> FiB

> Dagboekhouder januari - april 2007

 

 

 

 


DAGBOEKHOUDER

Aantekeningen van een ongeduldige toeschouwer

Ton Korver


Amsterdam/Tilburg 2007


 

 

Hoofdzaken

Exit

Humaan

DNBA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Maxima Moralia
 
Dat had ook de titel kunnen zijn van dit bundeltje aantekeningen. Maar ik wil niet overdrijven. Zo dicht op de huid zitten me de sketches hieronder nu ook weer niet. Ze gaan over dingen die me bezighouden en waar soms de handen van jeuken. Dat is nog niet hetzelfde als het ‘verzonken in ervaring’ dat de Minima Moralia van Adorno als keurmerk heeft. Je moet afstand weten te bewaren. Dat geldt voor de politiek – die karakterlozer wordt met elke nieuwe stap om vooral dicht bij de burger te blijven – en het geldt voor mij.

Niettemin, het kan altijd beter. En dat is een tweede verschil tussen mij en het inspirerende voorbeeld van Adorno. Er is geen goed leven in het slechte is een dictum dat nog uitgaat van een herkenbaar onderscheid tussen goed en kwaad. Daaruit vloeit het oordeel voort. Inmiddels twijfelen we ook daaraan. Dat is geen reden tot wanhoop. Eerder het omgekeerde. Twijfel is, met de gave ons te kunnen vergissen, de opmaat voor schaven en beschaven. Dat wordt makkelijk vergeten, en hoe drukker we het hebben hoe makkelijker. Ik ben aan diezelfde drukte gebonden. Vandaar het ongeduld, gekoppeld aan de afstand die ik met de woorden ‘aantekeningen’ en ‘toeschouwer’ verbind en het voorbijgaande dat meeklinkt in de titel waar ik uiteindelijk voor heb gekozen: dagboekhouder. Het zijn maar woorden. Neem ze niet letterlijk. De tijd laat geen steken vallen. Dit dagboek wel.

---------------------------------------------------------------------


Van de wieg tot het graf

Een verzekerd bestaan ‘van de wieg tot het graf’ was de droom van Beveridge, de liberaal die in Engeland aan de basis van de verzorgingsstaat stond. Nog in de commissie van Rhijn, architect van de Nederlandse verzorgingsstaat, hoorden we de echo. Lang geleden allemaal. Nu gaat het over andere dingen, zoals drang en dwang. Een bewaakt bestaan ‘van de wieg tot het graf’ is de droom van Rouvoet. Mede namens het kabinet en tal van fracties.

Vanaf je geboorte komt er een dossier. De kinderbescherming begint bij het consultatiebureau. Al voor je geboorte worden je ouders in de gaten gehouden. Als er iets met jou niet lukken wil zal je de maat worden genomen. En die van je ouders. Gaat het dan nog niet goed dan word je helemaal van de staat. Je hoeft er niet eens iets voor te doen. Sterker nog, als je niks doet valt dat des te meer op en wie opvalt moet oppassen. Spijbelaars, lanterfanters, werklozen en andere uitvreters kunnen we niet hebben en zullen we niet hebben. Nescio’s uitvreter is literatuur en voorbij. 

Vanavond, zo las ik, gaat de PvdA met zichzelf in debat over waar het naar toe moet. Daadkracht en zo, niet teveel achterom kijken maar de neus in de wind. De leider (de ‘leider’?) ondersteunen. Dat zal er wel uitkomen. Dat is jammer. Als de PvdA iets moet doen is het nu juist eens achterom kijken. Om te zien wat er allemaal is weggegooid, om te zien dat er ooit een sociaaldemocratie was die meer in z’n mars had dan kleinzielig en kleinzerig geneuzel over baantjes waar je je neus voor zou moeten ophalen. En over vredesmissies die wel missies zijn en evenveel vrede zullen brengen als het met het zwaard verbreide geloof. Geen dus, hoewel we er in dit land heilig in geloven. Nee maar. Ook een soort opbouw. Voor binnenlands gebruik ook geschikt.

Nee, kijk maar eens om. En kijk dan naar voren, naar de heilstaat van totale participatie. Of totale mobilisering zoals men in een rauwer tijdvak nog durfde zeggen. Ik begrijp dat er in gereformeerde kringen wat onrust begint te ontstaan over Rouvoet. Het zal toch nog niet zo zijn dat ook wij ermee te maken krijgen? Het is toch voor die allochtonen die niet willen deugen? Ik hoop voor de kinderen van Rouvoet dat ze eens behoorlijk uit de band springen en door de politie in hun kraag worden gevat. Die van Bos zijn nog te jong dus dat is nog even wachten. Het zou goed voor die kinderen van Rouvoet zijn. Die glimlach van hun vader is te benauwend om een leven lang mee te gaan. Ik ben benieuwd wat het kabinet zou denken als het plotseling om hun eigen kinderen blijkt te gaan. De gereformeerden hebben dat, niet toevallig overigens, eerder door dan de regering. En de fracties. En de PvdA. Het parool is: wie niet omkijkt naar z’n wieg komt verfomfaaid in het graf.

11 juli

 
---------------------------------------------------------------  
         

Namen

Elly en ik waren een paar dagen in Wenen. Er was een congres, een paper, een aantal sessies over ‘trust and law’, en een vrije dag in een zonnige stad. We zagen de door  Hundertwasser ‘organisch’ verbouwde huizen, bezochten de Secession, wandelden, zaten op terrassen. Van die dingen. Wenen is een opmerkelijk stad, je wilt er eigenlijk minstens drie weken blijven in plaats van ons rantsoen van drie dagen.

Kakanië is er nog. Wenen herinnert voortdurend aan het ‘K und K’ rijk, de keizerlijke en koninklijke dubbelmonarchie, door Musil zo ironisch ‘Kakanië’ genoemd. Dat Wenen was de stad van Ulrich, de hoofdpersoon en het schoolvoorbeeld van Der Mann ohne Eigenschaften. Ulrich heeft alleen een voornaam, geen achternaam. Dat contrasteert, niet toevallig denk ik, met Ishiguro’s hoofdpersoon Stevens uit The Remains of the Day. Stevens heeft geen voornaam, alleen een achternaam. Het contrast schuilt in de situatie: Ulrich heeft een onuitputtelijk aantal mogelijkheden zonder dat dat hem tot enigerlei besluit weet  aan te zetten. Hij is een en al potentieel, en actualiseert of realiseert niks. Omdat hij nergens mee verbonden is, zich nergens in onderdompelt, zich nergens aan hecht. Hij houdt z’n opties open, en zou niet weten wat de moeite waard was. Stevens daarentegen kent slechts één mogelijkheid en die telt dus niet. Eén mogelijkheid is geen mogelijkheid, het is geen keus maar een lot. Van vader op zoon, in het geval Stevens. Stevens is butler, net als zijn vader, en zijn verlangen is een waardig butler te zijn, want grootsheid in dat beroep hangt af van waardigheid. Stevens wil niets nieuws of anders, alleen hetzelfde en dan beter. Stevens is uitsluitend actualiteit, en nergens potentieel.

In de sessies van het congres ging het voornamelijk over ‘vertrouwen’. Vertrouwen is ook een soort potentieel, waar je op bent aangewezen als je iets van plan bent maar niet zeker weet of je omgeving daar blij mee is. Dan moet je vertrouwen hebben want anders doe je niks en dat schiet niet op. Vertrouwen is, net als geld en macht, een ‘medium’. Media zorgen ervoor dat de kans wat groter wordt dat als jij wat doet de anderen daarbij aansluiten. Vanzelf gaat het niet, daar is onze samenleving veel te ingewikkeld voor en dus hebben de mensen een kleine aansporing nodig om met je mee te doen (de lokroep van een geldbedrag, de dreiging van een tik op de vingers, de belofte van wederkerigheid). Vertrouwen speelt zich af in de sfeer van een voorgespiegelde wederkerigheid. Het vult aan waar geld niet genoeg is, of gewoonweg te onzeker om erin te geloven, en de macht van de straffende overheden het laat afweten, of heeft laten afweten omdat het toch niet werkt. Het thema van ‘vertrouwen en recht’ was nog niet zo slecht gekozen.

Een medium moet natuurlijk wel een vorm aannemen. Macht zonder wetgeving, rechtspraak, politie, gevangenis, leger, ambtenaren en bureaucratie is geen macht want het verdampt. Geld zonder prijzen, gespecificeerde betalingsopdrachten, rekeningen en rekeningnummers, registratie en bewaking van rekeneenheden en standaarden, circulatiekanalen enzovoorts, zal het ook niet lang uithouden. En vertrouwen is als kennis: als je het gebruikt groeit het gezellig aan, als je het niet gebruikt droogt het op en vergaat. Dat is het lot van Ulrich aan de ene en Stevens aan de andere kant. Bij Ulrich past in principe elke achternaam, maar zonder dat er ooit één helemaal wordt geadopteerd. Het potentieel wordt nooit echt benut en dus droogt het op. Een potentieel dat zich niet vastlegt, geen vorm aanneemt, vernietigt zichzelf. Stevens is het omgekeerde geval – met dezelfde uitkomst. Stevens is alleen vorm – van een butler valt ook weinig anders te verwachten – en zal daar nooit uit loskomen. Stevens vernietigt z’n eigen potentieel, inclusief het vermogen mens te worden. Daarin verschilt hij niet van Ulrich. Een naam is pas een naam als het een voorkant en een achterkant heeft. Zoniet dan worden media omhulsels op zoek naar een zin die ze niet zullen vinden en vormen worden anachronismen met een toekomst die al voorbij is zodra je er even bij stilstaat. Stevens en Ulrich zijn net zo modern als het vertrouwen dat je vraagt zonder te weten aan wie en waarom en ze zijn net zo modern als het verlangen naar een toekomst die niet verschilt van gisteren en waar we dus vandaag niets mee aan kunnen vangen.

9 juli

--------------------------------------------------------------

Heleen

Mees, niet Dupuis. Heleen Mees schrijft in NRC Handelsblad van gisteren een column onder de titel: De ethicus en het ontslagrecht. Het is een nieuw hoogtepunt in de tedere gevoelens die de wat minder bedeelden bij de goed bedeelden oproepen. Mevrouw Mees vindt namelijk dat het probleem niet aan de onderkant zit maar aan de bovenkant. Vroeger zeiden we dan gewoon dat het probleem niet bij de arbeid lag, maar bij het kapitaal. Tegenwoordig zeggen we dat het probleem niet bij het kapitaal ligt, maar bij de werknemers. Dat zit zo. Sommige werknemers – best veel hoor, als je er even over nadenkt – hebben het goed geschoten en andere weer veel minder. Denkers zoals mevrouw Mees gaan nog een stapje verder: sommige werknemers hebben het slecht omdat andere het goed hebben. Daar ligt het probleem (verdere bijdragen aan dit debat: zie onder Jacobs, zie onder Kalshoven, zie onder AVV). De oplossing is simpel: zorg dat de beter beschermde werknemers wat minder goed beschermd worden en het komt in orde. Radicalen, zoals mevrouw Mees, stellen zelfs dat de beter beschermde werknemers helemaal niet meer beschermd moeten worden. Dat is goed voor hun ‘innovativiteit’ en hun ‘ondernemingszin’. Ik verzin het niet, het staat er. Misschien is de ‘ethische’ oplossing de slecht beschermden meer bescherming te geven, de ‘goede’ oplossing is de goed beschermden van hun bescherming te ontdoen. Mees: ‘Niet de ethicus geeft het juiste antwoord. De economen hebben gelijk’.

We hebben ontslagbescherming omdat de werkgever er wel eens een potje van maakt. Dat is de eenvoudige grondregel van het arbeidsrecht. De enige vraag die passend is zou dus moeten zijn: doen de werkgevers het tegenwoordig zoveel beter dat het arbeidsrecht om die reden niet meer nodig is? De mensen die gelijk hebben, althans volgens mevrouw Mees en de haren, beantwoorden de vraag met een volmondig ja. Reusachtige ontslagvergoedingen die ons dagelijks via de media worden voorgetoverd zijn echter niet het product van het arbeidsrecht maar van het contractenrecht waar de werkgevers alles mee te maken hebben en de werknemers niets, ook niet als ze meer dan de kapitale som van 40.000 euro per jaar verdienen (voor mevrouw Mees het grenspaaltje aan gene zijde waarvan de echte rijkdom begint). Overigens, mevrouw Mees geeft ruiterlijk toe dat ze niet weet of het kabinet ook de ‘afkoopsommen van veelverdieners aanpakt’. Daar houdt blijkbaar de wetenschap van de economen op en begint het domein van de ethici. Zoveel te beter want die hebben toch geen gelijk.

We zien dat het arbeidsvoorwaardenoverleg in Nederland wordt verziekt door de werkgevers – en door een kabinet dat de handen ten hemel heft. We zien dat het ontslagrecht tot een aanfluiting wordt gemaakt door werkgevers die hun privileges op willekeur, die hen door het arbeidsrecht in elk geval nog een beetje werden ontzegd, weer volledig komen opeisen. De werkgever eist het recht op naar believen te kunnen aannemen en te ontslaan, premies en bonussen te kunnen uitdelen, naar de deur te wijzen en de hand op de knip te houden. Als het zo uitkomt en met de complimenten van Mees. Zouden ‘de’ economen blij met haar zijn? Ik kan het me niet voorstellen, ook al lijkt me de kans groter dat ze in dat gezelschap medestanders vindt dan bij de ‘ethici’. Kijk, als ze bij mevrouw Dupuis haar ethiek heeft gehaald heeft ze het grootste gelijk van de wereld daar afstand van te nemen. Maar waar zou mevrouw Mees toch economie hebben gestudeerd?

30 juni

---------------------------------------------------------------

Abe

Gisteren was ik met vier vrienden uit Groningen in Heerenveen. We hadden een Abe-dag. De aanleiding was een gesprekje met hen, enige tijd geleden, over de lagere school die Abe in zijn prille jaren had bezocht. Ik was daar nieuwsgierig naar want mijn moeder, afkomstig uit Aengwirden –één van de drie ‘grietenijen’ waaruit Heerenveen is ontstaan – en één jaar eerder dan Abe geboren had bij hem in de klas gezeten.

De school hebben we niet gevonden. Er is, in de buurt van de Badweg waar Abe is geboren en van de Compagniestraat waar het gezin Lenstra na enkele jaren Badweg ging wonen, veel gesloopt en veranderd, bijgebouwd en omgenummerd. Of Abe’s geboortehuis er nog is valt te betwijfelen. De Compagniestraat 12: dat huis is er nog. Niet dat het is gemarkeerd, in Heerenveen doen ze niet zo aan bordjes en opschriften. Ook het eerste stadion waar Abe speelde (vanaf z’n vijftiende speelde hij twintig jaar lang in het eerste van Heerenveen) is weg. Er is nu een nieuwbouwwijk en een stukje oplopend grasveld. Zonder vermelding dat sportclub Heerenveen daar ooit heeft gespeeld.

In museum van Haren is een zaal met foto’s, films en reportages, en parafernalia van grote sporters. Een grote foto van Sven Kramer, het nodige over Jeen van den Berg en natuurlijk Abe. Met nog een oude uitzending van de VPRO over hem. En met hem. Dat was interessant want Abe gaf aan hoe hij z’n tegenstanders in slaap suste.

Abe was een leider, als we een leider althans omschrijven als iemand die in staat is te manipuleren hoe anderen naar hem kijken. Voor een leider is dat noodzakelijk. Als we allemaal weten wat hij gaat doen is het effect al lang ingecalculeerd en dat schiet niet op (in de politieke economie spreken we van ‘rationele verwachtingen’ en het betreffende leerstuk geeft bijvoorbeeld aan dat als wij weten dat de staat bij dalende conjunctuur de economie gaat oppeppen wij ons gedrag daar vooraf op aanpassen en daarmee het beoogde effect te niet doen: een korte geschiedenis van het lot van het keynesianisme). Abe werd vaak verweten dat hij maar wat rondslofte en zich niet al te zeer inspande. Daarmee, zei hij,  manipuleerde hij de tegenstander – en sloeg vervolgens toe. Cruyff heeft wel eens wat soortgelijks verteld. Een leider, in het voetbal en elders, observeert anderen en weet dat anderen ook hem observeren. Als je dat handig weet te bespelen kom je het beste aan je eigen spel toe. Een slimme man, onze Abe. Toen we het museum verlieten ging net Foppe de Haan naar binnen. Met een blanco uitdrukking op het gezicht. Ik bedoel maar.

Het grappige was dat ik ’s avonds thuis in de column van Frits Abrahams op de achterpagina van het NRC Handelsblad een verhaaltje las over het landgoed Oranjewoud en Museum Belvédère. Daar waren wij ook naar toe gefietst. Er hangt werk van Jan Mankes (zijn zelfportretten doen aan Dick Ket denken) en veel van Krin Rinsema. Rinsema werkt vrijwel nog uitsluitend met de droge naald. Veel van haar werk van dit jaar (een enorme productie) is in het museum te zien. Net als de voetballer Abe is de kunstenaar in staat ons naar haar te laten kijken op de manier die haar uitkomt. Via het kunstwerk. In haar geval gaat het vrijwel steeds om vrouwen en meisjes, soms vergezeld door een klein hondje, die in een donkere omgeving zonder herkenningspunten zich tastend en schuifelend voort lijken te bewegen, het hoofd naar beneden. Je kunt het lezen als een commentaar op de oriëntatieproblemen die elke tijd, en gegeven de snelheid van tal van tegelijkertijd optredende verwarrende ontwikkelingen zeker de onze, voor iedereen met zich meeneemt. Zo stuurt Rinsema met haar kunst onze waarneming. Wij kijken, zij stuurt. Zoals Abe. Abe was een kunstenaar.

29 juni


--------------------------------------------------------------

En op de eerste plaats staat …

Nu de oude boevenstreken van de CIA op het net zijn gekomen rijst de vraag welke op de niet ingevulde eerste plaats staat. Dat van Castro (2de plaats) is niet zoveel nieuws en de nieuwsgierigheid gebiedt te speculeren over de vraag welke kwestie voor de CIA de belangrijkste is geweest – en die ze nog even achter houden. Mijn gok is Iran en het omverwerpen van de regering Mossadegh in 1953. De CIA werkte toen samen met de Britten. Oude banden dus. Blair wordt iets speciaals voor het Midden Oosten. Daar vallen mijn schoenen bij uit. Na Balfour, na het zetten van de schaar in Irak, na het gekuip rond de onafhankelijkheid van Israel, na de absolute mislukking in Irak, opnieuw. En laten we Iran niet vergeten. 1953. De CIA werd gerund door Alan Dulles, de broer van de toenmalige minister van buitenlandse zaken van de VS, John Foster Dulles. Was die niet van de dominotheorie? Hebben we nog altijd.  Mossadegh’s misdaad destijds was de nationalisatie van de olie. Hij werd veroordeeld voor landverraad, maar niet vermoord – een lot dat zijn minister van buitenlandse zaken wel te beurt viel.

De Amerikanen kunnen het zich nu niet permitteren Mossadegh op nummer één te plaatsen. In poging van de CIA een beetje schoon schip te maken kunnen ze geen schoon schip maken. Dat roept de vraag op of dit een beslissing van de CIA zelf is of van, pak ’m beet, Cheney. Ik gok op de laatste. Cheney is tot alles in staat en zijn oorlog met de CIA wordt op zijn termen uitgevochten.

Ik sprak een vriend. Hij dacht dat Kennedy op de eerste plaats zou staan. Ik blijf een onverbeterlijke optimist.

28 juni


--------------------------------------------------------------

 

Rij Veilig

Als je in de auto zit word je getrakteerd op aanwijzingen. Borden langs de weg met als boodschap doe dit, laat dat. De strekking van die borden is dat je goed moet opletten en je niet moet laten afleiden want het verkeer is een veeleisend monster. Om die borden te lezen moet je je natuurlijk laten afleiden. Het zijn paradoxale oproepen want ze vragen je even te negeren wat je nu juist moet doen: goed opletten in het verkeer namelijk.

We kunnen best leven met paradoxen want als we ons inderdaad even hebben laten afleiden kunnen we daarna des te beter opletten. Dus: stop de tijdsfactor in de paradox (paradoxen zijn altijd tijdloos geformuleerd) en je kunt weer verder. Naar huis bijvoorbeeld of naar het restaurant dat op een weer ander bord werd aangeprezen. Als je goed oplet kom je nog aan ook: daar kun je mee thuiskomen! Oplettendheid wordt beloond.

Publieke borden zijn er om ons de oplettendheid in te prenten; private borden zijn er om je beloningen voor goed gedrag voor te spiegelen. Garanties zijn er niet, dus als je aftakt naar dat restaurant langs de weg kom je er achter dat je die gedachte niet alleen hebt gehad. Maar zelfs als het restaurant helemaal vol is en er geen plaatsje meer te vinden is, ben je in ieder geval aangekomen en dat is beter dan niet-aankomen.

Dit is de omschrijving van de participatietop. Vroeger had je verkeersdeelnemers en niet-verkeersdeelnemers. Nu hebben we alleen nog verkeersdeelnemers en hoe meer er daarvan zijn hoe meer etalages elke deelnemer te zien krijgt. Als ze zich ten minste aan de regels houden en dat wordt er met zoveel mensen niet eenvoudiger op. Daarom slijpen we de regels bij, maken het rij-examen zwaarder, reiken het slechts onder voorwaarden uit, en verscherpen de sancties op slecht rijgedrag.

