> FiB

> Dagboekhouder (1) januari - april 2007

> Dagboekhouder (2)
mei - juli 2007

 

 

 


DAGBOEKHOUDER

Aantekeningen van een ongeduldige toeschouwer

Ton Korver


Amsterdam/Tilburg 2007


 

 


December

Voorzitter

Verdrag

Simpele recepten

Met anderen

Passief

Ongeroepen

Voorbeeldig

Soms een beetje

Zelf

Meanderen

Verplaatsing

De waarheid is een koe

Hervormd

Onderhoud

Onverzadigbaar

Sturen

Overtuigend

Het heeft geholpen

Femanisme

Systematisch onsystematisch

Omstandigheden

Uiteindelijk

November

Autoriteit

Afroepen

Wiki

Normatief

Sluipend

Moe

Niks mis mee

Zwanezang

Secretaresse

Op het randje

Erg, erger, ergst

PT2

Complot

Nood

Toekomst

Waarde

Alsof je een emmer leeg gooit

Ontraden

Read alone

Handel

Exaptief

In je vrije tijd

Salaris

Hoofd boven water houden

Oktober

Hoofdzaken

Jeugdzorg

Exit

Humaan

Hulp

Hospita

Taalwijzer

Solide

Poeslief

Hype

Veel fiducie

Referendum

Dawa

Tank

Land, land!

Het Easterlin-effect

Reddeloos

Solidariteit

Inzien

Prudent

September

Slakkenhuis

Wilhelmus

Paradigma

Globaal

Debat

Identificatieplicht

Achterdeur

Schools

Identiteit

Ernie

Leve het lerarentekort

Hennie en Henkie

VVD

Strijd

Import

Gladio

Vrijheid van vergissing

The case against perfection

Plagiaat

Rimpels

Dwang

Museum

Zelfonderzoek

Hij ziet ze vliegen

Onbedoeld: ja. Voorspelbaar: ook

Vergeven

Augustus

Muurbloempjes

Kulturkampf

Behoeften

Fante

Standpunt

Stoel

Raad

Rampen

Melk

Klokkenluider

Shirt

Elke mening telt

Opbouw

Enkele reis Frankfurt

Frisse lucht

Vieze lucht

- 14 augustus -

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Maxima Moralia
 
Dat had ook de titel kunnen zijn van dit bundeltje aantekeningen. Maar ik wil niet overdrijven. Zo dicht op de huid zitten me de sketches hieronder nu ook weer niet. Ze gaan over dingen die me bezighouden en waar soms de handen van jeuken. Dat is nog niet hetzelfde als het ‘verzonken in ervaring’ dat de Minima Moralia van Adorno als keurmerk heeft. Je moet afstand weten te bewaren. Dat geldt voor de politiek – die karakterlozer wordt met elke nieuwe stap om vooral dicht bij de burger te blijven – en het geldt voor mij.

Niettemin, het kan altijd beter. En dat is een tweede verschil tussen mij en het inspirerende voorbeeld van Adorno. Er is geen goed leven in het slechte is een dictum dat nog uitgaat van een herkenbaar onderscheid tussen goed en kwaad. Daaruit vloeit het oordeel voort. Inmiddels twijfelen we ook daaraan. Dat is geen reden tot wanhoop. Eerder het omgekeerde. Twijfel is, met de gave ons te kunnen vergissen, de opmaat voor schaven en beschaven. Dat wordt makkelijk vergeten, en hoe drukker we het hebben hoe makkelijker. Ik ben aan diezelfde drukte gebonden. Vandaar het ongeduld, gekoppeld aan de afstand die ik met de woorden ‘aantekeningen’ en ‘toeschouwer’ verbind en het voorbijgaande dat meeklinkt in de titel waar ik uiteindelijk voor heb gekozen: dagboekhouder. Het zijn maar woorden. Neem ze niet letterlijk. De tijd laat geen steken vallen. Dit dagboek wel.

---------------------------------------------------------------------

Voorzitter

Sinds kort is Marjanne Sint bestuursvoorzitter van de Isala klinieken in Zwolle. Ze werd over die positie vorige week geïnterviewd door NRC H (27 december). En passant kwam ook haar tamelijk kortstondige voorzitterschap van de PvdA ter sprake. Dat was geen succes. Zijzelf was onervaren, zegt ze, en voorzitter zijn van een politieke partij is eigenlijk een onmogelijke baan. Je hebt wel verantwoordelijkheden, maar geen bevoegdheden en als het fout gaat eist een politieke partij, als was het een primitief geloof, een ‘offer’. Vaker wel dan niet is de voorzitter het offer. Van Zanen is slechts de voorlopig laatste in de rij.

Ze zegt; ‘ik heb mezelf beloofd nooit meer in een positie te komen waarin ik heel veel verantwoordelijkheid draag zonder dat ik bevoegdheden heb’. Ik ben er niet achter gekomen wat in haar geval het verschil was tussen verantwoordelijk zijn en geofferd worden. In het interview vallen ze samen: ze werd verantwoordelijk gesteld voor de WAO-crisis en daarom geofferd. Formeel was ze helemaal niet verantwoordelijk, want ze ging er niet over. Politiek kennelijk wel maar dat heeft ze zich dan aan laten leunen: de politieke verantwoordelijkheden (en ook de bevoegdheden) lagen bij kabinet en fractie. De discrepantie die ze constateert is die tussen  het ontbreken van serieus te nemen politieke bevoegdheden en het onvermogen de politieke schuld af te wentelen.

Geen ondernemer, mevrouw Sint. Ondernemers nemen hun bevoegdheden en huren advocaten in voor hun verantwoordelijkheden. Ondernemerschap gaat niet samen met de balans van bevoegdheden en verantwoordelijkheden die voor haar zo essentieel is geworden. Het roepen om zo’n balans is een defensieve strategie, het is de strategie – inderdaad – van mensen die verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor dingen waarvoor ze niet verantwoordelijk zijn. Een verstandige strategie bovendien voor allen die niet aan de touwtjes trekken en een onverstandige strategie voor een partijvoorzitter die op z’n minst een partij op de schop moet willen en durven nemen. Zodat een partij via z’n voorzitter de politiek verantwoordelijkheden in fractie en kabinet op hun politieke verantwoording aan in ieder geval de partij kan wijzen. Sint is daar nog altijd niet achter.

We begrijpen wel meteen waarom Pronk geen voorzitter moest worden want die had zijn  bevoegdheden natuurlijk gewoon genomen. Pronk zou evenmin een makkelijk offer geweest zijn want hij was al geruimte tijd voorafgaand aan de voorzittersverkiezing bezig om de verantwoordelijkheden voor de moeilijke positie van de PvdA her en der te beleggen – en bij die verantwoordelijkheden werd het partijvoorzitterschap uitdrukkelijk niet genoemd. Het verzet tegen Pronk was het verzet tegen een politicus die van het voorzitterschap een politieke functie wou maken.   

31 december

=0=

 

Verdrag

De inflatie in het Eurogebied neemt vanaf de tweede helft van 2007 scherp toe. De toename valt samen met de enorme kredietinjecties van de ECB (meer dan 500 miljard euro sinds augustus van dit jaar) die op zulke gunstige voorwaarden worden toegediend dat ook banken die het niet nodig hebben zich een dief van eigen portemonnee noemen als ze zo’n buitenkansje laten lopen.

Is er verband tussen inflatie en makkelijk beschikbaar krediet? In de verklaringen van de ECB vind je er niets over, die wijzen voornamelijk naar stijgende prijzen en wat minder naar de onrust rond de wisselkoersen. Weinig overtuigend want de ECB is bang dat de financiële circulatie stokt als gevolg van de hypothekenmisère van de VS. De ECB stimuleert de circulatie. Heeft dat effect op de prijzen en dus op de inflatie? Het lijkt op z’n minst mogelijk. Dat de ECB er zelf niks over zegt is niet bevreemdend. De opdracht van de ECB is de inflatie te beteugelen dus als mocht blijken dat de inflatie door haar eigen maatregelen een beetje wordt aangejaagd zal de bank zelf dat niet aan de grote klok hangen.

Dat de regel van inflatiebestrijding misschien niet absoluut opgaat is overigens winst. Elke regel heeft een context en als de context de beleidsprioriteiten een beetje verlegt is het niet altijd een zegen als aan de oorspronkelijke prioriteit kost wat kost wordt vastgehouden. Het maakt alleen nieuwsgierig naar de overwegingen van de bank – en precies die worden aan het openbare debat onthouden.

Dat komt mede door de speciale status van de ECB want de ECB is geen gewoon EU-orgaan (zoals de Europese Commissie of het Europese Parlement). De bank is met opzet op afstand geplaatst van de politiek en dus van de wisseling in de politieke machtsverhoudingen. Of eigenlijk, waar ‘is’ staat moet ‘was’ worden gelezen. Sinds kort, namelijk sinds het nieuwe Europese verdrag is ondertekend. En ik moet toegeven: dat verdrag wijkt wel degelijk af van de vorige tekst, alleen gaat het dan niet om een vlag of een volkslied maar om de status van de ECB. Ik zal het wel hebben overgeslagen maar ik heb het Balkenende noch Bos horen verkondigen. Toch gaat het niet om niks.

Naar ik begrijp is Sarkozy er in geslaagd om de ECB als een orgaan van de EU als andere te omschrijven en dat op te laten nemen in het nieuwe Verdrag. Duitsland en ook Nederland waren tegen maar hebben het desniettemin niet willen blokkeren. Vermoed wordt dat het beleid van de ECB wat minder gesloten zal worden afgehandeld: als de ECB een orgaan als andere is moeten die andere organen – een raad van ministers van financiën bijvoorbeeld – ook toegang kunnen krijgen tot de ECB en dus tot de overwegingen om, zeg, weer een paar honderd miljard ter beschikking te stellen. En tot het aanpassen van de prioriteiten? Tot het rentebeleid?

Niemand die het weet. De inkt is nog maar net droog onder het verdrag en de diverse parlementen (en wie weet: bevolkingen) moeten het verdrag nog bevestigen. Niettemin durf ik best een voorspelling aan: in het Nederlandse parlement zal deze opmerkelijke wijziging geen enkele indruk maken.

30 december

=0=

 

Simpele recepten

‘Samenlevingsproblemen zijn niet op te lossen met simpele recepten voor een geïntegreerde maatschappij’. Opnieuw Beatrix in haar kerstboodschap. Verreweg de aardigste opmerking in haar voordracht. Ik denk aan:
Samen werken, samen leven;
Meer doen, meer werk en minder regels;
Werk, werk, werk;
Banen, banen, banen (ook bekend als ‘jobs, jobs, jobs’);
Integratie begin met arbeidsparticipatie;
Gedeeltelijk arbeidsgeschikten zijn super gemotiveerd.

En nog veel meer ongetwijfeld en meestal met werk als mantra. Beatrix heeft de meeste van deze simpele recepten noodgedwongen voorgelezen in diverse troonredes. Dit is haar wraak. Het aardige is dat Balkenende volledig achter de kerstboodschap van de koningin staat. En er dus niets van heeft begrepen. Koningshuis, tolerantie en solidariteit met anderen, daar had Beatrix het volgens hem over gehad. Ik heb de tekst van de boodschap inmiddels gelezen en het minste waar je Balkenende van kunt beschuldigen is dat hij enigszins selectief luistert. Dat zal Beatrix, die een ‘instelling van luisteren en leren’ eist, hem niet in dank afnemen. Het is ook teveel gevraagd. Luisteren is een vak dat Balkenende niet op z’n examenlijst had staan en daarom ook nooit de moeite waard vond om zich in te bekwamen. En leren? Hij is al lang uitgeleerd. Wij moeten leren, van hem. Niet omgekeerd.

Wie vrede zaait, zal gerechtigheid oogsten. Zei Beatrix. Uit de Bijbel, dus die kans liet Balkenende zich niet ontgaan. Niettemin, om ervoor te zorgen dat ook dit niet tot een simpel recept wordt zou enige toelichting niet raar zijn geweest. In Irak, als gevolg van een oorlog waar ook wij onze vrede hebben gezaaid, zijn meer dan vier miljoen mensen op de vlucht geslagen voor het dagelijkse geweld en de onophoudelijke terreur. Die mogen het zelf oplossen, ‘solidariteit met anderen’, of niet. Aan Balkenende is het niet besteed, en de koningin mag er niks over zeggen. In de Palestijnse gebieden heeft Hamas – in verkiezingen die beter waren georganiseerd dan die voor het Amerikaanse presidentschap – enige jaren geleden de steun van de meerderheid van de bevolking verworven. Dat wordt niet getolereerd, niet door de Amerikanen en niet door de Nederlandse politiek. Tolerantie is wat voor ons aanvaardbaar is. Wij tolereren een illegale bezetting die al decennia duurt en per dag ‘verduurzaamd’ wordt en wij tolereren de dagelijkse vernederingen van de Palestijnen. Wie vrede zaait.

Het aardige van een betrekkelijk non-politiek staatshoofd is dat die zich met alles kan bemoeien omdat ze zich nergens mee hoeft te encanailleren. En dat ook niet doet. Dat geldt voor Beatrix, niet voor haar vader en evenmin voor haar oudste zoon. Ze is daarmee het tegendeel van de politicus voor wie bemoeienis en canaille onontwarbaar verweven zijn. Van Beatrix zullen we niet horen dat zij de Irakese vluchtelingen het noemen niet waard vindt. Zij gebruikt geen traceerbare voorbeelden en citeert geen bewijzen. Maar een premier die op haar boodschap meelift en desondanks de Irakese vluchtelingen het noemen niet waard vindt – zo’n premier is een mislukking. Het is een belediging om zo’n man het woord ‘met anderen’ te horen uitspreken. Om over tolerantie nog maar te zwijgen. Zijn er geen simpele recepten voor politieke mislukkingen?

29 december

=0=

 

Met anderen

Met zulke vrienden heb je geen vijanden meer nodig zal Wilders gedacht hebben toen hij Balkenende hoorde. Wilders vindt de kersttoespraak van de koningin maar multi-culti onzin laat hij weten. De malle racist is natuurlijk boos omdat Beatrix klaagde over spelverruwing en daar voelde hij zich door aangevallen. En liep met open ogen in de val. Waaruit Balkenende hem schielijk heeft bevrijd.

De koningin heeft precies verwoord waar Nederland voor staat, aldus Balkenende. Het koningshuis, tolerantie en solidariteit met anderen: dat is Nederland en Balkenende gaat daarom graag ‘het debat’ met Wilders aan over de toespraak van de koningin. Je moet er maar op komen. Beatrix weet dat er met Wilders niet ‘gedebatteerd’ kan worden. Ze vraagt daarom ook niet om wat de man toch niet kan; ze vraagt om wat minder ophitsend en grof taalgebruik. De premier daarentegen wil ‘in debat’. Wilders, gewoontegetrouw, niet. Nou ja, wel met Beatrix maar laat dat nou net niet kunnen. De tragiek van een slechte clown.

Kamerleden zijn van mening dat Wilders het niet persoonlijk moet opvatten. Ach gut. Hadden ze niet op z’n minst wat kunnen mompelen over passende schoenen? Dat Wilders ze ook had aangetrokken? Dat ze het daar, voor deze ene keer dan, mee eens zijn? Maar nee. Hoeveel hulptroepen heeft Wilders eigenlijk wel niet? De irrelevantie van de parlementariërs is opvallend. Ze kunnen het kennelijk niet laten. Hechten aan het ‘debat’ natuurlijk, dat zal het zijn. Nee, dan de premier. Nederland is het koningshuis, de tolerantie en de solidariteit ‘met anderen’. Drie keer fout en dat in een reactie die op zichzelf al een miskleun is. Had Wilders in z’n eigen sop laten gaarkoken, dat was wel zo effectief geweest.

Solidariteit met anderen: wat is dat? Heette dat vroeger niet gewoon liefdadigheid, de kruimels die je van je tafel veegde om vooral maar geen contact te hoeven leggen met de armoedzaaiers die er afhankelijk van waren? En was solidariteit niet het exacte tegendeel van liefdadigheid: het opzoeken van en je verbinden met mensen omdat je van mening was dat je gezamenlijk in één en hetzelfde schuitje zat? Niet anderen dus, maar de jouwen? We hebben een premier die van alles en nog wat een gotspe maakt en hij springt in de bres voor de peroxide belichaming van de afkeer van ‘anderen’. Balkenende en Wilders zijn het er over eens: het probleem zijn de anderen. Wilders wil ze weg hebben, Balkenende wil ze nog wel een kluifje toewerpen. Ik had niet de indruk dat Beatrix dat helemaal bedoelde. Misschien moet ze een volgend keer gewoon man en paard noemen. Heeft Balkenende tenminste eens een keer echt wat uit te leggen.

27 december

=0=

 

Passief

De belangrijkste medische uitvinding is de waterleiding. Dat lees ik in de Groene. Het is de uitkomst van een prijsvraag van het British Medical Journal van begin dit jaar. Johan Mackenbach, hoogleraar maatschappelijke gezondheidszorg in Rotterdam, had het idee van de waterleiding geopperd en hij had gewonnen. Volgens hem is dit een goed voorbeeld van ‘passieve bescherming’ tegen gezondheidsrisico’s. Passieve bescherming is zijns inziens de beste bescherming.

Een aardige gedachte. Ik stel me zo voor dat passieve bescherming het exacte tegendeel is van de actieve preventie die nu overal en luidruchtig wordt gepropageerd. Passieve bescherming zorgt voor goede condities, zoals waterleiding. Schone lucht zou er ook bij moeten horen, net zoals een beetje ruimte voor kinderen om buiten te kunnen spelen en een huis waar voor iedereen een beetje privacy mogelijk is. Eenvoudige dingen allemaal, en allemaal ofwel verdwenen ofwel op de tocht. En onbetaalbaar. In het Parool van afgelopen maandag was te lezen dat gezond eten voor mensen met een minimuminkomen te duur is geworden. Met water staat hetzelfde te gebeuren: elke slok heeft z’n prijs en om ‘verstandig’ met water te leren omspringen zullen we die prijs in rekening brengen ook.

Van het aanbieden van goede condities naar het reguleren van gedrag, dat is de grote omschakeling van de laatste decennia. Het is nog niet eens zo heel lang geleden dat je de redenering tegenkwam dat we van een boel overlast bevrijd zouden zijn als kinderen gewoon weer op straat konden spelen. Die geluiden zijn verstomd. Het is mooi dat een vooraanstaand Brits medisch tijdschrift de passieve bescherming in ere heeft hersteld. Het zal niet helpen. Passieve bescherming is een publiek goed van de eerste orde. Daar willen steeds minder mensen aan meebetalen. Of liever, men wil het wel voor zichzelf maar als iemand anders het ook wil moet die zelf in de buidel tasten. Sinds de overheid heeft bedacht dat de burger calculeert en z’n beleid daarop heeft afgestemd is de burger – op eigen initiatief of noodgedwongen – gaan calculeren. De calculerende burger is het beste voorbeeld van een zichzelf waarmakende voorspelling dat we hebben. Geen wonder dat ik niks meer van m’n buren hoef te pikken en dat ik niet langer bereid ben mee te betalen aan de verbetering van hun omstandigheden. Laten ze zelf maar zorgen voor betere omstandigheden en als ze daar niet toe in staat zijn (en natuurlijk zijn ze daartoe niet in staat) dan moeten ze hun gedrag maar een beetje aanpassen. De maatschappij als jij-bak. Het schept vele nieuwe markten – preventie is een moderne groei-industrie – en het sluit naadloos aan bij de nieuwe politieke verhoudingen. Doe dit. Laat dat. Eet zus. Beweeg zo. School je. Participeer. Voedt je kinderen goed op.

De opdringerige preventiestaat vreet de passieve beschermingsstaat op.

26 december

=0=

 

Ongeroepen

Gisteravond keek ik na elkaar naar ‘Velen zijn geroepen’ (over de bijbelgordel van Staphorst tot diep in Zeeland) en naar ‘Onzegbaar’ (over Jan Siebelink, zijn ‘Knielen op een bed violen’ en dus over zijn vader, zijn vader en hem, de mensen die zijn boek lazen en hem daar iets over wilden vertellen enzovoorts). Siebelink bevestigde waartoe zijn boek al aanleiding had gegeven: dat hij in zijn vader af en toe wat van z’n eigen twijfels had geprojecteerd en dat het niet had geholpen. Hij twijfelde nog altijd. Of dat uit angst voor de dood was? Zal wel, in elk geval hield dat Siebelink bezig. Maar dat was niet het enige. Siebelink is helemaal een twijfelaar, over van alles en nog wat. Ik ben er niet zeker van of hij in z’n vader de kracht van diens geloof bewonderde. Best mogelijk dat hij tot op de dag van vandaag jaloers is op de twijfel die z’n vader – met meer of minder slecht geweten – overwon en hijzelf niet. Eerlijk gezegd, het laatste lijkt me waarschijnlijker dan het eerste.

Het was een teleurstelling, de uitzending over Siebelink. Teveel ditjes en datjes, te weinig ergens bij stil blijven staan. Wat was het mooi geweest als de regisseur een gesprek had weten te arrangeren tussen Siebelink en een gereformeerde van het slag dat in de reportage ‘Velen zijn geroepen’ te zien en te horen was. Plus de omgeving van woningen achter een dijk, pontjes en water, stoere kerkjes en kerken en nergens een spoor van twijfel. Met mensen die niks ontkennen en alles ontkrachten uit naam van God. Die de bron van hun onzekerheden niet in de zaak zoeken maar alleen in zichzelf. Die de oplossing van hun onzekerheden evenmin in de zaak zoeken maar bij God weten, die nooit zal antwoorden want vragen is twijfelen en twijfelen is verzaken.

Dat God en godvrezend bestaan bij elkaar horen werd in die reportage nog eens bevestigd. Niks een God die z’n eigen disco optuigt en swingt als een gek, die liefde is zonder lijden, goedheid zonder wraak, aanvaarding zonder angst. Hier heerste de God van de angst. Die God is de God die de vader van Siebelink had weten te bereiken. Die God kwam ongeroepen.

Het ‘Onzegbaar’ mondde uit in veel gebabbel en Siebelink begon steeds meer te lijken op de Geert Mak van de bevindelijken, hun lotgevallen, hun afvallers en nog zo wat. Niks onzegbaar dus, maar een opmaat voor een gezellig gesprek, in het café, in de boekhandel, op de toeristische trekpleister die de plek waar de kwekerij van zijn vader ooit stond is geworden. Aardig allemaal, onschuldig, onschadelijk, en tamelijk overbodig. ‘Velen zijn geroepen’ is, daarentegen, mooie televisie. Je snapt direct iets van het geloof der mensen. Ik kan daarentegen niet zeggen dat ik na ‘Onzegbaar’ iets meer van de twijfel der mensen begrijp, en ook niet van de twijfel van Siebelink. Te veel pretentie, te weinig zeggingskracht. Onzegbaar – zonder aanhalingstekens – doet aan Wittgenstein denken en dus aan de wens het onzegbare te zeggen. Dat is heiligschennis natuurlijk en daar heb je poëzie voor en voor nodig, en, waarom ook niet, mooi proza. Het gekke is, daar ging de uitzending al helemaal niet over. Wel over honderdduizenden verkochte exemplaren, de AKO literatuurprijs, de echo die het boek vond bij mensen met een kennelijk wat lijkende achtergrond. Siebelink heeft zich, door met z’n boek te willen zeggen wat je niet kunt zeggen, op gevaarlijk terrein begeven. Siebelink twijfelt niet alleen, hij daagt ook uit. Maar niemand in de uitzending behoorde tot de uitgedaagden. Die hadden we even ervoor gezien. Jammer. Samen was leuker geweest.

25 december

=0=

 

Voorbeeldig

Prima werkkrachten, de Polen. Doen alles waar wij geen zin in hebben. Wij, dat zijn niet wij natuurlijk, maar de mensen die aan de kant staan, en dan niet de mensen die aan onze kant staan maar de mensen die aan DE kant staan. Het nadeel van de Polen is dat ze na hard werken nog wel eens een glaasje willen drinken, dat ze dan soms wat luidruchtig zijn en natuurlijk, dat ze ook nog ergens moeten wonen. Niet bij ons, maar bijvoorbeeld bij de mensen die toch al aan de kant staan, ik bedoel bij mensen die aan DE kant staan. Hebben die ook nog eens wat. Best mogelijk dat de economische baten elders terecht komen dan de maatschappelijke kosten – beide overigens in euro’s uit te drukken – maar behalve het feit dat we niet over definities moeten kibbelen (in dit geval over de definitie van het vrije ondernemerschap) is het ook nog eens zo dat op de lange duur ook de maatschappij de baten mag proeven. Wiens lange duur is een ander verhaal. Alles op z’n tijd.

Met de Polen hebben we het dan nog niet gehad want je hebt er mensen tussen die ook hun kinderen meenemen en die op school aanmelden. Die daar niet op ingericht is maar nood breekt wet, zeker als het allemaal binnen de wet is. En dat is het. Toch knaagt er wat. Voor die kinderen zou iets geregeld moeten worden, of ze zouden hier natuurlijk gewoon niet moeten komen. Er zijn namelijk ook mensen die hier zonder hun kinderen komen. Ook die doen dat in het belang van diezelfde kinderen, zeker als het om de lange duur gaat en opnieuw geldt de regel dat alles kan maar niet alles tegelijk. Alles op z’n tijd.

Op het radionieuws vandaag heeft men het over het snel groeiende aantal alleen gelaten kinderen in Roemenië omdat hun ouders zijn vertrokken. Op zoek naar werk. Prima trekgedrag, van die Roemenen. Die zadelen ons ten minste niet op met hun maatschappelijke problemen. Die laten hun kinderen gewoon thuis. Ze verdienen een pluim. Voorbeeldige mensen.

Toch was de ondertoon in het nieuwsbericht wat anders. Er klonk enige ongerustheid in door over die kinderen, alsof wat wij in de zomer met onze huisdieren doen en zij nu met hun kinderen op het ritme van een baantje eigenlijk van hetzelfde laken en pak is. Alsof we dat niet zomaar kunnen goedkeuren. Niet zij dienen ons tot voorbeeld te strekken maar wij hen. Dat is inderdaad pijnlijk. Hoe peuteren we de Polen aan het verstand dat zij er voor ons zijn en wij niet voor hen, en hoe vertellen we de Roemenen dat wij weten hoe je met kinderen hoort om te gaan en zij niet?

De oplossing is zoals altijd even eenvoudig als doelmatig. Er is zojuist door Donner een commissie benoemd die iets aan de participatie moet doen. De ontslagcommissie al mag het zo niet worden genoemd. Die commissie moet de honderdduizenden die nu nog aan DE kant staan aan werk helpen. Dat werk is er. Veeg die Poolse kindertjes bij elkaar, verplicht die Roemenen ook hun kindertjes hier naar toe te halen en besteedt hun verzorging uit aan stichting DE kant. Zo helpen we mekaar en onszelf. Gastouderschap, jeugdzorg, voor- en naschoolse opvang, buurtwerk, het zal allemaal een enorme impuls krijgen. We hebben al tweehonderdduizend  professionals die over onze veiligheid waken. Doe er tweehonderdduizend bij en zowel Donner als Rouvoet kunnen rustig slapen. En Vogelaar, wier prachtwijken door deze nieuwe vorm van maatschappelijke ondersteuning alleen maar aan kracht zullen winnen. Zo help je de economie en de economie van de collectieve lasten en de maatschappij spint er garen bij. Waarmee maar weer eens bewezen is dat niet artikel 1 van de Grondwet ons probleem is maar artikel 19.3 (het recht op vrije keuze van de arbeid). Maar dat was toch al een dode letter. Participatie eist een tol, en wie denkt aan al die blije gezichtjes van de Poolse en Roemeense kindertjes die weet nu al dat het op de lange duur goed zal zijn. Een voorbeeldig plan, zeg nou zelf.  

24 december

=0=

 

Soms een beetje

Soms heb ik een beetje honger. Niet vaak en eigenlijk weet ik niet goed wat honger is. Echte honger ken ik niet. Maar behoefte aan een hapje af en toe, welzeker. Ik eet ook niet altijd even gezond. Meestal eet ik te haastig en let amper op wat ik eet. Ik zal het wel niet zo belangrijk vinden.

Er zijn legio dingen die onder dezelfde noemer van ‘soms’ en ‘een beetje’ vallen. Religie ook, las ik gisteren in de bijlage Wetenschap en Onderwijs van het NRC-Handelsblad. Volgens Meerten ter Borg van de Universiteit Leiden is religie niet alles of niets. ‘Mensen zijn niet voortdurend religieus, de meesten zijn het soms een beetje. Dan laten ze zich even meeslepen door iets waarvan ze geloven dat het een hogere werkelijkheid is’.

Religie is volgens Ter Borg ‘al datgene wat de mens helpt zich te verzoenen met zijn eindigheid door middel van iets dat boven de menselijke eindigheid lijkt uit te gaan.’ Zou eten daar ook onder vallen? Je eet als je lichaam je roept dat het nou toch wel tijd voor een kleine versnapering is. Geef je daar niet aan toe dan verdwijnt de roep niet, die wordt alleen maar luider. Maar eet je wat dan ben je even van die roep verlost en voor zover je lijf je eindigheid is  ben je daar door te eten toch maar mooi bovenuit gekomen.

Aan de andere kant, je kunt natuurlijk ook eten omdat je je verveelt, of omdat je eenzaam bent, of omdat je altijd eet en daarom wel moet eten. Tal van mogelijkheden. Net zoals je je kunt laten ‘meeslepen’ door van alles en nog wat en opnieuw opdat je zo de verveling even kwijt bent, omdat je gezelschap zoekt of gewoon nooit alleen kunt zijn. Is dat allemaal religie? Staat dat allemaal in het teken van de ‘verzoening’ met je ‘eindigheid’? Of moet ik Ter Borg zo begrijpen dat we permanent in een roes willen leven en die soms in religie zoeken, soms in de adoratie voor een voetballer, soms in het eten omdat we ook dan even van onszelf verlost zijn, en soms in de krant en ongetwijfeld steeds weer om dezelfde redenen?

Vermoedelijk niet, als ik Ter Borg ten minste enigszins kan volgen. Religie is niet een roes onder andere, elke roes is religie, ook als we om een voetbalclub juichen, een management goeroe of een popster bewonderen. Alles, kortom. De wereld is niet zozeer religieus, de wereld is religie. Dat zal de kerk verbazen maar ook daar heeft Ter Borg wel een antwoord op want zijn leeropdracht is nu precies de ‘niet-institutionele’ religie, die volgens hem met name in West-Europa huist. Wat dat is? Religie als een product in een supermarkt geloof ik, als ik het verhaal een beetje heb kunnen volgen. Iets dat je vandaag koopt en morgen misschien niet meer. Iets waar je even aan proeft en dan een tijdje weer niet en dan weer aan iets anders. Als het niet meer smaakt stem je met je voeten en je doet dat omdat religie een consumptie-artikel is en jij een consument bent. Altijd op zoek naar een koopje en altijd op zoek naar een nieuwe kick, een nieuwe ‘ervaring’.

Mij lijkt zo’n onrust een permanente herinnering aan je eigen eindigheid te garanderen. Niks anders en zeker niet een ‘verzoening’. Wat Ter Borg beschrijft lijkt inderdaad het meest op de rusteloze jacht op een telkens kortstondige roes. Mensen weten dat ook, vandaar dat ze er zich niet aan uitleveren maar eerder en even zo makkelijk op een ander merk overgaan. In Ter Borg’s religie wil je jezelf niet vinden maar alleen verliezen. Het is de opium waar Marx het al over had. De opiumeter, dat wist de Quincey al, wil zich helemaal niet verzoenen met z’n eindigheid. Die wil er alleen even van af. Je maakt je daarom ook totaal niet los van je besef slechts tijdelijk te zijn want daar geloof je niet in. Je maakt je slechts los van de  verantwoordelijkheid voor jezelf. Even, en daarom moet het morgen weer. Zoals elke verslaving is ook die aan opium niet onschuldig. Hoewel je tegenwoordig, volgens Ter Borg, overal aan verslaafd kunt worden. We kunnen ‘kiezen’ en dat konden eerder verslaafden niet. Ik verzin het niet, dat doet Ter Borg wel voor ons.

Als ik naar een symfonie luister dan heb ik een religieuze ervaring zegt Ter Borg. Merkwaardig. De religie van Ter Borg is als die nacht waarin alle katten grauw zijn. Alles valt eronder en daarom lijkt het nergens op.

23 december

=0=

 

Zelf

De commissie Frijns heeft haar derde monitoringrapport over de code Tabaksblat gepubliceerd. Het is er met de naleving van de code niet beter op geworden en met de uitleg waarom men de code niet volgt al helemaal niet. En dan zijn er de beloningen van de bestuurders. Niet aankomen zegt de commissie want dat is niet effectief en het schrikt buitenlandse bedrijven af. En onze eigen bedrijven. Of dat zo is, weet je pas als je ingrijpt maar dat wil de commissie niet. Het is niet effectief omdat het niet effectief is. Het schrikt af want het schrikt af. Nu ja, er is de internationalisering en elders betalen ze ook veel. Op sommige plekken betaalden ze al veel eerder heel veel en de internationalisering is ouder dan Tabaksblat. Erg oud dus. Maar toch, niet doen.

Of eigenlijk, zegt de commissie, moet er zelfregulering komen. Zelfregulering is mooi, maar, opnieuw de commissie, voor zelfregulering heb je zelfdiscipline nodig. En daar ontbreekt het aan en omdat het daar aan ontbreekt, ontbreekt het aan de zelfregulering. Daar is geen speld tussen te krijgen.

Je kunt je afvragen of het niet zo is dat zolang zelfregulering wordt gepropageerd zonder publieke bijregulering het met de zelfdiscipline ook niks wordt. Fatsoen moet je doen volgens de onnavolgbare Balkenende en wanneer je het niet zelf kunt moet je worden geholpen. Dat zegt niet alleen Balkenende, dat zegt het hele kabinet. Kennelijk zijn er uitzonderingen – en daardoor gaat het fatsoen kopje onder. Om Ter Braak te parafraseren: één fatsoen of géén fatsoen.

De commissie heeft het over zelfregulering en zelfdiscipline. Die staan in dienst van de zelfhulp – al heeft de commissie het daar niet over. Het zelf van de commissie gaat over discipline en regels. Die het zelf zelf opstelt. Het zelf dat de onschuldige krantenlezer vermoedt in het bedrijfsleven is dat van de zelfbevoordeling en de zelfzucht. Bos zou daar geen machteloze belastingen op moeten heffen maar forse accijnzen. Dat zou helpen. Breng de beloningen van de topbestuurders maar onder de verslavingszorg.

19 december

=0=

 

Meanderen

Nu de KNMG in actie is gekomen heeft het woord meanderen er een betekenis bij gekregen: de slingerbeweging van mannelijke artsen om een vrouwelijke collega te vinden. Het Meander ziekenhuis in Amersfoort had er afgelopen zomer mee te maken. Een vrouw wilde alleen door een vrouw worden behandeld omdat haar man dat nodig vond. Zoiets.

Een arts in een Haags ziekenhuis, zelf van Marokkaanse origine, deelde in Netwerk mee, gisteravond, dat in Marokko en Turkije het merendeel van de gynaecologen man is. Geen bezwaar, ook niet uit de religieuze hoek. Daar. Hier wel, en hij vond het te gek voor woorden. Niet aan toegeven, dat was zijn advies. Een ander advies dan we terugvinden in de richtlijn van de KNMG, want daarin wordt in principe aan de wens van de patiënt toegegeven  tenzij er medisch gevaar dreigt. Ik ben bang dat je vooraf niet steeds kunt inschatten. Het lijkt me een gevaarlijke richtlijn.

De interessantere casus is natuurlijk als er wel op religieuze gronden serieus te nemen bezwaren zijn. Wat dan? Zou je aan religieuze bezwaren een groter gewicht moeten toekennen dan aan culturele?

Voor mensen die de pest hebben aan de medische wetenschap staat de weg naar de kwakzalver open. En mensen die zowel de pest hebben aan medici als aan kwakzalvers mogen zelf gaan dokteren. Tenzij door hun handelingen of het nalaten daarvan anderen in gevaar komen, zoals bij besmetting of bij het op anderen – zelfs als die daar toestemming voor geven – verrichten van voorbehouden medische handelingen.

Wat voorbehouden is wordt niet door de patiënt beslist. Ook niet door of in naam van diens religie, religieuze interpretatie of cultuur, dan wel het wonderlijke amalgaam ervan dat voor velen in het internettijdperk hun ‘godsdienst’ is geworden. Vooral mee doorgaan, maar wel je handen af van voorbehouden handelingen. Zou ik denken.

De KNMG heeft een ongelukkige richtlijn afgegeven. Met de beste bedoelingen ongetwijfeld. Maar die tellen niet, net zo min als de bedoelingen van de patiënten.

Medici hebben lang niet altijd gelijk. Maar wie hun ongelijk wil aantonen wordt geadviseerd dat met medische argumenten te doen, en in het grensgebied van medicijnen en ethiek geen landjepik te spelen. Ik dacht dat de KNMG daar voor stond. Nee dus. De KNMG is aan het meanderen geslagen. Niet doen.

18 december

=0=

 

Verplaatsing

De Tweede Kamer heeft het over Uruzgan. Er zijn 577 vragen aan de regering gesteld hoor ik op het journaal. Maar de beslissing is al gevallen. Die was al gevallen toen maanden geleden enkele Kamerleden naar Uruzgan waren afgereisd en erg onder de indruk waren. Dat waren de woorden van Martijn van Dam, buitenlandwoordvoerder van de PvdA. Dan weet je het wel. De Kamerleden waren niet van het militaire kamp weggeweest want dat was te gevaarlijk. Erg onder de indruk. Wij maken het verschil; ik hoorde het Verhagen vanavond zeggen. Dat dachten de Russen ook, een kleine dertig jaar geleden.
Over Uruzgan is erg lang niet-gedebatteerd, niet-nagedacht, niet-gedelibereerd, niet-niet-besloten. Nu is de tijd voorbij voor debat, voor nadenken, voor delibereren en het besluit nog niet helemaal openbaar maken. Het mag naar buiten, maar iedereen wist het al. Wat we precies gaan doen, geen mens die het weet. Wat het moet opleveren, ach dat omschrijven wel als het wat oplevert. Levert het niks op dan is er altijd nog de Taliban, de corruptie, de gebrekkige solidariteit binnen de NAVO. Het kan niet fout omdat het niet anders dan fout gaat.

De Kamer verplaatst z’n eigen onmacht naar Uruzgan en noemt dat steun, en werken aan vrede en opbouw. De Kamer houdt van verplaatsen. Hij heeft al ingestemd met een wetsvoorstel om de ruwweg vierduizend kinderen die nu in jeugdgevangenissen zitten en daar niet horen te verplaatsen naar, ja naar waar ook weer? Kinderrechters en Jeugdzorg voorspellen dat als die kinderen bij Jeugdzorg uitkomen, en daar zullen ze uitkomen, de problemen van die zorg nog groter worden dan ze nu al zijn. Het plan is mooi, maar onuitvoerbaar. Dat is opmerkelijk: bij Uruzgan zijn de plannen ook al mooi en onuitvoerbaar. Het zal de Kamer een zorg zijn en het zal de regering een zorg zijn.

Morgen komt het wetsvoorstel over het weghalen van de vierduizend kinderen uit de jeugdgevangenissen in de Eerste Kamer. Ik lees in de krant dat men zich daar zorgen maakt over de uitvoerbaarheid van het voorstel maar het verder wel een mooi plan vindt. Ergens krijg ik het gevoel dat ik de uitkomst van die beraadslagingen al weet. Nederlandse politiek: de kunst van het verplaatsen. Jeugdzorg kan z’n borst natmaken. En die jongeren komen op een wachtlijst. Ook een soort verplaatsing. Het kan niet op. We weten nu al dat over enkele maanden er Kamervragen zullen komen over de wachtlijsten. Met de eis dat het beter moet. Dat is trouwens juist: de Kamer moet beter. Iedereen weet het, behalve de Kamer. Soms zijn ze daar heel erg realist: dat plan is niet uitvoerbaar.

17 december

=0=

 

De waarheid is een koe

In het radioprogramma Vroege Vogels hoorde ik vanochtend een mooi argument: omdat koeien verantwoordelijk zijn voor het broeikaseffect moeten we de koeien gewoon opeten en dan houdt het vanzelf op. Geen speld tussen te krijgen. Een waarheid als een koe als het ware. Ik moest denken aan de titel van een stukje van Roel van Duijn van heel lang geleden: de waarheid is een koe.

Het argument in Vroege Vogels was een grap. Het zou goed zijn geweest als het argument van Herman van Praag, gisteren in Trouw, ook een grap was. Maar zo is het niet. Van Praag, voormalig hoogleraar psychiatrie, betoogt dat religiositeit ‘meer dan een hersenspinsel’ is. Hij vond het nodig dat op te merken omdat modern hersenonderzoek heeft laten zien dat de beleving van religie een onmiskenbare biologische component bevat en omdat een intense beleving van religiositeit zowel gepaard gaat met aantoonbare concentratie-inspanningen én met het vervallen van het vermogen het onderscheid van binnen en buiten te handhaven. Dat laatste zit hem dwars want juist psychologisch niet lekker in elkaar zittende personen – met waanvoorstellingen, met stemmen waar niet wordt gesproken – hebben nogal last om binnen en buiten uit elkaar te houden. Inderdaad, het niet kunnen hanteren van dat onderscheid is zoiets als de definitie van een geestesziekte. Gekkigheid, dus, dat religieuze gedoe. Ze horen iets omdat ze het willen horen en als ze daar goed genoeg hun best voor doen horen ze het ook nog – omdat ze hun onderscheidingsvermogen willens en wetens onklaar maken. Geloof als trained incapacity, daar komt het op neer. Soms doe je het alleen op zondag, soms doe je het beroepshalve, soms doe je het permanent. Een oplopende schaal van onverantwoordelijkheid, in feite, en van Praag geeft in alle onschuld aan dat het streven naar religiositeit nogal wat te maken heeft met het ontkennen van je eigen lijf want daar zit de begeerte, de lust, de zwakte. Om de ene zwakte op te heffen – die geen zwakte is – omhels je zingend de andere, die er wel een is. Religiositeit is een defect, een tekortkoming. Betreurenswaardig, eigenlijk, zeker met de huidige inzichten uit de wetenschap.

Die conclusie laat van Praag zich niet aanleunen. In de eerste plaats, zegt hij, worden hier de wetenschap en de religie tegenover elkaar gesteld. Dat is onjuist want ze staan naast elkaar en vullen elkaar aan. Zegt hij. Het is zo dus het is zo. Ik zou denken, dat van Praag gelooft dat ze naast elkaar staan. Het is niet zo, alleen van Praag gelooft dat het zo is. En hij gelooft dat het hetzelfde is. Dat schiet lekker op. Ik denk trouwens helemaal niet dat geloof ‘tegenover’ wetenschap staat. Geloof is een interessant thema voor de wetenschap, net zoals de wetenschap kennelijk nog altijd een bron van zorg is voor het geloof. De rest moet van Praag nog maar eens uitleggen.

De volgende stap van van Praag is opvallend. Hij draait het hele zaakje gewoon om. Mensen die niet religieus angehaucht zijn worden tot ‘onvermogend’ of ‘minder vermogend’ voor religieuze beleving verklaard. Want, religieuze beleving heeft, evolutionair bezien, voordelen. Religieuze ‘circuits’ ontbreken bij dieren en komen voor bij mensen omdat ze hen ‘tot nut’ waren. Dieren zouden er niets mee kunnen, ongelovigen – per implicatie – ook niet. Dieren hebben geen ziel – ongelovigen ook niet of ze hebben hem aan de duivel verkocht.

Van Praag bewijst dat aan gelovigen een steekje los zit en aan hemzelf zo ongeveer elk denkbaar steekje. Om op de Vroege Vogels terug te komen: omdat gelovigen altijd weer geloofsoorlogen aan het uitvechten zijn moeten wij om die oorlogen voor eens en altijd uit te bannen, de gelovigen voor gek verklaren en achter slot en grendel zetten. Een waarheid als een koe is een koe. En ik ben Napoleon.

16 december

=0=

 

Hervormd

Gisteren mochten Balkenende en Verhagen namens Beatrix hun handtekening zetten onder het Europese Hervormingsverdrag. Nu, zegt de regering, kan de Unie ‘de discussie over haar eigen functioneren afsluiten en zich volledig concentreren op de uitdagingen waarvoor zij staat.’

Ik haal deze uitspraak uit een recent document van de regering met als titel ‘Communicatie over Europa: het Hervormingsverdrag en de toekomst van Europa’. Een merkwaardig document. Er staan vergissingen in (bijvoorbeeld: de discussie over het eigen functioneren van de EU is helemaal nog niet afgelopen. De Engelsen – en zij niet alleen – hebben allerlei uitzonderingen op het verdrag geëist en volgens Brown is daar wel, maar volgens een commissie van het Lagerhuis is daar niet, voldoende rekening mee gehouden en dus komen ze er op terug). Niet mooi voor een plan voor communicatie, dat verder wordt gekenmerkt door halve excuses (misschien hadden we destijds toch wat meer moeten praten over de komst van de euro, de uitbreiding van de EU) en kromme redeneringen (we betalen wel te veel maar daar ging het niet om hoor!).

De boodschap van het document is dat het beter moet. Europa moet gaan ‘leven’ voor de burger. Dat doet het al – eventjes vergeten door het kabinet – dus moet het niet zozeer leven als wel anders gaan leven. Daar is de communicatiestrategie voor bedoeld. BuZa is bezig een contract af te sluiten met een heus consortium van communicatiebureaus. Er wordt reeds gewerkt aan een ‘concreet voorstel’. Dat belooft wat. Is de begroting van BuZa al behandeld? Toch, wat is het ‘concrete doel’ van een ‘concreet voorstel’? Ik kom het niet te weten. Het kabinet zegt er niet op uit te zijn z’n eigen standpunt te laten ‘verkopen’. Er zijn ook geen kopers dus dat is prettig, maar zelf ben ik meer geïnteresseerd in wat er wel dan in wat er niet gaat gebeuren.

Iets weten we wel want het kabinet deelt mee in het onderwijs te willen inbreken om Europa over het voetlicht te brengen. Ook dat gebeurt door BuZa. Die deden Afghanistan al, en BiZa deed iets met cultuur, zodat ik me afvraag: wat doet OCW eigenlijk als van alle kanten de scholen worden bekogeld met lesbrieven en lespakketten? Er naar kijken?

En er is nog iets. Het kabinet wil ook de media ‘benaderen’. In alle onafhankelijkheid hoor, maar toch en niettemin. Wat we van Europa leren en wat we erover horen: het kabinet wil er meer greep op hebben. Het kabinet hervormt niet de communicatie maar de maatschappij. Ik heb het vermoeden dat dat op deze manier niks wordt en dat we beter onze centen nu bij het communicatieconsortium kunnen weghalen in plaats van te wachten op een rapport van de Rekenkamer met als strekking dat er veel geld weg is zonder te weten waartoe ook weer.

14 december

=0=

 

Onderhoud

De nieuwe dienstregeling van de NS is niet onder een goed gesternte van start gegaan. Veel vertragingen en ook overal. Het heeft me nu al een dik half uur extra gekost en vanavond moet ik nog terug. De geciteerde oorzaak: sein- en wisselstoringen. Onderhoud dus; het spoorwegnet is slecht onderhouden. Daarmee is de NS officieel van het probleem af, want daar gaan zij niet over. Wat er dan nog aan vertraging resteert wordt op het conto van de reiziger bijgeschreven. Die moeten nu eindelijk eens leren om van alle ingangen in de trein gebruik te maken en niet van slechts enkele. We werden streng toegesproken, vanochtend, toen er eindelijk een trein kwam. Dat het in dat verband zou helpen als de treinen elke keer dezelfde samenstelling zouden hebben, dat ze op het zelfde punt (en niet twintig meter verder) zouden stoppen, dat op het perron markeringen worden aangebracht zodat je weet waar de ingangen zijn: het is aan de NS niet besteed. Het is hun fout niet.

