ‘een parlement met 17,6 miljoen zetels’, georganiseerd door Netwerk Democratie, de Waag en de Stichting Toekomstbeeld der Techniek. Aan het einde van de bijeenkomst kregen we allemaal het in de schoot van STT geboren boek ‘Samen Slimmer’. Want daar ging het over, over de mogelijkheden die het netwerkende net biedt om de regie over jezelf, je buurt, je werk, je land in handen te nemen. En dan samen, vanwege de ‘wisdom’ (en soms de ‘folly’) van de crowds. In het boek staan een groot aantal aantrekkelijk gepresenteerde voorbeelden die de komende tijd behoorlijk richtinggevend kunnen worden voor de manier waarop we als persoon en als burger met elkaar om zullen gaan. Dat niet iedereen in staat is om alle kansen te benutten werd een enkele keer, in het voorbijgaan als het ware, genoemd maar niet echt tot thema gemaakt. Het thema was eerder de traagheid en de eigen belangen van de instituties: vakbonden, politieke partijen, zij daar aan de overkant (wij zaten in het Haagse Buitenhof, aan de overkant was het Binnenhof ), de SER (typisch: de STAR wordt nooit genoemd), gemeentelijke en andere overheden. De instituties begrepen de huidige tijd niet. Alleen Jaap Smit van het CNV opperde dat het omgekeerde misschien ook wel opging: dat de huidige tijd de instituties niet begreep.

Het was een aardige bijeenkomst, met behalve een bijna aanstekelijk ongeduld slechts een enkele potsierlijkheid. Het kon niet anders of de transparantie zou voorbij komen. Smit zei nog wel dat hij een rustig overleg zonder een direct meekijkende wereld op prijs stelde, maar daarin zagen vele aanwezigen toch echt de kern van het probleem. Je zou bijna denken dat daardoor het ‘systeem’ (een veel gebruikt en geen enkele keer uitgelegd woord) doodziek is geworden. Transparantie en het gebrek eraan. Er was, aan het slot van de bijeenkomst, een korte discussie over. Het werd niet duidelijk of transparantie openbaarheid over een gebeuren dan wel openbaarheid over en tijdens een gebeuren moest inhouden. Toch een verschil, en je zou dat verschil kunnen afmeten aan de mate van ongeduld van de mensen. Niet aan hun inzicht, maar emoties hebben ook hun rechten.

Weer thuis, hoorde ik dat Bos, in zijn periode als minister van Financiën, de Kamer wel wat meer had mogen informeren over zijn gebrek aan informatie en dat de Kamer zelf ook wel wat alerter had mogen zijn. Een gebrek aan transparantie. Transparantie achteraf is er nog niet, maar de Kamer had graag transparantie ten tijde van gehad. Ja, zei Bos, maar er was ten tijde van even geen tijd en een beslissing kon geen uitstel velen. Op snelheid is het systeem kennelijk niet berekend. Misschien is het systeem niet doodziek maar gewoon een beetje sloom. Ik ben bang dat een netwerk dat euvel niet kan verhelpen.

Bos voelde zich volgens mij kiplekker in die dagen.

12 april

=0=

 


Keus

Liefst 56 pagina’s beslaat het programma (Keuzes voor de Toekomst van Nederland) dat Diederik Samsom gistermiddag namens de PvdA presenteerde. Het behelst keuzes op zeven terreinen: werk, wonen, zorg, onderwijs, veiligheid, milieu, de financiële sector. Basale kwesties dus en het is prettig dat de financiële sector niet ontbreekt in het geheel van alle voorstellen voor hervorming. Bankensplitsing, afschaffen bonussen, een bankenbelasting en een transactiebelasting, kapitaaleisen en – niet onbelangrijk – een streng en Europees toezicht. Dat staat. Spijtig is dat een cultuurparagraaf ontbreekt, evenals een aparte paragraaf over Europa en de EU, eentje over de media, eentje over de pensioenen, eentje over de sociale zekerheid. Er zal haast bij geweest zijn en de eerste keuze is de keuze voor wat wel en wat niet wordt meegenomen in het startmenu.

De noemer is ‘collectieve welvaart boven individuele rijkdom’. Ook dat is een keus. Minder markt, meer gemeenschap. De markt wordt teruggedrongen. Of de staat die gemeenschap vormt dan wel begeleidt is onduidelijk. De staat representeert het collectief niet, de staat representeert het publiek. Dat maakt verschil. In de voorstellen zit onmiskenbaar een mix van staat en gemeenschap (bijvoorbeeld zorgcoöperaties, en woningcorporaties weer terug naar waar ze voor bedoeld waren) maar over de mengverhouding had ik wel wat meer willen lezen, in het bijzonder over de verwachtingen en aanmoedigingen van allerlei bestaande en denkbare burgerinitiatieven. En verder is het enigszins verbazend (ik druk me voorzichtig uit) dat de arbeidsrelatie weer helemaal terug wordt genomen in de metaforiek van het gezin, met langdurige aanspraken niet alleen tijdens het verblijf in de gezinsarbeidsrelatie maar ook bij het uitvliegen naar een bestaan verderop. De werkgever is niet slechts partner in de relatie, hij is er ook de ouder van. Dat gaat ver en het gaat tegen de ontwikkelingen van een Europeaniserende en globaliserende arbeidsmarkt in. Dat mag, maar dan had het beter moeten worden onderbouwd. Een keuzelijst is geen verlanglijst. Als het dat was, zou ik zelf ook wel een lijstje in willen leveren. Bijvoorbeeld door niet van een ‘activerend arbeidsmarktbeleid’ te spreken maar van een stelsel van sociale zekerheden dat de werknemer onafhankelijker van het werkgeversgezin maakt, in plaats van afhankelijker. Wat zei Bolkestein (het gaat niet goed met die man) ook weer? Lieverkoekjes worden niet gebakken, dat zei hij. Dat weet hij dan nog.

Niettemin, de PvdA heeft gekozen. Waarvoor mag dan nog verre van volledig zijn uitgewerkt, waartegen is wel helder. De PvdA heeft afscheid genomen van Paars, in alle denkbare opzichten. Samsom nam vanaf het begin van zijn aantreden als partijleider afstand van de (‘deze’) VVD en had het al nooit over D66. Nu weten we waarom. Dit nieuwe programma is een keus tegen Paars.

11 april

=0=

 


Casa Le Havre

Gisteren zagen Elly en ik de film Le Havre. Het is niet slechts door een scene vrijwel aan het einde van de film (de hoofdpersoon gaat met de politieofficier een glaasje drinken na de geslaagde ontsnapping van een vluchteling, in dit geval een jongetje uit Gabon, op weg naar hereniging met zijn in Londen woonachtige moeder), het is de thematiek van de film, uitgewerkt in beelden waardoor je soms denkt in de jaren veertig te zijn en soms (een mobiel telefoontje, betaling in euro’s, de skyline van Le Havre, een haven vol met containers) in de 21e eeuw. Casablanca in Le Havre.

De film is een sprookje, vol contrasten tussen de moderne, snelle en harde wereld en de langzame, gedateerde en solidaire wereld (met slechts een enkele uitzondering, de lokale boze buurman) van een kleine gemeenschap in Le Havre, met huizen en straten uit een lang verleden, met winkeliers die gewend zijn aan het geven van krediet omdat de klant belangrijker is dan de betaling, met een café (café Moderne) van een type dat je alleen nog in oude films kunt zien. En in deze film. Het is een wereld waarin het onderscheid legaal/illegaal geen rol speelt en dat is ook niet moeilijk omdat we het verschijnsel misdaad er helemaal niet mee kunnen verenigen. Een sprookje, inderdaad. In plaats van legaal/illegaal speelt het onderscheid van bewoners en autoriteiten. Niet de kleine Idrissa, een jongetje uit Gabon, is de vreemde eend in de bijt, de politie is dat. De politieman die we het meeste zien weet het en respecteert het. Hij is de uitzondering op de regel en weet dat hij desondanks op weinig waardering mag rekenen. Het deert hem niet, zegt hij op een gegeven moment, hij houdt toch niet van mensen. Wij, kijkers, zouden wensen dat er meer gezagsdragers op deze manier niet van mensen houden.

Je zou kunnen zeggen dat het thema van de film de zoveelste variatie is op het spel van kat en muis. Toch zou dat te kort door de bocht zijn. Het thema is eerder loyaliteit, de onderlinge verbondenheid van mensen die weten dat ze het van elkaar moeten hebben en daar geen vragen bij stellen. Er is een hoofdrolspeler maar de feitelijke hoofdrolspeler is de kleine gemeenschap die Idrissa adopteert omdat hij eerder een van hen is dan de gezagdragers die op jacht zijn naar vluchtelingen.

Het geld dat nodig is om Idrissa uit Le Havre weg te krijgen en op een schip onder te brengen dat hem naar Engeland zal vervoeren wordt bijeengesprokkeld door een benefietconcert. Een benefietconcert! We zijn wel degelijk in de 21e eeuw, zij het met een artiest uit de tijd van Johnny Halliday. Te mooi om onwaar te zijn. Dat oordeel strekt zich ook uit over de terugkeer van de vrouw van de hoofdpersoon uit het ziekenhuis waar ze met kanker was opgenomen, was opgegeven, en toch herstelt. Idrissa naar zijn moeder, moeder de vrouw weer thuis. Liefde en loyaliteit, sentiment zonder sentimentaliteit. Een schoenpoetser als hoofdpersoon. Een sprookje. De vraag is, bestaan zulke gemeenschapjes nog?

10 april 

=0=

 


Tweedeling

Hero Brinkman gaat zich op de ouderen richten. Er zijn er heel veel van en niemand komt voor ze op. Nu weten we eindelijk waar de jeugdbeweging die Hero ooit wilde oprichten voor bedoeld was. Om de ouderen bij te staan. Het is ontroerend. Hero ziet een tweedeling in de maatschappij tussen ouderen en jongeren en hij kiest de kant van de ouderen. Dat deed Geert ook al, tot de dag na de verkiezingen. Het is niet uitgesloten dat Hero hetzelfde trucje nog een keer wil uithalen. Hij doet maar.

Ik geloof niet zo in die tweedeling tussen jongeren en ouderen. Er zijn onmiskenbaar belangentegenstellingen dus het gaat wel ergens over. Niettemin is de tweedeling tussen hoog en laag opgeleide mensen veel belangrijker. Het kleurt de jong/oud tweedeling behoorlijk bij want jongeren zijn gemiddeld hoger opgeleid dan ouderen. Maar het leidt in het bijzonder tot een scherpe tweedeling binnen de categorie van de jongeren zelf. Ik denk dat de oorzaak ervan niet moeilijk aan te wijzen is. Hoe meer het onderwijs onderworpen wordt aan het veronderstelde nut ervan voor de arbeidsmarkt, hoe vervaarlijker de tweedeling zal uitpakken. De kenniseconomie zal uitmonden in een verdeeld land. De kenniseconomie maakt van kennis een product en van het onderwijs de inleidende schermutselingen om in het productieproces van kennis te mogen meedraaien. Wie en wat er niet in past, past er niet in. Dat zijn pretstudies en studies waarvan we ons de luxe niet langer willen permitteren. Dat spreekt, luxe betaal je zelf maar, daar dienen geen collectieve middelen voor te worden ingezet. Zeg nou zelf.

Op de opiniepagina van de Volkskrant stond een paar weken geleden een stukje van Jan Bouwens, hoogleraar in Tilburg. Zijn voorstel: stel het hbo onder curatele. Het hbo heeft er te weinig van gebakken om nog zelfstandig door te mogen gaan. Het zou goed zijn om het hbo onder curatele van het wo te plaatsen, dan zou het vast beter gaan. Het moest maar eens afgelopen zijn met competentiegericht onderwijs waar docenten worden gedegradeerd tot procesbegeleiders en waar diploma’s worden uitgereikt die de naam niet waard zijn. Er moet worden gesaneerd en niet zo’n beetje ook. Vergelijkbare bewoordingen horen we af en toe als het MBO ter sprake komt. In de wereldeconomie staat kennis centraal. Die moet dan ook centraal staan want anders verliezen we de strijd. En als dat zo is, ligt het dan niet voor de hand de plek waar de kennis in goede handen is de regie te geven? Precies, die plek, dat is het wo.

Je kunt natuurlijk zeggen dat ook in het wo procesbegeleiding al lang geen onbekend verschijnsel meer is. Je kunt ook zeggen dat het misbruik van onderzoek door Stapel even zorgwekkend is als het gesjoemel bij InHolland. Je zou kunnen zeggen dat het uitreiken van diploma’s als dat niet helemaal verdiend is meer met het bekostigingsmodel van het onderwijs te maken heeft dan met het hbo. Of met het mbo. Of met het wo. Daar vloeit dan uit voort dat Bouwens’ klacht doet denken aan het eerbiedwaardige verhaal van de splinter en de balk. En daar is het voorstel van Bouwens wel, maar het probleem – de reductie van kennis tot de productiefactor kennis en de bijbehorende inrichting van onderwijs en onderzoek– niet mee uit de wereld.

In Buitenhof, gisteren, een gesprek met vier mensen. In volgorde van leeftijd (van jonger naar ouder): een ex-voorzitter van het LAKS (Sywert van Lienden), een schrijfster (Franca Treur), een oprichter van voormalig Niet Nix (Lennart Booij), en een vennoot van bureau Motivaction dat alles weet van de ‘grenzeloze generatie’ (Frits Spangenberg). Redelijk opgeleide mensen. Typerend: iemand vanuit het JOB (de jongeren organisatie beroepsonderwijs, de club die het belang van studenten mbo behartigt) ontbrak. Misschien ging het over hen maar dan wel zonder hen. De aanleiding van het gesprek was al even typerend. Volgens Buitenhof, in de persoon van Clairy Polak, stonden de jongeren behoorlijk op de tocht maar je hoorde ze zo weinig. De prangende vraag: waarom horen we ze niet meer? Het was een recept voor oeverloos geoudehoer, waarbij de man van Motivaction overigens nog wel even probeerde aandacht te vragen voor jongeren die misschien wat achterbleven. Niet dat het hielp. Die tweedeling was niet interessant, interessant was alleen de tweedeling jong/oud. En zo lanceerde Van Lienden zijn plan voor een G500, een groep van 500 jongeren, groot genoeg om met enig beleid de politieke macht in de politieke partijen over te nemen. Niet in een enkele partij, zoals Nieuw Links dat ooit deed, maar in een aantal partijen, partijen waarvan je zonder problemen en zonder al te gekke bekentenissen te hoeven doen lid kon worden. Voor de bestrijding van de lidmaatschapskosten werden donoren gezocht.

Wat er met die macht moest gebeuren kwam niet helemaal uit de verf. Dat merken we dan nog wel. We beleefden de aankondiging van jong en hoogopgeleid Nederland dat de beurt aan jong en hoogopgeleid Nederland was. Of het ze gaat lukken weet ik niet. Dat het de tweedeling tussen laag en hoog opgeleid eerder zal verscherpen dan verzachten lijkt me voor de hand te liggen. Dat krijg je, als je van jong/oud de te bestrijden tweedeling maakt. Je kunt dan leuk met de stroom meevaren. In Buitenhof bijvoorbeeld. Zou het afgesproken werk zijn, de ontboezeming van Brinkman in de ochtend, die van Van Lienden in de vroege middag?

9 april

=0=

 

 

Beroep

Over enkele weken houd ik een praatje voor de staf van de HRM opleiding van de Haagse Hogeschool. De aanleiding is de jaarlijkse onderzoeksdag van de school. Dit jaar staat die in het teken van duurzaamheid. Ik ga het hebben over duurzaam opleiden. Wat dat is weet ik niet. Wel lijkt me een eerste voorwaarde voor duurzaam opleiden dat het contact met het beroepenveld op orde is en daar wil ik het over hebben. Wat gaan de studenten doen die een opleiding HRM achter de kiezen hebben?

Wie de handboeken bekijkt (ik heb er de afgelopen drie decennia aardig wat verzameld) kan maar tot een enkele conclusie komen: het werkterrein van de toekomstige studenten HRM is de grote en complexe formele organisatie. HRM als studievak is een soort toegepaste en gespecialiseerde organisatiekunde. Nu is een organisatie uiteraard niet alleen een bedrijf, het is ook een bedrijf met een werkgeversfunctie en het is opvallend dat in het bijzonder (maar niet exclusief) de werkgeversfunctie steeds meer naar buiten wordt geplaatst (‘outsourcing’). Veel HRM werk wordt niet langer in de organisatie gedaan maar wordt in handen gegeven van, kleinere of grotere, bureaus voor werving en selectie, voor coaching en assessment, voor training en opleiding, voor salarisadministratie, voor detachering, voor adviesvragen, voor consultancy en interim-management. Naar schatting telt Nederland tussen de 25 tot 35 duizend HRM functionarissen, ‘interne’ en ‘externe’ bij elkaar opgeteld (bron: MT/Management Team, november 2009; op de site van NVO2 kom ik het aantal van 70 duizend tegen). ‘Extern’ tellen we alleen al zo’n 2500 werving- en selectiebureaus. Die iets bredere categorie ‘p&o advies’ omvat 3 tot 4000 bureaus. En het aantal adviseurs (van consultants tot en met interimmers) is vrijwel niet te tellen. Nederland heeft, zegt men, na de VS de hoogste adviesdichtheid per hoofd van de bevolking. Schattingen lopen uiteen van 15 tot 200 duizend adviseurs van diverse signatuur. Duizelingwekkende getallen, in dit geval al wat gedateerd (het meetjaar is 2004) maar mijn dank aan Intermediair, waar de getallen en gissingen vandaan komen, is er niet minder groot om. Misschien mogen we concluderen dat minstens de helft van de HRM functionarissen niet ‘intern’ maar ‘extern’ zijn, hun diensten dus aanbieden aan een organisatie waarbij ze niet in dienst zijn?

