DAGBOEKHOUDER

Aantekeningen van een ongeduldige toeschouwer

Ton Korver

Amsterdam/Tilburg 20072008

Archief


Augustus

Tussen trouw en trauma

Huwelijk

Acquisitie

Juli

Oorlogshelden

Rocco

Saldo

Formulieren

Dollars

Juni

Watching together

Verslaving

Staat

Lengte

TFP

Een trap na

Oude reflexen

Groeiversneller

Ondervoeding

Woordwaarde

Vertrouwensregel

Een half woord

Lont

Spook

Alleen vandaag wordt gewerkt

Hellend vlak

Achttien maanden

Nieuw

OB

Het werkt toch?

Gevaarlijk?

Blessure

Seculier

Beschermwaardig

All Stars

Tournee

Genoegdoening

Correct

Hufterpreventie

Kruimels

 

Mei

Gesprek

Selectie

Beter crimineel

Draaikont

Gelijk

Intermediair

Knelpunten

Onafhankelijk

Stap voor stap

En tien procent

Studie

Afvinken

Inquisitie

Paralympics

Derivaten

Buren

Blinde vlek

Men neme ...

Refo

Alledaags

Maakbaar

NS (Non Sequitur)

Dag

Marktwenking

April

Krans

Het is zoals het is

Herhaling

Mensen

Muziek

Geen volwassenen meer

Cultuuromslag

Nietsdoen

Leken

Opiniemaatschappij

Bang

Tegengif

Kattenkwaad

Verlangen

Aanklagen

Kennis

Pionnen

In de olie

Vertrouwelijke feiten

Een ander paradijs

Ik ben het zelf

En de winnaar is ...

 


Maxima Moralia
 
Dat had ook de titel kunnen zijn van dit bundeltje aantekeningen. Maar ik wil niet overdrijven. Zo dicht op de huid zitten me de sketches hieronder nu ook weer niet. Ze gaan over dingen die me bezighouden en waar soms de handen van jeuken. Dat is nog niet hetzelfde als het ‘verzonken in ervaring’ dat de Minima Moralia van Adorno als keurmerk heeft. Je moet afstand weten te bewaren. Dat geldt voor de politiek – die karakterlozer wordt met elke nieuwe stap om vooral dicht bij de burger te blijven – en het geldt voor mij.

Niettemin, het kan altijd beter. En dat is een tweede verschil tussen mij en het inspirerende voorbeeld van Adorno. Er is geen goed leven in het slechte is een dictum dat nog uitgaat van een herkenbaar onderscheid tussen goed en kwaad. Daaruit vloeit het oordeel voort. Inmiddels twijfelen we ook daaraan. Dat is geen reden tot wanhoop. Eerder het omgekeerde. Twijfel is, met de gave ons te kunnen vergissen, de opmaat voor schaven en beschaven. Dat wordt makkelijk vergeten, en hoe drukker we het hebben hoe makkelijker. Ik ben aan diezelfde drukte gebonden. Vandaar het ongeduld, gekoppeld aan de afstand die ik met de woorden ‘aantekeningen’ en ‘toeschouwer’ verbind en het voorbijgaande dat meeklinkt in de titel waar ik uiteindelijk voor heb gekozen: dagboekhouder.

 


FiB
tijdschrift Filosofie in Bedrijf

Archief

Dagboekhouder (4)
januari - maart 2008

Dagboekhouder (3)
augustus - december 2007

Dagboekhouder (2)
mei - juli 2007

Dagboekhouder (1)
januari - april 2007

 

 

Oorlogshelden

Is John McCain een oorlogsheld? In de Verenigde Staten vindt men van wel en McCain zelf maakt van die status optimaal gebruik in zijn campagne. Je kunt je zelfs afvragen (Paul Krugman in de NYT van 4 juli) of McCain naast z’n eigen persoon (‘ik weet waar ik het over heb’) nog wel iets anders in de aanbieding heeft.

Het is een gevoelig onderwerp in de VS. John Kerry ging er aan onder door. Grappig is dat in het campagneteam van McCain mensen zitten die destijds Kerry’s oorlogsdaden verdacht maakten en nu heel boos schijnen te zijn over een enkele recente opmerking van generaal Clark, ook gediplomeerd oorlogsheld.

Het geval wil dat Clark heeft gezegd dat een oorlogsheld, zoals McCain, niet reeds daardoor gekwalificeerd is voor het presidentschap. Dat spreekt vanzelf zou je zeggen, maar zo werkt het daar niet. Hier ook steeds minder overigens; bij gebrek aan oorlogshelden hebben we Peter R. de Vries en als Peter R. de Vries had doorgezet hadden we hem nu met een paar kornuiten in de Tweede Kamer kunnen bewonderen. De campagnestaf van McCain spreekt er schande van en probeert van niks een groot misbaar te maken. Aanvankelijk ging de pers, en ook Obama, daar in mee maar nu blijkt dat Clark niet meer heeft gezegd dan hij heeft gezegd wordt de toon wat rustiger. Behalve bij de strategen van McCain natuurlijk. Die zinnen op wraak. Krugman heeft het al over een derde termijn voor Karl Rove, de meester lasteraar die Bush jr. twee keer zo bekwaam ter zijde heeft gestaan.

Wie weet is de verkiezingsstrijd in de VS nu echt begonnen, met als aanleiding een oorlogsheld die een waarheid als een koe debiteert over een andere oorlogsheld. Als dat zo is dan kan Rove misschien binnenkort echt aan de slag. En als dát zo is dan zal het verschil tussen McCain en Bush steeds kleiner worden. Obama heeft nog lang niet gewonnen.

5 juli

=0=

 

Rocco

Gisteravond bekeken Elly en ik in het gezelschap van goede vrienden de dvd met de film ‘Rocco en zijn broers’ van Visconti. Een kleine drie uur om de moderne Italiaanse geschiedenis, die ook de moderne Europese geschiedenis is, op je in te laten werken. Rocco, zijn moeder en drie van zijn broers vertrekken vanuit het arme Zuiden van Italië om aan te komen in Milaan, op zoek naar werk, minder armoede, een beter bestaan. De vader is kort tevoren overleden. Een oudere broer is al eerder in Milaan gaan wonen. Het is het eerste adres waar ze aankloppen.

Vanaf het begin speelt het conflict van traditie en moderniteit, land en stad, oud en nieuw. De familie neemt z’n verwachtingen mee, over trouw en verplichting, over eer en schande, over (naar aanleiding van Bernard Williams’ laatste boek, Shame and Necessity) schaamte en noodzaak, over keuze en lot. In Milaan heersen andere verwachtingen. Het botst en verder vinden de mensen in Milaan dat je migranten met de neus moet aankijken. Milaan in de jaren vijftig is Nederland enkele decennia later. Veel werk is er niet en als Rocco en een oudere broer, Simone, niet waren gaan boksen dan was het wel voetbal geworden. Aan de andere kant, het feit dat het boksen is, een klassieke sport, is geen toeval, arbeidsmarktperspectieven voor migranten of niet.

Aan het einde van de film weten we dat de twee jongste broers het wel zullen redden in Milaan. Simone is dan al kopje onder gegaan in de grote stad. Rocco droomt van een terugkeer naar de geboorteplaats, terug naar het Zuiden.

De film wordt beheerst door de relatie tussen Simone en Rocco, een relatie van conflict en imitatie, van conflict door imitatie. Een mimetische relatie, zo’n relatie waar je achteraf de moraal van kunt proberen op te sporen terwijl je weet dat je je in een krachtenveld bevindt dat sterker is dan de moraal. Imitatie in het boksen en in het koersen op dezelfde vrouw, conflicten die op de vuist worden uitgevochten met de vrouw als aanleiding, inzet en uiteindelijk slachtoffer. Zelden is dat laatste woord beter verbeeld dan in Visconti’s wonderschone film. Tegelijk weten we daardoor dat het ook een film over gender is, over de scheve relaties tussen en de incongruente verwachtingen over de seksen. Ook dat is, tegen de achtergrond van nieuw gebouwde en tamelijk kale en onpersoonlijke woonwijken, moderne geschiedenis. Maar er zijn, aan de achterkant van de etagewoningen, galerijen.

Rocco is de tragische hoofdfiguur van de film. Hij is tragisch omdat hij weet dat de keuzes die hij maakt ingebed zijn in een geschiedenis die groter is dan hijzelf en waaraan hij zich niet kan, mag en ook niet wil onttrekken. Hij offert zijn liefde op en schreeuwt z’n misère uit, met de armen om dezelfde broer heen geslagen die hun beider liefde heeft vermoord. Hij weet dat zijn offer – want zij hield van hem en niet van Simone en ook dat wist hij, en hij offerde haar op door te kiezen voor zijn broer en niet voor haar – vooraf is gegaan aan de moord. Het offer kwam voor het slachtoffer. Hij weet het, hij weet dat hij dat gedaan heeft en niet uit vrije wil, niet eens intentioneel, maar wel in de context van een situatie – de eer en de codes van het oude land in het nieuwe – en met volledig bewustzijn. Het is als Oedipous. De gevolgen van wat je hebt gedaan zijn al erg genoeg. Rocco weet het. Je kunt je misschien nog voorstellen dat je daar vergeving voor vraagt en misschien zelfs krijgt, al lijkt me dat voor Rocco geen pad dat hij zal inslaan. Aan de andere kant, tijd doet wonderen. We weten het niet. Maar dat het zijn daden waren, niet zelf gekozen maar wel zelf gedaan, daar is geen remedie voor. Billijken, verklaren, het – inderdaad – in een context plaatsen, het kan allemaal. Misschien verdwijnen de gevolgen wel, in elk geval in het geheugen van en de omgang met anderen. Maar voor Rocco, die het gedaan heeft, zal nooit verdwijnen dat hij heeft gedaan wat hij heeft gedaan. Vergeving is het voorrecht van anderen en verantwoordelijkheid gaat veel verder dan het nagaan van je intenties, van je overwegingen, van je situatie en van de gevolgen. Want hoe je het ook wendt of keert, het gegeven van je eigen daden blijft staan, ook na aftrek van intenties, overwegingen, situaties, en gevolgen. Van alle personen in de film is Rocco de meest complete, het minst en het meest modern tegelijk. Hoe noemen we dat ook alweer? Precies, Rocco is de held van de film.