Ik vraag me af of het onderhoudsprobleem minder groot was geweest als de NS niet was ‘verzelfstandigd’ en bovendien opgeknipt in een aantal ook weer zelfstandige eenheden. Dat het spoor als een keten had moeten worden georganiseerd is helder, en dat is met het opknippen verhinderd of op z’n minst een heel stuk moeilijker geworden. Tot zover heeft de NS gelijk. Maar de andere kant van het verhaal is dat ook als het onderhoud bij de NS was gebleven je had kunnen vermoeden dat het onderhoud het kind van de rekening was geworden. Onderhoud is immers een kwestie van zekere kosten met onzekere baten (Was het echt nodig? Had het nog een jaartje kunnen wachten? Kan het ook jaarlijks in plaats van halfjaarlijks? Moeten we het zelf doen of het toch maar uitbesteden?). Vandaar dat verstandige organisaties het onderhoud eerder in een staforgaan onderbrengen dan in de lijn. Dat roept de vraag op: zou de NS zo’n verstandige organisatie geworden zijn in z’n verzelfstandigde status? Ik vraag het me ten zeerste af. De eerste paar jaar van de verzelfstandiging werd de NS geleid door een gezelschap mensen die droomden van aandelen, overnames, buitenlandse avonturen. En daar veel tijd en aandacht aan besteedden. Dat had het onderhoud mogen betalen, daarvan mogen we zeker zijn. Die eerste jaren zijn verloren jaren en die hebben de NS nog altijd niet ingehaald. Het kan best waar zijn dat NS op een aantal punten meer afhankelijk van Prorail is dan het hen uitkomt. Maar het is geen eenzijdige afhankelijkheid want ook Prorail kan weinig zonder de vraag van de NS. Er is bovendien geen enkele wet die het de NS verbiedt Prorail over te nemen. NS is politiek redelijk actief – maar niet op dit vlak. We zouden de NS eens moeten aanspreken op wat het niet doet: een heldere analyse maken van de voordelen van het herintegreren van rails en onderhoud in het moederbedrijf. Tot het zover is weiger ik te begrijpen waarom met het grootste gemak treinvertragingen worden omgezet in het laten uitvallen van treinen. Het duurt inderdaad wat langer als dezelfde ingang door veel mensen wordt gebruikt. Het duurt nog langer als er helemaal geen ingangen zijn.

10 december

=0=

 

Onverzadigbaar

De veiligheidsstaat is onverzadigbaar, zegt voormalig Duits minister Gerhart Baum in de Groene van deze week. En hij voegt er aan toe: de preventiestaat is onverzadigbaar. Ik geloof dat de preventiestaat het echte gevaar is. De veiligheidsstaat is er slechts een afdeling van. Een goede afleiding, dat wel. Dit weekend kom ik tal van artikelen tegen over de bedreiging van onze privacy door de veiligheidsstaat. Liever veiligheid dan vrijheid schijnt het motto te zijn en wie niets te verbergen heeft hoeft zich ook geen zorgen over z’n privacy te maken. De mensen vinden het wel goed zo, en de overheid stookt waar mogelijk het vuurtje op.

Veiligheid of privacy. Als dat de keus is wil ik ook wel een geweer. Wie weet helpt het en het geeft een ‘gevoel’ van veiligheid. En als iedereen er eentje koopt zijn we collectief misschien hetzelfde af als eerder, maar ik heb in elk geval geen achterstand. Ik doe mee. Er zijn ook argumenten dat het hebben van een geweer een uiting van je recht op vrijheid is. En van lef want het toont aan dat je bereid bent te vechten voor wat van jou is – goederen, land, mensen, rechten, gedachten. Veiligheid gaat helemaal niet ten koste van privacy, het is er de voorwaarde voor.

Dat klopt maar dat komt omdat de tegenstelling fout is aangezet. Waar veiligheid staat moeten we preventie lezen. Preventie of privacy, daar gaat het om. Het gaat er al lang niet meer om wat je hebt gedaan maar om wat je zou kunnen doen. Wat Bush een ‘pre-emptive war’ noemt heet in het minder krijgshaftige dagelijks leven preventie. Iran, zo Bush, heeft nog steeds de ‘kennis’ om een kernwapen te maken. Dat is de basis voor het overwegen van een aanval op dat land. En op z’n minst van het verscherpen van de sancties tegen dat land. Je moet wel Verhagen heten om daar achter te willen staan. Maar als je zo heet dan sta je er ook achter. Kennis! Wie iets weet heeft z’n onschuld verloren. Iran weet en is dus schuldig. Kennis is slechts toegestaan aan hen die we kunnen vertrouwen. Ons kent ons, dus daar ligt het probleem niet. Het probleem ligt bij hen en vanuit preventieve overwegingen moeten we daar op korte termijn even korte metten mee maken.

Uiteraard is de vijand overal, dus ook hier. Ook voor ons geldt dat wat we gedaan hebben op zichzelf niet interessant is, maar des te interessanter voor het achterhalen wat je zou kunnen gaan doen en voor wat je had kunnen doen. Furedi (in de bijlage bij de Groene) noemt dat de overgang van het redeneren in termen van het waarschijnlijke naar een redenering in termen van het mogelijke. Heel goed getroffen. Veronderstel dat een wandaad vrijwel altijd vooraf is gegaan door een eerder maar kleiner vergrijp. In de meeste gevallen leidt het kleinere vergrijp niet tot een wandaad. In enkele gevallen wel. Het regime van de mogelijkheid zorgt dat het niet zover kan komen – voor allen. Dat is de preventiestaat. Uw privacy is een mogelijk risico. Daar springen we preventief mee om.

Voor het maken van plannen kun je al enkele jaren veroordeeld worden. Geen plannen meer maken, althans niet doorspreken, althans niet kenbaar maken? Het zal niet helpen. Je kennis alleen al verraadt de mogelijkheid een plan op te stellen dus dat plan zelf hebben we helemaal niet nodig. Bovendien, wie geen plannen heeft verkwanselt z’n toekomst. In elk geval is dat mogelijk. En als het mogelijk is wordt het vanzelf waarschijnlijk, tenzij we er op tijd bij zijn. Uw voordeur? Reken er niet op: preventie begint achter de voordeur en nergens anders. Preventie is onverzadigbaar.

Naar men zegt voelen de Nederlanders zich de laatste tijd weer wat veiliger. Reden te meer om nog meer nadruk op de preventie te leggen. In ieders belang, en wel in het bijzonder van hen die het allemaal nog niet zo goed door hebben. Dat zijn er altijd meer dan we denken. Onverzadigbaar, inderdaad.

9 december

=0=

 

Sturen

De commissie Dijsselbloem moet met concrete aanbevelingen komen waar het onderwijs beter van wordt, schrijft Trouw in zijn commentaar. De commissie heeft met tachtig mensen gesproken en gaat nu haar bevindingen over de onderwijsvernieuwingen op papier zetten. Hier een paar grepen uit de rapportage van de commissie.

  1. Vernieuwingen moeten gefaseerd worden doorgezet. Geen twee of meer grote vernieuwingen naast elkaar opleggen en niet te veel tegelijkertijd.
  2. Leraren moeten actief en vroegtijdig bij veranderingen worden betrokken.
  3. De verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen overheid, schoolbesturen en scholen moet transparanter worden.
  4. De Kamer dient van de uitvoerbaarheid van de plannen een zwaarder punt te maken. Tijdsdruk mag nooit een excuus zijn om een plan te accorderen, hoe zwaar de bewindslieden daar ook op inzetten.
  5. De Kamer en de regering moeten zich tot hoofdlijnen beperken en de uitwerking aan het veld overlaten.
  6. Er is behoefte aan serieuze tussentijdse evaluaties, gevoed door monitoring vanaf de eerste dag dat een vernieuwing wordt ingezet.
  7. Evaluaties dienen consequenties te hebben.
  8. Tegelijkertijd grootschalig vernieuwen en interen op budgetten kunnen niet samengaan; een dergelijk scenario moet in de toekomst worden vermeden.
  9. Het vmbo moet niet worden opgeheven, wel verbeterd.
  10. De tweede fase moet de tijd krijgen in alle rust te landen in het onderwijs.

Is het rapport dan al bekend? Ja en nee. Het moet nog worden geschreven natuurlijk maar omdat alle betrokkenen elkaar de zwarte piet hebben toegeschoven, er veel semantisch geneuzel is geweest (chantage nee, grote druk ja), het niet aan de plannen lag maar aan de voortdurende wijzigingen, het niet de onrust van bewindslieden was maar de onrust in de samenleving, de Kamer zichzelf op de korrel moet nemen maar het niet te gek moet maken: vanwege al die dingen is het rapport eigenlijk ook weer wel geschreven.

Gek, het parlementaire onderzoek kwam voort uit de gedachte dat teveel sturingspretentie zichzelf wel zou tegenkomen. Of beter gezegd: al lang was tegengekomen en wel zo heftig dat we toch eens moesten uitzoeken hoe we ons zo hebben kunnen vergissen. Kun je per slot altijd van leren. Weinig over gehoord (de bewindslieden zijn al lang uitgeleerd en hebben dat ook bedaard laten weten. Niet zij maar de anderen in het veld moeten nog wat bijleren). En de Kamer is vergeten zichzelf serieus te onderzoeken. Zal ook niet meer gebeuren. Zeker niet met de wens van Trouw in de achterzak: concrete aanbevelingen. Dat soort wensen komt de commissie ongetwijfeld als geroepen.

Ik zou denken: liever niet en thanks, but no thanks. Het zou de commissie sieren als zij zich erop toe zou leggen om aan te geven wat niet mag gebeuren met het onderwijs. Ik ben bang dat het een advies wordt over wat juist wel moet gebeuren met het onderwijs. Zo ja, dan is het rapport al geschreven. Langs bovenstaande lijnen. Inclusief alle inconsistenties en tegenstrijdigheden. Sturen en het stuur uit handen geven, het blijft een moeilijk vak. Nieuwsgierig naar het rapport? Ik niet.

8 december

=0=

 

Overtuigend

Kan godsdienst de PvdA bezielen? Dat is de vraag die in de rubriek Meer! van Trouw aan een aantal mensen is voorgelegd. Rare vraag. Irrelevante vraag. Overbodige vraag. Verwarrende vraag. Betere vraag graag. Dus.

Godsdienst kan PvdA-ers bezielen en dat komt ook met enige regelmaat voor. Afkeer van godsdienst kan dat trouwens ook – en ook dat komt met enige regelmaat voor. Het gaat een partij niks aan of mensen zich door Jezus, Mohammed of Boeddha laten bezielen. Moeten ze zelf weten, zelfs als anderen vinden dat je dan niet goed bij je hoofd bent. Een partij streeft wat na, en een niet-religieuze partij streeft geen religie na – en moet zich daar dus ook niet door op sleeptouw laten nemen. Een partij is iets heel anders dan een partijlid en wie daar anders over denkt – bijvoorbeeld in naam van de partij ‘heel de mens’ claimt of vanuit ‘heel de mens’ de partij claimt – is gevaarlijk bezig. Voor z’n partij maar ook voor z’n religie – in een niet-religieuze partij.

De vraag is dus niet of de PvdA zich door een godsdienst moet laten bezielen – de vraag is of de PvdA een religieuze partij is. Over het socialisme werd dat vaak beweerd, dat het een religie was. Men bedoelde dat het op een enigszins vergelijkbare wijze functioneerde en daaruit leidde men voor het gemak dan maar af dat het het ook wel zou zijn. God in de hemel of de hemel op aarde, wat is het verschil en wat maakt het uit. Leiden niet alle wegen naar Rome?

Dat doen ze niet, en de PvdA is geen religieuze partij. God en Rome zijn centra. Van daaruit krijgt alles plaats, betekenis, en rang. Die pretentie heeft de PvdA voor zover ik weet nooit gehad. En hoewel ik ook niet weet waar de PvdA nu eigenlijk wel voor staat, ik meen toch redelijk zeker te weten dat die partij zich niet als het centrum van wat dan ook beschouwt, te beginnen met het leven van de leden van die partij. Het probleem van de PvdA is in de wereld gekomen omdat ze elke centrumpretentie ter zijde heeft geschoven, niet omdat ze die pretentie terug wil of er om treurt. De PvdA moet zich zien te plaatsen als een deel van het leven, niet als een plaatsvervangend geheel. Moeilijk genoeg, en zeker met de nieuwe voorzitter.

De nieuwe voorzitter van de PvdA is niet huiverig voor de vermenging van politiek en religie, schrijft Trouw. En citeert haar: “De staat moet zich niet met religie bemoeien, maar voor de politiek ligt dat anders”. Beide helften van de zin zijn even potsierlijk. De staat kan zich helemaal niet ‘niet’ met religie bemoeien en voor de politiek ligt dat uiteraard ‘niet’ anders. En dat is ook helemaal het punt niet. De staat bemoeit zich met religie door de religie vrij te laten – zolang de religie de staat niet claimt. Voor een politieke partij als de PvdA zou dat niet ‘anders’ moeten liggen. Voor mevrouw Ploumen heeft dat allemaal kennelijk geen enkel gewicht. Het is één pot nat want we zijn allemaal mensen die het goede willen en het goede kun je best (beter zelfs) uit je religieuze overtuiging halen. Ach ja. Ik weet niet of mevrouw Ploumen en andere geesten die vinden dat geest, religie en partij mooi samen kunnen gaan iets van religie weten. Ik weet wel dat ze niets van politiek weten. Naast de ‘religious supermarket’ kunnen we binnenkort de ‘politico-religious supermarket’ verwachten. Trekt altijd weer nieuwe stemmen en kiezers. Met de PvdA van Ploumen achter de toonbank? Ik houd m’n hart vast.

7 december

=0=

 

Het heeft geholpen

Afghanistan grenst niet alleen aan Pakistan maar ook, en voor een behoorlijk deel, aan Iran. Het schijnt daar rustig te zijn. Raar, als je er bij stil staat dat de Iraniërs in de lezing van de Amerikanen overal waar het maar even kan terroristische bewegingen steunen en het niet moeilijk moet zijn om als ze dat zouden willen de situatie in Afghanistan verder te destabiliseren. Willen ze niet? Of durven ze niet?

Het laatste ongetwijfeld. Zo willen ze ook een atoombom maar zijn ze met de voorbereidingen voor het maken ervan al in 2003 gestopt. Blijkt nu. En waarom? Heel eenvoudig. Bush had ze gewaarschuwd en zelfs gedreigd. En dat heeft geholpen. Zegt Bush, in reactie op een rapportage van de Amerikaanse inlichtingendiensten waaruit zou blijken dat de Iraniërs wel iets anders aan hun hoofd hebben dan het produceren van een kernbom. Zo heb je altijd gelijk. Eerst dreig je omdat ze ermee bezig zijn en als ze er niet mee bezig zijn is dat omdat je dreiging effectief is geweest.

Is het een afgang voor Bush? Ongetwijfeld, maar meer nog voor Cheney die per slot het meest actief is geweest in het op een zijspoor rangeren van de Amerikaanse inlichtingendiensten en er z’n eigen ‘intelligence’ voor in de plaats te zetten. Met de zegen van Bush, dat weer wel. Aan de wereld om zich af te vragen of dit rapport de wraak van de inlichtingendiensten is of een betere weergave van de situatie dan voorheen. Ik weet het niet. Het is verontrustend dat niemand – ik naam aan zelfs de direct betrokkenen niet – tijdig kan worden aangesproken op de mechanismen die van gegevens informaties maken en van informaties communicaties. Alle politiek verantwoordelijken zijn afhankelijk van inlichtingen die ze niet op hun adequaatheid kunnen nagaan. Cheney’s privé inlichtingendiensten zijn zo bezien een primitieve en uiteraard vruchteloze poging daar aan te ontsnappen.

Verontrustend en even verontrustend is – als ik bijvoorbeeld minister Verhagen beluister op de tv gisteravond – dat verantwoordelijke politici door blijven gaan met een wereldbeeld te verkopen waarin ze selectief shoppen met hun eigen weergave van gebeurtenissen. Hoe onzekerder de zuiverheid van de bron hoe zekerder de politicus wenst over te komen. Noem het de mediawet van de politiek. Het doet allemaal denken aan het grapje over de man die bij de dokter komt en wild met z’n armen beweegt. Op de vraag van de dokter waarom hij dat doet is het antwoord dat hij op die manier de olifanten buiten de deur houdt. De verbaasde dokter merkt op dat er helemaal geen olifanten zijn. Nee, zegt de man, het werkt hè? Inderdaad, zegt de politicus. Het heeft geholpen.

5 december

=0=

 

Femanisme

In De Pers van gisteren was veel aandacht voor een manifestatie van afgelopen zaterdag in de Beurs van Berlage. Het ging om de positie van vrouwen aan de top en hoe die te verbeteren. Op de voorpagina stond groot ‘FeMANisme’, op pagina twee mocht Heleen Mees iets zeggen over mevrouw Royal en meneer Sarkozy – allebei alleen en zo en zou het niet aardig zijn als. Wat verderop in de krant een groot interview met een vrouw die allerlei ideeën had over het femanisme. Misschien had ze het woord zelf bedacht, dat werd me niet duidelijk.

Ik ben haar naam vergeten, maar ik denk dat het Floortje was, en nog wat natuurlijk maar dat ben ik al helemaal kwijt. Ik hou het maar op Floortje. Floortje nu was bij de geboorte van haar zoontje bijna overleden. Gelukkig heeft ze het gered maar het was kantje boord. Zo’n bijna-dood ervaring bezorgt nogal wat mensen de sensatie dat ze hun schepper al zijn tegengekomen. Floortje daarentegen was zichzelf tegengekomen. Vanaf dat moment werd alles anders. Ze stortte zich in het actiewezen en wel zo heftig dat ze op een gegeven moment door de crèche gebeld werd of ze haar zoontje nog kwam halen. Nieuw breekpunt, Floortje kwam zichzelf opnieuw tegen. Ze was overspannen. Waardoor? Het lag niet aan haar partner want die wist wel hoe arbeid en zorg te combineren en dat in goed overleg te doen.

Waarom ons dit allemaal werd voorgeschoteld? Ik weet het niet. Floortje heeft het niet makkelijk en maakt het zich niet makkelijk. Nou en? Het ging toch over femanisme? Over ‘women on top’? Jammer genoeg ben ik daar het fijne niet van te weten gekomen. Over Floortje des te meer, zeker toen ze vertelde ook actief in het AVV te zijn. Mij werd meteen duidelijk waarom Floortje zo’n afkeer had van Ciska Dresselhuis. Die is oud want babyboomer en babyboomers verpesten het voor de anderen. Wat de babyboomers hebben is niet meer dan een verzameling verworven onrechten en daar moeten ze vanaf worden geholpen. Wat Floortje heeft – net als het AVV – is het geboorterecht op de verworven onrechten van de babyboomers. Het AVV valt alleen werknemers aan, in naam van de solidariteit. Het femanisme – kennelijk – in de eerste plaats vrouwen. Moderne solidariteit begint met uitsluiting en verdachtmaking. Ik ben benieuwd of Floortje zichzelf nog een derde keer gaat tegenkomen – op wat latere leeftijd.

4 december

=0=

 

Systematisch onsystematisch

Sinds enkele weken geef ik weer college. Het gaat om een achttal colleges over organisatietheorie voor (avond) studenten bedrijfskunde. Ik behandel twee boeken (‘klassiekers’) van respectievelijk James Thompson (Organizations in Action) en Herbert Simon (Administrative Behavior). Het eerst genoemde boek is veertig jaar oud, het tweede zestig jaar. Als je na zoveel jaren nog wordt gebruikt ben je klassiek, wat zullen we nou hebben.

Ik vind het weer leuk, het college geven. Tegenover mij zitten op donderdagavond ruim twintig studenten, allemaal werkend en in de avonduren en weekeinden bezig met de studie. Ze schrijven brieven aan de auteurs die ze bestuderen en die geven – via mij want zelf hebben ze het tijdelijke al voor het eeuwige verwisseld – ook enthousiast antwoord. Ik schrijf mijn colleges uit (dan weet ik ten minste zelf ook nog wat ik heb gezegd en de studenten kunnen tijdens het college hun aandacht erbij houden zonder genoodzaakt te zijn van alles aantekening te maken) en ik doe dat met het beeld van de studenten voor ogen. Het eerste college was hun beeld nog niet aanwezig – en het schrijven van dat college ging ook wat stroever. Daarna werd het makkelijker.

Nu geef ik altijd op een onsystematische manier college. Ik spring dwars door de stof heen als het ware, en negeer in elk geval ogenschijnlijk de structuur die de stof zelf aanbiedt. Ik klamp aan bij wat ik weet van het werk (in organisaties) dat de studenten verrichten, bij het werk (in een organisatie) dat ik zelf verricht, bij het nieuws, bij dingen die me al langer bezighouden en net weer even anders worden belicht door de herlezing van juist deze literatuur, bij mijn verbazing over de wereld. Dat soort dingen en op die fiets. Ik ben systematisch onsystematisch en ik vroeg me zojuist af – tijdens een klein wandelingetje in de lunchpauze – hoe het toch kan dat iemand als ik die zeer beïnvloed is door de systeemleer het consequent verdomt systematisch te werken. Ik zou natuurlijk kunnen zeggen dat juist in de moderne systeemtheorie de gebeurtenis veel prominenter is dan de structuur maar dat is in dit verband een gelegenheidsargument. Ik bedoel, zo kun je overal wel een punt aandraaien.

Adorno (in het voorwoord bij de Negative Dialektik – als ik het me juist herinner, ik heb de tekst hier niet bij de hand) gebruikt systematiek om het systeem aan te vallen. Dat is aardig. De schaduw van Adorno zal ik nooit kwijtraken (wil ik ook helemaal niet) maar ik ben wel aan de andere kant gaan lopen merk ik nu. Ik gebruik het systeem om de systematiek onklaar te maken. Het lukt nooit vanzelfsprekend – ik ben niet onsystematisch maar systematisch onsystematisch. Maar de gedachte stemt tevree.

3 december

=0=

 

Omstandigheden

Sinds enige tijd heeft Trouw een nieuwe rubriek. Onder de naam ‘Meer!’ brengt de krant mensen met elkaar in gesprek over lastige onderwerpen. Interessante rubriek. Kort geleden discussieerden Ger Groot en Heikelien Verrijn Stuart met elkaar. Het onderwerp was hoe ver de overheid mag gaan om de overlast van jongeren te bestrijden en meer in het bijzonder of het dan kon volstaan om de daders te straffen of dat ook het gezin op de korrel mocht worden genomen. De titel van de discussie – ik neem aan dat die van de redactie kwam – was ‘Ettertjes of slachtoffers?’. Slechte titel.

Groot wees er op dat als je die rotjongetjes (over meisjes werd merkwaardig genoeg niet gesproken) slachtoffers noemt je maar eens moet uitleggen waarom het gros van hen zich heel gewoon gedraagt. En Verrijn Stuart wees er op – en dan zitten we bij het échte probleem – dat de discussie al lang niet meer over die jongetjes gaat maar over hun ouders. De verschuiving zit ‘m in de positie van de ouders. De ouders verbinden achterstandswijken en rotjochies. De ouders hebben we heel lang als ‘slachtoffer’ bekeken, buitengesloten als ze waren in verloederende rotwijken waar de samenhang uit verdween, in rotbanen, werkloosheid en uitzichtloosheid. Dat doen we niet meer, de ouders zijn ‘verantwoordelijk’. Wij knappen hun wijken op dan moeten zij hun kinderen opknappen. Voor wat hoort wat. Beide is werk en op beide word je afgerekend. Wanprestaties worden niet geduld.

Verrijn Stuart vindt dit een zorgelijke en onjuiste ontwikkeling. Groot vindt het even zorgelijk maar, onder omstandigheden, een onvermijdelijke en een te billijken ontwikkeling. Los hiervan wijst Verrijn Stuart er op dat het volgens haar niet helpt, het aanpakken van de ouders. Het is dweilen met de kraan open. Zwakke wijken zijn zwak omdat ze problemen aantrekken. Wat je vandaag geregeld dacht te hebben staat morgen weer op de tocht. De instroom van tijdelijke arbeiders uit Oost Europa vindt een huisje in de zwakke wijken. Veel mensen op één kamer, weer de meest naargeestige verhalen over huisjesmelkers – goed beschermd achter schimmige juridische constructies – en overlast. Ingrijpen? Vogelaar, ter Horst en de ferme Opstelten staan er bij en kijken ernaar. Hier zijn andere belangen in het geding. En de bewoners van de oude wijken hebben geen verweer. En daarom zijn ze geen slachtoffer maar worden het. Gemaakt door dezelfde geesten die vinden dat ze hun kinderen wat beter in de hand moeten houden.

De treurnis is dat we – ook als we de visie van Verrijn Stuart delen, zoals ik dat doe – geen flauw idee hebben hoe we deze ontwikkelingen kunnen keren. Wat zwak is krijgt klappen en daarom is het ook zwak. Hoe meer open grenzen hoe meer de zwakke wijken te verstouwen krijgen. En hoe meer die wijken te verstouwen krijgen hoe meer overlast we mogen verwachten. Waar allerlei jongetjes best raad mee weten, als ze er al niet op eigen initiatief op zouden komen.

Wat we weten is dat wat zwak is zich niet kan verweren tegen veranderingen, hoe ongewenst ook. Wat we niet weten is hoe we de gevolgen van die veranderingen kunnen neerleggen bij degenen die er het voordeel van hebben. Werkgevers bijvoorbeeld, uitzendbureaus en ander soort handel. Nieuw is het allemaal niet. Alleen zou ik daar de conclusie uit trekken dat zolang we niet weten hoe we het mechanisme van kosten hier en baten daar in de greep moeten krijgen, we onze gretigheid om tot achter de voordeur te gaan maar weer moeten inslikken. Omdat het niet helpt. Omdat het hoon is. Omdat het ertoe leidt dat zelfs de opvoeding van kinderen ‘werk’ wordt.

2 december

=0=

 

Uiteindelijk

En uiteindelijk is het ook goed voor Nederland, zei Nouwens een uurtje geleden op radio 1. Hij werd ondervraagd over de kilometerheffing die er, zo wordt ons bezworen, nu eindelijk gaat komen – over een paar jaar. Het was goed voor het milieu, ook voor de economie, zelfs voor de automobilist en ‘uiteindelijk’ voor het land. Dat geeft hoop en Nouwens merkte op dat hij een hoopvol man was. Hij geloofde, zo zei hij, ook in het hiernamaals en daarom was het geloof in de uiteindelijke verwerkelijking van de plannen voor kilometerheffing voor hem helemaal geen brug te ver. Een tevreden mens.

De kilometerheffing is een prachtcasus om uit te leggen waar mist voor staat. Mist schept files, en de kilometerheffing schept mist. Althans, het debat erover want uiteindelijk verandert er natuurlijk niks. Aan de files. Er zal geen file verdwijnen want files ontstaan niet omdat mensen zo graag files opzoeken maar omdat we een beperkte hoeveelheid ruimte met te veel functies versieren en die kunnen niet allemaal tegelijk worden vervuld. In het debat wordt het zo voorgesteld dat je kunt kiezen om in een file te gaan zitten – of om de file te vermijden. Wie de file weet te vermijden wordt beloond (alsof de vermijding zelf al geen beloning is en de enige die iedereen interesseert) en wie de file tegenkomt wordt bestraft (alsof de file zelf al geen straf is). Mocht de heffing werken dan zullen er geen filevrije periodes meer overblijven. Het beste dat kan gebeuren is dat de files wat korter worden. Korter en meer. Niemand gaat winnen, althans niemand van de verkeersdeelnemers.

Dat er gekozen kan worden is op zich al groteske flauwe kul. Daar moet inderdaad een geloof achter zitten en uiteraard het enige geloof waar we allemaal dag in dag uit mee worden bekogeld: de economie. Dat de keuze tot minder filetijd zal leiden is er de even groteske uitwerking van. De veronderstelling is de meest primitieve leerboekeneconomie voorstelbaar: bij een hogere prijs zal de vraag naar weggebruik dalen. Daar hebben we toch voldoende ervaring mee opgedaan om – zelfs zonder echt te hoeven nadenken – te weten dat het zo niet werkt. De benzineprijzen zijn de pan uitgerezen de laatste jaren – en hebben het aantal afgelegde kilometers niet beïnvloed. Het aantal mensen dat het niet meer kan betalen is veel kleiner dan het aantal mensen – en bedrijven – dat zich als verkeersdeelnemer aanmeldt. Met steeds hogere prijzen kun je de groei op z’n best een fractie minder hoog maken. Als je er in slaagt de minvermogende van de weg te pesten. Het zal niet helpen. De bottleneck van het verkeer zit niet in de vraag maar in het aanbod. En dat dendert vrolijk verder, in het bijzonder het aanbod van vrachtverkeer. Je kunt geen Nederland Transportland als leuze hebben en tegelijk het wegverkeer ontmoedigen. Als je het transport duurder maakt betaal je gewoon twee keer: als je je contactsleuteltje omdraait en voor de spullen in de winkel. Wil je dat ontlopen dan dient de leuze – en de bijbehorende praktijk – aangepast te worden. Ik heb er Nouwens niet over gehoord. Eurlings evenmin. De Kamer ook niet. We produceren liever de mist van de keuze en de mist van het geloof in de werking van vraag en aanbod. Armoediger kan niet. Ik ben blij voor Nouwens dat hij er blij mee is. Ik ben er niet blij mee. Het enige echte effect is dat de bewegingen van de burger nog beter en totaler geregistreerd zullen worden dan nu al het geval is. Bewegingsvrijheid heeft een prijs en wordt beprijsd. Maar maakt u zich geen zorgen: alles zal exact worden geregistreerd zodat u geen cent te veel betaalt. We behouden ons overigens wel het recht voor om de prijs per kilometer aan te passen. Ook dan mag u ervan verzekerd zijn dat de beprijzing eerlijk op uw deurmat zal ploffen.  U heeft er uiteindelijk zelf voor gekozen.

1 december

=0=

 

Autoriteit

De Nederlandse Zorgautoriteit is nog maar een paar jaar oud. Hij werd ingesteld met de komst van nieuwe zorgverzekeringswet. Hij houdt zich bezig met markten en marktwerking, de belangen van consumenten, de bewaking van de zorgverzekeringswet en AWBZ en met tarieven en budgetten. Een heleboel, met veel overlap, en slecht afgebakend van andere bemoeiclubs met de zorg.

Naar de consument toe maakt de autoriteit zich sterk voor transparantie en kwaliteit van de zorg. Op een markt waar informatie-asymmetrie een definiërend kenmerk geen overbodige luxe. Wat bijvoorbeeld medici doen en laten is voor de meeste patiënten nooit helemaal te achterhalen – het is niet ‘transparant’ te maken. Ik wil trouwens ook helemaal geen transparantie van mijn huisarts, ik wil een goed en begrijpelijk advies. Dat is iets radicaal anders. Transparantie vragen van professionals is hetzelfde als het geheim van de smid willen weten – en daar kom je alleen achter als je de moeite neemt je tot smid te laten omscholen. Dat is weinig realistisch. De meeste patiënten willen helemaal geen dokter worden, ze willen beter worden.

Indien niet transparant, dan wel kwalitatief op orde? Dat ligt meer voor de hand. Bij kwaliteit is het oordeel van de patiënt niet het enige dat telt maar zonder dat oordeel gaat het ook niet. Bij kwaliteit kun je denken aan de snelheid waarmee je wordt behandeld, de manier waarop je wordt toegesproken, de betrouwbaarheid van de gemaakte afspraken, de kwaliteit van de gegeven voorlichting enzovoorts. En dat alles vergelijkend want wat anderen krijgen mag jou niet worden onthouden.

Ik geloof niet dat de autoriteit zich daar erg mee bezig houdt. Hun vertaling van kwaliteit komt er op neer dat patiënten voldoende ‘keuzes’ in het zorgaanbod hebben en daarom worden bijvoorbeeld de verzekeraars aangesproken op hun “keuze-ondersteuningsbeleid”. Dat is weer goed voor het Scrabblespel, maar wat het met kwaliteit van doen heeft is niet direct helder. Kennelijk is de veronderstelling dat de patiënt behoefte aan informatie, dus dat informatie een schaars goed is dat eerlijk moet worden verdeeld en opgediend. Transparant als het ware. Kwaliteit is een onderafdeling van transparantie.

Dat is een zorgelijke uitkomst en dat telt twee keer als we praten over een Zorgautoriteit. In de eerste plaats kun je de informatie-asymmetrie voor consumenten misschien nog wel opheffen als het gaat om een pot pindakaas maar niet als het gaat om hun eigen gezondheid.  Een Zorgautoriteit moet daarom niet informeren – of dat door anderen laten doen – maar attenderen. Informatie is niet schaars, aandacht wel. Aan de consumenten moet niet meer informatie worden aangeboden – dat spel kunnen ze bij zorg toch niet winnen. De consumenten moeten worden geattendeerd, in ons geval op keuzegevolgen, in plaats van op keuzemogelijkheden. En de verzekeraars en zorgaanbieders moeten daarover informeren en niet over wat er bij hen allemaal kan. Die moeten met hun informatie de aandacht richten. Aan de Zorgautoriteit dan de taak om te zien of ze dat goed hebben gedaan.

In Houten (zie de Groene van 30 november) gaan zevenentwintig van de achtentwintig huisartsen met verzekeraar Menzis in zee om vijf gezondheidscentra op te tuigen. Menzis steunt het initiatief en vraagt als tegenprestatie of de huisartsen zo vriendelijk willen zijn de patiënten vooral op het zorgaanbod en de aantrekkelijke zorgpolis van Menzis te attenderen. Menzis begrijpt het allemaal veel beter dan de NZa: niet informeren maar attenderen – daar gaat het om. En verder worden de huisartsen opgeroepen zuinig te zijn met doorverwijzen naar dure specialisten en zo. Deden ze toch al: gewoon niet op attenderen helpt al een heleboel.

Gelukkig is er de NZa om een en ander te bewaken. Veel tijd hebben ze er nog niet voor gehad maar de woordvoerder zegt dat als transparantie en kwaliteit geborgd zijn zij het prachtig vinden. En verwijst naar keuzevrijheid en veel informatie, ook over de voor- en nadelen van de verschillende polissen. Nog meer informatie dus. De NZa wacht nog even af. Ik vraag me af waarop ze wachten.

30 november

=0=

 

Afroepen

Is het in ons land nog mogelijk om iets over je ‘af te roepen’? Bedreigingen bijvoorbeeld of, erger, geweld? Feitelijk wel natuurlijk, volgens Joost Zwagerman is het zelfs de belangrijkste verwerpelijke nieuwigheid van de laatste jaren. Normatief daarentegen niet, want we hebben allemaal vrijheid van meningsuiting en wie iemand beledigt mag ook zelf een belediging verwachten en dat is het dan. Resultaat: een lange, wie weet oneindige, serie beledigingen.

Het woord is medium en het klinkt luider als het wordt versterkt door de media. In de kakofonie van mededelingen (‘informatie’) wordt niets opgemerkt, tenzij versterkt. Dat leidt vanzelf naar de overdrijving. Je moet overbieden. Bluff or perish. Dat is de regel. Die je ook op jezelf moet betrekken. De grofheden van vandaag moeten worden overtroffen met nieuwe, nog heftiger, nog schreeuweriger grofheden. Tenzij je voor de media je neus ophaalt, en de bijbehorende stilte wilt accepteren.

Media zijn een vliegwiel voor aandacht. Media richten aandacht, verdelen aandacht en ze doen dat door aandacht te schenken. Aandacht is meer aandacht dan anderen weten te trekken. Selectief uiteraard want alles kan maar niet alles tegelijk. Dreigen met moord en bedreigd worden met moord genereren aandacht. Wie zeker wil zijn van aandacht moet de doodsdreiging paaien. Ook dat valt onder de vrijheid van meningsuiting.

Het nieuws van vanochtend: Wilders wil in januari een tv-film uitbrengen waarin de Koran als een fascistisch boek wordt ‘neergezet’. De regering maakt zich nu reeds zorgen maar voegt er haastig aan toe dat Wilders uiteraard beschikt over de ‘vrijheid van meningsuiting’. Roerend. Maar wat zouden ze er toch mee bedoelen? Wilders heeft herhaaldelijk beweerd niet in gesprek te willen met de mensen die hij bij voorkeur beledigt. Hij gebruikt zijn vrijheid van meningsuiting niet om andere meningen te leren kennen, noch om op een gegeven moment en beargumenteerd een gesprek af te sluiten. Hij gebruikt het met het oog op de aandacht die de media aan hem zullen besteden en in de wetenschap dat de tegenstander op z’n minst met een even onbeschoft tegenbod zal moeten komen om vergelijkbare aandacht te krijgen. Wilders is niet geïnteresseerd in meningen maar in effecten. De vrijheid van meningsuiting is de schaamlap van effectbejag geworden. Het had me een beetje gerustgesteld als de regeringsreactie een ietsie pietsie die kant op was gegaan. Niet dus. Het had de regering in elk geval voor korte tijd een voorsprongetje in de strijd om aandacht opgeleverd. Is de regering bang voor de boemerang? Dan heeft hij baat bij het grapje dat mijn jongste zoon laatst vertelde: ‘wat is een boemerang die niet terugkeert? Een stok’.

28 november

=0=

 

Wiki

Enkele dagen geleden vroeg een ex-collega me of hij mij mocht toevoegen aan zijn ‘professionele netwerk’ op LinkedIn. Ik wist niet wat het was maar gisteren kreeg ik een berichtje van de co-auteur van mijn doctoraalscriptie. Had me gevonden op LinkedIn. Grappig. Bijna veertig jaar niet gezien.

Of LinkedIn nu wel of niet een voorbeeld is van wikinomics schijnt omstreden te zijn, net zoals het hele verschijnsel dat is. Wikinomics staat voor ‘massasamenwerking’ mogelijk gemaakt door het web, in het bijzonder toepassingen van ‘sociale software’. Die toepassingen hebben – als ik het goed begrijp, de mededelingen over een en ander lopen over van leuzen en verkoopgeklets – twee nieuwe kenmerken: ze zijn niet zo gestandaardiseerd als gebruikelijk en ze zijn minder hiërarchisch, dat wil zeggen dat de toegang tot het door de sofware te ontsluiten netwerk eerder door de gebruikers wordt geschapen dan eenzijdig door de eigenaar bepaald en bewaakt. Het intranet gaat open als het ware. Iedereen kan inbreken op elke pagina, wijzigingen voorstellen en aanbrengen, oproepen plaatsen. Zoals in Wikipedia.

Eigenlijk wel aardige vernieuwingen en ze verplaatsen de aandacht eventjes van de dagelijkse irritaties over spam en gedoe over beveiliging naar de mogelijkheden van het web. Stel je voor, een virtuele samenwerking over de grenzen van je eigen team, bedrijf heen, en een vervagen van de grenzen tussen producten, dienstverleners en gebruikers. “Conducivity” noemde een Amerikaanse vriend dat een twaalftal jaren geleden toen hij het – voor mij voor het eerst – had over de mogelijkheden van Java en Linux voor gebruikers, producenten en hun onderlinge betrekkingen en die als model presenteerde voor veel meer relaties tussen productie en consumptie. De mogelijkheden worden praktijk, maar een praktijk waarvan ook weer?

Daar stokt het verhaal een beetje. Een paar keer ben ik al het voorbeeld tegengekomen van een goudmijn die zo’n beetje uitgeput leek, waarvan de eigenaar toen alle geologische data op het net zette, een beloning uitloofde voor wie nieuwe goudlagen kon aanwijzen en daar niet slechter van werd. Twee weten meer dan één, waar nummer twee zich ook mag bevinden. De gedachte is dat bescherming en afscherming een milieu voor kennis levert waarin het niet geweldig gedijt. Kennis heeft openheid nodig, geen afgeslotenheid en de moderne technologie maakt het technisch mogelijk de kennis van alle geïnteresseerden bij een bepaald thema bij elkaar te brengen en op elkaar te laten inwerken. Het vindt z’n eigen structuren wel. Elk kennisproduct is, nog steeds in ditzelfde perspectief, voorlopig en dus houdt de behoefte aan openheid nooit op. Elk product is een toepassing en elke toepassing is tijdelijk en kan in het netwerk verder worden ontwikkeld. Enzovoorts.

Dat kan allemaal, in principe, en twee weten meer dan één, als ze het ten minste over een thema eens kunnen worden. Dat is geen sinecure want een thema is geen technisch product maar een sociaal, een intellectueel, een economisch product (een beslissing uiteindelijk) of, pak ‘m beet, het product van zorgen over veiligheid en beveiliging. En als we het thema hebben moeten ook nog criteria worden opgesteld voor wat je een bijdrage aan het thema kunt noemen. Dat gaat niet vanzelf zoals het gekrakeel over Wikipedia heeft laten zien. De architectuur van de wiki, van ‘enterprise 2.0’, of hoe het ook wordt aangeduid, is nog te ontwikkelen. Hiërarchie (dit is het thema) en standaarden (dit voldoet aan de criteria voor een bijdrage) laten zich niet zo maar totaal ter zijde schuiven en de gedachte eraan en het streven ernaar is naïef of erger. Als alles mogelijk is (samenwerken met iedereen onafhankelijk van beperkingen van ruimte en op elk moment dat het even uitkomst) is nog niet alles mogelijk.

27 november

=0=

 

Normatief

Dat je uit feiten geen normen kunt afleiden is geen feitelijke maar een normatieve uitspraak. Het is een uitspraak van wetenschappers om hun domein te vrijwaren van allerlei interventies door het geloof, de moraal, de traditie en natuurlijk de politiek. Om goed over feiten te kunnen spreken moet je ze zo goed en zo kwaad als dat gaat zelf aan het woord laten komen en dat verbiedt dat je ze als normen verkoopt. Om goed over normen te kunnen spreken moet je ze op hun eigen merites nemen en ze dus niet als feiten optuigen. Anders kun je nooit meer zeggen dat het een feit is dat bepaalde normen meer aanhang hebben dan andere. 

Feitelijk doen we weinig anders dan normen als feiten verkopen. Ik weet bijvoorbeeld zeker dat Ajax eigenlijk ook als het slecht speelt een betere voetbalploeg is dan Feyenoord. Of ik weet zeker – het is een feit – dat het vervangen van de verzorgingsstaat door een kansenmaatschappij beter is voor nieuwkomers zoals migranten. Dat weet ik overigens niet zeker maar Heleen Mees weer wel (NRC H, 23 november). Zij vergelijkt New York met Nederland en komt tot de conclusie dat wij de migrant verstikken met onze verzorgingsstaat. New York is beter, ook toen het daar slechter was (dat wil zeggen: toen hadden ze geen verzorgingsstaat en nu ook niet en toch is het er juist daarom beter). Voor sommigen (zwarten, Portoricanen) en voor sommige wijken in New York is het overigens nog steeds niet goed maar dat zal wel liggen aan de genereuze verzorgingsarrangementen die uitgerekend daar opgeld doen.

Wie normen en feiten in elkaar wil laten verglijden heeft aan sommige taaluitingen een grote steun. Het woord bewijzen is bijvoorbeeld zowel juridisch als wetenschappelijk courant en dus uiterst bruikbaar. Het woord ‘gelden’ heeft hetzelfde voordeel. Ik citeer een zin uit het zojuist vermelde stuk van Mees: “In de Verenigde Staten geldt dat bij voldoende geschiktheid de voorkeur uitgaat naar een kandidaat uit de ondervertegenwoordigde groep. Op die manier wordt ook voor subtiele vormen van uitsluiting gecompenseerd en wordt ruimte gecreëerd voor sociale mobiliteit” (mijn cursivering). Op die fiets. Geldt. In Nederland, bijvoorbeeld, geldt dat je geen mensen mag vermoorden, zelfs niet uit ondervertegenwoordigde groepen. Op die manier wordt ook niet stiekem gemoord, kunnen de ondervertegenwoordigde groepen opgelucht adem halen en hun kansen aangrijpen in de participatiemaatschappij.

Op de een of andere manier krijg ik de indruk dat mevrouw Mees geen aanwinst is. Normatief. Feitelijk. Whatever.

26 november

=0=

 

Sluipend

Op onderwijs kan best nog flink bezuinigd worden, liet Jo Ritzen in 1989 weten in een stuk in NRC H. Een half jaar later mocht hij plaats nemen in het kabinet Lubbers III. Hij bleef minister van onderwijs tot 1998. Daarmee zit hij in de voorhoede van langstzittende ministers op één departement.

Ritzen wist waar hij het over had; met zijn proefschrift over onderwijs, economische groei en inkomensverdeling werd hij gezien als een vooraanstaand onderwijseconoom. Als hij daarom per krant laat weten dat er nog best wat af kan dan is dat niet alleen prettig voor de belastingbetaler, het kan ook niet anders dan verantwoord zijn. ‘Evidence based’ als het ware, want daar staan wetenschappers voor.

Wie flink denkt te kunnen bezuinigen komt in het onderwijs onvermijdelijk uit bij een rem op de salarissen want die zijn het leeuwendeel van de uitgaven. Bovendien stijgt de productiviteit in het onderwijs amper en dus wordt het onderwijs verhoudingsgewijs steeds duurder. Dan kun je twee dingen doen. Salarisstijging tegenhouden, vanzelfsprekend, en daarnaast toch de productiviteit van het onderwijs aan pakken, in het bijzonder door een betere organisatie ervan. Ritzen heeft beide gedaan. Na de ramp van Deetman eerder in de jaren tachtig (diens prestatie: de na-hosser) lag een directe salarisverlaging niet meer voor de hand. Maar het tegengaan van salarisstijgingen – en dus het vergroten van de afstand tot de ‘markt’ – is dan nog steeds mogelijk. In de periode Ritzen zijn de leraren en onderwijzers niet rijker geworden.

Basisvorming, tweede fase en vmbo (en voor de universiteiten: de afschaffing van de WUB en de invoering van de MUB) zijn producten van de periode Ritzen. Hebben die de productiviteit in het onderwijs verbeterd? Nee. Waarom niet? Ritzen zegt dat ten tijde van de invoering van deze vernieuwingen er een breed draagvlak voor was onder ‘onderwijsveld, werkgevers en werknemers’ (Trouw, 21 november). Na de berichten over de zachte dwang van mevrouw Netelenbos om het veld mee te krijgen in het accepteren van het vmbo is dat misschien toch wat minder waar dan Ritzen denkt. En wie zijn draagvlakstelling toepast op de tweede fase moet – om de ex-minister te citeren – ‘wel van ver komen’ om die serieus te nemen. Het ‘draagvlak’ van de ex-minister is niets anders dan een flauwe poging de verantwoordelijkheid kwijt te raken.

Blijven de salarissen. Bij weinig productiviteitsverhoging is er weinig ruimte voor een beter salaris. Die regel heeft Ritzen volledig toegepast. Met als voorspelbaar gevolg dat de belangstelling voor het lerarenberoep is gedaald en er tekorten ontstaan. Het onderwijs is een pracht illustratie van de in de jaren tachtig – onder Lubbers – ingezette kaalslag in de publieke sector. Reorganiseren en bezuinigen – dat was het motto. Alles kon beter en de winsten daarvan werden al vooraf ingeboekt en opgehaald door de overheid. Dat heette een efficiencykorting. Ritzen is er nog niet achter dat reorganisaties niet met ‘efficiency’ beginnen maar er als het goed is in uitmonden. De basis van de reorganisaties gedurende zijn ministersperiode deugde voor geen cent. 

Ritzen noemt de schraalhanspolitiek – die hijzelf tien jaar met volle overtuiging heeft bedreven – nu een ‘sluipende onderfinanciering’. Sluipend? Integendeel: bedoeld, door hem groot ingezet en het ticket waarmee hij destijds minister kon worden. Niks sluipend. Zijn oplossing nu: laat de reorganisaties voor wat ze zijn (alles sal reg kom) en doe er wat geld bij, liefst nog iets meer dan Rinnooy Kan aanbeveelt. Jammer dat hij daar twintig jaar geleden niet mee gekomen is. Dat had de nodige ellende gescheeld. En dan had hij nu niet de volstrekt onwaarachtige sluiproute van de ‘sluipende onderfinanciering’ hoeven bedenken. In één stukje op de opiniepagina van Trouw heeft Ritzen bewezen waarom het met zijn ministerschap nooit wat kon worden. Wij weten het. Hij niet. Ritzen kan niet leren.

25 november

=0=

 

Moe

Gisteren presenteerde ik een OSA rapport over de positie van doven en zwaar slechthorenden op de arbeidsmarkt. De gelegenheid was een conferentie van het Platform Auditieve Beperkingen en Werk (PAW). Na mijn praatje mocht ik het rapport aanbieden aan het CDA Tweede Kamerlid J. Biskop.

Er waren meer praatjes, onder meer door een vertegenwoordiger van de werkgeversvereniging Metaalunie, van de vakbonden (CNV) en van de re-integratiebureaus (Bureau Arbeid). En er waren drie ‘ervaringsverhalen’ (van een plotsdove, een slechthorende en een dove). Dat waren de krenten in de pap, hoewel ook het verhaal van de Metaalunie bijzonder interessant was – en velen in de zaal aansprak.  Alle verhalen werden ondersteund door een drietal tolken, en door een scherm waarop razendsnel de inhoud van de verhalen werd ingetikt.

Auditief beperkte mensen hebben geen communicatieproblemen – althans niet groter dan we ze onder horenden aantreffen. Het probleem zit in de relatie met de horenden. Auditief beperkten zijn een minderheid en dat merken ze. Bij minderheden wordt (werd) nog wel eens gedacht dat hun achterstand niet aan hun kenmerken te wijten was maar aan de relatie met de meerderheid. Bij auditief beperkten zijn we niet zover. We denken eerder aan een ziekte, een gebrek, dan aan hun relatie met ons en onze relatie met hen. Hun arbeidsmarktpositie is slecht en de mensen die wel een baan hebben zitten verhoudingsgewijs vaker in lagere functies. Er is ook meer uitval, blijkend uit een hoog percentage arbeidsongeschikten. Een baan krijgen is al moeilijk, een baan houden zo mogelijk nog moeilijker. In een arbeidswereld die meer en meer op communicatie wordt afgesteld is hun positie niet goed. Bovendien: we weten er niet veel van. En onbekend blijft onbekend. De conferentie wou daar wat aan doen.