De meeste van al deze bureaus zijn niet groot. Het zijn onderneminkjes en je vraagt je af of de mensen die er werken niet meer hadden gehad aan een cursus ondernemersvaardigheden dan aan een cursus organisatiecompetenties. Het laatste krijgen ze wel, het eerste krijgen ze niet opgediend. Dat kan beter, roepen we dan opgewekt. En niet alleen dat, de vraag is of dat uitbesteden niet een steeds groter stempel zal zetten op het terrein van HRM. De vraag is of de opleidingen niet bezig zijn met het voorbereiden van de studenten op de oorlog van gisteren. Hoe zou de zaak er over ruwweg vijfentwintig jaar uitzien (ik heb beloofd vijfentwintig jaar terug te kijken en vijfentwintig jaar vooruit)?

Of beloofd, ik had het zelf gesuggereerd en de suggestie werd aanvaard. Het leek me wel aardig om eens vooruit te kijken. Het kan natuurlijk niet echt, trends deugen zelden, maar mogelijk scenario is nooit weg. Als scenario (en daar ga ik me toe beperken want een mens kan niet alles in een uurtje spreektijd) kies ik de mogelijke ontwikkeling dat de arbeidsrelatie steeds meer plaats zal maken voor de opdrachtrelatie, zowel aan de kant van HRM als aan de kant van de arbeidsrelatie algemeen. Al die externe bureaus zijn opdrachtnemers en ze bemiddelen geen werknemers maar andere opdrachtnemers. En wat we zien is dat die opdrachtnemers op zoek zijn naar hun eigen organisatievormen, hun eigen brancheclubs. Op de site van NVO2 (de branchevereniging van HRD-professionals in opleiden en ontwikkelen) vind ik het volgende overzicht (onder de titel: ‘Eén P&O-professie, heel veel beroeps en brancheverenigingen’): ABU, Boaborea, CEDEO, NOBCO, NOBOL, NOBTRA, NOLOC, NRTO, NVO2, NVP, NVvA, OOA, Output, Recruiters United, RPP, Summum, VASMO, Vetron, VNSa. Ik weet niet of het een compleet lijstje is maar daar is het me hier ook niet om te doen. Ik ontleen aan dezelfde site dat deze verzameling verenigingen bij elkaar een slordige 11 duizend leden telt. Elke vereniging is er op uit de kwaliteit van het vak te verbeteren en te bewaken. Het zou niet gek zijn als ze in dat geval niet allemaal het eigen wiel uitvinden en elkaar wat meer zouden opzoeken. Dat zou ook best eens kunnen gebeuren, de NVP en NVO2 (bij elkaar 7500 leden) hebben de eerste stappen op het pad naar samenwerking al gezet. Dat staat niet op zichzelf want ook in het traditionele werknemersland rukt de opdrachtrelatie op. Dat leidt tot soms onverkwikkelijke situaties zoals in de schoonmaakbranche en we weten dat tal van zzp-ers tamelijk stelselmatig het vel over de neus wordt gehaald. Aan de andere kant zien we ook onder zzp-ers op zelforganisatie gerichte initiatieven ontstaan. In het proefschrift van Arjan van den Born (The Drivers of Career Success of the Job-Hopping Professional in the New Networked Economy; Utrecht, Born To Grow 2009: 245-268 en passim) vinden we er voorbeelden van en de auteur gaat bovendien in op de gevolgen voor HRM. In het mooie themanummer over het verschijnsel zzp van het Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken (2011/3) treffen we een artikel (‘Bundeling van kracht, of gezamenlijk op jacht?’) aan over het zich onderling organiseren van zzp-ers, over hun netwerken en het succes daarvan (: 325-344). Een vorm die dat kan aannemen is die van de coöperatie (FD, 24 maart 2012: 36-37). De Rabobank staat er klaar voor begrijp ik uit het FD. De coöperatie: terug van weggeweest. Het arbeidsaanbod wordt dienstenaanbod, het dienstaanbod groepeert zich in beroeps- en brancheverenigingen. De nieuwe vakbeweging (gericht op beroepsvoorwaarden, als onderscheiden van arbeidsvoorwaarden) en het nieuwe HRM (gericht op contacteren en contracteren, als onderscheiden van in-, door- en uitstroom) kunnen zo aan de slag. Nu nog wachten op de nieuwe leerboeken. Zo’n praatje, het schrijft zich – om het enigszins paradoxaal te zeggen – eigenlijk vanzelf.

7 april

=0=  

 

 

Prestige

In de regel is een stageovereenkomst geen arbeidsovereenkomst en telt dus ook niet als ‘werk’. Wie vanuit een schoolopleiding een stage loopt is bezig met het volgen van onderwijs. Ja, zegt de PVV, maar een illegaal die onderwijs volgt komt toch niet aan het werk en daarom is het lopen van een stage onzin. In het regeerakkoord is het stagelopen van illegalen die onderwijs volgen verboden. Minister Kamp houdt zich eraan, zegt dat een stage ‘werk’ is en werk mag niet. Dus moet Amsterdam, dat stageplaatsen aanbiedt, rekening houden met boetes, zowel voor de school van waaruit de stage plaatsvindt als voor de gemeente die de stagefaciliteiten aanbiedt. Er is al een fonds (het Stoutfonds) dat de boetes zal betalen. De arm van de PVV reikt ver, en Kamp buigt als een knipmes. Het prestige van het regeerakkoord staat op het spel en als een moderne liberaal iets kan verbieden slaat diens hart sneller. Heerlijk. Een beetje liberaal tegenwoordig zegt nee, en laat het daarbij. Wilders is de barometer van het huidige VVD-liberalisme.

Mijn hoop is dat de gemeente Amsterdam als de wiedeweerga een proefproces tegen de Staat gaat aanspannen. Inzet: de omschrijving van onderwijs en de plaats van een stage daarin. Indien het voor een diploma noodzakelijk is een stage te lopen dan moet het een minister verboden worden eenzijdig de definitie van onderwijs aan te passen om een passage in een regeerakkoord ter wille te zijn. Als Kamp een wetswijziging wel – stages zijn werk en geen onderwijs – dan moet hij de politieke moed hebben een voorstel ter zake in te dienen en te verdedigen. Die moed heeft de man niet. Die moed heeft ook de VVD niet en de PVV heeft z’n eigen wetten en heeft met de rest niets te maken. De CDA-fractie heeft vorig jaar in de Kamer een meerderheid gevonden om die stages voor illegale jongeren wel in de lucht te houden. De minister heeft daar niets mee te maken. Behalve een proefproces zou de minister ook een motie van afkeuring aan z’n broek moeten krijgen. De Kamer zou moeten uitspreken dat elke minister die eenzijdig de omschrijving van onderwijs herschrijft elke dag dat hij dat blijft volhouden een maandsalaris boete moet krijgen. Eens kijken hoeveel Kamp zijn eigen prestige waard acht.

5 april

=0=

 


Mes

Als je het mes in het ontslagrecht zet, is dat slecht voor de innovatie. Dat schrijft Alfred Kleinknecht in de Volkskrant, gisteren. Boven zijn artikel een vermakelijke cartoon van Jos Collignon: Pechtold, Samsom en Roemer, met lange baarden van het eindeloze wachten op het verlossende telefoontje. Zij willen best innoveren maar ze kunnen het pas als het zittende kabinet plaats heeft gemaakt. Ze wachten. Ze zouden ook wat kunnen gaan doen. Iets innovatiefs bijvoorbeeld. Het komt er niet van. Zouden ze met ontslag worden bedreigd?

Werknemers tonen meer durf als ze ontslagbescherming genieten. Durf om te experimenteren en een vergissing te begaan, durf om hun kennis en ervaringen te delen, durf om kritiek te hebben en te uiten. Bovendien, ontslagbescherming vergroot de loyaliteit aan het bedrijf; werknemers zullen niet bij de eerste de beste gelegenheid elders gaan buurten, met uiteraard medeneming van hun praktijkkennis. Mobiliteit is nuttig, maar wel met mate. Daarom, we moeten onze beschermde insiders koesteren en de voordelen die ze genieten maar bezien als een correcte weergave van hun verdiencapaciteit, afgemeten aan ‘hun geaccumuleerde bedrijfsspecifieke ervaringskennis’. Hoge lonen en goudgerande regelingen kunnen goed zijn voor de productiviteit en de innovatie.

Kleinknecht bespreekt het ‘routinematige’ innovatiemodel. Routines bouw je op; als je geen tijd krijgt om ze op te bouwen zijn er geen routines en met een routinematige innovatie gaat het dan ook niet lukken. Dat spreekt vanzelf zou je zeggen. Of het zo werkt weet je niet, maar als je het zo definieert is er speld noch innovatie tussen te krijgen. Zou een uitzendkracht met de hoop op een contractverlenging een vindinkje onder de pet houden? En waar komen toch die hardnekkige verhalen vandaan dat beginnende wetenschappers zich een slag in de rondte werken en de wetenschappers met ‘tenure’ het zich bij gelegenheid permitteren het rustiger aan te doen?

Wat daar ook van zij, de interessantere vraag is die naar de relatie tussen het routinematige innovatiemodel en het ondernemende innovatiemodel. Bevordert het eerste het tweede, belemmeren ze elkaar, hebben ze niets met elkaar te maken? Het eerste heeft meer met de geduldige opbouw van bedrijfsspecifieke kennis van doen, het tweede minder. Of het tweede, zoals Kleinknecht in een vroegere publicatie suggereerde, eerder het product van wetenschappelijke dan van ervaringskennis is valt nog te bezien. Het hangt er erg vanaf op welk punt je in de ontwikkeling van idee tot en met op de markt gebrachte vernieuwing zit en het hangt uiteraard ook sterk af van welk product, met welke omgevingsgevolgen, je spreekt. Hoeveel ‘wetenschappelijke’ kennis zit in de TomTom?

Ruwweg is het contrast tussen de modellen gelijkluidend aan het contrast tussen proces- en productinnovatie. Kleinknecht laat het ondernemende model weg in zijn Volkskrant artikel van gisteren. Waarom? Past het ondernemende model niet in zijn stelling over het ontslagrecht? Heeft het er misschien niets mee te maken? Ontkracht een dergelijke omissie niet de teneur van zijn artikel? Ik kan het niet goed beoordelen maar op z’n minst twijfel ik.

Dat komt ook nog door wat anders. Kleinknecht beschrijft de voordelen van wat bekend staat als de ‘interne arbeidsmarkt’. Nu gaat het me er niet om dat aan die interne arbeidsmarkt steeds meer geknaagd wordt (het gezever over het ontslagrecht komt per slot niet nergens vandaan), het gaat me erom dat je behalve aan een dergelijke bedrijfsgebonden en meer of minder bedrijfsspecifieke markt je je hart ook kunt verpanden aan een professie, een beroep, een ambacht, en aan de gemeenschappen die daar bij horen. Dergelijke gemeenschappen en de activiteiten die ze organiseren, keuren en kanaliseren, zijn breder dan een bedrijf en je kunt je meer loyaal aan hen voelen dan aan een bedrijf. En is niet ook de zelfgekozen mobiliteit binnen die gemeenschappen hoger dan in de interne arbeidsmarkten zonder dat dat afbreuk doet aan, en misschien wel bevorderlijk is voor, kwaliteit en innovatie? Het zou zomaar kunnen dat ook Kleinknecht zelf zich eerder verplicht voelt aan de discipline van de economie, de beroepsgroep van de professionele economen en aan de canons van het wetenschappelijke onderzoek en de wetenschappelijke onderzoeksgemeenschappen dan aan, zeg, de Technische Universiteit Delft. Het zou niet alleen kunnen, het ligt zelfs voor de hand en als het niet voor de hand ligt is er iets ernstig fout gegaan.

Ook gisteren viel het nieuwe (2012/3) van Socialisme & Democratie in de bus. Daarin een artikel van de hand van Kleinknecht (samen met Naastepad en Storm), met als titel Het nut van ontslagbescherming. Het is een voornamelijk macro-economisch artikel, met als strekking dat hoe flexibeler de arbeidsmarkt, hoe lager de productiviteit in een economie. Op mesoniveau treffen we alleen een aantal opmerkingen aan over de ICT-sector, de sector die vanaf 1995 in de VS een forse productiviteitsgroei vertoont, terwijl diezelfde groei in Europa achterblijft. Dat komt, zeggen Kleinknecht cs, door de omstandigheid dat in die sector veel minder met langjarig opgebouwde kennis wordt gewerkt. Wel met flexibele arbeidsverhoudingen natuurlijk.

Tja. Apple is ondertussen het grootste bedrijf ter wereld. Het zal er wel niet toe doen. Ik ben het met Kleinknecht eens dat de discussie over het ontslagrecht de foute discussie is. Het wordt even snel uitgehold als de interne arbeidsmarkt die er de bedrijfseconomische grondslag voor vormde. De mensen werden niet beschermd door het ontslagrecht, ze werden beschermd door de interne markt. We kunnen ons daarom beter de vraag stellen welk type bescherming een werknemer nodig heeft en kan opbouwen los van het bedrijf, in plaats van te proberen de gaten in de steeds poreuzere muren van het bedrijfsgebouw te dichten. Los van het bedrijf: ik denk aan een sociale zekerheid in handen van de mensen wier sociale zekerheid het is. En ik denk aan een vakbond die doet wat de naam belooft: het organiseren van het arbeidsaanbod, te beginnen met het arbeidsaanbod dat door het verdwijnen van de interne arbeidsmarkt op drift is geraakt. Dan, met een heroverde sociale zekerheid en een nieuwe organisatie van het arbeidsaanbod, snijdt het mes aan twee kanten.

4 april

=0=

 


PFO

Een jaar of twintig geleden las ik een boekje over Permanently Failing Organizations (Marshall Meyer en Lynn Zucker, Newbury Park, Sage 1989), permanent falende organisaties. Er was ongeveer in dezelfde tijd ook een Nederlands boekje over dat onderwerp – ik kan het niet meer vinden. Wat was nu dat falen? Het falen ging over onderpresteren, minder resultaat boeken dan de concurrentie en daar toch genoegen mee kunnen nemen. Bij een beursnotering komt een bedrijf daar niet mee weg, zegt de theorie, maar behalve aandeelhouders heb je nog veel meer belanghebbenden bij een bedrijf. Een gemeente bijvoorbeeld, een vakbond, toeleveranciers. En een ondernemer met oog voor zulke belangen. Onderpresteren is heel wat anders dan verlies maken. Een PFO kan beter, maar niet in de gegeven verhoudingen.

Aan de variant dat een onderneming onder de maat van de markt presteert als gevolg van de inhaligheid van bestuurders en commissarissen hadden Meyer en Zucker nog niet gedacht. Ik denk ook dat zij dat niet onder de noemer van de falende organisatie zouden hebben geschaard maar onder die van de permanent falende markten. Uit de kranten van vandaag pik ik op dat een fors aantal beursgenoteerde Nederlandse ondernemingen het niet zo goed doet en ze doen het niet goed omdat de leden van de raden van commissarissen zichzelf vorstelijke beloningen toedichten en in al hun gulheid ook de topbestuurders van de onderneming in de onverdiende rijkdom laten meedelen. Het is onderzocht door de Tilburgse hoogleraar management accounting Eddy Cardinaels. Hij gebruikte een verblijdend eenvoudig onderzoeksmodel, waarin de commissaris geheel uit de pas loopt, de bestuurder wordt afgekocht en het bedrijf de klos is. Dit is de onderzoekslijn geweest:
f1ec

De opzet is getoetst met 162 waarnemingen voor 81 bedrijven. En ziet: het model klopt. Dat is dan ook het enige dat klopt. De namen van de bedrijven zijn niet bekend gemaakt. Dat is ook helemaal niet erg, op voorwaarde dan dat de markt zou reageren zoals de markt wordt verondersteld te reageren.

Dat is niet gebeurd. In dit geval hebben we onderpresterende ondernemingen, vergezeld door permanent falende markten.

3 april

=0=

 


Golfje

Het is weer even terug van weggeweest. Het Nieuwe Werken (HNW), bedoel ik. Een golfje verse aandacht. Waarom? Ik weet het niet. Afgelopen weekend trof ik in het FD (‘ Het nieuwe werken werkt niet voor iedereen’) en in Trouw (‘Terug naar kantoor; thuiswerken is ook niet alles’, opgenomen in een, nieuwe, bijlage tijd) artikelen over HNW. Misschien dat de aanleiding een recent verdedigd proefschrift A structured approach to need for structure at work (van de hand van Marjette Slijkhuis) over HNW is geweest. Beide kranten refereren eraan, beide merken op dat het proefschrift bewijst dat HNW niet de toverformule is waar iedereen gelukkig van wordt. Sommigen hebben liever een opdracht, een meekijkende chef en een heldere structuur die hen vertelt waar ze wel en niet voor verantwoordelijk zijn. Tja, het zal wel, denk ik dan, met toch weer dat licht geïrriteerde gevoel dat het nu toch eindelijk wel eens afgelopen mag zijn met die suggestie dat een alleen een verandering waar de mensen op zitten te wachten een goede verandering is, of een verandering die beklijft. Nooit gehoord dat alles went? Bovendien, het inzicht dat je ook onder jongeren (misschien wel meer onder jongeren dan onder ouderen, suggereert het FD in navolging van Slijkhuis – ouderen kennen hun grenzen beter en hebben er mee leren omgaan) ‘structuurzoekers’ aantreft voor wie HNW geen zegen is, was al eerder opgeschreven, en wel in het boek De grenzeloze generatie en de onstuitbare opmars van de B.V. IK (Frits Spangenberg en Martijn Lampert, Amsterdam, Uitgeverij Nieuw Amsterdam 2011). Een raar onderzoek waarvan in dat boek verslag werd gedaan, dat wel, maar de structuurconclusie hadden ook zij al getrokken. Het zou pas echt verbazen als die conclusie was ontkend. En misschien is het onderzoek van Slijkhuis wel veel beter. Ik zal in elk geval proberen het proefschrift op de kop te tikken.