4 juli

=0=

 

Saldo

PvdA en CDA hebben een meningsverschil over het al dan niet uitstellen van de btw-verhoging komend jaar. De PvdA pleit voor uitstel want alles wordt toch al duurder, het CDA wil daar niet aan. Hun motief: de extra inkomsten uit de btw zouden worden gebruikt om de ww-premie te verlagen. Dat maakt arbeid goedkoper enzovoorts.

De ww-premie is al jaren veel te hoog. De premie wordt vastgezet op een niveau dat ruim hoger dan lastendekkend is. Dat resulteert in een overschot. Het gaat niet om kleine bedragen, maar om enkele miljarden. Het AWF (het werkloosheidsfonds) vertoont behoorlijke overschotten, maar niet om het werklozen makkelijker te maken. We hebben de overschotten omdat het fonds (en andere sociale fondsen) meedoen in de bepaling van het zogenaamde EMU saldo. Dat moet bij voorkeur positief zijn want anders krijgen we gelazer met Europa.. Het overschot verdwijnt daarom in het saldo. Het is de Minister van Financiën die er goede sier mee maakt, niet de werkgevers en de werknemers. 

Het AWF is een melkkoe. De premies hebben steeds minder te maken met de betalingen vanwege optredende werkloosheid en steeds meer met het opkalefateren van de tekorten bij het Rijk. Je kunt vraagtekens plaatsen bij het überhaupt scharen van collectieve fondsen zoals de AWF onder de publieke sector. Je kunt nog veel meer vraagtekens plaatsen bij het vaststellen van een premiehoogte die niets te maken heeft met de kosten van de werkloosheidsuitkeringen. Oneigenlijk gebruik is wel het minste wat je er van zeggen kunt.

Het invoeren van een btw verhoging om de premies weer meer in overeenstemming te krijgen met de uitgaven is de tweede oneigenlijkheid. De premievaststelling nu komt al neer op een extra belasting. Die belasting is volkomen onterecht en moet worden afgeschaft. Niet vervangen dus door een btw verhoging (geen vestzak-broekzak), maar gewoon afschaffen.

Er is geen verschil tussen de manier waarop kabinetten omgaan met werklozen en omgaan met werkloosheidsfondsen. Het is hun speeltje.

Het is hoog tijd dat werkgevers en werknemers die fondsen compleet terugnemen in eigen beheer. Leidt onmiddellijk tot adequatere premiebepaling en leidt tot het onmogelijk maken van curieuze belastingavonturen die ofwel niet als zodanig worden benoemd, ofwel opduiken in de vorm van de btw.

Het zou al mooi zijn als in de Tweede Kamer de gelegenheid te baat wordt genomen om voor eens en altijd vast te stellen dat premies die betaald worden door werkgever en werknemer niet ter beschikking staan van de overheid.

Ik reken er niet op. Het saldo is heilig, zo heilig dat alleen al het noemen van het saldo als aanjager van onverdedigbaar hoge premies als heiligschennis wordt gezien. Dat gebeurt dan ook niet. Om de grote volksschrijver de parafraseren: het is onopgemerkt gebleven. In de Tweede Kamer.

Er zullen, in elk geval bij ons, altijd verschillen zijn tussen de volksschrijver en de volksvertegenwoordiging. Met de Minister van Financiën als lachende derde.

3 juli

=0=

 

Formulieren

Even dacht ik dat in de Tweede Kamer de humor regeerde. CDA parlementariër De Nerée stelde voor om ambtenaren één dag per jaar terug te laten keren om zelf ook de formulieren eens in te vullen die ze voor anderen bedacht hebben. Leek hem leerzaam. Het aantal formulieren waarmee burgers worden geconfronteerd neemt alleen maar toe, als gevolg van keuzevrijheden bijvoorbeeld en als gevolg van voordturende wetswijzigingen die een dag later al in uitvoeringsbesluiten moeten zijn neergelegd en inclusief de veronderstelling dat als de Kamer wat besluit het ook direct uitvoerbaar is. Ik dacht dat De Nerée het via de ambtenaren over zichzelf had.

Twee keer fout. De Nerée had het niet over zichzelf en hij had het niet over de burgers. Hij maakte geen grap, hij wou niet lachen maar uitlachen. Hij had het over ondernemers en, inderdaad, de ambtenaren hebben het gedaan. Het was geen humor maar een jij-bak. Hij wil de lachers op z’n hand en de rekening neerleggen, niet bij het bestuur maar bij het bestuursapparaat. Het is de smakeloosheid van een bestuurder die een boel tegenstrijdige instructies achterlaat, niet op de uitvoerbaarheid let en vervolgens de uitvoerder de schuld geeft. Laf. Hufterig.

Gisteren sprak de Tweede Kamer over het rapport van de nationale ombudsman, het rapport waarin de overheid wordt verweten de burger vaak bot en kil tegemoet te treden. De meerderheid van de Tweede Kamer is inmiddels, het rapport is al enkele maanden oud, wel tot het inzicht gekomen dat de overheid het inderdaad wel eens wat beter kan doen. Behalve, bij monde van Schinkelshoek, het CDA. Daar vinden ze de burger onheus. Zal ook de reden wel zijn dat De Nerée de ondernemers uit de wind wil houden en voor de burgers z’n neus ophaalt.

Fatsoen moet je doen, zei Balkenende eens. Hij heeft binnen het CDA nog een boel te doen. Mijn voorstel: neem in het beoordelingsformulier voor Kamerleden een item op over minimale competentie. En een item over minimale eisen met betrekking tot omgangsvormen. Tweede voorstel: doe wat met de resultaten. Ik kan zo twee mensen aanwijzen die dan niet meer terug kunnen keren op de kandidatenlijst voor de komende verkiezingen.

2 juli

=0=

 

Dollars

Tussen het kabinet en de industrie is een probleem ontstaan. Het gaat over de JSF. Afgesproken was dat de industrie een deel van de kosten voor z’n rekening zou nemen, als compensatie van de voordelen die de industrie in de schoot zouden vallen omdat de JSF voor hen kennis, orders en dus omzet zou genereren. Maar ten eerste wordt het ding duurder, en ten tweede is de dollar niet meer wat hij was. Over dat laatste schijnt het nu te gaan. De overheid heeft betaald in dollars van 2002 en wat terugkomt aan orders en opdrachten gaat in de dollars van vandaag en morgen – en die zijn veel minder waard. De overheid vreest dat het tekort dat er toch al was eerder groter dan kleiner zal worden door de neerwaartse koers van de dollar. Het bedrijfsleven vindt dat om voor de hand liggende redenen best een probleem maar niet hun probleem. De overheid vindt dat het ook het probleem van het bedrijfsleven is. Het bedrijfsleven bereidt zich inmiddels voor op een arbitragezaak.

Wordt vervolgd ongetwijfeld. Nu we het er toch over hebben, is het niet raar dat in 2002 niet werd nagedacht over de dollarkoers en de wederwaardigheden van de dollar? De koers van de dollar is al ruim 25 jaar gesprek van onderwerp en steeds is de teneur hetzelfde gebleven: harde val of zachte landing? Aanpassingen van de dollarkoers naar beneden, daar was iedereen het wel over eens dat dat zou moeten en ook zou gebeuren. Alleen over de vraag of het sneller of langzamer zou gaan werd verschillend gedacht. Die discussie was ook in 2002 niet af en dus zou je hebben mogen verwachten dat ook toen werd gerekend met een koers die zou dalen – en dat daar reeds in 2002 voor zou worden gecorrigeerd. Dat daar geen rekening mee gehouden is, is dat geloofwaardig? Het is hoogst onwaarschijnlijk, maar je weet het maar nooit. Was Zalm niet altijd het slimste jongetje van de klas en was hij het niet die destijds de ‘business case JSF’ heeft opgesteld, inclusief zekere dollaruitgaven en veronderstelde dollarinkomsten?

Om te weten dat onder Republikeinse presidenten de dollar meer klappen krijgt dan onder Democratische hoef je niet gestudeerd te hebben. Republikeinen zijn voor kleine overheden en grotesk grote tekorten. Clinton stelde na 12 jaar Republikeins potverteren weer orde op zaken. Bush jr. heeft er ook op financieel en monetair gebied een grotere puinhoop van gemaakt dan ooit tevoren in de recente geschiedenis. Het JSF contract werd gesloten met een Republikeinse regering in de VS. En de Nederlandse regering zou met de wankele dollarkoers geen rekening hebben gehouden?