Dat lukte ook. Op een gegeven moment werd voorgesteld om een convenant met alle betrokkenen af te sluiten. De spreekster namens het CNV wou daar niet tegen zijn maar meldde wel dat er, ook in haar organisatie, een zekere ‘convenantenmoeheid’ aan het groeien was. Ze vroeg zich af een convenant wel het aangewezen mechaniekje was om tot verbeteringen te leiden. Het antwoord van de spreker namens de Metaalunie was onmiddellijk. Hij kwam met de toezegging van enkele honderden arbeidsplaatsen in de metaal, die dan in goed overleg met de betrokken partijen zouden worden ingevuld. Een mooi plan, waar door de zaal enthousiast op werd gereageerd. Conferenties hebben hun nut.

Maakt dat een convenant overbodig? Dat er ‘convenantenmoeheid’ is verbaast niet. Het convenant wordt het vuilnisvat van de Nederlandse overlegcultuur en dus is er alleszins reden om eens stil te blijven staan en na te gaan wanneer een convenant zin heeft. Wanneer wil je een convenant? Op zich is dat niet zo ingewikkeld. Je wilt een convenant als je merkt dat wetten niet werken en contracten evenmin. Komt vaak voor en zelfs steeds meer want met allerlei verzelfstandigingen, privatiseringen, zelfstandige bestuursorganen, processen van internationalisering zonder effectieve internationale regie enzovoorts is wel helder dat ook de wet z’n beperkingen kent en contracten steeds lastiger opstelbaar zijn – en als ze al worden opgesteld eerder werk voor juristen genereren dan sluitende afspraken.

Dat is één kant van de zaak. Er is ook een tweede. De overheid zoekt een plek in die nieuwe wereld. De wet garandeert die amper, en de oude corporatistische organen zijn beter berekend op het geven van een stem van het bedrijfsleven binnen de politiek dan omgekeerd. In dat gat is het convenant getreden. Het convenant moet zorgen voor de aanwezigheid van de publieke agenda in de agenda van het bedrijfsleven of breder: van de maatschappij. Daar kun je een voorwaarde aan verbinden: sluit geen convenant af tenzij dat gericht wordt op het promoten van de publieke agenda in de maatschappij. In ons geval, gisteren, is die publieke agenda er helemaal niet. Uiteraard, er is de publieke dwang om ‘participatie’ te bevorderen en zo nodig door te zetten maar in die globale doelstelling staan de auditief beperkten wel heel opvallend achteraan in de rij. Het voorstel van de Metaalunie was prachtig, en de Metaalunie geeft daar direct mee te kennen dat zij er in elk geval van doordrongen zijn dat de schaarste op de arbeidsmarkt zich niet vanzelf zal oplossen. De overheid werd in dat voorstel niet eens genoemd. Maar het mag de overheid niet ontslaan van de plicht om zich eens wat beter op de hoogte te stellen van wat participatie van auditief beperkten met zich meebrengt in hun arbeidswereld en hun leefwereld. De kennis daarover is er niet en is meer dan nodig. Daar heb je de hulp van veel betrokkenen bij nodig. Indien de overheid die plicht nu eindelijk eens serieus gaat nemen – het tot een serieus te nemen deel van de publieke agenda maakt – weet hij nog altijd niet waar het op uit moet komen: welke doelstellingen reëel zijn, welke middelen daarvoor nodig zijn, hoe baten en lasten verdeeld moeten worden. Maar als de overheid dat wil weten: dan is de tijd voor een convenant gekomen. We worden moe van convenanten die, als waren het commissies, niet meer zijn dan manoeuvres tot uitstel dan wel het doorschuiven van verantwoordelijkheden. Daar zijn er ongetwijfeld al heel veel van. Dat is spijtig. Breng het convenant terug tot waar het aanvankelijk voor werd opgetuigd, het een plek geven van de publieke agenda. Met als consequentie dat die agenda dan wel op orde moet zijn. Pas als dat het geval is kun je ook wat agenderen en de betrokkenen bij elkaar roepen. Het eerste werk dat moet worden gedaan ligt bij de overheid. Moeheid is het probleem niet; slaperigheid wel.

24 november

=0=

 

Niks mis mee

Omdat ik gisteren heel erg vroeg in Brussel most zijn en de treinen dan weinig meewerken,  ging ik met de auto. Geen goed idee, meer files dan Eurlings kan weglachen. In plaats van om half tien was ik om elf uur in Brussel. Gelukkig dat mijn gesprekspartner daar alsnog de tijd had kunnen vinden om mij de inlichtingen te verstrekken waar ik naar op zoek was.

Opvallend was dat al om zes uur ‘s ochtends de Nederlandse wegen compleet met vrachtverkeer zijn volgestopt. Dat was nog slechts enkele jaren geleden minder opzichtig het geval. De groei van het verkeersinfarct zit in het vrachtverkeer? Wordt vast bijgehouden, dit soort dingen. Zouden er, gesteld dat dit soort verkeer inderdaad steeds vroeger voor files zorgt, ook conclusies aan worden verbonden?

Op de terugweg naar Amsterdam hoorde ik Paul Depla, wethouder in Nijmegen, op de radio. Hij vertelde enthousiast over een nieuw financieringsstelsel voor schoolgebouwen en het onderhoud daarvan. Het was een plan om alle overige plannen overbodig te maken, zo klonk het. Een interessant aspect was dat het ervoor zou zorgen dat de schoolbesturen zelf konden beslissen over renovatie, nieuwbouw en onderhoud. Dat kon voorheen niet, begreep ik. Toen werd er pas geld voor verbouwing verstrekt als een school uit z’n voegen dreigde te barsten en dus ten onder te gaan aan z’n eigen succes. Minder populaire scholen visten altijd naast het net want die hadden te weinig leerlingen. Hun jas was misschien wel vies en kapot, maar niet te klein. En dus was er geen geld om de jas op te lappen en zo langs die weg iets te doen aan een betere school. Aan dat onvermogen zou dit plan een einde aan maken. De besturen kunnen met het nieuwe financieringsstelsel ook en zelfs voor het eerst minder populaire scholen extra in het zonnetje zetten met een mooi schoolgebouw – en zo aan de aantrekkelijkheid van die scholen een positieve draai geven.

Dat kunnen ze dus. Zullen ze het ook doen? Depla was ervan overtuigd dat als ze het kunnen ze het ook zullen. Maar waarom? Met de schoolbesturen is geen contract afgesloten om dit te realiseren. In plaats daarvan is een convenant opgesteld en ondertekend. Dat doet recht aan de gegroeide autonomie van de schoolbesturen, maar is juist daardoor geen garantie dat de gelden zullen worden besteed op de wijze waarvan Depla droomt. De strijd daarover moet nog beginnen en de gemeente kan onder zo’n formule misschien nog wel afremmen maar niet meer sturen. Wat je uit handen hebt gegeven heb je niet langer in de hand. De interviewer vroeg er niet naar en Depla zei er niks over. Omdat vragen naar de bekende weg alleen maar het feestje zou verstoren?

De scholen in Nederland hebben, zegt men, de afgelopen tijd meer autonomie gekregen. Dat is niet juist. De schoolbesturen hebben meer autonomie gekregen, de schoollocaties niet. Die moeten maar afwachten. Of Depla’s verwachting uitkomt hangt af van de zeggenschapsverhoudingen tussen scholen en schoolbesturen. Ik heb niet de indruk dat die in het voordeel van de scholen zijn veranderd. Wat er moet gebeuren: dat weten de scholen. Wat er zal gebeuren is niet aan hen. Dat is aan de besturen. En besturen hebben tot taak om de positie van het totaal van de onder hen vallende scholen te versterken. Tenzij ik me vergis heeft dat zelden tot resultaat gehad dat zwakkere eenheden voorrang krijgen. Zou de gewone bestuurlijke regel – versterk wat sterk is, en kijk pas daarna of het nog de moeite loont verder te gaan met wat zwak is – in het Nijmegen van Depla zijn afgeschaft? Per convenant? In dat geval zijn de wonderen nog de wereld niet uit. Niks mis mee, zo’n geloof in het goede. Er kan altijd weer onderzoek naar gedaan worden als het niet uit mocht komen. 

21 november

 

 

Zwanenzang

Wiegel is een slecht verliezer. Tijdens het laatste congres – ter gelegenheid waarvan het fractiebesluit Verdonk uit de fractie te verwijderen door het congres werd bekrachtigd – leed hij een nederlaag. Hij had dat niet gewild; de fractie had gedwongen moeten worden op zijn schreden terug te keren en had Verdonk weer in de armen moeten sluiten. Hij kreeg er minder handen voor op elkaar dan Bolkestein die de fractie steunde. Oud zeer revisited.

En nu laat Wiegel weten (De Pers van vanochtend) dat het tijd is voor een nieuwe liberale beweging. Daarin zou plaats moeten zijn voor VVD, D66 en ook voor Verdonk en Wilders. Een beweging, wat schattig. En hoe komt zo’n beweging in beweging? Daar is Wiegel nog niet helemaal uit. Hij verwacht weinig van de zittende VVD bestuurders en vertegenwoordigers, maar des te meer van de ‘echte’ achterban. Een beweging, de echte achterban, tegen de bonzen: hoorden we dat niet al eerder van Verdonk? Heeft Wiegel dan nooit eens een eigen idee?

Dat heeft hij inderdaad niet en nooit. ‘Een partijtje libre’ heette lang geleden zijn pamflet, een reactie op het ‘tien over rood’ van Nieuw Links in de PvdA. Een reactie en geen nieuws. Steken onder water, veel zelfvertrouwen en ook toen al een gave voor de oneliner. Dat was het wel. En nu zijn we nog niets opgeschoten. Dat is zuur, en zeker voor iemand die niet tegen z’n verlies kan en z’n gram wil halen.

Meer dan gram is deze ‘beweging’ niet. Het zal ook niks worden, tenzij Verdonk erin slaagt de VVD leeg te laten lopen. Heeft ze daar de hulp van Wiegel bij nodig? Ach, alle beetjes helpen maar ik denk dat Verdonk niet te dicht in de buurt van Wiegel zal willen komen. Zij is de kapitein en zij bepaalt de koers. Welke dat is weet ze niet, wel dat zij hem zal bepalen. Dicht bij de kiezer ongetwijfeld want daar heb je bewegingen voor en daarom zijn die zoveel aantrekkelijker dan partijen.

Er is maar één kapitein. Desnoods mag Wiegel het ‘zie ginds komt’ inzetten maar dan moet het ook afgelopen zijn. Wiegel is aan z’n zwanenzang begonnen.

22 november

=0=

 

Secretaresse

In een interview met De Pers liet Hirsi Ali gisteren aantekenen dat ze naarstig op zoek was naar een goede secretaresse en dat zij, gelet op het falen van Balkenende als premier, Jan Peter wel in die rol zag. Grappig, als je even nadenkt over de afwaardering van het beroep van secretaresse dat in de mededeling van Hirsi Ali doorklinkt. Als een slechte premier altijd nog goed genoeg is voor secretaresse, wie wordt er dan eigenlijk beledigd?

Op de vraag waarom ze zo boos is op Nederland en niet op de VS – want dat land noch haar werkgever willen voor de kosten van haar beveiliging opdraaien – antwoordt ze dat ze van mening is dat de VS ook bedreigde privé personen zou moeten beveiligen. Ter verontschuldiging van de VS voert ze aan dat je in dat land weer wel een pistool kunt aanschaffen. Om je te verweren. Als het ware.

Zou die secretaresse van haar ook gewapend moeten rondlopen? Ik denk het. Niet voor zichzelf natuurlijk maar voor de bescherming van de werkgever. Alle bescherming helpt. Hoe zou Jan Peter er uitzien met een pistool?

Hirsi Ali mist karakter bij de Nederlandse politici. Ze hebben haar allemaal in de kou laten staan. Dat hebben ze, in het bijzonder de VVD. Of beter: de VVD heeft haar eerst alles toegestaan waar ze zin in had en nu heeft die partij er een beetje genoeg van. En van haar. De aanval op Balkenende is daarom ook een beetje flauw. Dat haar beveiliging, eenmaal buiten Nederland, een eindige affaire was wist ook zij al vorig jaar, bij monde van een kabinet met menig VVD-minister. Hebben die de afspraken niet goed overgedragen aan het volgende kabinet en zijn die afspraken daarom bij de overgang van kabinet Balkenende X  naar kabinet Balkenende Y helemaal onderop een stapeltje gekomen?

Overdragen, overgaan. Van die woorden hangt voor haar alles af. Het kabinet X had het nog over een ‘overgang’ en niet, zoals kabinet Y, over een ‘overdracht’. Zij vindt dat daar een wezenlijk verschil tussen zit en ze vindt het flauw dat het kabinet nu net doet alsof het om hetzelfde gaat. Wonderlijk, haar woordverbazing. Een snelle blik in de Van Dale leert dat overdragen en overgaan zo dicht bij elkaar liggen dat ze best als één en hetzelfde kunnen worden gezien. Overdrachtelijk dan. Als het ware.

Nee, als er in de overgang van de overdracht iets is misgegaan kan Hirsi Ali beter de toenmalige VVD-ministers kapittelen. Misschien had Jan Peter inderdaad wat beter moeten regisseren. Een beetje secretaresse had wonderen kunnen verrichten. Maar ik heb dan ook eerbied voor de secretaresse.

20 november

=0=

 

Op het randje

Een vervolging op het randje. Zo luidde het opschrift van het hoofdredactionele commentaar van NRC H van afgelopen zaterdag. Het ging over de strafvervolging tegen de gezinsvoogd van Savanna en de vrijspraak die werd uitgesproken. Het OM beraadt zich over hoger beroep. Het commentaar van de krant is voorzichtig afgewogen. Gewaarschuwd wordt te veel redeneren vanuit het resultaat: ‘De kennis van de dramatische afloop maakt van ieder handelen of nalaten achteraf een onvermijdelijkheid’. Zo is het maar net.

De krant schrijft ook: ‘Bij geen enkel beroep hoort in beginsel immuniteit’. Dat is nog maar de vraag. Het beroep van politicus maakt knap immuun, ook als de maatschappelijke en persoonlijke gevolgen van politiek ‘handelen of nalaten’ ernstig zijn, tot en met de dood. De Schipholbrand ligt nog vers in het geheugen, net als de rampen in Enschede en Volendam. Immuniteit is een positioneel goed en over de bijbehorende ‘kloof’ tussen politiek en samenleving wordt weinig gediscussieerd.

Volgens de rechtbank (ik volg nog steeds het hoofdredactioneel) heeft een gezinsvoogd een juridische monopoliepositie. Dat heeft de krant slordig gezegd. De rechtbank zelf zegt dat, in vergelijking met andere hulpverleners, de gezinsvoogd ‘in zekere zin’ een monopoliepositie heeft. Dat is een stuk exacter. Denk bijvoorbeeld aan de initiatiefrol die de voogd heeft bij het voorstel om een onder toezichtplaatsing te verlengen (maar ook de ouders kunnen dat vragen, evenals de Raad voor de Kinderbescherming én het OM). Tegelijk zit daar ook de beperking van de voogd want die heeft de opdracht om de band tussen ouders en kinderen te bevorderen (de gezinsvoogd is gehouden uithuisplaatsing zoveel mogelijk te voorkomen) en deelt het gezag met de ouders. Dat is wel wat anders dan een ‘monopolie’. We kunnen ons best afvragen waarom onze gezinsvoogd niet is overgegaan tot het plaatsen van Savanna in een medisch kinderdagverblijf. Maar dan wel tegen de achtergrond van gedeeld gezag, bevordering van het contact met de ouders, en de situatie van het kind. Het zou geholpen hebben als de rechtbank aan deze situatie een kritische opmerking zou hebben gewijd. Had ook in het hoofdredactioneel niet misstaan. Want de gezinsvoogd, en de Jeugdzorg, hebben verantwoordelijkheden voor kind, voor ouders en voor de relatie tussen kind en ouders. Dat is allemaal best zolang de ouders minimaal meewerken en in elk geval niet liegen. Dat valt niet af te dwingen en de gezinsvoogd van Savanna heeft de leugens van de moeder niet kunnen doorprikken. Dat is ook niet zo makkelijk, zeker niet als je op z’n best eens in de paar weken tijd hebt om even langs te gaan. Zou het helpen als onder toezichtstelling automatisch plaatsing in een medisch kinderdagverblijf (of een vergelijke voorziening) zou inhouden? Dan kunnen de gezinsvoogd en jeugdzorg werken aan de relatie tussen ouders en kinderen, zonder dat hun relatie met het gezin extra wordt belast door de vragen (het beoordelen van de gezondheidssituatie van het kind) die nu op het conto van de gezinsvoogd werden bijgeschreven. Het eerste antwoord op die vragen hoort op het bord van de verantwoordelijke wetgever. Desnoods op het randje.

19 november

=0=

 

Erg, erger, ergst

De Duitsers waren erg, de Polen nog erger en de Oekraïners waren het ergst. Zei de grootvader van Daniel Mendelsohn, de schrijver van Verloren; op zoek naar zes van de zes miljoen, dat sinds kort in het Nederlands is vertaald. De schrijver zit er een beetje mee. Hij heeft in zijn zoektocht naar sporen van, herinneringen aan en verhalen over zes door de nazi’s en/of Polen en/of Oekraïners vermoorde mensen (een broer van zijn grootvader, diens vrouw en hun vier dochters), de halve wereld afgereisd, beginnend in het plaatsje Bolechow waar eeuwenlang Joden, Polen en Oekraïners naast elkaar woonden. In Bolechow is hij met diverse Oekraïners in contact gekomen, vriendelijke en behulpzame mensen die hun best deden om de honger naar informatie van Mendelsohn te stillen. Er zijn daarnaast de verhalen over de huiveringwekkende wreedheden waar de Joden van Bolechow aan hebben blootgestaan, met de Oekraïners in een hoofdrol. En verhalen over hulp, ook van Polen, ook van Oekraïners zodat uiteindelijk 48 van de meer dan 6000 Joden uit Bolechow de massamoord overleefden.

Mendelsohn aarzelt, niet alleen vanwege het feit dat naast de overheersende bestialiteit ook daden van compassie hebben bestaan, daden waar enorme persoonlijke risico’s aan vast zaten. Hij aarzelt ook omdat het hem te ver gaat om hele bevolkingen als wreed of bestiaal te karakteriseren, dan wel als gastvrij of behulpzaam. Hij aarzelt om kwalificaties die hij voor mensen in petto wil houden aan bevolkingen toe te schrijven. Dat siert hem. Maar het vraagstuk is daarmee niet opgelost en daar zit hij mee. Het vraagstuk is de keuzes te achterhalen die mensen maken en daarbij de omstandigheden en geschiedenissen die de keuzes omkaderen niet te vergeten. Mensen dus en niet bevolkingen, en inclusief de verontrustende gedachte dat alle mensen in alle bevolkingen onder omstandigheden tot onvoorstelbare gruwelen in staat zijn. Gegeven de bekende geschiedenissen (over veroveringsoorlogen, godsdienstoorlogen, kolonialisme, imperialisme, totalitarisme) gaat het zelfs wel om meer dan alleen het neutrale ‘in staat zijn’. Die latentie heeft zich al talloze malen geactualiseerd. Tot op de dag van vandaag en niet alleen bij hen die onze tegenstanders zijn. Mendelsohn noteert een parallel tussen de vernedering van de Joden in Bolechow en de vernedering van Irakezen in Abu Ghraib.

Er is nog een derde reden voor Mendelsohn’s aarzeling. Hij is geïnteresseerd in zijn zes familieleden omdat hij hun leven wil reconstrueren, niet alleen hun dood en de omstandigheden waaronder ze vermoord zijn. En hun leven, dat gaat over de gewone dagelijkse dingen waardoor het leven leuk of minder leuk is, leefbaar of minder leefbaar, opwindend of saai. Details dus en hij wil het juist over hen weten omdat zijn grootvader veel vertelde over het oude land en over de familieleden die daar woonden, behalve over die ene broer en diens familie. Mendelsohn beseft steeds dat hij ook op zoek is naar de redenen voor die zwijgzaamheid. Wij kunnen met hem speculeren maar we komen er niet uit. Er zijn verhalen, gaten in verhalen, verhalen over die gaten in de verhalen, verhalen over de verhalen, elkaar tegensprekende, aanvullende, in twijfel trekkende verhalen. Er zijn gevoelens van schuld, van schaamte, van saamhorigheid en verdeeldheid. Er zijn veroordelingen en oordelen, over mensen en over hele bevolkingen. Zoals de Oekraïners. Maar veel is weg en niet meer te achterhalen. Dat betreft dan met name het leven zelf, niet met een hoofdletter maar met de namen van de mensen wier leven het was, en de details waaruit datzelfde leven is opgebouwd. Dat is de fundamentele aarzeling. Dingen gaan verloren en al sprekend kunnen we de omvang van dat verlies een beetje pogen te markeren en – wie weet – soms iets te weten te komen wat we nog niet wisten. En als dat het geval is weten we nog niet wat het zegt over het gebeurde en wat over de verteller en over de verteller waar de verteller het vandaan had.

Gisteravond zag ik een stukje van de Zweedse detectiveserie Wallander. Ik vertelde Elly dat de vrouwelijke hoofdrolspeelster in die serie inmiddels zelfmoord had gepleegd. Had ik ergens gelezen en wij vonden dat die vrouw in haar spel ook iets sombers, iets omfloerst, had. Vanochtend bedacht ik me dat ik dat verhaal over die zelfmoord al eens enkele maanden geleden had gelezen, toen de Wallanderserie ook op tv was geweest. Of toch niet? En vond ik het spel van de actrice somber omdat ik dat zag of omdat ik keek met de wetenschap – hoe weinig bewust ook – van haar dood? Ik weet het niet meer. Als ik dit al niet weet – en hoe kan ik daar iets over te weten komen behalve dat ik me best kan vergissen en al lang niet meer in  staat ben te reconstrueren wat het eerst kwam en wat daarna –, wat zou ik dan te vertellen hebben als ik ooit ondergedompeld was geweest in de verschrikkingen van Mendelsohn’s zegslieden? Ik aarzel al bij de gedachte. Laat staan bij het verhaal. Laat staan bij de accuratesse van het verhaal. Mendelsohn kan zich dergelijke aarzelingen permitteren en ik al helemaal. Zijn helden daarentegen hebben, om het voor hen nog een beetje hanteerbaar te houden, de grotere oordelen nodig. Erg, erger, ergst.

18 november

=0=

 

PT2

Elly geeft les in NT2, Nederlands als tweede taal. Dat is een veld dat de laatste jaren behoorlijk door Verdonk overhoop is gehaald, waarvoor geen dank. Elly vertelt me zojuist dat minister Vogelaar nu overweegt om de speciale certificaten, waarin ‘inburgering’ een steeds groter aandeel opeisten, van die opleidingen te laten vervangen door reguliere certificaten. Niet alle verandering is slecht. Er is wat te winnen bij het diploma ‘gewoon’ te maken, dus te standaardiseren, en de route waarlangs je een diploma kunt verkrijgen te de-standaardiseren. Dat zou pas recht doen aan de verschillen in startpositie en het zou recht doen aan het simpele feit dat een diploma als elk ander minder vragen oproept dan een diploma dat nog een keer onderstreept dat je eigenlijk toch wat anders bent.

Een politicus zou eigenlijk verplicht moeten zijn om ook twee talen te spreken. Een ideologische – het gedachtegoed uitdrukkend van de eigen stroming – en de taal van de politiek die aan geen enkele stroming toebehoort. De meeste partijen spreken ook twee talen, maar een enkeling onder hen heeft daar moeite mee en een aantal is slechts eentalig. Ik denk aan de SGP, Wilders en Verdonk, terwijl de VVD zo druk is met de talen van Wilders en Verdonk dat het de eigen taal niet meer beheerst en ook in de taal van de politiek een steeds wonderlijker eigen dialect aan het ontwikkelen is. Partijen van de Gesinnungsethik kortom. Die partijen spreken niet of steeds minder de taal van de politiek. Ze noemen dat ‘dicht bij’ de samenleving staan, of in elk geval dat gedeelte van de samenleving dat ze willen vrijwaren van de smetten van de omgeving. Ook samenleving, maar ongewenst.

De CU is een tussengeval. Niet Rouvoet, die heeft al diverse keren aangegeven dat hij ‘christenpolitiek’ bedrijft en daar geen ‘politiek christendom’ mee bedoelt. Rouvoet is van de Verantwortungsethik en die is per definitie meertalig. Maar zoals Aantjes al ten tijde van de kabinetsformatie waarschuwde: Rouvoet heeft minder te duchten van zijn coalitiegenoten dan van z’n eigen partij of ‘achterban’. Die zijn nog lang niet en nog lang niet allemaal tweetalig. Je zou kunnen zeggen dat zo lang types als Meindert Leerling een rol in die partij spelen het gevecht om de tweetaligheid nog niet gestreden is. Daar heeft de CU renegaten als een mevrouw uit de Bijlmer helemaal niet voor nodig. Dat zijn hooguit de mensen die de lont in het kruitvat gooien. Het kruit zelf was al lang en is nog steeds droog, anders is de commotie over ‘homoseksuelen’ niet goed verklaarbaar.

Vandaag congresseert de CU. De vraag naar de toelaatbaarheid van een partijfunctie voor een ‘actieve’ homoseksueel beheerste het congres al vooraf. De radio berichtte dat Rouvoet via een interview met de bladen van de GPD al een voorschot op de discussie heeft genomen. Dat is tactisch ongetwijfeld handig maar het roept wel de vraag op of het spelen via de media – ook het Bijlmerfenomeen heeft haar bezorgdheid voornamelijk met behulp van gretige media naar buiten gebracht – geen tegenkrachten oproept. Met de media spreek je niet de taal van de politiek (dat is maar lastig en die taal leent zich slecht voor oneliners, sleetse uitspraken over ‘compromissen’ daargelaten). Met de media spreek je altijd in de taal van je ideologie, de taal van je ‘achterban’, van jouw volk. Dat is voor eentaligen een voordeel, voor tweetaligen – waaronder ik Rouvoet reken – niet, want zijn inzet is ook vandaag het recht van de christenpolitiek en niet nut en noodzaak van een politiek christendom. Leg dat maar eens uit. Ik wens ‘m veel succes. 

17 november

=0=

 

Complot?

De Groene van deze week is weer eens heel bijzonder. Knappe artikelen over en naar aanleiding van Uruzgan en de crisis in Pakistan en een drietal bijdragen met als meer of minder uitdrukkelijk thema de verzorgingsstaat. Ik heb het over het commentaar van het blad (‘Kamp en de migrant’), een lang stuk met de titel ‘Opstand der schoonmakers’, en een column met het opschrift ‘Complot?’.

Kamp wil de migratie beteugelen en alleen nog kennismigranten toelaten. De moeilijkheid is, zo schrijft Aukje van Roessel in het Commentaar, dat dergelijke kennismigranten landen met lage belastingtarieven opzoeken en dat het in stand houden van een knappe verzorgingsstaat niet lukt met lage belastingtarieven. Een probleem kortom, waar Kamp – en niet alleen hij – aan voorbij is gegaan. Als je migranten wil die wel bijdragen maar niet claimen dan kun je maar één ding doen, namelijk migranten selecteren die geen alternatieven hebben en die je na gedane arbeid weer de grens over zet. Dat was het model waar destijds met name de Zwitsers bekend om waren. Echter: hoogopgeleide migranten passen niet in dat model. Want die hebben alternatieven. En wie weg kan en tegelijk voor het bedrijfsleven aantrekkelijk is  moet je niet belasten. Die moet je paaien. Eventueel op kosten van de verzorgingsstaat. Wordt vervolgd zullen we maar zeggen, met vervolgd in diverse betekenissen.

Als Kamp er in zou slagen om laagopgeleide migranten te weren, wie moet dan de rotzooi opruimen op, pak’m beet, Schiphol? Rekruteren uit de kaartenbakken van de bijstand? Die krijgen het nog druk op die manier en de vraag is of het zware en intensieve werk dat Schiphol voor laagopgeleiden in petto heeft doenlijk is voor bijstandstrekkers. Althans, zolang we er van uit mogen gaan dat mensen niet helemaal toevallig in de bijstand terecht zijn gekomen. Voorlopig is het nog niet zo ver overigens maar wie weet. Vandaag de dag wordt dat werk in belangrijke mate ook gedaan door, daar zijn ze weer, laagopgeleide migranten. Gelukkig is dat reservoir nog lang niet leeg, zeker niet na de recente uitbreiding van de EU met in totaal twaalf landen. Daar hebben we Turkije als nieuw EU-lid nog helemaal niet voor nodig. Bovendien, er werken al Turken op Schiphol, evenals Marokkanen, Antillianen, Ghanezen, Hongaren en Indiërs. Schrijft Koen Haegens in zijn artikel over de ‘Opstand der Schoonmakers’. Vroeger was je als je op Schiphol, of voor mijn part voor Philips, Hoogovens of de Universiteit werkte, ook werknemer van Schiphol, Philips enzovoorts. Daar is men sinds de jaren zeventig van af gestapt. Net als in de financiële wereld van vandaag waar elke transactie in vele tientallen kleinere transacties wordt ‘geëxplodeerd’ (die elk een grotere markt beloven dan die waarop de oorspronkelijke transactie als geheel zich kon beroepen), is er een markt ontstaan voor bedrijven die voor elk voorbijkomend klusje een apart contract afsluiten met een aparte onderneming, die daar vervolgens de werknemers bij zoekt. De opdrachtgever gunt een contract nu eens aan die en dan weer aan die. Dat is voor de meeste betrokkenen voordelig. Voor de opdrachtgever scheelt het, want die snijdt bij elk nieuw contract in de toegestane prijzen – vaak met een gelijktijdige verhoging van de normen. Meer werk in minder tijd en tegen een lagere prijs. Vaak houdt dat in dat het contract naar een nieuw bedrijf gaat. Dat neemt dan gewoon de werknemers van het vorige bedrijf over, jaagt ze wat meer op  en betaalt ze wat minder uit. Op die manier hoeft geen enkel bedrijf de betrokken werknemers ooit in vaste dienst te nemen – de Wet Flex en Zeker is er op niet op berekend en dat zal de populariteit van dit type contracteren zeer hebben bevorderd. Hoort allemaal bij de zegeningen der concurrentie en vergroot de flexibiliteit. En voordelig, behalve voor de werknemers. Die bouwen niks op want daarvoor heb je een werkgever nodig die niet per contract een andere blijkt te zijn. Hier werken de mensen die wel bijdragen aan de verzorgingsstaat maar geen claims kunnen leggen op diezelfde verzorgingsstaat. Als waren het de oude vertrouwde gastarbeiders. Voor hen zit er maar één ding op: zich organiseren en fors tegengas geven. Ze hebben geluk zou je zeggen want is er tegenwoordig niet een vakbond, zelfs een alternatief ervoor, dat zich speciaal richt op de belangen van flexwerkers? Hoe actief is het AVV op Schiphol?

Daar bericht Haegens niet over. Wel over FNV Bondgenoten die daar actief aan het organiseren is geslagen. De gedachte is geweest dat  als je wilt organiseren dat je dan de mensen daar moet zoeken waar ze werken, zodat je hun problemen als richtsnoer kunt nemen voor acties, eisen, en verdere organisatie. Simpel zat, al laat het de werving via een website even voor wat het is. Geen wonder dat het AVV dit aan zich voorbij laat gaan. Het AVV doet niet aan laagopgeleiden, en is niet geïnteresseerd in het confronteren van werkgevers met werknemerseisen. Het werkt met het web, en met gratis publiciteit. Het AVV zoekt steun, bedelt, bij werkgevers (‘Meneer Wientjes, wij staan aan dezelfde kant als u hoor, bij dat ontslagrecht. Dus wanneer neemt u ons nu een serieus?’) en voert oorlog met andere werknemers. Welke oorlog ook weer? De generatie-oorlog. Of eigenlijk: het aan de kaak stellen van het complot der volgevreten en welgedane grijsaards die de politiek in een ijzeren greep houden met de bonden als handlangers.

Complot?, vraagt Bas Jacobs zich in zijn column af. Een direct antwoord krijgen we niet maar als we alle voordeeltjes die de ouderen recent weer hebben toegeschoven gekregen – uiteraard op kosten van de jongeren, alsof de duivel ermee speelt! – bij elkaar optellen dan vraag je je af of dat allemaal nog toeval is. Jacobs bedoelt maar. Bovendien, hij noteert (zich baserend op een klaaglijk interview van de huidige voorzitter van het AVV in Vrij Nederland van 3 november) dat de bestaande bonden het AVV treiteren en uitsluiten. Ook hun vakbondswerk wordt, nog steeds Jacobs, ‘stelselmatig’ gefrustreerd door alle belanghebbenden van de polder (hoewel, toegegeven, Jacobs hier VNO-NCW niet noemt alsof die club vreemd is aan de polder. Maar goed, ik moet niet op alle slakken zout leggen want anders ga ik nog in een complot geloven).

Op de site van AVV kun je lezen dat de club net twee jaar oud is en dat je de eerste twee jaar niet erkend kunt worden als een overlegpartner die overeenkomsten kan afsluiten namens de werknemers die hij vertegenwoordigt. Je vraagt je af waarom de bestaande bonden dan ook nog moesten treiteren en uitsluiten. Niet helemaal waar misschien? Zou het helpen als VN, en Jacobs, niet alles klakkeloos overnemen wat een voorzitter van het AVV wenst te debiteren? Dat doen ze wel; sterker nog het AVV bestaat bij de gratie van dit soort publiciteit. Zo organiseren ze. En dat niet om tegen werkgevers op te treden, zoals misschien toch wel handig zou zijn op Schiphol. Dat moeten de vergrijsde traditionele bonden maar doen (of misschien hun jeugdafdelingen die vele malen meer leden hebben dan het AVV voor jongeren?). Mijn stelling: AVV en Jacobs zijn al helemaal niet geïnteresseerd in de positie van jongere werknemers als ze laagopgeleid zijn en aangewezen op de arbeidsmarkt van Schiphol en aanverwante constructen. Het zal ze worst wezen. Hen interesseert slechts de positie van de hoogopgeleiden die, gelijk hebben ze, eerder en verhoudingsgewijs meer zijn aan te treffen onder jongere cohorten dan onder oudere. Goed voor hen zou je zeggen, het biedt kansen en zekerheden die anderen niet hebben. Zo redeneren zij niet. Zolang die andere nog enige zekerheden hebben staat dat hen in de weg. Hun strijd is niet voor ‘jong’. Hun strijd is voor hoogopgeleid. De laagopgeleiden moeten nu eindelijk eens leren voor zichzelf te betalen. Het zou niet gek zijn als ze daar gewoon voor zouden uitkomen: wij willen alleen hoogopgeleiden en hun belangen, en rot op met je verzorgingsstaat. Die moed dicht ik hen niet toe. Als Kamp z’n leeftijd met een korrel zout neemt kan hij ze die moed inspreken.

16 november

=0=

       

Nood

De staat heeft het monopolie op legitieme geweldsuitoefening. De staat roept dat monopolie in zodra het land intern of extern wordt bedreigd in z’n eenheid. Rekbaar, die eenheid van het land (net zo rekbaar als de NA in de NAVO), maar nog altijd definiërend. Geen land, dan ook geen staat. Een regering in ballingschap is geen staat, hooguit de herinnering er aan of het uitzicht er op. Land en geweld: dat is het karkas van een staat. Sinds Norbert Elias voegt men daar ook de belastingen aan toe maar die lijken eerder het onderwerp van een concurrentiestrijd geworden te zijn met als uitkomst dat die staat die de belastingen het laagst weet te houden het meest aantrekkelijk is. Dat roept de vraag op hoe definiërend die belastingen nog zijn. Ik ben geneigd om te zeggen dat diegenen in een land die het minst beweeglijk zijn er het meeste last van hebben – en dat zijn tegelijk de minst machtigen. Het lijkt er op dat ook hier het land-criterium (de afhankelijkheid van juist dit stukje grond) beslissender is. Daarom: ik neem het belastingcriterium terug in het criterium van het land. Het is geen zelfstandig maar een afgeleid criterium. Het paait de machtigen, het plaagt de minder machtigen. Macht is óók het vermogen je aan de macht van anderen te kunnen onttrekken.

De staat heeft niet het monopolie op macht en machtsuitoefening. De staatsmacht moet zich kunnen doorzetten, dat weer wel. Maar dat is iets anders. Een staat is geen staat als die staat niet in staat is collectief bindende besluiten te nemen en tot uitvoering te laten brengen. Dat kan de staat zelden alleen want van het aanleggen van wegen en andere infrastructuur, het zorgen voor onderwijs en andere vormen van geestelijke weerbaarheid en identificatie, het in de hand houden van een minimaal acceptabel niveau van gezondheid en gezondheidszorg (al was het maar om besmettelijke ziekten in te dammen), het handhaven van een juridisch apparaat, tot en met het recruteren van ambtenaren voor politie en leger: overal is de staat afhankelijk van de medewerking – hoe zuinig bemeten ook – van niet-statelijke instituties, mensen en organisaties. Deze opsomming van staatsactiviteiten is niet toevallig want hoe klein de overheid ook mag zijn, zelfs in het land van de kampioenen van de kleine overheid, de VS, is dit rijtje altijd voorwerp geweest van overheidsbemoeienis. Linksom of rechtsom. En vandaar dat we het politieke domein niet kunnen beschrijven aan de hand van de code macht/machteloos maar alleen aan de hand van de code meer/minder machtig.

Je kunt dit ook omkeren. Een staat die al deze taken uit handen geeft aan de maatschappij heeft een zwakke machtspositie. Wie onderwijs, welzijn en zorg verkwanselt aan de mullahs is afhankelijker dan goed is voor een staat. Ik heb het over Pakistan en de bedreigingen waar dat land mee wordt geconfronteerd. En als die dreigingen worden omgezet in uitdagingen – door de staat zowel uit te dagen in z’n vermogen de eenheid van het land te bewaren, zoals de Taliban doet, als in z’n vermogen nog enige maatschappelijke steun te kunnen mobiliseren, zoals de politieke oppositie doet – dan is de nood hoog, en het uitroepen van de noodtoestand een eventueel laatste redmiddel. Want wie de noodtoestand uitroept en daarmee het geweldsmonopolie van de staat activeert, staat zwak. Geweld is een zwaktebod omdat het uit is op het breken van de wil van juist die mensen die je nodig hebt om je machtsbasis te bewaren en zo mogelijk uit te bouwen. Macht breekt geen wil, macht neutraliseert een eigen wil door die wil met behulp van beloningen en sancties een bepaalde kant op te richten. Dat is een hemelsbreed verschil. Als de Amerikanen zich zorgen maken over landen met een atoombom is het de hoogste tijd de blik te verleggen van Iran naar het benarde Pakistan. Een kat in nood maakt rare sprongen.

15 november

=0=

 

Toekomst

Vorig jaar zomer heb ik een stukje geschreven met als titel ‘vijftig stellingen, naar aanleiding van de WMO’. Ik moet het stukje altijd nog uitwerken want stellingen zijn stellig en al te stellig is ook niet goed. Ik schreef dat stukje omdat ik er van overtuigd was – en ben – dat de WMO (de wet maatschappelijke ondersteuning) het belangrijkste stuk wetgeving van de verschillende kabinetten Balkenende is geweest en omdat mij in het bijzonder de combinatiemogelijkheden van de WMO met de wet werk en bijstand, de WWB, weinig aanstonden. Die stonden niet in de wet natuurlijk en ook niet in de WWB maar dat er gekoppeld zou worden was niet moeilijk te raden (behalve voor de Tweede Kamer die hier geen belangstelling voor toonde. En voor de betrokken ministeries want de WMO kwam van het ene ministerie en de WWB van een ander en die ministeries werken natuurlijk niet samen. Tot het onmogelijke is niemand gehouden).

Mijn voorspelling was dat de WMO de informele economie rond huis en haard zou gaan bestrijken (dat was makkelijk voorspelbaar want daar is die wet mede voor bedoeld, al wordt het niet zo genoemd) en dat de bijstandstrekkers die elders onplaatsbaar zijn de hulptroepen zouden worden om daar vorm aan te geven. Daarmee zouden twee vliegen in één klap worden geslagen: het terrein van de informele economie wordt kleiner (en de formele economie staat altijd op voet van oorlog met de informele dus dat is mooi meegenomen), en de financiële druk van bijstandstrekkers op de gemeentelijke budgetten zou afnemen.

Vanaf het allereerste begin van de WMO is het gedonder geweest op het terrein van de arbeidsovereenkomsten en de arbeidsverhoudingen. Gemeentelijke aanbestedingen dringen de professionele hulp weg ten gunste van minder professionele. Een gemeentelijke euro kan per slot maar één keer worden uitgegeven. En nu zijn we inderdaad beland bij de bijstandstrekkers. De relatief makkelijk bemiddelbare bijstandstrekkers zijn inmiddels wel afgeroomd; wat nu aan de beurt is gaat over een wat minder eenvoudig bemiddelbaar uitkeringensegment. Dat komt bij de WMO. In de publicatie FNV Lokaal van 6 november staat het volgende: “In een gesprek met de gemeente heeft FNV Lokaal Eindhoven de zorg uitgesproken over het verplicht inzetten van bijstandsgerechtigden in de thuiszorg. Uit de aanbesteding thuiszorg blijkt dat 20% van het personeel uit de bijstand moet komen.”

Ik moet toegeven, ik had een dergelijke koppeling WMO-WWB al eerder verwacht. Het is per slot een ‘win/win’ situatie. Het creëert markten – de thuiszorg is een grote markt en kan z’n domein nog tal van richtingen op uitbreiden – en het zorgt ervoor dat bijstandstrekkers hun eigen uitkering verdienen. En we weten gelijk wat ze uitspoken. FNV en cliëntraden willen nog het nodige weten. Dringende vragen maar gelukkig wel beleefd gesteld en met een constructieve inslag (er zijn ook kansen ten slotte als je weer wat nuttigs mag, of eigenlijk: moet, doen).

Levert het een betere of in elk geval kwalitatief acceptabele, maatschappelijke ondersteuning op? En een reëel perspectief op banen met perspectief? Lastige vragen zijn dat, ongetwijfeld goed bedoeld maar lopen ze niet ontzettend op de ontwikkelingen vooruit?

Laten we niet overvragen. Evalueren kan altijd nog en – troostende gedachte – de ene evaluatie is de andere niet. Complexe maatschappelijke vragen kun je niet steeds met een eenvoudig ja/nee beantwoorden. Eenvoudige maatschappelijke vragen daarentegen – bijvoorbeeld of het wat minder kost voor gemeente en belastingbetaler – weer wel. Laten we daarom eerst die winst maar eens incasseren dan kijken we later nog wel eens naar de maatschappelijke consequenties. Hebben we in de toekomst ook nog wat te doen.

13 november

=0=

Waarde

Intrinsieke waarde is een wonderlijk begrip. Waarde maakt ongelijke dingen gelijk. Intrinsieke waarde zegt daarentegen dat dingen op zichzelf, buiten de vergelijking, waarde hebben of waardevol zijn. Het zou natuurlijk veel eenvoudiger zijn om die dingen dan uniek te noemen en aan die uniciteit de status van onaantastbaarheid te verlenen. Maar dat doen we niet: we willen de dingen uniek hebben en toch ook weer niet en dat noemen we dan intrinsieke waarde. Ook datgene dat geen waarde heeft (maar wel bijvoorbeeld nut of schoonheid of begeerlijkheid of eer of voorbeeldwerking) wordt door de waarde op één noemer gebracht. Dat dat niet zonder gevolgen blijft zien we aan water en lucht: ooit zonder waarde, inmiddels inzet van berekeningen en prijzen, toeëigening en strategie. Waarde homogeniseert, het intrinsieke inclusief. Tot en met het menselijk leven.

De ‘herwaardering’ van alle waarden drukt dat uit. De herwaardering geeft aan dat alles van waarde kan worden, afhankelijk van de waardering die eraan wordt verleend. We hebben het niet langer over iets dat buiten de herwaardering valt (de ‘intrinsieke waarde’) maar zijn op zoek naar de noemer van de herwaardering zelf. Bij Nietszche werd die noemer als de ‘wil tot macht’ aangeduid. Meer in overeenstemming met het dominant worden van het waardebegrip en met de daarmee samenhangende permanente praktijken van herwaardering, is het om die noemer te zoeken in het geld.

Je kunt de noemer ook elders zoeken. Cees Dekker beveelt de ‘menselijke waardigheid’ aan om de ‘intrinsieke waarde’ van menselijk leven een naam te geven, en bedoelt daarmee het deemoedige knielen voor God (NRC H van afgelopen zaterdag). De wil tot macht is een vergissing dus, de wil tot erkenning van onze zwakte en tot acceptatie van een hogere macht (!) komt ervoor in de plaats. Wel in concurrentie overigens: de menselijke waardigheid is voor Dekker ‘een waarde die (...) uitstijgt boven concurrerende waarden zoals economische efficiëntie of de vrije voortgang van wetenschappelijk onderzoek’. En, zo neem ik dan maar aan, van de openbaarheid die daarbij hoort, van het vrije woord, de gedachte die je wenst te delen, waar je vorm aan wenst te geven enzovoorts. Regressie, heet dat geloof ik.

De Raad voor de Volksgezondheid beveelt een passende beloning aan voor mensen die vrijwillig een orgaan willen afstaan. De beloning kan behoorlijk oplopen maar wordt slechts in maandelijkse termijnen uitbetaald. Dat houdt het economisch motief tegen. Denkt de Raad. Zou het? Stel je het volgende voor. Je bent goed gezond, leeft van een kleine uitkering en wilt af van de dreiging dat er op je uitkering wordt ingehouden omdat je bijvoorbeeld niet voldoende inspanningen verricht om aan de baan te raken. Zou zo’n orgaanmechaniekje daar niet een aardige dam tegen kunnen opwerpen? Hoe denkt de Raad je overige inkomen te isoleren van de maandelijkse bijdrage die hij in het vooruitzicht stelt, en omgekeerd? Ik noem maar wat. Maar ik ben er zeker van dat alleen orgaandonatie als burgerplicht – en dan niet tijdens je leven – een antwoord is op de problemen die er nu op dat vlak zijn. Geen afdoende antwoord. Tegen de medische technologie valt niet op te doneren. Niet afdoende daarom, wel een antwoord.

Wat zou Dekker daarvan vinden? Ik zou denken dat het verkwanselen van je organen voor geld – ongeacht de betalingswijze – op gespannen voet staat (‘concurreert’) met de menselijke waardigheid zoals Dekker die begrijpt. Aan de andere kant, en onafhankelijk van het motief van de donor, andere mensen zijn ermee geholpen. Dat zal ‘m aanspreken. Minister Klink, eerder tegen commercialisering, wil het voorstel van de Raad wel in zijn overwegingen meenemen. Het is het begin van een donatie die geen donatie is. Het bevestigt de noemer van het geld. Dat zet wat in werking. Waarom zou iemand wel een orgaan mogen afstaan tegen de belofte geen ziektekostenpremie te betalen en niet als – onder overigens identieke omstandigheden (zelfde donor, zelfde vrijwilligheid, zelfde risico bij donatie enz.) – de beloning van een andere partij (zeg: een vermogend persoon) komt?

Zoiets zou niet kunnen als we het menselijk leven geen waarde toekennen omdat we het onvergelijkelijk noemen en het dus buiten elke waardevergelijking en waardegelijkheid houden. Zoiets kan wel, en komt zelfs dichterbij, zodra we ook bij waardigheid aan waarde denken. Voor God bijvoorbeeld. In concurrentie. Marx had gelijk in zijn spot op Adolph Wagner: zodra je denkt dat gebruikswaarde een variant is van waarde zijn de rapen gaar. We zijn toe aan de ‘herwaardering’ van het begrip.

12 november

=0=

 

Alsof je een emmer leeg gooit

Het is niet best als ik me uitgenodigd voel om grapjes op een naam te maken. Vorige week vroeg Freek de Jonge op radio 1 (zaterdag 3 november) wat de overtreffende trap van Matena was (antwoord: matennaaier) en ik vond het ver beneden peil. Dat Matena niets heeft toegevoegd aan de Avonden is één ding. Op de man spelen zoals de Jonge deed is een ander ding. Vreemd, trouwens, voor iemand die zo van voetbal houdt als de Jonge.

Geen naamgrappen dus. Tegelijk: geen regel zonder uitzondering. Emmer is de uitzondering. En dat niet omdat mijn leraar geschiedenis van lang geleden zo heette en ons moeiteloos elke liefde voor dat vak wist af te nemen. Een ernstig vergrijp, dat wel, maar hij was niet de enige leraar die met kennelijke tegenzin z’n uren draaide. Enthousiaste leraren waren spaarzaam, verveelde talrijk. Voor de goede orde, dat was allemaal ver voor de onderwijsvernieuwing, de schaalvergroting, de verzelfstandiging en wat niet. Als ik Prick lees, of adepten van Beter Onderwijs Nederland, krijg ik altijd de indruk dat voor hen de misère hooguit zo’n jaar of vijfentwintig oud is (Prick is al met twintig jaar tevreden). Ik leid daar uit af dat ook zij in hun geschiedenisonderwijs niet voldoende aan hun trekken gekomen zijn.