Ik geef toe dat enige relativering van HNW welkom is. Het wordt ook een beetje vermoeiend om weer te lezen dat thuiswerken en HNW niet hetzelfde zijn. Er is toch niemand die een garnalenpeller, zelfs een garnalenpeller die elk uur de opdrachtgever per mail op de hoogste stelt van de bereikte productie, van HNW zal betichten? Het schiet ook niet op te vernemen dat niet elke werksoort zich even goed voor HNW leent, of dat het nuttig kan zijn mensen in elkaars aanwezigheid te spreken in plaats van te bellen en mailen, en ook kennen we zo langzamerhand de gevaren wel dat de grens tussen werk en privé eerder in het voordeel van het werk dan in het voordeel van privé verschuift. Ik hou daar steeds meer de indruk aan over dat het toch om je altijd beschikbare, zij het niet onbedreigde, plekje thuis gaat en dat andere werkplekken buiten het kantoor een beetje helpen en toch weer niet genoeg beschikbaar zijn om het echt te compenseren. Dan maar weer het kantoor? Nog even en HNW gaat niet meer over het werk maar over de plek van de werkplek. Dat is wat ik ervan overhoud.

Jammer eigenlijk. Je zou ook een heel andere definitie van HNW kunnen bedenken, een definitie waarin niet het tijd- en plaatsongebonden werken de eerste viool speelt maar de mogelijkheden om met behulp van ICT het contact met collega’s, toeleveranciers en afnemers in ere te herstellen. HNW als nieuw vakmanschap dus. Het hoeft niet, het kan. Ik hoop dat een toekomstig golfje aandacht voor HNW eens die kant op zal spoelen.

2 april

=0=

 

 

Plaats

Politiek is de strijd om de plaats waarin je woont, werkt en denkt. Dat zegt Simon Critchley, in Vrij Nederland van deze week. Critchley is een zich als anarchist afficherende filosoof met een omschrijving van anarchisme die even interessant is als zijn omschrijving van politiek. Het is, zegt hij, een misverstand te denken dat anarchisme chaos betekent. ‘Anarchisme is juist geobsedeerd door organisatie, alleen denkt het dat de conventionele staat niet de juiste ordening is’. De juiste ordening verwacht hij eerder van regio’s en steden. Dat zijn voor hem de bouwstenen voor een federaal Europa. In hetzelfde nummer van VN houdt Willem Schinkel een pleidooi voor de natiestaat. Uit zijn uitleg valt op te maken dat ook hij daarbij eerder aan regio’s dan aan landsgrenzen denkt, regio’s waarin productie en consumptie dichter bij elkaar liggen dan tegenwoordig.

Strijd om de plaats. Aan dat wonen, werken en denken zou je nog ‘zijn’ moeten toevoegen. Techniekfilosoof Peter-Paul Verbeek steekt in dezelfde VN zijn bekende pleidooi af om de scheiding van mensen en dingen, van mens en technologie op te geven. Die scheiding was er nooit, is er ook nu niet en zolang we ons denken erdoor laten bepalen verzetten we ons tegen onszelf. Over niet al te lange tijd zijn we in staat vrijwel alles wat aan mensen kapot is te beter maken en wat niet kapot is te verbeteren, van hersencapaciteit tot en met zenuwstelsel, spierweefsel en botten en beenderen. Het is het bestaan als laboratoriumexperiment: het bestaan is geen aanpassing van het organisme aan de omgeving, het is precies omgekeerd. ‘Hier passen we de omgeving aan het organisme aan’. Fascinerend. En mocht het allemaal niet direct lukken dan, zo lees ik in de kranten vandaag, heeft Google al een zelfrijdend autootje voor je zodat je mobiel kunt blijven, ook als je blind bent. Dat heeft gevolgen. Politiek is meer dan de strijd om de plaats waar je bent en wat je daar doet onder welke omstandigheden. Politiek is de strijd om de plaats van wie je bent.

Dat is pas een uitdaging.

31 maart

=0=

 


Verslag

Een verslaggever op de radio, vanochtend rond kwart voor acht. Hij meldt dat het kabinet het eens schijnt te zijn over een miljard minder ontwikkelingshulp. Dat is ruwweg een kwart van het totaal. De verslaggever meldt dat dit gezien mag worden als een offer van het CDA en dat het nu de tijd is dat de PVV gaat offeren. En dan volgt het bekende rijtje van woning, werk en zorg. Het gewone leven, want daar moet het vandaan komen. Denk ik dan, maar dat denkt de verslaggever niet. Die denkt dat het van de PVV moet komen. De PVV moet ‘inleveren’. Ik herinner me Balkende die bezwoer dat de hypotheekrente bij het CDA heilig was, die van Rutte ook een spijkerharde garantie wilde en als antwoord kreeg dat de VVD zich altijd aan z’n afspraken hield. Eed en afspraak worden ingeleverd maar dat telt in de verslaggeverlogica niet want CDA en VVD leveren niet in, de PVV levert in. Wie de grootste bek heeft levert in, de anderen leveren niet in. Zij beroepen zich op de omstandigheden en roepen ferm dat niets nog taboe is. Met uitzondering van de koopzondag misschien maar dat merken we dan nog wel.

Met ons gaat het goed maar met de wereld niet, meldt het SCP in een periodieke rapportage Burgerperspectieven. Of het met ons beter gaat dan met de wereld weten we helemaal niet maar we denken het en dan is het zo. Het is een redenering die onze verslaggever wel zal bevallen. Meer nog, hij heeft er onvermoeibaar aan meegewerkt. Zo’n rapportage is voornamelijk een kwaliteitscontrole op de media. Even kijken of de burger al door heeft dat het speelkwartier nu echt voorbij en we nu overgaan op de serieuze zaken des levens. Het rapport brengt verslag uit over het realisme van de burger, en omdat het realisme van de burger een media-effect is kunnen de media per rapportage nagaan of ze het goed gedaan hebben. Of de mensen een beetje geloof hechten aan de boodschappen die ze elke dag opnieuw zo gul over zich uitgestort krijgen.

Wilders twittert dat de oppositie in een moeilijke fase zit. Meer niet. Het wordt in elk medium eindeloos herhaald. Het is voorpaginanieuws. Van de tweet word ik niet somber. Van de media, van het verslag der media, des te meer.

30 maart

=0=

 


Rating

Z24 introduceert de Rutte Rente Rating. Die meet het recente (gerekend vanaf het begin van de gedoogcoalitie) verschil tussen wat Nederland respectievelijk Duitsland aan rente betalen op een staatsobligatie. Meestal betaalt Nederland 0.3% meer, nu is dat opgelopen tot 0.6%. De RRR staat daarom op 0.3%. Het is de prijs van de gedoogcoalitie, stelt Z24.

Ik vind dat aardig. Er klopt natuurlijk geen hout van en toch is het een leuke stok om de coalitie mee te slaan. Maar dat is dan ook het enige. Het geeft de onaangenaam opgeblazen taal en pretenties van De Jager en Rutte een afdroger die ze dubbel en dwars hebben verdiend. Mooi. Maar de redenen voor de verslechterende notering zullen toch echt gezocht moeten worden in de luchtbel van de waarde van het onroerend goed. Wat dat betreft lijken we, inderdaad, meer op de VS en op Spanje dan op Duitsland.

Structurele hervormingen, iedereen roept erom. Het zijn de tijden om te incasseren van wat je toch al nodig vond. Maar Europees gezien staat Nederland er met z’n pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar helemaal niet raar bij. De ondraaglijke last van de AOW uitkeringen is voorlopig nog een aardig verzonnen verhaal, maar zal niemand op welke financiële markt dan ook zorgen baren. Hetzelfde geldt voor de zorgkosten. Hetzelfde geldt niet voor de hypotheekschulden die Nederland meesleept. Die beïnvloeden de notering en dat is de laatste maanden steeds duidelijker in diverse gremia naar buiten gebracht. Geen wonder, want de verbinding van het vastgoed met de bancaire sector is evident, even evident als de onwil van de regering daar iets aan te veranderen.

Ik las dat De Jager voornemens is een ‘onafhankelijke commissie’ te laten kijken naar de mogelijkheden iets in die sector bij te regelen. Nee maar! Nu reeds!

Tot een structurele hervorming zal het voorlopig niet leiden. Geen wonder, wanneer politici over structurele hervormingen palaveren bedoelen ze wat ze bij burgers nog kunnen ophalen. Meer niet.

29 maart

=0=


Selecteren

Soms moet ik een identiteitspapier laten zien. Niet vaak, maar het komt voor. Als je een ministerie in wilt bijvoorbeeld, of de Tweede Kamer, of een vliegtuig. Je kunt er de redelijkheid van inzien en je toch ongemakkelijk voelen. Ik zie er soms de redelijkheid van in en voel me altijd ongemakkelijk. Een schuldig gemoed, dat zal het zijn.

Het zal nog veel confronterender zijn als om je papieren wordt gevraagd wanneer je op straat loopt of in de trein zit. En het lijkt me onverdraaglijk als het je overkomt omdat je er anders uit ziet. Als op haarlengte wordt geselecteerd op of een hoofddoekje of op je huidskleur. We weten dat het gebeurt – Rutte vond destijds dat je Somaliërs mocht aanhouden omdat dat toch lastpakken waren – maar een stevige juridische basis heeft het niet. Behalve, zo lees ik, in Duitsland, meer precies in Koblenz. Daar heeft een rechter het goed gevonden dat mensen die er ‘buitenlands’ uitzien op bepaalde treintrajecten (waar illegalen een voorkeur voor ontwikkeld schijnen te hebben) mogen worden gecontroleerd omdat ze er anders uitzien. Dat is voldoende reden voor verdenking. Ik vraag me dan altijd af of de ondernemer in mensenhandel die zulke treinen misschien ook frequenteert om zijn handel in de gaten te houden en die er niet ‘buitenlands’ uitziet in de controle wordt meegenomen maar kennelijk is dat niet het geval.

Het is vernederend en het is een illustratie van de trend om zonder verdenking mensen te verdenken omdat ze slecht passen in het wereldbeeld van de controlerende functionaris. Het is een premie op vooroordeel en een belediging voor een rechtsstelsel dat alleen het recht kan dienen als het kleurenblind is. Wij kennen dit type overtredingen maar al te goed. Wij fouilleren mensen en houden mensen aan op grond van hun uiterlijk – omdat we daar weinig goeds van verwachten. Vervolgens constateren we dat ze te vaak in de criminele statistiek opduiken.

De volgende dag vragen we ons af waarom het zo moeilijk is om mensen in te passen in het dagelijks leven van iedereen. Misschien zouden we dat, eerlijkheidshalve, maar niet meer moeten doen.

28 maart

=0=

 


Inzet

Maar uiteindelijk hangt het van de individuele inzet van de werknemer af. Zei minister Kamp op een congres over duurzame inzetbaarheid. Werkgevers en overheid kunnen helpen maar in 2020 werkt en leert elke werknemer – gegeven diens inzet. Zo niet, dan niet, maar dan is het ook je eigen schuld. Opmerkelijk, voor de vakbonden was geen plaats in dit verhaal. Die zijn er, in de visie van de minister, misschien om de werknemer te disciplineren, niet om eisen te stellen aan de condities waaronder ze kunnen worden ingezet. De Nieuwe Vakbeweging wacht nog een zware taak, en de minister zit er niet op te wachten.

De minister is door de Kamer verzocht voor het einde van deze maand – dat wordt nog opschieten – met een visie te komen op de toekomst van de SER. In de Kamer bestaat daar enige ongerustheid over, over die toekomst. Ook weer niet te veel, zou ik denken, want anders hadden ze de minister wel iets meer tijd gegund of, nog beter, anders had de minister erop gewezen dat hij voor een doortimmerde vise meer tijd nodig zou hebben. De termijn geeft de ernst aan die kamer en minister eraan toekennen. Inmiddels wordt het braakliggende terrein door de werkgevers in bezit genomen. Afgelopen zondag konden we Wientjes beluisteren die een heel pakket voor het kabinet in de aanbieding had – namens de werkgevers. De SER is niet gevraagd om een advies over de Wet Werken Naar Vermogen (enkele weken terug zei Rinnooy Kan nog dat de SER dat graag had gedaan) maar Wientjes had ook daar wel een oplossing voor. Geef ons de nullijn en wij bieden nog wat bescherming aan de mensen die binnenkort met de nieuwe wet niet meer beschermd worden, zei hij. En van de hypotheekrente moet het kabinet ook afblijven. De bouw heeft het al moeilijk genoeg. Verkiezingen hebben we niet nodig, dat zou ons de Triple A status kunnen kosten en daarom wordt ook bij ons de politiek ondergeschikt verklaard aan de luimen van de financiële markten. Dat weten we dan ook weer.

Ja, de SER. Afgelopen vrijdag bezocht ik een bijeenkomst in De Burcht, belegd door kwartiermakers van de nieuwe vakbeweging. Op een gegeven moment werd gevraagd wie vond dat de SER moest blijven en wie vond dat de SER zichzelf had overleefd. De grote meerderheid was voor het voortbestaan van de SER. Ik moet bekennen, ik stemde noch voor, noch tegen. Meer smaken waren er niet dus uiteindelijk heb ik geen stem uitgebracht.

Als ik de recente uitspraken van de minister over duurzame inzetbaarheid in verband breng met het verzoek van de Kamer een visie op de SER te ontvouwen dan vermoed ik dat de minister iets gaat opschrijven ten gunste van het vooral laten voortbestaan van de SER. Een breed gezelschap dat diep doordrongen is van nut en noodzaak van een ‘beheerste loonontwikkeling’ is nooit weg en voor het overige hoef je er geen advies aan te vragen als je daar even geen zin in hebt. Het zal anders zijn opgeschreven maar ik vermoed dat het daar op gaat neerkomen. Aan de inzet van de minister hoeven we niet te twijfelen.

27 maart

=0=


Scanproof

Er is een hersenscan die negen van de tien pedofielen identificeert. Aldus Victor Lamme, in NRC Next van 23 maart. Zijn advies: kondig bij vacatures in bijvoorbeeld de kinderopvang, het zwembad, de school, de kerk aan dat van elke kandidaat altijd zo’n scan wordt gemaakt en de pedofielen zullen niet eens meer solliciteren. Ik neem aan dat Lamme hetzelfde wil bij de vele vrijwilligers. En bij externe ingehuurde krachten voor bijvoorbeeld de administratie of het onderhoud. En voor volwassenen die zo graag behalve hun eigen kind ook wat vriendjes of vriendinnetjes meenemen van het schoolplein.

Afgelopen zaterdag ging Bert Keizer in zijn wekelijkse column in Trouw in op de column van Lamme. Zijn kernbezwaar is de twijfel over het voorspellende vermogen van de scan aan de ene kant, en aan de andere kant over wat de test nu eigenlijk meet.
In de test die Lamme citeert ben je seksueel gezond als je seksuele belangstelling hebt voor volwassen mannen of vrouwen. Niet voor kinderen, hoewel het niet altijd eenvoudig is om het kind van de volwassene te onderscheiden. Zou in de test voldoende rekening zijn gehouden met, zeg, 16-jarigen die er wat ouder uitzien? Zijn de deelnemers aan de test een beetje fatsoenlijk gescreend op hun vermogen leeftijden van anderen goed in te schatten? Maar goed, laten we aannemen dat daar een mouw aan kan worden gepast. Dan krijgen we pas de echt interessante kwestie. Die zit in de veronderstelling dat mensen die seksueel gezond zijn zich kunnen beheersen, en pedofielen niet. Elke pedofiel is een latente pedoseksueel en daarom moet je pedofielen de kans (de omgeving, de omstandigheden, het werk) niet geven zich als pedoseksueel te manifesteren. De scan weert niet de pedoseksueel, de scan weert de pedofiel. Het woord ‘gezond’ komt niet nergens vandaan. Een pedofiel is ziek, een pedoseksueel is ernstig ziek. Daar zit het eerste bezwaar van Keizer: de scan toont geen toekomstig gedrag maar wordt in de aanbeveling van Lamme wel zo benut.

Het tweede bezwaar tikt meer aan. Dat is de vraag naar wat de scan meet en dat hangt af van de manier waarop, zo schrijft Keizer, de scan ‘geijkt’ is. Is er een ‘gemiddelde’ pedofiel? Hoe weet je dat de reactie van iemand die naar kinderplaatjes kijkt schaamte is, of woede, de schaamte en de woede die een pedofiel kan delen met de ‘gezonde’ man of vrouw? In de test waar Lamme zich op baseerde deden mannen mee die al als pedofiel waren herkend en geboekstaafd. Hoe zouden de resultaten luiden als je een heel andere en willekeurig samengestelde testpopulatie had gekozen?  

De test veronderstelt wat bewezen moet worden, zo lees ik Bert Keizer. Zijn positie is dat je niet van de registratie van gevoelens dan wel emoties kunt overstappen op de voorspelling van gedrag, noch dat gevoelens en emoties contextvrij kunnen worden gelezen. Hetzelfde gaat op voor gedachten. Dat is twee keer helemaal waar. Een scan – van onze hersenen, of van onze economie – registreert. Wat dat inhoudt volgt niet uit de scan. Dan begint het werk pas.

Het zou mooi zijn als ook economische modellenbouwers – en de politici die selectief winkelen met die modellen - die menen onze preferenties te kennen en die een op een vertalen in onze gedragingen, zouden stilstaan bij de twijfels van Bert Keizer.