Er zijn op het verkeersplein dat wij arbeidsmarkt noemen altijd meer voertuigen dan etalages en bijbehorende parkeerplaatsen (de arbeidsmarkt is een stoelendans). Niet iedereen kan parkeren, sommigen hebben een langparkeervergunning, anderen alleen een vergunning voor eventjes en weer anderen vinden geen parkeerplaats. Niettemin moet de circulatie op het verkeersplein onophoudelijk en dus ongestoord doorgang vinden. Dat eist nogal wat van degenen zonder parkeervergunning. Van hen wordt steeds meer oplettendheid gevraagd om de oplettendheid zelf. Niks restaurant.

De opgave van de participatietop is voor degenen zonder vergunning het vuurtje van de hoop op een vergunning aan te steken en brandend te houden. Regering en werkgevers zijn van mening dat de langparkeerders het probleem zijn; de vakbeweging vindt dat er etalages en dus parkeerplaatsen bij moeten. De oude oplossing – je neemt deel of je neemt niet deel – is niet goed genoeg meer. Iedereen neemt deel en daarmee basta. Dat heet participatie en het vereist meer stuurkunst dan voorheen. Je hebt werk of je bent op weg naar werk. Dat is nogal een verschil met: je hebt werk of je bent werkloos.

Als langparkeerders het probleem zijn ligt het niet voor de hand de eigenaar van de etalage de bevoegdheid te geven parkeerders weg te zenden – of, gelet op het belang van de winkelier, juist niet. In de PC Hooftstraat is dan het voorspelbare gevolg dat er nog meer SUV’s komen en de kleine autootjes steeds langer moeten zoeken naar een plekje – en dat niet vinden. In een beschaafd land is het parkeerbeleid in handen van het publiek en niet van de winkelier. Je had kunnen denken dat de regering daar op zou inzetten maar dat doet ze niet. De regering wil juist de bevoegdheden van de winkelier over de parkeerplekken vergroten. De regering denkt de verkeerscirculatie te bevorderen door de beslissingen erover steeds meer uit handen te geven. En is vervolgens verbaasd als blijkt dat sommige langparkeerders een vergunning voor nog langer parkeren krijgen en heel veel anderen eentje voor korter of helemaal niet meer.

Hoe meer mensen op weg naar werk worden gezonden hoe drukker het wordt. Hoe drukker het wordt hoe gedisciplineerder we ons moeten gedragen. Hoe langer we rondjes moeten rijden – niet iedereen kan immers aankomen – hoe meer dressuur gewenst is om de discipline er in te houden. Rij veilig, zeker als je niet aankomt. Dat is de nieuwe paradox. De aandacht voor de ‘onderkant’ van de arbeidsmarkt is er niet vanwege het werk. Het is er vanwege de dressuur en de discipline, voor de dwang en drang zoals leden van het huidige kabinet zo graag zeggen. Wie dat braaf slikt houdt het vooruitzicht op een parkeerplek. Te beginnen in het fietsenrek.

De onderkant is een voorbeeld voor ons allen. Ze houdt ons aan het werk – wij leveren hand- en spandiensten als klaar-over en ander nuttig verkeersgeregel – en zichzelf ook, op straffe van verlies van uitkering of zelfs van het recht over jezelf te beslissen. Dat recht moet je verdienen. Door goed op te letten en je voortdurend te laten storen om niet te vergeten dat je moet opletten. Op die fiets dus. Rij vooral veilig.

27 juni

 

----------------------------------------------------------------

Bond

Eigenlijk dacht ik dat het de Bond tegen Werk heette, maar daar vergis ik me in. Het is de Bond tegen het Arbeidsethos. In Wikipedia worden er een paar regels aan besteed. De club heeft bestaan tussen 1982 en 1996. Het was een bond van werklozen maar dan ‘bewust’ werklozen. In 1982 was de werkloosheid hoog, in 1996 begon de economie op stoom te komen. Ik mis ze. Naast de Bond tegen het Vloeken en de Bond tegen de Haast was het een mooie aanvulling tot een drie-eenheid.

Wat zou de Bond vinden van Hans de Boer? De Boer is voorzitter van de Taskforce Jeugdwerkloosheid. Wonderlijk toch dat ‘taskforce’. Zou de Boer gedacht hebben dat als we toch lekker bezig zijn een paar ‘prep camps’ niet misstaan? Werkkampen klinkt zo onaardig, net als heropvoedingsinstituut of strafinrichting.

Alleen al die naam is verdacht. De Boer is in het algemeen iemand die zegt waar het op staat. Nu niet dus. Als iets een totale institutie is weten we twee dingen: je zit er niet uit vrije wil (je hebt straf) en de gewone scheiding tussen wonen, werken en vrije tijd is opgeheven, is je uit handen genomen. Een prep camp is een totale institutie, de straf op de zonde begaan tegen het arbeidsethos. Bewust werkloos is een maatschappelijke misdaad geworden. Met de komst van de keuzemaatschappij luidt het nieuwe gebod dat niet alles kan worden gekozen. Anders wordt het een janboel.

De bedoeling is om jongeren zonder opleiding en werk in de kraag te vatten, ze hun luie bed uit te krijgen, ze te leren zinvol met hun tijd om te gaan en ze daarna terug te sturen naar werk of opleiding of een combinatie van beide. Het gaat om volwassenen, jongeren dus die niet leerplichtig meer zijn noch onder het ouderlijk gezag vallen. De maatschappij, het prep camp, zal vader en moeder voor hen worden, voor een tijdje. Een strenge vader en moeder dat wel. Je hebt huisarrest jongen, voor een half jaar en als het moet voor nog veel langer.

Gaat het werken? De Boer lijkt er niet aan te twijfelen. Toch is de vraag niet overbodig. In totale instituties wordt, net zoals overal, uiteraard geleerd. Vaak niet veel moois, als we denken aan wat gevangenen van elkaar leren. In gevangenissen worden ook cursussen, mogelijkheden voor zelfstudie en dergelijke aangeboden. Werken die? Kortom, wat hebben gevangenen in de gevangenis geleerd als ze er uit komen? Daar is redelijk wat onderzoek over en het zal niet verbazen dat gevangenen net mensen zijn. Sommigen gaan door met waar ze toch al mee bezig waren, anderen zetten een nieuwe koers uit. De eerste groep is groter dan de tweede. De Boer gokt op de tweede. Wat weten we daarvan? In elk geval één ding: dat van gevangenen vragen zich te ‘schamen’ voor hun levenswandel averechts werkt. Zo moet je ze kennelijk niet aanspreken. Dat heeft goede redenen. Ze willen namelijk zelf de verantwoordelijkheid behouden voor hun levenswandel, zowel voor de goede als voor de slechte dingen. Het heeft alleen zin mensen op te voeden als je uitgaat van hun eigen verantwoordelijkheid.

Dat is aardig natuurlijk, want zo neem je mensen serieus. Dat kan zelfs in gevangenissen (vraag het maar aan de mensen die in de gevangenis werken), hoewel de institutie er niet toe lijkt uit te nodigen. In de prep camps wordt begonnen met de premisse dat jongeren hun verantwoordelijkheid niet hebben genomen of gewoonweg niet aankunnen. Dat is een hoogst ongelukkige premisse, althans als je een gooi wilt doen hen iets te laten leren en ze in staat te stellen daar beter van te worden. Het zou niet gek zijn als er iets serieuzer was gekeken naar de redenen die de jongeren zelf aanvoeren voor hun situatie. Daar komt verantwoordelijkheid namelijk op neer en het zou zomaar kunnen zijn dat die redenen net iets meer, iets ingewikkelder, iets hardnekkiger, iets beter overdacht zijn dan de veronderstelling van de Boer dat zijn klanten voor het kamp gewoon te beroerd zijn om op tijd op te staan.

Wie weet treffen we zelfs ‘bewust werklozen’ aan. Misschien moet de Bond tegen het Arbeidsethos weer worden opgericht. Benieuwd wanneer het dan als een criminele organisatie zal worden geboekstaafd en de leden afgevoerd naar en verspreid over prep camps. Geen beter recruteringsterrein voor de goede zaak!

26 juni


---------------------------------------------------------------


Ruzie gevraagd

           
Niets is zo goed voor de sociale cohesie als een pittige ruzie. Op de inhoud kun je al snel geen kant meer uit, maar op het punt van het verzamelen van medestanders raak  je nooit uitgeput. En ook de begrenzing van de inhoud is een drempel die met een beetje moeite en fantasie gemakkelijk valt te slechten. Gooi er wat moraal tegenaan en de aanvankelijke conflictstof vermenigvuldigt zich sneller dan je voor mogelijk hield. Model: jij hebt niet alleen ongelijk, jij deugt gewoon niet.

In onzekere tijden is ruzie zoeken een patent middel om wat meer zekerheid te verwerven. In onzekere tijden weet je niet meer wat je van de ander kunt verwachten en zolang de ander z’n kaarten voor de borst houdt kom je het ook niet te weten. Maar als je de ander uitdaagt en dat een beetje handig aanpakt kun je zien en ook een beetje bepalen hoe de ander reageert. En hoe totaler je hem uitdaagt, hoe meer je weet. Een vriend/vijand schema is ongetwijfeld een enorme beperking in alle relaties waarin mensen tot elkaar kunnen staan, maar het levert wel een overzichtelijk speelveld op. En het is niet eenvoudig je aan het spel te onttrekken, ook als je er weinig zin in hebt.

Het is geen tijd voor stabiele verwachtingen, behalve voor de stabiele verwachting dat we van stabiele verwachtingen niet veel te verwachten hebben. De teruggreep op de ‘maden en wormen’ van Balkenende helpt daar niet bij, en dat niet alléén vanwege het feit dat mensen die elkaars waarden delen fors met elkaar in de clinch kunnen liggen – over wat te doen in onzekere tijden bijvoorbeeld. Wat wel helpt is de vlucht vooruit in makkelijke schema’s van wij en zij, vooruitgang en stilstand, beschaving en barbarij enzovoorts. Op die schema’s worden we dan ook gedurig onthaald.

Het ontslagrecht is een aardig voorbeeld. Voorwaarde: iemand moet de eerste stap zetten. Dat gebeurt zelden door de zwakkeren. Je hoeft niet zozeer lef als wel macht te hebben om de kat de bel aan te binden. Die rol heeft het kabinet op zich genomen en nu is het wachten op de reactie van de anderen. Het kabinet staat niet alleen; tal van grensrechters – van Bas Jacobs tot en met Frank Kalshoven, hoewel: van/tot en met? – kiezen opnieuw de partij die ze al gekozen hadden. Die van de flexibiliteit en de vooruitgang natuurlijk. En, zoals te verwachten (!), ze moraliseren de kwestie door het op te nemen voor de zwakken op de arbeidsmarkt en de gevestigden aan te spreken op hun egoïsme. Vrienden en vijanden dus.

Toch blijft het raar. We weten dat de sterkeren op de arbeidsmarkt diegenen zijn die hoger zijn opgeleid. Jongeren zijn vanuit dat perspectief sterker dan ouderen. We weten dat mensen met een hogere opleiding veel vaker worden beloond met een nog hogere opleiding (training en opleiding via de werkplek) dan mensen met een lagere opleiding. Wie beweert dat de jongeren moeten worden gesteund omdat ze ‘outsider’ zijn heeft daarom nog wel wat uit te leggen. Als men nu zou zeggen dat jongeren profijtelijker zijn voor werkgevers dan ouderen, ja dan snap ik het. En als men zou zeggen dat de werkgevers hun lol – en hun winst – van de ouderen nu wel hebben gehad en dus wat nieuws willen, dan snap ik het ook. Dat deze voor de hand liggende relativeringen niet worden aangetroffen is echter maar al te begrijpelijk. In de eerste plaats kun je beter de kaart van de sterken spelen. Dat is de kaart van de jongeren en de beter opgeleiden. In de tweede plaats versterk je de politieke kaart van je zaak door je voor te doen als slachtoffer. Daarvoor citeer je andere slachtoffers (allochtonen bijvoorbeeld en, waarom ook niet, aan de kant gezette ouderen). En in de derde, meest effectieve, plaats zorg je er zo voor dat de werkelijk sterke partij op de arbeidsmarkt, de enige en echte ‘gevestigde’, buiten de discussie wordt gehouden. Die partij is natuurlijk de werkgever. Ruzie is mooi, maar kies dan wel een tegenstander die wat voorstelt.

25 juni


--------------------------------------------------------------


Klik!

Als ik me schuldig voel kijk ik met mijn eigen ogen naar mezelf. Als ik me schaam kijk ik met de ogen van anderen naar mezelf. Schuld is tekort schieten, schaamte is betrapt worden met je broek naar beneden. Schuld is plicht, schaamte is ongemak. Wij beleven de overgang van een schuld- naar een schaamtecultuur. We leren steeds meer naar onszelf te kijken met de ogen van anderen. En we zeggen, wat zou het, als je toch niets te verbergen hebt?

Wie zich onzichtbaar maakt heeft, kennelijk, iets te verbergen. Niet-geregistreerde werklozen bijvoorbeeld, die geen uitkering aanvragen en ook verder nergens een beroep op doen – behalve om met rust gelaten te worden. Wij vertrouwen dat voor geen cent. We weten dat ze zich nergens schuldig aan gemaakt hebben (nog niet, maar wat niet is zal komen) en vinden het niettemin beschamend – zij zouden zich moeten schamen en wij moeten ons schamen als we hen laten volharden in hun zelfgekozen isolement. Wie onzichtbaar is maakt zichtbaar dat hij niet mee wil spelen. Voor de overige spelers is dat bedreigend. We moeten ons allemaal zichtbaar maken. Uitzonderingen op die regel zijn niet toegestaan. Dan is de schaamte van een individueel ongenoegen overgegaan in een, per definitie bovenindividuele,  cultuur. Het Panopticon tussen de oren, tussen ieders oren, dat is het idee. You are your own Big Brother. Daar kan Google, waarover de Groene van deze week bericht, niet tegen op. Google is de omgeving; wij zijn het systeem en Google zit in ons, niet omgekeerd.

Neem anoniem klikken of aangeven. Dat was ooit iets om je schuldig en, als het uitkwam, je er ook beschaamd over te voelen. Klikspaan! Verrajer! Niet meer. De klik van de klikspaan is inmiddels getransformeerd in de klik van het fotootje nemen. De schuld is omgezet in je trots mogen voelen op jouw bijdrage aan een veilige, beveiligde, samenleving; de schaamte is geneutraliseerd in de anonimiteit van de klikcultuur. Wat ons kan worden aangedaan doen we preventief anderen aan. Wat ooit negatief werd geschreven (doe een ander niet aan wat jezelf ook niet wilt worden aangedaan) is positief geworden. De andere kant van schuld is tolerantie. De andere kant van schaamte is dwang. Veiligheid is een altijd hongerige gast. Veiligheid ziet alles als een mogelijke bedreiging. Veiligheid heeft geen eigen, interne, rem. The only thing we have to fear, is fear. Dat zei Roosevelt in de jaren dertig van de vorige eeuw. Hij heeft meer dan ooit gelijk.

24 juni

--------------------------------------------------------------


Elinkwijk

In het seizoen 1953/54 werd Elinkwijk kampioen in de hoofdklasse B. Nederland stond op de drempel van het betaalde voetbal, maar toen vertrokken de spelers nog niet voor het geld. Korte tijd later wel. Eén van de eerste bij Elinkwijk was Reinier Kreijermaat (‘Beertje’) die in 1959 voor 80.000 gulden naar Feyenoord vertrok. Een fortuin. Niettemin, als zelfs Abe kon verkassen van Heerenveen naar Sportclub Enschede (de voorloper van FC Twente) dan mocht Reinier ook.

Toch deed het pijn. Ik had dat al eens eerder ervaren toen de linksbuiten van het kampioenselftal (heette hij niet Hunting?) de club verliet. Hij emigreerde, naar Canada geloof ik. Ik begreep er niets van. Voetballen bij Elinkwijk en dan weggaan? Blijkbaar was het mogelijk. Gelukkig kwam het niet vaak voor. Nieuwe aanwinsten (in de jaren vijftig de broertjes Humphrey en Frank Mijnals bijvoorbeeld, afkomstig van die club met de mooie naam: Robin Hood, uit Paramaribo) waren welkom; vertrekkende spelers, ja dat hoorde eigenlijk niet. Tenzij ze niet goed genoeg meer waren, want de beste club zijn gaat niet vanzelf. Cor van Kilsdonk, rechtsback toen, werd zichtbaar een dagje ouder. Daar waren we het wel over eens, op de staantribune, daar in Zuilen. Elinkwijk was een gevoel. Elinkwijk-gevoel was net zoiets als familie-gevoel.

Het profvoetbal heeft dat radicaal veranderd. Ik weet niet of Cruyff de eerste was die zich een dief van eigen portemonnee had moeten noemen als hij het aanbod van Barcelona (3 miljoen gulden) had afgeslagen. Voetballers zijn niet langer loyaal aan een club; ze zijn loyaal aan hun eigen voetballoopbaan. Toeschouwers zijn de laatsten die nog loyaal aan hun club zijn, ook al doet het er al lang niet meer toe wie er voor de club speelt. Zolang er maar gewonnen wordt. De club is er niet meer voor het voetbal, maar voor het winnen. Voetbal is teruggebracht tot de voetbalclub, de voetbalclub is teruggebracht tot winnen en winst. Hoe dan ook. Een supporter nu is een ander dan de supporter van de jaren ’50.

Vandaag lees ik in de Volkskrant een artikel van Jan Willem Duyvendak en Evelien Tonkens, over het Nederland-gevoel. Dat gevoel komt er op neer dat je je ‘thuis voelt’ en dat is nu, net als bij de voetbalclub, iets anders dan in de jaren ’50. Ik ben het van harte met ze eens, maar ik vermoed dat zij, om in de wereld van het voetbal te blijven, het hebben over de voetballers, en niet over het publiek. De voetballers zijn gewend aan een steeds wisselende samenstelling van het elftal en kunnen ermee omgaan. Zelf wisselen ze ook vaak genoeg en je krijgt wat je geeft. Het publiek daarentegen doet alleen mee als er wordt gewonnen, zoals we in 1998 zagen toen de populariteit van Le Pen een deuk kreeg en Frankrijk de wereldkampioenschappen glorieus in de wacht sleepte (Elly en ik, op vakantie in Frankrijk toen, werden op een mooie middag toegesproken door een verlopen oudere man met een respectabele alcoholgeur om zich heen. ‘Trois-zéro hein?!’ En zo was het. Toen we hem later op de dag nog een keer tegenkwamen herhaalden wij z’n woorden maar voor hem was het punt toen kennelijk al gescoord. Er kwam geen antwoord). Maar wat als we verliezen? Hebben we dan nog een publiek met een ‘thuis gevoel’? En wat net voor en tijdens de wedstrijd, als de uitslag nog open is? De wedstrijd Jong-Engeland tegen Jong-Servië ligt nog vers in het geheugen. Voetbal is oorlog en niet wie voor ons is, is tegen ons. Noch leuk voor de tegenpartij, noch voor ons die wel van voetbal houden maar niet van voetbalsupporters.

De vraag is: wat valt er te winnen voor de supporters die behalve hun oude club weinig of niets hebben om trots op te zijn? Wat is hun winst als ze zich niet eens meer kunnen afzetten tegen al die nieuwbakken supporters van her en der die zich tegen de club aan willen bemoeien? Duyvendak en Tonkens stellen een ‘straatetiquette’ voor. Daarmee zou je de ‘buitenwereld’ (de nieuwkomers) kunnen ‘verkennen’ (besnuffelen) en zo weer ‘familiariteit’ (bekend geurtje en best acceptabel) kunnen opbouwen. En dat over en weer. Voor de oudkomers is zo’n aanpak in hoge mate betuttelend, voor de nieuwkomers op z’n best bevreemdend. Hoezo ‘buitenwereld’? Het is onze wereld, dus waar gaat het over? Hoezo ‘verkennen’? We kennen ‘m al als onze broekzak, dus wat moeten wij ‘verkennen’? En hoezo ‘familiariteit’? Weten Duyvendak en Tonkens dan niet dat familiariteit bestaat in het trekken van een scherpe scheidslijn tussen vertrouwd en niet-vertrouwd en het slechts erkennen van het niet-vertrouwde als dat zich bekent tot het vertrouwde? En was dat niet exact hun ‘probleem’?

Een samenleving is geen voetbalclub, niet in de jaren ’50 en niet vandaag. Het is ook geen verzameling voetbalclubs in een nationale competitie. Elke oplossing voor samenlevingsproblemen die ons probeert aan te praten dat dat wel zo is, schiet z’n doel verre voorbij. Een samenleving is geen ‘thuis’ en dat is maar goed ook. In een samenleving is plaats voor voetballers, voor korfballers, schakers en dammers en ook voor Midas Dekkers. Geen van hen hoeft voor mij ‘familiaire’ trekjes aan te nemen, zelfs al wonen ze in dezelfde straat als ik. Straatetiquette? Goede morgen is genoeg en ook dat is niet echt nodig. Wel leuk, niet nodig. Straatetiquette is modern vormingswerk. Goed genoeg voor hen, maar wij weten het al en hoeven dus niet, al doen we net alsof. Benieuwd hoe daaruit een samenleving ontstaat. Zelfs ik wist in de jaren ’50 al dat Elinkwijk een voetbalclub was en geen samenleving, laat staan een model ervoor.
 
23 juni

---------------------------------------------------------------

Zwaar

Komende dinsdag zal de FNV het Convenant Overgewicht ondertekenen. Het convenant zelf is van 2005 en tot de ondertekenaars behoorden destijds het Ministerie van VWS en OCW, een aantal clubs rond gezondheid, beweging en voedsel, VNO/NCW en MKB. De vraag is, wat heeft de FNV in dat gezelschap te zoeken? Eigenlijk zijn dat twee vragen. De eerste is wat de FNV kan met het doel van het convenant: het herstellen van de balans tussen eten en bewegen. De tweede is waarom de FNV en niet een aangesloten bond tekent (een vergelijkbare vraag, en nog dringender, geldt voor de ondernemers/werkgeversorganisaties omdat die hun leden al helemaal niet in de hand hebben). Dat de koepelorganisaties tekenen is tekenend zullen we maar zeggen.