In NRC H van gisteren schrijft Piet Emmer een stukje met de volgende opening: ‘Het verleden is geen jas die je zomaar kunt uittrekken.’ Om vervolgens precies datgene te doen wat in de openingszin voor onmogelijk wordt gehouden. Emmer heeft het over de Antillen en de migratie van lastige, misdadige en onopgeleide Antillianen naar Nederland. Hij wil er van af, die jas moet uit en wel meteen. Geen migranten dus waar we niks aan hebben. Toelaatbaar zijn slechts migranten die kansrijk zijn en dat laten zien door ‘harder te werken, meer banen te scheppen en meer belasting te betalen dan de gemiddelde autochtoon’. Die zit.

Het is tijd orde op zaken te stellen. Dat we dat nog niet hebben gedaan komt door misplaatst koloniaal schuldgevoel. Dat moet dan inclusief het feit zijn dat de Antillen bij het Koninkrijk horen, een detail waar Emmer het niet over heeft hoewel het in het kader van de migratie geen onbelangrijk detail is (alleen via een verwijzing naar Groot Brittannië komen we er achter dat Emmer de beperkingen die daar aan de immigratie zijn opgelegd aanbevelenswaardig vindt voor Nederland. Inclusief de rassenrellen?). Een geschiedenisopvatting die te groot is voor details is geen geschiedenisopvatting.

Emmer is hoogleraar geschiedenis. In een klein stukje in een krant is ook de hoogleraar niet tot het onmogelijke gehouden. Daarmee is zo’n stukje nog geen vrijbrief om per bevolkingsgroep een kosten/baten boekhouding op te stellen en alle groepen die verlies geven af te schrijven. Het kan wel, maar het lijkt meer op een miezerig soort bedrijfseconomie dan op geschiedenis. Mijn stelling: in een Nederlandse geschiedeniscanon (en zelfs die wordt er door Emmer bijgesleept) is voor Emmer geen plaats. Ik bedoel: voor het soort geschiedenis dat hij debiteert. Ik bedoel: voor geschiedenisverhaaltjes alsof je een emmer leeggooit.

11 november

=0=

 

Ontraden

Vandaag congresseert het CDA en zoals een net congres betaamt zijn er diverse ‘resoluties’ ingediend waarin congres, fractie en partij tot iets worden opgeroepen. Erg resoluut ogen de resoluties niet, ze zijn zo braaf verwoord dat niemand zich er een buil aan kan vallen. Niettemin, het Dagelijks Bestuur van de partij heeft er wel degelijk een preadvies bijgevoegd om de resoluties over te nemen dan wel ‘af te raden’. Zo wordt een resolutie over het hoger onderwijs van het CDJA (ruil de studiefinanciering van de studenten niet in voor betere lerarensalarissen) afgeraden. Motief: het is nog in bespreking in het kabinet. Ook een resolutie van een aantal leden om het ontslagrecht niet zo te hervormen dat de rechtszekerheid van de werknemers het kind van de rekening is wordt afgeraden. Motief: het is nog in bespreking in het kabinet.

Wat is dat voor een DB? Zijn congressen er niet bij uitstek voor om dingen in bespreking te brengen die nu actueel zijn, bijvoorbeeld omdat de meningsvorming in een kabinet nog niet is afgerond? Ik begrijp dat een aantal CDA prominenten zich zorgen maakt over het gebrek aan discussie en debat in het CDA. Ik ken de samenstelling van het DB niet en ik ben er ook niet in geïnteresseerd. Niettemin, met zo’n DB – met zo’n rolopvatting van een DB – wordt het organiseren van een congres een hoon aan je leden. Het DB zegt eigenlijk leden te willen die hun mening mogen uiten zonder dat de partij daar welke politieke conclusie dan ook hoeft te verbinden. Geloofsgenoten die accepteren wat hen van de kansel wordt toegeworpen, trouw hun bijdrage in het kerkzakje deponeren, buiten de dienst gezellig napraten, hun deel van het zegenrijke vrijwilligerswerk op zich nemen, en voor het overige niet lastig zijn. De A stond ooit voor appel, dat werd een akkoord – of omgekeerd, ik krijg het er maar niet in – en verdomt het een echte politieke partij te worden. Het DB bewaakt de identiteit van het CDA en zorgt ervoor dat het intern onder geen omstandigheden over politiek gaat. Wie in het CDA als gewoon lid politiek wil bedrijven kan het best een resolutie tegen het DB indienen. Dat zal ook daar negatief over adviseren. In dat geval moet je daar als lid alleen maar blij mee zijn. Kun je eindelijk eens resoluut de strijd aangaan. Politiek bedrijven. Als het ware. Aan te raden.

10 november

=0=

 

Read alone

Dat zei minister Donner. Hij droomde niet van een mooi boek, op een rustige plek waar hij niet zou worden lastiggevallen. Hij had het over een vraag of zijn ambtenaren die bij de GPD hadden ingebroken ook in documenten hadden gewijzigd. Hij stood alone, hij bedoelde read only, en zei read alone. De computerbeveiliging is in goede handen, dat zie je maar weer.

Donner wist niets van zijn avontuurlijke ambtenaren. Ministers weten heel veel niet, maar ze zijn wel politiek verantwoordelijk. Wat dat is valt niet zo makkelijk te achterhalen. In sommige landen treden ministers af bij een misser van hun ondergeschikten, want ze hebben hun verantwoordelijkheden niet goed waargenomen. Dat is helder. In Nederland zien we iets anders. Daar doen ministers erg hun best om duidelijk te maken dat ze iets niet wisten. Dan komt de verantwoordelijkheid elders te liggen. Althans, dat is de redenering en de Kamer gaat daar maar al te graag mee akkoord. Zelfs als je jokt, zoals Verdonk, kom je ermee weg. Politieke verantwoordelijkheid in ons land staat zo ongeveer gelijk aan je best doen, in elk geval daarvan de schijn ophouden, in elk geval er niet met de pet naar gooien, in elk geval je bezorgdheid tonen en als het effe kan er lessen voor de toekomst uit trekken. Die niet afwijkt van vandaag maar dat zien we dan morgen wel weer.

Het is grappig. Ouders worden aangesproken op het gedrag van hun kroost, ook als zich dat buiten de deur ophoudt. Politici willen de kinderbijslag korten als de ouders dat niet goed doen en ze willen die ouders eventueel zelfs uit de ouderlijke macht zetten. Want ouders zijn verantwoordelijk maar als ze dat niet aankunnen, dan worden ze aangesproken. Tot en met het ongeldig verklaren van hun bevoegdheden. Als ouders en in toenemende mate als burgers: in het geval ze het verplichte participatiespel niet goed onder de knie krijgen. Voor politici gelden andere regels. En daarom – en alleen daarom – is er een kloof tussen burgers en politici. Het is een rechtsstatelijke kloof: zodra voor ons regels gelden die voor politici niet gelden heb je een kloof. In een rechtsstaat staat ons daarom maar één ding te doen: Donner ontslaan. Heeft de goede man eindelijk tijd voor read alone.


6 november

=0=

 

Handel

Net voor ik vannacht in slaap viel vertelde Elly me dat ooit in China het tijdstip waarop een kind voor het eerst een leugentje had gedebiteerd aanleiding was voor een feestje. Zij las het bij Geert Mak en die had het bij Trudy van Asperen gelezen. Het feestje werd gegeven omdat het kunnen vertellen van een leugentje werd gezien als een stap op weg naar volwassenheid: als een bewijs dat een kind in staat was voor zichzelf een kleine eigen ruimte te scheppen en af te schermen. Daar slaapt een mens goed op. Iets vergelijkbaars was ik al overigens al eens tegengekomen bij de grote Poolse pedagoog Korczak: in zijn ‘rechten van het kind’ (van invloed op de latere formuleringen in officiële documenten over verklaringen van de rechten van het kind) komen de kleine leugentjes ook voor. En, naar ik aanneem, met dezelfde achtergrond – al werd er toen geen feestje om heen gebouwd. Het waren ook geen feestelijke tijden, in de jaren dertig en veertig, in Polen en als jood.

Volwassenheid als het vermogen tot privacy. Een leugentje opvatten als een indicator van zelfstandigheid, in plaats van als een uiting van morele verdorvenheid. Kom daar in dit land eens om. Een regel overtreden om op die manier de regel te leren kennen en de overtreding als bewijs dat je toe bent aan de regel en in toenemende mate steeds meer regels? Een onbekende luxe. Een overtreding is fout en leidt tot het vermoeden dat je voor galg en rad opgroeit. Jezelf juist niet in de hand hebt. In plaats van een feestje trekken we een sip gezicht. Een leugen? Nee, natuurlijk niet. Tot je moet opbiechten aan je kinderen dat Sinterklaas niet bestaat. Was het een leugen? Ach nee, hooguit een leugentje om bestwil. We zullen het nooit leren.

Vermoedelijk zullen we daarom ook nooit leren hoe met overtredingen om te gaan. Gisteravond was er een uitzending van Zembla over ouderen en criminaliteit. De criminaliteit van ouderen neemt toe (in een paar jaar is het aantal ouderen dat met de rechter in aanraking is gekomen met ongeveer de helft gestegen). Goed nieuws zou je denken, want het bewijst maar eens dat de ouderen nog behoorlijk bij de les zijn en zich, als hen de kaas van het brood wordt genomen, niet de kaas van het brood laten eten. Nou ja, en de pakkans neemt toe en dat ook nog eens met technologische foefjes die ze nog niet helemaal doorhebben. Dus vandaar.
Maar zo mocht het niet zijn volgens Zembla. De teneur van de uitzending was dat mensen die voor de rechter komen zichzelf niet in de hand hebben. Dat ze de greep op zichzelf zijn kwijtgeraakt, zeker als ze oud zijn. Oud, kinds, het is allemaal zo begrijpelijk. Men had om deze stelling aannemelijk te maken een heuse hoogleraar-psychiater ingehuurd die pleitte voor standaard psychiatrisch onderzoek onder onze meer bejaarde crimineeltjes en eigenlijk om een aangepast bejaardenstrafrecht en bejaardenstrafinrichtingen. Dat is nog eens handel.

De gedachte dat misdaad een psychisch defect is heeft Zembla geïnspireerd. Zo werden een 87-jarige man die al een paar keer was gesnapt omdat hij een krentenbol of zelfs een tompouce onbetaald had willen meenemen en de vrouw die op tachtigjarige leeftijd haar 51-jarige verstandelijk gehandicapte dochter had gedood,  beiden onder de noemer van het allemaal niet zo helder meer zien gestopt. Ze waren, zo verklaarde de hoogleraar-psychiater, het globale inzicht kwijt, ze overzagen de consequenties van hun handelingen niet meer zo goed, noch voor zichzelf, noch voor anderen.

Het drama van de oude vrouw kan ik niet inschatten, maar het lijkt me de overweging waard of niet de collectieve gekte die wij godsdienst noemen (in haar geval een gereformeerde gekte die haarzelf, haar man, haar dorp en ook de instelling waar haar dochter uiteindelijk onderdak had gevonden, in de ban hield) mee had mogen worden genomen in het geleerde psychiatrische oordeel over de psychische gesteldheid van de vrouw. Maar wat ik wel kan beoordelen is de gekte van Zembla en de psychiater om misdaad te categoriseren aan de hand van ziektebeelden, en misdaadgeneigdheid aan de hand van leeftijd. De 87-jarige man verklaarde voortaan z’n handen wel thuis te houden want de boetes werden hem te hoog. Een verstandige afweging. Waarom hij eigenlijk tot z’n pietluttige vergrijpen was gekomen? Nou, aan de bovenkant van de samenleving zag hij meer en meer mensen die het verschil van mijn en dijn niet zeer respecteerden en die er bovendien goed mee wegkwamen. Wat, zo zei hij, zijn die normen en waarden dan nog? Goeie vraag.

5 november

=0=

 

Exaptief

Het woord ‘exaptief’ was mij tot afgelopen vrijdag niet bekend. Ik vond het in een artikel over Tijs Goldschmidt, naar aanleiding van een nieuwe bundel van zijn hand en de Huizingalezing 2007 die hij gaat verzorgen onder de mooie titel: doen alsof je doet alsof.

Exaptief staat tegenover adaptief. Het laatste hoort bij een spaarzaam opgevat concept van evolutie (alleen dat blijft over wat zich kan aanpassen) het eerste bij een meer speelse variant van het evolutieconcept. Exaptief houdt in dat we dingen doen omdat we niet af zijn als we ze niet doen en omdat we het leuk vinden om ze te doen, ook al is er geen enkel verder nut mee verbonden. Het hoort bij het idee van ‘spel’ zoals dat een kleine zeventig jaar geleden door Huizinga is ontwikkeld.

Spel is bij Huizinga in de eerste plaats een vrije handeling (het is niet bevolen). In de tweede plaats is spel een onderbreking  van de gewone dagelijkse dingen (en daarom versieren ze dat leven en keren er in terug, tot en met het punt dat we niet meer zonder kunnen). De gewone dingen doe je ergens voor, het spel doe je ‘zomaar’. Niettemin, het spel vereist aandacht, ernst. Het slorpt je op. In de derde plaats is spel begrensd, in tijd zowel als in plaats. Elk spel heeft z’n eigen levensduur en ontwikkeling en het wordt hier gespeeld, niet daar. Het hoort in de arena, niet in de huiskamer, op het veld en niet op straat, op straat en niet in de open ruimte. En op een gegeven moment is het uit. In de vierde plaats schept een spel z’n eigen absolute orde. Wie afwijkt is een spelbreker. De orde zorgt ervoor dat spanning  (kansen, onzekerheden) kan worden omgezet in ‘ontspanning’. De spanning stelt de speler op de proef, de orde zorgt ervoor dat de proef geregeld verloopt en kan worden afgesloten. Verbreek de orde en je overtreedt de spelregels, tot en met het herstel van de regel van de gewone wereld (de voetballer kan strafrechterlijk worden vervolgd). De spelbreker breekt de ban en wordt buitengesloten. Mede daardoor leidt het spel, en dat ten vijfde, tot clubvorming: je scheidt je af van de anderen met je eigen club en je doet dat bijvoorbeeld door de club te verbinden met een ‘geheim’. Reve wist het (Werther Nieland, 1949). Huizinga ook.

De functie van het spel is, volgens Huizinga, in twee aspecten samen te vatten. Het gaat om een strijd om iets en/of een vertoning van iets. En hij is dichter in de buurt van Goldschmidt dan deze zelf aangeeft. Goldschmidt zegt: ‘Hij (Huizinga) erkent dat er biologisch gezien interessante kanten aan het spel zitten, maar hij schrijft zich te willen beperken tot de culturele aspecten’. Huizinga zegt het echter veel explicieter en ook anders: ‘Maar zou het absurd zijn om aan het zingen, het dansen, het pronken der vogels evengoed als aan het menselijke spel een plaats buiten het strikt biologische toe te kennen?’ (J. Huizinga, Homo Ludens, Groningen, Wolters-Noordhoff 1938/1985: 9)

Moderne georganiseerde sport heeft het spelkarakter zo ongeveer verdreven volgens Huizinga (ibid.: 191v.). Georganiseerde sport is een bedrijf, waar niks een vrije handeling is, waar niets zomaar gebeurt, waar een 24-uurs economie en discipline heersen (wielrenners dienen altijd en overal traceerbeer te zijn, een voetballer die professional is heeft geen baan van negen tot vijf) en waar de spelregels steeds meer worden bepaald door het punt waarop het efficiënt is je contract te breken (de leer van de ‘efficient breach of contract’, vraag het Ronald Koeman maar). Huizinga citeert in dit verband niet Koeman maar die andere vooruitgeschoven post van Philips, Anton. En die zegt: ‘Van mijn intrede in de N.V. af, werd het een wedstrijd tussen de technische en commerciële leiding om elkaar de loef af te steken… zowel mijn broer als ik hebben de zaak eigenlijk nooit beschouwd als een taak, maar wel als een sport, die wij trachten onze medewerkers en de jongeren bij te brengen’ (ibid.: 195-196).

Werken is topsport. Je relatie is topsport. Vrije tijd is topsport. Topsport is geen spel, het is bedrijf, in bedrijf, onophoudelijk in bedrijf, overal in bedrijf. De exaptieve wens van Goldschmidt is, sinds elk spel ofwel wordt aanbevolen omdat het gezond is – of goed voor je participatie, je integratie, je netwerk, je loopbaan, je ontwikkeling – ofwel omdat het nu eenmaal zo wordt gespeeld, al lang teruggenomen in de adaptieve werkelijkheid. Kiezen voor de exaptie is onverstandig, kiezen voor de beste uitgangspositie in de adaptieve race is het menu. Laten we hopen dat voor sommige – we mogen de late niet te hoog leggen – dieren het spel nog even behouden blijft. Zo komen we via de cultuur alsnog uit bij de biologie – zoals Huizinga die verstond.

4 november

=0=

 

In je vrije tijd

Voorzitter Hermans van MKB Nederland vindt dat hij werknemers niet alleen moet kunnen ontslaan als ze zich niet gedragen zoals hij dat graag ziet, hij wil ze ook kunnen ontslaan als ze in hun eigen tijd gedrag vertonen dat hem niet aanstaat. Dat gaat zo: Hermans is ontevreden over het scholingsgedrag van de werknemers. Hij vindt dat werknemers in hun eigen tijd verplicht moeten kunnen worden zich te scholen en wat blijkt? Vier op de tien werknemers hebben daar helemaal geen zin in. Voor Hermans is dat reden voor ontslag.

Enkele jaren geleden haalde een Amerikaanse ondernemer het nieuws door zijn werknemers te verbieden niet alleen niet op maar tevens buiten het werk, thuis of waar dan ook, te roken. Hij gebruikte een test en kon zo nagaan of een werknemer in diens vrije tijd had gerookt. Zo ja, dan vloog die werknemer er uit. Verschilt het voorstel van Hermans van deze Amerikaanse ondernemer? Ik zou zeggen: nee. Hij mag het over iets anders hebben, hij gooit het wel degelijk over dezelfde boeg. Dat is de boeg van het risico. Iedere werknemer die vroeger of later een risico kan vormen voor de werkgever moet voor ontslag kunnen worden voorgedragen en zeker die werknemer die zich buiten werktijd niet optimaal wenst in te zetten voor de prestatie van de dag van morgen. Ik weet niet of de Amerikaanse ondernemer VVD-achtige beginselen is toegedaan, van Hermans weten we dat wel degelijk. Het liberalisme van Hermans loopt via de portemonnee. Zelfstandigheid, vrije keuze, autonomie: alles goed en wel, maar niet als het een risico voor de ondernemer wordt.

In de VS heeft men een ontslagrecht waar Donner en Hermans van dromen. Kennelijk is dat niet genoeg. Niet alleen op het werk maar ook daarbuiten moet de werknemer leren naar het pijpen van de ondernemer te dansen. Wie dat niet wil, Hermans zal zeggen: wie daar niet voor kiest, mag zelf de consequenties nemen. Het moderne bedrijfsleven produceert pas als het zich heeft weten te verzekeren en een goede verzekering zorgt ervoor zich uit te breiden over het gehele gedrag van de risicofactor. De werknemer dus waarvan Henry Ford al wist dat zelfs als je alleen wat spierkracht wou je een heel mens op je bord geschoven kreeg. Liever niet natuurlijk – daarvoor staat het makkelijke ontslag – maar als het dan toch moet dan dient heel de mens zich ook wel te gedragen, tijdens werkuren en daarbuiten. Wist Ford ook al en Hermans ontdekt het opnieuw. Niet alleen de overheid verschaft zich toegang tot achter de voordeur, de ondernemer doet dat ook, te beginnen bij MKB Nederland en haar voorzitter. Je zou denken dat als ondernemers willen dat hun personeel zich schoolt zij die scholing tot een  gewoon onderdeel van het werk kunnen maken. Dat is best te doen. Het kost wat en je weet nooit of jouw scholingsvoorzieningen niet ook ten goede komen aan een andere ondernemer omdat jouw werknemer daar misschien een baan accepteert. Dat is een risico, en Hermans wil dat uitsluiten door het niet alleen op het bord van de werknemer te leggen – en in het bijzonder op het bord van die werknemer die in de scholingsrij door de ondernemer altijd helemaal achteraan is geplaatst – maar het ook nog eens om te zetten in een claim op de vrije tijd van de werknemer. Hermans bewijst dat zijn ondernemers beter maar helemaal geen werkgever meer kunnen spelen. Ze kennen hun grenzen niet.

Hermans kijkt verder dan het ontslagrecht. Hij weet dat in de gedachtevorming over de toekomstige werkloosheidspremie voor de werkgever diens inspanningen om de werknemer te scholen – voor een andere dan de huidige baan geschikt te maken – een rol gaan spelen. Daar neemt hij een voorschot op. Hij wil niet betalen, hij wil geen risico lopen, hij wil de mens in de werknemer uitschakelen. Iemand is werknemer, 24 uur per dag en gedurende het gehele werkzame leven. Hermans heeft eindelijk het eindpunt van de arbeidsparticipatie gevonden. Als eerste. Een twijfelachtige eer.

3 november

=0=

 

Salaris

De lerarensalarissen moeten omhoog. De vraag of dat generiek moet gebeuren of meer specifiek (bijvoorbeeld om de nahossers eindelijk eens hun recht te geven of om te voorziene knelpunten te bestrijden of als het even kan zelfs voor te zijn, of om prestaties extra te kunnen belonen, of het niveau van opleiding) houdt vandaag de dag van vandaag menigeen bezig (zie de column van Bas Jacobs in de Groene van deze week).

Er schijnt – als ik de diverse bijdragen aan het debat hierover bekijk – een soort communis opinio te bestaan over het verband tussen salarisverhoging en participatie. Dat verband is positief: betaal meer en de inspanningen – wie weet zelfs de prestaties maar ook dat is een beetje stuurbaar – zullen stijgen. Je kunt spreken van ‘efficiënte lonen’: een betere beloning is niet zozeer het gevolg van geleverde prestaties maar gaat er aan vooraf. Een bij verschillende economen populair leerstuk dat nu ook, kennelijk, het onderwijs heeft bereikt. Het rapport van de Commissie Rinnooy Kan is er door beïnvloed. Efficiënte lonen zijn een uiting van ‘conventional wisdom’ aan het worden.

Best raar eigenlijk. Niet dat het bedoelde effect niet kan of zal optreden, maar meer in het algemeen in de zin van de vraag of we hier met een regel, een economische ‘wet’ te maken hebben of met iets heel anders. Ik denk dat meestal het eerste wordt bedoeld; ik zou voor het tweede pleiten. Voor zover het een economische regel is moet het lopen via ‘motivatie’. Een beter salaris en in het bijzonder prestatiebeloning motiveren mensen beter hun best te doen, het langer vol te houden en dus minder vlug af te haken. Blijkbaar kunnen mensen kiezen er met de pet naar te gooien of niet en de beloning zorgt ervoor dat de kans dat ze dat niet zullen doen kleiner wordt. Het maakt het gedrag van mensen, leraren in ons geval, beter voorspelbaar. Niet het gewenste gedrag wordt beloond. Het is omgekeerd want de beloning zorgt voor het gewenste gedrag. De parallel met de ontslagbescherming ligt voor de hand: het is niet het keurige gedrag van de werknemer dat wordt beloond met een contract, maar een contract beloont je voor je door de werkgever gewenste gedrag. Of niet, maar juist daarin – dat wat vandaag nog wenselijk was dat morgen niet meer hoeft te zijn – zit de ‘efficiency’.

Geen econoom overigens die zal beweren dat daarmee het verhaal is gedaan, dat wil zeggen dat het veronderstelde effect ook zal optreden. Ook als we dezelfde regel blijven hanteren is het heel goed mogelijk dat het hogere salaris zal leiden tot minder uren. Omdat je sneller uitkomt bij het bedrag dat je nodig hebt, omdat je daardoor makkelijker arbeid en zorg kunt combineren enzovoorts. De prestatie per uur kan stijgen, de hoeveelheid gewerkte uren kan dalen. Of: door de salarisverhoging krijg je de smaak van meer en meer en meer pas echt te pakken en je gaat eens omzien naar ander werk dat beter betaalt, nog meer ruimte voor prestatiebeloning kent, en dus is het gevolg eerder jobhoppen dan tevreden en gemotiveerd blijven zitten waar je zit. Bovendien, tevreden en gemotiveerd is een complex duo. Een beter salaris maakt mensen vast tevredener, maar tevreden mensen zijn niet per se de meest gemotiveerde als het om het leveren van prestaties gaat. Als het goed is zoals het is moet het vooral zo blijven. De mooiste beloning van een goed salaris is een rustig leven, om John Hicks’ uitspraak over ‘the best of monopoly profits’ te parafraseren.

‘Motieven’ zijn niet voor één gat te vangen dus, en daarmee vervalt het recht van de regel. Mijn taxatie is dat het eerste effect van een salarisverhoging inderdaad tot betere prestaties zal leiden. Maar dan als ‘Hawthorne’ effect: de werknemers die ermee te maken krijgen zullen het als een blijk van belangstelling zien, als een blijk dat ze eindelijk eens serieus worden genomen en dat belonen zij met meer en beter werk. En wie dat effect wil bewaren moet er voor zorgen dat de werknemers tot in lengte van dagen serieus genomen blijven worden. Wie de motieven van mensen wil beïnvloeden moet hun motieven serieus nemen. Geld telt alleen als het telt.

2 november

=0=

 

Het hoofd boven water houden

Sinds een paar weken staat bij de noordelijke ingang van Station Amsterdam Zuid een gigantisch beeldscherm. In de vroege ochtend wordt daar al enige tijd een filmpje getoond van een man in een zwembad. Hij doet erg z’n best zo te zien, gaat vaak even onder water, komt dan weer boven en zwemt maar door. Zonder ook maar iets op te schieten want dat is af te lezen aan een verticale streep op de muur achter de zwemmer die hij niet voorbij komt.

Het is een leuk filmpje, vooral gezien het tijdstip. Om kwart voor zeven is het al redelijk druk bij het station. De meeste mensen hebben het soort haast dat werktijden en afspraken doet vermoeden. Ze zijn onderweg, elke dag opnieuw, zonder mankeren en eerder bezig met hun belofte ergens op tijd te zijn dan met elkaar. Veel kijkers trekt het filmpje niet. Niemand blijft staan. We houden het hoofd boven water en het filmpje is onze ongevraagde begeleider. Het is tegelijkertijd een ironisch commentaar.

Het is al vaker opgemerkt: als een buitenaards wezen onze bewegingen in de gaten zou houden dan moet hem het merkwaardige patroon opvallen dat de mensen ’s ochtends vroeg hun huis verlaten, zich naar een of ander gebouw spoeden, daar het grootste deel van de dag blijven en dan de weg terug afleggen. Elke dag, met een kleine onderbreking in het weekend. En waarom? Omdat dat kennelijk het leven is. Niet meer, niet minder. Zou het filmpje ook in het weekend worden getoond?

We maken de bewegingen en we schieten niet op. Dat zegt het filmpje. Verder dan het hoofd boven water houden komen we niet. De mensen op het station houden in elk geval nog de suggestie in stand dat het wel degelijk beweegt. Hoe anders de dag doorkomen, elke dag weer? Het filmpje weet beter. Eigenlijk zou het elke dag in elke fabriekshal en kantoortuin en in elk bureau moeten worden getoond. Het zou ons de nodige bescheidenheid bijbrengen en wie weet het inzicht dat de zin van het leven niet meer dan het leven zelf is.

1 november

=0=

 

Hoofdzaken

Het arresteren van de notulen had het grootste deel van de ochtend opgeslokt. Na de pauze wachtte echter nog een ingewikkeld agendapunt. Eerst koffie en dan doorbijten, dat was het parool.

Het ging om de fietsverlichting. Gelukkig dat alle hoofdcommissarissen van de Raad aanwezig waren. Sommige kwesties vereisen niet alleen unanimiteit maar ook een ieders commitment. Bij eenvoudige problemen, zoals de vele moorden in het criminele milieu, was de discussie altijd kort en krachtig. Dat mocht niet en kon niet en daarmee basta. De uitwerking was lastig, het principe des te eenvoudiger. Bij de fietsverlichting lag het exact omgekeerd. Makkelijke uitwerking – en profijtelijk ook nog – maar om er nou een principe van te maken? Veiligheid is een hoog goed maar zou het publiek uitgerekend de fiets daar onder scharen? Zou het, hoop is nooit verboden, helpen als het niet om jouw fiets ging maar om de fietsen van anderen?

Niemand die het zeker wist. Zoals wel vaker bracht Welten licht in de duisternis. Het gaat niet om die fietslampjes, zei hij, maar om de wetshandhaving. We staan voor aap als we zeggen: er zij licht, en de mensen denken vervolgens dat ze dat zelf wel mogen bepalen. Met de bestrijding van fietsendiefstallen hebben we ook succes geboekt door niet de dief maar de koper van de gestolen fiets in de kraag te vatten en het is de hoogste tijd om nu verder door te pakken. Ik zie mensen met fietslichtjes bevestigd aan de riem van hun tas, en zelfs aan hun kleding. Kan het nog gekker? Als wij fietsverlichting zeggen dan bedoelen we niet de verlichting van tas en jas maar van de fiets. Is dat nou zo moeilijk? De burger moet z’n verantwoordelijkheid leren nemen, dat is het issue hier en niets anders. Die lampen moeten aan de fiets hangen en nergens anders aan. En wit moet voor en rood achter. De vraag ‘wat heb ik nou aan m’n fiets hangen?’ is vanaf heden maar voor één antwoord vatbaar. Knipperlichten zijn voor de fietser verboden. Knipperlichten zijn dwaallichten.

Het lijkt klein bier maar de consequenties zijn groot. Als we de rot hier laten beginnen dan kruipen binnenkort de ratten uit hun holen en ligt Nederland op z’n gat. Ik heb er geen bezwaar tegen als collega’s met slappe knieën de eerste overtreder nog met een waarschuwing laten wegkomen maar dan moet het afgelopen zijn. Ik stel voor dat Jan namens de hele Raad een persbericht in deze geest opstelt.

Aldus werd besloten. Eindelijk kan ik weer rustig slapen.

31 oktober

 -0-

 

Jeugdzorg

Afgelopen zomer kreeg ik een speciaal nummer van Le Monde de l’Education in handen. Het was een themanummer over ‘de andere school’. Van Dewey tot en met Freire en Illich, van Don Bosco tot en met Korczak en Oury, ze kwamen allemaal voorbij in lezenswaardige artikelen over hun plannen, gedachten, inspiratie, acties, initiatieven en ervaringen. Het zijn vogels van zeer diverse pluimage. Le Monde had ze onder meer onderverdeeld in ‘doeners’ en ‘denkers’. Dat beviel me niet, al was het maar omdat alle besproken personen een bod doen op het op een eigen manier via de school verbinden van denken en doen. Een hanteerbaarder onderverdeling is die tussen pedagogen die de school zien als een ‘wereld in het klein’ en pedagogen die de school zien als een ‘vereenvoudigde wereld’. De kleine wereld herhaalt de maatschappij in de school. De vereenvoudigde wereld daarentegen maakt van de school een eigen wereld. Een wereld in eerste aanleg, van de kinderen, niet van de volwassenen, laat staan de ‘maatschappij’. Illich erkent alleen het eerste, de school als spiegel van de maatschappij en omdat de maatschappij niet bevalt beveelt hij ‘ontscholing’ aan. Pedagogen zoals Dewey en Korczak pleiten voor een vereenvoudigde wereld en ook Tagore sluit daarbij aan (Zie over Tagore: Martha Nussbaum, The Clash within; democracy, relgious violence, and India’s future: 82-94).

De huidige tendens in ons land, met de ‘maatschappelijke opdracht’ van de school als trefwoord, is naar de school als een kleine wereld. Klein, maar wel compleet. Met als consequentie dat de school de prioriteiten van de maatschappij tot richtlijn dient te nemen. Met als consequentie dat als de maatschappij tot achter de voordeur van de ouders wil komen de school niet mag achterblijven. De school krijgt een rolletje in het ‘signaleren’ van misstanden. Die ze mag doorgeven aan Jeugdzorg. De educatieve opdracht verdwijnt achter de maatschappelijke. De school wordt een voorpost van de Jeugdzorg, de Jeugdzorg zelf een voorpost van maatschappelijke opvoeding. Het ‘belang van het kind’, in onderwijs en zorg, wordt een wapen in de strijd tegen onmaatschappelijkheid. Wat nodig is: een discussie over het belang van het kind. Op scholen is dat belang pedagogisch, niet maatschappelijk. In de jeugdzorg is dat belang opvoedkundig en opnieuw niet maatschappelijk. Althans niet zolang maatschappelijk iets anders is dan ofwel pedagogisch ofwel opvoedkundig.

Wij beleven nu de schijndiscussie of het klopt dat een gezinsvoogd voor het gerecht is gedaagd en niet het ‘systeem’. Het is een schijndiscussie omdat je organisaties als regel niet voor het gerecht kunt dagen, tenzij het criminele organisaties zijn en daarvan is in het geval van Jeugdzorg geen sprake mogen we aannemen. Wil je strafrecht dan heb je personen nodig en daarvan maakt het OM gebruik. De vraag is niet de gezinsvoogd of organisatie maar strafrechterlijke vervolging of niet. De reactie van de beroepsgroep van gezinsvoogden is dat ze een eigen tuchtrecht overwegen. Dat is alvast 1-0 voor het OM. Dat het aantal gezinsvoogden daalt en nog verder zal dalen is geen reden tot verbazing. Daar hoeft het OM zich niets van aan te trekken – het is hun taak niet – maar het is op z’n minst opmerkelijk dat gezinsvoogden en leerkrachten ook in dit opzicht op elkaar gaan lijken. Geen status, geen waardering, wel een boel gedonder.

Pedagogie en opvoedkunde vertrekken vanuit de wereld van het kind. Die moet je dan wel kennen – een voor de hand liggende eis die echter meer wel dan niet wordt overgeslagen. (Zodra je het niet overslaat ben je al direct in het domein van ‘de andere school’ aangekomen. Dat zegt wat). Wat wij onbekommerd ‘onderwijsachterstand’ noemen gaat over veel meer dan alleen achterstand. Het is een signaal dat we de wereld van veel kinderen en in het bijzonder die van de achterstandkinderen niet alleen niet kennen maar afkeuren, als een probleem zien, als iets dat we moeten vermijden en dat zij moeten vermijden. Met pedagogie en met opvoedkunde heeft dat weinig te maken. Wel met de maatschappij. Met de rechtszaak tegen de gezinsvoogd van Savanna zouden we onszelf een spiegel kunnen voorhouden. We zullen het niet doen. Niettemin, de rechtszaak gaat niet over Savanna, haar moeder of de vriend van haar moeder. En ook niet over Jeugdzorg die aan z’n opvoedkundige taken niet toekomt omdat wij er maatschappelijke voor in de plaats hebben gezet. De rechtszaak gaat over contracten, prestatie en wanprestatie. De rechtszaak gaat over een maatschappij die zichzelf heeft geherdefinieerd als een serie prestatiecontracten en bij Jeugdzorg over contractbreuk komt klagen.

30 oktober

=0=

 

 

Exit

Een ghostwriter is een schrijver die schrijft onder andermans naam, op diens verzoek. Zegt Wikipedia. Nathan Zuckerman is schrijver en we volgens hem vanaf z’n vroege carrière tot en met zijn late aftakeling. Van Ghostwriter tot en met Exit Ghost. Nathan zal niet meer terugkeren omdat z’n opdrachtgever – Roth – voortaan van hem zal afzien. Exit Ghost is Exit Ghostwriter is Exit Zuckerman.

Exit Ghost bevat welgeteld één schitterend hoofdstuk. Niet veel, maar dat hoofdstuk (hoofdstuk 3, Amy’s Brain) vergoedt veel. Amy Belette wordt bezocht door hersentumoren en weet niet meer wat ze wel en niet heeft gedaan, wanneer ze iets al dan niet heeft gedaan, welke afspraken ze al dan niet heeft gemaakt. Ze weet nog wel dat haar leven is bepaald door een groot schrijver, Lonoff (Malamud, zegt men), met wie ze een aantal jaren een relatie heeft gehad en met wie ze nog dagelijks converseert. Hoewel dood zegt hij wat ze moet doen en laten, en hoe ze de dingen moet aanpakken. Amy is bij nader inzien toch Anne Frank niet en ook weer wel: ze is nooit uit de puberteit gekomen, de romantische leeftijd bij uitstek. En ze heeft de Ghostwriter Zuckerman nodig om daar achter te komen. Ik vind dat een briljante, ontroerende, wending in het verhaal. De enige. Met Amy sterft de roman, met de roman sterft de literatuur. Amy vermoedt het misschien, Zuckerman beseft het. De literatuur is aan z’n eind gekomen.

En daar gaat het om. De literatuur is dood – dat is het thema van het boek – en Zuckerman beschrijft die dood en gaat ermee in gevecht. Ik ken geen ander boek van Roth waarin zoveel over literatuur wordt gesproken – tenzij het de Ghost Writer moet zijn. Ook in dat opzicht is Exit Ghost een afsluiting. De kern van de afsluiting zit in dat derde hoofdstuk. De rest, de aftakeling van de schrijver die de aftakeling van de cultuur is, die de aftakeling van de literatuur is, die enz., is een veel te dikke verpakking voor het gevecht van Zuckerman. Dat hij verliest, voorspelbaar verliest – anders was er geen boek – en voorspelbaar van Kliman (Killman, Klimax, Klisma?) verliest. Kliman, Amy en Zuckerman. Die hadden volstaan. Zuckerman had een beter afscheid verdiend.

29 oktober

-0-

 

Humaan

Een uurtje geleden, zo rond half negen, op radio 1 is parlementariër Hans van Baalen aan het bekvechten met Europarlementariër  Thijs Berman. Het gaat over Guantanamo Bay en de vraag of de rechteloze gevangenen aldaar ‘humaan’ worden behandeld en of Nederland bereid moet zijn om die gevangenen waarin de VS niet langer geïnteresseerd zijn over te nemen. Van Baalen zegt twee keer ja en wordt daar door Berman over gekapitteld.

Dat Guantanamo Bay humaan is mag tot de hoogtepunten van reactionaire idiotie worden gerekend. Van Baalen monkelt iets over een tropisch eiland en gevangenissen die nu eenmaal niet leuk zijn. Maar wel humaan. Beschamend. Op dat punt heeft Berman het gelijk helemaal aan zijn zijde vind ik. Voor mijn part roep je iets over moeilijke omstandigheden, niet eerder opgetreden veiligheidsrisico’s, nieuwe verhoudingen waar strafrecht enzovoorts nog niet op zijn berekend, maar het woord humaan gebruiken is pervers. Ik hoop dat van Baalen de eer aan zichzelf houdt en opkrast. Ik weet zeker dat hij dat niet zal doen. En Rutte is nog moe van het vorige royement.

De andere kwestie is ingewikkelder. Kennelijk zijn de Amerikanen er achter gekomen dat een aantal van de door hen illegaal verzamelde gevangenen informatief oninteressant is. En verder hebben ze er ook geen zin in: in de VS zijn ze niet welkom. Waar dan wel? Het is de vraag of ze over papieren beschikten, destijds. Het is de vraag of, als ze al papieren hadden, die erkend worden door het land dat ze heeft uitgegeven. Laat staan in een ander land. Laat staan met als merkteken een verblijf in Guantanamo: is het niet zo dat waar rook is vuur is? Enzovoorts. In Nederland weten we, na het régime van Verdonk, hoe eenvoudig het is om de bewijslast voor vreemdelingen zo hoog te leggen dat er menselijkerwijs (humaan gesproken als het ware) niet aan kan worden voldaan. En dan krijgen we nota bene van Baalen, die genade voor recht wil laten gelden? Dat kan niet. Ik kan me niet indenken dat van Baalen ook maar iets gelegen is aan de gevangenen van Guantanamo Bay. Hem is iets gelegen aan het probleem van de Amerikanen. Hij wil geen gevangenen helpen maar de VS. Mag, maar heb het lef dat te zeggen.

Ik ben een voorstander van het opnemen in Nederland van die gevangenen. Niet om de Amerikanen te helpen. De Amerikanen verdienen op dit punt geen enkele hulp, ze verdienen te worden aangeklaagd en een humane opvang van onterecht vastgezette mensen is daar niet mee in tegenspraak. Er is ook weinig op tegen om van die opvang inderdaad een demonstratie tegen de VS te maken. Per slot, als het landen betreft die ons onwelgevallig zijn dan hebben we nooit problemen gehad de opvang van slachtoffers te verbinden met politieke verontwaardiging en de roep om sancties. Nu niet? Nee, nu niet. Het CDA wil niet nog meer oorlogsmisdadigers want we hebben en berechten er al zoveel. Een ten opzichte van de gevangenen in Guantanamo Bay misdadige opvatting maar in Nederland kom je ermee weg. En SP en PvdA zijn het eindelijk eens: niet ons probleem.

Zolang het humanisme aan de politici is overgeleverd zou je bijna naar de goden terugverlangen.

28 oktober

-0-

 

Hulp

In de bijlage Opinie & Debat (NRC H) van dit weekend staat een mooi artikel van Ferdinand van Dam (voormalig Wereldbank bewindvoerder en voormalig ambassadeur bij de OECD) over ontwikkelingshulp. Hij betoogt (1) dat de hulp eerder de prioriteiten van de verstrekkende landen en instanties verraadt dan de vraag van de ontvangende landen (‘Het lijkt onwaarschijnlijk dat de behoeften van de ontwikkelingslanden veranderen per kabinetswisseling in Nederland’), (2) dat elk ontwikkelingsland met enkele honderden hulpverschaffers tegelijkertijd te maken heeft (‘De huidige situatie van meer dan 200 elkaar beconcurrerende verschaffers van hulp is rondweg bizar’) en (3) dat in elk geval de Nederlandse ontwikkelingshulp achterhaald is door de grote veranderingen in het internationale kapitaalverkeer en de internationale handel (‘Het ontwikkelingsvraagstuk wordt daardoor in een kader geplaatst dat niet meer relevant is’). In plaats van amandelboompjes kan Koenders zich beter bezighouden met, bijvoorbeeld, de bescherming van natuurlijke hulpbronnen (inclusief grondstoffen: de jacht op grondstoffen is volgens van Dam het meest adequate tegenwoordige perspectief om te begrijpen waar ontwikkelingshulp voor staat en wie nu eigenlijk wie helpt) en van het milieu. Niet makkelijk in Afghanistan, maar wel zo relevant.

Het betoog van van Dam kan vrijwel zonder aanpassingen worden toegepast op de internationale strijdmacht voor Uruzgan. Ook daar zijn het eerder de problemen van de NAVO (‘solidariteit’) die worden opgelost dan de problemen van de bevolking. Verder neemt het aantal deelnemende oorlogvoerende partijen alleen maar toe – met als voorspelbaar resultaat dat nog los van mandaten, heldere bevelsstructuren en de destructieve aanwezigheid van de Amerikanen (Enduring Failure), de transactiekosten veel hoger gaan uitvallen dan de transactiebaten. Die zijn er niet: meer is minder mogen we aannemen. En het ‘kader’? Dat is nog wel het grootste mysterie. Wij zeggen dat het met opbouw te maken heeft, en dat zeiden we eerder ook. Het was toen al weinig geloofwaardig en inmiddels zijn er ook niet veel meer mensen meer die er iets mee hebben. Behalve regering en parlement. Die al lang besloten hebben dat het zaakje doorgaat – wat de Afghanen er ook van mogen vinden.

Merkwaardige parallel overigens. Uit de berichten over de plannen die aan Vogelaar zijn aangeboden, plannen die tot prachtwijken zullen leiden, blijkt dat de wens om tot ‘achter de voordeur’ te gaan tot het gewone instrumentarium van de overheden en instanties gaat behoren. Wat de betrokkenen er ook van mogen vinden. De onverschilligheid voor mensen – hier en Afghanistan, al is daar een voordeur een voorrecht dat weinigen is vergund en dat elk onvoorspelbaar moment kan worden ingetrokken/vernietigd – is opvallend. Het is voor hun eigen bestwil, en wij weten wat dat is.

Van Dam stelt dat we voor ontwikkelingshulp geen apart ministerie meer nodig hebben, zo we het al ooit nodig hadden. Ontwikkelingshulp kan het best door Buitenlandse Zaken worden gedaan is zijn mening. Dat geldt wat mij betreft ook voor de binnenlandse ontwikkelingshulp voor de prachtwijken. Rouvoet en Vogelaar moeten gewoon een optrekje zoeken bij Binnenlandse Zaken. Buitenlandse Orde, Binnenlandse Orde. Hulp, dat zal ze leren.

27 oktober

-0-

 

Hospita

Tussen 1968 en eind 1971 huurde ik een kamer bij mevrouw van der Laan, in de Govert Flinckstraat 318” in Oud-Zuid. Zij verhuurde kamers omdat ze geen AOW wilde hebben. Die weigering verklaarde ze uit haar geloof, een schimmige variant van de gereformeerde leerstelligheden. Een eigen kerk had haar club niet. Ze was voor geestelijk voedsel afhankelijk van een spaarzame voorganger die op onregelmatige tijden de weinige gelovigen bediende. En van boeken (er kwamen veel boeken, allemaal gebonden, allemaal zwaar, en ik vermoed ook allemaal duur) en wat later van het Reformatorisch Dagblad. De Drie Formulieren van Enigheid zullen ongetwijfeld in alle bronnen een rol hebben gespeeld maar hoe en wat, daar weet ik het fijne niet van.

Dat Reformatorisch Dagblad was een tegenvaller voor me. Daarvoor las ze het Parool (in Trouw zag ze niks, hoe ik ook mijn best deed haar ervan te overtuigen dat Trouw beter was dan Parool en RD bij elkaar). Als zij de krant uit had kreeg ik hem, hoewel ze over de inhoud niet wilde discussiëren. Mevrouw van der Laan was eenzaam. Geen man, geen kinderen, geen vrienden of vriendinnen, zelfs geen familie. Alleen een hondje (net als zij oud en amechtig) dat jankte als ze een avond, door het geloof geroepen, niet thuis was. En kamerhuurders.

Haar clubje moet goed georganiseerd zijn geweest. Het abonnement op het RD kwam niet nergens vandaan en behalve de vele boeken kwamen er ook de nodige catalogi binnen met aankondigingen en aanbiedingen van nog veel meer boeken. Haar club mocht zich dan afzijdig gehouden hebben van allerlei vormen van erkenning door anderen en wars zijn van overheden en overheidsinvloed, dat was geen beletsel om de eigen mensen te vinden en aan te zetten tot de nodige uitgaven. Voor het goede doel neem ik aan, maar mevrouw van der Laan had een smalle beurs. Desondanks, of juist daardoor, zorgde ze goed voor haar huurders, met beschuitjes en thee, en koffie en koekjes. En met de krant. Ik was erg gesteld op mijn hospita.

Vandaag zouden we zeggen dat mevrouw van der Laan een fundamentalistische overtuiging aanhing: sektarisch, geïsoleerd, en met een maximale afstand tot de overheid. Over veel dingen – bijvoorbeeld het benauwende, dogmatisch vervormde, standpunt in het RD over de Zuid-Afrikaanse apartheid – viel eenvoudigweg niet te praten. Daar stond tegenover dat het zelfgekozen isolement kennelijk zo goed beviel dat er geen pogingen werden gedaan zieltjes te winnen onder heidenen zoals ik. Het loodzware, ik denk aan Siebelink’s Knielen op een bed violen, kende ze naar de buitenwereld toe alleen in de abstractie (‘het kwaad zit in de mensen’ – van die dingen). Het dagelijkse leven vatte ze daarentegen redelijk goedmoedig (tolerant?) op. Er zijn meer kleuren dan alleen de sektarische. Dat houdt het leefbaar.

Aan de andere kant, als de overheden geloofsovertuigingen en cultuur één op één op elkaar plakken en de cultuur wensen te homogeniseren wordt het allemaal wat minder leefbaar. In de jaren zestig en zeventig was dat nog geen probleem. Het was de tijd van de ‘subculturen’. Achteraf gezien, en in het licht van het huidige denken in monoculturen, had mevrouw van der Laan zich vast en zeker aan de kant van de subculturen opgesteld. Uit lot, niet uit eigen keuze of eigen wens. Lotgenoten kunnen bondgenoten worden. Ironisch. Mevrouw van der Laan is al lang dood en dus is haar uitgerekend deze ironie van de geschiedenis bespaard gebleven. Maar ik ben ervan overtuigd dat ze er beter mee had kunnen leven dan vele zich noemende liberalen.

26 oktober

-0-

 

Taalwijzer

Om als inburgeraar te snappen waar de eisen voor inburgering in bestaan is het zeer aan te bevelen al redelijk ingeburgerd te zijn. Anders kom je er niet uit. Tenzij je Zwitser bent natuurlijk, naast nog wat uitzonderingen (EU-landen en landen van de ‘Europese Economische Ruimte’ waaronder bijvoorbeeld Noorwegen), want als je daar vandaan komt ben je per definitie ingeburgerd genoeg. De Nederlandse taal, gebruiken en samenleving kennen is een selectief toegepast eisenpakket.