26 maart

=0= 

 

 

Onderwijsvrijheid

Op de radio hoor ik dat de SGP vandaag in prima stemming bij elkaar komt. Het gaat ze voor de wind en met het verraad van Brinkman in de tas wordt de buitentemperatuur weer wat aangenamer. Een optimaal klimaat is het nog niet, dan dient ook de kou uit de lucht genomen te worden van (in volgorde van belangrijkheid) de abortus- en euthanasiewetgeving, van de aanvallen op de vrijheid van onderwijs en, natuurlijk, van de koopzondagen. De gedoogambtenaren (dat zijn ambtenaren die alleen zichzelf gedogen) kwamen niet op het lijstje voor, maar dat kan ook aan mijn informatievoorziening liggen. Of de mannenbroeders menen dat punt al gescoord te hebben. Het blijkt uit het verslag over een enquête van het Nederlands Dagblad die onder het SGP kader is gehouden. Of de heren en dame in het Catshuis er maar rekening mee willen houden. Het commentaar van Kluveld en Spruyt op het wensenpakketje heb ik nog niet gelezen maar dat hoeft ook niet. Linksom of rechtsom weten ze elkaar en de SGP toch wel te vinden, net als onze premier overigens.

We mogen aannemen dat met betrekking tot abortus en euthanasie en tot de koopzondagen dit kabinet gewoon niet zal bewegen. Het is het liberalisme van de stilstand, de toevoeging van Rutte aan het liberale gedachtegoed. Wie weet horen we in de toekomst de strategie van de premier: plus c'est la même chose, plus ça change. Dat het niet werkte kon hij ook niet helpen. Een strategie is ook maar een hulpmiddel en de wereld is zo onvoorspelbaar dat je een strategie nodig hebt en er toch niet op kunt bouwen.

De SGP maakt zich zorgen over de vrijheid van het personeelsbeleid in het bijzonder onderwijs. Met artikel 1 van de Grondwet in onze hand kunnen hun gereformeerde scholen elke keer last krijgen. Je weert een homo in naam van de vrijheid jouw vrijheid uit te besteden aan de Heer en je wordt gekapitteld in naam van de vrijheid van een lullig artikeltje in de Grondwet. Dat wringt. Ik heb daar op zichzelf helemaal niet zo’n moeite mee. In een maatschappij met pluriforme waarden wringen tal van dingen en het zou pas linke soep zijn als het niet zou wringen. Daar hebben we rechters voor. De SGP wil dat het niet wringt, in elk geval niet op dit punt. Jullie rechter is onze Rechter niet, zeggen ze in die kringen. Kan het kabinet dat even regelen?

De premier heeft kort geleden z’n liberale hart al eens uitgestort met ontboezemingen over z’n religieuze, hoe zeg je dat, z’n religieuze inborst. Dan moet een eigen personeelsbeleid daar maar in worden meegenomen. Voor wat hoort wat lees ik in de Telegraaf die het berichtje over de wensen van de SGP direct op hun site zette. Zo is het maar net.

24 maart

=0=

 


Een man van eer

Soms zeggen we dat iemand van onbesproken gedrag een ‘man van eer’ is. Onkreukbaarheid wil er ook wel eens bij horen. En zichtbaarheid, zonder zichtbaarheid gaat het niet. Je moet gezien worden. Je mag je niet verstoppen. Iemand die een glas te veel op heeft en wordt aangehouden is z’n eer niet per se kwijt (je zou het een grensgeval kunnen noemen), maar als diezelfde persoon de lichten van z’n auto dooft en probeert aan aanhouding te ontsnappen – dan is dat oneervol. Als die persoon ook nog een politieagent is telt de kwalificatie dubbel.

Hero Brinkman. Een man van eer. Een vuilbekkende, lezingen verbiedende, mensen en hele bevolkingen (de Antillen) verdacht makende charlatan met een fijne neus voor publiciteit. Een man van eer. Dat lees ik bij Meindert Fennema, gisteren in Trouw (Brinkman legt loopbrug van PVV naar VVD). Waarom, ‘man van eer’? Nu, dat komt omdat iemand van de PVV de vertrouwelijke mail van Brinkman waarin deze afstand nam van het meldpunt Oost Europeanen had laten lekken. Iemand. Geen man van eer. Een man van eer lekt niet. Brinkman had de mail geschreven om er een agendapunt voor een fractievergadering van te maken. Wilders stelde voor de mail voor kennisgeving aan te nemen (we hebben nu wel wat anders te doen was zo ongeveer zijn motief om een debat erover uit te stellen), de ‘voorbewerkte’ fractie minus Brinkman vond dat ook en Brinkman verliet de PVV. Hij, ‘een man van eer’, kon niet anders volgens Fennema.

Wat deze man van eer allemaal kan zullen we nog wel zien. Wat hij niet kan weten we nu. Hij kan niet wachten op de volgende verkiezingen want dan zou hij vermoedelijk of helemaal niet of op een onverkiesbare plek op de lijst van de PVV terecht kunnen komen. Dus heeft hij, als man van eer, eieren voor zijn geld gekozen. Nooit geschoten is altijd mis en deze gok lijkt veelbelovender dan het wachten op de bijltjesdag bij de PVV. Het kan best zijn dat hij zich, net als de voortreffelijke Fred Teeven, wil inlikken bij de VVD. Lukt het niet me je eigen clubje dan is daar altijd de VVD nog. Op zulke liberalen kan de VVD rekenen – hoeveel keus heeft de VVD op de korte termijn? – en voor wat hoort wat. Je ziet het Brinkman denken. De man gaat niet over een loopbrug, de man zit op de wip.

Het enige beeld van Fennema dat me wel bevalt is het beeld van Rutte. Rutte is ‘de lachende derde’. Dat zal dan wel de grijns van een boer met kiespijn zijn.   

23 maart

=0=

 


Proefschrift

Gisteren promoveerde mr. Corrie van Esch op het proefschrift Gedragskundig Onderzoek in Strafzaken (Universiteit Leiden). Van dat onderzoek heeft ze geen hoge pet op. Zo wil de relatie tussen gedragsprobleem en misdaad nog wel eens ontbreken en wordt niet onderzocht of een stoornis tot bepaald gedrag zal leiden maar eerder omgekeerd: of het gedrag achteraf verklaard kan worden uit een stoornis. Ook maakt het uit of het onderzoek monodisciplinair dan wel multidisicplinair is opgezet en uitgevoerd. Er worden nogal eens onderzoekers benoemd omdat de dienstdoende officier van justitie dat wel nuttig lijkt.

Van de juridische inkleding van de beslissing tot onderzoek over te gaan heeft ze al evenmin een hoge pet op. Het Wetboek van Strafvordering maakt veel mogelijk, zonder dat van enige uniformering (je zou het ook rechtszekerheid kunnen noemen) sprake is. Wie opdracht tot het onderzoek geeft verschilt. Het kan de officier zijn, het kan de rechter-commissaris zijn, het kan de rechter zijn. Lokale gewoonten overheersen en dus regelt de officier het in het ene arrondissement en komt er in het andere niet aan te pas omdat daar andere functionarissen ooit het voortouw hebben genomen en dat niet meer hebben afgestaan. Ik ontleen dit aan de samenvatting van het proefschrift – de complete tekst heb ik nog niet gevonden.

Onderzoekers lezen niet altijd de relevante stukken zoals de aanklacht en het beschikbare materiaal van het politieonderzoek. Ze worden daar ook niet op gecontroleerd, laat staan aangesproken. Ze spreken soms met de verdachte dan wel veroordeelde en soms ook niet. Het blijft zonder consequenties. Bij taalproblemen wordt soms een tolk ingeschakeld, en soms niet. De Nederlandse gevangenissen herbergen steeds meer mensen die de Nederlandse taal niet machtig zijn. Hoeveel van hen zijn gedragskundig onderzocht en in hoeveel gevallen met bijstand van een tolk? We weten het niet. Hoeveel tijd wordt aan het onderzoek besteed? We weten het niet. De beslissing om het onderzoek door een psychiater dan wel een psycholoog te laten verrichten, dan wel door een combinatie van de twee disciplines, heeft meer met toeval te maken dan met de casus. Enzovoorts. Wat men doet met een weigerende of een ontkennende verdachte, blijkt een grijs gebied. De rechtbank neemt de adviezen van de onderzoekers soms over, soms niet. Wanneer wat waarom wordt overgenomen is onduidelijk. Wanneer de rechter afwijkt van het advies, is dat dan vanwege de kwaliteit van het onderzoek? Vermoedelijk niet, het gaat meer om het type aanbevelingen (bijvoorbeeld: de rechter gaat niet mee in het geval van een aanbeveling voor tbs met voorwaarden).

De consequenties van zulk onderzoek zijn groot. Dat er aan dit onderzoek de hoogste eisen gesteld zouden moeten worden ligt voor de hand. Het is verontrustend dat je aan de samenvatting van het proefschrift de indruk overhoudt dat niemand die eisen ooit heeft vastgelegd en dat niemand op die eisen let. Zelfs aan de termijnvoorschriften wordt, in het bijzonder bij levensdelicten, niet de hand gehouden.

Opvallend is dat advocaten (en verdachten zelf) wel degelijk invloed kunnen uitoefenen en dat zelden doen. Treurnis alom.

22 maart

=0=

 


Status

Het is al een oude vergissing om het verschil tussen een werkgever en een werknemer te lezen als een verschil in macht. Het is alsof je in het ondernemingsrecht zou kunnen lezen dat grote ondernemingen meer macht hebben dan kleine. Zo is het niet en zo is het ook niet in het arbeidsrecht. Het arbeidsrecht regelt de gezagsverschillen tussen werkgever en werknemer (de machtsaspecten vallen onder het recht op collectieve organisatie van werkgevers en werknemers) en waar gesproken wordt over de bescherming tegen ‘willekeur’ gaat het over de willekeur in de gezagsuitoefening. Zelfs indien een kleine ondernemer geconfronteerd wordt met een machtige vakbond blijft het gezag van de ondernemer als werkgever overeind. Hij zal ongetwijfeld meer tijd nodig hebben om z’n gezag te laten gelden (dat is dan het machtsaspect) maar dat de ondernemer/werkgever het recht heeft z’n personeel in te zetten op de klussen die hij noodzakelijk vindt wordt daar niet door ontkracht. Werkgever en werknemer duiden statusposities aan. Daar zitten uiteraard machtsaspecten aan maar die zijn eerder empirisch dan definiërend. Wie machtig is kan z’n invloed snel laten gelden, wie gezag heeft bezit een voorsprong in het vastleggen van de zaak (in termen van de wet: de opdracht) waar het over zal gaan. Definities zijn vrij maar ik vermoed dat de geest en soms ook de letter van het arbeidsrecht met dit onderscheid van macht en gezag redelijk is getypeerd. De rijdende rechter zou zeggen: meer kan ik er niet van maken. We zullen het, om de rechter nog meer bij te vallen, ermee moeten doen. Anders wordt het maar een rommeltje.

Het arbeidsrecht is privaatrecht, het ambtenarenrecht is publiekrecht. De grens er tussen is niet altijd even helder gemarkeerd, de bescherming van de werknemer in het arbeidsrecht is er de perfecte illustratie van. Wel geldt – en dat blijkt uit het voorbeeld – dat het de taak van de overheid is de grens te bepalen. Ook het BBA van 1945, inclusief de preventieve ontslagtoets, is een publiekrechtelijke inkadering van het private arbeidsrecht. Grensbepaling en grensbewaking zijn publieke opdrachten en, zoals we steeds weer merken, private uitdagingen. Er wordt aan het publiekrechtelijke karakter van delen van het arbeidsrecht gemorreld. Het gekrakeel over het ontslagrecht geeft het aan. De gang naar de kantonrechter, als alternatief voor de preventieve toets, is kennelijk niet genoeg.

Je zou mogen vermoeden, gelet op het bovenstaande, dat het verschil tussen de opdracht aan de ambtenaar en de opdracht aan de werknemer ligt in het gezag van de opdrachtgever. De overheid is geen opdrachtgever als een ondernemer en dat speelt door in de overheid als werkgever en de ondernemer als werkgever. Ik heb de indruk dat het wetsvoorstel Koser Kaya en Van Hijum, gericht op het zoveel mogelijk gelijkschakelen van arbeidsrecht en ambtenarenrecht, meer let op de overeenkomsten tussen de opdrachtnemers/werknemers dan op de verschillen tussen de opdrachtgevers. Behalve CDA en D66 zijn ook de VVD en de PVV voor het voorstel. Dat zegt iets over het geld dat ze hopen te besparen op ontslagkosten en het zegt iets over hun opvatting van de publieke zaak. De publieke zaak is in de allereerste plaats een zaak zoals andere zaken. Dat het publiek is, is niet definiërend maar bijkomend. Daar leveren we als het nodig is het maatwerk wel bij, maakt u zich geen zorgen. Gek, dat doe ik nu juist wel. Omdat ik vind dat de publieke zaak in de eerste plaats publiek is. Een zaak kan er mee ophouden en iets heel anders gaan doen. De publieke zaak kan dat niet. Het publieke is definiërend, en ‘zaak’ is bijkomend. Het private gezag van de werkgever gaat niet verder dan de werknemer met wie een contract is afgesloten. Het publieke gezag van de overheid, onder meer vertegenwoordigd in de ambtenaar, gaat veel verder. Het betreft allen die door de ambtenaar als overheidsvertegenwoordiger worden aangesproken, en het betreft de ambtenaar die door anderen als overheidsvertegenwoordiger wordt aangesproken. En daarom verschilt publiek gezag ook van privaat gezag: het is bekleed met eigen wettelijke bevoegdheden, heeft een eigen verantwoordingsrelatie en wordt beperkt door dezelfde rechtsstatelijke bepalingen en voorschriften die de grondslag vormen voor de eigen bevoegdheden.

En burgerschap? Burgerschap is een publiek ambt maar wat betekent dat nog als de Kamer bij meerderheid beslist dat niet het publiek maar de zakelijke bedrijfsvoering beslissend is, met de burger enerzijds als tevreden te stellen klant en anderzijds als brave werknemer die netjes doet wat gezegd wordt? Het zou me niets verbazen. Het publieke ambt verkleed als tevreden consument die voor alle goede gaven hardwerkend hard aan het werk is.

In Trouw van gisteren tref ik in een interview aan met de indieners. Het is bar en boos. Gevraagd naar de redenen waarom politiemensen en militairen in het voostel nog wel ambtenaren blijven is het antwoord van Van Hijum: ‘De uitzondering voor politieagenten hebben we er in gezet omdat een Kamermeerderheid dat wilde. Het geweldsmonopolie dat zij hebben, wordt als iets bijzonders gezien’. Ja, en het uniform ook. Sinds wanneer, overigens, heeft de politie (en niet de staat) het geweldsmonopolie? Voor militairen heeft dit Kamerlid de volgende kwalificatie in huis: ‘Militairen zijn altijd oproepbaar en mogen niet staken’. Tja, dat mogen politiemensen weer wel, en die hebben ook nog het geweldsmonopolie. Het is niet eerlijk. Dat voelt Koser Kaya haarfijn aan: ‘Ik sluit niet uit dat de rechtspositie van agenten en militairen in de toekomst nog aan bod komt. Maar daar wil ik nu de discussie niet mee belasten’. Wat niet is, kan komen en kennelijk vallen agenten en militairen niet meer onder de publieke zaak dan wij er met ons allen onder vallen. De zaak, dat zijn wij en zij ook. Waarom zou je dan nog verschil willen maken? Voor Van Hijum en Koser Kaya maakt het geen verschil en dat kan alleen maar komen omdat voor hen de publieke zaak geen verschil maakt. Nergens in het interview blijkt ook maar een schim van het besef dat de ambtenarenstatus de afgeleide is van de publieke zaak. Gezag is gezag, dat zal de redenering zijn. De Raad van State kraakte het voorstel door op de bijzonderheid van de openbare zaak te wijzen. Bovendien twijfelde de Raad sterk (en de Raad is daar zeker niet alleen in) aan de financiële voordelen die aan het voorstel zouden kleven. Maakte het commentaar van de Raad indruk? Het maakte geen indruk. Net als de regering heeft het indienende duo met het commentaar van de Raad niets te maken. Zij weten het beter en wat ze aan gezag ontberen kunnen ze gewoon via de macht van het parlement binnenhalen.

Afgelopen maandag ontving ik een exemplaar van de studie De Ambtenaar in het Openbaar Bestuur (Leiden, Leiden University Press 2012), van de hand van Frits van der Meer, Caspar van den Berg en mijn Haagse collega Gerrit Dijkstra. In het boek wordt de grote variatie aan ambtelijke statussen geschetst in diverse Europese landen. Niet alleen in statussen overigens, ook in aantallen, hoewel die door verschillende definities en door het bestaan van tal van moeilijk indeelbare groepen onderling maar beperkt vergelijkbaar zijn. . Nederland is bescheiden met z’n omvang van het ambtenarenapparaat en de auteurs tonen aan dat een groot deel van dat aantal zit bij de klassieke kerntaken van de overheid. Een ander deel – maar nog lastiger te tellen en te meten – zit aan de kant van de overheid die in Europa en in eigen land ‘onderhandelt’ over de voorwaarden die het voor iedereen mogelijk moeten maken om adequaat te presteren. Hun inhoudelijke positie is dat –daardoor en in onderscheid van de ‘producerende’ staat, de interveniërende staat met nog tal van, inmiddels verdwenen, overheidsbedrijven – de meeste veranderingen in het ambtenaarschap in de niet-materiële aspecten ervan zijn opgetreden: gezag, geloofwaardigheid, integriteit, regiekwaliteit, het gaat om die toetsstenen voor beleid. Die staan allemaal onder druk, en kunnen dus best wat reparatie gebruiken. In de discussie komen ze bij de voorstanders van het afschaffen van de ambtenarenstatus niet eens voor. Niettemin, het zijn uitvloeisels, en dat is waar het om gaat, van een verandering in de staat: van verzorgend en ‘makend’ naar voorwaardenscheppend en faciliterend. Dat zou een nieuw type ambtenaarschap vereisen, maar dan niet door het privatiseren van die status maar eerder door een nieuwe publiekrechtelijke vormgeving ervan. De studie legt het accent waar het hoort en dat is in de vraag welke staat nodig is. Die vraag kan niet worden vervangen door de vraag welke ambtenaar wij willen en al helemaal niet door die vraag te verengen tot de vraag naar de materiële kanten van het ambtenaarschap: de arbeidsvoorwaarden en het ontslagrecht. Mij hebben ze wel overtuigd. In het voorwoord spreekt Paul van der Heijden de hoop uit dat het boek in de nu lopende debatten een rol mag spelen. Ik hoop het met hem – al verwacht ik er niet veel van. In de discussie van de voorstanders overheersen argumenten ontleend aan de veronderstelde effectiviteit van de bedrijfsvoering, gevoed door de neoliberale ideologie van het New Public Management. Een enkel type bedrijfsvoering, waar dan ook, voor welke sector, functie, activiteit en taak dan ook, dat is de inzet. Ook de ambtenarenstatus is een ideologisch project geworden.