Het zit de FNV zelf ook niet helemaal lekker. Uit het persbericht blijken twee dingen: in de eerste plaats ziet de FNV een kans om de werkomstandigheden langs deze weg weer eens op de agenda te krijgen. In de tweede plaats vindt de FNV dat zijn rol eerder zit in het adviseren en ondersteunen van ondernemingsraden dan in het vinden van een aanloop voor dit met recht gewichtige onderwerp naar de CAO. Vergeleken met de werkgevers, die zich zorgen maken over het ziekteverzuim, maakt de FNV zich meer zorgen over de ziekte. Dat blijkt ook de angst van de FNV voor een ‘paternalistische’ opzet in het geheel. Waar houdt een  goed bedoeld advies op en begint de moraliserende dwingelandij? Inderdaad, geen eenvoudig te beantwoorden vraag. En bovenal: een vraag die je op afstand moet houden van de arbeidsrelatie. Het is niet slim van de FNV om voor de zoveelste keer in de voetstappen van VNO/NCW te treden.

Het zal wel weer neerkomen op een ‘cultuuromslag’. Veel beroepen hebben hun eigen cultuur, inclusief taal, onderlinge verstandhouding, omgangsvormen en eten en drinken. Ik geloof niet dat daar in Nederland veel onderzoek naar gedaan is maar in Frankrijk (in de persoon van Bourdieu) wel degelijk. Wat je daar uit kunt afleiden dat een ‘individuele’ aanpak weinig effect kan sorteren. Een beroep is geen individuele eigenschap. Ligt voor de hand maar als je de tekst van het convenant leest merk je onmiddellijk dat daar wel degelijk van de ‘individuele verantwoordelijkheid’ wordt uitgegaan en dat het convenant ook helemaal gericht is om daarvan de implicaties op te sporen, uit te werken en om te zetten in handige tips. Het convenant wil bewerkstelligen dat iedereen individueel gezonde keuzes maakt, daarvoor (aantrekkelijke) mogelijkheden scheppen, uitzoeken wat aan een goede keuze bijdraagt en hoe en door wie actie mag worden verwacht en, ten slotte, hoe ‘synergie’ bereikt kan worden tussen alle betrokken partijen. Behalve de individuele verantwoordelijkheid staat er feitelijk niks. De cultuur van een beroep, een bedrijf, een branche wordt gereduceerd tot de cultuur van de individuele verantwoordelijkheid. Dik? Doe er wat aan. Aan ons ligt het niet en dus moet het aan jou liggen. We proberen het nog een keer met je en dan moet je het zelf maar weten.

Stel je voor. Je collega’s doen wat ze altijd al deden: na zware fysieke arbeid stevig en calorierijk eten. Als je daar niet aan meedoet word je niet voor vol aangezien. En terecht want met een paar slablaadjes en een plakje magere kipfilet op een droog toastje schiet het niet op. Je maag rammelt en erger nog: je collega’s kijken je meewarig aan – en nemen je niet meer helemaal serieus. Had je maar meer moeten bewegen dan was je ook niet zo dik geweest.

Werkgevers en werknemers hebben niks te zoeken bij een convenant over de ‘balans’ van eten en bewegen. Gewoon, omdat het ver buiten de arbeidsrelatie staat en daar vooral ook niet in moet worden opgenomen. Een acceptabele arbeidsrelatie houdt goed in de gaten waar de werknemer (dan wel de werkgever) ophoudt en de ‘mens’ begint. Met dit convenant wordt, niet voor de eerste keer, die grens overschreden. Als een werkgever iets wil, bijvoorbeeld met bouwvakkers die hij in dienst heeft, dan zijn er legio mogelijkheden om aan het vak te werken, het minder zwaar te maken bijvoorbeeld, of de arbeidstijden goed te regelen, of de onzekerheid over een volgende opdracht weg te masseren, het kan niet op. Doen we niet, we knutselen liever aan de werknemer dan aan het vak.

In het land waar de werkgevers naar goeddunken werknemers willen kunnen ontslaan en tegelijk heel de mens wil hebben kan het niet prettig wonen zijn. Het is het paard achter de wagen spannen en niettemin verwachten dat er vooruitgang wordt geboekt. Zwaar voor het paard ongetwijfeld maar dan had het paard er maar niet voor moeten kiezen een werkpaard te worden.

22 juni

--------------------------------------------------------------


Alles goed?

Gesprekken beginnen meestal wat onbenullig. Je groet elkaar en dan volgt de vraag of ‘alles goed’ is, met als antwoord ‘dank je, met jou ook?’. Of zoiets. Als je elkaar voor het eerst ontmoet probeer je iets over het weer, over de plek waar je bent, dat soort dingen. Waar je het over wilt hebben, als je het al ergens in het bijzonder over wilt hebben, komt pas daarna. De gewoonte is nog niet gesneuveld in ons tijdtekort en zelfs adepten van tijdmanagement heb ik er nog niet over gehoord.

Het hoort vast bij de goede manieren die wij, behalve aan onszelf, ook aan de conversatie wensen op te leggen. Een conversatie heeft eigen regels en daar zijn we aan gewend geraakt. Het gros van de mensen gehoorzaamt er aan. Je rekent er zelfs een beetje op dat je gesprekspartner niet direct met de deur in huis valt. Waarom eigenlijk? Het is een kwestie van niks en toch heb ik het me jaren afgevraagd. Gisteren, in de trein en naar aanleiding van een kleine passage in een boek dat ik aan het lezen was (Niklas Luhmann, Einführung in die Systemtheorie, Heidelberg 20063: 267-273), kreeg ik het antwoord als het ware op een presenteerblaadje aangeboden.

Het is eigenlijk heel eenvoudig en ik had het natuurlijk al lang kunnen weten als ik een beetje beter had opgelet. Je hoeft alleen maar te denken aan het geval dat het antwoord op je ‘alles goed’ vraag anders uitvalt en je te horen krijgt ‘nee, het loopt voor geen meter’. Dan kun je twee dingen doen. Je kunt het antwoord negeren – maar dan komt geen gesprek tot stand. Of je kunt op het antwoord ingaan – en maar hopen dat het gesprek dat je in gedachten had alsnog tot stand komt. Meestal doe je het laatste. Je krijgt dan te horen dat je gesprekspartner, om wat voor reden dan ook, het gewone conversatiespel niet kan meespelen. Hoofdpijn, verdriet, angst; iets zorgt ervoor dat je gesprekspartner er met z’n hoofd niet bij is. Z’n bewustzijn is even met zichzelf bezig en niet met de spelregels van de conversatie.

En daarom stellen we die vraag van ‘alles goed’. Het is een simpele controle op het gegeven dat om te converseren mensen er met hun hoofd bij moeten zijn. Meestal wel, maar als het antwoord niet is zoals je verwacht dan weet je dat het niet altijd zo is. In conversaties is het bewustzijn als regel afwezig (het is voorondersteld, net zoals zuurstof voorondersteld is, de zwaartekracht enzovoorts) want de conversatie heeft z’n eigen routines, procedures, codes en processen. Jij zegt wat en dan weer ik en daar ga jij weer op in enzovoorts. Het loopt allemaal via ons bewustzijn maar niet omdat we het daarover hebben. Tenzij de afspraak wordt doorbroken want dan praten we over de redenen waarom je je hoofd er even niet bij hebt. Zo goed en zo kwaad als dat gaat natuurlijk want wij kunnen ons bewustzijn niet afbeelden, niet voor onszelf en ook niet voor de gesprekspartner. Niettemin, in dat geval is het meer aanwezig dan ooit. Het curieuze is dat in de gewone conversatie het bewustzijn wordt verondersteld maar geen thema is. Het is aanwezig en tegelijk afwezig. Tenzij het fout is. Zoiets als sex in Victoriaanse tijden dus: het gaat niet met en het kan niet zonder. Alles goed. Met jou ook?

21 juni

---------------------------------------------------------------

Roodharigen

Gisteren las ik in de Pers een verslag over een familie in Newcastle die met enige regelmaat moet verhuizen. De reden: ze hebben rood haar. Misschien dat men een Judas in hen vermoedt, misschien ook niet. Gepest worden ze in elk geval en hun kinderen worden bij gelegenheid in elkaar geslagen.

In een verhaal over Sherlock Holmes komt een bond van roodharigen voor. Goed nieuws, zou je denken maar dat is het toch niet. Het verbond is met een smoesje bijeengeroepen en het ging alleen maar om een enkele onder hen. Die woonde namelijk bij een bank (als ik het me allemaal goed herinner) en van die plek wilden misdadigers gebruik maken om een kraak te zetten. Dus werd de daar wonende roodharige weggelokt onder het mom dat alle roodharigen in de buurt (of stad) kans maakten op een enorme beloning. Niet dus.

Even verder gaand waar ik 15 juni was gestopt.
In The Case Against Perfection (dit keer het boek) van de bio-ethicus Michael Sandel wordt aan het uiterlijk (en andere kwaliteiten) van mensen (en in het bijzonder van het zo gewenste nageslacht) veel aandacht geschonken. En eigenlijk ook weer niet want het uiterlijk wordt niet op uiterlijke kenmerken gewogen maar op morele. Het merkwaardige is niet dat het boek amper afwijkt van het al eerder gepubliceerde artikel met dezelfde titel (het aantal voorbeelden in het boek is natuurlijk wat groter en er is in het boek een hoofdstukje opgenomen over stamcelonderzoek – maar ook dat heeft Sandel al eerder gepubliceerd, in zijn Public Philosophy uit 2005). Het merkwaardige is tweeërlei. Het eerste is dat boek zowel als artikel de droom (of nachtmerrie in het geval van Sandel) van de maakbare mens niet serieus nemen. Of beter, juist omdat de droom voor Sandel een nachtmerrie is reduceert hij de droom tot iets dat je als je maar enigszins kunt zou moeten vermijden. Dat gaat niet lukken, ook al zou je willen. Tenzij er een middel op de markt komt dat je van droom zowel als nachtmerrie afhelpt. Maar dan moet je jezelf herontwerpen en daar is Sandel nu juist zo op tegen.

Het tweede is de naïeve verwachting dat we eenduidig en operationeel zouden kunnen vastleggen wat medisch is. De grondregel van Sandel is dat we medische innovaties alleen mogen gebruiken voor medische problemen. Gezondheid als waarde dus, maar niet het opleuken van iedereen om vooral maar succesvol te zijn en goed in de smaak te vallen. In het laatste geval zijn roodharigen pas echt de klos: je hebt er dan namelijk voor gekozen rood haar te hebben en dan moet je zelf ook maar de consequenties dragen.

De grens medisch/niet-medisch lijkt duidelijk, maar dat is niet zo. Wat wij medisch noemen houdt, bijvoorbeeld, niet op bij de psyche. Wat wij psyche noemen houdt niet op bij maatschappij en cultuur. Dito voor ons fysiek. De grenzen verschuiven en er bestaan geen waterdichte schotten tussen medisch, psychologisch, cultureel en maatschappelijk. De poging een esthetisch programma (‘perfection’) op te sluiten in een ethisch betoog (alleen medisch voor wat medisch is) kan niet lukken. Althans niet in de vorm die Sandel daaraan heeft gegeven. Roodharigen hebben er niets aan.

20 juni

--------------------------------------------------------------

 

Tijd

Je kunt je afvragen of ons tijdbesef niet begint met iets ruimtelijks. Iets is er, of het is er niet. De kleine Hans als het ware (of hoe hij ook heette) die volgens Freud met ‘fort-da’ bezig was: daar ligt het begin van tijdsbesef want vroeger of later leer je dat aanwezig/afwezig ook ervoor/erna is en nog weer later ben je al zo abstract dat je het als verleden en toekomst benoemt.

Hoe minder voorspelbaar de toekomst is, hoe minder het verleden richting geeft, en des te zwaarder de beslissing die je vandaag neemt. Ons tijdbesef is het besef van de opgegeven mogelijkheden en hoe weet je of jouw beslissing goed of fout is? Dat weet je pas achteraf en dan is het te laat want alles wat gebeurt, gebeurt nu, niet gisteren en ook niet morgen. Dat maakt nieuwsgierig naar hoe anderen het gedaan hebben want de tijden dat je uit iemands aanvankelijke situatie het vervolg wel kon afleiden zijn voorbij. De explosie in het aantal biografieën, die al lang niet meer beperkt worden tot de groten der aarde, getuigt ervan. De explosie in het curriculum vitae-wezen is een tweede getuige. Je CV moet je dagelijks bijhouden want het verleden wordt vandaag bepaald en de bepaling hangt af van wat je er morgen mee wilt.

Wat we van de toekomst weten is dat die anders zal zijn. Misschien wel radicaal anders, want wie zal zeggen of de mensen aan wie we het besef van verleden en toekomst toeschrijven over honderd jaar nog bestaan? Het is niet ondenkbaar dat de technologie voor het ingrijpen in onze hersenen zo’n vlucht zal nemen dat er mensen uitkomen die onze zorgen niet meer zullen herkennen, laat staan begrijpen.

Neem kinderen met het syndroom van Downs. We kunnen ons een toekomst voorstellen waarin dit syndroom effectief en preventief kan worden bestreden. Het gaat me hier niet om de medische kant van de zaak maar om een maatschappij die steeds minder bereid is voor de kosten op te draaien als de technologie beschikbaar is die het syndroom ongedaan kan maken. Mocht dat gebeuren dan is het gevolg dat ons vermogen tot zorgen wordt gereduceerd want die kant van het zorgen hoeft niet meer. Generaliseer dat en je krijgt andere mensen doordat je zowel de samenstelling van de populatie verandert als de samenstelling van de eenheden van de populatie. Wij dus.

Inmiddels stellen we ons tevreden met het maken van plannen voor probleemjongeren, die van het rechte pad zijn afgedwaald of dat misschien zullen doen. Wij kennen het rechte pad. Wij denken kennelijk nog steeds dat de toekomst voorspelbaar is, voor ons, en laten we hopen ook voor hen als we hen een beetje helpen.

Het is het zoveelste teken van krampachtigheid. Toekomstbestendigheid, het toverwoord van Balkenende, is een bezweringsformule. De bezwering legt echter niet de toekomst vast maar het heden, dus de visie op het verleden en de visie op de toekomst die wij beide vandaag vaststellen. De canon en de toekomstbestendigheid zijn twee kanten van dezelfde medaille: een blik op samenleving en mensen waar alles netjes en ordelijk een vast plekje heeft. Zoals de kleine Hans van een thuis droomde waar moeder altijd aanwezig was droomt de toekomstbestendigheid van een situatie waarin vadertje staat en moedertje samenleving altijd thuis zijn en op ons letten. Da.

18 juni

-------------------------------------------------------------

Vrienden

Een allemansvriend heeft niemand tot vriend. Een vriend is een onderscheid, en een allemansvriend verdoezelt het onderscheid. Vandaar. De vraag is daarom wat aan de andere kant van het onderscheid zit. In de politiek is dat de vijand, en wie z’n vijanden niet goed kiest doet hetzelfde met z’n vrienden. Hoe meer fout gekozen vijanden, hoe meer fout gekozen vrienden. Noemde Bos Hoogervorst niet een ‘kanjer’ of zoiets? Zum Kotzen. Hoogervorst weet het, hij kent zelfs het bijbehorende gebaar. Bos weet het kennelijk niet.

In het gewone leven maken we een onderscheid tussen vrienden, kennissen, bekenden enzovoorts. Het gewone leven is rijker en diffuser dan de politiek. Als het goed is, maar het is niet goed. De politiek wil in eigen land velen te vriend houden en denkt daarmee vrienden te maken. De politici zijn kennelijk vergeten dat de democratische spelregels waar ze zo aan zeggen te hechten, gebaseerd zijn op een diep wantrouwen. Daarom organiseren we verkiezingen, voorkomen dat mensen al te lang in hun politieke ambt kunnen blijven zitten, verbieden bepaalde combinaties van ambten enzovoorts. We onthouden dat politici ook maar mensen zijn en soms de luxe van het pluche niet aankunnen. Omdat ze foute vrienden hebben bijvoorbeeld.

Vanochtend hoorde ik minister Cramer. Ze vertelde over een 10-jarig meisje dat haar een mailtje had gezonden met als boodschap dat als we in sportscholen alle daar bestede energie zouden hergebruiken om aldaar voor de elektra te zorgen het goed zou gaan met het milieu. Cramer merkte idolaat op dat zij toen ze 10 was nog helemaal niet aan dat soort dingen dacht. Nee maar. Waar dacht ze dan aan? Aan de atoombom (of was het de H-bom?) als kussen waarvoor Buddingh’ destijds zijn ouders zo hartelijk bedankte? Heeft ze toen een briefje aan het kabinet gezonden met als strekking dat die griezelige dingen weg moeten en dat we van het geld beter de honger in de wereld kunnen bestrijden?

Mevrouw Cramer denkt, net als het hele kabinet, vrienden te maken. Ze vergist zich. Wij weten heel goed dat politici er niet zijn om vrienden van ons te worden. Wij weten dat ze ons soms nodig hebben en ons daarom te vriend moeten houden. Weer anderen heb je nooit nodig, omdat die voor geen enkele parlementaire meerderheid ooit interessant zijn. Politici  weten dat ook. Schiphol laten groeien en ons spaarlampen aanprijzen is niet voor iedereen een logische combinatie. Als het politiek moet dan moet het. Dat kost vrienden, vrienden. Dan had je er maar niet zoveel moeten willen hebben. Voor ons had het sowieso niet gehoeven. Wij zijn eerder bevreesd voor de vriendschap tussen kabinet en Schiphol dan dat we ook maar een seconde geloven dat de energie van Gerlach Cerfontaine het milieu ten goede zal komen.

Politiek heeft alleen een kans als ze afstand weet te bewaren. En wie te dicht in de buurt komt moet dat aan z’n verstand worden gebracht. De politiek als allemansvriend: het moet niet nog gekker worden. Dit kabinet heeft ingezet op een koers waar aan de eindstreep geen vriend zal zijn overgebleven.

17 juni

------------------------------------------------------------



Driedubbel

Het is zo veel makkelijker als je wat je slecht vindt ook lelijk kunt noemen. Het wordt nog makkelijker als je het slechte en lelijke als de vijand benoemt. Het eerste is de bijdrage van de maatschappij aan de intolerantie. Het tweede is de bijdrage van de politiek. Noem het hoofddoekjes, allochtonen en zwarte scholen. Die zijn niet in orde, ze misstaan en het zijn broeinesten van radicalisering en haat. Tot zover de korte geschiedenis van de 21ste eeuw. Noem het regressie.

Politiek gaat over het onderscheid vriend/vijand. Vandaag doet Etzioni (in de bijlage Opinie en Debat van NRC Handelsblad) een poging het onderscheid toe te spitsen op het thema van de veiligheid. Zijn zorg is het streven naar kernwapens van hen die ze nog niet hebben. Zijn voorstel is: verruim de definitie van vriend zodanig dat we iedereen veiligheid beloven die afziet van kernwapens. Atoomenergie akkoord, kernwapens niet akkoord. Etzioni wil stabiliteit door het onevenwicht in de beschikking over kernwapens vooral te handhaven. Dat is zo gek nog niet.

Het voorstel is aan de late kant, en zoals wel vaker wil Etzioni veel te veel. Hij gooit van alles en nog wat op één hoop. Maar het is wel een verstandig voorstel. Het biedt een beetje ruimte om met Iran te onderhandelen, en met Noord-Korea. En het heeft het bijkomende voordeel dat we slecht, lelijk en vijandig weer uit elkaar moeten rafelen. Iets kan slecht zijn en niet vijandig. Iets kan ook lelijk zijn zonder per se slecht te hoeven zijn, laat staan vijandig. Het maakt van politiek weer politiek of biedt in elk geval de kans erop.

Ik betwijfel of Bush er veel van zal opsteken. Een liefhebber van kruistochten houdt niet van nuances en Bush is een zelfverklaarde kruisvaarder. Dichter bij huis kunnen we ons afvragen of onze politici iets met het pleidooi van Etzioni aan kunnen. De Minister van Defensie ongetwijfeld niet. Voor hem is het niet alleen een politiek verschil dat ons van de Taliban scheidt. De Taliban is het totale kwaad. Hun acties bewijzen het; zelfs kinderen worden niet gespaard. Wij sparen de kinderen ook niet overigens maar bij ons is het een bedrijfsongeluk en bij hen is het opzet. Of het de dode kinderen veel zal kunnen schelen is de vraag, maar het gaat dan ook niet om hen maar om ons. Wat voor ons onacceptabel is vinden zij acceptabel. Het gaat om meer dan alleen een aspect van de strijd van vriend tegen vijand. Vinden wij. Wij zien het als een strijd van goed tegen kwaad.

Die wij ook thuis voeren. Ook driedubbel. Rutte vond al dat je Somaliërs makkelijk kon herkennen en isoleren. Gelukkig maar en het was geen discriminatie omdat het toch allemaal oplichters zijn. Een politicus dezer dagen is net als de detective gewapend met een foto van de op te sporen verdachten. En die op die foto beleid, politiek dus, kan enten. Een hoofddoekje is een geste die we niet op prijs stellen omdat we het zien als een afkeer van ons, als een morele verwerping van ons, en als een opmaat voor vijandschap. Dan slaan we terug. Ze vragen er om.