In het Parool heeft Sandesh Bhugaloo in 32 wekelijkse afleveringen verslag gedaan van zijn inburgeringscursus in Amsterdam. 31 van de 32 afleveringen zijn geschreven door zijn vriendin Ellen, de laatste van afgelopen maandag heeft hijzelf geschreven. Waard om nog eens als geheel te worden uitgegeven. Sandesh is geslaagd voor de cursus. Hij is fotograaf, 31 jaar, en komt van het eiland Mauritius. En heeft een Nederlandse vriendin. Hij is blij, schrijft hij, dat ze het inmiddels over meer dan alleen over boodschappen en eten kunnen hebben, in het Nederlands. En wat voor zijn conversatie met haar geldt gaat ook op voor de gesprekken met vrienden en met Ellen’s familie. Het staat er zonder cursivering of uitroeptekens maar het eenvoudige gegeven dat Sandesh niet alleen van een cursus afhankelijk is om z’n ervaringen met Nederland en het Nederlands te delen is ongetwijfeld van enorm belang. Ellen heeft kennelijk haar aanvankelijke gewoonte om Engels met hem te spreken verlaten. Dat scheelt.

Januari van dit jaar begon de cursus. Sadesh had daartoe een contract getekend (‘dat ik niet kon lezen’) en werd weer scholier. Vier dagen per week, vier uur per dag. Heeft-ie nog geluk gehad, want de klachten over niet-beschikbare cursussen bestaan nog steeds. De plichten van de inburgeraars zijn er (binnen drie jaar inburgeren, cursusaanbod of niet), de voorzieningen zijn een tamelijke chaos. In Amsterdam heeft men per deelgemeente minstens één kantoortje ingericht (een ‘servicepunt’) en daar de weidse naam Taalwijzer aan meegegeven. De gedachte was om inburgeraars zoveel mogelijk qua niveau en buurt bij elkaar te zetten. Het is een puinbak geworden. Bestaande aanbieders, het ROC voorop, moeten mensen de laan uitsturen omdat de deelgemeenten, en dus de ‘servicepunten’, niet weten hoe en waar mensen te plaatsen. Nieuwe aanbieders, klein en goedkoop want er vindt een heuse prijzenslag plaats, weten evenmin waar ze aan toe zijn. Ach, zegt de gemeente, de ‘aanlevering’ gaat inderdaad wat traag maar dat komt ook door een nieuwe wet (de Wi, opvolger van de Win, zijn we er nog?) en dan heb je altijd wat aanloopproblemen. Benieuwd of de betreffende woordvoerder even goedmoedig zal reageren als er aanloopproblemen blijken te zijn bij zijn salarisovermaking.

Ook de mensen die zoals Sadesh al wel in een cursus zijn geplaatst worden geraakt door de machteloosheid van de verantwoordelijken. Die zich oudergewoonte aan hun verantwoordelijkheid onttrekken en elkaar de zwarte piet toespelen. Tijdens de rit krijgen docenten ontslag aangezegd, worden overgeplaatst, en cursisten worden van de ene groep naar de andere groep overgeplaatst. Sadesh vertelde een keer over een jongen die nogal wat met hem optrok en plotseling niet meer. Tot zijn verdriet want niet iedereen heeft zoals Sadesh een vriendin die misschien nog wat licht in de krankjoreme duisternis kan verschaffen. Taalwijzer? Doolhof was een betere aanduiding geweest. Er wordt maar wat met mensen gesold. Who cares. De kosten worden hoe dan ook afgeboekt op de inburgeraars. En hun docenten. Welkom!

25 oktober

-0-

 

Solide

Kun je solidair zijn met een stel leugenaars? Volgens de Amerikanen wel want zij beklagen zich over het gebrek aan solidariteit in de NAVO, de Nieuwe Afghaanse Vrijwilligers Organisatie (ik herinner me nog uit Marcuse, One Dimensional Man, de tip om af en toe een afkorting terug te vertalen in waar het ook weer voor stond). Elders in de wereld beklaagt een niet bij naam genoemde centrale bankier zich over de VS die ook ‘de afgelopen zeven jaar’ van het IMF een rotzooi gemaakt hebben. Dat krijg je met landen die denken dat voor reflexiviteit geconditioneerde reflexen volstaan. Die andere landen de maat nemen en zichzelf daarvan verschoond achten. En daarmee wegkomen. Tot de solidariteit minder solide blijkt. In de IMF een kwestie van tijd. En in de NAVO? De Amerikanen zijn er niet helemaal gerust op.

Raar, geen parlementariër te vinden in de berichten over Noordwijkerhout waar de solidariteit van de NAVO zal worden uitgetest. Denken ze soms dat na dit beraad de ruimte om een ‘eigen beslissing’ te nemen groter is geworden? Wouter Bos laat vanuit Washington weten dat het niet vanzelf spreekt dat Nederland in Uruzgan zal blijven. Had het in zijn geval niet meer voor de hand gelegen om de positie van Nederland ten opzichte van de VS in de IMF ter sprake te brengen dan op de valreep en vanaf de zijlijn zich met de portefeuille van Middelkoop te bemoeien?

Het NAVO beraad in Noordwijkerhout vindt plaats in Nederland en gaat over Nederland. Langzamerhand heeft Nederland de situatie gecreëerd waarin het zichzelf onmisbaar heeft gemaakt. Nederland is niet onmisbaar uiteraard, maar voor de bühne ziet het er wel zo uit en het maakt je belangrijker dan je bent. Eventjes. De uitkomst van Noordwijkerhout zal zijn dat Nederland het eigenlijk niet meer kan maken niet te verlengen. In het parlement zullen een aantal partijen opgelucht adem kunnen halen. Er is al beslist en dus kunnen zij van hun falen een ‘leermoment’ maken om het in de toekomst – in de toekomst – beter te doen. Volgende keer doen we het anders. Het kabinet schuift, de Kamer wacht af tot er niet meer geschoven kan worden en zal dan, met moeite want het gaat om een ‘zware’ beslissing, akkoord gaan. Dat is falen. Waarmee gaan ze eigenlijk akkoord? Merkwaardig genoeg wordt die vraag gesteld noch beantwoord. In het voetbal heb je verlengingen. Daarbuiten ook, als de kans op succes redelijk groot is wanneer een termijn wordt verlengd. In Uruzgan geldt noch het  voetbal, noch de kans op succes.

In Noordwijkerhout gaat het om power play. Dat heeft net zo veel met solidariteit te maken als een voetbalwedstrijd met fair play. Zeker in een verlenging.

24 oktober

-0-

 

Poeslief

Al in 1935, kort na het overlijden van Albert Funke Küpper, verscheen – uiteraard bij de Arbeiderspers – een ‘in memoriam’ boek, gevuld met schetsen, tekeningen en ander werk van hem, destijds de grote politieke tekenaar van de Nederlandse arbeidersbeweging. Het is een mooi boek. Mijn vader had het (het is nu in mijn bezit) en ik keek er graag in. Een paar van zijn tekeningen zullen me altijd wel bijblijven. Waarom die wel en andere niet, ik weet het niet.

Eén ervan heeft als titel ‘het roomse poesje bij de staatsbegroting’. De tekening bestaat uit een boel kleine schetsjes, steeds met aan de rechterkant van het beeld een volstrekt onbeweeglijke en onbewogen Colijn en aan de linkerkant een zwarte kat die, schetsje na schetsje, van een woedende furie in een steeds liever en uiteindelijk poeslief beestje verandert. Een nuttige politieke opvoeding zullen we maar zeggen en niet beperkt tot het roomse deel van de politiek.

Aan die tekening moest ik denken toen ik gisteren de reacties las van enkele PvdA Kamerleden op het ‘uitlekken’ van een  defensienota over de verlenging van de Nederlandse aanwezigheid in Uruzgan. Woedend waren ze. Dit muisje zou een staartje krijgen! Nou en of! Onze kaarten uit handen geven! Niet meer zelf kunnen beslissen! Vanzelfsprekend, het was aan Middelkoop om de schuldigen te straffen maar niettemin! Enzovoorts.

Niet meer zelf kunnen beslissen? Niet zelf willen beslissen ligt meer voor de hand. Van het begin af aan niet zelf hebben durven beslissen, dat is de teneur van in elk geval ook de PvdA geweest bij het ‘debat’ over Uruzgan. De Kamerleden zullen maar wat blij geweest zijn met het ‘lek’. Het is een geschenk voor ze. Stoom afblazen, heerlijk. Graag anders hebben willen beslissen maar door de omstandigheden (een trouw bondgenoot zijn en dat soort geblaat) niet anders meer kunnen. Eerst Middelkoop zelf, en nu een lek ergens. Weer Middelkoop? Dat ligt niet voor de hand. Als het ook dit keer Middelkoop is geweest ga ik ernstig denken aan het eindelijk gevonden Godsbewijs want uit zichzelf komt onze goede minister van Defensie er niet op om te lekken. Goh. Zouden er foto’s van genaakt zijn die inmiddels niet meer terug te vinden zijn? Voorspelbaar eindresultaat: de PvdA steunt de verlenging. Van harte.

 
23 oktober

-0-

 

Hype

Economie is de wetenschap van het rondzingen. Mensen praten elkaar na, porren elkaar op en houden zo de moed erin. Of het omgekeerde: dan wordt moed angst en rent iedereen naar de bank. Recent weer voorgekomen.

Het is een interessante vraag waarom oktober zo’n favoriete maand is voor beurstroebelen. De grote beurscrash van 1929 begon in oktober, net zoals de grote crash van 1987. Het nieuws vanochtend was dat de beurzen in Azië met fors koersverlies zijn gestart, in reactie op de dalende indexen in de VS bij de sluiting van de beurs afgelopen vrijdag. Dat was, net als in 1987, de 19de oktober. Interessant toch, de herfst. Bij uitstek het mooiste seizoen van het jaar (ik kan het weten want afgelopen week waren Elly en ik in de Morvan en het was er weer mooier dan ooit) en tegelijk economisch zo kwetsbaar. De exploderende olieprijzen  met als achtergrond de instabiliteit in het Midden Oosten, de zwakke dollar waar ook de G7 landen niks mee aankunnen, de crisis op de Amerikaanse huizen- en hypothekenmarkten, het heeft er allemaal mee te maken, maar waarom toch die zenuwachtigheid in oktober? Voer voor psychologen, om de laatst overgebleven grote Nederlandse schrijver van mijn generatie aan te halen.

Als Robert Shiller het over psychologie heeft bedoelt hij communicatie. Bij hem wordt economie een wetenschap over economische communicatie. Het elkaar iets aanpraten is daar een belangrijk facet van, evenals de straf op het bederven van de stemming. Galbraith wees er al op in zijn heruitgave van zijn klassieker over de Great Crash. Charles Kindleberger hoort in hetzelfde gezelschap oplettende, communicatief georiënteerde, economen. Shiller sluit aan. Het goede nieuws is natuurlijk dat het financiële gebeuren inmiddels zo verzelfstandigd is dat de effecten van een financiële crash op de ‘reële’ economie eerder kleiner dan groter worden (1987 was voor Azië erger dan voor de VS en Europa). In 1929 stortte alles in, in 2007 benaderen centrale banken hun particuliere collega’s met wenken, aanbevelingen en belastinggeld om niet voortijdig in paniek te raken. En het werkt, want het dempt. Men leert niet wat wel, maar een beetje wat niet gedaan moet worden.

In een interview met NRC Handelsblad van 13 oktober geeft Shiller een paar mooie voorbeelden van hoe mensen elkaar besmetten met goed dan wel slecht nieuws. Beleggingsadviseurs zeggen tegen hem: je hebt gelijk met je scepticisme en relativeringen maar ik kan er bij mijn baas niet mee aankomen. Als ik het zou doen dan is ontslag waarschijnlijker dan een compliment voor m’n oplettendheid. En dus gaan we verder, verder dan nodig en moet uiteindelijk de wal het schip maar keren. Zo ontstaan, mede, zeepbellen. Hypes dus.

Interessant. Het geeft aan dat organisaties een conventionele economische theorie uitventen die ze door hun eigen gedrag onmiddellijk ondergraven. De economische theorie is dat we allen eenzaam zijn en in die eenzaamheid alle anderen alleen als middel zien om onze eigen nutshuishouding te bevorderen. De organisatiewerkelijkheid is dat we ons allemaal als gelijkgezinden dienen te uiten omdat er anders nooit gepiekt gaat worden. Dat er dan ook gedaald moet worden: ach, dat is opnieuw iets voor de anderen. Ongelukken gebeuren maar wij rijden schadevrij.

Dat in pieken en dalen de economie niet een verzameling van eenzamen is die elkaar niet, maar een gezelschap van eenzamen die elkaar wel degelijk waarnemen en uit die waarneming hun handelen afleiden: dat is de les van Shiller die we tegelijk wel en niet kunnen toepassen. Economie is en blijft communicatie tussen communicatief gehandicapten.

22 oktober

-0-

 

Veel fiducie

Van Beleidsbegroting Tot Beleidsverantwoording is een overheidsprogramma om meer inzicht te bieden in waarom we waaraan en met welk resultaat belastinggeld spenderen. Het programma loopt al geruime tijd – en kent een één op één relatie met de klachten over de ‘kloof’ tussen politiek en burger.

Dat zal niet verbazen want de achtergrond van het programma is dat de overheid in dienst is van de burger. De burger is de opdrachtgever, de overheid is de opdrachtnemer. En omdat belofte schuld maakt en het programma niet effectief is spreken we van een kloof. Tussen wat we verwachten – en waartoe we opdracht hebben gegeven – en wat we krijgen. Het is een soort corporate governance voor de publieke zaak – met de burger als aandeelhouder en de overheid als een bedrijf dat efficiënt gerund moet worden. Een bedrijf dat ‘producten’ levert. Die het ‘in de markt zet’ als de producten het toelaten, dan wel ze aan de burgers aanbiedt en verantwoordt of de ingezette middelen goed (effectief en efficiënt) zijn besteed.

De producten moeten concreet en meetbaar zijn: zoveel minder misdaad, zoveel meer beantwoorde zorgvraag, zoveel meer startkwalificaties, zoveel minder schooluitval, zoveel minder
uitstoot van koolmonoxide, zoveel minder dikke, rokende, drinkende, werkloze, arbeidsongeschikte, niet-geïntegreerde, niet-participerende mensen enzovoorts. Soms wordt er een karikatuur van gemaakt (zoals ex-minister Remkes die de politie een ‘target’ oplegde met betrekking tot het aantal te scoren bekeuringen) maar gebruikelijker is dat (1) het parlement de opdracht oppakt, door geeft en slechts op de uitvoering toeziet, (2) de regering de opdracht van het parlement oppakt, doorgeeft en slechts op de uitvoering toeziet (3) de uitvoerder (bij voorkeur ‘verzelfstandigd’) de opdracht van de regering oppakt, doorgeeft en slechts op de uitvoering toeziet en (4) enzovoorts. Zodoende hebben we veel besturen, nog meer toezicht en een hinderlijk gebrek aan uitvoerenden (‘professionals’). Dus vragen we om meer professionals en minder ‘managers’. Of beter: we vragen managers aan om professionals aan te vragen.

Nog veel meer last hebben we als product A pas werkt als ook producten B, C, en D werken. Immers, we hadden de zaak nu net in afzonderlijke productiecentra georganiseerd. Dus klagen we over gebrek aan samenwerking, gebrekkig functionerende ‘ketens’ en nog veel meer. Zelfveroorzaakte complexiteit uiteraard maar er zijn te veel belangen, prestiges en carrières verbonden aan de situatie om van de belanghebbenden een uitweg te verlangen. De rituele dans vereist dat om de zaak te verbeteren de ene partij roept om nog meer verzelfstandiging (marktwerking, privatisering) en de andere partij om het ‘terugdraaien’ van de verzelfstandiging. Beide partijen delen gelukkig wel dat de burger de opdrachtgever is en blijft. Continuïteit gegarandeerd.

Afgelopen weekend stonden de kranten vol met de resultaten van het ’21 minuten’ onderzoek. Veel van dit onderzoek ging over de prestaties van de overheid. Wat blijkt? Veel fiducie heeft men er niet in. Goh. Of eigenlijk: wie de zaak zo opzet dat de fiducie in elkaar is weggeorganiseerd (toezicht!) mag niet klagen als de mensen er geen fiducie in hebben.

12 oktober

-0-

 

Referendum

In een doos heb ik nog een prachtige foto van mijn vader, aan het begin van een schaakpartij en voor het eerst van z’n leven aan het eerste bord. Het is een afdruk van de foto die destijds in het Utrechtsch Nieuwsblad stond, en door dezelfde krant aan ons geschonken. De foto is genomen bij het begin van een schaaktoernooi in de tweede helft van de jaren vijftig. Niet zo maar een toernooi want de eerste zet werd gedaan door de burgemeester van Utrecht, jonkheer de Ranitz. Die staat ook op de foto, ter meerdere eer en glorie.

Al een tijdje heb ik de indruk dat ik net op tijd weg was uit Utrecht. De vandalen die een prachtig station, een prachtige stationswijk met het mooiste Jugendstilgebouw van Nederland, een halve singel met de mooiste bomen ter wereld hebben vernietigd om er Hoog Catharijne neer te zetten, daar begon het mee. Vooruitgang, toe maar. De wijken waar ik heb gewoond (Zuilen, Kanaleneiland) hebben nu de betekenis van ‘probleemwijken’. Aangrenzende wijken (Ondiep, later Overvecht) ook. Nu moeten het pracht- of krachtwijken worden. Alleen al de kinderboekenbenaming geeft aan dat de mensen in die wijken niet serieus worden genomen. En overigens heeft FC Utrecht nooit kunnen vervangen wat Elinkwijk, DOS en Velox – afzonderlijk en in competitie met elkaar – te bieden hadden.

Een referendum is een volksstemming. Een verkiezing is geen referendum. Een verkiezing die geen verkiezing mag heten is geen referendum. In Utrecht denken ze dat wel en ze hebben zelfs nog twee mensen gevonden om als prijzen op te treden in een verloting waar niemand aan wilde. Ik ken m’n eigen karakterloosheid en weet zeker dat als er iets serieus te winnen was geweest ik was gaan stemmen als ik had gemogen. Maar dit waren geen prijzen en dat kunnen Pans en Wolfson in hun zak steken.

Degenen die hebben gewonnen zijn de tegenstanders van het referendum. Ze hebben een naam geplakt op een schertsvertoning en dus heette het plotseling een ‘referendum’. De Tweede Kamer heeft onmiddellijk gereageerd: nooit meer burgemeestersreferenda. Nee maar. Hoe erg kan het nog worden met onze politieke vertegenwoordigers? Per referendum vervangen door hun partijdige klonen? Ik ben geen voorstander van referenda maar hier ben ik niet blij mee. Een gekozen burgemeester is geen referendaris. Een benoemde burgemeester ook niet. Een burgemeestersreferendum gaat over de vraag of we een burgemeester moeten hebben of, bijvoorbeeld, alleen een college van wethouders met al dan niet roulerend voorzitterschap van één der wethouders. Whatever. Als het maar geen referendum over lood of oud ijzer is. Een burgemeestersverkiezing: ja, dat zal wel over lood of oud ijzer gaan. Het probleem in Utrecht was niet dat er niks te kiezen was. Het probleem was dat de burger niet mocht kiezen. Utrecht heeft de weg terug nog niet gevonden. En van Den Haag hoeft het niks te verwachten. Weke democratie en dat in de week van de democratie.

11 oktober

-0-

 

Dawa

Van dawa tot jihad: dat is de titel van het meest recente geschrift van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Dawa betekent oproep; de nota van de AIVD is in zijn soort eveneens een oproep. Een oproep om de dreigingen van de radicale islam tegen te gaan. Bedreigd wordt de democratische rechtsorde. Dat is de orde die binnen een samenleving is voorgeschreven, verticaal (tussen burgers en overheid) en horizontaal (burgers onderling).

Overheid en samenleving worden door de AIVD strikt nationaal beschouwd. Raar, Europese rechten, de rechten van de mens, een samenleving die niet ophoudt bij Vaals of Lobith: bekende dingen, maar niet voor de AIVD. De vraag naar de status van overheden, noch naar samenlevingen die al lang de nationale grenzen hebben overschreden wordt niet gesteld.

Waar het de AIVD met name om te doen is betreft de ‘horizontale’ orde. Dat is verontrustend, want in de verticale orde komen de burgers op steeds grotere achterstand te staan tegen de nationale wetgevers, politiediensten, en justitie. De steeds verder reikende bemoeienis van de AIVD is er overigens zelf ook een uiting van. Dat onderstreept het belang van de bovennationale wet- en regelgevers, zoals de Raad van State recent nog mocht ondervinden naar aanleiding van een interventie van het Europese Hof van Justitie. Voor de AIVD echter bestaat dat Hof niet.

Radicalisme is de steen des aanstoots voor de dienst. Radicalisme gaat niet over gebeurtenissen maar over een ‘streven’. Op het vlak van gebeurtenissen hebben we in de recente geschiedenis tal van ‘verregaande hervormingen in de samenleving (op politiek terrein, op economisch vlak of wat betreft belangrijke sociale instituties)’ meegemaakt die overigens eerder wel dan niet bewust zijn nagestreefd. De EU (de monetaire unie bijvoorbeeld, de grondwet die geen grondwet is, Schengen, migratie van arbeidskrachten), het in Europees verband en daarbuiten globaliserende bedrijfsleven, de erkenning van homohuwelijk en geregistreerde partnerschappen enzovoorts: weinig stenen zijn onberoerd gebleven. Radicaal? Dat laat zich raden.

Maar daar gaat het de dienst niet om. Voor hen  is radicalisme het ‘(actief) nastreven en/of ondersteunen van diep ingrijpende veranderingen in de samenleving, die een gevaar kunnen opleveren voor (het voortbestaan van) de democratische rechtsorde (doel). eventueel met het hanteren van ondemocratische methodes (middel), die afbreuk kunnen doen aan het functioneren van de democratische rechtsorde (effect)’. Zo staat het er. Ik wist altijd wel dat ik een radicaal was – soms ben ik gewoon autoritair, vraag het maar aan mijn kinderen, of, toegegeven, aan Elly – dromend van clubjes die zichzelf regisseren (en daar de AIVD niet bij in de buurt wensen te hebben) en met een opvatting van democratie die veel radicaler is dan de AIVD voor wenselijk houdt.

Voor zover ik kan nagaan leidt de opvatting van de AIVD tot een diep ingrijpende verandering in de samenleving (de verticale as slorpt de horizontale op), te realiseren  met weinig democratische middelen (de ‘heimelijkheid’ die de dienst in alle schakeringen tussen dawa en jihad bespeurt is z’n eigen keurmerk) en met beklemmende effecten op het functioneren van de democratische rechtsorde, zoals ik die versta. De AIVD ‘streeft’ ernaar radicaal grenzen te overschrijden die het voorrecht zijn van de horizontale en verticale bevoegdheden van de burgers. De AIVD rukt op van een oproep naar een heilige strijd. Zelden heb ik een rakere titel van een rapport mogen begroeten.

10 oktober

-0-

 

Tank

Vanmiddag presenteert de Stichting Nationale DenkTank zijn ‘voorlopige bevindingen’ van een onderzoek naar onderwijs. Kennelijk om het voorlopige op het pad van de eeuwigheid te schoppen is een persbericht uitgegeven met enkele ‘waarnemingen’. Waarnemend denken leidt tot conclusies over onderbenutting van talenten (7 miljard), een mismatch onderwijs en arbeidsmarkt (1½ miljard), een lerarentekort (7 miljard) en een tekortschietende – te weinig professionele – schoolorganisatie die niet weet in te spelen op vele politieke en maatschappelijke ‘issues’ (onbetaalbaar). Bij mij telt dat op tot 15½  plus een PM, maar de kopregel van het bericht luidt: onderbenutting talent en tekorten op arbeidsmarkt kosten Nederland 16 miljard per jaar. Oplossingen volgen (19 december weten we wat we moeten doen).

Wat is deze stichting? Dat komen we niet echt te weten, want de stichting beantwoordt deze vraag – die zij zichzelf stelt – met een weergave van het doel van de stichting. Dat doel is ‘innovatie te stimuleren door het opbouwen, onderhouden en faciliteren van een multidisciplinair netwerk van ondernemende en creatieve mensen. De stichting brengt mensen bij elkaar met een brede blik en maatschappelijke interesse, en stimuleert ze om buiten de bestaande kaders te denken. Het netwerk vormt zo een brug tussen overheid, wetenschap en bedrijfsleven, en bevordert kruisbestuiving tussen verschillende disciplines. Het fungeert als broeinest voor vernieuwende ideeën, maatschappelijke initiatieven en ondernemingen’. Het ‘zo’ is een vondst, evenals een netwerk dat tegelijk een brug, een broeinest en een kruisbestuiver is. Ik kan niet eens bedenken wat dat voor een soort denken is, en al helemaal niet waarom een tank als metafoor wordt gebruikt. Een netwerktank? Een creatieve, innoverende tank? Een modulaire tank met, net als de succesvolle onderneming,  evenveel openingen als ‘uitdagingen’?

Wat is trouwens nou helemaal 16 miljard? De hypothekencrisis kost een veelvoud en niemand die er om maalt. Begrijpelijk want het geldcircuit is als het weerbericht: elke kleine verstoring wordt geregistreerd en de uiteindelijk grote gevolgen – stormen, orkanen – zijn pas te voorspellen als er al niks meer aan te doen is. Gewoon, een paar kleine verstorinkjes zijn bij elkaar gekomen, gaan hun eigen, niet te sturen, combinaties aan en het einde is zoek. Onrustbarend toch? We hebben het niet voor niets steeds vaker over het weer. Tegen die achtergrond is er een schreeuwende behoefte aan geruststellende mededelingen, zekere uitspraken en een geloof in creativiteit – vooruit: innovatie – dat als eenheid van magie en rite heel aardig voldoet maar de aloude paraplu niet kan vervangen. Het bancaire regeltje – je plu uitlenen als het droog is en hem terug willen als het gaat regenen – staat nog altijd als een huis, ook al is de financiering van het huis slecht gefundeerd. Om dat te weten heb je geen tank nodig, zelfs geen denktank die niet denkt maar netwerkt aan schijnzekerheden en bezweringsformules. De Nationale DenkTank zal niet denken. Daar is hij ook niet voor denk ik. De kern van de stichting is niet het denken en evenmin de tank. Het is de nostalgie van het nationale in een fris ogend jasje: een versleten combinatie van het archaïsche en meest moderne. Mode dus. Jammer dat we niet goed meer weten of de najaarscollectie nog wel aansluit bij het weer.

9 oktober

-0-

 

Land, land!

Als we toch met titels bezig zijn kan deze ook wel. En letterlijk is het niet, want Sandor Marai had nog een paar puntjes aan het einde van de titel. Belangrijke puntjes, want omineus. Ik heb het echter niet over Marai maar over Scheffer en dan zijn de puntjes helemaal overbodig. Land van Aankomst had ook Land van Herkomst kunnen heten, als die titel al niet bezet was, of Land van Toekomst of, misschien nog beter in mijn perspectief, Land van Bekomst. Doet er niet toe. Land, daar gaat het om bij Scheffer. Aan het land kleven herinneringen (de ‘natie’: wat we waren), en het land is schaars. Ruimte is schaars en daar is onze staat op gebouwd. Een staat plus herinneringen: de natie-staat. Een staat met herinneringen waar we vandaan zijn gekomen. Twee keer ruimte, de ene keer die van het kadaster, de tweede keer die van herkomst. Herkomst is aankomst, aankomst herkomst.

Wat had ik willen weten? Natuurlijk in hoeverre de natie-staat nog een richtinggevend idee is, kan zijn en eventueel zelfs moet zijn voor de huidige maatschappij en politiek. Dus, bepalen ruimte en herinneringen aan een verondersteld gezamenlijke inrichting en uitbating van die ruimte niet alleen onze verlangens maar ook ons heden en onze toekomst? Die vraag, de vraag van Guéhenno, ontbreekt van begin af aan in Scheffers boek. Daarom was het al verouderd voordat het het licht zag. Land, land! Inderdaad. Welk land ook al weer? Welk kadaster gaat er over? Welke belastingheffing doet er in dat land nog toe? Is het de ruimte of de ‘human resource’ die schaars is in een vernetwerkte wereld? Is het de opbrengst van de grond die we belasten of de enkele mogelijkheid – die iedereen heeft – om ruimte beschikbaar te stellen omdat we toch ergens, zij het tijdelijk, wendbaar en makkelijk verplaatsbaar, onze voetstappen moeten neerzetten? Is de natie-staat niet de herinnering aan een traagheid waar we nog van dromen – en die droom willen we afstaan noch delen – maar waarvan we weten dat het een droom is die het aflegt tegen de onrust, de omstandigheden, de irritatie van alledag? Worden we bepaald door de ruimte of door de omstandigheden? Guéhenno stelt de vraag en beantwoordt hem door het als een retorische vraag op te vatten. Zijn vraag is met de val van de Muur beantwoord. De val van de Muur was niet het einde van de Tweede Wereldoorlog, niet de ondergang van de bolsjewistische experimenteerlust maar van 1789, van de geboorte van de natie-staat met een volkssoevereiniteit die we langzaam in een parlementair democratisch habijt hebben gekleed.

Afgelopen donderdag stond een groot artikel in NRC-H over de sluipende opmars van een Europees burgerlijk wetboek. Het was begonnen met een voorstel om de consumenbelangen Europees vorm te geven. Het breidde zich uit tot de belangen van aan elkaar leverende producenten. En het eindigt met een Europese vormgeving van het recht met betrekking tot contracten, overeenkomsten, verbintenissen: een Europees BW. Men – politici, beleidmakers – staat erbij en  kijkt er naar. Moet het  worden vertraagd, omgebogen, gestopt?  In Den Haag is het stil. Met uitstekende redenen overigens. Iedereen weet dat hier niet een ‘land’ spreekt, en evenmin ‘Europa’. Wat spreekt is de relatie tussen, bijvoorbeeld, Europa en de VS en het is die relatie die beslissender is – men denke slechts aan accountancy en waarderingsregels – dan alle geneuzel over een Europese ‘superstaat’ en het verlies van ‘nationale soevereiniteit’ bij elkaar. Scheffer heeft een boek geschreven voor de borreltafel waar nette mensen zich afvragen waar het allemaal heen moet. En voor de borreltafel is het boek uitermate geschikt: veel weetjes, een sausje waarmee we allemaal worden aangesproken zonder precies te weten waarop, en een dunheid van bewijsvoering en argumentatie die voor alle deelnemers genoeg ruimte overlaat om ook wat in te brengen. Ruimte! Land! Ging het daar niet om?

8 oktober

-0-

 

Het Easterlin-effect

In cahier 2007-9 van het het Wetenschappelijk Onderzoek- en documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie, staat een interessant hoofdstuk van Johan van Wilsem (Universiteit Leiden). De titel is: ‘Cohortgrootte en geweldscriminaliteit. Het Easterlin-effect onderzocht in 20 landen’. Het Easterlin-effect bestaat erin dat grote geboortecohorten elkaar meer in de weg zitten dan kleine; ze moeten – ceteris paribus – harder concurreren om schaarse bronnen en één van de gevolgen is dat ze vaker betrokken zijn bij criminaliteit, als dader en als slachtoffer. Dat treedt met name op bij jongeren en jongvolwassenen; oudere cohorten zijn de smaak voor het misdrijf al weer wat kwijt. Het effect, gemeten voor geweldsmisdrijven, blijkt inderdaad te bestaan, voor jonge mannen en gekwalificeerd door de kwaliteit van het openbaar bestuur.

Niet alleen de omvang en leeftijd van een cohort doen er dus toe maar tevens de samenstelling van een cohort. Behalve mannen/vrouwen kun je daarbij denken aan autochtoon/allochtoon en de ontwikkeling van de omvang van de desbetreffende deelcohorten. Met andere woorden, als het aandeel allochtone jongeren toeneemt in het totaal van het aantal jongeren, mogen we dan verwachten dat er onder hen verhoudingsgewijs meer geweldsmisdrijven voorkomen? Ook dat is, in hetzelfde cahier, deels bekeken – voor minderjarigen (Ger Huijbregts en Erik Leertouwer, beiden WODC: ‘De invloed van etniciteit en pakkans op de geweldscriminaliteit van minderjarigen’). Met de pakkans is, en dat is aardig, ook de invloed van het ‘openbaar bestuur’ een beetje mee te nemen. Hoewel in de verklaring van geweldsmisdrijven in dat hoofdstuk geen rekening is gehouden met de omvang van de autochtone en allochtone subcohorten van de minderjarigen (en dus met het Easterlin-effect) worden wel de nodige gegevens vermeld waaruit inderdaad blijkt dat het aandeel allochtone minderjarigen in de beschouwde periode 1996-2005 snel is gestegen – en dat nog wel een tijdje zal blijven doen.

Ook in dat hoofdstuk blijkt dat omvang en groei ertoe doen. Twee illustraties: de omvang van het subcohort westerse minderjarige allochtonen is te klein om – zoals bij de niet westerse allochtonen – het gemiddelde geweldscijfer te beïnvloeden. Voordat we nu de ‘cultuur’ erbij halen: binnen het subcohort niet westerse allochtonen blijkt de ‘tweede generatie’ (kinderen in Nederland geboren) meer geweldsmisdrijven te plegen dan de ‘eerste generatie’ (net aangekomen allochtone jongeren). Cultuur? Eerder, conform het Easterlin-effect, dat de ‘eerste generatie’ klein is, en dalend, en de tweede generatie veel groter én groeiend. Laten we niet te haastig zijn met ‘cultuur’.

Het boek van Easterlin waarin hij zijn effect beschreef en toetste heet Birth and Fortune: The Impact of Numbers on Personal Welfare. Ik zal het snel aanschaffen. Zijn ‘effect’ was buiten de economische wetenschap – die hij beoefent- ook beschreven door sociologen met Peter Blau als grote inspirator van een grote stroom onderzoekers van minderheden, migratie, etnisch ondernemerschap, segregatie enzovoorts. De stelling is simpel: aantallen doen ertoe en hebben – onafhankelijk van cultuur, land van herkomst en ‘land van aankomst’ – structurele effecten. Sneu dat Paul Scheffer een slordige viereneenhalf honderd pagina’s vol moet schrijven zonder zich zelfs maar vergewist te hebben van deze elementaire analyses van getallen, reeksen en cohorten. Met als klein nadeel dat de oorzaak van jeugdcriminaliteit gezocht wordt in ‘cultuur’, het ‘tussen culturen in’ zitten enzovoorts. Ongetwijfeld, zal Scheffer zeggen. Jammer dat ik het vergeten ben maar er zijn meer dingen zoals ook, mede, niet te vergeten, daarbij te bedenken en nog wat meer. Want zo zit zijn boek in elkaar. Elk wat wils, spreekt, niks op tegen, maar jammer dat het menu wat ongebalanceerd is samengesteld. Voor mij hoeft geen enkel menu compleet te zijn, noch in balans. Als de suggestie van het tegendeel maar niet wordt gewekt.

7 oktober

-0-

 

Reddeloos

Vergist heb ik me niet. In het boek ‘Voor elkaar of uit elkaar?’ hanteren Paul de Beer en Ferry Koster een begrip van solidariteit waarin lotsverbondenheid én charitas beide broederlijk naast elkaar bestaan. Dan had het nog spannend kunnen worden want als de vraag was onderzocht hoe in dat begrip de ene component het had gedaan ten opzichte van de andere was ik nog iets nieuws te weten gekomen. Maar die vraag is niet onderzocht (en dan het boek ook beter ‘Met elkaar of zonder elkaar?’ kunnen heten). Zelfs bij de voor de hand liggende aangever (zowel in hun artikel in de Volkskrant van afgelopen zaterdag als in het boek) over het sterk gedaalde percentage bloeddonoren staan ze niet stil. Het wordt vermeld – gek, gaat tegen de stroom in, en dat is het dan. Dat er ooit een prachtboek (‘The Gift Relationship’ van Titmuss) over bloeddonatie is geschreven waarin het geven van bloed als een uiting van een relatie wordt beschreven is hen ontgaan. Inclusief de voor de hand liggende implicatie dat de sterke daling in het doneren van bloed misschien ook iets te maken zou hebben met een samenleving waarin veel mensen met veel andere mensen geen enkele relatie wensen te hebben. De vergelijking met orgaandonatie ligt voor de hand – maar wordt niet getrokken. Mijn stelling: die vergelijking wordt niet gemaakt omdat in beide, zoals in alle, soorten donatie relaties worden gethematiseerd. Een ‘met elkaar’ dus, en dat is niet hetzelfde en soms zelfs iets radicaal anders als ‘voor elkaar’.

Het is wat met die solidariteit. Als alles buiten de winkel (of ‘markttransacties’) ervoor in aanmerking komt wordt het compleet onhanteerbaar. Bovendien, waarom zouden gewone markttransacties er eigenlijk buiten vallen? Er is vast een argument te bedenken om niet alleen het verzenden maar ook de daaraan voorafgaande aanschaf van kerstkaarten, mond- of voetgeschilderde prentjes, zuivere koffie en wat al niet als solidariteit te zien. Waarom niet? In elk geval voor een deel zal het opgaan, nog los van de mensen die ervoor zorgen dat die spullen worden verzameld, verpakt, getransporteerd, gedistribueerd en verkocht. En het is, nog steeds in deze geest, heel wel denkbaar dat het belemmeren van de markt voor deze producten of diensten niet solidair is. En andersom: dat de aanschaf van je gewone roodmerk niet solidair is. Zo is er altijd wel wat.

Donner heeft in elk geval dankbaar van de voorzet  gebruik gemaakt. Hem werd het eerste exemplaar van het boek uitgereikt, gisteren in de Burcht. Hij hield een praatje waarin met name het nu vigerende ontslagrecht als weinig solidair, want geen zuivere koffie, werd gebrandmerkt. Het bevordert de insiders en is niet solidair met de outsiders. Een heel koor mensen hangt deze redenering aan. Dat het ontslagrecht even veel met solidariteit te maken heeft als het weerbericht kan de minister, en het koor, niet deren. Het ontslagrecht hebben we om de willekeur van de werkgever in te tomen. Dat we in de discussie al zo ver zijn gekomen dat het verbreden van de principiële mogelijkheid voor willekeur als solidariteit kan worden opgediend geeft aan dat het debat over het ontslagrecht – en dat over solidariteit – een tamelijk reddeloze aangelegenheid is geworden. Dat de werkgever, in naam van de solidariteit, eenzijdig mag beslissen over de vraag welke koffie zuivere koffie is geeft aan dat ergens onderweg iets is misgegaan.

Onderweg naar de Burcht gisteren zag ik op het Jonas Daniël Meijerplein iets raars. Rond de nek van de Dokwerker hing een enorme Engelse sleutel. De begeleidende tekst was dat ‘Gered Gereedschap’ 25 jaar bestond. Dat moesten we kennelijk weten. ‘Gered Gereedschap’ is een organisatie die afgedankt gereedschap verzamelt, opknapt en naar derde wereld landen zendt. Een solidaire organisatie is, die een beeld dat solidariteit belichaamt gebruikt om aan z’n bestaan meer ruchtbaarheid te geven. Solidair zijn door van verbeelde solidariteit een marketinginstrument voor je eigen zaakje te maken. Reddeloos.

5 oktober

-0-

 

Solidariteit

Vanmiddag ga ik naar een symposium over solidariteit (‘Voor elkaar of uit elkaar’), in vakbondsmuseum De Burcht. Er wordt een boek, geschreven door Paul de Beer en Ferry Koster, over solidariteit gepresenteerd en een debat gehouden over solidariteit. Afgelopen zaterdag schreven de Beer en Koster al een lang artikel in de Volkskrant, ter aankondiging en inleiding. Hun stelling was dat het wel meeviel met de vrees voor een afkalvende solidariteit.

Die inschatting deel ik niet maar dat komt omdat ik vermoedelijk wat anders tegen ‘solidariteit’ aankijk dan de auteurs. Mijn stelling zou zijn dat solidariteit gebaseerd is op twee uitgangspunten. De eerste is dat we in eenzelfde schuitje zitten. De tweede is dat we allen bijdragen aan het zeewaardig houden van het schuitje. Economen zouden kunnen zeggen dat solidariteit een investering in lotsverbondenheid is.

Een zo begrepen solidariteit wordt elke dag opnieuw afgebroken. Solidariteit is zo langzamerhand geen kwestie meer van lotsverbondenheid maar van een berekening van kosten en baten, van ‘incentives’, en dus van belonen en straffen. We investeren niet, we kopen een aandeel en trekken ons terug als het niet langer voldoende winstgevend is. En nemen een aandeel in iets anders. We doen altijd iets goeds – voor anderen toch? – we doneren, storten wat euro’s, en morgen zien we wel verder. En we oordelen over wat de anderen met onze generositeit doen. Zijn ze het wel waard?

We kunnen dat doen omdat we met hen niet langer een relatie hebben. Onze solidariteit is op weg een betuttelende charitas te worden. En die heeft niets met solidariteit te maken en alles met dwingelandij. Niet gebaseerd op wederzijdsheid maar op geen last hebben van. Geen last hebben van nare beelden, maar ook niet van geruchten over corrupte besteding, van ondankbaarheid, en al zeker niet van dat het niet heeft geholpen. Je moet je wel gedragen want anders trek ik mijn gave terug en draag jou voor om streng behandeld te worden of, uiteindelijk, buitengesloten te worden uit de wereld van acceptabele mensen.

Het voorbeeld voor solidariteit vandaag de dag is erg dicht bij huis. Dikke mensen. Meer en meer worden dikke mensen als een onwenselijk element in de samenleving gezien. En dan begint de moderne solidariteit die geen solidariteit is maar een charitas die eerst uitdeelt – als je je goed gedraagt – en vervolgens straft. Minister Klink, uiteraard ondersteund door Lans Bovenberg, heeft beide pijlen op zijn boog. De solidariteit wordt ondermijnd door een manier van kijken die een samenleving wil opbouwen door een samenleving te ontkennen. Een samenleving is een enorme variëteit aan gesprekken, aan communicatie dus, en het succes van een gesprek is het doorgaan op dat gesprek. Een samenleving opgebouwd uit beloningen en straffen is geen samenleving – de inzet is dat ze dankbaar hun kop houden, niet meer zeuren of op een andere manier onze aandacht vragen, leren van een tik op de vingers – maar een te temmen horde. Dikke mensen. Klink bedoelt: dikke ego’s. Van Kooten en de Bie wisten het jaren geleden al, van die solidariteit: samen voor ons eigen.

4 oktober

=0=

 

Inzien

De Tweede Kamer (SP, PvdA, CDA) wil dat het ‘kinddossier’ niet alleen elektronisch wordt maar ook meer data bevat dan waar aanvankelijk aan werd gedacht én toegankelijk wordt voor partijen buiten de jeugdgezondheidszorg.

Meer data. Uit het ‘prototype’ van zo’n dossier blijkt dat er drie rubrieken in zitten: actuele signalen, risico- en beschermende factoren en 9-maanden conclusies. Onder risico- en beschermende factoren vallen bijvoorbeeld ‘leeftijd moeder bij bevalling’, ‘emotionele warmte in het gezin’, en ‘bereidheid om hulp te aanvaarden’. De registratie is in handen van de jeugdarts en van verpleegkundigen. Bij de ‘signalen’ werd al door ex-staatssecretaris Ross-van Dorp opgemerkt dat ‘later’ ook signalen van de school en het maatschappelijk werk zouden kunnen worden ‘gekoppeld’ aan het dossier. En verder is het dossier ‘gekoppeld’ aan het ‘burgerservicenunner’, zodat bij verhuizing geen traceringsproblemen kunnen optreden. Welkom in de wereld. Maar, zo bezwoer Ross-van Dorp, privacyproblemen kunnen niet optreden want de clubs die de extra ‘signalen’ afgeven die aan het dossier worden ‘gekoppeld’ krijgen geen toegang tot het dossier zelf.

Dat is de Tweede Kamer niet genoeg. Er moeten meer ‘signalen’ in en, privacy of niet (niet dus), meer mensen moeten toegang tot het dossier krijgen. In het belang van het kind, dat wel. Een al zeer bedreigde privacy – want daar staat het dossier voor met z’n signalen en risicofactoren en beschermende factoren – wordt door de actie van SP, PvdA en CDA, direct bij het vuilnis gezet. Wel zo eerlijk zou je kunnen zeggen maar wel een eerlijkheid die de andere kant opgaat. De CU zal zich, afhankelijk van de instemming van Rouvoet, eventueel nog wel bij dit gezelschap voegen.

Elke keer als de Tweede Kamer wetten aanneemt heeft hij de neiging in de schoenen te gaan staan van hen die met die wetten aan de slag moeten: de ‘professionals’. Elke keer opnieuw leidt dat tot grotere of kleinere rampen. De Tweede Kamer had zo langzamerhand mogen weten dat ze het wettelijk apparaat niet moeten gebruiken om iets na te jagen maar om iets uit te sluiten. Dat vermindert het aantal mogelijkheden van de Kamer niet, maar het verandert wel de richting van z’n nijvere acties. Op dit moment is de Kamer bezig met een parlementair onderzoek naar alles wat er is gebeurd in het onderwijs de laatste decennia. Gebeurd als gevolg van een Kamer die dingen wilde ‘bereiken’ in plaats van uitsluiten. Zonde van het geld en de tijd, dat onderzoek. De Kamer kan beter vandaag een besluit nemen een parlementair onderzoek in te stellen naar voorbereiding, optuiging en versiering, beveiliging en de mix van randvoorwaarden en doel, een geheel dat nu reeds zo ambigu in elkaar steekt dat elk afzonderlijk Kamerlid op z’n klompen kan aanvoelen dat het dossier een ‘hoofdpijndossier’ gaat worden. Het zal niet gebeuren.

3 oktober

=0=

Prudent

De Nederlandse bevolking, zo meldt de site van Standpunt.nl, vindt dat we het wel gehad hebben met Hirsi Ali. Als ze in Nederland woont, nou vooruit dan betalen we verdomde beveiliging, maar als ze in Amerika is of waar dan ook buiten Nederland dan willen we er niet voor opdraaien. Dat moeten die anderen dan maar doen of Hirsi Ali zelf, het American Enterprise Institute, whatever. Wij niet. Raar, maar voorspelbaar. QED: op idiote stellingen krijg je idiote antwoorden.

Met de grondwet in de hand, of aan de borst gedrukt (ik weet het nooit bij die man), beweerde Ellian vanavond dat we moreel gehouden zijn tot de laatste snik te betalen voor haar veiligheid, waar ook ter wereld en zeker in de VS. Soms vraag ik me af of Ellian niet onder één hoedje speelt met de mensen die hij zegt te bestrijden. Tenminste, als ik terrorist zou zijn dan nam ik de suggestie van Ellian onmiddellijk en goed ter harte. Ik bedoel: strooi kwistig met doodsbedreigingen en de Nederlandse staat moet voor duur geld beveiliging ophoesten. Tot in lengte van dagen. Je hoeft geen rekenwonder te zijn om te weten dat je zoiets een tijdje kunt uitzingen maar dat je vroeger of later toch iets moet bedenken. Bijvoorbeeld hoe je gezien de wassende stroom beveiligingskosten nog een centje overhoudt voor zoiets als de zorg of, voor mijn part, het onderwijs zodat het salaris van professor Ellian netjes en op tijd kan blijven worden overgemaakt.

In de gezondheidszorg zijn ze er al lang achter dat de schone uitspraak dat elk leven zo lang als mogelijk dient te worden verlengd – zeg maar: beveiligd – gezwets is. Wat daarvan de consequenties dienen te zijn, daarover zijn de geleerden het niet eens. Maar er wordt over gediscussieerd en gelukkig niet langer onder de idiote premisse dat een zo lang mogelijk leven altijd en tot elke prijs het beste leven is. Men moet, waarde Ellian, af en toe keuzes maken en daarvan de consequenties dragen. Ik ben Hirsi Ali dat zij, waardig opvolger van Fortuyn, deze kwestie klip en klaar ‘op de agenda’ heeft gezet. Niet direct voor de gezondheidszorg, maar wel voor de beveiliging. Toch, een basispakket beveiliging hebben we allemaal, net als een basispakket voor de gezondheidszorg. Wie meer wil moet meer betalen. Wie zwaar in de puree zit kan daarvoor worden gecompenseerd – zonder garantie dat alles kan en dat het nooit ophoudt. Vraag het maar aan de mensen met chronische ziekten en zware handicaps. Prudentie, daar gaat het om voor gewone mensen die een goede verzekering weten te onderscheiden van een absolute garantie. Niettemin, iets is beter dan niets en alles is een hooguit theoretisch grensgeval. Hirsi Ali snapt dat – daarom is ze nu in Nederland. Ellian, daarentegen, heeft er weer niks van begrepen. Een beetje dom, die man (om maar in de toonzetting van de laatste dagen te blijven). In wat voor wereld denkt hij, in elk geval sinds hij in Nederland verblijft, eigenlijk te leven?