Het zou best kunnen en in dat geval is dat niet het gevolg van een omissie maar van een bewust besluit. Nog maar enkele dagen geleden (NRC Handelsblad van 28 juni) konden we lezen dat de ‘toegezegde kandidatenevaluatie’ al schipbreuk dreigt te lijden nog voordat de evaluatie is begonnen. De kandidaten (zoals Eurofighter en Dassault) hebben namelijk helemaal geen zin medewerking te verlenen aan een evaluatie dis er volgens hen toch slechts toe zal leiden dat de JSF wordt gekozen. Hun stelling: het besluit ten gunste van de JSF is al lang genomen. Onze staatssecretaris daarentegen blijft bij een ‘serieuze kandidatenevaluatie’. Het woord ‘onafhankelijk’, nog onlangs door de Kamer onderstreept, komt in de reactie van het ministerie niet voor. De luchtmacht is inmiddels al aan het bestellen geslagen.

Dan moet er ook afgerekend worden. In dollars uiteraard. De vraag is: welke dollars? Als we een beetje geluk hebben wordt, met de JSF als aanleiding, door het Nederlandse parlement nog eens een parlementair onderzoek geëist naar de koers van de dollar. Of moeten we er gewoon maar op hopen dat in November de republikeinen uit het Witte Huis worden gestemd?

1 juli

=0=

 

Watching together

Vrijdag 13 juni liep ik, even na tien uur ’s avonds, haastig door de Nijmeegse binnenstad. Ik was op weg naar het station, in de hoop de laatste directe trein naar Amsterdam te halen. Toen ik het feest waar ik geweest was verliet, stond het 3-1 voor Nederland. Tijdens mijn wandeling werd ik plotseling overvallen door een explosie van gejuich en geschreeuw vanuit de cafés: 4-1. Het was alsof half Nijmegen zich in cafés had verzameld om vooral samen naar de voetbalwedstrijd te kijken.

Ik miste die laatste directe trein. Bijgevolg moest ik twee keer overstappen, en wachten, voor dat ik Amsterdam bereikte. Het was een uur of één ’s nachts dat ik aankwam. In Amsterdam was het enorm druk. Ik werd, op mijn wandeling naar huis, herhaaldelijk aangeklampt en aangestoten door lichtelijk aangeschoten mensen. Iedereen was in een puik humeur. We hadden gewonnen. We waren ‘we’ geworden. We stonden weer op de kaart.

In Bern (was het Bern?) waar Nederland tegen Frankrijk speelde waren tienduizenden Nederlanders neergestreken. Geen kaartje, wel een gigantisch scherm op een stadplein en leer met z’n allen kijken en in de dagen ervoor en erna de Zwitsers ervan overtuigen dat volgens ons de wereld Oranje was. Als ik het goed heb begrepen vonden de Zwitsers het allemaal wel aardig. Ook in andere steden werden wedstrijden van nationale teams uitgezonden op megaschermen op grote pleinen. Gisteren nog, zowel in Spanje als in Duitsland. Watching together.

Wat zou Robert Putnam daar nou van vinden? Van hem stamt immers de uitdrukking ‘bowling alone’, de tendens om dingen die je ooit samen deed alleen te gaan doen; in het gezelschap van elektronische media in plaats van dat van mensen. Wat begon met de tv, is zijn stelling, werd met de talloze nieuwe toepassing van micro elektronica alleen maar erger. De media vreten de samenleving op. Het was natuurlijk altijd al een rare stelling – Putnam leek meer op een rechter die uiteindelijk één verdachte schuldig wou verklaren dan op een sociale wetenschapper die zich tevreden moet stellen met een complex van factoren die allemaal wel wat te maken hebben met het afbrokkelen van een aantal vormen waarbinnen mensen samen komen en dingen samen doen. Putnam’s fanclub bevindt zich voornamelijk onder politici die het altijd al gedacht hadden. En dat met graagte in de media uitventen.

Nu zien we dat diezelfde tv massa’s mensen op grote pleinen bedient. Dat grote aantallen mensen er de voorkeur aan geven om samen te kijken, te juichen – of niet want er wordt ook verloren.

Dan worden het bijeenkomsten van zinloos verdriet, zoals we al jaren bijeenkomsten tegen zinloos geweld hebben. Geen van beide zijn natuurlijk zinloos maar het woord wil ook wat en het samen zijn ook. En voor de fans van de winnaar wordt het een bijeenkomst van zinloze vreugde. Het is allemaal even vluchtig en het keert keer op keer terug. Ik wacht wel op Putnam’s publicatie over bowling alone together.

30 juni

=0=

 

Verslaving

Zijn onze politici geobsedeerd door mislukking? Het wordt gesuggereerd door Jos de Beus die daarvoor onder meer de oude term ‘fracasomania’ van Hirschman van stal haalt, een term voor een mislukkingssyndroom dat ertoe leidt dat van alles wordt uitgeprobeerd en bij de eerste tegenslag door iets anders wordt vervangen. Als was het ADHD, zegt De Beus (zaterdag in NRC-Handelsblad, Opinie & Debat) .

Hirschman introduceerde de term in zijn analyses van diverse veranderingen in de Latijns Amerikaanse economische politiek na de Tweede Wereldoorlog. Bij een aantal van die veranderingen was hij als adviseur betrokken en feitelijk gaan zijn beschrijvingen minder over politici en bestuurders als wel over de relatie van diezelfde politici en bestuurders met economische, meestal uit het buitenland komende, adviseurs. Fracasomania is dan wel Spaans voor een obsessie met mislukking, het staat niet op zichzelf. Het heeft ook te maken met, alweer Hirschman, het ‘visiting-economist syndrome’. Tegenwoordig komen die economen al lang niet meer noodzakelijk uit het buitenland. Economen vandaag de dag worden gekneed in een wereldwijd uniforme mal, hebben overal een oplossing voor en bieden die graag aan aan beleidsmakers en politici die het op hun beurt gretig overnemen en hooguit twijfelen aan de snelheid waarmee het advies kan worden overgenomen, aan eventuele uitzonderingen op de regel, en aan de lokale aanpassingen die al dan niet nodig worden geacht enzovoorts. Het schoolvoorbeeld in eigen land is de zogenaamde marktwerking en de herziening van de relatie tussen private en publieke sector. Het geheel, de wereld van bestuur, politiek, advies en de relaties er tussen en binnen, levert het syndroom op. Hoe het werkt in de geglobaliseerde wereld hebben we allemaal kunnen nalezen in de publicaties van Stiglitz. Het werkt niet, en dus moet het anders, opnieuw, nieuw, en als ook dat niet werkt neemt niet de hervormingsdrift af maar de obsessie met mislukkingen toe.

Aanvankelijk benutte Hirschman weer een andere uitdrukking voor deze merkwaardige osmose van adviseurs, bestuurders en politici. Die had hij ontleend aan Gustave Flaubert, naar verluid een favoriet auteur van Hirschman. Die uitdrukking is ‘la rage de vouloir conclure’, de verslaving aan het willen besluiten. Flaubert had daarmee het gespartel van politici op het oog, van politici die meenden, geconfronteerd met de snelle sociale en economische veranderingen  in de 19e eeuw, daar op elk gewenst moment de nodige gevolgtrekkingen aan te kunnen verbinden en er vervolgens naar te handelen. Niet dat het hielp overigens, maar dat luidde slechts de volgende ronde van nieuwe plannen en besluiten in.

Waar De Beus naar verlangt is het herstel van een bestuursstijl die, alweer Hirschman, wordt beschreven met het ‘principe van de verbergende hand’. We weten vaak niet wat we allemaal overhoop halen en overhoop moeten halen als we wat overhoop halen en dat is maar goed ook want als we het vooraf wisten zouden we nergens aan durven beginnen. Maar als we onderweg zijn kunnen we – tenzij we oogkleppen op hebben – leren van wat we tegenkomen, een tandje bijschakelen of juist wat vertragen en zo, al doende, toch wat voor elkaar krijgen. Het kan ook fout lopen en ook daar kunnen we het nodige van leren. Doormodderen dus, ‘reformmongering’, ‘possibilism’, ‘muddling through’. Geen sexy bestuursstijlen, al was het maar omdat ze strijdig zijn met ‘la rage de vouloir conclure’. Om van die zucht, die verslaving, af te komen – in Nederland een ziektebeeld dat vanaf de kabinetten Lubbers politiek en bestuur beheerst – is meer nodig dan, zoals De Beus schrijft, de ontleding en erkenning van het ziektebeeld, om op basis daarvan een recept voor ‘onthaasting’ uit te schrijven en toe te dienen.

We struikelen over de metaforen – het beeld van het ziektebeeld is zelf een metafoor – en verkopen het als begrippen. Dat is een ernstige vergissing en eerder een uitdrukking van het probleem dan een oplossing ervoor. De Beus is veel te haastig met zijn onthaasting. Het probleem is misschien eerder dat we permanent oplossingen invoeren om aan de hand daarvan problemen te signaleren en opgewekt te lijf te gaan. Om bedrogen uit te komen. Het willen concluderen van Flaubert is niet het product van de verslaving. Misschien is het wel omgekeerd: het willen concluderen is de oorzaak van de verslaving. Het zou in elk geval de insteek van Hirschman veel beter verklaren: je leidt de conclusie niet af uit de zucht naar adviezen en adviseurs, je leidt advies en adviseur af uit de zucht naar conclusies, naar oplossingen. We zijn blijkbaar al zo gewend om problemen te definiëren aan de hand van oplossingen (het kan!, wij weten hoe het moet!, voer het marktprincipe in!), dat we niet eens meer toekomen aan de problemen zelf. Die krijgen we vervolgens cadeau, zodra we aan de oplossing beginnen.