Het aantal verdachten neemt toe, het aantal foto’s ook. Zo zijn werkloze jongeren langzamerhand gepromoveerd van jongeren zonder werk tot jongeren met een bedenkelijke moraal die het straatbeeld ontsieren en daaruit mogen worden verwijderd. We kennen ze, het cameratoezicht liegt niet. We moeten ingrijpen want voor zover het nog geen vijanden zijn worden ze het wel. Hirsch Ballin en Rouvoet dromen al over een campus voor heropvoeding. Doen we.

Volgens Paul Frissen staat burgerschap voor de vrije ruimte van de burger waar de staat met z’n fikken af moet blijven. In de visie van het huidige kabinet doen we het precies omgekeerd. Het kabinet wil actief burgerschap. Wat dat is weten zij en wij zullen het wel merken. Driedubbel.

16 juni

------------------------------------------------------------


Gave, gift, gegeven

Zojuist lees ik op de site van de UvT dat Michael Sandel, een bekend politiek filosoof uit Harvard en voormalig lid van de presidentiële commissie over bio-ethiek, begin september een masterclass zal verzorgen voor studenten en stafleden van de universiteit. Sandel behandelt dan de thematiek van zijn laatste boek ‘The case against perfection’. Centraal staat de vraag of wij het menselijk leven als een gift moeten zien dan wel als ontwerp. Sandel vindt het eerste. Daar kan ik me wel in vinden. De moeilijkheid is aan te geven waar precies de grenzen liggen.

Al in 2004 publiceerde Sandel een artikel in de Atlantic Monthly met dezelfde titel als het boek. Op dat artikel beroep ik me. Indien het boek voortschrijdend inzicht laat zien kom ik er op terug (het boek heb ik nog niet gelezen). Dan nu de moeilijkheid. Die staat in de titel van dit stukje: Sandel maakt onvoldoende onderscheid tussen een gave, een gift en een gegeven. Zijn sympathie ligt bij de ‘gift’: het leven is een geschenk en wat het is weet elke ouder pas bij het uitpakken. Dan kan blijken dat het een geschenk is met veel gaven, of met weinig. De volgende vraag is dan wat die ouders met de gaven willen: ontwikkelen, aan het toeval overlaten, sturen of herontwerpen. Dat is de vraag naar de status van het gegevene bij elk leven: accepteren of verwerpen?

Wie het leven als gift ziet kan de gaven exploiteren. Dat gebeurt ook: we proberen onze kinderen in staat te stellen het goede te doen en het beste uit zichzelf te halen. Gaven worden ontwikkeld en ‘gevormd’. Maar: wie het leven als gift ziet kan de gaven niet herontwerpen; je maakt van het gegevene eventueel het beste maar je gooit het niet weg. Wie het leven niet als gift ziet kan direct over naar het ontwerp. Dit laatste is de angst van Sandel en hij ziet de grootst mogelijke gevaren opdoemen voor bescheidenheid (die zal verdwijnen), verantwoordelijkheid (die zal exploderen omdat alles tot keus is geworden) en solidariteit (die berust op een gedeeld lot, niet op een individueel traject) indien het leven zelf tot inzet van een ontwerp wordt. Kies uw kind, voer de juiste parameters in en u krijgt wat u vraagt.

Voor wie nog hecht aan het idee van de gift is de wereld complexer. Met de ontwikkelingen in de moderne wetenschap hoeft niemand van ons nog genoegen te nemen met welk gegeven dan ook. Wij genezen ziekten, corrigeren defecten en de grens tussen wat daar curatief is en wat preventief, is niet erg duidelijk en evenmin statisch. Wanneer gaat het voorkomen van ziekten over van het nemen van maatregelen naar het aanbieden van voorwaarden? Wanneer gaat het aanbieden van voorwaarden over in het aanbrengen van voorwaarden? Sandel geeft het voorbeeld van Ritalin, dat gebruikt kan worden om een ADHD stoornis het hoofd te bieden én om je tentamen beter te maken. In het eerste geval is het doel humaan, in het tweede is het doel de aanpassing aan een prestatiesamenleving. Enzovoorts.

Sandel suggereert dat het mogelijk is om beide doelen uit elkaar te houden. Er kan dus gekozen worden. De vraag is: wie kiest? Die vraag blijft merkwaardig onbeantwoord. Indien elke ouder moet kiezen en de kinderen zelf pas als ze volwassen zijn (als er dan nog iets te kiezen valt) dan krijgen we een probleem met verantwoordelijkheid. Inclusief hetzelfde gevaar  dat Sandel wil beteugelen: een overbelasting met verantwoordelijkheden omdat we ergens voor ‘gekozen’ hebben. Gezien Sandel’s communautaristische voorkeuren ligt het echter niet voor de hand dat dit alternatief door hem wordt bepleit. Het ligt zelfs voor de hand dat zijn verzet tegen het ‘ontwerp’ tevens zijn verzetsstrijd tegen de liberale filosofie voortzet: ‘liberaal’ is dat als er toch gekozen mag worden dan ook voor het ontwerp. Liberalisme en totalitarisme kunnen vreemde bedgenoten zijn, maar je kunt ze onder één laken aantreffen. Ook die angstdroom is thematisch in het aangehaalde artikel.

Wie kiest? Wie trekt de lijn tussen giften (die geen giften zijn maar hooguit schuldbekentenissen, een weetje dat Sandel tussen neus en lippen door even aanstipt), gaven (die je kunt delen) en de gegevens (waarmee we iets kunnen doen)? Sandel verwijst ons door naar de bedreigde en dus kennelijk te verdedigen moraal van de bescheidenheid (de gift), de verantwoordelijkheid (de gave) en de solidariteit (het gegevene). Maar in tegenstelling tot wat hij aandraagt gaat het hier in zijn betoog niet om drie verschillende kwesties maar om drie aspecten van één en dezelfde kwestie, de moraal met een grote M, gebaseerd op de eerste term van de trits, de gift.

Daarmee wordt het grote gebrek van het communautarisme herhaald. Het communautarisme heeft een blinde vlek voor het esthetische. En dat is een serieus gemis. De ‘post-moderne’ maatschappij is een Botox-maatschappij, een maatschappij waarin de zintuigen het roer hebben overgenomen. Wie meent de grenzen van de bio-ethiek te kunnen aftasten met de moraal als kompas schiet alleen al daardoor te kort. Net als bij de politiek (Sandel is per slot hoogleraar politieke filosofie) is het esthetisch ‘moment’ onmisbaar. De keus tussen ontwerp en mimesis is niet alleen moreel. Het is ook, en zelfs in de eerste plaats in de ‘post-moderne’ samenleving, een esthetische keuze. Daar worden we niet vrolijk van. Maar dat is een andere kwestie.

15 juni

------------------------------------------------------------


DNBA

Ik denk aan het volgende sprookje:
Er is een land waar het geldaanbod wordt gecontroleerd door de banken. Omdat ook de uitbetalingen door de banken worden verricht hebben ze ook een redelijke greep op de omloopsnelheid van het geld. Elke bank probeert zoveel mogelijk vraag naar z’n eigen geld te genereren, door het tegen aantrekkelijke voorwaarden ter beschikking te stellen.

Omdat elke bank dat doet is er heel veel geld in omloop. Dat gaat goed zolang er genoeg capaciteit is om al dat geld ook nuttig te besteden. Zitten we aan het plafond van de capaciteit dan krijgen we inflatie. Er is te veel geld in omloop maar de banken zijn niet in staat daar een halt aan toe te roepen met als gevolg nog meer inflatie.

Hoe meer inflatie hoe hoger de omloopsnelheid want geld vasthouden is in die omstandigheden niet slim. Enzovoorts. Er is geen regeling te bedenken waarin elke bank wint en een regeling waarin elke bank toezegt zich te beperken is net zo sterk als de zwakste schakel: de eerste bank die zich er niet aan houdt. Dat is geen kwestie van als, maar van wanneer. Een steen in een stille vijver die steeds groter kringen produceert.

Dit land bestaat niet meer. Gierende inflatie kennen we maar dat ligt in het recente verleden voornamelijk aan overheden die steun voor hun beleid willen kopen en daarvoor de geldkraan aanzetten. Los daarvan hebben de meeste landen een Centrale Bank op enige afstand van de overheden zodat die niet al te makkelijk aan de geldkraan kunnen komen. Het heeft lang geduurd voordat het zover was maar door schade en schande heeft men het nodige geleerd. Wat men ook heeft geleerd is dat men het geldaanbod niet aan de particuliere banken kan overlaten. Zo’n aardig sprookje was het nu ook weer niet. In plaats daarvan controleert de Centrale Bank, De Nederlandsche Bank bij ons, de banken op hun gedrag zodat ze het niet te gek maken. De DNB heeft daarvoor een aantal bevoegdheden die ze overigens in toenemende mate moet delen met dan wel gedelegeerd krijgt van de Europese Centrale Bank.

Wij leven in een ander sprookjesland. In ons land wordt een deel van het arbeidsaanbod door de overheid gereguleerd, een ander deel loopt privaat, de werkgelegenheid wordt door de werkgevers gereguleerd en de lonen en de omloopsnelheid van de arbeid (de mobiliteit) door werkgevers en werknemers met een voornamelijk toekijkende overheid. De werkgevers willen hun greep versterken op de mobiliteit en vinden daar minister Donner aan hun zijde. Het ontslagrecht is het instrument. De redenering is kennelijk dat als het arbeidsaanbod daalt (en het gaat dalen in de nabije toekomst) de werkgelegenheidscontrole van de werkgever alleen gered kan worden als de greep van diezelfde werkgever op de mobiliteit van de arbeid toeneemt. Ter compensatie als het ware en meer dan nodig om het loon in de hand te houden.

Het werkt averechts. We krijgen een vergelijkbare situatie als in het sprookje van het geldaanbod in handen van particuliere banken. Iedere werkgever zal pogen de eigen werkgelegenheid af te schermen en dus een eigen nisje in de markt van het aanbod te bevechten. Bij een krappe arbeidsmarkt zullen ze arbeid hamsteren, bij een ruime arbeidsmarkt juist niet. En als de arbeidsmarkt deels krap en deels ruim is treden beide tegelijk op. De meter van de mobiliteit zal meer uitslaan dan voorheen met als voorspelbaar gevolg dat de conjunctuurgevoeligheid van de arbeidsmarkt zal toenemen. De plannen om het ontslagrecht te versoepelen ten dienste van de werkgevers zullen pro-cyclisch uitwerken. Daarmee wordt het tegendeel bereikt van het oogmerk: het optimaal gebruik maken van het schaarse aanbod door de mobiliteit van de arbeid beter te sturen.

En net als bij het geldaanbod door particuliere banken zal blijken dat de werkgevers niet in staat zullen zijn over hun eigen schaduw heen te springen. Wat we nodig hebben is een DNB voor de arbeid. Een DNBA.

14 juni

-------------------------------------------------------------

Demografie

De AOW moet bij de (demografische) tijd worden gebracht. Deze wonderlijke zinswending staat in het advies van de Raad van Economische Adviseurs dat gisteren uitkwam. Wat de Raad ermee bedoelt is simpel: als levensverwachting en levensduur toenemen en de AOW leeftijd blijft op 65 jaar dan ontstaat er een toenemend financieringsprobleem. Jongeren betalen niet slechts voor steeds meer bejaarden maar ze betalen ook steeds langer. Daarom moet de AOW leeftijd naar 67 jaar. Doen de Duitsers toch ook? Het demografisch argument gaat sinds gisteren over levensduur en levensverwachting.
           
Dat is raar. Het hoort bij een tijd waarin steeds meer wordt opgehangen aan demografie en steeds minder aan gezondheidszorg of inkomen. Die komen volgens mij veel eerder in aanmerking voor de langere levensduur dan demografie. Het gepalaver over demografie dekt een belangrijk aspect van de levensverwachting toe en dat is voor een advies aan de Tweede Kamer eigenlijk niet toelaatbaar. Dat aspect is inkomensongelijkheid of breder: verschillen in sociaaleconomische status en hun effecten op levensduur en gezondheid.

De inkomensongelijkheid in Nederland is de laatste twee decennia toegenomen. Mensen met een lage sociaaleconomische status kijken tegen een gestaag groeiende welstandsachterstand aan. Sinds jaar en dag is bekend, ook in Nederland, dat lage welstand, een slechtere gezondheid en eerder het loodje leggen van alles met elkaar te maken hebben. Een gemiddeld hogere levensverwachting kan zeer wel gepaard gaan met een relatieve verslechtering van de levensverwachting van de mensen onderaan de maatschappelijke ladder. Meer dan dat: het is waarschijnlijk. En de vraag is of het verhogen van de AOW leeftijd juist die categorie mensen niet onevenredig hard gaat treffen. Dat de Raad dit niet eens noemt diskwalificeert z’n advies.

Vandaag lees ik in het American Journal of Sociology van mei van dit jaar een artikel over de duureffecten van een ongelijke start in het leven. Die liegen er niet om. Vroege verschillen in welstand worden in de loop der tijd in hun effect op gezondheid niet kleiner maar groter. Pas op hoge leeftijd komen de verschillende groepen weer bij elkaar maar dat kan eenvoudig worden verklaard: de mensen met een slechte start die nog zijn overgebleven zijn de sterken. De rest is al lang dood.
Het is een goed idee de AOW leeftijd te koppelen aan levensduur en levensverwachting. Het is een slecht idee dat aan ‘demografie’ toe te schrijven. De AOW wint aan fatsoen als hij wordt opgehangen aan de reële levenverwachting van mensen met als uitgangspunt dat een ieder evenveel recht heeft op evenveel uitkeringstijd. Met dat uitgangspunt kan de Raad z’n huiswerk overdoen. Zo niet dan betaalt niet jong voor oud, maar arm voor rijk. Een bekende deun, maar misschien moeten we eens een ander muziekje opzetten. 

13 juni

------------------------------------------------------------


Stabiel

Om stabiliteit te bereiken en te bewaren is het vaak niet verstandig om te koersen op evenwicht. Dit inzicht, begin jaren zeventig door de Hongaarse econoom Kornai ontwikkeld, is van belang bij het bekijken van markten. Op markten is het niet slim om nee te verkopen. Daarom is er als regel net wat meer in huis dan strikt genomen nodig is. We koersen niet op een evenwicht van vraag en aanbod; om een stabiele marktpartij te zijn moet je wat reserve inbouwen. Dat geldt ook voor de arbeidsmarkt. Die markt kan alleen maar goed werken als er iets meer aanbod dan vraag is. Anders gezegd: er moeten iets minder arbeidsplaatsen zijn dan aanbieders van arbeid, van werknemers dus. Arbeidsplaatsen staan op rantsoen. Vandaar dat je kunt zeggen dat de arbeidsmarkt een soort stoelendans is. Je kunt hollen of stilstaan maar er komt geen stoel extra bij.

Het zorgen voor onevenwichtigheid gaat niet vanzelf. Markten hebben natuurlijk wel een zeker zelf-corrigerend vermogen maar het kan lang duren voordat dat echt het benodigde effect sorteert en de meter kan ook te veel uitslaan. In het bijzonder bij geldmarkten en bij de arbeidsmarkt is de overheid nodig om de voorwaarden voor stabiliteit te bewaken en zo nodig een beetje bij te sturen. Zo is de gekte van de jaren tachtig (het vriendelijk wegzenden van werknemers de VUT in) in de jaren negentig en later pas gecorrigeerd door het beleid van ‘werk, werk, werk’ en de huidige nadruk op arbeidsparticipatie.

Eén van de redenen dat correctie niet eenvoudig is komt doordat het effectieve arbeidsaanbod, net zoals het effectieve geldaanbod, wordt bepaald door aanbod*omloopsnelheid. Lees: mobiliteit. Mijn gedachte is nu: als we weten dat er in het aantal mensen niet meer zoveel schot zit, zou de ‘participatietop’ die maar niet van de grond wil komen dan niet over meer mobiliteit moeten gaan en pas vanuit dat perspectief over de aanpassingen in de arbeidsrelatie (ontslagrecht)? Hoe bereik je meer mobiliteit zonder dat het zaakje uit de hand loopt? (hoe zorg je voor wat extra geld zonder dat het tot inflatie leidt?). De voordelen van meer mobiliteit zijn evident: de juiste man/vrouw op de juiste plaats bijvoorbeeld, naast het tegengaan van vastlopende carrières en het zorgen voor meer instroom en doorstroom in organisaties – door de uitstroom nu eindelijk eens serieus te nemen. Het ontslagrecht komt dan vanzelf wel aan de orde. Ik vermoed overigens dat het dan wel eens de werkgever zou kunnen zijn die wordt ontslagen. Het netjes sturen van mobiliteit en het zo doen dat het ook nog aantrekkelijk is vereist wat meer macht voor de publieke belangen die in het geding zijn en wat meer macht voor de mensen die het allemaal aan den lijve gaan beleven. Richt maar wat regionale Maatschappen Participatie op. De werkgever is daarbij eerder een sta-in-de-weg dan een essentiële partij. Die wil alleen z’n eigen stoelendans organiseren en dat is voor beleid een maatje te klein. Liever zie ik de ondernemer in zo’n Maatschap.

Als participatie meer dan ooit van mobiliteit afhangt zou de participatietop daar ook over moeten gaan. In de huidige patstelling (onenigheid in het kabinet; stilstand in de SER)  heeft men de volgorde omgedraaid: Donner en de werkgevers willen bij het ontslagrecht beginnen en met de mobiliteit zal het dan wel in orde komen. Nee dus.

12 juni

------------------------------------------------------------


Hendrik Haan

We kennen ‘m wel, die Hendrik Haan uit Koog aan de Zaan die de kraan aan had laten staan. Ik moest aan hem denken toen ik kort geleden voormalig minister Bot zag die, gevraagd naar het rapport van de Raad van Europa – over de geheime gevangenissen en praktijken van de CIA in Europa, met een beetje steun van de NAVO – , antwoordde dat het voor hem nog niet compleet bewezen was dat de Amerikanen vuil spel hadden gespeeld. Voor hem geen Hendrik Haan dus.

Dat is mooi, maar weinig consequent. Politici doen volop mee in de verspreiding en vervorming van Hendrik’s daden. Ik denk aan die andere context waarvoor de ‘massavernietigingswapens van Saddam’ model staan. Toen dat speelde heb ik de gewoonte opgevat om van Powell Point presentaties te spreken, de harde op massaconsumptie gerichte, variant van onze brave Hendrik. En geen minister die er bezwaar tegen had, Schaap de Hoop Keffer voorop. Die nu bij de NAVO zit en mijn behoefte aan mijn variant van Hendrik voedt. En die, of eigenlijk diens huidige baantje en wat daar aan hangt, volgens sommigen (waaronder ikzelf) de voornaamste reden is dat het voor Balkenende een ‘breekpunt’ bij de formatie is geweest om geen onderzoek in te stellen naar de besluitvorming van de Nederlandse regering over het billijken (politiek steunen) van de Brits-Amerikaanse oorlog met Irak. In dezelfde periode bedacht de SP dat de NAVO eigenlijk best wel een aardige club was.

Onze politici stellen zich politiek op als het hen zo uitkomt en ze gedragen zich als juristen die niets willen concluderen voordat het wettig en overtuigend is bewezen. Als het hen zo uitkomt. Zoals in het geval van het rapport van de Raad van Europa. Het blijft politiek natuurlijk, in dit geval een politiek van de ogen sluiten voor alles wat je liever niet weet en wel had kunnen weten. De context bepaalt de politiek, in ons geval de context van de VS – al dan niet met Engeland als aanhangsel.

Onze politici zijn van mening dat Irak een oorlog waard was omdat Saddam resoluties van de Veiligheidsraad naast zich neerlegde. In het Midden Oosten, en ook wel daarbuiten, is bekend dat Irak daar niet uniek in was en zelfs niet het eerste land dat dat deed. Die eer komt Israel toe, het land dat een ander land bezet houdt en de bewoners van dat land terroristen  noemt. En daarmee wegkomt, resoluties of niet. Nu staat Iran op de agenda; ook dat land onttrekt zich aan de bevelen van de Veiligheidsraad. De kwestie is hier niet wat Iran doet maar wat het misschien van plan is te gaan doen. Wat de Iraniërs zelf zeggen te gaan doen geloven wij niet. Wij wantrouwen de bedoelingen van de Iraanse overheid. Wij geven aan elkaar door wat daar allemaal gebeurt en waar dat toe kan leiden of eigenlijk wel moet leiden, en misschien al bijna in werking is gezet. Wij schakelen Hendrik Haan in.

Wie de toedracht rond Irak niet wil vergeten kan zich het beste op de verhalen over Iran richten die nu de media halen. En mocht het opnieuw fout aflopen dan geven we niet Hendrik Haan de schuld maar vragen om wettig en overtuigend bewijs.

11 juni

-----------------------------------------------------------


Kunstwerk

Afgelopen vrijdag was ik bij een lezing ‘over arbeid in de beeldende kunst’. Het was een lezing met beeld en geluid. De inzet was te laten zien hoe arbeid in de moderne kunst vanaf ruwweg 1800 was uitgebeeld op schilderijen, op foto’s en in films en, spaarzaam, in de beeldhouwkunst. Strikt genomen ging het niet om arbeid maar om loonarbeid. Daarom viel de kunst als zelf een type werk buiten de prijzen, evenals de grote beweging van de 19e eeuw omtrent kunstnijverheid en de voortzetting daarvan in de 20e eeuw in bijvoorbeeld het Bauhaus. Wel Charlie Chaplin, niet Leonardo en het hele verhaal beginnend met de ‘mechanisering van het wereldbeeld’ tot en met het informatietijdperk.