21 maart

=0=

 


Gul

Het kabinet was weinig gul met het vragen van advies. Dat zei Rinnooy Kan, afgelopen zondag in gesprek met Clairy Polak, in Buitenhof. Een merkwaardige woordkeus. Gul? Een gulle vrager? Een gulle gever, dat kennen we. Bij de vrager denk je eerder aan iemand die ergens verlegen mee is. En daar kunnen we dit kabinet niet van betichten. Wat het ook is, verlegen is het niet. Het zit nergens mee, en al helemaal niet met de mensen die het kabinet wil groeperen onder de Wet Werken Naar Vermogen. Met die mensen wil het kabinet niks en om ervoor te zorgen dat die mensen ook niks te willen hebben is de Wet bedacht. Dan kun je een SER-advies missen als kiespijn. Een SER-advies had als uitgangspunt genomen dat je die mensen nog serieus moet nemen ook, en dat is precies het uitgangspunt dat dit kabinet als het probleem ziet en daarom vooral ook niet in de oplossing terug wil zien keren. Het is als met het PGB (persoonsgebonden budget). Zelf wat regelen? Welnee, dat kan de bedoeling toch niet zijn? Wie ziek is, wie gehandicapt is, die moet maar leren leven met de wetenschap dat hun leven geleefd wordt. Dat is het uitgangspunt en pas tegen de achtergrond van dat uitgangspunt doen we het zo goedkoop mogelijk. De ideologie komt eerst, het geld kort daarna en de mensen over wie het gaat zijn er het product van, niet de producent. Wat zullen we nou krijgen? Het is als met het passend onderwijs. Wie gaat er nou in dat soort kinderen investeren? Laat de ouders het doen en val ons er niet mee lastig zegt het kabinet. Je moet alleen investeren in dingen die rendement beloven en gehandicapte kinderen en Wajongers renderen niet. Binnenkort vragen ze nog of het ook leuk mag wezen. Leuk? Ontplooiing misschien ook nog? Het moet niet nog gekker worden. Wat we met ze zullen doen, dat zien we nog wel. Dat lossen we wel op. Werkjes en werk zijn altijd te verzinnen en meer – een serieuze opleiding, een serieuze baan – zit er niet in want dan gaat de financiële wal het emancipatoire schip keren en dat strijkt tegen de ideologische haren in. Diederik Samsom kan meteen aan de slag. De SER ook, nu we het er toch over hebben.

Dat ‘gul’, het zit me niet lekker. Het klinkt me te kruiperig, te slaafs. Jullie hadden toch ook een ongevraagd advies kunnen uitbrengen? Clairy Polak vroeg het en het antwoord was dat een ongevraagd advies niet zo sterk was als een gevraagd. Pardon? Hoe afhankelijk kan de SER zich opstellen? Denkt Rinnooy Kan nu echt dat het kabinet ontvankelijker is voor een gevraagd dan voor een ongevraagd advies? Om het vragen van advies aan de Raad van State kan de regering meestal niet heen. Ze vegen er hun kont mee af. Dat had Rinnooy Kan kunnen weten – hij heeft wel voor niets, maar toen hij zich aanmeldde ongetwijfeld niet voor niets, gesolliciteerd naar de vacante functie van vicepresident van de Raad. Bij zoveel hoon moet je het kabinet geen adviezen besparen, je moet het bekogelen met adviezen, het ene na het andere, en steeds maar vragen om een commentaar, om een reactie, om een weerwoord, om een uitleg, om een legitimatie. Doe je dat niet dan zet je je eigen legitimatie op het spel. 

Clairy Polak vroeg zich af of de SER nog wel toekomst heeft. Een voor de hand liggende vraag zo langzamerhand. Rinnooy Kan dacht van wel. De SER heeft al zo vaak bewezen zich aan te kunnen passen en in dat aanpassingsvermogen zag hij ook de kracht van de SER, toen, nu, straks. Dat is meer een bezwering dan een antwoord. Je kunt je ook teveel aanpassen en daar zo gul in zijn dat iedereen je voor gegeven aanneemt.

Ik gun het Rinnooy Kan dat zijn afscheid in een net wat offensiever teken komt te staan.

20 maart

=0=

 


Oordelen

Een oordeel is het afstrepen van een gebeurtenis op een maatstaf. Een oordeel ordent en het ordent door te waarderen. Het vergelijkt iets specifieks met iets algemeens. Wanneer McCain de Republikeinse voorverkiezingen de smerigste ooit noemt dan velt hij een oordeel. Wanneer Cameron meent dat de Britten twee keer moeten betalen voor hun wegennet (als belastingbetaler en als entreebiljet aan een geprivatiseerd wegennet) om de Britse ‘infrastructuur’ te verbeteren dan spreekt hij een oordeel uit. Wanneer we zeggen dat iets te groot, te klein, te gek, te cool, te vet, te maf enzovoorts is, dan spreken we een oordeel uit en dat te kan er meestal ook wel af.

De vrijheid van meningsuiting heeft het rijk van het oordeel tot in het oneindige uitgebreid. Sommigen vinden dat een beetje ver en vinden dat het ook wel wat minder mag. Het oneindige voelt al snel wat unheimisch aan en wie houdt het niet liever bij huis en haard? Zo lang we het niet eens eens kunnen worden over wat huis en haard inhouden zullen we alleen al daarom altijd weer verschillend oordelen. Een grens, per slot, kan verwijzen naar een paspoort en naar een onoverwinnelijk blok. Een mening hoeft niet de vorm van een oordeel aan te nemen (je kunt altijd zeggen dat het is zoals het is) om toch een oordeel te zijn. Als je van mening bent dat een zin grammaticaal niet deugt spreek je een oordeel uit, ook al weet je dat grammatica niet statisch is, en dat je de vorm van het ongrammaticale kunt kiezen om iets uit te drukken, dat je anders niet uit zou kunnen drukken. (Volgens mijn controleur op deze computer is de voorgaande zin niet in orde. Bijvoorbeeld). Het gaat om de aanvliegroute, om het beginpunt van de weg die je bewandelt. Zelfs als je bij hetzelfde punt aankomt zijn de reiservaringen en dus de beoordelingen van reis en punt van aankomst verschillen.

Ik was dus nogal in de war door het artikel van Frank Furedi in Trouw, afgelopen zaterdag. Het artikel (Mens, Durf te oordelen) verbindt oordelen en tolerantie. Tolerantie die niet oordeelt, zo Furedi, is geen tolerantie maar onverschilligheid. Het miskent de tolerantie want het sluit af, het (hij verwijst naar Hannah Arendt) is een terugtrekken uit de openbaarheid. Het is een botte bijl, zoals ‘zero tolerance’ een botte bijl is, een bijl zonder onderscheid, een instrument om het onzekere de mond te snoeren, om het vertrouwen dat bij het nemen van risico’s hoort over te slaan door het afkeurend te beoordelen als een soort van ‘onverantwoord gedrag’, waar het vertrouwen is ingeruild voor het vertrouwde.

Tolerantie is geen oordeel maar een maatstaf die je bij elk oordeel hanteert. Laten we zeggen dat het een meta-oordeel is, een oordeel dat vooraf gaat aan andere oordelen die het de maat neemt. Dan helpt het weinig om, zoals Furedi doet, te spreken van actieve en passieve tolerantie, van echte en onechte tolerantie. Furedi had er beter aan gedaan om zijn pijlen te richten op oordelen dan op tolerantie. Er zijn teveel oordelen die zich uitdossen in het gewaad van de ‘feiten’, van de ‘waarheid’ (al dan niet met hoofdletter geschreven) zelfs, en die zich daarom menen te mogen onttrekken aan het openbare debat dat Furedi zo na aan het hart ligt. Het gaat om oordelen die een debat openen dan wel sluiten. In plaats van ‘tolerant’ en ‘intolerant’ had hij het, daarom, beter kunnen hebben over redelijkheid en flauwe kul. Zijn artikel begin met het in herinnering roepen van de dwaze poging van de Franse overheid de geschiedenis van de Armeense genocide per wet te kunnen vastleggen. Dat is wat het is: dwaasheid. Politieke dwaasheid, ingegeven door het goedkope politieke gewin waarmee Sarkozy zijn herverkiezing probeert zeker te stellen. Furedi noem het een intolerante reactie. Ik noem het een politiek die z’n hand overspeelt. Politiek is, linksom of rechtsom, dwang en meningen kun je niet dwingen. ‘Tolerantie’ drukt dat uit. Je kunt proberen ze te onderdrukken, door te zeggen dat je ze niet zult ‘tolereren’. Dan zeg je niets over die mening, je zegt iets over je macht en je probeert dat als mening, als oordeel, te slijten. Zodat ze er nog intrappen ook. Ik zou denken dat het begrip van tolerantie juist bedoeld was om de driftige oprispingen van vadertje staat en moedertje kerk de maat te nemen. Of Sarkozy intolerant is moeten we maar aan mevrouw Bruni vragen. Maar dat hij een oordeel velt en dat niet van de kwaliteit van het oordeel laat afhangen maar van zijn zwaardmacht – dat is pas zorgelijk. De tolerantie van Sarkozy is een ding, zijn oordeel over politiek vermag een ander. Ik zou het over het laatste willen hebben.

19 maart

=0=

 


Uiterlijk

In het rapport De Staat van Integratie van Han Entzinger en Paul Scheffer werd er weer melding van gemaakt. Marokkaanse jongeren scoren hoog in de criminele statistieken. Ze worden veel meer aangehouden dan andere jongeren. Of die aanhouding ook tot veroordeling leidt staat er niet bij, zodat de vergelijking wat lastig wordt. Of de aanhouding mede het product van vooroordeel is staat er evenmin bij, hetgeen de doorvertaling naar de misdadige inborst van de jongelui nog weer wat moeilijker maakt.

Een ongeluk komt zelden alleen. Deze week beschreef Folkert Jensma in NRC Handelsblad een onderzoek naar de invloed van uiterlijke kenmerken op de kans op veroordeling. Zijn column was gebaseerd op een artikel van drie Leidse wetenschappers (Hilde Wermink, Jan de Keijser, Pauline Schuyt. Verschillen in straftoemeting in soortgelijke zaken. Nederlands Juristenblad 160312/11: 726-733). Zij onderzochten enkele honderden zaken bij de politierechter, een onderzoek op basis van observatie. Ze beperkten zich tot de zaken die tot een veroordeling leidden en besteedden in het bijzonder aandacht aan die zaken die tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf leidden. Wie krijgen onvoorwaardelijk? Nu, dat blijken meer mannen dan vrouwen te zijn, meer mensen die geen spijt betuigden dan zich wel die moeite getroostten, en het waren meer buitenlanders en niet-Nederlands sprekenden dan Nederlanders en Nederlandssprekenden. De vraag was: als de zaak soortgelijk is, hebben uiterlijke (Nederlands of niet, Nederlandse taal of niet, man of vrouw) kenmerken dan invloed op de kans op veroordeling en hoe groot is die invloed?  

De uitkomst is onthutsend. Uiterlijke kenmerken spelen een grote rol bij de beslissing van de politierechter. Wat vreemd is, wordt harder aangepakt. Buitenlanders die Nederlands spreken worden veel vaker veroordeeld dan gewone Nederlanders en buitenlanders die ook de taal nog niet eens spreken nog weer veel vaker. Het zijn zeer robuuste verschillen en die verschillen worden niet verklaard door het misdrijf. Die verschillen worden verklaard door het uiterlijk.

Volg een taalcursus jongens, en verf je haar blond. Doet wonderen.

18 maart

=0=

 


Toneelstuk

In Trouw lees ik dat Theodor Holman een toneelstuk heeft geschreven over Breivik. Hij staat dichter bij Breivik dan bij Wilders, vandaar. Of zoiets. Wilders verwacht nog iets van de politiek, heeft nog iets van een ideologie en Breivik is dat allemaal voorbij. Ook een mening. De meningen van Holman zijn me zelden duidelijk. In termen van Theo van Gogh: ook in huize Holman moet de schoorsteen roken.

Daar moeten we begrip voor hebben. Ik heb een idee voor een toneelstuk dat ik bij deze graag wil afstaan aan Holman. Het heet Goede Werken en de Mantel der Liefde. Ik hecht niet aan de titel. Theo verzint vast wel iets kruidigers. De setting is een katholiek jongensinternaat. De hoofdrollen zijn voor frater Theo (daar moet onze Theo zich mee kunnen vereenzelvigen want dat schrijft makkelijker, zie boven), leerling Jozef, psychiater Werumeus en chirurg Petrus. Frater Theo is niet verbonden aan het internaat uit liefde voor onderwijs en opvoeding. Hij zoekt het in de liefde voor jongens. Leerling Jozef beantwoordt de liefde, aanvankelijk een beetje spartelend, later met de welwillendheid die hem toch al kenmerkt. Frater Theo vindt dat zorgelijk, aan de ene kant omdat hij ze liever altijd spartelend heeft, aan de andere kant omdat de andere leerlingen die hij bemint het spartelen nooit opgeven en Jozef wel. Jozef, besluit frater Theo, is homo. Dat kan niet. Homo’s zijn ziek, en ook als ze dat niet zijn kan de kerk hen niet tolereren. Jozef wordt naar psychiater Werumeus gezonden. Die doet zijn best en komt er na enige praktijkexperimenten achter dat de frater helemaal gelijk heeft. In naam van Hem die boven ons staat en na overleg met hen die boven hen staan wordt besloten chirurg Petrus in te schakelen. Er is geen andere oplossing en de diepgelovige Petrus die het probleem als ervaringsdeskundige kent en er nog altijd mee in de slag is – ook hij  overtuigt zich van de welwillendheid van Jozef – besluit in te gaan op de aanbeveling van Theo en Werumeus en Jozef te castreren.

Ondanks alle goede zorgen overlijdt Jozef enige jaren later. Maar dan hebben Theo, Werumeus en Petrus hun handen al lang van hem afgetrokken.

17 maart

=0=

 


Muppets

Dat ‘muppets’ voor ‘idioten’ staat wist ik niet. Tot gisteren. Ik vond de vertaling in NRC Handelsblad, dat op twee plekken inging op de brief waarmee een onderdirecteur van Goldman Sachs afscheid nam van dat bedrijf. Een onderdirecteur is helemaal niemand, vindt men bij die bank. We hebben er een paar honderd van. Dat weten we dan ook weer. De mening van de bank over het bankpersoneel is niet vleiend. De behandeling van het personeel ook niet. Mensen verdwijnen van het ene moment op het andere en iedereen weet dat het iedereen kan overkomen. Iemand wordt bij personeelszaken geroepen en krijgt twintig minuten om het pand te verlaten. Het doet denken aan een passage in Sennett’s Together waarin een ontslagen bankmedewerker vertelt dat de HRM manager hem voor het gemak maar niet meer aankeek bij de ontslagaanzegging. De enige die hem nog in de ogen keek was de veiligheidsbeambte bij de uitgang – die hem fouilleerde.

Arbeidsrelaties die elk moment kunnen ophouden hebben twee gevolgen. Je hebt weinig andere mogelijkheden dan alleen voor jezelf te zorgen en samenwerking is onmogelijk. Tja, schrijft Joris Luyendijk, kun je dan nog verwachten dat je de klant beter behandelt dan je zelf wordt behandeld? Goeie vraag. De conclusie moet dan maar zijn dat als de klanten idioten zijn, de bankmedewerkers dat ook zijn. Een klant is er om uitgeperst te worden, de medewerker idem dito. Het verschil is dat de klant er armer van wordt en de medewerker een leuke bonus krijgt. Dat het mogelijk is heeft van alles te maken met de manier waarop de bank, in naam van de aandeelhouders uiteraard, wordt bestuurd en het heeft van alles te maken met de informatievoorsprong van bank en bankmedewerker op de klant. Zelfs als de bank niet weet welke informatie betrouwbaar uit hun gegevens kan worden afgeleid, dan nog weet de klant niet dat de bank dat niet weet. Een nadeel is het niet. Als je brutaal bent is het zelfs een voordeel. Het is evenveel waard als het manipuleren van informatie of als ronduit bedrog. Als de klant geluk heeft blijft er een fooi over, als Bruin het even niet kan trekken staat de klant op verlies. Dat kun je misbruik van vertrouwen noemen, en de enige manier waarop je daar wat aan kunt doen is de bank verplichten z’n informatie te openbaren. De gegevens mogen ze houden, de informatie moet worden vrijgegeven. Zo niet dan moet het maar eens afgelopen zijn met het geleuter over vertrouwen.