In de organisatiewetenschappen is dit, en ook los van het openbare bestuur, allemaal oud nieuws. Men spreekt daar over een vuilnisbak met oplossingen (vooruit, allemaal geleverd door elkaar beconcurrerende ‘professies’) waarbij elke oplossing in de bak voortdurend op zoek is naar problemen. Problemen gaan niet vooraf aan oplossingen; oplossingen gaan vooraf aan problemen. Ons probleem zou dan zijn waarom de oplossingen in het openbaar bestuur vrijwel exclusief zijn voorbehouden aan de economenprofessie. Al was het maar omdat hun oplossingen garant staan voor tal van nieuwe problemen waarvan we voorheen niet eens wisten dat we ze hadden. Politici en bestuurders zijn verslaafd aan problemen die voorkomen uit oplossingen die niet politiek maar economisch zijn gemotiveerd. Dat heeft met ADHD zo ongeveer niets te maken. Het is gewoon een gevalletje van ernstige bijziendheid.

29 juni

=0=

 

Staat

De EU probeert met Rusland in gesprek te komen en stuit daarbij op haar eigen grenzen. Of eigenlijk, het stuit op het feit dat de EU geen grens heeft. De EU heeft geen territorium, geen belastingdomein, geen leger. De EU is geen staat. Het heeft geen buitenlands beleid, en geen militair beleid. De NAVO fietst door het militaire beleid en is bepalender dan wat de EU vindt. Engeland, Nederland en nog al wat nieuwe leden uit centraal en oost Europa hebben meer met het buitenlands beleid van de VS dan met dat van andere EU lidstaten. Solana doolt wat rond.

In Nederland is een heroïsch gevecht geleverd om het voorstel voor de grondwet te amenderen want anders zou de EU een ‘superstaat’ worden. A-dem-be-ne-mend. Tegelijk een effectieve methode om te voorkomen dat er eindelijk eens serieus gesproken zou worden over het non-karakter van Europa als politieke unie. De politiek unie is een voornamelijk onvoorspelbaar gevolg van de economische unie. Het Europese hof heeft als ongevraagde taak de politiek van de unie te assembleren uit stukjes – juridische geschillen en hun uitkomsten – die niet op elkaar passen.

Geen wonder dat de Russen het lastig vinden met de EU afspraken te maken. Wat vindt en doet de EU van, met en aan Kosovo, Georgië, Oekraïne, het raketschild? De EU vindt niks en kan niks vinden want de lidstaten hebben er, om redenen voor binnenlands gebruik, zo hun eigen gedachten over en voorkeuren in.

De politieke unie wordt niet bedreigd door de Ieren of, enkele jaren geleden, werd bedreigd door Nederland en Frankrijk. En wat de Tsjechen ook doen, ze doen maar. Er wordt een boel drukte over gemaakt maar waar de Russen ook hun vraagtekens bij zetten voordat ze de EU als serieuze contractpartner accepteren, niet daarbij. Zelfs al gaan de Ieren om en doen de Tsjechen niet moeilijk, het zal voor de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de EU als verdragspartner niets uitmaken.

Het probleem van de EU zit in de lidstaten. Niet in een grondwet, een voorstel daarvoor, een daarvan afgeleid en gekopieerd verdrag. De onderhandelingen met Rusland zullen nog lange tijd lopen. Lukken ze dan is er veel gebeurd want dan heeft de EU kleur moeten bekennen over wat het wel en niet voor haar rekening kan nemen. Er zullen toezeggingen gedaan moeten worden – namens de EU – over voor de Russen belangrijke kwestie. Er zullen standpunten moeten worden ingenomen – namens de EU.

De politieke toekomst van de EU ligt in Rusland. En wij hebben het, op aanbeveling van de SP en daarna van de hele regering en Tweede Kamer, over een superstaat. Europa is in vreemde handen. Het resultaat? We horen het wel. Achteraf.

28 juni

=0=

 

Lengte!

Vanochtend vond ik bij de post een foto van een recente discussiebijeenkomst waar ik aan hebdeelgenomen. Aan tafel zitten drie mensen, erachter staan zes mensen. waaronder ikzelf. Ik ben de kleinste van de zes. Vroeger riep ik dan altijd dat mijn voorhoofd behoorlijk hoog was maar zelfs dat gaat – de foto bewijst het – niet meer op. Mijn troost is dat ik ook de oudste van de zes op de foto ben, maar toch. Ik ben ook kleiner dan mijn twee oudere broers. Het is niet alleen een generatie-effect. Hoewel, mijn kinderen zijn lekker lang.

Lange mensen hebben wat, ze zijn anders want ze hebben (om het klassieke gesprekje tussen Hemingway en Scott Fitzgerald over de rijken te parafraseren) meer lengte. Precies. Als je ze wilt aankijken moet je tegen ze op kijken. Zij kunnen bij dingen waar jij niet bij kunt. Zij kunnen over dingen heen kijken waar jij alleen maar tegenaan kijkt. Ze nemen grotere stappen.

En ze verdienen ook nog eens meer. Voorheen dachten we dat lange mensen ook sterker waren en dus in een economie van spierkracht een streepje voor hadden. En we dachten dat lengte een soort status was die nog uitbetaalde ook. Dat lengte positief correleerde met zelfvertrouwen en dat je daar in het economisch verkeer niet snel te weinig van kunt hebben.

Allemaal waar. Maar het is nog erger voor de kleintjes onder ons want mensen die goed zijn doorgegroeid hebben daar niet alleen centimeters voor om dat te bewijzen maar ook cognitieve vaardigheden. Lang is slim. In het bijzonder de groei tussen je 11e en je 16e jaar is een mooie indicator voor de positie die je in kunt nemen in de rangorde der vaardigheden (voor meisjes moeten we de periode wat vervroegen).

Voordat we onze kinderen nu groeihormonen gaan toedienen: die werken niet, althans je wordt er niet slimmer van. Ik lees dit allemaal in het laatste nummer (2008/3) van het Journal of Political Economy. Ouders (aanstaande moeders) moeten al tijdens zwangerschappen gezond eten en eigenlijk ook al daarvoor natuurlijk, eigenlijk altijd al. Eigenlijk zou je ook jouw ouders daar op moeten kunnen aanspreken want dat jij (ik), hoewel niet echt klein, niet groot bent heeft vanzelfsprekend ook weer te maken met hun kwaliteit van leven. Geschiedenis is hardnekkig. Het is geen canon maar een kanon en het schiet op elk lichaam, op elke geest, die het voortbrengt.

Los van beleidsimplicaties (die ik nu al vrees): het Europese voetbalkampioenschap is het kampioenschap van de kleine voetballers geworden. Dat is mooi. Ik dacht altijd al dat die voorsprong door lengte misschien geen voorsprong door lengte was maar een doorgegeven voorsprong, een evolutionair effect dat zich ook tegen de aanvankelijk geselecteerde en bevoordeeld eigenschap kan keren. Zoals pronkveren die van de ermee versierde vogels aanvankelijk de aantrekkelijkheid vergroten maar op een gegeven moment zo’n belasting worden dat het voordeel wegsmelt. En wij, wij worden steeds langer maar ook zwaarder. Slim?

Een mens moet leven zeg ik altijd maar en ik ken voldoende echt kleine mensen die het heel behoorlijk hebben gedaan om daar de nodige rust aan te ontlenen. Een gemiddelde lengte, dat is je ware. Ik weet het, ik heb die lengte.

27 juni

=0=

 

TFP

Was het niet Alfred Marshall die voor het eerst kwam aanzetten met de organisatie als vierde (naast arbeid, kapitaal en grond) ‘productiefactor’? En was het niet Joseph Schumpeter die met zijn ‘creatieve destructie’ niet zozeer de destructie in het zonnetje wou zetten als wel het ‘creatieve’?

Organisatie is geen productiefactor en creativiteit evenmin. Organisatie en creativiteit zijn het ether van de productiviteit, ze bepalen het gewicht en dus de productiviteit van de overige ‘factoren’. Die factoren zijn niet uit zichzelf productief, ze worden tot productiviteit gemaand door de organisatie. De organisatie is productief, de ‘factoren’ niet, die werken alleen maar mee, of tegen – afhankelijk van hun organisatie in die organisatie die meer of minder ‘creatief’ kan zijn. Vervang, al was het maar om de ‘creative class’ te vermijden, creatief door innovatief en we zijn weer thuis. We hebben niet voor niets een ‘innovatieplatform’, een vlak van waaruit je in de diepte kunt boren dan wel de ‘take-off into self-sustained growth’ keer op keer kunt lanceren.

Het blijven maar metaforen natuurlijk alhoewel ik als ik het proza van politici aanhoor soms het vermoeden krijg dat ze dat platform wat letterlijk opvatten. Innovatie als productiefactor – kan gemeten worden – ligt op de loer. Het zal niet helpen want  productiefactoren zijn niet productief.