Je kunt niet alles doen en de schilderijen van Courbet en Millet zijn indrukwekkend, terwijl ook onze Heijenbrock prachtig werk heeft gemaakt. Maar daarmee zijn we er niet. De lezing begon en eindigde met het ‘socialistisch realisme’, de heroïek van de arbeid. Daarvan waren ook plaatjes te zien, eerder lachwekkend dan heroïsch naar mijn smaak maar goed. Waar het mij om gaat is niet het inschakelen van kunst voor ideologie en politiek, maar de manier waarop dat gebeurt. In het socialistisch realisme wordt arbeid uitdrukkelijk ingerekend bij de esthetiek. We zien krachtige mannen en vrouwen, in de bloei van hun leven en voorwaarts gericht. Op naar de toekomst dus.

Dat het esthetisch begrip van een groot deel van de bevolking eerder moreel is dan zuiver esthetisch, zoals Bourdieu heeft uitgelegd, zal best waar zijn (cultuur met een grote c is een argument over smaak, cultuur met een kleine c is een argument over moraal: dat soort dingen). Het punt is echter dat men moraal via esthetiek kan aanspreken, dat dat in het socialistisch realisme ook plaatsvond en dat daarmee de arbeid op een manier is ‘geëmancipeerd’ die historisch nieuw is. Het woord emancipatie gebruik ik niet voor niks; ik ontleen het aan David Roberts die de maatschappelijke betekenis van kunst ziet in de ‘emancipatie van de contingentie’ en daaruit afleidt dat de moderne kunst een ‘maatschappijmodel’ is waar geen ander maatschappelijk subsysteem aan kan tippen. Of dat laatste juist is kan ik niet beoordelen, maar de evidentie is sterk en wordt per dag sterker. Immers contingentie is dat het ook anders kan, en dat alles wat we doen in het teken staat van dat ook anders kunnen. Kiezen dus, daarvoor de verantwoordelijk nemen en opnieuw kiezen. Zo wordt werk een keus voor het bijdragen aan de samenleving, de verzorgingsstaat, de economische groei en in de eerste plaats aan jezelf. De esthetische wending is werk als werken aan jezelf, als een activiteit die je beter maakt, sterker, mooier, waardevoller, gewaardeerder.

Wanneer de esthetiek wordt gemoraliseerd hebben we het over kunst, ongeacht de grootte van de c. Wanneer de moraal over esthetiek loopt, de moraal dus wordt geësthetiseerd, hebben we het over werk. Ze sluiten naadloos op elkaar aan: dit inzicht van het socialistisch realisme heeft het socialisme ruimschoots overleefd. Ons maatschappijmodel is arbeid. Arbeid vinden we niet ‘in’ de beeldende kunst. Arbeid ‘is’ beeldende kunst. En zo boetseren we onszelf. Met het wegvallen van het onderscheid van arbeid en kunst kunnen we alleen nog onderscheidingen binnen de arbeid zelf aanbrengen (uitdagend of saai bijvoorbeeld). Met dit stukje werk ik aan mezelf. Als ik het niet had geschreven: ook dan. Het geluk van de kunst is opgenomen in de kunst van het geluk. Eindelijk hebben smaak en moraal, smakeloosheid en immoraliteit elkaar gevonden. Wij zijn ons eigen kunstwerk.

10 juni

------------------------------------------------------------


Heeft Bush gelijk?

Een recent rapport schijnt aan te geven dat het helemaal niet zo slim is om de klimaatveranderingen bij de bron aan te pakken. We kunnen ons beter indekken tegen gevolgen (voorbeeld: versterk dijken, maak ze hoger, en maak van die kennis tegelijk een mooi exportproduct) dan tegen oorzaken. En dus, zo kopte De Pers vanochtend, heeft Bush gelijk.

Sybe Schaap, voorzitter van de Unie van Waterschappen, vindt dat ook. Het voorbeeld is ook van hem: sinds Katrina staat onze expertise bij het bestrijden van wateroverlast heel goed in de markt. Laten we daarop doorgaan dan hebben we zelf wat en anderen ook.

We zijn, met onze huidige kennis, niet in staat te beslissen wie gelijk heeft en wie niet. En dus komen onze ‘theorieën’ over natuur, klimaat en ecologie in de plaats van gevalideerde kennis en, in het bijzonder, acceptabele voorspellingen. Er zijn ruwweg vier kandidaten voor zo’n theorie: de natuur is wispelturig; de natuur is kwetsbaar; de natuur is robuust; de natuur kan tegen een stootje maar alles met mate. Wie fatalist is hangt de eerste theorie aan, wie de milieubeweging steunt staat voor de kwetsbaarheid; wie ondernemend is dicht de natuur robuustheid toe en wie daar wel wat voor voelt, maar de natuur niet onbeperkte recuperatievermogens toeschrijft, vindt zich het meest thuis bij hen die de hiërarchie een goed hart toedragen (ontleend aan Mary Douglas). Politiek gezien waren de aanhangers van de hiërarchie (steunend op de hiërarchie van de wetenschap) de laatste tijd in opmars. Bush hoorde daar niet bij: zijn politieke insteek is eerder die van de ondernemer. De milieubeweging vreest beide opties, de laatste misschien wat meer dan de eerste maar het verschil is eerder gradueel dan principieel. En de fatalisten spelen, zoals altijd, niet mee.

Laten we aannemen dat de wetenschap voorlopig even omstreden blijft als de diagnoses nu doen vermoeden, dan worden de fatalisten interessant. Zij kunnen zich makkelijker aansluiten bij de ondernemers dan bij één der andere troonpretendenten. Persoonlijk word ik daar niet opgewekt van. Fatalisten zijn voor de meesten van ons natuurlijk niet interessant, maar bij verkiezingen ligt dat altijd voor een kort tijdje weer even wat anders.

Bovendien lijkt de ondernemer nu ook een voet tussen de deur te hebben in het gezelschap dat de hiërarchie vertegenwoordigt. Er valt daar een lijntje te trekken: ecologie en economie kunnen elkaar best verdragen en wie weet versterken. Wie weet, en omdat we het niet weten wordt dat lijntje van de macht eerder waarschijnlijker dan breekbaarder. Sybe Schaap heeft alvast aangehaakt. Volgens hem heeft Bush gelijk. Vroeger zeiden we altijd dat gelijk hebben makkelijk was maar gelijk krijgen de kunst. Bij de discussie over het klimaat gaat het omgekeerde op: gelijk krijgen is makkelijker dan gelijk hebben. Daarin heeft Bush gelijk en als er één schaap over de dam is volgen er vast meer.

7 juni

------------------------------------------------------------

Geen woorden maar daden

De laatste dagen ben ik bezig een paper te schrijven over convenanten, samenwerking en vertrouwen. In al die termen zit een element van keuze: voor een convenant moet je een onderwerp, een gewenste uitkomst en je partners kiezen; samenwerking wijkt daar niet vanaf, behalve dat bij convenanten wel en bij samenwerking niet per se de overheid betrokken is; vertrouwen gaat over jouw relatie met anderen en anderen kun je kiezen, net zoals je er zelf bij bent welke handelingen je kiest in welk verondersteld vertrouwen en dus met welk risico dat je de kous op de kop krijgt.

Als er dan toch gekozen moet worden doen we dat het liefste een beetje rationeel. De vraag is nu wat ‘rationeel’ inhoudt als je de gevolgen van je eigen handelingen vooraf niet goed kunt inschatten en, om het nog ingewikkelder te maken, je ook niet weet of je die gevolgen eigenlijk nog wel wilt hebben als ze al optreden. Je kunt je voorkeuren per slot ook aanpassen aan de loop der gebeurtenissen, zeker als je in die gebeurtenissen zelf een beetje de hand hebt gehad.

Los van mijn paper, dit is de sympathieke lezing van de situatie waarin Rutte zich heeft gemanoeuvreerd (er is ook een onsympathieke maar zover zijn we nog niet). Ooit werd Rutte als een jonge liberaal gezien die er misschien wel in zou slagen D66 op te slorpen om, net als D66, af te rekenen met achterhoedegevechten langs voorbije politieke scheidslijnen. Nog als staatssecretaris (2x) onder Balkende wist hij die belofte in de lucht te houden. En toen wou hij partijleider, lijsttrekker en fractievoorzitter worden. Hij kon ook niet weten wat hij daarmee over zich afriep, maar dat is het risico van het vak. Hij is nu opgezadeld met de eisen van een fractie (met eigen spelregels waar hooguit de fractievoorzitter op mag variëren) en met een fractielid Verdonk die meent dat niet Rutte maar zij degene is die het gehele register aan variaties in beheer heeft. Rutte is organisatieman geworden, Verdonk politiek ondernemer. Dat is niet handig van hem; in een fractie kan er slechts één ondernemer zijn en dat is de fractievoorzitter cq partijleider. Laten we aannemen dat dit mede de gevolgen zijn van z’n eigen actie om politiek leider te willen spelen, gevolgen die Rutte zich misschien wat anders had gehoopt maar die hij accepteert. Elke keer opnieuw zelfs want Rita gaat onverdroten verder. Ze zou ook een slecht ondernemer zijn als ze, inderdaad, niks ondernam. Wilders is haar voorgegaan, en eigenlijk ook wel Hirsi Ali, al heeft die haar politieke omgeving behoorlijk gewijzigd. Maar die twee kwamen nog op het conto van Van Aartsen.

De vraag is: wil Rutte die gevolgen nog wel? Of, en dat lijkt me waarschijnlijker, is hij in arren moede z’n politieke voorkeuren en smaken aan het bijstellen? Zodat  datgene wat hem is overkomen en wat hem ongetwijfeld nog gaat overkomen eruit komt te zien alsof hij het allemaal zelf had bedacht en geheel en al overeenkomt met de ‘koers’ die hij toch al wilde varen? Ik denk het. Op zichzelf  is dat niet zo gek of uitzonderlijk. De meesten van ons stellen onze voorkeuren bij en pogen wat we doen achteraf voor te stellen als een weloverwogen keuze voor wat we echt of ‘eigenlijk’ al heel lang wilden. Rationeel kiezen is achteraf gerationaliseerd kiezen. In Rutte’s geval zit ’m de moeilijkheid niet in de eerste plaats in dat achteraf. Geen woorden maar daden als het ware, met eerst de daden. De moeilijkheid is dat hij zijn ‘daden’ voor een aanzienlijk deel laat dicteren door Verdonk. En dat blijft doen (‘daarmee is voor mij de kous af’ zei Rutte na alweer een speldenprikje van Verdonk waar ze zich in het oog van gretige camera’s opgewekt grijnzend van af maakte). Rutte’s geloofwaardigheid hangt af van z’n acties; pas zodra hij eigen baas in eigen fractie is zal ons zijn plichtmatige uitleg over waar hij, de VVD, en de fractie voor ‘staan’ weer kunnen interesseren. Snoer het mens de mond of stel een ultimatum met als eindpunt dat je haar de fractie uit kan kieperen. Geen woorden maar daden; wie weet blijkt in het kielzog daarvan ook een inmiddels verlate belofte nog  de moeite waard.

6 juni

------------------------------------------------------------


AGE

Negenendertig jaar geleden, in 1968 dus, werd de Aktie Groep Ekonomen opgericht. De afkorting AGE kwam enkele jaren later, toen het een nette studentenclub was geworden, met vertegenwoordigingen in de faculteitsraad en de universiteitsraad, en er was gestart met dienstverlening (boeken, klappers) voor studenten. In de eerste paar jaar liep het niet zo geordend. We discussieerden veel, hadden overal een mening (meestal een bezwaarlijke) over en gebruikten onze vergaderingen ook nog als studieclub.

We vergaderden altijd op maandagavond, in een klein zaaltje in de Oude Manhuispoort. Om tien uur ging de Poort dicht, dan vertrokken we naar café de Doelen om het nog eens goed over te doen. Gisteren was een maandag, de Doelen bestaat nog en daar zaten we dan. Een dozijn mensen ongeveer en gelet op de hoeveelheid grijs in het haar is AGE inmiddels een hele goede aanduiding.

Sommigen had ik wel heel lang niet gezien, anderen in de tussentijd nog wel eens, en een enkeling met een plezierige regelmaat. Een drietal is inmiddels al overleden; bij de begrafenis of crematie kwam je dan weer wat mensen tegen. Deze keer was de eerste keer in lange tijd dat we ‘zomaar’ hadden afgesproken.

Met iemand die ik in jaren niet had gezien en met wie ik tijdens de studie veel samen was opgetrokken kwam ik in gesprek over zijn adviesbedrijfje. Hij heeft altijd dicht op de woningbouw gezeten en heeft z’n terrein inmiddels wat verplaatst naar aangepaste woningen voor ouderen, gecombineerd met zorg en recreatievoorzieningen. Hij leerde me iets over marketing. Ik ben nog zo oudbakken dat ik marketing eerder als een wat hinderlijk insect zie dan als een kans. Hij gebruikt marketing als inspraak. Hem was opgevallen dat formele inspraakavonden vaak niet goed lopen omdat er slechts weinig voor nodig is om het uit de hand te laten lopen en te laten uitmonden in een stellingenoorlog tussen degenen achter en vóór de tafel. Marketing was beter, omdat het betrokkenen de kans bood om hun behoefte aan iets (veiligheid, gezelligheid, privacy zonder isolement) om te zetten in een vraag, zeker als ze allemaal, apart of in wat groter verband, uitgenodigd worden die vraag zelf te formuleren – en daarmee eigen te maken. Daar was marketing misschien ook ooit wel voor bedoeld, maar in dat geval loopt de praktijk een end weg van de bedoeling. Niet in dit geval.

Een andere vriend van vroeger, inmiddels sinds jaar en dag econoom aan de VU, stelde de mooiste vraag: waarom is er geen boek over successen van de economische wetenschap? Op mijn vraag om welke successen het dan wel mocht gaan was zijn antwoord dat hij er eigenlijk maar eentje kende. Dat ging om het inzicht (goed verspreid onder centrale bankiers vertelde hij me) dat er altijd iets meer geld moet zijn dan technisch nodig. Een beetje redundantie dus om flexibiliteit te vergemakkelijken. Dat is niet veel. We gaan op zoek naar meer ‘successen’. Wie weet komt het boek er dan ook nog. Hij leek er wel zin in te hebben.

Ik heb nog lang niet iedereen kunnen spreken. Volgend jaar weer, dat is de afspraak. Op een maandagavond. In café de Doelen.

5 juni

------------------------------------------------------------


Zorgmijders

Zorgmijders bestaan. Het zijn mensen die overlast veroorzaken en de pest hebben aan hulpverleners. Hulpverleners uit alle hoeken en gaten die daarom gecoördineerd moeten worden. Die zorg aanbieden aan hen die zorg mijden. Die de deur gewezen worden door de zorgmijder. Volhardt de zorgmijder in z’n koppigheid dan volgt uithuiszetting. De desbetreffende coördinator belt dan Bureau Jeugdzorg en die moeten het verder maar opknappen. Dat hoorde ik op de radio vanochtend. We zijn elkaar in hoog tempo aan het overbieden met maatregelen om lastpakken te fatsoeneren. Die arme Rouvoet kan het nog maar amper bijbenen. Hij had net een eigen terreintje afgebakend en nu speelt iedereen al landjepik.

Wie veroorzaken allemaal overlast? Zijn dat projectontwikkelaars, projectuitvoerders en besturen die drukke wegen door drukke buurten aanleggen, en spoorlijnen door volksbuurten; die huizen en flats tegen de grond gooien om er iets nieuws voor in de plaats te zetten? Nee, die niet. Het gaat om de mensen die in die buurten wonen, niet om de mensen die in andere buurten wonen en de plannetjes verzinnen.

Iedereen weet dat een snelle verandering in de bevolkingssamenstelling van buurten tot problemen kan leiden. Die verandering is ook opgetreden en de problemen zijn gekomen. Politici die de problemen reduceren tot de mensen die daar wonen zijn geen knip voor de neus waard. De mensen die daar wonen, ja, die mogen dat doen. Die zijn hun buurt kwijt of hebben er, als nieuwkomer, nooit een gekregen.  Politici, woningbouwcorporaties, de vastgoedsector, de gemeentebesturen mogen dat niet. Die doen het echter bij uitstek. In een eerste ronde hebben ze de mensen bekogeld met opvoedende argumenten over tolerantie en andere mooie waarden. Daarmee hebben ze de mensen een tijd lang de mond gesnoerd. Nu wordt de bevolking van die wijken gewoon opgedeeld in de goeden en de kwaden. De kwaden krijgen een paar waarschuwingen en daarna moeten ze weg. We willen ze niet meer zien. Goedkoper manier om falend beleid af te dekken bestaat niet. Toch, als de bevolkingssamenstelling het probleem is dan weet je dat we dat veel te lang op z’n beloop hebben gelaten. Je weet ook dat het herstellen van het achterstallig onderhoud een kwestie is van lange adem en van het volledig inschakelen van de bewoners. Dat is niet hetzelfde als het verwijderen van wat bewoners. Inschakelen is niet eenvoudig, en succes is niet gegarandeerd. We zien er liever van af. Het duurt te lang, je weet niet wat er uitkomt, je weet niet of het nog wel aantrekkelijk is voor de belanghebbenden rond grote plannen rond stadsvernieuwing en prachtwijken. We brengen daarom niet eerst het probleem in kaart maar rekenen het direct toe aan groepen bewoners. Nog makkelijker: we identificeren eerst de verantwoordelijke lastpakken en verklaren hen tot de kern van het probleem. Daar ligt een markt.

Vanochtend was ook Jan Breman op de radio. Hij liet doorschemeren het niet helemaal eens te zijn met de vorige spreker, de coördinator ter isolering en verwijdering van lastpakken. Breman had het over een plan van een Indiase vastgoedmagnaat om een sloppenwijk in Bombay tegen de vlakte te gooien en er iets veel mooiers voor in de plaats te zetten. Een prachtwijk als het ware. De sloppenwijk staat in het centrum en er zit handel in. Breman had daar bezwaar tegen. De bewoners woonden daar niet alleen, ze leefden en werkten er, dreven er hun handeltje en probeerden te overleven in een omgeving die de menselijke waardigheid beledigde en waarin de bewoners er niettemin in slaagden een restant van hun waardigheid te bewaren. Die bewoners terzijde te staan (het gaat om een miljoen mensen op een klein oppervlak) vereist iets meer dan een handig plan om een fractie ervan in een nieuw flatgebouw te stoppen. De rest zal wel worden opgeruimd.

Het eerste dat moet worden opgeruimd is de misdaad: de misdadigers die dergelijke wijken op tal van manieren uitzuigen en terroriseren (lees Rohinton Mistry’s A fine balance er maar op na). Dat staat niet op het programma. Wie weet mag de misdaad participeren in de financiering van het project.

In M van zaterdag 2 juni staat het verhaal van twee mensen in een Amsterdamse tuinstad die ook zoiets aan de hand hebben. Hun flat moet weg, niet omdat zij dat willen maar omdat uit de locatie veel meer geld kan worden gepompt dan nu. Ze strijden al jaren; ze gaan het verliezen. Ze strijden niet tegen de nieuwe bewoners van de laatste vijfentwintig jaar. Daar hebben ze soms last van, soms ergeren ze zich, en één heeft Wilders gestemd. Uit frustratie want de klachten worden niet gehoord. Er staan teveel belangen op het spel. Het laatste argument schijnt te zijn dat de flat waar ze wonen nog wel goed is maar ‘esthetisch’ niet past in de aanstaande prachtwijk.

De aso’s waar de PvdA het zo graag over heeft komen als geroepen. Het vastgoedwezen gaat gouden tijden tegemoet. Ze mogen blij zijn met hun nieuwe kompanen in het jeugdbeleid, gezinsbeleid en andere inspecties. De koppeling tussen stadsvernieuwing en bevolkingsdressuur  kan niet strak genoeg worden aangedraaid. De twee mensen die M interviewde kunnen het wel schudden. Ze kunnen zich schikken of het worden toekomstige zorgmijders. Ik ken de uitkomst niet, maar als ze hun poot stijf houden wordt het het laatste. Ik wens ze sterkte.   

3 juni

-------------------------------------------------------------



Giften

Kun je iets schenken zonder iets terug te willen? Nu, als het al mogelijk is dan zal de ontvanger je daar niet dankbaar voor zijn want die ontvangt met de schenking de boodschap dat de afzender niets met jou als ontvanger te maken wil hebben. De bekende uitspraak van de econoom (‘er is niet zoiets als een gratis lunch’) kan op twee manieren worden gelezen. De eerste is die van de econoom zelf: ergens moet de rekening worden neergelegd en betaald. De tweede manier is verontrustender: alles wat gratis is wordt gewantrouwd en als het even kan afgewezen. Zo vertelde een call girl dat het haar twee keer was overkomen dat een klant die ze leuk vond en gratis sex aanbood haar niet meer wilde ontmoeten. ‘They don’t believe they can have no-strings-attached sex, which is why they pay. They’d rather pay than get it for free’ (geciteerd in Viviana Zeliser, The Purchase of Intimacy. Princeton University Press 2005: 128).

Mary Douglas werkte een tijdje voor een liefdadigheidsinstelling. Ze kwam er al snel achter dat de ontvangers van de liefdadigheid weinig liefde konden opbrengen voor de gevers. En geen wonder vond ze. Wat moet je met een gift die geen relatie tussen mensen vestigt maar deze juist wil uitsluiten? Dat is geen gift; dat is een belediging, ook al denkt de gever dat dit pas een echte ‘zuivere’ gift is.  

Douglas schrijft dit in een voorwoord bij een uitgave van het beroemde opstel van Marcel Mauss, ruim honderd jaar geleden, over de gift. Zijn stelling is dat een gift die niets doet om de solidariteit tussen mensen te bevestigen eigenlijk een contradictie is. Een gift die het de ontvanger onmogelijk maakt iets terug te doen plaatst de ontvanger buiten de gemeenschap. Dat word je niet in dank afgenomen. Net zoals bij elke gewone ruil berust een gift op wederkerigheid. Het ontkennen daarvan ontkent dat je in één en dezelfde samenleving huist.