Van een collega kreeg ik een boekje te leen van Hindy Lauer Schachter, getiteld Frederick Taylor and the Public Administration Community; A Reevaluation (Albany, State University of New York 1989). Een merkwaardig boekje en ook een aardig boekje. Het merkwaardige is dat de auteur een hekel heeft aan tekstboeken. Nu zijn er veel slechte tekstboeken en misschien wel in het bijzonder bij haar onderwerp, het openbaar bestuur. Ik zou het niet weten maar haar weerzin verklaart ze door aan die tekstboeken een ‘natuurwetenschappelijke’ kennisopvatting toe te schrijven, die ze samenvat in het motto dat in de natuurwetenschappen de kennis van vandaag altijd beter is dan die van gisteren – en dat je daarom de kennis van gisteren helemaal nergens voor nodig hebt. Dat is, laat ik het zo zeggen, niet het sterkste onderdeel van haar betoog. Kennelijk heeft ze een hekel aan de human relations benadering en dat niet vanwege die benadering maar in de eerste plaats omdat die benadering al helemaal en zelfs beter bij Taylor te vinden zou zijn, en in de tweede plaats omdat Taylor daar niet alleen geen erkenning voor krijgt maar ook nog eens als een bijziende en eenzijdig op efficiency beluste ingenieur wordt neergezet. Ze gaat daar ver in, zo ver dat ook Simon’s Public Administration (New York, Knopf 1950) een veeg uit de pan krijgt. Nu komt Taylor (o.c.: 288) daar slechts een enkele keer in voor (nogal complimenteus) en Mayo (o.c.: 23) ook slechts een enkele keer (nogal denigrerend). 1-0 voor Taylor, zij het in voetnootvorm, en niet omgekeerd. Misschien dat Schachter daar nog eens wat meer natuurwetenschappelijk naar moet kijken.

Het aardige aan haar betoog is dat ze de meer democratische kanten van Taylor onderstreept (en de meer autoritaire aspecten van zijn werk nogal bagatelliseert). Dat doet ze door het centrale punt van Taylor (zonder adequate informatie geen adequaat beleid) te verbinden met het betrekken van de medewerkers bij het verkrijgen van die informatie (toestemming van de medewerker, aanvullingen en correcties door de medewerker). Dat ze daarbij experiment en praktische toepassing na het experiment door elkaar haalt is een kleine, zij het essentiële, omissie in het verhaal. In het geval van het openbaar bestuur (waarvoor de persoon van Morris Cooke model staat) is die informatie niet slechts nodig om het werk op de juiste manier te organiseren maar ook om de burger in staat te stellen de prestaties van de overheid te kunnen beoordelen. De informatie moet daarom openbaar zijn. Dat is het punt van Cooke (en van Taylor, stelt de auteur), die daar de nodige ruzies voor heeft uitgevochten. En meestal verloor.

Mevrouw Schachter heeft het grootste gelijk van de wereld als ze onderstreept (talloze malen onderstreept) dat informatie een product is waarvan het productieproces zo openbaar als mogelijk moet zijn, zeker in het geval van informatie met serieuze externe effecten, zoals in elk geval in het openbaar bestuur en in de bankenwereld. Liever Taylor en Cooke en hun populariserende uiteenzettingen en toelichtingen dan de knappe jongens van de bank die producten verzinnen waar ze de gevolgen niet van overzien en die ze slechts kunnen uitleggen door onleesbare, verwarrende, van een hutspot van curieuze axioma’s en veronderstelde waarschijnlijkheden aan elkaar hangende productspecificaties neer te pennen – in de zekerheid dat behalve zijzelf niemand daar chocola van kan maken, en zijzelf ook lang niet altijd, maar dan is het kwaad al geschied. Ze construeren een architectuur van onverantwoordelijkheid. Goldman Sachs is het product van die architectuur. Het schijnt er weer heel goed te gaan en over fatsoenlijke informatie heeft niemand het meer.

16 maart

=0=

 


Involutie

Ooit deed ik tentamen bij professor Wertheim over het boek van Clifford Geertz, Agricultural Involution; The Processes of Ecological Change in Indonesia (Berkeley and Los Angeles, University of California Press19683). Het boek beschreef de ontwikkelingen in Java, in het kielzog van het Cultuurstelsel dat tussen 1830 en 1870 het leven op Java beheerste. De productie van handelsgewassen werd opgelegd aan de Javaanse boeren, die een gedeelte van het land en van hun tijd moesten afstaan. De verwerking en de handel werden gemoderniseerd, de productie bleef traditioneel. Het stelsel was een erkenning van het mislukken van het plantagesysteem (tegen de slavenarbeid in bijvoorbeeld Brazilië en de VS kon men in Java niet op). Geertz vroeg zich af hoe de productie van de handelsgewassen de relaties op het platteland (van de productie van natte rijst tot en met de verdeling van grond en oogst) beïnvloedde. Daar komt de idee van involutie vandaan, meestal in een adem gebruikt met het begrip ‘gedeelde armoede’. Het concept involutie beschrijft cultuurpatronen die als ze eenmaal een definitieve vorm hebben gevonden niet overgaan in wat anders of nieuws maar zich verder ontwikkelen door intern steeds gecompliceerder te worden (o.c.: 80-82). Involutie houdt vooruitgang tegen. Op Java betekende het, volgens Geertz, ingewikkelder pachtrelaties en relaties tussen eigenaren en pachters, steeds complexere vormen van samenwerking en steeds meer mensen op een stukje land, en dat alles om iedereen toch maar een plekje te geven in de lokale economie en samenleving (o.c.: 97-98). Het resultaat was gedeelde armoede, de paradox van steeds meer complexiteit en rigiditeit binnen een homogene stijl. De Javaanse bevolking op het platteland polariseerde niet in arm en rijk maar bleef bij elkaar. Voor iedereen wat en voor iedereen wat minder.  

Het merkwaardige is dat van de stellingen in het boek zo ongeveer niets is overgebleven (zie het artikel van Benjamin White, ‘Agricultural Involution’ and its Critics: Twenty Years After, Bulletin of Concerned Asian Scholars 15/1983), terwijl het concept van de involutie de slag met gemak overleefde. Dat is stof voor een mooi stukje wetenschapsgeschiedenis: de stelling deugt van geen kanten, het concept blijft fier overeind. Kennelijk is het in staat divers materiaal en diverse ontwikkelingen te ordenen, en dus toegankelijk te maken voor nader onderzoek. Dat het voor Java niet klopte is blijkbaar geen aanleiding het in een andere context opnieuw in te zetten.

Ik vroeg me af: kunnen we onze polder zo langzamerhand niet beschrijven in termen van involutie, van polderinvolutie? Ik weet het niet zeker – ik gooi ook maar een balletje op – maar het is op z’n minst opvallend dat polderinstituties zoals de Stichting van de Arbeid (STAR) en de SER buiten spel staan bij de naargeestige afwikkeling van de nog naargeestiger financiële crisis van de laatste jaren. De polder is een instituut van de reële economie, niet van de financiële. De banken, de verzekeraars, de pensioenfondsen zitten noch in de STAR, noch in de SER. Nu ja, de SER heeft een manmoedige poging gedaan rond AOW en aanvullende pensioenen een akkoord te bedenken. Niet dat het iets geworden is. Een teken aan de wand? Het zou kunnen.

De laatste jaren is, aan de werknemerskant, de samenstelling van de SER aangepast. We treffen nu ook de ouderen aan (ANBO), de jongeren (FNV Jong) en de zzp-ers (FNV Zelfstandigen). Het heeft weinig veranderd, het is een voorbeeld van iets meer differentiatie binnen een verder homogeen patroon. Het wordt pas echt spannend met De Nieuwe Vakbeweging. Het kan er natuurlijk op uitlopen dat er van een nieuwe strategie niet veel terechtkomt, dat De Nieuwe Vakbeweging een structuurprobleem oplost (het probleem van twee heel grote bonden naast een groot aantal kleinere binnen de federatie wordt vervangen door het probleem van een nog groter aantal kleine bonden en een federatie die het voortouw neemt) en dat als nieuwe strategie verkoopt maar het kan ook anders aflopen, meer in de richting van het regionaal organiseren van het arbeidsaanbod, het ter hand nemen van een door de bonden geregisseerde arbeidsvoorziening. De vraag is, in het laatste geval, of SER en STAR dat nog kunnen opvangen en, als ze dat al doen, of dat dan niet tegelijk het einde van de nieuwe strategie zou inluiden. Of dan niet ‘involutie’ het gevolg zou zijn.

Er is alle reden, gegeven de afwezigheid van de financiële economie in de polderinstituties, en gegeven de bewegingen aan de kant van de werkgevers (die als eersten uit het SER overleg over de AOW stapten, de ruzie in het FNV kwam pas daarna) en aan de kant van de werknemers (De Nieuwe Vakbeweging) de vraag te stellen of de polder nog in staat is nieuw land in te polderen dan wel niets anders meer aankan dan herverkaveling.

15 maart

=0=

  

 

Secuur

Kamerleden, ministers, rechters, politiemensen, ambtenaren leggen een eed of een belofte af. De naam van God klinkt in tal van openbare ruimtes en bij tal van openbare gelegenheden. Het hoeft niet, je kunt ook volstaan met een belofte en het resultaat is hetzelfde. Je bent gezuiverd, je kunt aan het werk. Het is weinig seculier, en het is bijna neutraal. Het is Nederland.

Gisteravond werden de vijf kandidaten voor het fractievoorzitterschap van de Tweede Kamerfractie van de PvdA bij Pauw en Witteman ondervraagd over hun lezing van de scheiding tussen kerk en staat. Het voorbeeld was een stiltecentrum in een openbaar gebouw, de aanleiding het weigeren van een dergelijke ruimte in de Hogeschool van Amsterdam. Jongens zouden meisjes onder druk zetten daar naartoe te gaan. Moslimjongens natuurlijk. Daar had de school geen zin in. Vlakbij was een moskee, dus waar hebben ze het over.

Het aanbieden van een ruimte werd verdicht tot het gebruik van een ruimte. Van Dam en Samsom vonden dat voldoende reden zo’n ruimte niet te willen hebben. Van Dam meende dat wij in een seculiere staat leefden en dat die omstandigheid genoeg was om dergelijke ruimtes af te wijzen. Ik speel op zeker, zal hij wel gedacht hebben. Secuur is secuur. Dat hij fout dacht (Nederland is helemaal geen seculiere staat) was wel het minste probleem in het debat. Hij werd er niet op gecorrigeerd. Ook de vertaling van de vraag naar een ruimte om je even terug te trekken in de vraag naar het beteugelen van opdringerige moslimjongetjes bleek niet op bezwaren te stuiten. Als Van Dam en Samsom hun zin krijgen ben ik benieuwd naar hun reactie op een voorstel alle voetbalstadions te sluiten. Het gebruik dat daarvan gemaakt wordt heeft weinig met voetbal te maken, dus waarom gooien we de tent niet dicht? Scheelt ook weer in de inzet van de politie.   

Alleen Plasterk bleef redelijk – op korte afstand gevolgd door Albayrak en Jacobi. Maar Martijn, vroeg hij, in ziekenhuizen heb je toch ook stiltecentra, ook in openbare ziekenhuizen?

Er schijnen PvdA-leden te zijn, en zelfs D66-leden (terwijl D66 toch de partij is waar de antichrist huist) die bij de aanvaarding van een openbaar ambt de eed verkiezen boven de belofte. Misschien moeten we de beslissing over de stiltecentra maar aan hen overlaten.

14 maart

=0=

 


Risicogroep

Leraren en onderwijzers hebben het zwaar. De kranten berichten erover. Bureau DUO heeft het voor ons uit de doeken gedaan, in hun rapport Werkdruk in het Primair en Voortgezet Onderwijs (maart 2012). De uitkomsten van het onderzoek zijn het product van zelfrapportages van de respondenten (‘ervaart u’, ‘vindt u’, dat soort vragen). Mensen die hun werkdruk hoog vinden en dat als onacceptabel beoordelen worden door de onderzoekers tot ‘risicogroep’ gebombardeerd. Dat is raar. Mensen die iets niet pikken zijn een risico? Zouden de onderzoekers het niet hebben moeten omdraaien: mensen die een hoge werkdruk ervaren en dat acceptabel vinden, die mensen zijn pas een ‘risicogroep’? Weten doen we het natuurlijk niet, dan zouden we data moeten krijgen over ziekte en andere vormen van uitval, over bruto en netto mobiliteit enz. Dan hadden we ten minste wat vergelijkingsmateriaal over de verschillen en overeenkomsten tussen risicogroepen en de rest. Die data worden niet geleverd. Wat geleverd wordt gaat niet verder dan wat leraren en docenten opgeven als problemen. De onderzoekers concluderen dat de risicogroepen meer problemen (gezondheidsklachten, stress, vermoeidheid) hebben dan de anderen. Maar dat zijn volstrekt gratuite opmerkingen, zo lang we niet weten wat de afzonderlijke scores zijn op de effecten van ervaren werkdruk aan de ene, de mate van acceptatie ervan aan de andere kant. Die uitsplitsing wordt niet gegeven. Zo schiet het niet op.

Een op drie leraren en onderwijzers hoort tot de risicogroep. Dat is veel – maar of dat nu de mensen zijn die de meeste werkdruk ervaren, of mensen die het minst bereid zijn het te pikken of een nog te expliciteren combinatie van de twee, we weten het niet. Wat we toegeworpen krijgen van de onderzoekers zijn onderling (tussen PO en VO) niet vergelijkbare data over leeftijd respectievelijk dienstjaren en over waar we ze kunnen vinden.

Ik zou vermoeden dat de groep die veel werkdruk ervaart en het nog best vindt ook meer gezondheidsklachten heeft dan de groep die ook veel werkdruk ervaart en zich daar nog niet bij heeft neergelegd. We zijn tegenwoordig heel bezorgd over onderzoek waarvan we de data niet kunnen achterhalen en, met de data, de zin en onzin van de analyses. DUO moet het huiswerk gewoon overdoen. Zoals het nu is, is het een onvoldoende. Het moet over.

Een beetje docent zou dit onderzoek niet moeten pikken.

13 maart

=0=

 


Inenten

Als de premier dan toch bij de SGP op bezoek is, is hij niet te beroerd om zich zijn christelijke afkomst te herinneren en zijn keuze voor het liberalisme toe te schrijven aan de joods-christelijke traditie. Hij kan het weten. Hij is historicus en weet alles van tradities. Ook van de politieke traditie om waar nodig stroop te smeren. Wij mogen aannemen dat de premier geen enkel probleem heeft met het vrouwenstandpunt van de SGP, hoewel dat in Nederland tot en met de Hoge Raad is veroordeeld en hoewel Nederland het internationale verdrag ter zake heeft ondertekend en geratificeerd. Praktisch liberalisme is heel wendbaar en het liberalisme van Rutte is uitsluitend praktisch.

Rutte beloofde zich in te zetten voor het lot van christelijke vervolgden, overal ter wereld. Niet alle vervolgden, christelijke vervolgden. Bij de SGP zijn ze er wat blij mee. Zij weten ook wel dat de premier zich daarmee niet uitspreekt tegen vervolging maar wel voor de christenen. Islamitische terreur in Nigeria is erger dan christelijke terreur van het Verzetsleger van de Heer. Rutte zal het beide weinig christelijk vinden en voor de rest lossen ze het in Oeganda en Zuid-Soedan zelf maar op. Christenen mogen in vrede hun zaakjes regelen en verdienen steun als ze daarbij worden gehinderd.

Daar hoort ook het recht bij je niet te laten inenten. Wat zou Rutte van inenten vinden? In ons land is het mogelijk dat ouders hun kinderen niet willen laten inenten, en dat niet omdat inenten slecht voor de gezondheid van de kinderen is maar omdat het inbreuk maakt op de absolute beslissingsvrijheid van God. Het zijn meestal dezelfde ouders die fel tegen abortus en euthanasie zijn. Ze vinden dat geen tegenspraak. Ik ben het met hen eens dat beslissingen over leven en dood geen zuiver individuele beslissingen kunnen zijn op de manier waarop je beslist over de aanschaf van een toetje. Het zijn beslissingen met belangrijke gevolgen voor anderen, en die anderen hoeven daarom het individuele beslissingsrecht niet af te schaffen om het toch aan banden te leggen. Geen rechten zonder verplichtingen, zo kun je het ook zeggen. Gegeven het recht om rechten te hebben dan. Daarzonder wordt elk afzonderlijk recht een gunst. Daar kan de Bible Belt (nou vooruit, de refoband) misschien mee leven maar daarom zijn ze daar ook nooit achter dat recht op rechten gekomen. Voor hen is alles een gunst. Voor hen is zelfs het leven van hun kinderen een gunst die niet aan hen is om te verlenen en evenmin aan hen om in te trekken. Laat ze, zegt de Nederlandse politiek. Vraag het aan hun kinderen, zou ik zeggen, vraag het aan die kinderen als ze volwassen zijn en zorg er voor dat ze die volwassen leeftijd ook halen – welke inentingen daar ook voor nodig zijn.

Met volwassenen bedoel ik uiteraard geen kerkgangers maar burgers. Burgerschap maakt van dat recht op rechten pas een potentieel effectief recht. Burgerschap is belangrijk, al was het maar omdat het dat recht weghoudt van elke associatie met. Consumeren en het resoluut plaatst in de context van de opbouw van de openbaarheid. Burgerschap is daarom ook geen voorziening, het is een ambt. Het is, in de gelukkige bewoordingen van Herman van Gunsteren, een ‘publiek ambt’. Het recht op rechten is een publiek recht dat we uitoefenen in ons publieke ambt van burger. Het is best een veeleisend ambt trouwens. Het onderwijs zou er wat meer op moeten worden ingericht, want de gedachte dat rekenen en taal genoeg zijn voor een startkwalificatie op de arbeidsmarkt is al absurd, voor een startkwalificatie als burger schieten ze helemaal tekort. Wie de Bijbel kan lezen is misschien op weg een goed gelovige te worden en met wat rekenen erbij houden we dan niet alleen een natie van dominees over maar ook een van kooplieden. Het sluit burgerschap niet uit maar in evenmin, en daar gaat het toch maar om. In Nederland, bijvoorbeeld, is het civiele burgerschap van vrouwen extreem laat tot stand gekomen. We hebben zelfs een partij, de SGP, die is opgericht om de vrouwen tegen te houden. Dat gedogen we geduldig – christelijk als we zijn. Dat zal geen toeval zijn, net zoals het geen toeval zal zijn dat in de wereld van de mannenbroeders het met de burgerrechten van vrouwen niet zo nauw wordt genomen. Hen wordt het publieke ambt van de burger ontmoedigd. Rutte is het er helemaal mee eens.