Als productiefactoren niet productief zijn – want de organisatie is dat – waarom dan toch dat sleetse getetter over ‘arbeidsproductiviteit’? Er zijn metingen over, en internationale vergelijkingen. Zo doen wij in Nederland het heel goed, bijvoorbeeld in de industrie, want onze arbeidsproductiviteit per gewerkt uur steekt velen naar de kroon.

Men had ook de kapitaalproductiviteit kunnen meten, of die van het ‘human capital’, of die van R&D. Je kunt ze ook allemaal tegelijk meten en dan kom je op de totale factorproductiviteit of TFP. Maar, zo wordt meestal toegevoegd, arbeidsproductiviteit is toch wel de meest handzame meter. Dus doen we het daar maar mee. Het geeft ook eventjes rust in een hectische wereld omdat we denken dat hoe productiever elk uur arbeid is hoe minder we er van nodig hebben om het toch nog aardig vol te houden op de wereldmarkten.

De vraag is alleen waarom stijgende arbeidsproductiviteit zo hardnekkig gepaard gaat aan een tekort aan arbeid. Pudding of Gisteren, demografie of nuggers, het zit mee, het zit tegen, maar het geeft geen antwoord op de vraag. Geen wonder ook want de vraag is fout gesteld en richt de aandacht op de foute zaken.

Volgens Jules Theeuwes (de Dag van twee dagen geleden) hebben we niets van Azië te vrezen maar alles van de vergrijzing. We moeten werken om te zorgen en om dat te bewerkstelligen maken we van zorg werk en van werk onze zorg. Dan scheppen we drie keer werk en kunnen we ervan verzekerd zijn dat er gewerkt wordt. Niemand kan worden gemist. En als het werk is valt het onder het dictaat van de organisatie en kan productief en productiever worden gemaakt (‘we moeten niet harder werken, maar slimmer’). En we hebben er de tijd voor want, zegt de Beer, onze productiviteit is zo hoog dat we die tijd ook hebben.

Niet harder maar slimmer: geen arbeidsproductiviteit maar organisatieproductiviteit want daar staat dat tegenwoordig zo opgehemelde ‘slimmer’ voor. Maar, wie (welke organisatie) slimmer werkt hoeft daardoor niet minder te werken want organisatie roept organisatie op, net zoals werk werk oproept. Nederland is hard op weg een werkorganisatie te worden en zo’n organisatie heeft werk nodig om werk nodig te maken en om daar uit te komen moet er gewerkt worden. Autopoiesis. Werk, werk, werk: Wim Kok wist het al, ook al vraag ik me af of hij het wist.

Het idee dat je met slimmer werken tijd overhoudt is een idee uit de oude doos. Alsof de productie er is voor de consumptie en het werk voor de vrije tijd. Traditioneel noemde Max Weber zo’n idee. Pas als we er volledig in geslaagd zijn van tradities producten te maken en dus werk kan zo’n idee ermee door. Er zit een kern van waarheid in die TPF: het moet totaal want anders lukt het niet. Anders – bij een lek in het systeem – zal onze maatschappij net zo snel verzakken als enkele monumentale panden aan de Amsterdamse Vijzelgracht nu al aan het doen zijn.

26 juni

=0=

 

Een trap na

Geef wat toch al valt vooral een trap na, adviseerde Nietzsche in zijn Zarathustra. Hij voegde eraan toe dat hij dat ook vooral wou doen, dat natrappen. Het was misschien niet meer nodig maar hij wou het zo graag. Wij zijn inmiddels een heel stuk verder. Wij trappen niet na wat valt maar wat uitvalt en, mooier nog, wat dreigt uit te vallen.

Drie voorbeelden. In de Pers van vanochtend een berichtje over vervelende kinderen onder de twaalf jaar. Die zijn voor het strafrecht moeilijk toegankelijk en dat moet veranderen. De Tweede Kamer vindt dat die kinderen, zodra ze drie keer met de politie te maken hebben gehad, voortaan direct naar de officier van justitie moeten worden getransporteerd zodat die de kinderen – zo nodig natuurlijk, we blijven humaan – uit huis kan plaatsen. Voedt de ouders op via de kinderen is de gedachte en dat het met de kinderen dan wat moeizaam zal gaan – hoeveel goede plekken zijn er voor die kinderen als ze bij hun ouders zijn weggehaald? De Tweede Kamer heeft het er niet over – is treurig maar onvermijdelijk. En er is altijd nog jeugdzorg en minister Rouvoet.  Er hangt werk aan vast, aan dit plan. De Kamer zou eens moeten nadenken over al dit werk, werk wat neerkomt op het vinden van nuttige bestedingen – werk dus – voor anderen. We hebben toch een dreigend tekort aan arbeid? Niettemin. Je kunt niet vroeg genoeg beginnen. Hun toekomst staat op het spel!

Ik las gisteren in NRC Handelsblad een stuk van juridisch medewerker Frank Kuitenbrouwer. Zoals steeds een behartigenswaardig stuk. Dit keer over de 270.000 euro die minister Ter Horst over heeft voor het opzetten van een ‘boefjesbank’. Vanaf het eerste illegale en door de politie ontdekte fikkie worden de jongelui geregistreerd want zoiets is een signaal voor toekomstige fouten. Een tweede boefjesbank is ook onder constructie: het DNA wordt opgeslagen. Altijd handig voor later. De voorspellende waarde van alle registraties is klein maar ook hier regeert niet de waarschijnlijkheid maar de mogelijkheid. Repressiesocioloog Frank Furedi heeft in Nederland een fraai studieterrein. Het kost wel wat werk allemaal, dat registreren en het bijhouden van de registratie, het opzoeken, koppelen, afschermen en wat al niet maar wat geeft het. We smijten met arbeid om vol te blijven houden dat er een tekort aan arbeid dreigt. Bovendien: op deze manier beschermen we de toekomst van het arbeidsaanbod en wie is daar nou tegen?

Het Verwey-Jonker Instituut kwam, ook gisteren, in het nieuws met een persbericht over een rapport (Achtergronden van jeugddelinquentie en middelengebruik, Utrecht 2008) over jeugddelinquentie. Onderzoek wijst uit dat het niet de etniciteit maar de buurt is waar we de oorzaken van delinquentie moeten zoeken.

Het is net Amerika honderd jaar geleden. Onderzoek na onderzoek toonde aan dat de ‘nieuwe immigranten’ (toen voornamelijk mensen uit het Middellandse Zeegebied en uit Centraal en Oost Europa) misdadiger waren dan de reeds gevestigden. Ook vooraanstaande antropologen illustreerden er lustig op los met – geheel in de geest van de tijd – min of meer raciale theorieën. Dat doen wij niet, wij noemen het gewoon zwart en als we het niet zwart noemen heet het wel islamitisch.

Je kunt dingen statistisch in kaart brengen, maar je kunt begrip noch begrippen van de statistiek verwachten. De statistiek is geduldig. Het rapport van het Verwey-Jonker instituut bewijst met zijn statistiek dat eerdere statistieken over cultuur en delinquentie ons op het foute been hebben gezet. Niet de cultuur maar de buurt, en daar moeten we het maar eventjes mee doen. Zelfs twee keer de buurt, namelijk ‘direct’ en ‘indirect’. Allemaal heel interessant. De vraag is echter of we met die buurt zoveel opschieten.

Dat komt door de in het rapport een paar keer vermelde omstandigheid dat de kinderen van de tweede generatie Nederlanders meer op hun kerfstok hebben dan de kinderen van de eerste generatie. Nogal logisch zou je zeggen want ze domineren door hun aantal en concentratie in buurten die buurten veel meer dan hun voorgangers. Maar je kunt ook een ander element in het spel brengen en dat is dat ze veel meer worden uitgekotst – ik bedoel natuurlijk: ‘op afstand gezet’, ‘apart van de anderen gezet’, of gewoon op herkomst ‘geregistreerd’, geclassificeerd, in verband met overlast gebracht enzovoorts– dan hun voorgangers. Opmerkelijk is dat in hun groepen en soms bendes de etnische factor niet speelt – iedereen mag meedoen zou je kunnen zeggen – en in Nederlandse groepen en bendes juist wel. Alleen de Turken lijken op de Nederlanders: die houden het bij zichzelf. In twijfelgevallen hebben we altijd nog de data van de boefjesbanken.

Onze jeugd moet de hunne niet. Het zijn goede leerlingen. Het rapport van het Verwey-Jonker instituut moet worden geprezen want ook dit aspect wordt genoemd. Als mogelijke bijdrage aan een verklaring. Nu het onderzoek nog dat de relatie tussen hen en ons als voornaamste factor tot inzet maakt. Ik ben benieuwd.

Er is een hele industrie gebouwd rond de jeugd. Het verschaft werk en de inzet aan de jeugd werk te verschaffen. Werk roept werk op. De jeugd weet dat nog niet en kan alleen al daardoor het werk-werk gebeuren ontregelen. Daarom, ze moeten het van vroeg af aan ingepeperd krijgen. Inderdaad: het tekort aan arbeid is structureel omdat we het zaakje zo inrichten dat werk werk oproept. Het is een systeem dat werk produceert met werk en waarvan de elementen eveneens werk zijn. Autopoiesis pur sang. Daar kan geen verhoging van de arbeidsproductiviteit tegen op – of economen als Paul de Beer en Jules Theeuwes (beide geciteerd in de DAG van gisteren) daar nu in geloven of niet.