Solidariteit is daarom een wederzijdse investering en schept wederzijdse afhankelijkheden. Dat scheppen kunnen we maar beter serieus nemen. De verschuiving in de betekenis van solidariteit van wederzijdsheid naar hol altruïsme (solidair ben je met de zwakken, maar dan moeten ze wel én dankbaar zijn én hun plaats – niet bij ons – kennen) berust op het idee van een gift die ‘zuiver’ is. De call girl weet beter.  

Vanochtend stond in De Pers dat een aantal Amerikaanse politici het ook eens een weekje hadden geprobeerd met de voedselbonnen voor de armen. Het was ze niet meegevallen. Ze kwamen met name koffie tekort en hadden last van hoofdpijn. Ze gaan voorstellen de voedselbonnen minder schraal te maken. Goed idee. Nog beter was geweest was geweest als ze de conclusie hadden getrokken dat voedselbonnen geen vervanging zijn voor het antwoord op de klemmende vraag of een modern en rijk land z’n armen nog wel nodig heeft. Zo nee, dan voedselbonnen. Zo ja, dan moet wederkerigheid, wederkerige afhankelijkheid, weer op de agenda komen. De enige gift die z’n naam waard is slaat een brug tussen gift en gave. Onze gift misschien, maar dan hun gave.

1 juni

------------------------------------------------------------

 

Donatie

De vraag is niet of je een orgaan wilt afstaan maar of je er een wil ontvangen
De vraag is niet of je bereid bent iets af te staan, want dat vraag je ook niet bij belastingen en verplichte verzekeringen
De vraag is niet of je iets geeft want het is niet je eigendom. Zelfbeschikkingsrecht is geen eigendom. Zelfbeschikkingsrecht is: ik wil niet ontvangen en daarom wil ik niet geven en daarom hoef ik ook niks te geven.

De staat heeft net als met grond in particulier bezit het recht tot onteigening over te gaan in het publieke belang. In dit geval: in te breken in het zelfbeschikkingsrecht. Met andere woorden: mensen die niet willen ontvangen en dus niet afstaan moeten bewijzen of ze zich daardoor niet buiten de politieke samenleving plaatsen. (vergelijk: belastingen, maar ook: dienstplicht en vervangende dienstplicht). De beslissing daarover is niet aan het geloof; de beslissing daarover is een politieke (en de politiek kan daarbij het advies van gelovigen best gebruiken).

Donatie is een fout woord; het gaat om wederkerigheid; het gaat niet om ruil maar om reciprociteit. De dame die haar nier wil weggeven aan degene die haar het meest bevalt ziet het onjuist. Ze geeft iets weg wat niet van haar is want haar lichaam is geen eigendom; het is een beschermde zone waarbinnen zij zelfbeschikkingsrecht heeft. Dat recht is niet absoluut. Wie een besmettelijke ziekte meedraagt kan geïsoleerd en uitgesloten worden en tevens worden verplicht een behandeling te ondergaan. Elk zelfbeschikkingsrecht heeft externe effecten en is alleen al daarom niet absoluut.

Wat als extern effect telt: dat bepaalt het publiek dat er mee te maken krijgt. Daarom is roken toegestaan en kan de staat tegelijkertijd best interveniëren in alle externe effecten, verbonden aan ‘meeroken’. En dan kunnen wij weer kankeren op diezelfde staat die topsport stimuleert en subsidieert hoewel we heel goed weten dat topsport nog ongezonder is als roken. Maar de externe effecten (het plezier van de supporter, de olympische gedachte, de hysterie van de massa) zijn ook hier het punt van aangrijpen, niet de beslissing van de sporter of roker.

De externe effecten van de BNN actie: alsof het een sportwedstrijd is, financieel gedragen door enorme uitzenders- en reclamebelangen. Zij (BNN) zeggen: zo krijgen we ten minste debat. Zouden ze dat namens John de Mol zeggen? Benieuwd of er gevochten is over de reclamerechten voor de BNN uitzending.

Het moet de mevrouw worden verboden haar nier te verloten. Dan is de uitzending z’n sponsors wel kwijt en heeft het ‘debat’ nog iets opgeleverd ook.

31 mei

------------------------------------------------------------


Gezond

Mag hij al roken? In mijn jeugd was dat de gebruikelijke vraag van de bezoeker die een sigaret opstak en niet zeker wist of hij er mij ook eentje mocht aanbieden. Roken was een kwestie van leeftijd en niet alle ouders hanteerden dezelfde leeftijdsgrenzen. Aan mijn vader hoefde je overigens geen sigaret aan te bieden want de dokter had hem het roken sterk afgeraden. Zieke mensen rookten niet. Gezonde mensen rookten. Als ze van het mannelijke geslacht waren. Vrouwen rookten niet in de jaren vijftig. Althans niet in de kringen waarin ik ben opgegroeid. Die hadden zo hun eigen codes van wat wel en niet kon en aan wie je iets moest vragen.

Bij mij thuis waren de zaken redelijk strikt geregeld. Vaste tijden en tijdstippen voor alles. Geen onderhandelingen en geen uitleg. Bij de kinderen moest de oudste de wijste zijn, hoewel ik als jongste mijn twijfels had of die regel wel serieus genoeg genomen werd. Omgekeerd vond mijn oudste broer dat het niet fair was dat hij op hetzelfde tijdstip naar bed moest als ik en dat, toen hij op de leeftijd van het rokende onderscheid was gekomen, dat onderscheid plotseling ook voor mij bleek op te gaan. Regels sluiten een zeker gemak niet uit, en een zekere inconsistentie nog minder. Zolang het gezag ononderhandelbaar is staat het sterk. De posities – vader, moeder, kinderen in volgorde van leeftijd – waren helder en helder verdeeld.

Die positionele opvoedingsstijl is een beetje verdwenen in de hoofdstroom van de samenleving. Hij is vervangen door een meer persoonsgerichte opvoedingsstijl waar onderhandelingen en vragen om uitleg aan het kinderarsenaal is toegevoegd. Kinderen verwachten uitleg en ze verwachten dat niets geldt omdat het nu eenmaal geldt. Vaste tijdstippen? Dat hangt er maar van af. Moet dat zo? Waarom dan wel?

De Swaan noemde het de overgang van een bevelshuishouding naar een onderhandelingshuishouding maar mij bevalt de vroege verwoording van Bernstein (positioneel ten opzichte van persoonlijk) beter. Wij waren van de positie zal ik maar zeggen en hoewel de striktheid al vanaf de jaren zestig er een beetje van af ging is het nooit helemaal verdwenen. En het is natuurlijk hartstikke actueel als we letten op wat laag- respectievelijk hoogopgeleide ouders van het onderwijs verwachten voor hun kinderen.

Vrijdag aanstaande wil BNN een uitzending verzorgen met een nier als hoofdprijs. Voor positioneel denkenden (CDA-er Atsma voorop) is het een gruwel. Hij vreest de sfeer van onderhandeling en manipulatie en de invloed van het publiek op de uitkomst. Dat gevoel deel ik, al vind ik wel dat een lid van de Tweede Kamer z’n tijd beter kan besteden aan het indienen van een verplichtend wetsvoorstel voor orgaandonatie dan aan het schermen met het verbod op een uitzending.

Dat mijn vader niet rookte had direct te maken met zijn ziekte. In het begin van de oorlog werd bij hem een nier verwijderd, en van de andere was niet veel meer over. Dialyse was een woord met weinig praktijk, en de technologie voor orgaandonatie was er al helemaal niet. Toen hij in 1966 overleed stond transplantatie nog in de kinderschoenen en met twee dialyse-apparaten kon je in die tijd nog een kleine gymzaal vullen. De schaarste aan dialysemogelijkheden destijds wordt herhaald in de schaarste aan organen nu.

Hoe zou mijn vader hebben aangekeken tegen de BNN uitzending? Zou hij hebben willen meedingen naar de prijs? Dat zou me verbazen. Sterker nog, ik denk zeker te weten dat hij dat niet gedaan zou hebben. Ik denk ook zeker te weten dat mijn vader tegen een verbod op uitzending zou zijn geweest. Mijn vader wist positie en persoon uitstekend te combineren, en had geen behoefte het een tegen het ander uit te spelen. Mijn vader was een beschaafd man. Atsma kan er een voorbeeld aan nemen.

30 mei

----------------------------------------------------------


Hotel California

Ik gebruik het graag, dat zinnetje uit Hotel California van de Eagles: you can check out any time you like – but you can never leave. Het is een mooie beschrijving van de tegenwoordige wereld van werk, lees: arbeidsparticipatie, lees: participatie. We mogen best van het één naar het ander hoppen, zolang we maar in beweging blijven, blijven ‘meedoen’. Niet meer meedoen, nee, het spijt ons, die uitgang hebben we moeten afsluiten. Dat product verkopen we niet meer. En eigenlijk spijt het ons helemaal niet want meedoen is beter voor u, en voor ons ook trouwens.

Nog niet eens zo heel lang geleden was werk een beslissing die je zelf nam, of waar je in elk geval zelf de verantwoordelijkheid voor droeg. Werkloosheid daarentegen was ‘onvrijwillig’. Je koos het niet, droeg er ook de verantwoordelijkheid niet voor want het was niet door jouw toedoen ontstaan, de oorzaak lag buiten jou en dus werd je ervoor gecompenseerd, zoals gebruikelijk bij ongelukken en ongevallen die je niet over jezelf had afgeroepen. Werk en werkloosheid waren twee werelden. Sociale zekerheid en arbeidsvoorziening waren ervoor om er een brug tussen te slaan.

Tegenwoordig is werkloosheid opgeslorpt door het werk. Het bestaat niet meer als zodanig, werkloosheid is niet meer het hebben van geen werk maar het je eventjes bevinden tussen twee banen in. Het is niet niet-participeren, het is anders-participeren, bijvoorbeeld in het circus van het re-integratiewezen. De sociale zekerheid is opgeheven en vervangen door een toelage die meer op een studiebeurs lijkt dan op een uitkering omdat je ooit verzekerd was.

Een studiebeurs is een investering in je ‘human capital’, je ‘employability’. Het is niet eerlijk als de ijver van de ene student tot minder rendement leidt dan de ijver van een andere, even ijverige en even begaafde student. Toch is dat de situatie. Om die te corrigeren zou je de rendementskansen gelijk moeten trekken en dus bij gelijke geschiktheid allochtonen eerder een plekje moeten geven dan autochtonen. Zegt mevrouw Jongerius van de FNV in de Volkskrant van vandaag. Dat zal de werkloosheid onder de allochtonen verminderen.

Mevrouw Jongerius vergist zich. Werkgevers kopen helemaal geen geschiktheden. Ze kopen voorspelbaarheden. Autochtonen zijn voorspelbaarder dan allochtonen. Dat is natuurlijk niet zo, maar zolang wij Nederlanders opdelen zoals we kennelijk zo graag doen is het raar om van de werkgever te verwachten over die schaduw heen te springen. Herkomst telt, wat zullen we nou hebben.

Autochtonen zitten al in Hotel California, of ze het leuk vinden of niet. Ook een hotel heeft goede en slechte kamers, betere en slechtere voorzieningen en dus een rij wachtenden die naar een beter optrekje willen verhuizen. Als je je best doet, wie weet lukt het je, hoewel we allemaal weten dat het aantal goede kamers beperkt is. Hotel California kan niet alles. Het maakt verschil of je vanuit je kamer in een wachtkamer kunt plaatsnemen of dat je behalve de wachtkamer niet eens een eigen kamertje hebt. Als je allochtoon bent bijvoorbeeld. Desnoods maken we een aparte wachtlijst voor ze: allochtoon, geef ze voorrang. Het probleem is alleen dat die lijst zal bevestigen dat ze geen echte bewoners van Hotel California zijn, maar nog steeds onderweg. Met het label van Hotel Verweggistan goed zichtbaar op hun koffer.

29 mei

----------------------------------------------------------


Licht

Max Beckmann’s missie was het onzichtbare zichtbaar te maken. Dat verklaarde hij in 1938, ruwweg een jaar nadat hij uit Duitsland was vertrokken. Zijn schilderijen waren door de nazi’s als ‘entartete Kunst’ geclassificeerd. Van 1937 tot in 1947 verbleef hij in Amsterdam. In Nederland sloeg zijn werk niet aan. De huidige twee tentoonstellingen (in het Van Gogh Museum en in het Bijbels Museum) hebben iets van een omgekeerde Wiedergutmachung.

Gisteren stonden er rond een uur elf al weer lange rijen voor het Van Gogh. Het lijkt wel alsof musea en hooikoortspatiënten van dezelfde weersvoorspelling blij worden. Elly en ik fietsten door naar het Bijbels Museum aan de Herengracht, naar de tentoonstelling met Beckmann’s litho’s over de Apocalyps, gebaseerd op de Openbaring van Johannes.

Beckmann maakt de litho’s gedurende de oorlog op verzoek van een Duits industrieel die al eerder werk van hem had aangeschaft. Een beetje ingewikkeld was het allemaal wel, met Beckmann in Amsterdam, de industrieel in Duitsland, Nederland bezet, Europa in oorlog, de omstreden status van Beckmann. Maar het lukte.

De boekuitgave van de litho’s bevatte tevens de tekst van de Openbaring van Johannes. Een gruwelijke, haatdragende en verbijsterende afsluiting van het Nieuwe Testament, die Openbaring, sterk aan te bevelen aan allen die menen dat het Nieuwe Testament zoveel aardiger is dan het Oude. Wie de Openbaring leest weet onmiddellijk dat de vrijheid om te interpreteren zal worden afgestraft met alle plagen, rampen en kwellingen die Johannes voor ons, in opdracht natuurlijk, verwoordt. Exegese, akkoord, maar wie interpreteert voegt iets toe en doet precies datgene wat tot de onherroepelijke ondergang leidt. Mohammed B. heeft het van niemand vreemd.

Omstreden is of de vermeende auteur van de Openbaring dezelfde vermeende auteur is als die van het Evangelie van Johannes. Voor Beckmann was dat geen probleem, de eerste zin van het Evangelie (in het begin was het woord) wordt door hem onmiddellijk verbonden met de Openbaring.  Die verbinding is geen toeval. Het Woord staat voor God, en daarom voor het licht. Het staat voor de schepping. God, schepping en licht kunnen wij niet als zodanig waarnemen, laat staan afbeelden. Het licht verblindt en zo verbeeldt Beckmann, de Openbaring en zijn eigen missie indachtig, het ook. In het begin was er het licht en Beckmann wil dat, hoewel onzichtbaar, zichtbaar maken. Mij stoort dat. Niet van de persoon zelf overigens die als zoveel schilders in het begin van de vorige eeuw de mystiek – de droom van jezelf als medium en vorm in één keer – opzocht. Voor gewone stervelingen is het ontwikkelen van vormen uit andere vormen al een heel waagstuk; mystici halen daar hun neus voor op. Het ‘leeg worden’ van de mysticus wordt bij Beckmann vertaald in een serie vergaande abstracties die ongetwijfeld de ‘kern’, zo niet de ‘zin’ van de openbaring zichtbaar moeten maken. Dat de schilder zijn eigen beeltenis als plaatsvervangend voor Johannes benut hadden we al bijna kunnen voorspellen.

Het stoort omdat de tweede wereldoorlog te vaak en te makkelijk als de Apocalyps is verwoord. Het lijkt wel alsof, nu Norman Mailer de duivel van stal haalt om voor ons de jonge Hitler te verklaren –  in een roman die tot de meest krakkemikkige van 2007 moet worden gerekend – het niet meer op kan. Gisteren verklaarde de Amerikaanse ambassadeur op Memorial Day in Margraten dat de strijd tegen Hitler en de strijd tegen de Taliban over hetzelfde gaan. De ambassadeur bevestigt daarmee alleen dat de inspiratie van de huidige Amerikaanse politiek en diplomatie even bijbels is als de inspiratie van de tegenstander duivels. Die strijd en niet de uitkomst of de voorspelling ervan, dat is de apocalyps, zonder hoofdletter. En zonder eindtijd, zonder teken, zonder het geopenbaarde ‘betrouwbaar en trouw’ van Johannes, maar met enig vertrouwen in de ander en daardoor in jezelf. Het was mooi geweest als daar iets van was doorgesijpeld in de litho’s van Beckmann. Ik heb het niet gezien. Maar ik zie dan ook geen licht.

28 mei

----------------------------------------------------------

Vooruitlopend op

Een risico neem je, een gevaar loop je. Voor risico’s ben jezelf aansprakelijk; voor gevaren zijn anderen aansprakelijk. Risico’s kun je in de hand houden door preventie en verzekering als je een verzekeraar kunt vinden; gevaren houd je in de hand door de overtreders te straffen en apart te zetten. Combineer die twee en je hebt George Bush en zijn leer van de preventieve aanval, de ‘pre-emptive strike’. Hij maakt school.

De preventieve aanval is er voor buitenlands én voor binnenlands gebruik. Irak weet nu wat het eerste betekent; de Hofstadgroep weet wat het tweede betekent. Juridisch zijn beide soorten aanvallen omstreden. Politiek al veel minder en maatschappelijk hangt het meer af van de mening van de bevolking over de autoriteiten dan van de eigen wereld, overwegingen en verplichtingen van het juridische systeem. Spelen de autoriteiten de etnisch-religieuze kaart, zoals in Nederland, dan gaat het makkelijker dan wanneer de autoriteiten de kaart spelen van internationale afspraken, rechtsregels enzovoorts. Zo komen ook zwakke autoriteiten weg met het negeren van de VN, het oprekken van het strafrecht en het beperken van privacy (camera’s bijvoorbeeld) en de rechten op privacy. Alles in één en hetzelfde verband en gedekt door de meerderheid van de bevolking. Liever veiligheid dan vrijheid. Dat blijkt uit het opiniedeel van het Nationaal Vrijheidsonderzoek 2007.

Het interessante is dat we het hebben over voornemens, plannen, ideeën, uitingen en niet over handelingen. Waar we meestal eerst iets waarnemen en pas daarna op zoek gaan naar wie er voor verantwoordelijk kan worden gesteld draaien we bij de preventieve aanval de volgorde om. We wijzen eerst de verantwoordelijken aan en interpreteren van daaruit hun plannetjes. Vroeger heette dat ‘guilt by association’. Het stond niet in groot aanzien. Nu wordt het de norm van de dag.

Het rare is natuurlijk dat een organisatie als de Hells Angels telkens goed wegkomt, ook al wordt er nu (de interneteditie van het Reformatorisch Dagblad van 16 mei) geschreven dat leden van de Nederlandse Hells Angels direct betrokken zijn geweest bij wapenleveranties aam Hezbollah en de IRA. Elke Hells Angel is een crimineel, verklaarde ooit een Amerikaanse ex-Angel, maar de organisatie zelf niet. Dat zou best kunnen. Verbazend is alleen dat daar de wetgeving niet op is aangepast. Dat heeft kennelijk geen prioriteit. Toch zou het interessant zijn te weten hoeveel schade de individuele leden van de Hells Angels hebben aangericht, vergeleken met bijvoorbeeld de schade aangericht door de leden van de Hofstadgroep.

Blijkbaar gaat het daar niet om. Een criminele organisatie is niet hetzelfde als een terroristische. Een criminele organisatie houdt altijd rekening met ons, want anders is er niks te halen. Wij zijn de oplossing voor hun probleem. They’re only in it for the money, ook als het om wapenleveranties aan terreurorganisaties gaat. Een terroristische organisatie, daarentegen, houdt geen rekening met ons. Wij zijn niet de oplossing van hun probleem, wij zijn het probleem zelf. Die eer retourneren we. Misschien wordt het gevaar nooit werkelijkheid en zullen we nooit weten hoe groot het gevaar nu ‘echt’ was. De preventieve aanval zegt weinig over hen, het zegt alles over ons. Mary Douglas, recent overleden, noemde dat altijd cultuur. Laten we het daarop houden. Het zijn ongezellige tijden.

25 mei

---------------------------------------------------------


Orgaan

Vanochtend las ik een interview met minister Ab Klink van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Hij maakt zich grote zorgen over het gebrek aan orgaandonoren, maar is niet van plan financiële beloningen om het aantal donoren te vergroten aan te moedigen, in welke vorm dan ook. We hebben een wet op de orgaandonatie en die verbiedt commercialisering. Klink wil dat zo houden.
Mijn zegen heeft hij. Jammer is alleen dat Klink het verband niet legt tussen de overdaad aan preventief gejeremieer in politiek en samenleving, en de schaarste aan donoren. Toch is dat verband niet moeilijk te leggen. Mijn stelling is dat wie het tekort aan donoren wil opheffen de preventie eens goed door de mangel moet halen.

Klink had het in ander verband overigens wel over preventie. Hij overweegt sport op doktersrecept uit te laten schrijven aan zwaarlijvigen. Om erger te voorkomen. De kosten nu zijn eigenlijk een investering; ze besparen op veel hogere kosten later.

Preventie op individueel niveau is de moderne vorm van risicobeheersing. Het gaat ervan uit dat een risico de waarschijnlijkheid is dat iets afhankelijk van je eigen daden zal gebeuren. Preventie zorgt ervoor dat je de waarschijnlijkheid van slechte risico’s in eigen hand houdt. Doe dit wel en dat juist niet en je zult zien dat je het wel redt. Wie zwaarlijvig is en gaat sporten neemt minder risico dan degene die voor sport z’n neus ophaalt. Het eerste rendement van sport in de ziektekostenverzekering is helemaal niet de besparing op kosten later; het is een hogere premie voor hardleerse zwaarlijvigen.