2 oktober

=0=



Slakkenhuis

Laten we veronderstellen dat cochleaire implantaten (implantaten die de functie van het slakkenhuis van ons oor overnemen of compenseren) en de bijbehorende therapieën ooit zo perfect zullen zijn dat de mensen die er gebruik van maken praktisch even goed zullen kunnen horen als ieder ander. Laten we verder veronderstellen dat de gezondheidszorg en de ziektekostenverzekeringen overal ter wereld zo belangrijk worden gevonden dat iedere dove en slechthorende toegang tot deze nieuwe technologieën kan krijgen. De vraag is: hebben we dan nog een gebarentaal nodig (ik bedoel niet het Nederlands – of Engels enz. – met Gebaren, maar de Nederlandse – of Engelse enz. – Gebarentaal)?

De vraag intrigeert me. Het is nog niet zover, met die implantaten en therapieën, en het is niet zeker dat het ooit praktisch helemaal gaat lukken. In die zin zou je het een academische vraag kunnen noemen maar in de eerste plaats is dat geen diskwalificatie van welke vraag dan ook en in de tweede plaats wordt er al gedebatteerd over de implicaties van de huidige technologie. Ter discussie staan de beslissingsvraag (wie beslist over de implantatie), de waarde van eigen cultuur van de doven die onverbrekelijk met gebarentaal verbonden is, de voor- en nadelen van tweetaligheid: gebarentaal en de taal van horenden.

De eerste casus in Sandel’s The Case Against Perfection (en de eerste casus die hij in zijn Tilburgse masterclass van enkele weken geleden behandelde) ging over doven: een lesbisch stel in de VS had een kinderwens. Beide vrouwen waren doof en wensten een doof kind. Door een zorgvuldige selectie van donoren slaagden ze er in een doof kind te krijgen. Amerika in rep en roer. Sandel’s vraag: vinden wij dat ethisch acceptabel? Zelf heeft hij reserves want hij vindt dat ook in dit geval al sprake is van ‘design’, van het ontwerp van de eigenschappen van de kinderen die we willen – tot en met uiteindelijk het ontwerpen van het hele kind. Ethisch niet acceptabel dus. Met de conclusie ben ik het eens, met de redenering geenszins. Om te beginnen: ik vind ‘ontwerp’ een slechte metafoor in dit verband. Selectie is niet hetzelfde als ontwerp ook al suggereert Sandel dat het wel zo is. Natuurlijke selectie en ‘intelligent design’ zijn per slot ook niet hetzelfde, pace  mevrouw van der Hoeven. De ingang van Sandel tot het probleem kunnen we wat mij betreft verwerpen.

Wat mij betreft zijn de drie genoemde discussiepunten (wie beslist, de waarde van de cultuur, tweetaligheid of niet) wel te onderscheiden maar niet te scheiden. Ik laat me graag overtuigen (bij gebrek aan ervaringen) van de waarde van de dovencultuur. Mensen die van die waarde hebben mogen proeven – Oliver Sacks geeft vele voorbeelden en is ook zelf een beetje betoverd – zijn behalve de doven de meertaligen, mensen die naast hun landstaal minimaal ook de gebarentaal beheersen en omgekeerd. Dat zijn vaak horende ouders van dove kinderen, horende kinderen van dove ouders, en mensen die pas op latere leeftijd (‘post-linguaal’) doof zijn geworden. Wie de twee talen kent ziet in beide een rijkdom die geen der beide talen op zichzelf heeft. Wie in elk geval één taal goed kent heeft het ook makkelijker bij het leren van een andere taal. Het perspectief op meer meertaligheid zou voor alle doven bij een perfecte cochleaire technologie realiteit kunnen worden – en bij de huidige stand van de technologie al een beetje.

Dat begrijp ik ook uit de website van de Gallaudet University, een universiteit voor doven en slechthorenden. De President van die universiteit houdt een weblog bij en recent vertelt hij over een gespek met enkele mensen die een cochleair implantaat hebben gekregen en tevreden zijn over de uitbreiding van hun mogelijkheden – en die er niet over peinzen om maar te stoppen met hun rijke wereld van de gebarentaal. Mede daarom is het niet moeilijk om te weten wie moet beslissen. Niet de ouders – want de lesbische ouders wezen direct de kans op meertaligheid voor hun kind af. Over meertaligheid en het nut van beide talen kunnen alleen meertaligen beslissen. En omdat kinderen noch één- noch meertalig worden geboren (maar wel worden geboren met het latente vermogen tot meertaligheid) kunnen we alleen de vraag stellen hoe de kinderen zelf zouden beslissen over de keuze die hun ouders namens hen moeten maken: ééntalig of meertalig? Het antwoord laat zich raden.

Sinds 1988 wordt Gallaudet University geleid door een dove. Voordat het zo ver was moesten de studenten wel overgaan tot een bezetting, tot demonstraties en petities. Ze wonnen. Eigenlijk wilden ze een pre-linguaal dove als president. Het werd toen een post-linguaal dove. De huidige president is, opnieuw, post-linguaal doof. En terecht. Zij kennen beide talen en je hebt beide talen nodig, enerzijds om te voorkomen dat doven als tweederangsburgers worden behandeld (wie zichzelf niet kan besturen kan nog niet voor vol worden aangezien) en anderzijds om te voorkomen dat de Universiteit een eiland wordt. Hoe aardig en aantrekkelijk dat ook kan zijn.                                                                                                      
30 september

=0=

Wilhelmus

In de VPRO gids wordt de belangwekkende vraag opgeworpen of het Wilhelmus nog wel voldoet. Dat Duitse bloed en die Spaanse koning zit niet echt lekker, bijvoorbeeld, en het verleidt Wim de Bie ertoe ons volklied ‘nationalistisch’ te noemen. Dat is een vergissing, en geen kleintje ook. Het is trouwens een rare vergissing want ‘Duits’ en ‘Spaans’ worden in het Wilhelmus niet als vreemd gezien maar als constituerend. Ze horen bij onze ‘vaderlandse’ geschiedenis. Kijk, wie Tollens’ Wiens Neêrlands Bloed nationalistisch noemt (van vreemde smetten vrij, voor land én koning), zit al dichter bij het nationalisme. Het Wilhelmus daarentegen is van ver voor de periode van het nationalisme. Als we ons best doen kunnen we het, retrospectief, plaatsen in de context van het patriottisme.

In For Love of Country rafelt Maurizio Viroli de verschillen tussen nationalisme en patriottisme netjes uiteen. Het patriottisme vecht tegen despoten en tirannen, tegen corruptie en onderdrukking. Het is een mooie, republikeinse, traditie, nog stammend uit een periode waarin de volken onderworpen waren aan de ‘passies’ (Hirschman) van de vorst. Het nationalisme is van veel later; het is een beweging voor etnische, culturele en linguistische eenheid en homogeniteit van de bevolking. De vijandbeelden ervan zijn spiegelbeeldig: geen diversiteit, een monocultuur, één – meestal van bovenaf opgelegde – taal.

In het mooie en hartverwarmende Stemmen zien beschrijft Oliver Sacks de nederlaag die de doven in de 19de eeuw leden toen hun al goed ontwikkelde gebarentalen werden afgeserveerd – en in onderwijsinstellingen zelfs werden verboden – om plaats te maken voor de eenheidstaal die de norm werd gevonden; de taal van de horenden. Sacks stelt de vraag: educatie of integratie? Precies, daar gaat het om. Een nationalist kiest voor integratie: één taal, één ‘identiteit’, één cultuur, één homogeen volk. Doven die in de tegenaanval zouden gaan zouden model staan voor verdeeldheid.

Het erge in onze tijd is dat het verschil tussen patriottisme en nationalisme is opgevreten door het nationalisme. Het erge is dat een racistische nationalist als Wilders z’n gif kan spuiten onder de suggestie daarmee de patriottistische zaak te dienen. Het erge is dat z’n collega-politici hem daarmee weg laten komen (als je je taal maar een beetje zou matigen, Geert!). Het allerergste is dat ook Wim de Bie het zicht kwijt is.

29 september

=0=

 

Paradigma

Via twee studievrienden werd ik, ik geloof begin jaren zeventig, geattendeerd op Adolph Lowe (1893-1995). Lowe was een econoom die, net als Albert Hirschman, Duitsland moest ontvluchten en uiteindelijk in de VS belandde. Toen hij 72 was verscheen zijn hoofdwerk On Economic Knowledge, met als ondertitel Towards a Science of Political Economics. Mijn vrienden schreven daar nog een mooi paper over, voor Hennipman die dat zeer wist te waarderen. Het paper werd wat later nog de inzet van een heuse ruzie omdat iemand had gemeend er meer dan fors uit te mogen lenen en het resultaat onder eigen naam te publiceren. Die ruzie is gelukkig gesust. Gelukkig omdat anders de SUN, de uitgever van het gewraakte plagiaat, met de gebakken peren had gezeten en daar had niemand behoefte aan. Jammer genoeg ben ik het paper tijdens een van mijn vele verhuizingen kwijtgeraakt. Maar het boek heb ik nog.

Lowe had niet veel op met de ook toen gangbare neoklassieke consensus. Hem zweefde een economische theorie voor ogen die niet ‘finaal’ maar ‘systemisch’ redeneerde, die eerder pragmatisch dan positivistisch uit de kentheorie putte, die de luie gewoonte om de meer interessante kwesties – van ecologie tot en met de feitelijke consumptie – ‘exogeen’ te verklaren verafschuwde, die gedrag en motivatie niet één op één plaatste, die stabiliteit niet met evenwicht verwarde, die kennis niet isoleerde van actie en die, en dat intrigeerde me vooral, communicatie in het centrum van economische kennis en economisch handelen plaatste. Daar hadden de neoklassieke economen niet aan gedacht, en dat doen ze nog niet. De neoklassieke economie denkt in sancties (handel rationeel anders ga je ten onder). Die sancties brengt ze wel over, oorverdovend zelfs. We hoeven slechts te denken aan het gepalaver over het ontslagrecht en de straffen die ons allemaal te wachten staan als we de markt blijven trotseren. Of de beloningen, ‘uiteindelijk’, die ons toewenken als de markt volgen. Maar aan communiceren komt de neoklassieke econoom niet toe. Dat blijkt uit twee dingen. In de eerste plaats is er het eenvoudige feit dat rationeel handelen, het uitgangspunt van de economische kennis, alleen effect sorteert als we allemaal rationeel handelen. In je uppie rationeel handelen is niet mogelijk, hoewel economen denken dat je juist dan je voordeel kunt halen. Rationeel handelen is dus geen eigenschap van individuen maar een eigenschap van gedragingen en motivaties van mensen die van elkaar afhankelijk zijn en daarom betrekkingen met elkaar onderhouden. Dat is het tweede aspect van communicatie dat in de neoklassieke economie ontbreekt: om te kunnen handelen moet je kunnen uitgaan van redelijk stabiele gedragsverwachtingen over en weer. Je moet elkaar kunnen lezen. Lang voordat de neoklassieke orthodoxie Keynes triomfantelijk onderuit haalde met de leer van de ‘rationele verwachtingen’ in de context van de ‘microfunderingen’ van economisch gedrag, had Lowe dat al beschreven. Én hij liet zien dat het adjectief ‘rationeel’ aan dezelfde voorwaarde van ‘over en weer’ diende te beantwoorden. Zover zijn de neoklassieke economen nog altijd niet gekomen. Zij hebben het ‘rationele’ nodig, want het is hun stok om de hond te slaan.

Deze week staat in de Groene een merkwaardig artikel over economie. De verslaggever, Koen Haegens, constateert, aan de hand van een drietal gesprekken met respectievelijk Kleinknecht, Krätke en Bovenberg, dat er een ‘omslag’ in het economisch weten aan te wijzen is. Hij laat Bovenberg zeggen: ‘De economische wetenschap staat op haar grondvesten te trillen. Het is echt een paradigmawisseling’. Wat is een paradigmawisseling? Kijk, daar gaat het al fout. Bovenberg denkt aan, en hoe zou het anders kunnen, aan het ‘mensbeeld’. Hoewel Haegens er weinig over zegt denk ik uit de context af te mogen leiden dat Bovenberg een nauwere samenwerking tussen economie en psychologie (‘framing’, ‘begrensde rationaliteit’ enz.) ten grondslag legt aan het veronderstelde nieuwe paradigma. Kortom, we houden de sanctie overeind maar geven toe dat de sancties niet per se als een ja/nee schema gelezen hoeven te worden. Meer/minder mag ook. Wat Kleinknecht over een paradigmawisseling denkt komen we niet te weten. Hem wordt de uitspraak toegedicht dat onderzoeksthema’s niet ‘objectief’ tot stand komen. Het hangt er van af wat je onder ‘objectief’ verstaat maar gemakshalve ga ik er toch maar van uit dat elk paradigma met dat verrassende inzicht uit de voeten kan. Zo schiet het niet op. En Krätke is van mening dat de economie geen natuurwetenschap is en dus dat ook de economische wetten geen natuurwetten zijn. Nu weten we dat sommige economen van natuurkunde houden maar nog veel meer economen van wiskunde. En wiskundige wetten zijn, wiskundigen zijn altijd de eersten om dat niet alleen toe te geven maar er zelfs op te staan, geen natuurwetten. Geen natuurwetten dus, maar ook geen ‘paradigmawisseling’.

Het gaat er niet om ‘over’ de economie te communiceren want economie is zelf niets meer dan een eigenaardig type communicatie. Lowe legde daar terecht de nadruk op. Ruim vijftig jaar geleden. De Groene en de daar aangehaalde economen zijn er nog steeds niet achter. Als zij mensen naar de bank zien rennen omdat ze niet langer weten wat van wie te verwachten, zullen ze dat ongetwijfeld weinig ‘rationeel’ vinden. Rationeel: tot irrelevantie veroordeeld.

28 september

=0=

 

Globaal

Het vertrouwen van de Nederlandse consument is in korte tijd scherp gedaald – scherper dan ooit, als ik het CBS mag geloven. De noemer: de onzekerheid als gevolg van de hypothekencrisis. Voeg daar de onzekerheid van het internationale geldstelsel bij en we weten dat we niet meer weten wat er met ons geld te gebeuren staat en dat de financiële en monetaire autoriteiten het evenmin weten. Het zijn mooie tijden om te speculeren, slechte om te investeren.

Ook de financiële topmanagers hebben er weinig vertrouwen in. Zoals te verwachten zijn hun eigen bedrijven allemaal dik in orde, maar ze zijn bang voor de andere en omdat ze daar bang voor zijn, zijn ze bang in het algemeen. Dat kan niet goed gaan, zeker als we weten dat de nabije economische ontwikkeling zelden veel afwijkt van de sores van deze topmanagers. Weten we dat? Volgens de Raad van Economische Adviseurs weten we dat. In hun advies van gisteren (‘Van de verdeling komt de winst’) is het zelfs de inleiding op hun eigenlijke betoog.

Inleiding? Ja, want daarna komt het niet meer aan de orde. De REA houdt het sprookje in stand dat de ‘reële’ economie de echte is waar het allemaal gebeurt. De ‘monetaire’ economie is als het goed gaat een prettig smeermiddel en als het niet goed gaat een hinderlijke stoorzender. Het versnelt of vertraagt de motor, de ‘reële’ economie. De richting van de motor wordt bepaald door de markten (‘globalisering’). Door de geldmarkten? Nee, door de ‘comparatieve voordelen’ van een wereldwijde arbeidsdeling die ‘uiteindelijk’ iedereen ten goede zal komen. Van de verdeling komt de winst.

De kracht van de motor wordt bepaald door de arbeidsproductiviteit. Dat is de eerste stelling. De arbeidsproductiviteit kan worden versneld of vertraagd door de arbeidsmarkt. Dat is de tweede stelling. Ergo: pak de arbeidsmarkt aan, dan zal het beter gaan met de arbeidsproductiviteit en blijft de motor soepel draaien. Adam Smith heeft niet voor niets geleefd zullen we maar zeggen. En dat Smith aandelenkoersen, internationale geldstelsels, monetaire autoriteiten, een duizelingwekkende hoeveelheid financiële ‘producten’ met onbekende en onbeheersbare gevolgen enzovoorts, enzovoorts niet centraal stelde, was in 1776 misschien een acceptabele omissie maar is in 2007 net iets minder verdedigbaar. De Raad kan het niet schelen. Toch zou je denken dat de ‘comparatieve voordelen’ van de Raad iets gecompliceerder worden door, bijvoorbeeld, euro’s ten opzichte van dollars. Je zou ook denken dat op dat vlak het nodige te regelen valt – zeker als je het hebt over ‘globalisering’.

Waar het de Raad werkelijk om te doen is betreft echter iets geheel anders. De Raad is boos op graaiende topmanagers, voornamelijk omdat die het klimaat verzieken voor een gematigde loonontwikkeling. Nou en? Is het niet diezelfde gematigde loonontwikkeling die er mede voor verantwoordelijk is dat Nederlandse ondernemers in de snel veranderende markten van de laatste vijfentwintig jaar niet meekunnen? Dat ze – zoals Kleinknecht al vele jaren betoogt – precies daardoor lui zijn, niet innoveren, risico’s mijden, in processen nog aardig maar in productinnovatie vrijwel geen rol spelen? Minder in staat zijn arbeidsproductiviteitswinsten te boeken? 

Welnee, zegt de Raad. Het komt door het ontslagrecht. Dat beschermt insiders en is niet meer van deze tijd. Van economen zou je verwachten dat ze niet het ontslagrecht zouden citeren maar de interne arbeidsmarkt. Dat ze de insiders niet zouden toerekenen aan het arbeidsrecht maar aan het arbeidsmarktgedrag van ondernemers. Dat ze hun pijlen zouden richten op het zoekgedrag van de ondernemer/werkgever.

In dit land is dat te veel gevraagd. Dat heeft geen economische oorzaken, maar politieke. De Raad betaalt een hoge prijs voor z’n opportunisme. Zijn voornaamste bewijsplaats (de daling van de arbeidsproductiviteit per gewerkt uur in Nederland ten opzichte van de VS tussen 1977 en 2004) kan niet verklaren – aan de hand van het ‘ontslagrecht’ – waarom die productiviteit tot aan 1995 in Nederland hoger was dan in de VS. De meer voor de hand liggende verklaring (‘werk, werk, werk’ – ook van degenen die de gemiddelde productiviteit naar beneden halen) wordt door de Raad niet eens genoemd, laat staan ontkracht. De Raad heeft zich lelijk in de kaart laten kijken. Voor mij mag het voortaan de Raad van Politieke Adviseurs heten.

26 september

----------------------------------------------------------------

Debat

Wanneer zal Tjibbe Joustra weer van zich doen spreken? Hij vindt dat we de toon soms wat moeten matigen. Waarin ook weer? Sommige kranten hebben het over het integratiedebat, andere maken een sprong vooruit en hebben het al over het ‘moslimdebat’. De WRR zou het het ‘samenlevingsdebat’ respectievelijk ‘identificatiedebat’ noemen. En Joustra? Ik weet het niet. Ik denk dat hij niet veel meer heeft ingebracht dan wat gezond verstand. Hij ziet dat niet als een beperking van de vrijheid van meningsuiting. Die gaat boven alles. Boven gezond verstand? Ik snap het niet. Het gaat, zegt hij, niet om die vrijheid maar om het gebruik dat je ervan maakt. Dat is niet zo gek. Trouwens, gekken hebben geen vrijheden. Ze doen hun mond wel open, maar daar halen we onze schouders over op. We gaan er niet op in want dan is het hek van de dam. Als iedereen in de Tweede Kamer zich als Wilders zou gedragen kunnen we het parlement gelijk afschaffen.

Wilders vindt de uitspraken van onze Tjibbe ‘ongepast’. Ongepast! Wilders! En Rutte, die nooit ver weg is van Wilders – en van Rita natuurlijk – toont zich ‘verbaasd’ en gaat vragen stellen. Verbaasd? Verbaasd. Tjibbe moet zich bezighouden met mensen die onze veiligheid bedreigen. Dat zijn de anderen. Dat is een feit. Ambtenaren zijn er voor de feiten, niet voor de meningen. Wat zullen we nou hebben?

Als de ene dwaasheid de volgende dwaasheid oproept is dat een feit of een mening? Is het onderscheid tussen feit en mening een feit of een mening? Zijn meningen nooit op feiten gebaseerd en zijn feiten het product van een onbevlekte ontvangenis? Kun je feitelijk over meningen praten? Kun je een mening hebben over feiten? Aardig is natuurlijk dat de kampioenen van het vrije woord er altijd als de kippen bij zijn om anderen de mond te snoeren. Wilders vindt dat de WRR mag worden opgeheven en de VVD heeft daar een mening over die amper van die van Wilders afwijkt. Feit! Of toch een mening?

Ze krijgen het nog moeilijk. De SER is bezig een rapport over kernenergie op te stellen, op basis van een daaraan voorafgaand ‘feitenrapport’. Dat rapport leidt niet tot een conclusie, onder meer – zo zegt hoogleraar Turkenburg die ‘over de schouders van de auteurs’ heeft meegekeken – omdat er ‘een grijs gebied tussen feiten en meningen’ is. Kernenergie. Een grijs gebied. Rutte. Wilders. Dat wordt te gek.

VNO-NCW heeft al aangekondigd dat kernenergie – net als het ontslagrecht – de polder bedreigt. Dat wil zeggen, als we niet veel meer inzetten op kernenergie zijn de werkgevers boos en niet zo’n beetje ook. Dat is een feit. Dat zullen ze merken in de SER. Het feitenrapport ondersteunt hun mening niet – en ook de omgekeerde mening niet. Ook een feit. Feit is verder dat we niet in de toekomst kunnen kijken. Feit is dat de toekomst niet morgen van start gaat maar vandaag. Feit is dat gisteren niet bestaat, morgen ook niet, alleen vandaag. Feit is dat we vandaag over gisteren en morgen spreken. Feit is dat we daarom feiten en meningen niet uit elkaar houden. Mijn mening.

Ik ben benieuwd wat Joustra ervan zou vinden. Ik ben niet benieuwd naar de mening van Wilders en Rutte. PVV en VVD zijn tegenstanders van het vrije woord.

25 september

---------------------------------------------------------------

Identificatieplicht

Vanaf 1 januari 2005 zijn we allemaal verplicht ons, indien gevraagd door een bevoegde functionaris, te identificeren aan de hand van een erkend identiteitsbewijs. Er bestaat ‘identificatieplicht’. Die hebben we, de officiële redenering volgend, om Nederland veilig te maken. Men mag daar niet uit afleiden dat als je om je papieren wordt gevraagd gevaarlijker bent dan allen aan wie het niet wordt gevraagd. Of het ook zo werkt is onbekend; ik heb m’n twijfels.

Het kakelverse WRR-rapport ‘Identificatie met Nederland’ heeft een sympathieke strekking, maar de titel is op z’n minst curieus. Identificeren is vereenzelvigen. Het heeft iets introverts en dat associëren we eerder met gesloten, zwijgzaam enzovoorts dan met het open, debatterende, veelvoudige wezen dat de WRR er in ziet. In z’n wens van de ‘identiteit’ verlost te worden knapt de raad ons op met meer in plaats van minder puzzels. Identiteit is de relatie tussen mij en mijzelf. Dat kan iets moois of lelijks opleveren, iets om me lekker bij te voelen of juist niet, iets wat me nieuwsgierig maakt naar anderen of niet; het kan niet op. De relatie is verder uiteraard afhankelijk van allerlei contexten en geschiedenissen maar daarmee is het nog geen sociale en/of historische relatie. Om dat er toch van te maken vervangt de Raad ‘identiteit’ door ‘identificatie’. Daarmee zijn we nog verder van huis.

Er is iets aan de hand met de Raad. Het is alsof de Raad zich als hoogste doelstelling heeft voorgenomen elk debat te verfraaien met eigenzinnige begrippen. Dit keer gaat het om een driedeling (de Raad spreekt zelfs van drie ‘dimensies’, waar een gewoon mens ‘aspecten’ zou verwachten) van ‘functionele, ‘normatieve’, en ‘emotionele’ identificaties. Los van alle kromme redeneringen komt functionele identificatie neer op de regel dat je bent wat je doet. Een Irakese voetballer is geen Irakees maar een voetballer. Een 3de generatie Nederlands schoolkind met een stamboom die terugvoert naar Marokko is geen Marokkaan maar een scholier. Van die dingen. Niet waar je vandaan komt maar wat je doet: dat is ‘functioneel’. Ongetwijfeld maar de voetbalarbeidsmarkt is wereldwijd, dus wat het met een identificatie met Nederland te maken heeft is en blijft onduidelijk.

De andere vernieuwingen (‘normatief’ en ‘emotioneel’) doen het niet veel beter. Dat het prettig is dat iedereen deelneemt en deel kan nemen aan het publieke debat over wat wel en niet leefbaar is mag voor zich spreken. Dat doet het niet maar daar heb je geen ‘identificatie’ voor nodig maar minimale spelregels die voor iedereen gelden. De emotionele identificatie, eigenlijk amper een ‘dimensie’ en eerder een ‘bijproduct’ volgens de Raad, is zoiets als het probleem van voor wie je juicht bij de wedstrijd Nederland – Marokko. De Raad suggereert dat als de functionele en de normatieve identificaties in orde zijn we of helemaal niet juichen, of voor beide partijen juichen, of alleen voor Nederland. Daar hebben we wat aan.

Laten we aannemen dat de begrippenacrobatiek van de Raad bedoeld is om een min of meer neutrale positie in te nemen in omstreden kwesties. Als dat zo is dan mag het roer om. Dit rapport is niet het eerste waarvan voorspeld kan worden dat elke politicus er mee omgaat zoals het hem uitkomt. Misschien zou de Raad ons wat minder moeten raden en het beleid wat meer moeten vastbinden op serieuze wetenschap. Een goed begrip begint met goede begrippen. Daar komt de Raad steeds minder aan toe.

24 september

-------------------------------------------------------------

 

Achterdeur

Toen heel Nederland in kampen uiteen viel over een show met een heuse nier als inzet liet Plasterk de echte hoofdprijs aan zich voorbijgaan. Want, onverschillig of hij het nu aanvankelijk smakeloos vond en wat later een goede grap, hij had van de gelegenheid gebruik moeten maken het stamcelonderzoek in Nederland een forse impuls te geven. Hij deed niks. Inmiddels mogen collega ministers van Buitenlandse en Binnenlandse Zaken idiote lespakketten over scholen uitstrooien. Plasterk staat erbij en kijkt ernaar. En nog zijn we er niet.

Gisteren stond op de opiniepagina van NRC-H een verontrustend stuk van Guido de Wert, hoogleraar biomedische ethiek. ‘PGD-verbod: moralisme via de achterdeur’ stond erboven. PGD staat voor pre-implantatie genetische diagnostiek. Het gaat om onderzoek op een embryo om vast te stellen of dat een ernstige erfelijke afwijking heeft. Het voordeel boven prenatale diagnostiek is dat als bij een foetus een ernstige afwijking wordt geconstateerd abortus veelal het gevolg is, met alle misère voor de ouders. Met PGD hoeft het zo ver niet te komen. PGD is, als je dat woord in deze context kunt gebruiken, ‘humaan’.

Vermoedelijk is het niet christelijk, of althans niet christelijk genoeg. Dat moeten we althans afleiden uit het feit dat dit kabinet het standpunt van het vorige heeft overgenomen: PGD is niet toegestaan omdat het slechts om de ‘kans’ op een afwijking gaat. Dat CDA, en uiteraard de CU, daar blij mee zijn – het zal weinigen verbazen. Dat de VVD het toeliet in het vorige kabinet , ach de VVD heeft zo ongeveer alles toegelaten. Volksgezondheid was onder Hoogervorst een onderafdeling van Financiën geworden, en op Onderwijs hadden we Van der Hoeven. Een intelligent ontworpen duo zullen we maar zeggen. Nu hebben we Klink op Volksgezondheid en Plasterk op Onderwijs. Waarom laat Plasterk, toch geen aanhanger van Intelligent Design, opnieuw de beschaving in de steek?

Het blijft gissen naar de redenen voor de snelle deconfiture van uitgerekend deze minister. Teleurstellend is het wel. En laten we eerlijk zijn, dit kabinet begint plezier te krijgen in het laten verdwijnen van dingen via de achterdeur. Het EU-referendum is slechts het meest recente voorbeeld. Voor mij hoeven referenda niet – en zeker niet over ingewikkelde kwesties die in een referendum per definitie elke nuance verliezen. Nou goed, een referendum over de byzantijnse opvattingen van de Raad van State moet kunnen. En een referendum over de PGD. Al was het maar om te voorkomen dat het net als de EU via de achterdeur blijvend wordt verwijderd. Zo langzamerhand hebben we referenda nodig om politici te dwingen hun huiswerk te doen. Zeker als, behalve de Tweede Kamer, ook Plasterk het verdomt.

22 september

---------------------------------------------------------------



Schools

Toen ik in de late jaren vijftig na de lagere school naar de HBS ging (HAVO zouden we nu zeggen), was dat nog tamelijk bijzonder. De meeste kinderen van mijn lagere school gingen naar ambachtschool en huishoudschool, wat minder naar de (m)ulo en niemand naar het gymnasium. Toen dat werd genoemd in de klas begon iedereen te lachen. Dat was niet voor ons. Waarom dat zo was wisten we niet. Dat het zo was wisten we wel. De HBS was het hoogst bereikbare.

De HBS was ‘eindonderwijs’. Het was niet gericht op doorstroom naar universiteiten maar op uitstroom naar een nette, zij het bescheiden, baan bij overheid of bedrijfsleven. Er was vraag zat. Nederland moderniseerde, industrie en diensten groeiden. ‘Opwaartse’ mobiliteit lonkte. Als je maar goed je best deed op school kon je meedoen en meedelen in de stijgende welvaart.

Aan het einde van mijn HBS-periode bleek er al behoorlijk de klad te zitten in dat ‘eindonderwijs’. Diverse mensen vertrokken naar de kweekschool, diverse andere naar de universiteit. Een grote minderheid ging inderdaad aan het werk maar hoewel groot, het was wel een minderheid.

Inmiddels is het heel gewoon om elk idee van ‘eindonderwijs’ te relativeren. Een gedeelte van het nu optredende gebrek aan geschoolde vakmensen (ambachten) is er het gevolg van: veel mbo-ers maken de overstap naar het hbo, veel hbo-ers maken de overstap naar de universiteit. En als het ongelukkige vmbo eindelijk eens naar behoren zal worden ingericht zullen we ook daar zien dat de doorstroom naar havo respectievelijk mbo vooruit gaat. Het gemiddelde opleidingsniveau stijgt (een ‘startkwalificatie’ was in mijn tijd een eindrapport van de lagere school, eventueel met wat erbij. Nu is een startkwalificatie een met HAVO vergelijkbaar opleidingsniveau, en liefst nog wat meer).

Met het opleidingsniveau groeit het bereik van de school mee. Mijn jongste zoon, student geschiedenis, noemt de universiteit al consequent ‘school’ en de docenten ‘leraren’. Zo is het. En als je klaar bent met je studie is er vervolgens de ‘onderzoeksschool’. Je kunt ook ‘trainee’ worden natuurlijk. Aardig is dat de aanduiding van de leerlingen de andere kant op wijst; meer en meer leerlingen worden nu ‘student’ genoemd. In elke school neemt daarom per saldo de statusnivellering toe, de zich wijzigende terminologie illustreert dat adequaat. Het prestige van de docent, en diens ‘gezag’, hebben te lijden onder een afkalvende statuspositie.

Misschien is dat allemaal mooi voor de economie, maar voor de mensen is het meer dan ooit behelpen. Hoe hoger het gemiddelde opleidingsniveau, hoe minder opleiding rendeert. Waar het altijd al om ging was niet het gemiddelde maar je relatieve positie. Niet hoeveel onderwijs je hebt maar hoeveel meer dan de anderen, daar gaat het om. In gedragtermen en gedragsaanmoedigingen: je moet je niet richten op het gemiddelde, je moet je er juist van onderscheiden. Je best doen is al lang niet meer genoeg; je moet meer dan je best doen, meer je best doen dan anderen. In dezelfde beweging verandert het karakter van solidariteit, van lotsverbondenheid naar een mix van exclusieve belangenbehartiging en moraliserende charitas.

Een zesjes cultuur noemde Balkenende het gemiddelde. Typisch om ook hier over ‘cultuur’ te beginnen. In de eerste plaats is het raar om een zesjesstructuur te creëren en vervolgens te gaan klagen. Daarnaast, en belangrijker, is de neiging opmerkelijk – of we het nu hebben over integratie of onderwijs, over gezinnen of over veiligheid – alles met betrekking tot structuur te verdonkeremanen en ruim baan te geven aan ‘cultuur’. Geen wonder dat de cultuur van Balkenende en de zijnen niet verder komt dan een 6-. Wie schools is wordt schools afgerekend. Het moet over, Jan Peter!

21 september

----------------------------------------------------------------



Identiteit

Dit zegt van Dale over identiteit: 1. eenheid van wezen, volkomen overeenstemming; 2. eigen karakter, het individuele kenmerk; 3. (wisk.) vergelijking die voor alle waarden der daarin voorkomende veranderlijke grootheden geldig is.

Nummer drie is alles waar het = teken het beste met drie streepjes kan worden geschreven. Nummer twee is ik ben ik (respect!). En nummer één is het de dingen, mensen en verhoudingen waarderen door ze in hun waarde laten. Nummer drie is het ongelijke gelijk maken door het op eenzelfde noemer te brengen, nummer twee is het aanscherpen van het onderscheid en nummer één is het feest van de diversiteit.

Identiteit is een nieuw modewoord. Je kunt geen krant open slaan of je komt het woord tegen. Meestal bedoelen we dan identiteit in de zin van nummertje drie (noem het assimilatie of ‘integratie’) en nummer twee (in het bijzonder de ‘eigen’ cultuur). Nummer één hebben we afgeschaft. Toen die betekenis van identiteit nog dominant was hadden we het er niet over. Het sprak vanzelf dat je de mensen in hun eigen waarde liet en daar ook de ruimte voor probeerde te scheppen. Het lot van de identiteit als het vanzelfsprekende en stilzwijgende recht op diversiteit lijkt op dat van het gedogen: maak het expliciet en het wordt inzet van afgunst en jaloezie.

De bloeiende industrie van de canon voor van alles en nog wat is een uiting van zwakte. Het illustreert de teloorgang van nummer één. Het benadrukt niet de diversiteit maar verabsoluteert de eigenheid; het opent geen ruimtes maar sluit die door overal een eigendomsstempel op te zetten. Dit is van mij (ons) en precies daarom is het niet van jou (jullie). Identiteit tegenwoordig is labelen en stempelen.

Dat is geen neutrale bezigheid. Neem een bevolking die uit twee groepen (gedefinieerd als ‘systemen’: de verbindingen binnen een systeem zijn talrijker dan die met andere systemen of groepen) bestaat. We hebben dan groep A en groep B. A is groter dan B. Als B gaat groeien en de achterstand verkleint dan kun je voorspellen dat (1) personen in B meer last zullen krijgen van andere personen in B, dat (2) de kans dat B-personen last hebben van A-personen afneemt, net als de kans dat (3) A-personen last hebben van andere A-personen en dat (4) de kans toeneemt dat A-personen last krijgen van B-personen.

Hoe abstract (of beter: structureel) ook, dit is een korte geschiedenis van Nederland vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw. Noem groep A ‘autochtoon’ en groep B ‘allochtoon’ (of ‘blank’ en ‘zwart’) en vertaal die aanduidingen nu eens niet in termen van cultuur maar in termen van bevolkingsstructuur. Dit is al vaak gedaan overigens, en steeds zijn de uitkomsten dezelfde. Ik heb ze zojuist vermeld (en ontleend aan de indrukwekkende studie van P.M. Blau, Structural Contexts of Opportunities, 1994). Dat mag je ook verwachten bij structuren en juist niet bij culturen. Het is hoogste tijd de culturele miskleun die wij vandaag de dag ‘identiteit’ noemen bij het vuilnis te zetten.

20 september

---------------------------------------------------------------



Ernie

Senator Ernie Chambers uit Nebraska heeft de rechter ingeschakeld om het God maar eens af te leren. Ernie houdt God verantwoordelijk voor de ellende in de wereld. Hij wil dat de rechter God beveelt op te houden met het bang maken van mensen en het zaaien van verderf. Zo lees ik op de site van de Volkskrant.

Kan men God voor het gerecht krijgen? Bij lang niet elke godsdienst gaat dat lukken. God heeft een adres nodig, anders gaat het niet. Eigenlijk lijkt me alleen de katholieke godsdienst in aanmerking te komen want die werkt met een heel stelsel van ‘plaatsvervangers’ en je kunt er altijd wel eentje onder hen in z’n kraag vatten en ergens van beschuldigen. Zeker de beschuldiging  van bangmakerij zal een sterke casus opleveren.

Maar waarom in Godsnaam (want God regisseert dit per definitie uiteraard zelf) in Nebraska? Er zijn niet overdreven veel katholieken in Nebraska voor zover ik weet. Gemiddeld is elke vierde Amerikaan katholiek, en de kans dat Nebraska eerder onder dan boven dat gemiddelde zit is tamelijk groot. Dat valt natuurlijk uit te zoeken, hoewel ik denk dat God andere redenen heeft gehad om Ernie te instrueren om de kat uitgerekend in Nebraska de bel aan te binden. Ik noem er twee.

In de eerste plaats is God vanzelfsprekend verbolgen over L. Ron Hubbard. En waar is deze stichter van de Scientology sekte ook al weer geboren? Precies, in Nebraska. Dat roept om vergelding. God klaagt niet zichzelf aan maar met behulp van Ernie alle sekten en, in wat ruimer verband, alle georganiseerde godsdiensten. Gelijk heeft Hij want het geloven in God is mooi, maar het aanhangen van een godsdienst is bederf van alle geloof. Zoals ooit een theoloog uit Nijmegen opmerkte: God is als voetballen. Je hebt voetballiefhebbers maar van die liefhebberij blijft weinig over als de liefhebber ‘fan’ van een club wordt. Daar komt slechts ellende van. De parallel met geloven en godsdiensten ligt voor de hand.

In de tweede plaats was er nog een appeltje te schillen met het oneerbiedig gebruiken van de evolutieleer. In 1923 had iedereen het over de ‘Nebraska-mens’ en dat was omdat er een tand was gevonden, een menselijke tand dacht men, die de evolutieleer zou bewijzen. Daarna veroverde die leer, ondanks veel tegenstand, het onderwijs. En wat bleek? Die tand was niet van een mens, en ook niet van een aap, maar van een zwijn. Niet kosjer dus, niet halal en eigenlijk gewoon niks. Die rekening stond nog open. Ook die leer dient valse van echte profeten te scheiden. Dus om te voorkomen dat de aanhangers van de evolutieleer – die het gelijk aan hun kant hebben, God zal echt de laatste zijn om dat te ontkennen – al te hovaardig worden, heeft God Ernie ingeschakeld. Ook God is evolutie. God? Zeg maar Bert. Onze wereld heeft zo langzamerhand het formaat van Sesamstraat.

19 september

--------------------------------------------------------------



Leve het lerarentekort!

Onder de titel ‘leve het lerarentekort’ reageerde Harry Starren vorige week, in een column in de Pers, op het werk van de commissie Rinnooy Kan. Hij ziet het tekort niet zozeer als een probleem als wel als een kans om het onderwijs grondig te vernieuwen. Behalve technologie gaat het in zijn geval met name om de erkenning dat een leven lang leren behalve de school, en dus het traditionele instituut onderwijs, ook het werk en dus bedrijven en het bedrijfsleven inschakelt. Daar kan nog veel aan gebeuren, in scholen, in het bedrijfsleven, in de relaties tussen beide.  De onderwijsfunctie is veel breder dan de onderwijssector en daarvan kan gebruik gemaakt worden. Waarom hebben we meer dan 200.000 professionals die op een veilig Nederland worden aangesproken en niet nog veel meer professionals die in hun onderwijscapaciteit – waar ook uitgeoefend – worden aangesproken en dus erkend? En, bij implicatie, geeft dat niet veel meer loopbaanmogelijkheden dan een moeizame differentiatie binnen de functie van leraar?

Dat zijn de vragen. Leraren verzorgen onderwijs. Het onderwijs trekt het bedrijfsleven binnen. Is dat dan niet een kans om een ‘loopbaan in het onderwijs’ zo op te zetten dat je daarbij niet alléén afhankelijk bent van de onderwijssector? Waarom staat ook het rapport van de commissie Rinnooy Kan weer bol van de ‘zij-instromers’ en worden de mogelijkheden van en voor ‘zij-uitstromers’ consequent genegeerd? Waarom ziet de commissie, net als het ‘veld’ overigens, een vertrek van jonge leraren na pakweg een jaar of vijf of zeven als een probleem? Waarom wordt een loopbaan zo volstrekt ouderwets, in de beste maar achterhaalde traditie van de interne arbeidsmarkt, opgevat?

Differentieer functies en je krijgt meer sporten op de functieladder. Differentieer beloning en die sporten leveren wat op, ook als je de sporten verknoopt met opleidingseisen en -niveaus. Individualiseer verder de beloning en je krijgt – ja, wat krijg je dan? Prestatiebeloning volgens de commissie en volgens haar blijkt uit ‘internationaal’ onderzoek dat het werkt ook. Het zet leraren tot betere prestaties aan en het betaalt zich uit in betere prestaties van de leerlingen. Het ei van Columbus dus en stom dat we er niet eerder aan hebben gedacht.

Aan de andere kant, om haar bewering over het nut van prestatiebeloning te staven haalt de commissie welgeteld één onderzoekspublicatie aan. Het is een publicatie van het CPB (Prestatieprikkels in het Nederlands onderwijs; Wat kunnen we leren van recente buitenlandse ervaringen? CPB document no. 49, januari 2004, in het bijzonder pp 32-34) en wat je daarin ook kunt lezen, niet de stellige bewering van de commissie. Toch merkwaardig want wat we nu overhouden aan de rapportage is een ongemakkelijke mix van functie- en opleidingsgerelateerde beloningen (‘competentie’) en een zwevende aanbeveling om prestatieloon in te voeren. Dat de oplossing van het onderwijs per se in het onderwijs moet worden gezocht en gevonden is de grootste teleurstelling van het werk van de commissie. Afgesleten en toch waar: een gemiste kans.

18 september

---------------------------------------------------------------



Hennie en Henkie

Lieve kinderen waren het, Hennie en Henkie K. Ze zaten bij mij op de lagere school, in Zuilen destijds. Het was een tweeling, en niet erg slim uitgevallen. Regelmatig blijven zitten, dat was hun lot. Ze schikten zich er goedmoedig in, zoals ze zich overal goedmoedig in schikten. Ze waren populair. Als wij handenarbeid hadden – waar ik erg slecht in was – kon ik altijd terecht bij Henkie want hij was zowel erg goed in handenarbeid als ook erg hulpvaardig. Ze woonden net als ik op de Egmontkade, schuin tegenover mijn huis. Op straat, overigens, zag ik ze zelden. Maar dat kan ook komen omdat Henkie niks met voetbal had en dat was, tijdens pauzes en na schooltijd, mijn grootste genoegen.

Wij hadden traditioneel klassikaal onderwijs. Een mogelijkheid om de leerweg van Hennie en Henkie te verlengen, los van hen te laten doubleren, bestond niet. Speciaal onderwijs was vermoedelijk een middel erger dan de kwaal geweest. Ze waren op hun plek daar en ik denk dat iedereen – de leerlingen, de onderwijzers en zij zelf – daar zo tegen aan keek. Niettemin, een langere leerweg was voor hen vast lonender geweest dan met regelmaat doubleren. Maatwerk, de populaire slogan van vandaag, was een onbekend verschijnsel in die dagen. Wie weet had het geholpen en dan had bijvoorbeeld Henkie de kans gehad om in plaats van naar het vglo (voortgezet lager onderwijs, eigenlijk gewoon een overbruggingsvoorziening tot het moment dat je buiten de leerplicht viel) naar de ambachtsschool te gaan.

Ik kan me maar niet aan de indruk onttrekken dat veel leerlingproblemen niet het gevolg zijn van het niet kunnen van de leerlingen maar van het niet kunnen in de vastgestelde tijden en termijnen. Als je iets niet kunt binnen de tijd dan zijn er twee mogelijkheden: je levert niet alles in omdat het niet af is, of je levert alles in maar dan slecht. In beide gevallen loop je een dikke kans om het over te moeten doen met, als het dan weer niet gaat en nog een keer niet, je vertrek van de school als eindresultaat. En het is natuurlijk frustrerend, zeker als je het vermoeden hebt dat je het wel zou kunnen maar dat je er meer tijd en steun voor nodig hebt. Krijg je die niet dan is ook het vmbo een brug te ver. Je begint er met achterstand en die wordt groter eerder dan kleiner.

Het is spijtig dat de commissie Rinnooy Kan niet veel verder komt dan beloningen en beloningsdifferentiatie – een poging om ook langs die kant een ‘loopbaan’ in het onderwijs aannemelijk en aantrekkelijk te maken, zoals al veel eerder langs de functiekant door de commissie van Es bepleit – om de ‘leerkracht’ te bevorderen. De salarispositie van onderwijskrachten mag best worden verbeterd en het is meer dan tijd om het boze spook van de ‘nahosser’ voorgoed te verwijderen. Maar wat hebben Hennie en Henkie daar aan? Dat de commissie daar niet eens een vraag over heeft gesteld is raar. Of denkt de commissie dat de leerkracht van de leerkracht los staat van de leerkracht van de leerling?

17 september

---------------------------------------------------------------



VVD

Met uitzondering van de altijd hinderlijke stoorzender Ferry Mingelen was het spannende tv, gisteren. De VVD congresseerde. In plaats van het aangekondigde thema – de rapportage van mevrouw Dekker – ging het over de perikelen van fractie, hoofdbestuur en Verdonk. Die er niet was. Meer dan duizend VVD leden waren er wel. Enkele tientallen voerden het woord. Beschaafd over het algemeen. Echte bezorgdheid overwoog, afgezien van een enkele charlatan (Van Talen uit Staphorst die namens een ondernemersnetwerk het woord mocht voeren en niet veel verder kwam dan ‘meneer de voorzitter’, maar dat dan wel om de andere uitgesproken zin. Het had zijn dag moeten worden natuurlijk; het wilde alleen niet lukken).

Bezorgdheid waarover? Dat Verdonk een splijtzwam is weet iedereen wel denk ik. Ook in de VVD. Met Verdonk valt niet samen te werken. Zelf weet ze dat ook. Niet voor niets sluit ze niks uit, behalve samengaan met Wilders. Toch ging de discussie niet echt over Verdonk en ook niet over Rutte. De discussie ging over de partij. Wat het grootste deel van de aanwezigen zal hebben verbonden was het bestaan van de partij zelf, en de spelregels die daarbij horen. De enige aanwezige die riep dat als Verdonk morgen een partij zou oprichten zij het eerste lid zou zijn, heeft er niets van begrepen. Als Verdonk al een partij opricht zal die eerder lijken op die van Wilders (geen leden) dan op de VVD. Wat de overige aanwezigen bond was niet de ‘inhoud’ maar de traditie van een partij met leden, ledenvergaderingen en ledeninspraak. Qua ‘inhoud’ is de VVD inderdaad verdeeld, en daar is niets mis mee. De partij zou eerder winnen met een wat minder krampachtig vertoon over inhoudelijke eenheid want er zijn weinigen die daar nog geloof aan hechten.

Het progressief-liberale in de VVD is op sterven na dood (alleen de interventie van Gijs de Vries deed er aan herinneren). Maar een onderscheid tussen conservatief, en rechts tot en met reactionair, dat onderscheid speelt wel degelijk. Die strijd is niet beslecht met het vertrek van Verdonk. Het voordeel van de nieuwe situatie is dat er meer met open vizier kan worden gestreden. Dat is zo gek nog niet, al zal het de positie van Rutte weinig goed doen. Hij heeft in het conservatieve spel weinig te zoeken en in het rechtse evenmin.

De VVD heeft het echte probleem voor zich uitgeschoven. Dat probleem is de positie van een traditionele politieke partij in een personaliserende politiek waarin media-aandacht belangrijker is dan ‘inhoud’. En dan leden, niet te vergeten. TV, radio, schrijvende pers, weblogs, sites en wat het internet verder nog te bieden heeft: daar wordt de slag gestreden. Niet de inhoud is de boodschap maar het medium. De nieuwe partijorganisatie is niet afhankelijk van het organiseren van leden; de nieuwe partijorganisatie hangt af van het organiseren van media. Dat hadden ze nog niet helemaal door, gisteren, bij de VVD.

16 september

---------------------------------------------------------------



Strijd

En weer is Nederland in rep en roer. Dit keer is minister Plasterk de aanstichter. Hij stelt voor om de ban op Mein Kampf te verbreken en het boek weg te strepen uit de seculiere Index librorum prohibitorum. Een dag later trekt hij het voorstel weer in. Twee keer onrust dus, want wil die man nou eigenlijk? Wilders op de proef stellen? Lijkt me overbodig. Wilders proeft niet. Wilders is z’n eigen smaak.

Het is een interessante kwestie, los van het wankelmoedige optreden van Plasterk. Wanneer moet een boek worden verboden? Nu, zegt men, als het haat zaait. Maar boeken zaaien geen haat, alleen mensen doen dat. De mensen die haat willen zaaien op een met Hitler vergelijkbare manier hebben het boek natuurlijk al lang weten te vinden. Mensen die op zoek zijn naar de manier waarop teksten het gedrag van mensen kunnen beïnvloeden zullen er evenmin aan voorbij zijn gegaan.