Het gaat niet om jongeren, kinderen, delinquenten of wat dan ook. Die zetten we gewoon een stempel op het voorhoofd. Het gaat om werk. De ultieme registratie is de werkregistratie. We zijn allemaal lid van de werkbank. Voor wie het nog niet wisten: voor hen is die trap na bedoeld.

25 juni

=0=

 

Oude reflexen

Ergens in de jaren zeventig, ik denk dat het 1975 was, heb ik de hand van Robert Mugabe geschud. Het was aan de Amsterdamse Herengracht waar wij van de AABN een kantoortje hadden. Mugabe was in gezelschap van Joshua Nkomo, die grote en goedlachse man. Nkomo was hartelijk, Mugabe afstandelijk. Ze streden met elkaar en tegen elkaar. Mugabe is een Shona, Nkomo een Ndebele. De Ndebeles wonen in het westen van Zimbabwe en hebben een lange en rijke landbouwtraditie.

Mugabe had zich in 1975 al lang afgesplitst van Nkomo’s ZAPU en was verder gegaan met z’n eigen ZANU. Pas aan het einde van de jaren zeventig, en met Ian Smith al afgezet, kwamen de partijen weer bij elkaar in het nieuw opgerichte ZANU – Patriotic Front. In 1980 werd Mugabe regeringsleider. Voor Nkomo werd geen plaatsje in de regering ingeruimd.

Korte tijd later werd Nkomo gearresteerd. Hij zou een complot hebben gesmeed tegen regering en Mugabe. Matabeleland, de machtsbasis voor Nkomo, werd te grazen genomen. In ’87 kwam Nkomo vrij en moest het verder doen met een sinecure in de ZANU-PF. Hij overleed in 1999.

Met Tsvangirai wordt ruiger omgesprongen. Niettemin zijn de reflexen van Mugabe hetzelfde gebleven. Tegenstand of zelfs maar vermoede tegenstand wordt onderdrukt en het ging er ook in Matabeleland weinig zachtzinnig aan toe. Het verschil met de jaren tachtig zit niet in Mugabe maar in de staat. Inmiddels is de staat – rechters, politie, leger – zo ongelooflijk gecorrumpeerd dat te velen te veel te vrezen hebben van een verandering van regiem. Het regiem kan zichzelf al jaren niet meer veranderen.

Tegen die achtergrond is de opstelling van Mbeki een schandaal. Ook dat is een geval van oude reflexen zegt men, die eerbied van Mbeki voor Mugabe. Zuidelijk Afrika wordt niet geregeerd door politiek maar door reflexen.

24 juni

=0=

 

Groeiversneller

In de meest recente Industriebrief van het ministerie van Economische Zaken wordt het programma ‘Groeiversneller’ aangekondigd. Het gaat daarbij om het faciliteren van bedrijven ‘bij het realiseren van hun groeiambitie’. Ze hebben al een paar miljoen omzet en dat moet binnen een paar jaar 20 miljoen of meer worden. Goed voor de productiviteit, goed voor de innovatie, goed voor de werkgelegenheid. En, en, en. Een aanbesteding ter zake – want EZ stelt dat programma niet zelf op en voert het ook niet uit – is al de deur uit gegaan. De club die de aanbesteding weet binnen te halen kan zichzelf hoogstwaarschijnlijk als groeiversneller afficheren want het bedragje dat EZ ter beschikking stelt is 6 miljoen euro. Voor het opstellen en uitvoeren van het programma dan, de financiële omvang van de ‘faciliteiten’ zal ongetwijfeld veel meer bedragen. 

Hoe je aan de kwalificatie groeiversneller komt is natuurlijk veel interessanter dan te achterhalen wat een groeiversneller eigenlijk is. Zoals de kaarten nu liggen hebben buitenlandse bedrijven met een vestiging in Nederland de meeste kans. Daar zitten de groeiversnellers. Berenschot heeft dat al in 2006 voor EZ uitgezocht. Of uitgezocht, het gaat eerder om een aantal tamelijk voorspelbare kenmerken van buitenlandse bedrijven (meer gebruik maken van Nederlandse expertise als je in Nederland wilt investeren, dat soort dingen) die vervolgens aan groei zijn gekoppeld. Het was misschien interessanter geweest de groei van diezelfde bedrijven in hun eigen land te vergelijken met hun groei in het buitenland. Als ik Campbell en Park goed heb begrepen (The Growth Gamble, 2005) is groei meer gebaat bij nieuwe initiatieven dan bij de plannen (‘ambities’) van al gevestigde bedrijven. Veel meer zelfs.

Het ministerie zoekt naar wegen om buitenlandse investeerders te lokken, daar komt het op neer. Dat woord groeiversneller is er maar opgeplakt om Neelie zand in de ogen te strooien. En de Nederlandse bedrijven niet te vergeten die vast niet als potentiële hardlopers zullen worden geclassificeerd. Tenzij ze iets moois met een buitenlands bedrijf beginnen. Het bevoordelen van groeiversnellers is concurrentievervalsing onder het mom meer concurrerend te worden. Daar is overigens de Industriebrief als geheel mee gekarakteriseerd.

Alles wat in die Brief staat verwart landen met bedrijven, landenscores met bedrijfsscores en komt vervolgens met cadeautjes voor bedrijven en kosten voor het land.

Industrie, een wereld van oplossingen. Zo heet de Brief. De hoop is ongetwijfeld geweest dat hoe globaler je de dingen verwoordt hoe meer je recht doet aan globalisering. Of zoals MKB Nederland en VNO-NCW reageerden: de ‘analyse’ mag dan wel deugen maar waar is de boter bij de vis? Al te globaal is niemand ’s vriend.

23 juni

=0=

 

Ondervoeding

Met enige regelmaat weet Ahmed Marcouch het nieuws te halen. Recent door meer aandacht te vragen voor religie-onderwijs op openbare scholen. In zijn stuk van de stad gaat het dan voornamelijk om onderwijs in de Islam. Niet als vervanging van het huidige schoolprogramma maar als vrijwillige aanvulling er op.

Dat is niks nieuws, meer een praktische dan een principiële kwestie. Marcouch bedoelde dan ook veel meer want zijn inzet was dat kinderen van islamitische ouders hun identiteit niet zouden hoeven ‘verloochenen’ op een openbare school. Dan gaat het om kledingkwesties, de verhouding van jongens en meisjes bij gymnastiek en zwemles enzovoorts. En over feesten en feestdagen. Dat regel je niet als aanvulling op maar als aspect van de dagelijkse gang van zaken, de programmering van het schooljaar inclusief.

Marcouch had het daarom ook niet over onderwijs maar over de afbakening van het onderwijs van de opvoeding door de ouders. Hij wil voorkomen dat ouders hun kinderen naar islamitische scholen sturen en vindt dat het aanbod van de openbare scholen daar best wat handiger op kan inspelen. Niet alle ouders die hun kinderen naar islamitische scholen sturen doen dat uit religieuze overtuiging. Er zijn er die dat doen omdat ze, pak ’m beet, gemengd zwemmen te ver vinden gaan. Cultuur eerder dan religie zou je zeggen en dat het cultuur is en geen religie valt beter uit te leggen op openbare dan op islamitische scholen. Die doen het zo en die weer anders en die, die het zo doen deden het vroeger ook heel anders, meer zoals jullie. Zoiets. Niet alle religie is religie en ook gelovigen kun je aanpraten dat ook hun geloof cultuurelementen bevat die het deelt met andere culturen die het ook, ooit of elders of op sommige plekken nog, als geloof uitventen. Nou ja. Marcouch wil, het is een moderne man ten slotte, het openbare onderwijs beter in de ‘markt’ zetten.  

Wie het openbare onderwijs zo gebruikt heeft, om het maar paradoxaal te zeggen, mijn zegen. Dat is punt één. Je scheidt het niet maar houdt het wel gescheiden. Wie het onderwijs gebruikt als verlengde arm van de opvoeding, die doet het daarentegen niet goed. Dat leidt maar tot ‘ondervoeding’, tot een praktijk waar onderwijs en opvoeding allebei verliezen, te beginnen bij het onderwijs. Dat is punt twee. En omgekeerd, wie het onderwijs wil inzetten om via de kinderen de ouders op te voeden stuurt eveneens aan, zij het vanuit de andere richting, op, opnieuw, ondervoeding, te beginnen bij de opvoeding. Dat is punt drie.

Mijn indruk is dat Marcouch drie nastreeft door één in het spel te brengen. Ook modern kun je zeggen, dat inbreken in de opvoeding van de ouders. Het kabinet en tal van lagere overheden dromen van niets anders. Ik denk niet dat je daar de scholen van de kinderen van die ouders voor moet benutten. Ik denk niet dat je kinderen moet gebruiken om ouders te bewerken. Om tal van redenen, waaronder loyaliteit wel de eerste is. Als je één wilt hebben moet je twee en drie laten lopen. Dat zal in de praktijk al lastig genoeg blijken.

22 juni

=0=

 

Woordwaarde

In Scrabble is het moeilijk om de letter q kwijt te raken. Ook de x is niet de makkelijkste, maar weet je met die letters wat te doen dan incasseer je een hoge letterwaarde en als je het bijbehorende woord goed kiest kan ook de woordwaarde lekker oplopen.

Een woord als liberaal daarentegen was zelden goed voor een meer dan middelmatige score. Het woord ‘waarde’ was ook geen klapper hoewel ook niet heel slecht. Niettemin, dergelijke woorden moesten het meer van hun strategische plaatsing hebben dan van de waarde van hun componenten.