Preventie is een individuele verantwoordelijkheid geworden. Als je iets doet en er gebeurt iets onaangenaams dan kun je wel proberen daar anderen voor te laten opdraaien maar die hechten steeds minder geloof aan je uitvluchten. Wie van preventie z’n credo maakt let goed op zichzelf en valt anderen niet lastig, ook niet met uitvluchten. Van daaruit is het maar een heel klein stapje naar het vermoeden dat de meeste mensen in problemen – mensen die een orgaan nodig hebben – hun eigen preventie niet serieus genoeg hebben genomen. Waarom zou ik een orgaan afstaan aan iemand die er met de pet naar heeft gegooid? Iemand die ik niet ken maar die waarschijnlijk teveel heeft gezopen, gerookt, gegeten, gesnoven, en ook verder alles heeft gedaan wat God heeft verboden en moderne zielzorgers hebben afgeraden? Van zonde naar risico naar preventie: zo groot is die afstand niet. En wie de laatste stap niet heeft meegemaakt moet maar bij zichzelf te rade gaan en niet bij mij op de koffie willen komen.

Tegelijk met de implantatie van het preventie-orgaan verwijderen we het orgaandonatie-orgaan.

24 mei

----------------------------------------------------------


Toppie!

Wordt het nog wat met die participatietop? Hij is ons beloofd door het nieuwe kabinet dat daarmee meteen z’n opvattingen over meedoen heeft prijsgegeven. Participatie is arbeidsparticipatie. Mensen zonder betaald werk ‘doen niet mee’ en daar moet verandering in komen. Door sancties, premies, subsidies, vrijstellingen, inhoudingen.

Zo wordt de participatietop een top voor de aanpassingen, de uitwisseling en de eventuele afruil van soorten recht: het arbeidsrecht, het sociale zekerheidsrecht en het belastingrecht. Geef mij een versoepeling van het ontslagrecht, dan moet jij iets doen in de sfeer van de sociale zekerheid en de belasting kan helpen de neuzen dezelfde kant op te richten. Het is corporatisme oude stijl. Vandaar mijn vraag: waarin wijkt het af van het reguliere voorjaars- en najaarsoverleg? Waarin van de reguliere beraadslagingen in de SER?

Dat het een beetje stil is geworden rond de top is eenvoudig uit te leggen. De discussie tussen werkgevers en werknemers schiet niet op. En zolang dat het geval is wordt het met de participatietop ook niet veel. Dat is de prijs van het corporatisme. Het corporatisme gaat per slot over de manier waarop de overheid de agenda van de sociale partners serieus wenst te nemen. Dan moet er wel een agenda zijn uiteraard en die kan de overheid niet opstellen.

De overheid kan natuurlijk wel een eigen agenda hebben. Participatie bijvoorbeeld. Het vervelende is echter dat de overheid participatie en arbeidsparticipatie als een en hetzelfde beschouwt en in dat geval kan ze haar belangen alleen realiseren door aan te kloppen bij de sociale partners. En die zijn het onderling oneens.

Zolang er geen publieke agenda is, op afstand en onafhankelijk van de agenda van de sociale partners, blijft de aangekondigde participatietop een herhaling van al lang bekende zetten. Dat is jammer. Er is veel aan gelegen als de overheid er in zou slagen om wat meer in plaats van minder ruimte te scheppen tussen, bijvoorbeeld, arbeidsparticipatie en meedoen, en tussen arbeidsparticipatie, burgerschap en sociale zekerheid. In plaats van een steeds strakkere koppeling tussen betaald werk, sociale zekerheid en belastingen zou een lossere koppeling zo gek nog niet zijn. Sterker: het zou een publieke agenda kunnen worden die nu eindelijk eens niet is afgeleid van de agendaperikelen van de sociale partners. Het zou de debatten over ‘sociale integratie’ en ‘sociale cohesie’ helpen, al was het maar door die minder braaf en voorspelbaar (‘arbeid is de beste manier om te integreren en draagt bij aan de sociale cohesie’) te maken. Het kan best zijn dat arbeid integreert en de cohesie versterkt. Het kan ook best niet zoals de onvrede over zakkenvullers en ‘exorbitante zelfverrijking’ laat zien. De relatie tussen arbeid en maatschappelijke winst heeft een onbekende uitkomst. Ik vind dat eigenlijk wel goed zo, maar het kabinet zet moraal in om die geest van onbepaaldheid weer in de fles te krijgen. Het kabinet denkt dat een top een kurk is om de fles te sluiten. Ik denk dat een top een plek is waar je om je heen kunt kijken. Wie weet zie je dan dingen die je nog niet eerder zag.

23 mei

----------------------------------------------------------

Besmuikt

Het was een rare portrettengalerij, gisteravond bij Knevel en van den Brink. Van het kabinet beviel alleen Donner me. Hij oogde besmuikt. Het stond hem. Zo hoort het in een idiote context waar je voor je nummer moet opdraven. Ik vermoed dat Blijdorp de laatste dagen extra veel bezoekers heeft gehad. Aapjes kijken. Dat kunnen wij ook denken ze bij de EO. En ik keek.

Balkenende wordt hoe langer hoe beter in geautomatiseerde prietpraat. Plasterk moet nog wennen maar het is een veelbelovende leerling. Bos doet het al bijna op routine en Rouvoet teert onvermoeibaar op de blijmoedigheid die hij van de huisbijbel uit heeft meegekregen. Hoe lang nog? Vast nog heel lang.

Er waren ook burgers die spraken over de circulaires van OCW (in één week een hele bak vol) en het respectaspect op straat (waar vaak ontbreekt). Weer een mooi nieuw woord erbij, respectaspect. In prachtwijken zal het respectaspect hoog genoteerd moeten staan, anders wordt het niks. Elke Vogelaar kan het je vertellen. Een politieagent uit Woensel (Eindhoven) wist bijna zeker dat er achter de deur tal van dingen gebeuren die schreeuwen om een aanpak. Met drang, dank u. Met dwang én drang, voegde Bos toe, in die volgorde. De drang was om de agent te vriend te houden. De dwang was een eigen toegift. Een wens, als het ware. Niemand die protesteerde. Rouvoet wist te melden dat de angst voor privacy niet nodig was; er kon van alles en van alles nog meer dan we nu doen. Instemming.

Behalve Donner. Die keek besmuikt. Ook toen Aboutaleb vertelde dat Donner goed was voor wel drie grappen per dag. Drie! Per dag! Het kan niet op. Het geeft toch een warm gevoel, zo’n samenspraak van politiek en burger. Tuurlijk, bij sommigen is de kloof tussen burger en politiek niet kleiner geworden. Kniesoren waar je niet op moet letten. Het vorige kabinet stond met de rug naar de samenleving. Dit kabinet is de samenleving. Dat wordt niks. Inderdaad, daar kun je alleen een besmuikt smoel bij trekken. Donner is de enige politicus van het stel. Wanneer gaat Donner weer rappen?

22 mei

----------------------------------------------------------

Bijsluiter

ABN Amro dreigt een deel van haar klanten te verliezen. Niemand die zich er druk over maakt, de klanten zelf daargelaten. Afgelopen zaterdag drukte het NRC Handelsblad een groot interview af met Morris Tabaksblatt. In dat hele interview speelde de klant geen rol. Dat zegt iets over markten.

Een markt is een spiegel voor de producenten, voor de aanbieders dus. Die houden elkaar in de gaten, letten op wat succesvol is en modelleren hun gedragingen dienaangaande. Klanten zijn daarvan noch het motief, noch het doel. Ze zijn niet meer dan een randvoorwaarde om het spel te spelen, een ‘constraint’. Ze hebben dezelfde rol als de werkgelegenheid: geliefkoosd als het om legitimatie, subsidie en protectie gaat, verwaarloosd zodra er echte zaken moeten worden gedaan.

Het jarenlange debat over de vermindering van administratieve lasten is een goede illustratie. Administratieve lasten (‘regels’) zijn lastig, het woord zegt het al. Het hindert de aanbieders van goederen en diensten omdat het leidt tot het rekening moeten houden met elk, bedoeld en onbedoeld, effect van wat je doet. Zoals traditioneel de planeconomie geassocieerd werd met het ‘internaliseren’ van alle externe effecten – en daardoor effectief noch efficiënt was – wordt de regeleconomie geconfronteerd met het smoren van elk initiatief en dus creativiteit en innovatie. Dat kunnen we niet hebben. ‘We’ is in dit geval de economie van de aanbieder, de ‘ondernemer’. De gevolgen zien we later wel.

Als het allemaal bedoeld is om de klant en de burger beter van dienst te zijn (we hebben een vraaggestuurde economie ten slotte, met een heus wel krachtige  consumentensoevereiniteit), waarom neemt dan de administratieve belasting van diezelfde klant en burger toe? Meer in het algemeen: waarom leidt keuzevrijheid tot een steeds grotere aanslag op onze vrije tijd die we inmiddels mogen opsouperen aan het lezen van onleesbare en onbegrijpelijke dan wel leesbare en nietszeggende offertes? Waarom wordt de verantwoordelijkheid van de producent doorgeschoven naar de productie van ondoorgrondelijke en ondoordringbare bijsluiters? 

De vraag stellen is al bijna haar beantwoorden. De vraag stellen is het product van dezelfde ideologie die de klant centraal stelt. Het antwoord geven komt neer op de ontnuchterende constatering dat de markt er is voor de producent die aan ons net zoveel boodschap heeft als een eenmaal gekozen regering aan haar verkiezingsprogramma. Verblijdend is alleen dat we de bijsluiter toch niet lezen. We hebben wel wat beters te doen. Onze eigen informatie verzamelen bijvoorbeeld.

21 mei

----------------------------------------------------------

Risicoprofiel

Rutte heeft gediscrimineerd omdat hij, op grond van uitkeringsfraude in de Somalische ‘gemeenschap’ nog als staatssecretaris SZW opdracht heeft gegeven de Somaliërs in de gaten te houden. Een beschrijving (hoe herken ik een Somaliër?) was bijgeleverd. De rechter vindt het niet goed, want opsporen en aanhouden op grond van afkomst mag niet. Het is namelijk discriminatie op ontoelaatbare gronden. Rutte verweerde zich gistermiddag op de radio. Zijn stelling: als er een patroon is (in dit geval: Somaliërs frauderen meer dan anderen) dan mag ik wel degelijk. Een concrete verdenking is niet nodig. Een mens kan per slot wel aan de gang blijven. Je hoort het hem denken. Over denken gesproken: hoe denken wij eigenlijk dat hij de woonwagenkampbewoners heeft aangepakt? Nou dan. Volgens Rutte is er geen probleem en ziet de rechter het helemaal fout. En zo niet dan moet de wet maar worden aangepast.

In de Nederlandse ‘gemeenschap’ vindt fraude plaats. Uitkeringen, faillissementen, vermogens. Gesteld nu dat bij fraude rond faillissementen en vermogens opvallend veel VVD-ers (leden, stemmers, sympathisanten) betrokken zijn. Gaat Rutte dan een VVD risicoprofiel opstellen en aan de bevoegde ambtenaren de opdracht geven die VVD-ers in de kraag te vatten, en toegang tot hun huis, hun administratie, hun hele hebben en houden te eisen? Je zou het verwachten als het om de redenering ging maar we weten wel zeker dat Rutte met die redenering z’n gat afveegt als dat zo uitkomt. Fraude doen de anderen.

Rutte is niet goed bij z’n hoofd. Hij maakt drie fouten: hij denkt dat hij wetten kan maken als hij er even niet uitkomt; hij maakt van justitie een waarschijnlijkheidsrekening; en hij is dol op statistische discriminatie. De eerste fout is typisch voor alle politici die denken dat niet zij de wet, maar de wet hen moet dienen. De tweede fout is de ernstigste. Het maakt mensen tot verdachten niet op grond van wat ze doen maar van wat we ze toedichten. We nemen ze niet voor wie ze zijn maar voor wie we ze houden. De derde fout is gewoon de platte fout van de verwende vlegel die vindt dat voor hem en de zijnen niets goed genoeg is en dat je alle overigen op een koopje mag afserveren. Statistische discriminatie dus. Daarom hebben we veel over voor het beschermen van de samenleving tegen bijstandsfraude en weinig voor de bescherming tegen faillissementsfraude. Het eerste heeft Rutte met de botte bijl willen afstraffen en waar gehakt wordt vallen spaanders. Toch? Het tweede kent hij niet.
Het liberalisme van Rutte wordt gestaag onwelriekender.

20 mei

----------------------------------------------------------

Poging

Gisteren probeerde ik wat aan een stuk te werken dat af moet. Het lukte niet, de concentratie bleef uit en om even over zessen besloot ik er mee op te houden. Vandaag kan ook. Niettemin, tot gisteravond had ik de zekerheid dat ik wel degelijk een poging had gewaagd. Ik had er alleen niets van gebakken. Maar inmiddels twijfel ik.

Ander voorbeeld. Gesteld dat ik in een winkel wil inbreken. Ik wacht tot het rustig is en lekker donker en probeer de deur open te krijgen. Het alarm gaat af. Ik besluit me uit de voeten te maken. Heb ik dan een poging gedaan in te breken of niet? Dat blijkt strafrechtelijk nog helemaal niet zo eenvoudig te zijn, begrijp ik nu. Want als ik ‘vrijwillig’ heb besloten de inbraak niet te plegen dan is er ook geen sprake van een ‘poging’. Mij lijkt dat een idiote bepaling van wat een ‘poging’ is maar iets soortgelijks schijnt wel degelijk door de Hoge Raad te zijn uitgesproken. Het gaat om een verkrachtingszaak, of eigenlijk om de vraag of er een ‘poging’ tot verkrachting was geweest.

De zaak stond centraal in ‘het hof van Joosten’, een tv uitzending van gisteravond. Een man had een meisje mee naar huis genomen, had haar daar onder het mom van al een beetje oefenen voor een filmscène waar, zei hij, hij haar erg geschikt voor achtte vastgebonden, had daarna haar broekje naar beneden getrokken en hield pas op toen het meisje haar protesten afsloot met de uitroep: ‘maar wat is de er de zin van om mij te verkrachten?’. Hij hield op. Het alarm was afgegaan, kennelijk.

Poging of niet? Nee, zei uiteindelijk de Hoge Raad. Want de man was ‘vrijwillig’ gestopt. In dat geval heb ik dus ook geen ‘poging’ gedaan een inbraak te plegen. Ik heb nu twee vermoedens. De eerste is dat de Hoge Raad ten onrechte is geciteerd. Immers de Hoge Raad beoordeelt de inhoud van zaken niet, maar de procedure van een rechtsafhandeling zoals die zich in eerdere stappen bij eerdere rechtbanken heeft ontrold. Dat is niet hetzelfde. De tweede is dat het woordje ‘vrijwillig’ niet veel meer dan een makkelijk hanteerbaar trefwoord is geweest, een afleiding van een lange serie overwegingen en afwegingen, die ons op de tv zijn onthouden. Dat is jammer.

Het was niet moeilijk geweest voor de programmavoorbereiders om vast te stellen hoe een ‘poging’ in het strafrecht moet worden gelezen. Immers, ook in ons land is het woord brisant geworden in het kader van de terrorismebestrijding, inclusief de voorbereidingen ervoor en de pogingen ertoe. We hebben de laatste jaren nogal wat nieuwe wetgeving op dat vlak mogen begroeten en het zou al heel raar moeten zijn gelopen als de kwestie van de ‘poging’ niet aan de orde was geweest.

Twee minuten Google en je bent er. De Kamer heeft vragen gesteld en de Minister antwoordt. Ik citeer: “Graag voldoe ik aan het verzoek van de leden van de fracties van SGP en CU om in het kort maar scherp de kenmerkende verschillen tussen poging, voorbereiding en samenspanning uiteen te zetten. De strafbaarstelling van poging is geregeld in artikel 45 Sr. Uit dat artikel volgt dat poging tot elk misdrijf strafbaar is, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld, wordt bij poging met een derde verminderd. Als er nog geen begin van uitvoering van het misdrijf is, kan nog wel sprake zijn van strafbare voorbereiding (artikel 46 Sr). Daarvoor is vereist dat de dader opzettelijk voorwerpen (etc.) kennelijk bestemd tot het begaan van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, voorhanden heeft (etc.).” (mijn cursivering).

Hoe nu? Van vrijwilligheid wordt niet gerept maar wel van een ‘begin van uitvoering’. Dat lijkt me overigens wel zo logisch. Het goede nieuws is dat het gat tussen de juridische wereld en de dagelijkse minder groot is dan vaak wordt aangenomen. Het slechte nieuws is dat de tv z’n voorlichtende taak voor de zoveelste keer heeft laten liggen.

19 mei

----------------------------------------------------------

Buiksprekers

In Pascal Mercier’s magistrale roman Nachttrein naar Lissabon is de hoofdpersoon, Gregorius, af en toe in gesprek met een goede kennis, in de persoon van een Griekse oogarts. Gregorius ziet niet goed, en hij ziet soms ook ‘het’ niet goed. De volgende passage is een illustratie:
Maar als je de mensen niet aan hun woord kan houden: wat moet je dan met hun woorden doen?, had Gregorius gevraagd. De Griek had vreselijk moeten lachen, ‘ze als een aanleiding beschouwen om zelf iets te zeggen’.
De Griek heeft gelijk. En zijn antwoord geeft hoop.

Tussen mensen die eenzelfde taal spreken is een gesprek al moeilijk genoeg. Het wordt nog moeilijker als mensen niet namens zichzelf spreken maar in naam van een Spreker waarvan zij slechts de – per definitie – onvolmaakte geluidsfragmenten zijn. Buiksprekers die niet de auteur van hun eigen woorden zijn. Gelovigen dus die niet ‘van’ de wereld zijn, maar wel er ‘in’. Die mensen kun je niet aan hun woord houden omdat het niet hun woord is. Niet zij beschikken over zichzelf maar hun schepper. Wat zij kunnen doen is zo goed mogelijk het kwaad op afstand houden. Het blijft behelpen; meer dan je best doen kun je niet.

Op de EO-radio van gisterochtend was te beluisteren hoe het immuunsysteem geloof, in dit geval van christelijk reformatorische huize, functioneert. De geïnterviewden, van jong tot ouder, bleken zonder uitzondering verstandige mensen die bedaard uitlegden hoe zij in de wereld stonden en toch niet van de wereld waren. In wat breder perspectief bekeken leek het wel een inleiding in de systeemtheorie: zij selecteren, in naam van hun schepper, uit de wereld en tegelijk weten ze maar al te goed dat het keuzemenu wereld hen telkens voor selectieproblemen stelt waar zij niet om hebben gevraagd (wel of geen tv, wel of geen internet met wel of geen filters, wel of geen Jantje Smit op Koninginnedag in Nieuwpoort) maar waar ze wel op moeten reageren. Variatie, selectie, retentie: overzichtelijker kan het niet.

Zoals elk functionerend systeem is ook het immuunsysteem geloof niet statisch. Het evolueert door oriëntatie en heroriëntatie, schikt zich door te herschikken, en als het een krachtig systeem is geldt het aloude gezegde dat hoe meer het verandert hoe meer het hetzelfde blijft. Het was een intrigerende radio-uitzending en ik vermoed dat de Griek van Gregorius er tevreden mee was geweest. Gelovigen kun je niet op hun woord geloven omdat het woord letterlijk in hun begrip van de wereld niet het hunne is. Maar met gelovigen kun je uitstekend praten zolang ze in staat blijken de dualiteit van ‘van’ en ‘in’ te handhaven door ermee te blijven werken. Zolang ze dat kunnen weten ze immers dat de wereld hen iets te zeggen heeft. Ook al geloven ze er geen woord van, ze zijn toch genoopt wat terug te zeggen. Die eer kan ik, niet-gelovig, retourneren. Het is lastig praten met een buikspreker die voor de onvolkomenheden van z’n taal wel, en voor de taal zelf niet, de verantwoording wil nemen. Via de buikspreker kom ik niet bij de Spreker. Moet ik ook niet aan denken. Misschien kom ik wel bij de spreker ‘in’ de buikspreker. Per slot, het immuunsysteem geloof biedt wel protectie maar geen garantie. Dat doet geen enkel immuunsysteem. Daarom willen zij best in gesprek met mij en ik in gesprek met hen. We kunnen niet op elkaars woord afgaan, we kunnen er wel op doorgaan.

Er zijn wel grenzen. Het fundamentalisme begint waar de dualiteit van ‘van’ en ‘in’ wordt ontkend. Het geloof als waanzin (en dus als te behandelen) is één variant, het niet-geloof als het werk van de duivel (en dus als uit te drijven), een andere. Voor wie de wereld van de ander een virus is, is ook die ander een virus. Dat is de wereld van Jerry Falwell. Dan houdt het op.

Wat voor het geloof opgaat is ook de politieke overtuiging niet vreemd. Het gebruik van het woord ‘tsunami’ door Wilders is een uiting van fundamentalisme. Hij had in plaats van ‘tsunami’ net zo goed ‘virus’ kunnen zeggen, maar dat bekt minder lekker. Het beeld van een natuurramp annex zondvloed is niet verwonderlijk voor een politicus die in de eerste plaats van zichzelf een beeld heeft gemaakt, te beginnen met z’n haartooi. Met Wilders valt geen gesprek te voeren. Hij weet het zelf ook; je hebt niet voor niets een partij zonder leden. Met een aanhanger van Wilders daarentegen valt wel degelijk een gesprek aan te knopen. Vorige week deed ik het nog. Zodra we over politiek kwamen te spreken veranderde het verhaal in een aantal sound-bytes van een tamelijk hatelijke aard. Voor het overige was het een gesprek zoals vele andere. Net een mens, dacht ik en ik hoop dat hij hetzelfde van mij  dacht. Ik zou denken dat die twee kanten (de overtuiging en de ruimte op afstand van de overtuiging) van m’n gesprekspartner elkaar over en weer beïnvloeden. Net zoals dat bij mij het geval is. Wat dat uiteindelijk oplevert weet ik niet. Wel weet ik dat zolang er nog twee kanten zijn het gesprek maar moet doorgaan.