Dit is geen geschiedenis. De geschiedenis is geparkeerd bij de premier. Het is een parabel. Het is de parabel van het liberalisme van Rutte. 

12 maart

=0=

 


Gemengd

In 1995 sloten van de Turkse en Marokkaanse Nederlanders ongeveer 5% een gemengd huwelijk (bron: E. Hooghiemstra, Trouwen over de Grens; Den Haag, SCP 2003). In 2011 is dat, in elk geval in Amsterdam en Rotterdam, nog steeds zo (bron: H. Entzinger/P. Scheffer, De Staat van Integratie: Rotterdam Amsterdam;2012: 54).
Dat is opmerkelijk. Op tal van terreinen is de positie van Marokkaanse en Turkse Nederlanders veranderd, op dit terrein niet. Het roept de vraag op of andere indicatoren – ik denk aan vriendschappen, relaties, clubs enz. – meer beweging vertonen dan het gemengde huwelijk, of, met andere woorden, het huwelijk nog te veel bezet terrein (bezet door familie en traditie) is terwijl we elders meer vrijheidsgraden mogen verwachten en, wie weet, ook benut zien. Jammer, daar gaat het rapport van Entzinger en Scheffer niet op in, of beter, Entzinger gaat ook op het huwelijk niet en Scheffer wel, inclusief de interessante onderzoekssuggestie naar het – met als verklarende variabele de gedeelde godsdienst – voorkomen van huwelijken tussen Marokkaanse en Turkse Nederlanders. Dat kun je natuurlijk ook omkeren. Turkse en Marokkaanse Nederlanders hebben vrijwel allemaal wat met hun godsdienst, de overige Nederlanders veel minder. Staat religie het gemengde huwelijk in de weg, zoals het dat eeuwenlang heeft gedaan? Hoe staat het, ik noem maar wat, met het gemengde huwelijk tussen een gereformeerde en een ongelovige? Het leidt verhoudingsgewijs vaak tot echtscheiding, dat kon ik nog net vinden maar voor het overige is onze kennis erover droef. Toch een gemis.

Entzinger en Scheffer haalden de pers met een paar, aan hun studie ontleende en tamelijk vergaande, uitspraken. Ik noem er een paar. Met stip op 1 staat hun conclusie dat binnen niet al te lange tijd het integratiebeleid zinloos wordt omdat we het gemak van de allochtoon als minderheid kwijt zijn (het staat er anders maar het is onmiskenbaar dat ze van het woord allochtoon afwillen omdat het traditioneel met een ‘minderheid’ werd geassocieerd), en omdat herkomst bij tweede en derde generatie een idioot criterium aan het worden is. Een tweede is dat we er achter aan het komen zijn dat de verschillen binnen en tussen allochtonen misschien wel interessanter zijn dan hun allochtoon-zijn. Nee maar, roepen we dan. De derde is hun stelling dat de grote steden doorgangssteden aan het worden zijn. Als je weg kunt ga je weg, steeds meer kunnen weg en gaan dus ook weg en wie achterblijft is gedoemd achter te blijven, maar dan wel in wijken die behoorlijk worden bijgemengd met passanten die niet in de wijk zijn geïnteresseerd. Passanten en immobielen zou dan een betere aanduiding zijn dan migranten en gevestigden. Bijgevolg bevat het rapport een pleidooi voor integraal probleembeleid, in plaats van specifiek doelgroepenbeleid. Die conclusie is nooit weg; de vraag is of het materiaal in de rapportage de conclusie oproept. Ik heb het niet kunnen vinden. Er zijn bewegingen maar of dat de bewegingen zijn in de richting die de auteurs suggereren kan aan de hand van de data niet worden beweerd. Het ligt misschien voor de hand de data zo te lezen (het verschijnsel komt in tal van grote steden voor, hier en elders) maar om op de conclusies van de auteurs beleid te baseren is voorbarig. Wat zou er nog meer nodig zijn?

Ik zou denken dat onderzoek nodig zou zijn. Daar waren de auteurs niet aan toegekomen. Ze hebben, als ik het sympathiserend lees, een rapport geschreven op basis waarvan je wat hypotheses kunt opstellen. Meer niet.

11 maart

=0=

 


Krapte

Een van de vele voorstellen van de commissie Bakker (Naar een toekomst die werkt, Rotterdam 2008) was het invoeren van een werkbudget. Iedereen die werkte zou tegelijk een dergelijk budget opbouwen. Contractvorm zou dat niet mogen verhinderen en het budget komt op naam van de persoon wier budget het is. Je kunt het dus meenemen naar een volgende werkgever of meenemen naar een bestaan als zzp-er. Je kunt het ook meenemen je pensioen in. Wat je ermee doet staat vrij en, cruciaal, het tijdstip van opnemen staat vrij (hoewel, de commissie oppert dat ook de sociale partners iets over opzet en uitvoering te zeggen hebben. Dat had meer mogen worden uitgewerkt). Het doel is de inzetbaarheid en de weerbaarheid van mensen te vergroten en ze iets meer greep te geven op hun eigen loopbaan. Daarnaast stelde de commissie voor om de huidige werkloosheidsverzekering om te zetten in een werkverzekering. Een mooie gedachte maar daar is de commissie toch wel erg voorzichtig in gebleven. Hun werkverzekering is een oproep aan werkgevers en werknemers toch vooral te blijven scholen en opleiden – maar staat niet in het teken van het lonend maken van transities van de ene naar de andere activiteit. In plaats daarvan wordt de werkverzekering pas actief als werkloosheid aan de orde is of dreigt aan de orde te komen. De voorstellen van de commissie op dat vlak vielen me wat tegen. De commissie was van mening dat werkbudget en werkverzekering onlosmakelijk met elkaar waren verbonden. Dat heb ik nooit terug kunnen vinden. Het werkbudget wordt opgehangen aan de loopbaan, de werkverzekering aan de baan. Daar had nog wel een slag mogen worden gemaakt.

Dat werkbudget was geen klein bier. Zoals de commissie aangeeft moet het op termijn ‘oplopen tot een half maandsalaris per dienstjaar’ (:77). Over de hoogte kun je altijd twisten maar ik denk dat het een mooi begin zou zijn. Wie het vergelijkt met de nu ingestelde ‘vitaliteitsregeling’ zal zien dat je met die regeling maximaal 5000 euro per jaar mag sparen en in totaal maximaal 20000 euro (met de levensloopregeling kon je maximaal tot 210 procent van je brutoloon sparen en jaarlijks maximaal 12% van dat brutoloon). Je bouwt dus alleen op als je spaart. Dat is een groot verschil met het werkbudget want daar wordt de opbouw gekoppeld aan het hebben van een baan (het is een soort verplichte premie en geen individueel besluit te sparen) en de bovengrens wordt niet vastgelegd door een bedrag of een percentage maar door het aantal tijdsperioden dat je hebt gewerkt en je eigen opnamegedrag. Ten opzichte van het werkbudget is het, met zoveel woorden, een terugval. De overheid is kennelijk als de dood voor enige eigen regie van de werkende over diens loopbaan. De vitaliteitsregeling is een versobering ten opzichte van de levensloopregeling en staat nog weer verder af van het idee van een werkbudget. Jammer voor de commissie, het werkbudget was een aardig idee. In ons land houden we niet van een aardig idee. Wij hebben dociele werknemers nodig, geen mensen die over zichzelf kunnen beslissen voordat anderen dat hebben gedaan. Nou ja, we mogen sparen.

Zo langzamerhand wordt de commissie Bakker een club waar alleen nog meewarig over wordt gesproken. In De Groene van deze week wordt het rapport van de commissie alleen nog aangehaald op de voorspelling van een groot aanstaand tekort op de arbeidsmarkt: de vraag zal stijgen, de Nederlandse beroepsbevolking krimpt. Dat laatste klopt natuurlijk, maar – en daar gaat het artikel over – de vraag op de arbeidsmarkt kan uit tal van andere vaatjes tappen, van het manipuleren van arbeidsvoorwaarden tot en met een wereldarbeidsmarkt die niet alleen steeds groter wordt maar ook steeds beter toegankelijk. Daarom, zo stelt het artikel, is ‘niet iedereen nodig’. Er is geen tekort en ook geen aanstaand tekort, er is sprake van schaarste en dat is hele andere koek. Bij een tekort heb je geen bronnen, bij schaarste herschik je je bronnen.

Toch denk ik dat het artikel drie dingen over het hoofd ziet. In de eerste plaats is krapte op de arbeidsmarkt een situatie die de positie van werknemers versterkt en van werkgevers verzwakt. Daar was de commissie niet voor, en alles in ons land vanaf de jaren negentig is er op ingesteld geweest om te voorkomen dat het daar op uitloopt. In de tweede plaats kan – en dat is de grens die de commissie liever niet wil oversteken en de overheid al helemaal niet – een situatie van effectieve volledige werkgelegenheid leiden tot onaangename inflatoire effecten. Werkloosheid is nodig en alleen al daarom is ‘iedereen’ nodig. En in de derde plaats heeft de commissie het ook over de verzorgingsstaat en de balans tussen premies, belastingen en uitgaven. De focus van de commissie op de Nederlandse beroepsbevolking is vanuit dat oogpunt zowel begrijpelijk als zeer verdedigbaar. De overheid heeft daar overigens een veel simpeler oplossing voor gevonden: een gegeneraliseerde workfare die de verzorgingsstaat betaalbaar moet houden. Het gevaar dat juist daardoor de arbeidsmarkt in twee niet communicerende vaten wordt opgedeeld (als gevolg waarvan de krapte op de reguliere arbeidsmarkt alsnog groter wordt) neemt men op de koop toe. Die krapte mag de wereldmarkt oplossen – en het niet instellen van het werkbudget kan ook nog een kleine bijdrage leveren.

Dit zijn veel woorden voor een eenvoudige stelling: het werkbudget zoals de commissie dat had bedacht heeft aanbodseffecten die de permanente druk op een groter arbeidsaanbod deels ongedaan kunnen maken. Het zou, ik noem maar wat, het niveau van de werkloosheid kunnen aftoppen net op het moment dat de arbeidsmarkt, inderdaad, krap is. Dat zal ons met de fooi van de vitaliteitsregeling niet overkomen. En daarom is het werkbudget geruisloos afgevoerd.

9 maart

=0=

 


Het binden van de tijd

Er zijn, het zal niemand verbazen, verschillende manieren waarop je een boek kunt lezen. Dat geldt zeker voor het laatste boek van Richard Sennett, Together; The Rituals, Pleasures and Politics of Cooperation (New Haven and London, Yale University Press 2012). Je kunt het lezen als een verdieping en een verbreding van zijn eerdere boek over de ambachtsman. Dat ligt zelfs voor de hand. Sennett is bezig met een trilogie over de vaardigheden die mensen nodig hebben om zich in het dagelijks leven adequaat te kunnen bewegen. Dit is het tweede boek ervan, het laatste gaat over het bouwen van steden. Dat wordt ongetwijfeld een mooie kroon op het werk. Ik hoop op een vernieuwing van zijn grootse The Fall of Public Man, alweer vijfendertig jaar geleden verschenen.

Samenwerken is een vak, het vereist vaardigheden (die we in rituelen terugvinden) en het kost tijd. De rituelen bestudeert en beschrijft Sennett aan de hand van religies, aan de hand van diplomatie, aan de hand van de werkplaats, aan de hand van talloze gemeenschapsinitiatieven, van Jane Addams tot en met Saul Alinsky (om het wat kort door de bocht samen te vatten). Sennett kan het weten, als kind van Cabrini Green. Het levert fascinerende vertellingen op, ingekaderd door de thematiek van het complexe samengaan van samenwerking en concurrentie aan de ene, de overeenkomsten en in het bijzonder de verschillen tussen politieke en sociale democratie aan de andere kant.

Samenwerking bindt tijd, op voorwaarde dat je de tijd neemt en dat je de tijd hebt. Dat is de invalshoek die ik gebruikte bij het lezen van het boek. Een beperkte invalshoek – het boek biedt veel meer en het binden van de tijd is bij Sennett eerder een zorg – wij leven in de korte termijntijd, is zijn stelling – dan een uitgewerkt thema. Wel een terugkerend thema overigens, in dit boek en in eerder boeken zoals The Corrosion of Character, maar een nooit een thema dat hij serieus (‘systematisch’) uitwerkte. Dat is een gemis. De korte termijn leidt in alle gevallen waar het werk en de omgang op het werk aandacht en tijd vereisen tot een verarming van het werk en tot het verwaarlozen van verantwoordelijkheden. Managers die los van het werk staan merken geen fouten op, zien geen mogelijkheden tot innovatie, grijpen niet in als het link wordt en weten achteraf nergens van. Sennett illustreert het aan de hand van gesprekken in de wereld van het grote geld, van de banken. Werknemers zien die fouten en gevaren soms wel – net als de mogelijkheden voor wat nieuws – maar worden niet uitgenodigd die in gesprek te brengen en er dus iets mee te doen. Zwakke samenwerking is zwak, wat wil je. Betere garanties voor de erosie van elk gezag kun je niet vragen. En passant verdwijnt ook het vertrouwen in elkaar. Het werk bindt niet, de organisatie bindt niet, de tijd is te kort om de drempel van samenwerking over te komen.

Niemand krijgt nog een vaste baan, kopte Trouw gisteren. Je zou kunnen zeggen dat we dan zijn uitgekomen bij het regime van de korte termijn, zoals we dat bij Sennett als een grote bedreiging van de vaardigheden en het vak van het in samenwerking samen werken tegenkomen. Als je wilt improviseren moet je openstaan voor het onverwachte, zoals we dat hebben kunnen waarnemen bij de vroegmoderne transformatie van de werkplaats in zoiets als het laboratorium waar dingen niet alleen werden ingeoefend door herhaling en navolging maar ook door het experiment en het bij elkaar brengen van diverse ervaringen of ‘disciplines’. Het is het thema van een productieve interdisciplinariteit als uitvloeisel van multidisciplinaire, op elkaar betrokken, vaardigheden, een geheel van improvisatie en innovatie (: 112-113, 154-157, 214-215). Haal de tijd eruit en je haalt de angel eruit. Dat is wat Sennett ziet gebeuren – en betreurt.

Ik zou denken dat Sennett hier twee dingen op elkaar plakt die je beter uit elkaar kunt houden. Het eerste is de organisatie van vandaag die, inderdaad, steeds uitdrukkelijker opereert onder het dictaat van de korte termijn. Het tweede is het vak zelf, dat als het wordt opgesloten in de organisatie daar ongetwijfeld de weerslag van ondergaat. Maar die opsluiting is geen wet. Er zijn ‘gemeenschappen’, en Sennett geeft zijn persoonlijke ervaring ermee aan in het experiment van Google Wave (het experiment mislukte, de gemeenschap bleef bestaan), die zich los van en over de grenzen van organisatie heen vormen en in stand houden. Het is geen model, het is geen zekerheid, het is een mogelijkheid die het verdient als zodanig bestudeerd te worden. Vaardigheden en organisatie zijn twee dingen en wat de organisatie aan tijd niet wil bieden kan door de gemeenschap van op elkaar betrokken, in verschillende combinaties praktiseerbare, mensen en hun vaardigheden worden opgepakt. De voorwaarde is dat arbeid zich niet door de organisatie laat organiseren maar zichzelf opnieuw leert organiseren. In ons land zijn we bezig met een ‘nieuwe vakbeweging’. Wat zou dat anders moeten zijn dan een nieuwe organisatie van de arbeid door de arbeid?

Sennett heeft een boek geschreven dat je leert beter naar jezelf te kijken, naar de verhoudingen waarbinnen je je beweegt, naar de veranderingen die je gedurende je werkzame leven hebt meegemaakt, veranderingen die nieuw zijn en toch ook weer niet, die aan het ‘sociale’ een reliëf en een dynamiek verlenen waarvan ik de rijkdom, met dank aan de auteur, weer wat beter kan proeven.

8 maart

=0=

 


Machteloos

Europa, de globalisering, de ICT revolutie en de horizontalisering van de betrekkingen tussen burgers, bedrijven, NGO’s  en overheden zijn er verantwoordelijk voor dat de staat zoals wij die kennen een onderdeel van de problemen is geworden in plaats van een onderdeel van de oplossingen. Dat is de stelling in het boek van Joop Hazenberg De machteloze staat; hoe globalisering en individualisering de overheid uithollen (Breda, De Geus 2012). De staat kan wel hinderen, vertragen, afleiden, ons op het fout been zetten maar daar hebben we het wel zo’n beetje mee gehad. Constructieve activiteiten – de opbouw van de verzorgingsstaat als laatste grote voorbeeld – zijn van de staat niet meer te verwachten. De overheid is voor een fors deel al naar Brussel verhuisd, het wachten is op de aankomst van een bijpassende staat, een Verenigde Staten van Europa. Die kondigt zich al aan en dat is maar goed ook (: 229). Ik denk, zegt Hazenberg, ‘dat mijn generatie klaar is voor deze rigoureuze stap’. Zijn generatie, dat is de generatie van de twintigers en dertigers, die het met de natiestaat wel heeft gehad en die de verzorgingsstaat niet zozeer wil afschaffen als wel de verzorgingsstaten van de EU wil ‘koppelen’. Dat had wat meer uitleg mogen hebben maar de teneur is helder. Of het waar is kan ik niet nagaan. Hazenberg zegt namens zijn generatie te spreken. Doet hij dat? Of is het eerder het onderscheid in opleiding en kansen, met Hazenberg aan de kant van de hoger opgeleiden, dat hier ‘spreekt’? Een onderscheid in ‘netwerken’? Hazenberg gaat er niet op in. Dat maakt zijn claim niet minder interessant, wel minder hard. In de mondiale netwerksamenleving gaat het er per slot minder om hoeveel ‘vrienden’ je hebt dan om de kwaliteit en de aansluitingen van de netwerken waar je in zit. Het gros der vrienden is toeschouwer, amper acteur en om dat laatste draait het. Dat is, toegegeven, niet hetzelfde als opleiding maar dat is dan ook niet meer dan een grove indicator die veel te gemakkelijk wordt gebruikt.