Mark Rutte wil ‘naar nieuwe woorden voor bekende waarden’ (NRC Handelsblad, Opinie & Debat). Woorden als vrije markt, technologie, staatstaken, Koude Oorlog, multiculti en emancipatie zijn toe aan een nieuwe liberale invulling. Er is zo veel veranderd dat Rutte zich genoopt ziet de liberale beginselen te herschrijven.

De waterscheiding zit in de jaren tachtig. Nu is Rutte historicus dus hij zal het wel weten maar iets meer uitleg was welkom geweest. Waarom niet de jaren negentig en de ontmanteling van het Sovjet imperium? De jaren zestig en de dekolonisatie? Het huidige decennium en de stormachtige opkomst van China, India, Brazilië? Wat is zo speciaal aan de jaren tachtig?

Reagan en Thatcher als ik het goed heb begrepen. En in Nederland natuurlijk Lubbers (hoewel ongenoemd) en bij alle drie de opmars van de doctrine van de calculerende burger en de sindsdien niet aflatende klacht over de kloof tussen burger en politiek. Ja, wat had je anders verwacht? Dat de burger denkt dat alleen hij calculeert?

In de jaren tachtig is van de burger een luie, verwende, onbetrouwbare parasiet gemaakt. Het waren de jaren van de politieke vorming van de jonge Mark.

In de jaren negentig is van de burger voor straf een, zwak tegenstribbelende, werknemer gemaakt. Het waren de jaren van het politieke kleur bekennen van Mark.

In het huidige decennium is van de tegenstribbelende werknemer een hardwerkende burger gemaakt. Het zijn de jaren van uitvinding van Mark als merk en van de heruitvinding van het liberalisme als de belichaming van de noden, wensen en idealen van diezelfde hardwerkende burger.

De hardwerkende burger is, zegt Mark, geen burger maar een harde werker die met lede ogen toeziet dat de staat hem steeds meer afpakt. Dat de staat hem steeds meer ringeloort. Die daar amper tegen mag protesteren want het recht op vrije meningsuiting – ‘de vrijheid waaraan alle andere vrijheden zijn opgehangen’ – is niet meer ‘vanzelfsprekend’. 

Politieke VVD geschiedschrijving. De jaren tachtig zijn gekozen omdat de VVD in alle kabinetten heeft gezeten die bij keuzevrijheid dachten aan calculatie en bij calculatie aan de ontbrekende arbeid van anderen. De VVD komt zichzelf tegen. Potsierlijk. Als Rutte de beginselen van een liberale partij mag schrijven zal de strategische woordwaarde van het liberalisme tot het nulpunt dalen.

21 juni

=0=

 

Vertrouwensregel

Rita geeft mensen graag haar vertrouwen. Tot het tegendeel bewezen is, zoals nu bij Ed Sinke, kompaan van het eerste uur maar uiteindelijk een Trojaans paard. Dat is niet mooi. Ed doet zijn verhaal in Elsevier, Rita het hare in een Nieuwsbrief. Wat Ed te melden heeft is voor zijn rekening, wat Rita opschrijft is van een ander niveau want bij haar kunnen we lezen hoe het daadwerkelijk is gegaan. Ze schrijft het dus het staat geschreven. En wat die rekening van Ed betreft, dat is nou net het probleem. Ed zou gratis werken en heeft toch gedeclareerd, zij het niet voor hemzelf maar voor medewerkers van zijn bureau. Daar wist Rita niks van en achteraf gezien wil ze dat geld gewoon terug.

De ‘regel is regel’ mantra van Rita blijkt een vertrouwensregel! Gek, dat had ik nou nooit achter haar gezocht. Ik heb tal van kwalificaties beschikbaar als het om haar gaat maar dat vertrouwen, nee, dat zit er niet bij. Een mens kan zich vergissen.

Hoewel, het vertrouwen van Rita heeft wel grenzen. Ze schenkt het niet aan iedereen. Tegenstanders van haar beweging ‘die van iedere mug een olifant zullen maken om je zoveel mogelijk dwars te kunnen zitten’, lijken van de regel uitgezonderd. Die tegenstanders zijn ongetwijfeld niet meer dan een minderheid maar misschien is het wel een minderheid die uit tal van nog mindere minderheden bestaat die bij elkaar opgeteld een forse meerderheid opleveren.

Waarschijnlijk is de vertrouwensregel, de regel is regel, alleen bedoeld voor ons kent ons, dus voor steunpilaren als Kai, Henny van der Most, Nina Brink en Chris Thunnessen. Ondernemende types gelukkig, maar allemaal lijdend onder de politieke Jan Salie mentaliteit in Nederland die de ondernemer zo slecht gezind is. Te veel regels!

De vertrouwensregel in ondernemersland is die van voor wat hoort wat. Sinke heeft daar een eigen invulling aan gegeven. Hij had gewoon wat langer op z’n beloning moeten wachten. Een beloning is geen loon. De kost gaat voor de baat uit, Ed! Afserveren dan maar. Bij gebrek aan vertrouwen.

20 juni

=0=

 

Een half woord

In het laatste nummer van Onze Taal staat een artikel over ‘struikelblokken in het Nederlands’. Denk maar aan woordjes zoals ‘er’, het kiezen van het juiste lidwoord, of het correct spreken, spellen en schrijven van wat Hans Teeuwen ooit bloemrijk omschreef als ‘onwelvoeglijke voornaamzetsels’. Buitenlanders die onze taal heel goed beheersen blijven struikelen over stukjes idioom die je ofwel hebt opgepikt voordat je wist dat je dat deed of die je nooit helemaal onder de knie krijgt. Daar kan ook de beste cursus weinig aan verhelpen. Taallessen die informatie over taal aanbieden zijn voor veel mensen van voordeel – maar het idioom vereist naast informatie ook en eerst formatie. Geen informatie zonder formatie is de regel en hoe meer de formatie van mensen uiteenloopt hoe moeizamer de informatieoverdracht. Het ideaal van communicatie is het halve woord waar we genoeg aan hebben. De praktijk is dat we steeds meer woorden nodig hebben. We bestrijden de groeiende schaarste van het halve woord met bakken hele woorden, hele zinnen en hele volzinnen. Het werkt niet. Ook niet in de toekomst en wat de commissie Bakker er ook van vindt.

Bijvoorbeeld. Sinds de overheden zich in het aanbestedingencircus hebben begeven is het tekort aan arbeidskrachten behoorlijk toegenomen. Dat gaat zo: afhankelijk van de omvang van de opdracht moeten drie of vijf of meer bureaus worden uitgenodigd een offerte op te stellen. Dat doen die bureaus en uiteindelijk krijgt slechts één bureau de opdracht. Niettemin, iedereen wil meedoen en dus zal elk bureau de nodige expertise in huis moeten nemen om een goede offerte in te dienen. Die expertise is (1) schaars en wordt (2) grotendeels verspild. Het aanbestedingencircus draagt er aan bij dat we niet om de schaarse factor heen organiseren maar er steeds meer van nodig hebben. We maken van de schaarse factor geen half woord, we proberen het te multipliceren.  De vraag is of dat niet anders kan.

Daarmee komen we bij de dingen die de commissie Bakker vergeten is. De commissie denkt namelijk dat we het slechts redden door steeds meer mensen in te schakelen. Dat is niet handig want daarmee groeit wel het product maar niet de productiviteit. We hebben niet meer mensen nodig, we hebben mensen nodig die niet overal hetzelfde doen want dan houden we nog eens wat tijd over voor andere dingen en het voorkomt overproductie. Van offertes bijvoorbeeld. We hebben geen extra onderdelen nodig, we hebben extra capaciteiten nodig. We moeten weg van de ‘redundancy of parts’ en toe naar de ‘redundancy of functions’. In een heleboel situaties zouden we aan een half woord genoeg hebben. In plaats daarvan gebruiken we steeds meer woorden. Zonde van de moeite.

Als je aan een half woord genoeg hebt kun je elkaar lezen en schrijven. Een half woord staat voor een heel verhaal. Als je vindt dat de redundantie van het halve woord maar tot misverstanden leidt moet ervoor zorgen dat iedereen hetzelfde zegt want alleen dan heb je nog een kansje op de situatie dat iedereen elkaar ook nog verstaat. Het is het kansje dat informatie het zonder formatie af kan. Een klein kansje, en zelfs een steeds kleiner kansje in een globale economie maar goed. Zo niet, dan is het resultaat een spraakverwarring die Babylonië laat blozen. 

We smijten met arbeid. Dat bedoel ik maar. Als arbeid echt zo schaars is als iedereen ons wil doen geloven zouden we er veen zuiniger mee omspringen. We zouden niet roepen om meer maar om beter, niet om meer woorden maar om betere halve woorden, niet om steeds hetzelfde maar om steeds iets anders. We zouden niet streven naar zoveel mogelijk maar naar zo min mogelijk. We zouden niet streven naar meer van de schaarse factor maar naar manieren om minder afhankelijk van de schaarse factor te worden. We zouden niet elke organisatie hetzelfde wiel laten uitvinden maar organisaties aanzetten tot meer gezamenlijk gebruik van de schaarse factor. We zouden geen inkoop van spelers toestaan om te voorkomen dat de concurrent ze krijgt, of omdat we denken ze in de toekomst nog eens nodig te hebben – om ze vervolgens op de bank te laten plaatsnemen (we zouden er voor zorgen dat de schaarse factor daar wordt ingezet waar en wanneer het nodig is). De schaarse factor moet optimaal kunnen circuleren, anders wordt het geld in een ouwe sok. Hoe meer het circuleert hoe meer het de voordelen van het halve woord kan spreiden. Hoe minder het circuleert hoe meer woorden we nodig hebben en hoe groter de schaarste wordt.