Mij interesseert het boek geen bal. Een enkele keer ben ik in artikelen wel eens een passage eruit tegengekomen en dat is meer dan genoeg om er verder feestelijk voor te bedanken. Als ik iets over antisemitische razernij wil weten heb ik liever Céline want dat is tenminste voortreffelijke literatuur. Als ik iets wil weten over de onverschilligheid voor het individu kan ik beter terecht bij Ernst Jünger of, voor mijn part, bij Yukio Mishima.

Niet het boek Mein Kampf, maar de manieren waarop het gebruikt kan worden moeten worden beoordeeld. Het begin van een dergelijke beoordeling is niet de inhoud van het boek maar de ‘receptie’ ervan. Mein Kampf was het eerste boekenweekgeschenk begrijp ik, en het werd ook uitgereikt aan alle trouwlustigen in het Duitsland van na 1933. Kijk, dat schiet op. Daar kunnen we wat van leren, net als van de wijze waarop het boek in het onderwijs gebruikt is, eventueel in kerkdiensten enzovoorts. Het gebruik is belangrijker dan de inhoud. En als we het hebben over de impact van de inhoud op het gedrag dan zijn beelden belangrijker dan woorden. Gek genoeg horen we daar veel minder over.

In het NRC-H van gisteren schreef Ger Groot een mooi artikel over religie. Zijn stelling: niet de ‘inhoud’ van de religie (de heilige boeken, de doctrinaire boodschap) is het belangrijkst maar de ‘oppervlakte’ ervan: de praktijken dus, de gebruiken. Godsdienst als cultuur daarom en culturen beïnvloeden elkaar over en weer (de gedachte dat je culturen van elkaar kunt isoleren komt neer op de wens dat de lucht die je inademt alleen van jou is). Alleen fundamentalisten denken dat hun religie of overtuiging geen cultuur onder culturen is. Andere religies zijn culturen, de onze niet. Dat verenigt verlichtingsfundamentalisten en religiefundamentalisten. Die hebben elkaar hard nodig en dat merken we dan ook. Hun strijd is die van vriend en vijand, dus een politieke strijd die slechts mag eindigen als er een overwinnaar en een overwonnene is.

Het observeren van het gebruik van beeld en tekst zou als vraagstelling de verschuivende grens tussen overtuigingen en culturen moeten hebben. Strijdlijnen dus, en verschillende inkleuringen van waar strijd voor kan staan. Niet alle voetbal is oorlog. Die uitspraak (voetbal is oorlog) kwam pas toen de gebruiken in het voetbal het sportieve karakter ervan al grondig hadden ondermijnd.

13 september

--------------------------------------------------------------



Import

Toen president Bush verklaarde dat de meeste import uit het buitenland kwam moest men daar erg om lachen. Dat was niet omdat de uitspraak zo erg fout was want de meeste import komt inderdaad uit het buitenland. Sterker nog, alle import komt uit het buitenland. Ook de mededeling van Bush dat hij zijn ouders, en dan in het bijzonder zijn vader en moeder, wou bedanken boekte veel succes. Op een geliefde uitspraak van een goede vriend van mij – dat er ergens in de uitspraak dat de meeste vrijgezellen ongetrouwd zijn een foutje was geslopen – is Bush voor zover mij bekend nooit gekomen. Er is nog hoop.

Bush heeft blijkbaar een probleem met definities. Ik weet niet of dat het gevolg is van domheid of van slordigheid. Ik houd het op het laatste. Er zijn veel slordigheden. Het zou me niks verbazen dat er mensen zijn die uit het feit dat een halve cirkel 180% heeft en een driehoek ook afleiden dat een driehoek een halve cirkel is. En waarom ook niet? Er zijn ook mensen die denken dat verticaal en horizontaal hetzelfde zijn, althans zou moeten zijn, althans daar voor zou moeten worden aangezien.

Ik heb het over de verklaring van 75 mensen die het comité van Jami een warm hart toedragen en dat doen in de naam van een onbekommerde vrijheid van meningsuiting en van de vrijheid van godsdienst. Die je dus ook vaarwel mag zeggen met elke gewenste ruchtbaarheid. Dat mag ook, althans de staat kan het ons niet verbieden. Daar zijn grondrechten nu eenmaal voor. Ze werken verticaal. Nee, zeggen de ondertekenaars, ze werken horizontaal, althans zo zou het moeten zijn, althans wij zien ze daarvoor aan. Verticaal, horizontaal: wat kan het schelen. De SGP kan er maar beter rekening mee houden, evenals alle kerkgenootschappen, alle verenigingen die niet iedereen toe willen laten, en uiteraard ook het bedrijfsleven waar je uiteindelijk ook niet zomaar alles kunt zeggen, zelfs niet als het onderwerp de overtreding van je baas is. Dat worden een boel comités. Leve de horizontale werking!  Zelfs als het niet klopt dan is het nog altijd zo dat de meeste slordigheden uit het buitenland komen. Bush wist het al. Eigenlijk best een redelijke man.

Verstandige woorden overigens, van Van Doorn in NRC-H van vandaag, over Gesinnungsethik en Verantwortungsethik. Gek, die kwestie speelde ook al bij de afweging voor of tegen de oorlog van de Amerikanen en Engelsen met Irak. En hun bondgenoten. En hun aanhangers. Of eigenlijk, voor hen speelde het juist niet. Het onderscheid wordt gemaakt vanuit de Verantwortunsgethik. De Gesinnungsmensen hebben er lak aan. Hun doel heiligt elk middel. De gevolgen zijn voor de anderen. Voorbeeldige man, George Bush.

12 september

--------------------------------------------------------------

Gladio

Het aardigste van de uitzending van Reporter afgelopen zondag over de Nederlandse variant van Gladio was nog niet eens de opmerkelijke en lachwekkende knulligheid der ‘operatiën’. Evenmin het falen van van der Stoel die er immers voor had moeten zorgen dat de mensen in de organisatie niet helemaal zouden ontsporen – en dat is, gelet op de dienstverlening richting georganiseerde misdaad, niet zo goed gelukt. Zelfs niet het bestaan van een dodenlijst, die de organisatie in staat zou stellen af te maken wat na de afloop van de oorlog nog niet was gedaan, namelijk het vermoorden van het linkse, in het bijzondere het communistische, verzet. Nederland als Griekenland als het ware, alleen enkele jaren later.

Nee, het aardigste was het scenario dat men klaar had liggen voor als de Rus zou komen. In dat geval zouden regering en koninklijk gezin onmiddellijk naar een veilig buitenland worden getransporteerd. Zodat ze vanuit dat buitenland ‘leiding’ zouden kunnen geven aan de bevolking van Nederland. Je bevolking in de steek laten om er vervolgens leiding aan te geven. Je staatsapparaat op afstand leiden, terwijl je het even daarvoor ongeschonden in handen van de vijand hebt gespeeld. Van die dingen.

Van de tweede wereldoorlog hadden we kunnen leren dat zo’n scenario niet voor iedereen even goed uitpakt. In Nederland: voor de joodse Nederlanders. De bijdrage van precies dit scenario aan het nog altijd onthutsende feit dat uitgerekend in ons land verhoudingsgewijs de meeste joodse burgers op transport zijn gesteld en zijn afgemaakt in de vernietigingskampen, is onloochenbaar. En dat wilde Operatiën&Inlichtingen herhalen, met de zegen van de diverse premiers en ministers van defensie van na WOII, met de zegen van van der Stoel en van wie weet nog hoeveel meer zware jongens.

Ook na de opheffing van O&I is O&I nog niet opgeheven stelde Reporter vast. Los van de deerniswekkende en slechte jongensboekenromantiek die het clubje – althans in de uitzending – uitademde is het een schandaal dat verantwoordelijke politici en militairen het verdommen na te denken over de schade die zij voorheen hebben aangebracht en die ze nu opnieuw en graag willen aanrichten. Geschiedenis is een schoolvak zullen ze gedacht hebben. En wij zijn al lang van school af. Levenslang leren? Levenslang ziende blind en horende doof, zul je bedoelen.

11 september

--------------------------------------------------------------



Vrijheid van vergissing

Wie van z’n geloof afvalt heeft zich in elk geval één keer vergist. Wie zich één keer vergist kan zich nogmaals vergissen. Wie daar uiting aan geeft erkent z’n vergissing, in de wetenschap dat een vergissing zelden alleen komt. Wie uit z’n eerste vergissing de conclusie trekt dat nu het rijk van de waarheid is aangebroken heeft zich ook de eerste keer niet vergist. Wie de waarheid claimt weet niet wat een vergissing is. Wie niet weet wat een vergissing is kan nooit meer iets leren. Wie niet weet wat een vergissing is kan slechts anderen en nooit zichzelf ter discussie stellen. Wie niet weet wat een vergissing is, geeft geen voorbeeld van helderheid maar van tegenstrijdigheid.

‘Emoties en tegenstrijdige uitspraken zijn typisch Iraans’. Zegt Thomas Erdbrink (NRC-H, 8 en 9 september 2007: 39). Goh! In de jaren ’80 gaf ik één trimester lang colleges aan een universiteit aan de Amerikaanse westkust. Daar waren veel, heel veel, Iraniërs neergestreken. Grotendeels om aan de ayatollah te ontkomen, voor een deel ook mensen die het onder de sjah al niet zagen zitten. Het was een bont gezelschap, grotendeels goed opgeleid en zeer gesteld op elkaars gezelschap. Naar Nederland waren ze nogal nieuwsgierig. We hadden toen nog een goede pers. Om in contact met Iraniërs te komen nooit weggegooid. Hartelijke mensen door de bank genomen. Verstandige mensen ook. Ze deelden hun afkeer van het Iraanse régime, maar hadden geen gedeelde voorkeur voor hoe een nieuw Iran eruit zou moeten zien. Op dat vlak waren ze verdeeld, scherp verdeeld soms. Dat losten ze heel pragmatisch op: bij gezamenlijke bijeenkomsten werd niet over politiek gesproken. Wel over literatuur bijvoorbeeld. Ik heb er mijn voordeel mee kunnen doen.

Op een speciale dispositie voor tegenstrijdigheden heb ik hen niet kunnen betrappen. Wel op hoffelijkheid en vriendelijkheid. En, toegegeven, op een afkeer van Arabieren. Old histories never die.

Een aantal onder hen wilden overigens graag over politiek spreken, alleen niet onderling. Daarvoor hechtten ze te veel aan elkaar en aan elkaars gezelschap. Er was de nodige teleurstelling over wat er volgens hen was misgegaan, gekoppeld aan een ruiterlijke erkenning dat ze het zelf ook niet altijd even goed hadden ingeschat. Dat ze zich hadden vergist dus en dat ze deze vergissing niet moesten herhalen door hun onderlinge bijeenkomsten in het teken te plaatsen van wat zij als hun waarheid zagen en de anderen niet of heel anders. Ze hadden zich al eens vergist en dat zou nog een keer kunnen gebeuren. Weten wat niet goed is – hun aanwezigheid in de VS gaf het aan. Weten wat wel goed is vloeit daar niet uit voort.

Het zal wel atypisch Iraans zijn geweest, die paar dozijn Iraniërs die ik in Oregon heb ontmoet en wier gezelschap ik zo graag had. Ik zou denken dat zij wisten dat de vrijheid van meningsuiting bedoeld was om met elkaar en met anderen in gesprek te komen. En dat niet vanuit een positie dat zij het beter wisten dan de ander. In dat geval hoef je niet in gesprek maar kun je net zo goed een aanwijzing, order of decreet uitgeven. Valt onder de vrijheid van meningsuiting de houding om jezelf voor competent en de anderen voor incompetent te houden?

De vrijheid van meningsuiting is een grondrecht, een recht van de burgers tegenover de staat. De staat mag niet zichzelf competent en ons incompetent verklaren. De strekking van het grondrecht is dus politiek: de burgers zijn politiek bekwaam en gebruiken de openbaarheid om daar vorm aan te geven. Die vrijheid is geen moreel gebod. Het is een uitnodiging, geen bevel. De vrijheid is ook geen ongeclausuleerd recht. Wie dat meent moet de discussie over klokkenluiders er nog maar eens op naslaan (hoe het bedrijfsleven vooral wil voorkomen dat het recht op klokkenluiden in een wettelijke regeling wordt ondergebracht. Dat regelen we zelf wel! Trouwens, waarom ook niet?). Het is een grondrecht, de grondwet is niet toetsbaar en laat daarom situatiespecifieke inkleuringen toe. De mensen die menen dat als je iets niet bevalt – als je in naam van de vrijheid van meningsuiting wordt uitgescholden bijvoorbeeld – je altijd nog naar de rechter kunt, zijn vast geen geitenneukers. Het zijn mierenneukers. 

De vrijheid van meningsuiting is een vrijheid om de openbaarheid vorm te geven en de privacy van de gesprekspartners te garanderen. Het is gestoeld op de overtuiging dat mensen val elkaar kunnen leren, dat ze slechts van elkaar kunnen leren als ze zich veilig in de openbaarheid kunnen bewegen en dat je slechts dan van elkaar kunt leren als je je kunt en mag vergissen. Vergissen is menselijk. Zonder vergissing geen verbazing. Zonder vergissing geen nieuwsgierigheid. Zonder vergissing niks nieuws. Een vrijheid van meningsuiting zonder een vrijheid van vergissing is pas tegenstrijdig. Als dat Iraans is beloof ik emotioneel te worden.

10 september          

---------------------------------------------------------------



The case against perfection

Ter gelegenheid van de 80ste verjaardag van de Universiteit van Tilburg werd afgelopen  vrijdag een ‘masterclass’ gegeven door Michael Sandel. Het ging over zijn boekje ‘the case against perfection’. De bijeenkomst stond open voor studenten en stafleden. De aula van de universiteit zat afgeladen vol. Het was een belevenis. Sandel is een geweldig docent, die een zaal in een voortdurend gesprek weet te betrekken. Hij legt lastige situaties voor, vraagt eerst naar voor- en tegenstanders (met handopsteken) en vervolgens naar de argumenten. Die vat hij elke keer helder samen en leidt daar een volgende vraag uit af. Pas aan het eind komt hij met z’n eigen insteek en ook die wordt eerder aan de hand van overwegingen dan van conclusies geïllustreerd. Anderhalf uur duurde het. Het had langer gemogen.

En moeilijker. Sandel’s positie is dat elk nieuw leven een geschenk is en geen ‘product’. De maakbare mens is voor hem de opmaat voor de overbodige mens en hij wijst dat met verve af. De genetische revolutie kan ertoe leiden dat mensen op bestelling kunnen worden geleverd – ten koste van bescheidenheid, verantwoordelijkheid en solidariteit. Genetica is goed als het we het gebruik ervan kunnen beperken tot medische problemen en hun oplossing. Het gaat om genezing. Alles wat daarbuiten gaat wijst hij af. Dat is te makkelijk.

Hij – in het boekje zowel als in de bijeenkomst – legt voortdurend keuzes voor. Die komen steeds op hetzelfde neer: verondersteld dat ouders het beste voor hebben met hun kinderen, en verondersteld dat kinderen op bestelling technisch risicoloos kunnen worden afgeleverd (Gattaca: Sandel toonde ons een stukje uit die film), welke kinderen zouden ze dan willen hebben? Intelligente?, Sterke? Mooie? Ambitieuze? Gezonde? Lange?, Slanke?, Jongetjes? Meisjes? (of een of ander combinatie?). Eigenlijk dus gewoon: perfecte?

Ik vind dat een ongelukkige manier van presenteren. Om twee redenen: de eerste is dat een keuze zonder externe effecten niet bestaat. De externe effecten betreffen anderen. Bijvoorbeeld: als je het geslacht van je kind kunt kiezen en de meerderheid kiest voor jongetjes dan is het gevolg dat die jongetjes er op een zeker moment achterkomen dat er wat weinig meisjes zijn hetgeen om tal van redenen wat minder gezellig is. Gezelligheid zonder goed gezelschap is lastig. Het externe effect van een keuze voor jongetjes is dat die jongetjes daar niet altijd even blij van worden. De zeldzame meisjes zouden waarschijnlijk ook wel een enigszins meer ontspannen bestaan prefereren. En zij niet alleen.

Maar als het dan toch om keuzes moet gaan kun je de zaak beter omdraaien. De vraag is dan niet welke kinderen de ouders kiezen maar welke ouders de kinderen zouden kiezen. Dat wil zeggen: welke eisen de kinderen zouden stellen aan de zorgzaamheid van hun ouders. Dan zijn we in elk geval van het gedoe over jongetjes en meisjes af. Kinderen zijn kinderen en of het een jongetje of meisje wordt zien we wel als we het geschenk uitpakken.

Het is een perspectief dat Sandel vreemd is (opnieuw: zowel in het boekje als tijdens de bijeenkomst). Ik tref het wel aan bij Dworkin (die door Sandel tamelijk afkeurend wordt aangehaald). Het gaat inderdaad om zorg. Niet de zorg die ouders ‘geven’, maar de zorg die kinderen mogen verwachten en die je vanuit hun standpunt moet zien te formuleren en te beargumenteren. Gesteld bijvoorbeeld dat je genetische huishouding al voor je geboorte in de war is geschopt omdat je ouders drugverslaafd zijn. Mag er dan preventief in jouw genetische huishouding ingegrepen worden? Ook als je ouders daar niks voor voelen? Verondersteld dat de moeder het kind wil hebben, dan zou ik zo’n vraag in eerste instantie laten beantwoorden vanuit het standpunt van het betreffende kind. En als het kind zou kiezen voor een ingreep zou ik, tenzij de ingreep ontoelaatbare risico’s voor de gezondheid van de moeder inhoudt, het standpunt van het kind laten prevaleren. Dus, indien als gevolg van het gedrag van de ouders de levenskansen van het kind worden geschaad, dient dat zo vroeg en zo compleet als mogelijk te worden hersteld. ‘Genezing’ is dan een beetje aan de late kant. De vraag is per slot niet naar de kleur van de ogen. De vraag is naar wat onder zorg moet worden verstaan. Er zijn nog veel meer ‘hard cases’ (wat ik hierboven stel is geen ‘regel’, die bijvoorbeeld ook opgaat voor kinderen met een Down syndroom) en dus nog veel meer vragen en uit te zoeken kwesties. Er zijn geen ‘algemene’ gevallen. Er zijn alleen bijzondere gevallen die steeds opnieuw kunnen worden benaderd vanuit de eisen die kinderen mogen stellen aan de zorg die zijn van ouders, al dan niet door derden ondersteund, mogen verwachten). Daar is Sandel niet aan toe gekomen. Zijn vragen zijn niet goed gesteld.

9 september

----------------------------------------------------------------


Plagiaat

‘Der Reichtum der Gesellschaften, in welchen kapitalistische Kreditweise herrscht, erscheint als eine “ungeheure Zahlungensammlung”, die einzelne Zahlung als seine Elementarform. Unsere Untersuchung beginnt daher mit der Analyse der Zahlung.

Die Zahlung is zunächst ein äusserlicher Vorgang, ein Verfahren das durch seine Eigenschaften soziale Bedürfnisse irgendeiner Art befriedigt. Die Natur dieser Bedürfnisse, ob sie z.B. der Wut oder der Angst entspringen, ändert nichts an der Sache. Es handelt sich hier auch nicht darum, wie die Sache das soziale Bedürfnis befriedigt, ob unmittelbar als Waffe, d.h. als Gegenstand der Wut, oder auf einem Umweg: als Schütz.
(…)
Die Nützlichkeit einer Sache macht sie aneignungsattraktiv. Aber diese Nüzlichkeit schwebt in der Luft. Durch die Eigenschaften der Zahlung bedingt, existiert sie nicht ohne derselben.  (…) Die Aneignungsattraktion verwirklicht sich nur in der Entäusserung oder, juristisch gewendet, der Enfremdung. (…) Das Gemeinsame, was sich in der Entäusserung oder dem Entfremdungsverhältnis darstellt, ist also die Autokatalyse der Zahlung.’

Sommigen zullen denken in een parafrase van Marx zijn beland. Ik kan het ze niet kwalijk nemen. Anderen zullen denken dat dit een pagina is uit de vrolijke wetenschappelijke nalatenschap van Luhmann. Vergeeflijk, opnieuw. Zelf weet ik niet precies waar het vandaan komt (wie weet ooit waar iets vandaan komt?). Ik heb echter wel een vermoeden. In de Groene van 27 juli van dit jaar staat een lang interview met Nout Wellink van de DNB. Wellink pruttelt nog wel wat over de ‘reële’ economie, maar is er tegelijkertijd zeer van doordrongen dat de dynamiek niet van de reële economie komt. Die komt van betalingen die met hulp van betalingen voor nieuwe betalingen zullen moeten zorgen. Het is inderdaad, zoals Wellink zegt, ‘duizelingwekkend hoeveel kapitaal er momenteel in de wereld is’. Is er te veel geld in omloop? Wellink vermoedt het. De vraag is: wat is de maat voor het teveel? Wellink zegt het bijna met zoveel woorden: geld moet rollen, betalingen moeten betalingen met betalingen genereren. Mijn vermoeden: bovenstaand leentjebuur is Wellink’s schuchtere poging de kapitalistische ‘kredietwijze’ te ontcijferen.

8 september

-----------------------------------------------------------------


Rimpels

Zojuist, in het laatste stukje van de trein (Den Bosch – Tilburg West) kom ik een kennis tegen. We praten wat – voornamelijk over de masterclass van Michael Sandel die we allebei vanmiddag zullen bijwonen – en en passant (het is een trein tenslotte) hebben we het even over de tv uitzending van gisteravond: Beperkt Houdbaar. En over hoe praktisch de zorgen van mensen zijn als het over hun veroudering gaat. Ze vertelt me dat ze kort geleden in een discussie verzeilde waarbij haar ene vriendin vertelde dat haar huid zo snel oud werd en de ander daar kribbig over werd. Kribbig, omdat je daar immers iets aan kunt laten doen. Ik bedoel maar: zorgen zijn slechts bespreekbare zorgen als ze technisch onvermijdelijk zijn. Zodra ze technisch te vermijden zijn hebben we het niet langer over zorgen maar over zeuren. De beperkte houdbaarheid gaat niet alleen over je uiterlijk maar ook over je zorgen en dus over je vriendschappen en over de gesprekken die je nog kunt voeren. Blijkbaar.

Als zelfs vriendschappen worden beslecht met de terreur van de keuzevrijheid dan wordt de wereld nog kaler dan ze al is. Vriendschappen hebben hun eigen geschiedenis en dat is geen last maar eerder een onverbrekelijk aspect van de zin van vriendschappen. Je kiest – ondanks beperkingen van tijd, plaats en gelegenheid – je vrienden maar die keuze verdwijnt hoe langer hoe meer achter de gezamenlijke geschiedenis die de vriendschap opbouwt. Dat kun je niet meenemen naar een volgende vriendschap. Elke vriendschap is een andere. Je kunt vriendschappen niet inwisselen hoeveel ‘keuzevrijheid’ je ook hebt. Je onderhoudt een vriendschap niet door er steeds opnieuw voor te kiezen. Vriendschappen gaan verloren door verwaarlozing en verwaarlozing wordt niet ingekaderd door keuze maar door zorg.

Een vriendin die zorg vervangt door keuzevrijheid heeft geen benul van vriendschap. Jammer. Een mens zou er rimpels van krijgen.


7 september

-------------------------------------------------------------


Dwang

Een aantal dagen geleden werd op de tv het programma bimbo’s en boerka’s uitgezonden. Een rare naam voor een programma dat wederzijdse vooroordelen tot thema had, of, zoals dat dan meestal wordt genoemd, ‘bespreekbaar’ wilde maken. Dan moet je Jeroen Pauw niet inhuren, zou ik denken, want Pauw leeft van vooroordelen en heeft geen belang in het opruimen ervan. Ook was er een soort forum met voornamelijk curieuze mensen zoals Bodar, een zottin van de Christen Unie en een mijn lachlust opwekkende islamleraar die over alles wilde spreken behalve waar het over ging. En meer. Er werden idiote stellingen geformuleerd waarop eerst een genodigde mocht toelichten, vervolgens het forum en uiteindelijk kon het publiek stemmen. Treurig allemaal.

Er was ook een soort pijnbank waarop mensen aan de tand werden gevoeld door de ‘meiden van halal’. Onder hen was Gert Hekma. Gert (nog een oude collega van me van het Sociologisch Instituut van de UvA) doet aan homostudies en heeft een mening over pedofilie. Sterker nog, hij is er niet 250% tegen zoals we allemaal zijn of in elk geval zouden moeten zijn. Gert doet het allemaal niet zo handig. Het gaat er hem om ons voor te houden dat we een beetje verkrampt aan het doen zijn als het gaat om de seksualiteit van kinderen. Met de woede over de pedofilie raakt de kinderseksualiteit in het gedrang. Hij vindt dat daar weer ruimte voor moet komen en dat de kinderen zelf daar mee moeten leren omgaan. In dat ‘moeten’ zit de angel. Gert is zo onverstandig geweest het woord ‘dwang’ te gebruiken en hij maakt vergelijkingen met het naar school ‘moeten’, waar we nooit bezwaar tegen aantekenen, ook niet als daar dwang bij komt kijken. Enfin, zo zijn er veel dingen, van opstaan tot en met de tandarts. En de school natuurlijk. Waar we van alles moeten leren als het maar geen kinderseksualiteit is. Gert vindt het maar een rare uitzondering.

In de tv uitzending ging het natuurlijk voornamelijk (behalve over vieze oude mannen) over het feit dat dwang uit den boze was, dat alleen vrijwilligheid telde en dat kinderen nog veel te makkelijk kunnen worden gemanipuleerd om aan vrijwilligheid zelf vorm en inhoud te kunnen geven. Elke reclameman weet het, maakt er gebruik van en komt er mee weg. Niemand die er zich zorgen over maakt. Reclame valt onder de vrijheid van meningsuiting. Je kunt altijd de tv nog uitzetten zoals een lid van het ex-moslim comité ook opmerkte, zij het in een ander verband. Het kijken naar de tv is vrijwillig en het zou pas een probleem zijn als het onder dwang gebeurde.

Het echte vooroordeel is dat dwang tegenover vrijwilligheid staat. Dat is in een heleboel gevallen volstrekte flauwe kul. In het geval van kinderen staat dwang niet tegenover vrijwilligheid maar tegenover verwaarlozing. Een kind dat niet naar school toe gaat, daar wordt slecht voor gezorgd, dat kind wordt verwaarloosd. De vraag die Gert Hekma zou moeten beantwoorden is of het negeren en bagatelliseren van kinderseksualiteit een vorm van kinderverwaarlozing is. Ik zou denken dat verwaarlozing inhoudt dat je je kind de toegang onthoudt tot de samenleving met andere kinderen. Zoals in scholen.

Zolang seksualiteit nog iets mag behouden van de intimiteit die elke derde uitsluit gaat de vergelijking van school en kinderseksualiteit mank. Wij hebben geen
discussie over dwang en vrijwilligheid nodig maar over verwaarlozing en zorg.

6 september

--------------------------------------------------------------


Museum

In het Parool van gisteren was een pagina gewijd aan de situatie van mensen met een psychische handicap die, onder het motto: we gaan uit van wat u wél kunt, naar de wereld van de betaalde arbeid worden geleid. Met twee van hen was ook gesproken. Het ging om twee mannen, 55 en 60 jaar oud, met allebei een lange geschiedenis van psychische problemen. Of ‘geschiedenis’; hun problematiek bepaalt ook hun dag van vandaag en van morgen. Beiden zijn er in geslaagd hun leven een beetje structuur te geven en hun dagen in te vullen. Er is een soort evenwicht gekomen in hun bestaan. Een breekbaar evenwicht; de kleine verstoringen van alledag zijn al een bedreiging en het blijkt ze elke keer opnieuw veel moeite te kosten daar mee om te gaan. Succes niet gegarandeerd.

Hen aan het werk krijgen is geen kleine verstoring, maar een grote. Of ze dat aankunnen hangt niet alleen af van het eventuele werk – hoewel ze zich daar weinig illusies over maken – maar van hun psychische problematiek. Om een nogal voor de hand liggende reden: wat zij wel kunnen is onontwarbaar verweven met wat ze niet kunnen en konden. Het is voor de meeste mensen al een probleem over hun eigen schaduw heen te springen; voor hen is het simpelweg uitgesloten. Dat wringt met de opgewekte ‘wat u wel kunt’ regel van de re-integratie. Die regel houdt in dat je geschiedenis irrelevant is voor je toekomst. Je geschiedenis kan verklaren waarom  uitgerekend jij aan de andere kant van mijn bureau zit en we kunnen het er ook best even over hebben. Beschouw het maar als een gespreksintroductie, zoals in het gewone geval (maar u bent niet gewoon anders zat u hier niet) de vraag naar hoe het gaat. Dan gaan we na die plichtpleging over naar het echte onderwerp van gesprek: uw toekomst. We hebben het over uw toekomst, en wel onbelast door uw verleden. We gaan uit van datgene wat u wel kunt en wat dat is hangt niet van uw geschiedenis af. Dat bepalen we hier en nu.

Geen ondernemer die het zal geloven, de RIBs uitgezonderd want het is hun handel. En ook geen mens die het zal geloven want mensen die bestaan uit twee halve biografieën die niet op elkaar passen zijn weinig geloofwaardig, in de eerste plaats niet voor zichzelf. Een evenmin voor een toekomstige werkgever. Toch is dat waar de WIA en aanverwante regelingen voor staan: de irrelevantie van de geschiedenis en de biografie van allen die in aanraking komen met wat ooit met recht sociale zekerheid heette. Dat recht is er niet meer. Wat overblijft is de hoon: voor je geschiedenis, voor je biografie en dus voor jezelf. Geschiedenis is vandaag een kwestie voor canons en voor het museum. De geschiedenis van elke uitkeringsafhankelijke kan zo een plaatsje krijgen. Nee, niet meer in je eigen biografie. In het museum.

5 september

----------------------------------------------------------------


Zelfonderzoek

Volgens Harry van Bommel zou het goed zijn het partijleiderschap te scheiden van het partijvoorzitterschap. Zou Jan al op wraak zinnen? Het zou nog beter zijn het partijleiderschap los te weken van een ministerspost. Al was het maar om te voorkomen dat partij én fractie worden gegijzeld door een regeerakkoord. De PvdA is dat regelmatig overkomen, onder Kok en nu onder Bos. Onder Kok kreeg daar uiteindelijk Melkert de schuld van, onder Bos werpt Tichelaar zich op voor de ondankbare rol een hele fractie vast te pinnen.

Een regeerakkoord staat per definitie op gespannen voet met de onafhankelijkheid van het parlement. Die spanning is op zich helemaal niet fataal, maar het is wel goed te bedenken dat het zaakje in toom gehouden kan worden door wat compenserende mechaniekjes. Het dualisme is de meest geciteerde oplossing maar het voorkómen van een personele unie van partijleider en lid van de regering mag er ook zijn. Het lijkt me ook een voorwaarde om het dualisme handen en voeten te geven.

Een partij is een politieke representatie van een deel van de bevolking. Een parlement is een politieke representatie van de gehele bevolking. En wat voor het parlement geldt, geldt ook voor de fracties erin. Dat is de zin van de regel voor elk lid van de Kamer om ‘zonder last en ruggespraak’ te besluiten. ‘Last en ruggespraak’ heb je nodig om je vertegenwoordiging te beperken tot alleen dat deel van de bevolking dat in jouw partij is georganiseerd, of dat zich door jou laat aanspreken. Dat is niet de functie van een parlementariër. Wel van een partijvoorzitter en daarom is dat ook niet de ‘politiek leider’ van een partij die in het parlement is vertegenwoordigd. Ik zou denken dat als een partij zowel in het parlement als in de regering is vertegenwoordigd het partijleiderschap het best kan worden gelegd bij de fractievoorzitter. En van Bommel heeft gelijk: of een partij nu in de regering zit of niet, de fractieleider kan wel partijleider zijn maar beter niet ook tegelijk partijvoorzitter.

Tichelaar verklaarde aanvankelijk ferm dat hij de ‘randen van het regeerakkoord’ ging opzoeken. Nu wil hij de fractie gijzelen om vooral binnen het regeerakkoord te blijven. Dat is een onparlementaire actie. Het zal wel een reactie zijn op de kandidatuur van Pronk voor het partijvoorzitterschap. Pronk heeft die ‘randen’ echter helemaal niet nodig dus daar hoeft Tichelaar niet bang voor te zijn. Pronk gaat zich richten op wat er niet in het regeerakkoord staat, zoals het onderzoek naar de Nederlandse besluitvorming over de steun aan de oorlog tegen Irak. Los van de inhoud, maar daar hebben een partij en een partijvoorzitter inderdaad een taak, en geen kleintje ook. Het probleem van de PvdA is geen probleem van personen. Het is een probleem van het losser durven maken van al te strakke koppelingen tussen regeringsdeelname, regeerakkoord, fractie en fractiediscipline, en uiteindelijk een partij en z’n voorzitter. Het probleem wordt gesymboliseerd door een regeringslid dat tegelijk politiek leider wil zijn, en die functies politiek verenigbaar vindt. Dat is een misvatting – tenzij je een hekel hebt aan partijen. Was dat niet de opvatting van Fortuyn, Verdonk en Wilders?

Het onderzoek naar Irak moet worden voorafgegaan door een zelfonderzoek van de PvdA. Opdracht: maak de omhelzing door een regeringsdeelname wat minder knellend voor de fractie en voor de partij.

4 september

----------------------------------------------------------------


Hij ziet ze vliegen


Vanavond was Femke Halsema even op de tv. Ze ziet weinig in een voortzetting van de missie in Uruzgan. De voornaamste reden: dwars op de ISAF missie waar Nederland in participeert staat de Enduring Freedom vechtmissie van de Amerikanen. En die maakt alles stuk, nog voordat iemand aan een serieuze opbouw zelfs maar kan denken. Dat lijkt me terecht, al is het niet de enige reden. Voorhoeve bijvoorbeeld had het ook nog over het gebrek aan kennis dat Nederland en de andere leden van de ISAF missie hebben over land en volk. Hij had het over ‘antropologie’. Ook daar ontbreekt het aan.

In het lespakket dat Buitenlandse Zaken aan scholen ter beschikking stelt komen de Amerikanen slechts voor omdat ze zijn aangevallen. Met Irak was dat niet het geval, maar daarover geen woord. Ook geen woord over de vier miljoen Irakese vluchtelingen. Ook geen woord, met betrekking tot Afghanistan, over Enduring Freedom. Scholen zouden dat pakket alleen al vanwege al deze lafheden retour moeten zenden.

Ellian, in zijn column in NRC-H van afgelopen zaterdag, vindt dat de missie gewoon verder moet gaan. Antropologie? Overbodig. Meer landen, uit de regio, uit de islamitische wereld, erbij betrekken? Overbodig. Ooit nog een woord wijden aan Irak? Overbodig. Het enige dat nodig is, versie Ellian, is het lezen van De Vliegeraar. Een geweldig boek meent Ellian. Curieus. Het boek is een ongelukkige soap, uiterst geschikt voor primitieve propaganda, maar literair de moeite van het noemen niet waard. Overigens, de vervolgroman (Duizend schitterende zonnen) is nog erger. Afghanen willen altijd de afloop weten, schrijft Hosseini aan het einde van De Vliegeraar. Makkelijk zat, je construeert twee kampen. In het ene kamp zitten de goeden, die onderdrukt worden. In het andere kamp zitten de onderdrukkers, de slechten. De goeden zijn de mensen die tegenslagen dragen en daar uiteindelijk zelfs sterker van worden. En die vrede vinden, steeds meer vrede, hoe moeilijk dat ook is, juist omdat het moeilijk is. Ze zijn tot liefde in staat, en tot opofferingen. Maar niet tot vergeving en al helemaal niet tot verbazing. Dat zou de zaak maar nodeloos ingewikkeld maken. Twee ingrediënten dus: maak de zaken niet te complex en de mensen niet te gecompliceerd. In dat geval kun je de afloop net zo goed direct verklappen. Het is het recept Ellian. Het zal alleen geen goede afloop zijn.
 
3 september

----------------------------------------------------------------


Onbedoeld: ja. Voorspelbaar: ook

In M, de maandelijkse bijlage van NRC-H, stond gisteren een behartigenswaardig artikel over de segregatie in het Nederlands onderwijs. De teneur was: stop achterstandskinderen bij elkaar en je krijgt nog grotere achterstanden. Dat bij elkaar stoppen is gebeurd – en de achterstanden zijn gegroeid. Diverse oorzaken passeren de revue, zoals het ongelukkige experiment met het vmbo, het tegengaan van het stapelen, de voorsortering in het basisonderwijs, het vroege tijdstip (12 jaar!) waarop kinderen op een pad worden gestuurd waarvan ze niet makkelijk meer af komen. En de verzelfstandiging van het onderwijs, met als gevolg dat scholen de markt aan het segmenteren en dus afromen zijn.

Segregatie was niet bedoeld. Die vraag is daarom niet zo interessant. Wel interessant is de vraag of dit resultaat voorspelbaar was geweest. Ik zou denken van wel. De verzelfstandiging is tenslotte onderdeel van een grote beweging die zowel de overheid als sectoren zoals onderwijs en zorg kennis wil laten maken met de ‘tucht’ van de markt. Dat is dan ook gebeurd. En daarom was de segregatie, hoewel niet bedoeld, wel degelijk voorspelbaar.

De redenering is eenvoudig en komt van de grote Adam Smith die ons immers leerde dat zolang iedereen zich maar bezig hield met z’n eigen zaakjes en daarbij z’n welbegrepen eigenbelang in de gaten zou houden, het macro-resultaat het beste zou zijn. Hoewel niemand dat ‘bedoeld’ had, sterker nog: omdat niemand dat bedoeld had. De onzichtbare hand, dus. Smith, overigens, dacht daarbij uitdrukkelijk niet aan het onderwijs maar daar hebben de moderne bewonderaars van de verzelfstandiging lak aan gehad. Beschouw het onderwijs als een bedrijf en handel daarnaar. Zet er een professioneel bestuur op, een raad van toezicht, werk vraaggestuurd – dus richt je op de markt – en het zal beter gaan.

Het gaat ook goed met het Nederlandse onderwijs, alleen niet overal. De prestaties van de Nederlandse leerlingen steken gunstig af bij die van leerlingen uit tal van andere landen. Gemiddeld genomen doen we goed mee. De goeden blijven het goed doen, de slechten doen het wat slechter en gemiddeld scoren we lekker. Zo hoort dat. Een markt die niet kan segmenteren is geen markt. Een bedrijf dat iedereen moet bedienen is geen goed bedrijf. Zo’n bedrijf verliest marktaandeel. Dat zien we dan ook. VMBO scholen waar hard is gewerkt om de kinderen nog enig perspectief te bieden zien hun leerlingenaantallen dalen en hebben te kampen met de meeste vroegtijdige schoolverlaters.

Een discussie over desegregatie moet beginnen met de verzelfstandiging aan de orde te stellen. Curieus: daar ging het hoofdredactioneel van NRC-H dit keer nou juist niet over. Max Pam hoeft zich geen zorgen te maken; NRC-H is nog altijd een liberale krant.

2 september

----------------------------------------------------------------



Vergeven

Tot diep in de nacht keek ik naar de film Magnolia. Ik ben er nog steeds van onder de indruk. Het is een sublieme film. Drie uur lang wordt het thema vergeving uitgebeeld, voorafgegaan door een korte introductie aan de hand drie gebeurtenissen die met het thema van de film niet direct iets te maken hebben: vergeving was daar of niet aan de orde of kwam te laat. Alle personages in de film zijn gevangen in het thema van vergeving. Schuld dus, niet metafysisch maar gewoon: mensen die elkaar bedriegen, verlaten, in de steek laten, misbruiken. En mensen die daar nooit geheelde littekens van hebben opgelopen, gebukt gaan onder machteloze woede, die soms ontkennen, die soms alleen nog bij zichzelf te rade kunnen gaan – en die dat niet kunnen. Eenzaamheid dus.

Er zijn schuldenaren en schuldeisers dus en, gelukkig, een tweetal helpers (een politieman en een verpleger). Het is een netwerk waar niemand zich uit kan bevrijden. Niet de producer die vrouw en zoontje in de steek liet; niet zijn zoon die zijn jeugd – de verzorging van zijn moeder, de trouweloosheid van zijn vader – probeert te ontkennen door een raar soort macho stoerheid; niet de tv presentator van een spelshow – van onze producer – die niet met z’n handen van z’n dochter was afgebleven; niet de dochter die weinig anders doet dan lintjes snuiven; niet haar moeder die pas op een zeer laat moment de kant van haar dochter kiest; niet de deelnemers aan de spelshow, in het bijzonder de ‘wonderkinderen’ en hun ouders die hen exploiteren en er daarna geen zin meer in hebben, niet enzovoorts. Ze zitten allemaal vast. Tot, natuurlijk, de fameuze scènes waarin het reusachtige kikkers regent en de mensen zich eindelijk uit hun wederzijdse, meestal ongewenste, ongelukkige omhelzingen weten te bevrijden (de kikkerplaag is ontleend aan Exodus 8:2, een tekst met de eis aan Egypte om het Joodse volk te laten gaan, zo niet dan ‘zal ik uw gehele gebied met kikvorsen teisteren’). Beter laat dan nooit, zou je zeggen. En niet, niet helemaal, op eigen kracht. Evenmin totaal, en voor iedereen. Vergeven is een gift; het werkt alleen maar als het beiden inschakelt, schuldenaar zowel als schuldeiser. Schuld in deze film is de ontkenning van relaties; vergeving is er de erkenning van. Sommigen zijn daar niet toe in staat. Niet elke magnolia geeft mooie bloemen.

1 september

-----------------------------------------------------------------



Muurbloempjes

Ga je makkelijker een relatie aan als je er ook weer makkelijk van af kunt? Het antwoord is ja, zeggen werkgevers en minister Donner. Zelfs muurbloempjes zullen dan in de prijzen vallen. En die hebben ook hun rechten. Ontroerend. De prijs van de relatie is de vaste relatie. Je moet er maar opkomen.

De relatie met Uruzgan moet vooral worden voortgezet. Zeggen de defensiespecialisten van de Kamerfracties, net terug van een bezoek aan de troepen aldaar. Het heeft geen zin eerst een relatie op te bouwen er vervolgens mee op te houden. Muurbloempjes? Afrika? We kunnen niet alles tegelijk. En waar je aan begonnen bent, dat moet je afmaken.

Ondernemers proberen hun klanten te binden. Daar is al een boel plastic voor verzonnen, allerlei ‘cards’ waarmee je als trouwe klant net iets beter af bent dan de toevallige passant. Bedrijven investeren in hun klantrelaties. Verstandig en het mooiste is een bedrijf als ‘familie’, met de klanten als familieleden. Waarom zo’n relatie opgeven? Versterken, dat is het parool, niet afbouwen. Niet met alle klanten natuurlijk; je moet sommige klanten niet willen hebben. Ook onder de klanten vinden we muurbloempjes.

Muurbloempjes zijn de minst aantrekkelijke danspartners. Als je de zaak zo regisseert dat iedereen moet dansen dan blijft niemand aan de kant staan. Op de arbeidsmarkt: zorg ervoor dat er evenveel vragers als aanbieders zijn, evenveel werkzoekenden als arbeidsplaatsen. Zo’n arbeidsmarkt bestaat niet. De arbeidsmarkt is een stoelendans: er is altijd op z’n minst één stoel minder dan er werkzoekenden zijn. De laatste werkzoekende is het muurbloempje. Wie dat wil veranderen moet de arbeidsmarkt veranderen. Dat doe je niet door het aantal aanbieders te vergroten en hen sneller te laten dansen en maar afwachten wat de vragers dan zullen doen. Wat die zullen doen is duidelijk. Vergroot hun keuzevrijheid en ze zullen niet de muurbloempjes afschaffen maar gewoon hun oude, rimpelig geworden relatie inwisselen voor een nieuwe.

De vakbonden moeten zulke enorme looneisen stellen dat de werkgevers daar alleen onder uit kunnen komen door hun werknemers te paaien met een vaste relatie. Zo eenvoudig is het.

31 augustus

----------------------------------------------------------------



Kulturkampf

De Kulturkampf was Bismarck’s strijd tegen de ‘interne vijand’. Dat was, in de late negentiende eeuw, de Rooms Katholieke kerk. Lang duurde het niet – de socialisten bleken een grotere bedreiging. Voor de natie, in de context van een zich ontwikkelende conservatieve natiestaat. Wij hebben nu onze eigen Kulturkampf. Vorige week een lespakket over Uruzgan (cadeautje van BuZa), deze week een ‘actieplan’ tegen radicalisering en polarisatie (cadeautje van BiZa). Het onderwijs, in beide gevallen aangesproken hoewel in het actieplan niet als enige, krijgt het druk.

Minister ter Horst gaat er van uit dat de betrokken ‘professionals’ cultureel competent zijn. Wat dat betekent? Ik kan er van alles bij bedenken maar één ding is zeker. Ze zijn competent omdat ze in staat zijn niet-cultureel-competenten op te sporen, aan te spreken, te corrigeren en zo nodig te verwijderen en aan te geven. Niet-cultureel-componenten: is ‘niet’ hetzelfde als minder, als anders, als bedorven, als bedreigend, als naïef, als onkritisch, als meelopend, als bedrieglijk, als plantaardig en afhankelijk van de juiste begieting? De minister geeft geen uitleg. Voorlopig gaat het over islamitische en rechtsextremistische radicalisering. Wat dat is? Wordt met de islam een godsdienst bedoeld die, net als de joodse, voor elk ei dat wordt gekookt een apart voorschrift heeft dat altijd en overal moet worden gehandhaafd? Vermoedelijk niet. Het zal wel over de politieke islam gaan, de islam die niet slechts eisen stelt aan de mensen die zich gelovig noemen maar tevens aan de inrichting van de samenleving en de staat waar de gelovigen zich ophouden. En die de gelovigen de opdracht meegeeft zo’n samenleving en staat te realiseren. Het verschil met de SGP is alleen dat die partij er zich al lang bij heeft neergelegd dat zoiets in Nederland toch niet te realiseren is. Ik zou dat geen culturele competentie van de SGP willen noemen maar wel politiek en maatschappelijk realisme. Het aardige van de SGP is dat ze van hun ‘culturele competentie’ niets wensen in te leveren. Daarvoor zitten ze in de politiek. En verdedigen hun vrijheid van onderwijs.

Een overheid die een Kulturkampf voert. De historische voorbeelden (Bismarck, Zwitserland dat nog wat eerder was, de jaren 1920 en ’30 ten tijde van de – ontmanteling van – de republiek van Weimar) stemmen niet vrolijk. Een leraar maatschappijleer die van mening is dat militaire taken en ontwikkelingstaken uit elkaar moeten worden gehouden, een leraar maatschappijleer die van mening is dat je democratie niet met de wapens kunt invoeren: kan dat nog? Leerlingen die niet eens het internet hoeven te raadplegen om toch te weten dat elke Nederlandse dode oneindig veel meer aandacht krijgt dan welke gedode Afghaanse burger dan ook: zijn die op weg naar radicalisering? Naar polarisatie?

Het onderwijs is gebaseerd op vertrouwen tussen leraar en leerling. Dat is het uitgangspunt. Een overheid die daar over heen walst is cultureel incompetent. Zo’n overheid is bederf voor het onderwijs, voor leraren zowel als leerlingen. Ging Plasterk niet over het onderwijs? Of heeft hij dit klusje uitbesteed aan Dijksma? Hoe heet dat ministerie toch weer? Stond die C niet voor ‘cultuur’? Welk ministerie is nu eigenlijk ‘competent’? Het is hoog tijd voor de Kulturkampf. In het kabinet. Kom op Plasterk!

29 augustus

---------------------------------------------------------------


Behoeften

De economische betekenis van de democratie kan het best worden samengevat in een leus. Die is: wat mensen nodig hebben kan alleen door een functionerende democratie worden vastgesteld (vrij naar Sen, Development as Freedom). De moeilijkheid is  te achterhalen wat ‘functionerend’ is.

Neem onze prachtwijken, die vermalen dreigen te worden tussen de begrotingsproblemen van Bos en de begrotelijke besognes van de woningcorporaties. Het gaat over van alles en nog wat in die prachtwijken en iedereen doet mee. Behalve de bewoners. In Leeuwarden, zo lees ik in Trouw, zijn ze al helemaal klaar met hun plannen. Het voornaamste probleem is niet de wijk maar het werk. Ik heb altijd gemeend dat die dingen niet helemaal hetzelfde waren maar daar blijk ik me in te vergissen. Ik meende dat niet uit goed vertrouwen in de kabinetsplannen maar gewoon: omdat een wijk iets is waar je woont en als het goed is waar je prettig woont. Iedereen overdag de wijk uitsturen ‘op weg naar werk’ is daar niet per se mee in overeenstemming.