Het boek is met name interessant door het uitzicht dat het biedt op de ‘interactieve staat’. Exit de polder, exit de SER (waarom de SER als het symbool bij uitstek wordt gezien van de polder en niet, bijvoorbeeld, de Stichting van de Arbeid, is me een raadsel) en enter (naast de supranationale overheden) de lokale en regionale overheden die hun rol niet dwingend en voorschrijvend opvatten maar die de staat in de rol van regisseur en facilitator van decentrale processen plaatsen (: 154-155). Hazenberg heeft het dan over energiebeleid – met afstand het aardigste en sterkste deel van het boek (in het hoofdstuk ‘Het vieste jongetje van de klas’). Dat hij in het vervolg nogal zonnig (de metafoor is in dit verband wel geoorloofd) doet over de voorlijkheid van het bedrijfsleven en juist weer heel somber over de achterlijkheid van de nationale staat schrijf ik maar toe aan jeugdig enthousiasme. En aan een duidelijke voorkeur voor liberale politiek waarin hij grootmoedig ook Stef Blok laat optreden.

Dat de staat ‘machteloos’ is wordt door de schrijver niet echt verdedigd. In een van de twee scenario’s die in het boek worden ontvouwd (: 192-202) zien we een sterke, in zichzelf gekeerde, repressieve, staat terugkeren (de schrijver ziet het onmiskenbaar als regressie), maar zelfs in de open staat van het Europese huis die wel de sympathie van Hazenberg wegdraagt blijft de staat een belangrijke speler. Alleen, de staat zal voor z’n eigen onmisbaarheid en voor z’n eigen gezag in het krijt moeten treden. Als dat de strekking is van de interactieve staat die Hazenberg nastreeft dan heeft hij een belangrijk punt gescoord. Het boek bevat rijp en groen, het presenteert zig-zag bewegingen als rechte lijnen, het overdrijft en deklasseert naar het zo uitkomt, maar dat punt blijft overeind. De staat is niet machteloos. De staat is gewoon niet almachtig. Daartussen zit nog een heleboel manoeuvreerruimte.

6 maart

=0=

 

 

Iemand

Zoals ik al verwachtte is De Buurman van J.J. Voskuil opnieuw een boek – ik zou bijna zeggen: een studie – over eenzaamheid. Over eenzaamheid als onvermogen. Ze kunnen het niet, Maarten en Nicolien. Ze kunnen elkaar niet bereiken, en ze kunnen anderen niet bereiken. Voor Maarten is het een gegeven waarvan hij alle kanten onderzoekt, ook al is het onoplosbaar. Voor Nicolien is het geen gegeven, het is een steen. En af en toe rolt die steen van haar hart. Ze denkt iemand gevonden te hebben die haar begrijpt, die aandacht voor haar heeft, en ze ontsteekt in grote woede als Maarten daar welke kanttekening dan ook bij plaatst. Omdat elk woord van Maarten per definitie een kanttekening is, zijn de ruzies niet van de lucht. Elk woord van Maarten dreigt Nicolien iets af te nemen. Hou je kop – of woorden van gelijke strekking – is een veel gebezigde uitdrukking. Een onmogelijke opdracht voor Maarten. Een relatie is een gesprek en zeker een huwelijksrelatie is dat. Het levert een vrijwel eindeloze serie patstellingen op waar geen van beiden zich bij neer kan leggen. Het levert een roman op die onafwendbaar, noodlottig bijna, naar een onvoltooid einde leidt. Het sluit niets af, het zet de stukken weer op het bord. Hun relatie is onmacht, een gedurige reproductie van onmacht.

De Buurman is geen buurman. Het zijn er twee, buurman en buurman dus. Het enkelvoud in de titel intrigeert. Het is alsof het niet over de buren maar over het verschijnsel buur gaat, het verschijnsel dat je niet kunt ontlopen omdat er altijd wel iemand naast je woont. Beter een goede buur dan een verre vriend; het is aan Maarten niet besteed want Maarten definieert zijn vrijheid als afstand. Dat kun je van Nicolien niet zeggen. Hun buren, eerst Petrus en dan Peer, zijn haar nabij. Het zijn haar kinderen, zegt ze af en toe, en ze houden van haar en hebben aandacht voor haar. Voor hen telt ze, is ze er: ‘Het is gek, maar ik moet daarom huilen. Dat er iemand is die aandacht voor me heeft. Zo iemand ken ik niet’ (: 46).

Petrus is een gepensioneerde man, Peer is zijn jongere vriend. Petrus is, zoals hij zelf graag opmerkt (en Petrus zegt als regel steeds de zelfde dingen en zonder uitzondering op een toon die geen tegenspraak duldt), een misantroop. Peer is opgewekter, levendiger dan zijn vriend. Hij zit in de WAO en we moeten maar aannemen dat daar psychische redenen aan ten grondslag liggen want zoals Petrus niet spoort, ontspoort Peer. Hij heeft een leven van ruzie gehad, met zijn familie, en in onverwachte sprongen ook met Maarten. Dat loopt van uitschelden tot en met pesterijtjes – waarbij zelfs de fiets van Nicolien niet wordt gespaard. Als die vraagt hoe dat kan zegt Maarten dat Peer dat heeft gedaan. Dat gelooft Nicolien niet. Peer? ‘Zoiets zou Peer nooit doen’. Het zijn de laatste woorden in het boek.

De omstandigheid dat Petrus en Peer homo zijn is voor Nicolien van groot belang. Haar perceptie is dat ze daarom in haar als mens geïnteresseerd zijn, niet als vrouw. Met andere mannen zou voor haar een relatie zoals met Petrus en Peer onmogelijk zijn. Mannen en vrouwen, daar komt altijd iets anders bij, zegt ze, behalve als het homomannen zijn. Dan hebben we de ene helft. De andere helft is dat homo’s underdogs zijn en underdogs (het Engels en de cursivering stammen beide uit het boek) hebben twee enorme voordelen. Ze worden nooit in de pronkzaal van de maatschappij tentoongesteld en ze hebben bescherming nodig. Het is de perfecte formule voor Nicolien. Ze ziet de verschoppeling en de verschoppeling is goed. Daar passen geen kanttekeningen bij, geen relativeringen, geen differentiaties, daar past geen diversiteit bij, en geen onderscheid. Elk onderscheid staat gelijk aan discriminatie. Het leidt tot een verbijsterende dialectische redenering waarin Maarten verweten wordt alles over één kam te scheren, juist omdat hij weigert het onderscheid op te geven: ‘Net zomin als een neger er wat aan kan doen dat hij zwart is, kan een homo er iets aan doen dat hij op een man verliefd wordt’ (: 89). Het enkelvoud regeert. We hebben de neger, de homo, de buurman. Meervoud, pluriformiteit, het zou het beeld verstoren. Zo wordt Maarten homohater en, in een discussie met Petrus over Lanzmann’s Shoah, ook nog antisemiet (: 219-224). Met het laatste blijkt Nicolien – ze zegt het niet tijdens de discussie – het na afloop niet eens maar hij heeft het over zichzelf afgeroepen. Wie ruzie maakt moet op de blaren zitten. Maarten voelt zich in de steek gelaten. Hij zegt het niet. Het antwoord was ongetwijfeld geweest dat zij zich altijd in de steek gelaten voelt.

De publicatie van De Buurman is jaren tegengehouden door Nicolien. Een van de hoofdpersonen leefde nog en ze wou hem niet voor het hoofd stoten. Het was haar iemand. Nu die persoon is overleden mocht het boek (‘Het is natuurlijk een prachtig boek’, schrijft ze) verschijnen. Wie die hoofdpersoon is weet ik niet. Ik vermoed Peer. Het doet er niet toe. Nicolien zal zich de illusie van haar verlangen naar iemand niet laten afnemen en wij zijn een boek rijker.

4 maart

=0=

 

 

Makke Schapen

Gisterochtend, ik luisterde naar de radio, hoorde ik wat kanttekeningen van jongeren (van CDJA en andere politieke jeugdclubs) bij de cijfers van het CPB en de bezuinigingen die daar mee in verband worden gebracht. Ferme taal, geen taboes, gewoon doorwerken en iedereen wat inschikken. De jongerenafdelingen van de politieke partijen zijn nog braver dan de partijen zelf. Niet alleen bezuinigen maar ook hervormen, dat was de consensus. De banken aan banden leggen? Het financiële verkeer wat beter regelen? De scheve inkomensverdeling aanpakken? Nee, dat viel er niet onder. Wie tegenwoordig hervormingen zegt is al akkoord met bezuinigingen en herhaalt bij hervormingen de bekende riedels over de arbeidsmarkt en de woningmarkt.

Financiën? De jongelui hadden het er niet over. Hadden ze er iets over gezegd dan in de volgende trant vermoed ik: ‘Dat is staatsschuld en begrotingstekort, meneer en die andere financiële wereld, de wereld van banken en schaduwbanken, van equity kapitaal en hedgefunds, van het gebruiken van je winsten om je eigen aandelen terug te kopen in plaats van te investeren, van het ondernemen als overnemen, van de anorexia voor de werknemers en de boulimia voor de aandeelhouders, die wereld kennen we heus wel meneer, maar we gaan er niet over.’ 

Ik dacht eraan omdat ik donderdagmiddag aanwezig was bij een kleine lezing van Paul Kalma, naar aanleiding van het verschijnen van zijn nieuwe boek(Makke Schapen; over volgzame burgers en vluchtige politiek. Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker 2012). Hij sprak de verwachtingen uit zoals ze gisterochtend op de radio bewaarheid werden. Zo zal er vermoedelijk weer gereageerd worden op de cijfers van het CPB. Zo wordt er gereageerd.. Niet om vrolijk van te worden. Hervormingen die meer van hetzelfde zijn (de onttakeling de laatste dertig jaar van de verzorgingsstaat) en het vrijhouden van het in diezelfde periode ontketende nieuwe kapitalisme.

De afbouw van de verzorgingsstaat en de opkomst van het financiële kapitalisme treden in de tijd vrijwel gelijktijdig op, zelfs in de VS waar de minimale verzorgingsstaat door Clinton in een regime van workfare werd getransformeerd, dezelfde Clinton die de door Reagan opgezette ontregeling van de Glass-Steagall Act voltooide. Tegelijkertijd werd in Europa de werk, werk, werk mantra geïntroduceerd, begeleid door de deregulering en de liberalisering van de geld- en kapitaalmarkten. In Engeland werd het door Anthony Giddens de derde weg genoemd, de weg van de keuze en de weg waarin je niet kon kiezen niet te kiezen. Dat hebben we geweten. De gebeurtenissen en de gevolgen worden door Kalma bekwaam en uitgebreid beschreven. Ik weet niet of het een verhaal van oorzaak en gevolg is maar mocht het zo bedoeld zijn dan zou ik denken, het boek lezend, dat de financialisering van onze wereld – en van ons beeld van de wereld en van de betekenis van de wereld – de oorzaak is en de erosie van de verzorgingsstaat het gevolg. Ik schrijf het met enige aarzeling op, omdat ik altijd wat aarzel bij dergelijke lineaire verklaringen van gebeurtenissen en ook omdat ik wat meer had willen weten van de interne problemen van onze verzorgingsstaat, problemen waar Kalma wel op wijst maar niet echt op ingaat.

Waar hij wel op in gaat is op de rol van de politiek in het geheel. Waar waren de politieke partijen (en in het bijzonder: waar waren de sociaaldemocratische partijen)? Waarom hebben ze de markt omhelsd en waarom hebben ze dat zo gedaan dat de politiek technocratisch werd en de politieke partij een bestuurderspartij? In het debat, volgend op zijn inleiding donderdag, was dat het centrale thema. Waarom hebben we het ons laten aanleunen? Waarom wordt er zo weinig perspectief geboden en waarom doen we zo verbaasd over de afwending van het politieke bedrijf door grote delen van de bevolking, een afwending die alleen hen geen windeieren legt die de afkeer van de politiek tot hun programma hebben gemaakt? Wat schieten we ermee op door klasse als ordeningsbegrip te vervangen door cultuur? Kalma schrijft er mooie, wijze, dingen over op (: 144-160) en verwees ernaar in zijn inleiding. Prangende vragen, inderdaad, en aarzelende antwoorden – die meer op herformulering van de vragen leken dan het perspectief schetsten dat kennelijk zo nodig is. Niettemin, een herformulering kan z’n nut hebben, zeker als het de kant opgaat die Kalma aanbiedt in de vorm van ‘Sociaaldemocratie anders: tien stellingen’ (: 187-214). Dat hoofdstuk leest als een offensieve samenvatting van het hele boek en verdient veel aandacht. We komen het afscheid van de bestuurderspartij tegen, het weer in het zadel helpen van het gelijkheidsbeginsel, een pleidooi voor een coöperatief kapitalisme, het aan banden leggen van het ondernemen als overnemen, het vertrouwen op publiek en maatschappelijk initiatief (een politieke democratie die de verbinding weet te leggen en aan te leggen met vormen van sociale democratie), het versterken van zeggenschap en medezeggenschap in de economie om de democratie te redden, het is een indrukwekkende, redelijk doortimmerde lijst. Het zijn de uitgangspunten van een programma.

Een gedepolitiseerde politiek is slechte politiek. Deregulering en liberalisering moeten worden gepolitiseerd, anders wordt het niks. Wanneer de grote kwesties uit de politiek worden gehaald en als technische zaken worden afgehandeld houd je een overheid over die zich als een schoolmeester gedraagt in een roerige klas. Niet alleen de moderne politiek, ook de moderne economie vraagt om makke schapen. Ik kan de redeneringen allemaal wel volgen – en ik vind dat ze helder en toegankelijk zijn beschreven – maar ik heb me verbaasd over het betrekkelijke gemak waarmee het grootste technocratische project van enkele generaties politici in de schaduw is beland. Het ontketende kapitalisme is essentieel voor het verhaal over de politieke treurnis waar we ons in bevinden, dat ben ik met hem eens. Maar de constructie van de EU, tot enkele jaren geleden vrijwel altijd buiten elk politiek debat om, is even essentieel. De euro, om het daartoe te beperken, is ons niet door het financiële kapitaal opgelegd en evenmin aanbevolen. Het IMF, de Wereldbank, we kunnen ze niet als verklaring opvoeren. De euro is een politiek project, net zoals de schielijke uitbreiding van de EU met tien staten – zo ongeveer tegelijkertijd met de introductie van de euro in het dagelijkse betalingsverkeer – een politiek project was waar de technocratie van alles en de democratie bitter weinig mee te maken heeft gehad. Ik mag het internationale kapitaal graag met wantrouwen bejegenen, maar hier zou ik toch de technocratische politiek voorrang geven.

Ik besteed hier enige regels tekst aan omdat ik niet gelukkig ben met stelling nummer 6 in het boek: Meer verscheidenheid in de Europese Unie (: 201-203). Ik proef in die stelling zoiets als de gedachte dat we het allemaal (de euro, de uitbreiding) nog een keer over zouden moeten en ook zouden kunnen doen. We hadden er inderdaad niet aan moeten beginnen, niet op de manier zoals het gebeurd is. Maar dat is niet hetzelfde als het terugdraaien van de gebeurtenissen.

Het Europa van Kalma is een Europa van natiestaten. De natiestaat is het zwaartepunt van de democratie, zo schrijft hij (: 202). Daar, aan die natiestaten, mag je best verschillende snelheden aan toestaan en zo nodig een exit optie. Dat gaat allemaal wel heel snel naar mijn smaak. Wat is die staat van de natiestaat? De tegenwoordige lidstaat in de EU lijkt, zeker in het Nederlandse geval, meer op een huismeester dan op een bouwmeester. Dat maakt van de door Kalma bepleite soevereiniteit van de natiestaat niet zozeer een oplossing als wel een gigantisch constructievraagstuk – en de vraag is of de bouwmaterialen en de bouwtekeningen, of de aan- en afvoerwegen, of de vergunningen via de EU moeten worden binnengehaald of, desnoods maar toch, buiten de EU om. En hoe zit het met die natie van de natiestaat? John Kennedy had het, sprekend over de VS, over een ‘nation of immigrants’. Dat is een natiebegrip dat niet iedereen als eerste zal hanteren. Maar welk begrip van natie dan wel? Geldt ook hier niet dat we dat begrip eerst moeten construeren voordat we het als oplossing, laat staan als uitgangspunt, kunnen inzetten?

Kalma heeft een belangrijk boek geschreven. Het inspireert en het zet aan tot nadenken. Het confronteert. Zou het niet aardig zijn als, nu de PvdA toch bezig is met het kiezen van een fractievoorzitter, zijn tien stellingen tot inzet van een kandidatendebat worden gemaakt? Om te beginnen, natuurlijk, niet om het debat af te sluiten. Zo’n begin, ik zou ervoor tekenen.
 
3 maart

=0=