18 mei

----------------------------------------------------------

Niets voor iets

Als ik iets nodig heb en ik kan het me veroorloven dan schaf ik het aan. Ik ruil iets voor iets. Producenten die een markt willen veroveren geven je soms iets cadeau en dan krijg je iets voor niets. Althans, dat denken we want gratis lunches bestaan helemaal niet. Zeggen de economen.

Van al die waarheden blijft steeds minder over. De moderne economie – een paar jaar geleden werd liefkozend gesproken over de ‘nieuwe economie’ – is stormenderhand bezig op een nieuw principe over te schakelen. Niets voor iets. Ik moet betalen als ik iets niet wil hebben. Dat opent oneindige mogelijkheden. De maffia deed het altijd al zou je kunnen zeggen (we breken bij jou de tent niet af maar dan moet je wel betalen), maar de maffia is illegaal. En wat nu opkomt heeft niets met illegaliteit te maken. Wel met slechte smaak.

De nieuwe economie wordt afwisselend in verband gebracht met communicatie en communicatiemedia, en met ‘ervaringen’ en ‘belevingen’. Die afwisseling kunnen we wel loslaten, want communicatie, ervaring en beleving horen bij elkaar en zijn, in economisch perspectief, volledig op elkaar aangewezen. Nieuwe ronde, nieuwe kansen.

Het is vaak redelijk onschuldig. Wie van klierige reclame af wil moet iets meer doen of iets meer betalen. Om niets te krijgen moet je iets betalen. Niets voor iets. Het is de economie van de hinderkunst en het gaat veel verder dan de onvermijdelijke externe effecten waarop traditioneel de publieke inmenging in de economie berustte. Het gaat verder omdat hier de externe effecten niet alleen wel degelijk vermijdbaar zijn maar bovendien bewust worden opgeroepen en gecommuniceerd.

Externe effecten zijn niet per se ongunstig. Ze geven gewoon aan dat als je iets begint dat altijd gevolgen heeft voor de omgeving waarin het plaats vindt. De econoom Friedman had het over ‘neighborhood effects’, buurteffecten dus. Dat is een aardig woord. Het wordt minder aardig als buurteffecten de markt zelf worden want dan verschuiven ze van gevolg naar oorzaak. En dan moet je betalen voor wat je niet wilt. Voorheen kon, legaal gezien, alleen de overheid zo’n truc uithalen. Nu kan iedereen het.

Ik ben al een tijdje geïntrigeerd door het gedoe over de Postcodeloterij. Die loterij bestaat enkel en alleen uit het buurteffect. Een buurt is, als het een beetje wil, mee kunnen doen met de buren. Je hoeft niet maar je moet het wel kunnen. Daarin ziet de Postcodeloterij z’n markt. Ook als je er niet om vraagt (bijvoorbeeld omdat je de pest hebt aan loterijen) loop je het risico dat je buurt onherkenbaar wordt veranderd als de postcode van de straat in de prijzen valt. Als je het risico van niet meer mee kunnen doen wilt vermijden, moet je een lot kopen. Dat doe je dan niet omdat je de prijs wilt hebben maar omdat je niet buiten de boot wilt vallen. Je betaalt iets omdat je niets wilt dat je al niet had. De toekomst is aan de legale  zwendel van de hindereconomie.

17 mei

----------------------------------------------------------

Het kriebelt

Geluk is een bijproduct van iets willen, daarvoor iets moeten doen, en het nog doen ook. In mijn geval wordt het altijd aangekondigd door een aangename lichamelijke sensatie. Met de conatus is het weer dik in orde vandaag denk ik dan maar. En ik begin. Het bewijs: het kriebelt.

De meeste dingen die we doen kriebelen niet. De dingen die je elke dag doet bijvoorbeeld. Routines zijn gemakkelijk en comfortabel maar de pech is dat je van comfort niet gelukkig wordt. Tevreden kun je ermee wezen, voor een tijdje. Meer voor de hand ligt dat je er lui van wordt. Geluk is wat anders. Ook de dingen die je graag zou willen doen maar waartoe je echt niet in staat bent vallen buiten de prijzen. Die dingen leveren dromen op, of frustratie, of woede uit onmacht, of onverschilligheid uit onvermogen. Geen geluk.

Het moet dus niet te dagelijks zijn en het mag ook niet te gek worden. Van een stukje schrijven kun je gelukkig worden. Het is te doen, en voor de meesten onder ons is het geen dagelijks werk. Wie een oproep plaatst, zoals de Humanist, voor een klein stukje over geluk maakt een aantal mensen gelukkig.
Heeft het geluk een eigen plekje? Ja, geluk zit ergens tussen het streven naar en het bereiken van iets in. Vandaar dat geluk en afzien, geluk en pijn, geluk en ongemak heel wel kunnen samengaan. Dat je het één zonder het ander zou kunnen hebben is flauwe kul.

Er is maar één voorwaarde. Geluk is er alleen voor mensen. Het is er niet voor werkplekken, voor organisaties en al helemaal niet voor kerkgenootschappen en overtuigingen die uit liefde voor de mens de mensen op het tweede plan plaatsen. Zeg nou zelf, religies hebben aan mensen niet genoeg. Daarom hebben ze geen geluk in de aanbieding, hooguit de flow van de roes. Dat heeft tal van voordelen, van het blijmoedig ophemelen van de dagelijkse sleur tot en met het bereikbaar verklaren van het onbereikbare. Het geloof is een immuunsysteem. Alleen zo verzet je bergen. Laat ze. De meeste gelovigen zijn ook maar mensen. Valt best mee, meestal.. Meestal is niet altijd, maar een humanisme dat zich daarop blind staart is geen humanisme. Wel een beweging die de Volkskrant op zaterdag belaagt met stukken over het al dan niet mogen ‘aanschurken’ tegen de religie. Daar wordt niemand gelukkig van.

Geluk is geen recht. Het is een kans. Als het bij mij kriebelt dan moet ik wat. Of het meevalt of tegenvalt kan ik niet voorspellen. Of ik er gelukkig van word weet ik alleen achteraf. Ik kan het niet bewaren en heb het uitgegeven voordat ik het kunnen vastpakken. Je kunt geluk niet ‘hebben’. Het is zinloos ernaar te zoeken. Je vindt het niet. Je komt het tegen zoals een kennis die je altijd hoopt te ontmoeten, die je dacht ook gezien te hebben maar die alweer is verdwenen als je je hebt omgedraaid. Kan iedereen gebeuren. Er is geen kunst aan.

16 mei

----------------------------------------------------------

Overlaster

Tijd is geobserveerde registratie. We zien geen licht en we nemen geen tijd waar. Maar we zien wel van alles en dat komt door het licht. We observeren ook van alles en plaatsen dat na elkaar, in de tijd. We dateren het en leggen het daarmee vast zodat we kunnen vergelijken, meten, en afleiden. Van oproepen via waarschuwingen tot en met bevelen. Van normen en waarden tot en met het wakker schrikken omdat je interne wekker is afgegaan.

Ik lees een boek over tijd (Freek Broekman, Alle waar is naar zijn tijd. Soesterberg: Aspekt 2005). Ik lees het in de trein, en een betere plek om mijn stelling over tijd als geobserveerde registratie te toetsen is er niet, zeker niet als er een overstap in je reisroute zit. Het is niet het perspectief dat ik in het boek aantref. Geeft niet want ik ben pas halverwege en wat niet is kan nog komen. Niettemin, dat wij observaties na elkaar plaatsen en daarvoor het tijdsbegrip hebben bedacht en vervolgens verfijnd, geobjectiveerd, gesubjectiveerd, gedimensioneerd en wat al niet is zo voor de hand liggend dat ik aanneem dat het vroeger of later wel zal opduiken in het boek. Bovendien, als tijd geld is moet tijd net als geld rollen en blijven rollen. Tijd is het verstrijken van de tijd en door het verstrijken van tijd houdt de tijd zichzelf in stand. Dat is geen keuze maar een identiteit. Tijd is tijdsverschil. Ook daar is registratie aangewezen op observatie. Zou Broekman dat ook vinden? Zoeken we op.

Moderne communicatiemiddelen zijn behalve dat ook telkens perfecter registers en registraties. Dat zien we behalve bij internet en mobiele telefonie ook bij de camera. De oprukkende camera op pleinen, wegen, bij gebouwen, in winkels, scholen, ziekenhuizen, stadions en stations is een waarnemingsoog met tijdsaanduiding. Het oog van de camera functioneert aan de hand van de tijd, in de tijd en door de tijd. Dat kan knap lastig zijn voor degene die wordt waargenomen. Je dacht je onbespied te wanen maar bent geregistreerd. Dan en dan was je daar en daar, geen ontkennen of beter: ontkomen aan. Omgekeerd, wanneer kenbaar gemaakt is dat er camera’s zijn hopen we maar dat daarmee het mooie streven van de ‘preventie’ wordt gediend. Van ontkomen naar voorkomen, een hele reis. De preventietrein dendert voort ook als het sein van de privacy al lang op rood staat.

Afgelopen weekend trok Jacob Kohnstamm (van de commissie voor privacybescherming) maar weer eens aan de bel. Niet aan de noodrem jammer genoeg. De geregistreerde burger mag dan veilig zijn, hij is wel z’n privacy kwijt en dat geeft een onveilig gevoel. Zegt Kohnstamm. Hij heeft het grootste gelijk van de wereld. Privacy is het kind van de rekening. Privacy is hard op weg overlast te worden. Niemand die het beter weet dan de woordvoerder van de Utrechtse politie die via de radio (radio 1, gisteravond) voor de wijk Ondiep een nieuw regime aankondigde. Op wie voor stennis zorgde zou de camera worden gezet, zo verklaarde hij. En de buurt was het er mee eens. Dat spreekt want de overlast komt altijd van en door anderen. Hoe de woordvoerder het zich gedacht had (eerst stennis, dan de camera) is me niet helemaal duidelijk geworden. Maar dat het menens is mag blijken uit het prachtige neologisme dat de woordvoerder introduceerde: overlaster. We weten je te vinden, vroeger of later.

15 mei

----------------------------------------------------------


Trouw

Iemand die z’n afspraken nakomt is betrouwbaar. In Uruzgan (op radio 1 is nu een gesprek te beluisteren over de Nederlandse missie aldaar) dreigen wij aan het realiseren van onze afspraken niet toe te komen. Daarmee staat onze betrouwbaarheid ter discussie. Dat ligt niet aan goede wil, het ligt eraan dat wij afspraken hebben gemaakt die we niet hadden kunnen maken. Als vorm, timing en inhoud van de na te komen afspraak niet alleen van onze actie afhangt maar ook van de actie van allen die in de afspraak zijn begrepen (Afghanen bijvoorbeeld) dan kan er pas van betrouwbaarheid worden gesproken als er vertrouwen is. De vraag is dus niet of betrouwbaarheid een opmaat is voor vertrouwen (want dat kan best zo zijn hoewel het allerminst een wet van meden en perzen is) maar hoe vertrouwen kan worden geschapen zodat betrouwbaarheid resulteert. De mafia is betrouwbaar (ze komen elke week hun premie innen) maar niet te vertrouwen (volgende week wordt de premie onaangekondigd verhoogd). Mijn collega’s zijn zeer te vertrouwen maar niet altijd betrouwbaar (ook zij kunnen ziek worden en omdat wij een kleine organisatie zijn is er niet altijd vervanging).

In Uruzgan heersen angst, corruptie, intimidatie, ook en misschien wel juist onder gezagsdragers. Zelfs als we manmoedig en volslagen irreëel afzien van het feit dat het land bezet wordt door een internationale en vreemde troepenmacht en ons alleen concentreren op wat Nederland daar doet dan is de eerste vraag wie daar in staat zijn een boodschap aan onze boodschap te hebben en kunnen besluiten samen met ons boodschappen te gaan doen. Het antwoord op die vraag kan niet vrolijk stemmen. En daarmee komt de discussie over het al dan niet voortzetten van de Nederlandse missie daar in gevaarlijk vaarwater. Mijn voorspelling is dat, omdat we de belofte van betrouwbaarheid niet waarmaken en evenmin over de statuur beschikken om voldoende vertrouwen te kunnen wekken, we een verschuiving te zien zullen krijgen. De eerste tekenen daarvoor waren vrijwel onmiddellijk na het begin van de missie waar te nemen want we gingen van verhalen over wederopbouw over op verhalen over een gebrek aan vertrouwen. Nu gaan we de volgende verschuiving beleven: van vertrouwen naar trouw: aan Karzai, aan de Amerikanen, aan de NAVO, en ongetwijfeld ook aan onszelf. Mooi allemaal, maar niet ter zake. Ik vertrouw mijn arts maar niets verplicht mij tot trouw aan diezelfde arts en omgekeerd. Verhuizen mogen we allebei. Een discussie over betrouwbaarheid is niet vervangend voor een discussie over vertrouwen en een discussie over vertrouwen is niet vervangend voor een discussie over trouw. En omgekeerd.

14 mei

----------------------------------------------------------


Agenda

Vijf jaar na de moord op Fortuyn vraagt men zich, niet voor de eerste keer, af wat het allemaal heeft betekend.  De kranten en weekbladen wierpen rond 6 mei de vraag maar weer eens op en gaven tegelijk het antwoord. De betekenis zit in het je afvragen wat de betekenis is. Voor het overige schiet het niet op.

Betekenis – je kunt ook ‘zin’ zeggen – is een systeem dat zich, zoals elk systeem, voedt door vol betekenis te spreken over betekenis zodat het product betekenis betekenisvol aan de wereld kan worden aangeboden. Die het als zonder betekenis kan afwijzen, of als het laatste woord kan omhelzen. Hoe meer betekenis, hoe meer betekenisloosheid. Hoe meer zin, hoe meer zinloosheid. Beide hebben elkaar nodig en omdat we modern zijn verwachten we ook dat er steeds meer zin wordt geproduceerd, en dus meer zinloosheid. Onttrek je daar maar eens aan. Zelfs als je het onzin vindt erken je datgene wat je ontkent.

De betekenis van Fortuyn is, zo begrijp ik, dat hij iets op de agenda heeft gezet. Agenda is het politieke zinwoord van de laatste jaren. Die slag is voor Balkenende. Volgens een hoofdredactioneel van NRC Handelsblad wist Fortuyn de dingen zelfs ‘briljant’ te agenderen. Aan de andere kant, wat nu precies is geagendeerd: daar hechten de diverse commentatoren diverse betekenissen aan. Zo hoort het ook. Meestal is het slaapverwekkend, een enkele keer een beetje rancuneus (Bomhoff), en zowaar ook nog wel eens interessant (Van Doorn natuurlijk).

De grootste gemene deler is de verwevenheid van de agenda met de ‘persoon’. Het woord charismatisch valt (sjamaan was beter geweest maar je moet niet teveel vragen). Kan niet missen. Flamboyant, ijdel, het is een wat sleetse opsomming van ‘persoonlijke’ kenmerken. Het heeft net zoveel met een persoon te maken als een kale kop of een hoofddoek. Die kale kop had Fortuyn ook nog. We hebben het helemaal niet over een persoon maar over het beeld van een persoon. Dat beeld kun je vergoddelijken en daar hadden een paar jaar geleden een boel mensen best behoefte aan. Je kunt het beeld ook demoniseren en Fortuyn, die uitstekend doorhad dat zijn succes afhankelijk was van het kundig manipuleren van het onderscheid persoon/beeld, was er als de kippen bij om met die term aan de haal te gaan. Inderdaad, vergoddelijking en demonisering horen bij elkaar. Ze houden elkaar in stand, roepen elkaar op en, opnieuw, ze versterken elkaar.

Hoe meer er wordt gesproken over de ‘seculiere’ staat, des te zekerder we weten dat het spook van de islamisering nodig is om de nieuwe kleren van de door god gezalfde keizer onzichtbaar te maken. Toegegeven, dat is een paradox. In ons land vol seculiere dominees kunnen we slecht met paradoxen omgaan omdat we denken dat ‘schijn’ niet echt is. Dat is lastig als je in het grote simulacrumcircus van de moderne politieke samenleving woont. Een staat die religie nodig heeft om in één en dezelfde beweging te demonstreren wat hij wel en niet is voldoet ongetwijfeld aan de vraag naar ‘identificatie’ en ‘nationale identiteit’. Vragen hoe dat kan is het taboe op de nieuwe kleren van de keizer doorbreken, zeker in een land dat de schijn wil ophouden dat de scheiding van kerk en staat heus wel echt is. Laat het genoeg zijn dat we dankzij de ‘seculiere’ staat net kunnen doen alsof we allemaal verschillend en toch hetzelfde zijn en tegelijkertijd voldoende anderen kunnen buitensluiten om nog trots op onszelf te zijn ook. Is dit het wat Fortuyn zo briljant heeft ‘geagendeerd’?

13 mei

----------------------------------------------------------


Eigenschappen

Gisteren kwamen Elly en ik terug van een korte vakantie in de Morvan, waar het groen was als altijd, de vertraagde tijd onmiddellijk na aankomst intrad en de streek z’n naam (de badkuip van Frankrijk) eer aandeed. Er was tijd om te lezen. Ik had Musil’s grote meesterwerk meegenomen. Het boek kreeg ik eenendertig jaar geleden (voorin staat 4 juni 1976, mijn dertigste verjaardag). Ik was toen voor enkele maanden in Groningen. Het was het jaar van Soweto. Steve Biko werd een huishoudnaam. Zuid-Afrika was definitief veranderd. Anderhalf decennium later werd Mandela vrijgelaten.

Ik las Der Mann ohne Eigenschaften in de zomer van dat jaar. Het was toen slecht weer, begin juni, een beetje zoals nu in de Morvan. Koel, winderig, veel regen. Het was, in 1976, de opmaat voor een heel warme zomer. In Montchanson, waar ons huisje staat, hoorden we van een kennis dat deze zomer zo warm als de zomer van 2003 gaat worden. We zullen zien.

Het is raar hoeveel en tegelijk hoe weinig je van een boek vergeet dat je lang geleden al eens las. Ik bedoel, veel passages en soms zelfs hele hoofdstukken herken je onmiddellijk. Zoals het hoofdstuk over de ‘werkelijke mogelijkheden’ en de ‘mogelijke werkelijkheden’. De hoofdpersoon is aan de laatste kant terechtgekomen. Hij is van de mogelijke werkelijkheden en gelooft ook daar niet in. Daarom, een man zonder eigenschappen.
Het lastige is dat de mensen die van de andere kant af beginnen, die dus wat dichter bij de werkelijke mogelijkheden staan, het niet redden zonder op hun beurt mogelijke werkelijkheden te koesteren. Een visie, een leuze, een ‘grote gedachte’. Liefst inclusief een verbinding met de werkelijkheid, zodat mogelijkheid en werkelijkheid bij elkaar kunnen komen. Daar schort het aan, in het Kakanië van Musil, aan de vooravond van de eerste wereldoorlog.

Peter Berger stelde zich dit boek ooit als de ideale begincursus sociologie voor. Hij had gelijk, heeft gelijk. Werkelijke mogelijkheden blijken bij gebrek aan voorstellingsvermogen steeds weer meer van hetzelfde. Noem het consumentisme. Mogelijke werkelijkheden daarentegen zijn vrijwel synoniem geworden met onverplichtend geklets omdat er toch iets moet worden gezegd. Noem het politiek.
In het radioprogramma Tros Kamerbreed hoorde ik vanochtend de staatssecretaris van EZ (Frans Heemskerk) en de liberale Europarlementariër Jules Maten. Heemskerk was in een paar Golfstaten geweest om het Nederlands bedrijfsleven aan te prijzen (werkelijke mogelijkheden). Gevraagd naar een fatsoenlijk bestaan voor de gastarbeiders ter plekke gaf hij niet thuis. Ja, Unilever deed het heel goed, maar om daar nou een politieke zaak van te maken was ook weer niet nodig. Maten bleek de oplossing bij de hand te hebben. Op de lange duur en uiteindelijk was economische groei en ontwikkeling de oplossing (mogelijke werkelijkheden). Dat zeiden ze destijds ook over Zuid-Afrika. Het is wat anders gegaan. Misschien dat ze daar toen over politici beschikten die wisten dat politiek en toegepaste kinderboekeneconomie niet helemaal identiek zijn.

Het opwekkende betoog van Maten zette de toon voor de andere onderwerpen zoals de onvermijdelijke ABN AMRO, Europa en haar grondwet. Kijk, die mensen worden natuurlijk voor de radio gevraagd omdat zij soms iets meer van de ‘werkelijke mogelijkheden’ hebben vernomen dan wij. En we hopen, tegen beter weten in, dat ze ook nog iets van een visie hebben en dat we die terugvinden in hun uitspraken over vandaag de dag. Nou, mooi niet. De heren waren het er helemaal over eens dat globalisering best wel moeilijk was maar het was nu eenmaal onvermijdelijk (werkelijke mogelijkheden) en op de lange duur toch ook wel weer goed, eigenlijk (mogelijke werkelijkheden). Of de werknemers van ABN AMRO daar iets aan hadden? Heemskerk wist dat er ‘achter de schermen’ wel degelijk goed werd opgelet en dat het zo goed was, want openbaarheid doet deze zaak geen goed (werkelijke mogelijkheden). Daar zullen de werknemers blij mee zijn! Beide heren vonden overigens dat regels weinig hielpen. Geen-regels (werkelijke mogelijkheden) dus, maar dan wel graag de goede (mogelijke werkelijkheden) geen-regels. Welke dat waren bleef wat onderbelicht. Enzovoorts. Musil had een voorzienende blik. Een politiek zonder eigenschappen baart de kinderen die het verdient.

12 mei