Een kniesoor die er op let, laat staan die er aanstoot aan neemt. Bovendien, in Leeuwarden (de wijk Heechterp-Schieringen) is werkloosheid niet het enige probleem. Verslavingen, opvoedproblemen en schulden tieren ook welig, vaak in combinatie. En ook daarvoor worden ‘teams’ gevormd die oplossingen ‘op maat’ bedenken. In die teams werken ‘vertegenwoordigers van de gemeente, politie, woningcorporaties en het welzijnswerk’ samen. Nou goed dan, denk ik, met enige vrees want dergelijke samenwerkingsverbanden produceren veel maar zelden ‘op maat’. Maar waar zijn de bewoners zelf in die ‘teams’?

Ik lees dat de plannen niet van bovenaf zijn opgelegd. Ze zijn samen met de mensen in de wijk bedacht. Bovendien willen die maar ‘wat graag meewerken’. Waarom zijn ze dan niet aanwezig in die ‘teams’? De mensen zijn klanten, geen participanten. In een democratie is participatie geen plicht (de fundamentele vergissing van de kabinetten Kok, ijverig voortgezet in de kabinetten er na) maar in de eerste plaats een recht. Democratisch vertaald betekent dat: geen plan zonder de actieve participatie van de betrokkenen. Daar ontbreekt het aan. Mijn vermoeden is dat onder de vlag van de prachtwijken allerlei achterstallig onderhoud – achterstallig sinds enkele decennia – zal worden verricht. Hoognodig, maar een prachtwijk krijg je alleen als je de mensen in een wijk zo serieus durft te nemen, en er  zoveel tijd in wil stoppen, dat waar zij behoefte aan hebben de voorrang krijgt. Behoeften zijn geen gegeven. Niet op individueel niveau en zeker niet op wijkniveau. Ze veranderen, ze conflicteren, ze ontwikkelen zich. Je hebt er discussie en debat voor nodig, een gesprek dus en vermoedelijk een verhit gesprek. In achterstandswijken is het organiseren van zo’n gesprek niet eenvoudig. En het kost ontzettend veel tijd. Ik denk niet dat die tijd genomen is. Daarom twijfel ik, op voorhand, aan het nut van de exercitie. Je moet er de mensen waar het om gaat voor durven inschakelen. Gedurende de hele rit. Dat is niet gebeurd. Vanwege begrotingsperikelen? Zou kunnen. In Leeuwarden weten ze het nu al: ‘er zal wat geadministreerd moeten worden, dat is waar’. Democratie is een moeilijk vak. Met name voor politici.

28 augustus

---------------------------------------------------------------



Fante

Afgelopen zaterdag kreeg ik een brief van één van mijn oudste en beste vrienden. Hij schrijft mij vaak; ik schrijf nooit terug. Hij houdt een dagboek bij, ik een dagboekhouding. In de laatste brief wees hij me op het verschil: hij vaak, ik nooit. Gelukkig zien we elkaar regelmatig; dat is althans enige compensatie.

Niet dat ik me nooit heb afgevraagd waarom ik geen brieven schrijf. Er zijn mensen die zeggen dat de brievencultuur ongedaan is gemaakt door de email. In mijn geval is dat niet relevant. Het komt door iets anders maar wat dat was, prachtig toeval, daar kwam ik ook en uitgerekend afgelopen zaterdag achter.

Enkele weken geleden kreeg ik van een dierbare vriendin een tweetal boeken van John Fante cadeau (zijn twee eerstelingen, allebei uit de late jaren dertig) . Ik kende hem niet en blijkbaar ben ik niet de enige. Naar ik begrijp heeft Fante steeds geleden onder zijn geringe bekendheid. Zijn talent werd al in de jaren dertig door de fameuze criticus H.L. Mencken herkend – die hem ook uitgaf – maar een schrijver met een groot publiek is hij niet geworden. In de jaren tachtig, na zijn dood, werd de belangstelling iets groter – dank zij de bemoeienissen van Charles Bukowski (‘Fante is my God’).

Fante is een geweldig schrijver. Door hem besef ik dat ik nooit literatuur zal schrijven (een droom naar de prullenbak verwezen en dat allemaal op een onschuldige zaterdag). En ook geen brieven. Ik zal het uitleggen want daar zit ook exact het probleem. In het uitleggen dus, want een schrijver die kan schrijven legt niet uit maar drukt iets uit. Dat is een wereld van verschil. Een schrijver introduceert je niet in zijn onderwerp, een schrijver neemt je er in mee zodat je onmiddellijk daar bent waar je moet wezen. Een schrijver schakelt ons in door zichzelf in te schakelen. Zonder inleiding en zonder uitleg. Van zijn tweede roman (Ask the dust) worden vaak, en terecht, de twee eerste zinnen aangehaald. Die drukken inderdaad exact uit wat ik probeer uit te leggen. Dit zijn ze: ‘I was facing two problems: I couldn't afford the rent anymore and I couldn't come up with an alternative. I solved both problems by switching off the light.’

Dichter bij een dagboek dan in dit stukje ben ik zelden geweest. We zijn er bijna, zongen we vroeger aan het einde van een schoolreisje – en dan verborgen we ons zodat onze ouders ons niet zouden zien als de bus aankwam. Een aardig ritueel. Elly en ik hadden het er gisteren nog over, op de fiets en op weg naar de Uitmarkt. We zijn er bijna. Maar nog niet helemaal.

27 augustus

---------------------------------------------------------------



Standpunt

We zijn een land van standpunten. Vroeger waren we land met bewoners, maar de bewoners zijn vervangen door standpunten. Meestal standpunten over bewoners en in het bijzonder over waar een bewoner aan moet voldoen willen we hem als bewoner erkennen en hem dus serieus nemen. Per dag verschijnen nieuwe opiniepeilingen. Die zijn niet gericht op het bevorderen van enig debat. De publieke opinie is al lang afgeschaft in de standpuntensamenleving.

Standpunt.nl is een vooruitgeschoven standpuntenfabriek. Waar we afgelopen week allemaal een standpunt over konden hebben: Jan Pronk gaat de PvdA redden; De overheid onderschat het gevaar van overstromingen; Het inburgeringsbeleid van Verdonk is mislukt; De bezuiniging op de AWBZ is terecht; België moet worden opgesplitst. Bent u voor of tegen? Stemt u ja of nee?

Ik heb wel een standpunt over al die standpunten. Mijn standpunt is, naar goed Kretenzische snit, dat er te veel standpunten zijn. Dat is een paradox maar paradoxen kunnen ons verder helpen. Het zou me niet verbazen als de paradox de enige manier is waarop we überhaupt verder kunnen komen. In dit geval: het standpunt dat standpunt.nl consequent met flauwekul standpunten aankomt. Met standpunten die geen standpunten zijn. Neem de Koran kwestie. Er was, bij standpunt.nl, een ja/nee standpunt of de Koran verboden moest worden. Nou nee, zeiden een boel mensen want dan zou je de Bijbel ook moeten verbieden. Prima hoor, zeiden weer anderen want het is hoog tijd om al die rare boeken te verbieden en dit is een mooi begin. Twee standpunten, en eigenlijk maar één. Namelijk dat de stelling net zo idioot is als het Kamerlid dat het voorstel voor verbod deed.

Niks standpunten dus, gewoon slecht gedacht. Waarom? Omdat de makers van dat programma totaal niet zijn geïnteresseerd in onze standpunten. Ze moeten scoren. Ze hoeven niet te weten wat de luisteraar denkt maar wat-ie vindt. Ze zijn geïnteresseerd in marktaandeel en dus verzinnen ze per dag een stelling, huren een zogenaamde deskundige in, roepen de luisteraars op om in twintig seconden hun ‘standpunt’ bekend te maken (‘ja dat is heel interessant maar bent u nu voor of tegen de stelling?’) en maken aan het einde van de uitzending bekend hoeveel mensen waarvoor hebben gestemd en hoeveel inmiddels van ‘standpunt’ zijn veranderd, vergeleken met de stemming aan het begin van de uitzending (soms wel een heel procent!). Standpunt.nl maakt van een standpunt een consumptiegoed. Het enige goede van het programma is het tijdstip van uitzending. Zo rond de lunchpauze.

Het innemen van een standpunt is nauw verwant aan de ‘vrijheid van meningsuiting’. Daar hebben we recht op, net zoals we recht hebben op ‘respect’ voor ons eigen standpunt. Het recht op vrije meningsuiting is van alle grondrechten nog zo ongeveer het enige recht waar geen plicht tegenover staat. Zou je bedenken dat zo’n recht geplaatst moet worden in de context van de overtuiging dat zonder een dergelijk recht het niks kan worden met het uitwisselen van gedachten, meningen en – vooruit –  standpunten in een debat, een gesprek dus, dan zou je moeten zeggen dat velen van dat recht een slecht gebruik maken. Moet je hen hun mening verbieden? Welnee, hen van het platform weren is al meer dan genoeg. Ook een standpunt. Over wie ik het heb? Over Wilders bijvoorbeeld, die helemaal geen debat wil, niet in zijn eigen partij (de Partij van Zijn Vrijheid) en al helemaal niet met moslims of niet-westerse allochtonen. Als hij het over hen heeft spreekt hij niet men hen en is dat ook helemaal niet van plan. Hij spreekt ook niet met ons maar daar zou je nog bij kunnen bedenken dat hij ons nog aanspreekt. Wilders is dol op het recht op vrije meningsuiting en negeert de context. Hij heeft dat recht en de anderen zijn ‘haatzaaiers’. Dat is zijn goed recht zeggen sommigen (ik vermoed overigens dat dat dezelfden zijn die in elk ander verband van mening zijn – over uitkeringstrekkers bijvoorbeeld of over jongeren zonder ‘startkwalificatie’ – dat er geen rechten zijn zonder plichten). Ben je het er niet mee eens? Dan ga je maar de rechter. Ben ik het er niet mee eens? Ik vraag om een nieuwe wet. Om een verbod. Op de Koran en op nog veel meer.

Mijn standpunt is dat er geen contextvrije rechten zijn en dat het debat zou moeten gaan over welke context wanneer aan de orde is. Ik ben een voorstander van het ‘recht op rechten’ – zoals Hannah Arendt de universele rechten van de mens omschreef. Maar zij wist dat die rechten een context nodig hadden: het staatsburgerschap. En zij wist ook dat het precies die context was die velen tot statenlozen had gemaakt, tot illegalen, niet vanwege hun daden maar vanwege hun paspoort. Standpunten, daarentegen, hebben geen context nodig. We hebben er recht op, nl.

26 augustus

--------------------------------------------------------------

 

Stoel

Een interview met Max van der Stoel laat ik niet aan me voorbijgaan. Vandaag heb ik m’n hart weer kunnen ophalen, in het Zaterdags Bijvoegsel van NRC-H. De reden dat ik zo dol ben op die – inmiddels toch wel spaarzame – interviews is eenvoudig: ik kan ze altijd op meer dan één manier lezen. Ik vind dat een verdienste van van der Stoel. Hij zegt spijkerharde dingen maar altijd zo’n beetje tussendoor en altijd zo geformuleerd dat je wel gedwongen bent er een eigen draai aan te geven – die hij altijd weer zal kunnen ontkennen. Dat is klasse. Ook dit keer ben ik weer op m’n wenken bediend.

Nederland moet in Uruzgan blijven. Zegt van der Stoel. En dan volgt het bekende rijtje: om het terrorisme in te dammen (zonder de vraag te stellen of het enige zoden aan de dijk zet), om de emancipatie van de vrouwen te beschermen (zonder de vraag naar de verwoestende invloed van de krijgsheren te stellen) en om het succes van de Nederlandse aanpak te continueren (zonder de vraag te stellen naar de opvallende wanverhouding tussen aantallen militaire en aantallen burgerslachtoffers). Goed, dat was te verwachten. Maar dan komt het. Van der Stoel is het eens met Voorhoeve die vaststelt dat er met de Taliban gesproken moet worden. Maar, zo zegt hij, dat zullen de Amerikanen en dus de NAVO nooit accepteren. En daarom kan het niet. En hetzelfde geldt voor het idee, door hem gesteund, om er een VN actie van te maken, om het aantal troepenleverende landen uit te breiden met, in het bijzonder, troepen uit landen met een islamitische bevolking. Maar ook dat zal niet lukken, en om dezelfde reden. Amerika zal water bij de wijn moeten doen, zal dat niet doen en dus zal de NAVO het niet doen. Het is niet de enige keer dat de NAVO, en via de NAVO de VS, ter sprake komen. Diverse NAVO landen onttrekken zich aan hun verantwoordelijkheid en doen niks. Zoals de Scandinavische landen en België. Nederland moet daarom eisen stellen aan de NAVO. We moeten een ‘lastige’ onderhandelaar worden.

In de NAVO? Kijk, dat is nog eens aardig. Van der Stoel weet natuurlijk net zo goed als iedereen dat de NAVO even democratisch is als het IMF en de Wereldbank, ook van die organisaties die door het democratische westen worden gecontroleerd, met de VS aan de knoppen. Niet dus. Het zou me niet verbazen als de besluitvorming van de Taliban democratischer in elkaar steekt dan die van de NAVO. Volgens mij is van der Stoel er op uit om die besluitvorming eens aan de orde te stellen. En dus de rol van de VS. Maar hij zegt het niet. Van der Stoel heeft een reputatie hoog te houden en daarvoor moet hij voor de powers that be aanspreekbaar zijn. En blijven. Die stoel geeft hij niet op. Elk nieuw interview is er het bewijs van.

25 augustus

----------------------------------------------------------------


Raad

Oktober vorig jaar leverde onderzoeksbureau Regioplan een rapport in bij de Raad voor Werk en Inkomen (RWI). Onderwerp: de arbeidsmarktpositie van allochtone studenten. Een lang rapport. Er stonden enkele regels in over de ‘activiteiten’ van de allochtone studenten, waaronder hun deelname aan studentenverenigingen. Dat loopt nog niet zo hard. Met name de niet-westerse allochtonen staan op achterstand. Ongeveer 10% van hen is lid van een studentenvereniging, tegenover 25% van de overigen. In het bijbehorende advies ‘Hoger opgeleide allochtonen op de arbeidsmarkt’ beveelt de Raad onder meer aan dat studie- en studentenverenigingen zich meer openstellen voor allochtone studenten. Mooi natuurlijk maar waarom zegt de Raad dat en niet de hogescholen en universiteiten? Neemt de Raad de taken van, zeg, de HBO Raad over? Of weet de Raad nog altijd niet precies waarover ze wel en waarover ze niet kan adviseren en hanteren ze het opgewekte motto dat niet geschoten altijd mis is?

Het is niet onopgemerkt gebleven schreef de grote volksschrijver al. Niettemin, veel discussie leverde het toen niet op hoewel veel inzenders op Geenstijl.nl er het nodige plezier aan beleefden. Dat was de eerste ronde. Nu ronde twee. Vandaag gaat het Algemeen Dagblad erop door. De reden is eenvoudig. Het nieuwe studieseizoen is begonnen en wat blijkt? De allochtone studenten organiseren zich wel (ook daar halen ze hun achterstand in) maar dan in andere dan de bestaande verenigingen. Ze richten ‘eigen’ verenigingen op. Ze houden niet zo van bier maar weer wel van bollywood. Prachtig toch? Ook de Raad vindt daar niks op tegen. Maar toch. De Raad ziet het liever anders. ‘Integreren’ zou beter zijn, al was het maar voor het netwerk en het CV. Voor de baan dus.

Ik vraag me twee dingen af. In de eerste plaats: waar bemoeit de Raad zich mee? Zijn ze daar wel helemaal fris? Hoe lang is het nog wachten op een advies van de Raad waarin allochtonen wordt aanbevolen een nieuwe identiteit aan te nemen zodat hun herkomst niet meer kan worden getraceerd? Opdat de baankansen toenemen? In de tweede plaats: netwerken van studievriendjes zijn een marktverstoring. Dat is op zichzelf al iets waar de Raad zich wel eens voor op het hoofd mag krabben en het is nog vervelender op de arbeidsmarkt waar altijd al de regel heeft geheerst dat niet de beste maar de best passende wordt uitverkoren. Het soort netwerken waar de Raad het over heeft zijn daarvan de hulpmotoren en de brandstof tegelijk. Althans, zolang het aanbod beperkt blijft. Als iedereen lid wordt heeft niemand wat.

Er zijn altijd studentenverenigingen geweest op religieuze grondslag en op politieke. En op grond van status, niet te vergeten. Dat trok lijnen tussen verenigingen en het trok lijnen binnen verenigingen. Hoe groter de vereniging hoe meer clubjes erbinnen. Niks mis mee, als ze het leuk vinden moeten ze het vooral doen en het geeft nog wat te kiezen ook. Dubbele lidmaatschappen: kan. En waarom niet? Ik heb er de Raad nooit over gehoord. Behalve nu. Een goede Raad is duur, dat blijkt maar weer.

23 augustus

----------------------------------------------------------------


Rampen

In ‘The next catastrophe’  legt socioloog Charles Perrow ons geduldig uit dat de kans op rampen gestaag is toegenomen. En dat niet alleen door klimaatveranderingen, terrorisme en winst boven zorgvuldigheid. Het komt ook door het eenvoudige feit dat tal van essentiële infrastructurele voorzieningen (elektriciteit en andere energie, computersystemen, chemie) in hoge mate geconcentreerd zijn, evenals - en dicht bij - de bevolking in grote stedelijke gebieden. Zijn oplossing gaat in tegen het huidige beleid om bedreigde doelen steeds intensiever te beschermen. Zijn oplossing ligt voor de hand: zorg voor deconcentratie.

In ons land werd gisteren bekend dat we niet goed zijn voorbereid op een ramp van enige omvang. Dat komt, zegt men, omdat de verantwoordelijke beleidsinstanties en beleidsmakers veel te veel langs elkaar heen werken en er geen heldere verdeling van bevoegdheden is. Bij gebrek daaraan is er ook nooit een eindverantwoordelijke aan te wijzen. Wij hebben geen nationale directeur bij rampen maar slechts een nationale ‘coördinator’. Dan weten we het wel. Joustra heeft een mooie titel maar weinig in handen om echt iets af te dwingen. En de treurige geschiedenis van Gijs de Vries in Europa ligt nog vers in het geheugen.

Vanuit een veiligheidsoptiek is het onverstandig Schiphol verder te laten groeien in het dichtstbevolkte gebied van Nederland. Vanuit een veiligheidsoptiek is het onverstandig een tweede Maasvlakte te willen hebben. Daar valt niet tegen op te ‘coördineren’ en evenmin te ‘beveiligen’. Perrow heeft natuurlijk het grootste gelijk van de wereld. Alleen zal hij het niet krijgen want veiligheid mag dan wel een profijtelijke bedrijfstak zijn geworden maar dan alleen in het aanbieden van diensten om mensen in het gareel te schoppen. Schiphol is een ‘markt’ voor de beveiliging. En wie zou een markt willen afbouwen? Beschermen, dat moet. Hoeveel ‘professionals’ hebben we ook al weer om terrorisme en radicalisering tegen te gaan? Zou men daar ‘preventie’ mee bedoelen?

De enige vorm van preventie die ergens op lijkt is gevaarlijke concentraties te vermijden en aan verdere concentratie gewoon niet te beginnen. Ik heb het in de commentaren en beschouwingen gisteren niet gelezen en niet gehoord. Wij denken dat preventie de dressuur van het mensenpark is. Van anderen natuurlijk. Vandaag is het nieuws dat ouders best een wat strengere opvoeding voor de kinderen willen. Voor de kinderen van anderen dan want met de opvoeding van de hunne is niks mis. De school moet daaraan bijdragen, aan die strengere opvoeding van de kinderen van anderen. Op die fiets dus. En dan krijgen we vast een veiliger samenleving. Rampzalig, in meer dan één opzicht.

22 augustus


----------------------------------------------------------------


Melk

Europa heeft een zuivelbeleid. Dat heeft sinds jaren in het teken gestaan van productiebeperking. Met groot succes, en met als gevolg dat Europa 60 procent van z’n export buiten de EU opgaf en op wereldschaal een kleinere speler is geworden. Het zuiveloverschot was dan ook wel er groot geworden en geheel in de geest van de thermostaat slaat de meter nu weer een beetje te veel uit naar het andere extreem. Het zal de consumptieprijzen niet hebben verlaagd, dat beleid. En ze hadden buiten China gerekend.

Althans, dat begrijp ik uit een kop op de voorpagina van NRC-H van gisteren. De melkprijzen stijgen omdat de Chinezen niet alleen melk lekker blijken te vinden maar het nu ook gaan aanschaffen. De Chinezen hebben het gedaan (en niet bijvoorbeeld de Fransen waar veel koeien worden gehouden voor de vleesproductie in plaats van voor de zuivel. Of de Indiërs, wat zullen we nou hebben. Daar doen ze helemaal niks met die koeien).

Toch zijn het rare berichten. Je zou verwachten (als ik ‘je’ schrijf bedoel ik meestal gewoon ‘ik’) dat de krant nuchter (bij melk is dat een geoorloofde omschrijving) bij het Europese beleid was uitgekomen en de verzuchting had geslaakt dat het wanstaltige landbouwbeleid toch echt een keertje op de schop moet. Dat beleid is immers een schandaal en een belediging voor elke gedachte aan ‘vrijhandel’, laat staan aan ‘fair trade’. Waarom worden er niet onmiddellijk kamervragen gesteld aan die frisse boerendochter Gerda Verburg?

Europa werkt nog altijd met een quotumregeling voor melk. Die staat in 2008 ter discussie. Zoveel tijd is er dus niet. Doe er wat aan. En het blijft niet bij melk alleen. De Chinezen schijnen ook al een smaak voor graan te hebben ontwikkeld. Het brood wordt duurder. Waarom? Ook hier is het EU landbouwbeleid eerder de oorzaak dan de koopkracht van de Chinezen.

Het EU beleid werkt met quota en productiebeperkingen als het zo uitkomt, met prijzen ver onder de productiekosten zodat de exportpositie versterkt wordt en de vrijhandel verstoord, met steun aan boeren op kosten van een stelselmatige verstoring van de markt. Het leidt tot hogere consumptieprijzen, geknevelde boeren en voorspelbare boerenprotesten, een aanfluiting van de wereldmarkt, oneerlijke concurrentie met boeren uit minder ontwikkelde economieën enzovoorts. Een hedendaagse Kniertje zou zeggen: de melk wordt duur betaald en het graan ook. En ook zij had het niet alleen, en zelfs niet in de eerste plaats, over de prijs.

21 augustus

-----------------------------------------------------------------



Klokkenluider

Klokkenluiders hebben het moeilijk. Wie iets aan de grote klok hangt over de eigen club krijgt het zwaar. Je komt nergens meer aan de bak en op enige waardering hoef je niet te rekenen. Van Buitenen is er nog redelijk van af gekomen, Bos (van Koop Tjuchem of hoe heette dat bouwbedrijf ook weer) niet. En nu zijn de echte klokkenluiders aan de beurt. De metafoor is vlees geworden. Dan moet het wel over de kerk gaan.

In Tilburg is deze week een boete (vijfduizend euro per overtreding) opgelegd aan een kerk, waarvan de pastoor ’s ochtends om kwart over zeven de klok luidde. De omwonenden hadden er last van en het aantal decibellen lag te hoog. In een land waar lawaaiproducent Schiphol geen strobreed in de weg wordt gelegd is dat opmerkelijk. De ene overheid is de andere niet. En over het aantal decibellen gaat het al helemaal niet. We willen verbieden en elk motief dat daarbij aansluit – van het verhinderen van het lawaai van de moskee tot en met het vereffenen van kleine of grotere rekeningen – telt mee. Nee-meerderheden zijn makkelijk te vormen en het hoofd staat naar verbieden. In slechts enkele jaren hebben we het gedogen afgeschaft en het verbieden tot ons nieuwe ethos gemaakt. De maden en wormen van Balkenende vreten elkaar op.

Toen gedogen gedoogbeleid werd was het afgelopen met het gedogen. Gedogen is dulden en geduld hebben we niet meer. Vandaar dat gedogen beleid werd want beleid kun je versnellen en als het niet snel genoeg gaat schaf je het probleem gewoon af. We hebben genoeg aan onszelf. We hebben het druk. Daarom kan in de economie steeds meer (economie is de wetenschap en het bedrijf van tijdwinst op tijdwinst) en overal elders steeds minder. Daarom mag Schiphol doorgaan en een kerk in Tilburg niet meer. Die kerk is irritant en een geïrriteerd mens kan twee kanten op: er iets mee doen (opstaan bijvoorbeeld of nagaan voor welke mensen dat gelui nog betekenis heeft en of ik dat snap, dus kan billijken, dus kan dulden) of de bron van de irritatie uitschakelen (ik wil er niks mee te maken hebben en daarom moet het afgelopen zijn). We kiezen steeds meer voor het tweede; ze doen maar wat ze niet kunnen laten maar niet bij mij in de buurt. De Tilburgse kerk is een mooi voorbeeld van een risicomaatschappij zoals verwoord door Ulrich Beck. Voor alles wat gebeurt is een verantwoordelijke aan te wijzen en die zullen we vinden ook. De pastoor heeft het ons gemakkelijk gemaakt, maar wie denkt dat Rome erachter zit heeft ook alle recht van spreken. De zoektocht naar de verantwoordelijken en de wereld als complot liggen niet ver van elkaar af (the difference between us is not very far, zei Frank Zappa al en wat had-ie weer gelijk). We hebben van de cultuur een vereniging van verantwoordelijken gemaakt. Een keuzeproblematiek dus en wie ervoor kiest z’n verantwoordelijkheid te verwaarlozen kan het wel schudden. In naam van onszelf onteigenen we de openbare ruimte. Ik draag Ruud Vreeman nog altijd een warm hart toe. Pas op je tellen, jongen.

19 augustus

----------------------------------------------------------------



Shirt

Een kleine twee weken geleden, net terug van vakantie, kreeg een luisteraar even het woord in een radio-uitzending. Het ging over Jami. De luisteraar zei dat hij het niet aandurfde in Rotterdam met een shirt van Ajax rond te lopen. Hij zou in elkaar geslagen worden en bescherming zou hij niet krijgen. Zijn vraag: waarom eigenlijk niet? Goeie vraag. Doekle Terpstra, gast in het programma, wou er echter niets van weten. Het ging over serieuze zaken en dit nam hij niet serieus. Een ernstig misverstand.

In 2002 hadden we even een kort relletje over Prins Bernhard. Hij was van mening dat enkele stoere jongens die een winkeldief hardhandig op het goede pad hadden gebracht wel wat meer bescherming mochten hebben. Nou en, zei de Prins (en met hem vele anderen), wat dan nog als er een paar klappen vallen? Had die dief het niet zelf over zich afgeroepen? De Prins zou de advocaat wel betalen. In 2002 was de stemming een beetje die van eigen richting. We hadden toen een minister die ooit een doodschop in gedachten had en dat uitsprak ook. Geen probleem. Waar is Remkes nu? Ben ik best benieuwd naar. Is-ie nog steeds van de doodschop of weer terug op het pad van de ontoelaatbaarheid van de eigen richting? Het laatste, denk ik.
Toen en nu ging het niet over geweld, maar over wie erdoor wordt getroffen. Soms hebben we begrip, soms niet. Daar wees ook de luisteraar op. Zijn conclusie: er zijn rangen en standen als het om bescherming gaat. Dat klopt. En rangen en standen gaan niet samen met de rechtsgelijkheid in een rechtsstaat. Terpstra heeft er niets van begrepen.

Hubert Smeets (de Groene 17 augustus) wil vooral de feiten weten. Is Jami nu in elkaar geslagen of niet? Was-ie ooit moslim of niet? Hij komt er niet uit. Wie wel? Als ik van Doorn (NRC-H 15 augustus) goed begrijp is hij meer van de vergelijking van Jami met de luisteraar van het shirt van Ajax. Als ik Ellian (NRC-H 18 augustus) goed begrijp is hij voor de ‘ontoelaatbaarheid’ van elk geweld. Verbazend misschien van een man die de oorlog met Irak een grote stap vooruit vond en daar een ‘het doel heiligt de middelen’ verhaal bij had. Hij was niet de enige overigens maar het is vooruitgang dat hij, als het om Jami gaat, dat verhaal krachtig ontkent. Goed zo! Nu nog volhouden. Raar is wel dat over de aard en de ernst van het geweld tegen Jami maar niks helders naar buiten komt. Kan de politie het niet aan? Jami kan de daders redelijk goed beschrijven en de dame in zijn gezelschap (ook gemolesteerd?) weet vast ook wel wat. Goed, van Jami hoeven we niks te verwachten. Die zegt nu eens dit en dan weer dat. Over het geweld en over het geloof. Veel bloed, geen bloed, in het gezicht gestompt maar geen schrammetje te zien. Raar. En over het geloof? In 2004: ‘Mijn grootouders waren nog moslim, maar mijn vader was ongodsdienstig en heeft mij altijd vrij gelaten om mijn eigen weg te zoeken op dat gebied. Mijn moeder heeft zich merkwaardig genoeg tot het christendom bekeerd.’ En in 2007: ‘Ik was een moslim, ik werd zo opgevoed, ik wist niet beter. Ik geloofde in Allah, ik geloofde in de profeet Mohammed. Een vroom leven, met alles erop en eraan. Naarmate ik ouder werd, begon ik allerlei signalen op te vangen die mij aan het twijfelen brachten. … Mijn vader, die nog altijd moslim is ... Nee, ik ben geen atheïst, ik geloof nog wel degelijk in God. Dit alles kan toch niet toevallig bestaan? Kijk eens naar het menselijk lichaam, hoe prachtig die motor in elkaar zit. Het is gek: ik ben wetenschappelijk ingesteld – laat me het bewijs zien, dan zal ik het pas geloven – maar het onverklaarbare gevoel dat er iemand is die op mij let, is de basis van mijn bestaan.’

Ellian heeft een hele last op z’n schouders genomen. Misschien moet de luisteraar contact met hem opnemen. Een Ajax shirt in Rotterdam. Moet kunnen. En anders gaan ze daar maar naar de rechter.

18 augustus

=0=

 

Elke mening telt – telt elke mening?

Op dit moment (medio augustus ’07) wordt gewerkt aan een steuncomité (in oprichting) dat een ander steuncomité (in oprichting) moet steunen. Gezaghebbende mensen worden uitgenodigd het eerstgenoemde initiatief te ondersteunen met hun handtekening. Aan een verklaring wordt de laatste hand gelegd. Hun mening wordt serieus genomen – door henzelf in de allereerste plaats. Soms ook onder elkaar maar dat komt minder voor. Worden ze door anderen serieus genomen? Als het om Jami (bedenker van een steuncomité en aanleiding voor het steuncomité voor het steuncomité) gaat komt voor mij alleen de mening van Van Doorn in aanmerking (NRC-H 15 augustus ’07). Het zou ook over Wilders hebben kunnen gaan tenslotte; die jongens zijn foto en negatief. Voor het overige lijkt het allemaal nergens op, al was het maar omdat mensen die nattigheid beginnen te voelen (Klamer, de Beus) hun steuncomité krampachtig proberen te onderscheiden van Jami. De lezersbrieven in de krant een dag later bewijzen het: veel boosheid op van Doorn en dat niet vanwege zijn poging de politiek niet helemaal op te offeren aan de persoon maar omdat hij zo onaardig is over de persoon Jani (en, toegegeven, Ellian). Dus: dat het steunende steuncomité los staat van Jami gelooft geen hond. Wisten we al.  Met Ellian erin, of voor mijn part Holman, is daar ook geen beginnen aan. Mijn mening. Maar die is gelukkig niet gezaghebbend.

Op het vlak van meningen is er een onderscheid tussen gezaghebbende en niet-gezaghebbende meningen. Dat is logisch. Er is een inflatie van meningen en meningspeilingen en die industrie dient elke dag opnieuw gevoed. Model: standpunt.nl. Hoe meer meningen hoe minder ze ertoe doen. Elke mening telt, maar elke afzonderlijke mening doet er geen bal toe. Vandaar de nood aan ‘gezaghebbende’ meningen en hun dragers. We hebben er te weinig van. In een vraaggestuurde media-economie komt er uiteraard enig aanbod maar omdat wij ook over dat aanbod allemaal weer onze mening moeten geven gaat de inflatie onverdroten voort en wordt het probleem nooit opgelost. Om een eenvoudige reden: het is onoplosbaar. Als elke mening telt, telt geen enkele mening maar alleen de statistiek. De roep om gezaghebbend is een loze kreet. Belinfante had destijds een gelukkige greep met de metafoor – minder met de richting. De jaren zestig zijn de index van de teloorgang van gezag. De geëiste medezeggenschap van studenten (‘one man one vote’) was er de uiting van, niet de oorzaak. Niet de medezeggenschap was loos, dat was het gezag. Gezag bestaat niet in de publieke opinie. Ook niet meer op straat of in de politiek. In die sferen is een beroep op gezag net zo ouderwets als de jaren vijftig. Je beroept je op de publieke opinie maar de publieke opinie is een ruimte zonder gezag. Wat telt is het aantal, niet de kwaliteit (als slechts zes op de tien Nederlanders vertrouwen hebben in rechters moet er lekenrechtspraak komen. Zegt Joost Eerdmans. OJ Simpson in Nederland. Als de publieke opinie het wil, wil Eerdmans het ook. Hij was ooit parlementariër van het jaar. Dat zegt iets over parlement en parlementaire journalistiek. Sinds die tijd is Eerdmans BN-er. Wat nu? Denken we dan. Inderdaad: Wat nu? Aardig meisje trouwens, die Isolde met de moeilijke achternaam).

De gezaghebbende mensen voor het steuncomité zijn ook BN’ers. Dat type kennen we, de tv is er van vergeven. Daar organiseren ze voortdurend wedstrijden met ‘awards’ die nu eens aan de een en dan weer aan de ander toevallen. Zelden wint dezelfde twee keer achter elkaar. Het lijkt wel een democratie. Geschraagd door de publieke opinie die zich al sms-end mag uitspreken. Prachtig toch? Ik hoor die mensen zich zelden op hun gezag beroepen. Kwaad kan het daarom niet; het is voornamelijk vervelend en we hebben allemaal het recht op onze eigen verveling. Het steuncomité moet kiezen: of ze doen niet moeilijk en voegen zich in de orde van de BN, of ze halen er hun neus voor op en erkennen dat hun gezag niet verder reikt dan de mening van elke andere passant die door standpunt.nl wordt uitgenodigd om ook eens wat te roepen.

We hebben inmiddels zoveel BN-ers dat al die wedstrijdjes hard nodig zijn om ze nog uit elkaar te kunnen houden. Er is inflatie in BN-ers, vandaar. De gezaghebbenden van het steuncomité denken enige invloed uit te oefenen op de publieke opinie. Ze vergissen zich. Ze staan slechts op de menukaart. In de hoop dat wij zullen zeggen: doet u dat maar. Dat het ons wel moge bekomen.

Elke mening telt – telt elke mening? De Groene vraagt om essays die de vraag gaan beantwoorden. Zoals betaamt gaat het om een wedstrijd, een ‘prijsvraag’. Ik hoop dat ze de essays alleen op stijl zullen beoordelen. Ik denk van niet.

17 augustus

=0=

 

Opbouw

Zou de Klan op de lijst van terroristische organisaties staan? Nu de Amerikanen van plan zijn de Iraanse revolutionaire garde, wanstaltig product van de grote ayatollah, aan die lijst toe te voegen ben ik daar eigenlijk wel benieuwd naar. De lijst wordt geloof ik alleen maar langer; je komt er wel op maar niet van af. Als je de lijst legt naast het aantal conflicthaarden in het Midden Oosten en Afghanistan en omgeving dan zie je een sterke samenhang. Ze trekken gelijk op. De aankondiging van de Amerikanen over de gardisten is een zoveelste illustratie van hun onvermogen hun failliet aan zichzelf te wijten. Ze hebben een schuldige nodig: Iran. Wat zou het heerlijk zijn om vanuit Bagdad in één beweging door te kunnen reizen naar Kaboel en dan via Teheran! Vanuit Bagdad via Damascus naar Beiroet! Overal opbouw, democratie en blije mensen en genoeg benzinestations onderweg. En nergens meer schurkenstaten.

Met het langer worden van de lijst neemt het aantal conflicthaarden toe. Dat is een slecht teken en tegelijk een oordeel over de beperkingen van alle pogingen met de wapens in de hand vrede, vrijheid en democratie op te leggen. De lijst drukt de wespennesten uit waarin de Amerikanen terecht zijn gekomen, die ze zelf hebben opgezocht en die ze nog willen opzoeken. Ik verwacht dat de Klan er niet op staat. De lijst is een speeltje van de Amerikanen waar ze mee omgaan zoals hen dat uitkomt. Tegelijk is de lijst het beste bewijs ervoor dat het gepalaver over ‘opbouw’ volstrekt ondergeschikt is aan de vernietigende taal van het geweld. We leven in een nieuwe wereldwanorde (Tzvetan Todorov). Je kunt het ook de wereld van de kruistocht noemen al heeft Bush dat omineuze woord maar één keer uitgesproken. Niettemin.

Van een bevolking van twintig miljoen Irakezen zijn er inmiddels vier miljoen op drift. De helft ervan is gevlucht naar Syrië en Jordanië, de andere helft is als wrakhout verspreid over Irak. Het is het zoveelste schandaal van een oorlog die meer heeft verwoest dan Saddam ooit had kunnen dromen. We hoeven niet moeilijk te doen over de verantwoordelijkheden. De Amerikanen, de Engelsen en hun bondgenoten waaronder Nederland hebben elk gezag in Irak vernietigd en een staat zonder gezag is als een huis zonder fundering. Niet dat er enig besef van verantwoordelijkheid is bij de verantwoordelijken. Hoewel Irak, Syrië en Jordanië de vluchtelingenstroom volstrekt niet aankunnen houden wij onze grenzen prettig gesloten. Wij doen niets. Behalve ons laten vangen in een vergelijkbaar scenario voor Uruzgan. We noemen het opbouw. En mocht het de puinbak worden die het al is dan breiden we gewoon de lijst met terroristische organisaties uit. If you do what you did, you get what you got.

16 augustus

=0=

 

Enkele reis Frankfurt

Het zouden toch hoogtijdagen moeten zijn voor de anti-EU kongsi. Er wordt met miljarden gesmeten om slecht gedrag van banken en ‘fondsen’ te belonen, de inflatie (de belangrijkste zelfverklaarde opgave van de ECB) aan te wakkeren en alles in gereedheid te brengen voor verdere uitgaven. Ongetwijfeld om de ‘reële’ economie te redden. Het klinkt als de ondernemer die de werkgelegenheid citeert om een aantrekkelijke subsidie of een ander soort staatssteun in de wacht te slepen.

Maar het is muisstil. Zolang ‘Brussel’ er niet bij betrokken is lijkt het wel alsof de EU niet bestaat voor politici en politieke partijen. Dat zagen we al vaak bij het Luxemburgse Europese Hof van Justitie en we zien het nu in Frankfurt, waar de Europese Centrale Bank huist. Die bank heeft meer miljarden gespendeerd dan de Amerikaanse en Japanse centrale banken samen. En niet een beetje meer, maar veel en veel meer. Ritalin voor een verzenuwd zenuwstelsel: het internationale financiële circuit. De totale begroting van de EU verbleekt erbij. En alles wordt uitgegeven tegen een verwaarloosbare rente zodat we vrolijk verder kunnen gaan met waar we toch al mee bezig waren. ABN Amro heeft ook wat van die centen opgevraagd. Reden: ze worden onder zulke aantrekkelijke voorwaarden ter beschikking gesteld. Een voordeeltje moet je niet laten lopen. Jammer dat het een nulsomspel is: hun voordeel is ons nadeel. Voor de loze belofte van werkgelegenheid moet je wat over hebben. Een gewoon mens zou zeggen dat je om werkgelegenheid te stimuleren in die werkgelegenheid moet investeren. Maar dat is nu exact wat de ECB niet wil hebben. Het zou maar tot inflatie leiden.

Hoe de ECB tot besluiten komt is onbekend, ook nu. Het lijkt een beetje op het IMF: hoe belangrijker het orgaan, hoe minder we mogen weten over wat er zich afspeelt, welke criteria waarvoor wanneer worden gehanteerd en onder welke omstandigheden consistentie wordt opgeofferd aan opportunisme. Gefundenes Fressen voor Europa bashers zou je zeggen. Nee dus. Misschien moeten ze eens een bezoekje aan Frankfurt brengen. Enkele reis, wat mij betreft. En anders gewoon wat minder hoog van de toren blazen. Als de EU enige greep wil houden op de ECB hoeft ze helemaal de bevoegdheden van die bank niet aan te tasten. De EU moet zelf sterker worden. Als het goed is loopt de weg naar Frankfurt over Brussel. Het is niet goed. Zouden we daar niet eens een referendum over moeten organiseren?

15 augustus

=0=

 

Frisse lucht

In de kranten van de laatste dagen staan foto’s van de gevolgen van de overstromingen in Zuid Oost Azië; foto’s van mensen die rennen naar de gedropte voedselpakketten; mensen die door borsthoog water waden. En de bijbehorende teksten: niet iedereen kan even hard rennen om een pakket te bemachtigen, de diarree slaat toe, de muskieten ook en op de schaarse droge plekken treffen we niet alleen de mensen aan die het tot zover hebben gered maar ook de slangen die het hebben gered. Gered is nog niet gered en ook onder de slachtoffers van de watersnood hebben de sterken meer kansen dan de zwakken. Niks nieuws onder de zon. Rangen en standen zijn overal, in gebieden van watersnood evenals in vluchtelingenkampen (lees het er het grootse Wat is de wat van Dave Eggers maar op na).

Verschil moet er zijn maar op zulke momenten komt dat even niet zo goed uit. Ik leg het maar voor omdat ik enigszins tureluurs ben geworden van het boek van Paul Frissen De staat van verschil; een kritiek van de gelijkheid. Dat tweede ‘van’ is aardig; het doet kantiaans aan hoewel Kant meestal redeneerde in de trant van ‘er is gelijkheid, hoe kan ik die verklaren?’ en Frissen redeneert ‘er is ongelijkheid, hoe kom ik toch van die gelijkheid af?’. Een klein verschil maar een kniesoor die daar op let. Frissen in elk geval niet. Hij plakt van alles en nog wat aan elkaar, herhaalt zich honderden keren en wordt niet moe ons van z’n ironische intenties en z’n esthetische overtuigingen deelgenoot te maken. En dat in een boek dat overtuigingen wil ironiseren en gespeend is van elke ironie. Frissen is wars van elke dialectiek, maar ik weet zeker dat zelfs een getraind dialectisch denker hier geen chocola van kan maken. En de beleving van chocola, daarvan is de esthetiek nog lang niet uitputtend beschreven.

Geen dialectiek dus maar ‘differentie’. Geen hiërarchie maar horizontale relaties die niet als lijnen maar als ‘plooien’ met elkaar worden verbonden en toch zelfstandige en autonome eenheden verbinden. Veel zelforganisatie en ‘zelfreferentialiteit’ maar ook weer niet helemaal want alles heeft een context en zelfreferentie mag ons niet de ogen doen sluiten voor het feit dat mensen toch met elkaar in verbinding staan, elkaar nodig hebben en veronderstellen en zo verder en zo voorts. Tuurlijk hebben ze elkaar nodig. Frisse lucht hebben ze ook nodig trouwens en als die even niet voor iedereen leverbaar is dan hebben we een probleem. Dat zal ongetwijfeld wel in ‘context’ gezien moeten worden, maar daar schiet je niet zoveel mee op als je geen tijd hebt om de context in ogenschouw te nemen want tijd zonder lucht om in te ademen is dooie tijd. Als het ware. Ongetwijfeld zullen er dan weer mensen zijn die beter dan anderen in staat zijn gebleken om zich daarop voor te bereiden (frisse lucht kun je kopen) en zo is de differentie gered en de rest zoekt het maar uit. Zo zijn we weer in het land van de overstromingen en het land van de vluchtelingenkampen en als ergens de differentie heerst dan wel daar. Als de ziekte. Als het ware. Wat zou Frissen daar eigenlijk van vinden?

Frissen wil graag een rechtsstaat maar is niet zeker dat rechtsgelijkheid te handhaven is. Hij wil graag een democratie maar geen meerderheden. Hij is tegen hiërarchie maar wel voor een esthetisch begrip van politiek dat boven een moreel politiek begrip uittorent. De staat is geen partij, maar een verzameling middelen zonder doel waarvan partijen zich dan ook ongetwijfeld ook geen meester van mogen maken om er wel een doel aan te geven. Hij is zeer, zeer, zeer tegen de verzorgingsstaat want die leidt maar tot uniformiteit, gelijkheid, totalitaire verleidingen en een dwingende opvatting van het goede leven. Politiek is voor hem de poging de differentie te beschermen en te bevorderen. Ik vraag me af: als de ‘differentie’ steeds meer externe effecten genereert (van luchtvervuiling, via klimaatverandering tot en met het voordringen bij de distributie van voedselpakketten met als prijs de verhongering van anderen) dan zouden we in de echte wereld zeggen: maar daar is de politiek nu juist voor! Frissen daarentegen zou nog meer differentie willen. Het contrast van differentie is niet gelijkheid. Daar vergist Frissen zich in. In zijn geval is het contrast indifferentie. Dat is niet hetzelfde, hoewel ik niet durf uit te sluiten dat ook dit verschil (!) door Frissen met groot gemak zal worden weggewuifd. Als Frissen dit als doctoraalscriptie had gepresenteerd had je als begeleider moeten zeggen dat het korter moest en vooral beter. Lieber weniger aber besser. Lenin zei het al. Maar die dacht dan ook niet differentieel.

13 augustus

=0=

 

Vieze Lucht

De verzorgingsstaat bekroont ressentiment, is gebaseerd op afgunst en jaloezie en beloont diegenen die het niet verdienen door de anderen die het wel verdienen te straffen. Eén keer in het boek merkt Frissen op (in een citaat) dat de verzorgingsstaat de rijken meer bevoordeelt dan de armen. Niettemin is zijn betoog doortrokken van de zorg over de armen die de rijken uitbuiten. Zelden is het woord empirisch zo te kort gekomen – en dat bij een auteur die ook dat woord graag gebruikt maar het verdomt om het toe te passen.

Het verschil is esthetisch, het gelijke moreel. En zodra het politiek wordt bevoordeelt de esthetiek de differentie en de moraal de uniformiteit. Dat is zo ongeveer de stelling van Frissen. Hij heeft gelijk te waarschuwen voor de vereenzelviging van politiek en moraal. Zou een zelfde vereenzelviging, maar dan met de esthetiek, de politiek verbeteren? De vraag wordt niet opgeworpen. Kennelijk vindt Frissen het niet interessant. Dat is jammer, maar aan de andere kant begrijpelijk voor een auteur van wie heel veel ‘moet’ zonder dat dat ‘moeten’ iets met de norm, de waarde, de moraal, de dwang, de uitbuiting, de plicht, de belofte of wat dan ook te maken heeft. Waar heeft het dan wel mee te maken? ‘Ja, hoor eens, dat moet je niet aan mij vragen.’

Frissen’s kritiek op gelijkheid is voornamelijk een kritiek op de verzorgingsstaat en daarbinnen in het bijzonder op de collectieve voorzieningen. Nogmaals, het gaat er bij hem niet om dat de rijken daar meer van profiteren dan de armen. Dat is in elk geval consequent (eindelijk!) want op deze manier wordt het verschil prettig in stand gehouden zo niet versterkt. Leve de gelijkheid zou je denken want niks is beter voor de differentie dan dat. Die conclusie, één van de weinige die je ‘logisch’ uit het betoog kan afleiden, wordt niet getrokken.

Wat is toch de steen des aanstoots van die gelijkheid? Van Frissen krijg je de indruk dat gelijkheid niet bestaat en dus een ideaal is en omdat het een ideaal is dat de ongelijkheid ontkent en omdat ongelijkheid de enige echte constante in de wereld is kan het niks worden met die gelijkheid. Probeer je het toch dan leidt dat slechts tot bedilzucht, paternalisme, dwingelandij en erger.
Hoezo: gelijkheid universeel? Ongelijkheid is universeel. Daarmee hebben we het met de ‘universele rechten van de mens’ ook gelijk gehad. Overzichtelijk is het wel, verward nog meer. Gelijke kansen en gelijke uitkomsten, gelijke rechten en gelijke plichten: het is allemaal maar niks. Het ene roept altijd weer het andere op en voor je het weet ben je verder van huis dan ooit.

De drieslag in de reactionaire kritieken op de verzorgingsstaat die Hirschman ooit noteerde vinden we alle drie terug bij Frissen. Alleen ongesorteerd en dat had wel wat beter gemogen. Vooruit dan maar: de kritiek op de gelijkheid is dat het (1) een futiel streven is, (2) een pervers streven en (3) een rampzalig streven. Ach ja. Differentiedenken is een belangrijke stroming in de hedendaagse pogingen denkend met onze wereld om te gaan. Maar dan moet je het wel gedifferentieerd kunnen en willen inzetten. Daar is Frissen niet aan toegekomen. Jammer. Het zal wel aan het milieu liggen. Om helder te kunnen denken heb je, inderdaad, ook frisse lucht nodig. Ik denk dat Frissen voornamelijk  slechte, vieze lucht heeft ingeademd. Dat is niet gezond jongen. Doe er eens wat aan en maak het verschil!

14 augustus

-0-