Het probleem is niet de schaarse factor maar de organisatorische praktijk om alles zelf in huis te willen hebben zodat alleen jij het mag gebruiken en anderen er niet aan kunnen komen. Het probleem is ook dat praktijken als het aanbestedingencircus die tendens versterken, in plaats van verzwakken.

Er is geen tekort aan arbeidsaanbod, er is een teveel aan arbeidsvraag.

De commissie Bakker is vergeten van de schaarste weg te organiseren.

19 juni

=0=

 

Lont

Mevrouw Lont verlaat de CU. Haar deelraadzetel in Amsterdam Zuidoost geeft ze niet op hoewel ze dat wel had beloofd. Maar, zegt ze, de CU heeft ook een belofte gebroken want de partij gooit haar eigen, bijbelse uitgangspunten te grabbel. Kennelijk mag je dan eigen rechter spelen. Daarmee zijn we gelijk op de hoogte van haar begrip voor de rechtsstaat.

Ze overweegt de oprichting van een eigen partij, een partij voor mensen die volledig naar het woord van God leven, of op z’n minst er hun uiterste best voor doen. Homovrienden vallen daar niet onder. Die kan André in z’n zak steken. Ik vermoed dat het begrip van Lont voor de bijbel even groot is als dat voor de rechtsstaat. Ook in kwesties van de bijbel speelt ze eigen rechter. Het lijkt de internetislam wel: het heilige boek is wat ik zeg dat het is.

De SGP komt niet in aanmerking want die lezen de bijbel zo dat niet alleen homo’s geen vertegenwoordigende functies mogen uitoefenen maar ook vrouwen daarvan worden uitgesloten. Dat kan de bedoeling niet zijn, zo moet je de bijbel niet lezen. Er is verschil: een homo kan ervoor kiezen zijn geaardheid niet in daden om te zetten, maar een vrouw is een vrouw. Dat de SGP vindt dat de vrouw naar haar aard een aantal dingen niet kan doen is een uitleg die Lont niet bevalt. Uiteindelijk heeft iedereen recht op z’n eigen bijbel.

Mevrouw Lont is niet voor een religieuze supermarkt. Ze is voor een oneindig aantal religieuze kruidenierswinkels die elkaar onderling op kwaliteit beconcurreren en allemaal zeker weten dat hun winkel de beste is.

Zou ze medestanders vinden? Je weet maar nooit, hoewel ik me afvraag of Meindert Leerling zich zou willen aansluiten. Maar daar staat tegenover dat een herboren protestantisme ook in Nederland op een mooie toekomst mag hopen. Heeft Caroline Tensen zich al aangemeld?

Ik vermoed zo maar dat mevrouw Lont de aanstichtster gaat worden van een politieke tak voor herboren christenen. Naast de twee partijen voor herboren Nederlanders krijgen we als het een beetje meezit een derde herboren partij. Het gaat steeds beter.

18 juni

=0=

 

Spook

Een spook waart door Europa – het spook van de volledige werkgelegenheid. Alle machten van de Europese Unie hebben zich tot een heilige drijfjacht tegen dit spook verbonden, de Commissie, de Raad en het Parlement, de lidstaten en de ECB, Derde Weg adepten, verse en verlepte neo-liberalen en alle dragers van de civil society. Metselaars zijn het, werkers van het cement. Macht corrumpeert niet, macht cementeert.   

Het spook van de volledige werkgelegenheid is aangekondigd door de vergrijzing en dus door de aankomende tekorten op de arbeidsmarkt en dus door de kans dat niet de werkgever nog kiest uit sollicitanten maar de sollicitant uit werkgevers. De korte droom van de jaren zestig bij wijze van spreken, die droom voor de net genoemde machten – oud, nieuw, nieuwer, nieuwst – van een nachtmerrie niet te onderscheiden was. Dat nooit meer. Het spook spookt, en alleen al de gedachte dat het spook over het vermogen tot transsubstantialisatie zou kunnen beschikken – in economentaal: de werknemer tot het stellen van looneisen aanzet en de werkgever tot het aanbieden van loonstijgingen en dat tot overmaat van ramp ook nog eens allebei tegelijk – reactiveert droom en nachtmerrie. Zover moeten we het niet nog een keer laten komen.  

De vergrijzing als stormvogel, wie had dat kunnen vermoeden. We leggen ons er niet bij neer want wie stormvogel zegt, zegt stormbal. Nee? Dan zeggen we het nog een keer. Tot iedereen weet dat het niet alleen zo klinkt maar ook zo hoort. We hijsen de stormbal: niemand mag aan de kant blijven staan. Participatie!

De participatieplicht – mobilisatie in tijden van bewapende vrede – is het antwoord op het spook van de volledige werkgelegenheid. Let wel, het is geen antwoord op de volledige werkgelegenheid en al helemaal niet op de verkopersmarkt die zou ontstaan bij een tekort aan arbeidskrachten, het feit dat niet de banen maar de werknemers gerantsoeneerd moeten worden. Het is een antwoord op het spook.

Je kunt een spook alleen met een ander spook bestrijden. Dat is het spook van de vrees voor uitsluiting, van de mislukte integratie, van de kapotte cohesie, vooruit; van de deur die dichtgegooid wordt. Het is het spook dat aankondigt dat je niet gewenst bent, niet aan de maat, niet goed genoeg. Wil niemand toch? Dan moet je meedoen.

Meedoen is meedoen, is je best doen. Meedoen is een test die je steeds opnieuw moet afleggen. Elke vergunning is tijdelijk maar we beloven dat je je direct voor de volgende test mag inschrijven als je vandaag hebt gefaald. Beter nog, wij schrijven je in en van een nee willen we niet horen. Wie niet mee kan, kan altijd weer anders mee. Zit er nog licht tussen niet-meedoen en desertie?

Of het genoeg is? De commissie Bakker vindt een ‘cultuuromslag’ nodig want alleen als alles goed gaat gaat alles goed. Geen schooluitval, grotere deeltijdbanen, wat u kunt kan, opa en oma van de camping, geen uitzonderingen op de werkplicht voor bijstandsafhankelijken, en nuggers halen we op. Het kan want het moet. Het is de cultuur van nergens op kunnen rekenen en overal voor beschikbaar moeten zijn. Het is de cultuur van de WWB. Work First, exact, wat het werk ook is.  

Onvermijdelijk is het slopen van de schotten tussen bijstand, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid, tussen uitkeringen op basis van een oorzaak (zoals ongeschiktheid en werkloosheid) en uitkeringen op basis van een doel (de minimale bestaansgarantie). De nieuwe cultuur is dat causale uitkeringen verdwijnen en de finale uitkeringen het terrein overnemen. Het heet activering. De hervorming van de sociale zekerheid is nog lang niet af en de nieuwe cultuur begint daar en nergens anders. De sociale zekerheid werkt als de verzekering: je bent nooit goed genoeg verzekerd en je weet nooit zeker of je claim gevalideerd wordt.

Uit de reacties op het rapport van de commissie Bakker kunnen we opmaken, alle verschillen daargelaten, dat de toekomst vandaag al hoog en breed is begonnen.

Spookachtig.

17 juni  

=0=

 

Alleen vandaag wordt gewerkt

Naar een toekomst die werkt, dat is de titel van het vanochtend vrijgegeven rapport van de commissie Bakker. Wat er ook gaat werken, niet die titel. De toekomst werkt niet, en het verleden ook niet. Alleen vandaag werkt. Dat de toekomst zou werken is een al even ondoordacht idee als dat van een werkende markt. Toekomst en markt delen met God de eigenschap dat ze wel kunnen wenken maar niet kunnen werken en dat ook niet doen.

Die wenk krijg je vandaag. De commissie wenkt ons. Die kant op zegt ze, die kant en dan gaat het goed. En anders? Ja, anders. Anders gaat het niet goed en misschien wel helemaal fout. Wat is ‘het’?

De opdracht van de commissie was het doen van voorstellen om de arbeidsparticipatie te vergroten, in personen zowel als in uren, op korte en lange termijn, en inclusief de werking van de arbeidsmarkt.

Het ontslagrecht mocht dus ook meedoen want dat van die arbeidsmarkt staat er niet voor niks. Daar heeft de commissie iets op bedacht: schaf het ontslagrecht niet af maar maak het irrelevant. Zorg voor een werkbudget, zorg voor een verandering van de WW in een werkverzekering (werkzekerheid) en dat ontslagrecht heb je helemaal niet meer nodig want de ontslagvergoeding verdwijnt uit beeld en de preventieve toets wordt niet meer ingeroepen (en het woord collectief ontslag – de schaduw van elke reorganisatie als gevolg van wat dan ook – komt al helemaal niet voor).

Werkzekerheid is geen recht op werk, het is een participatieplicht waaraan niemand zich zal kunnen onttrekken. In het verlengde daarvan verdwijnt ook het verschil tussen de werkloosheidsuitkering en de bijstand. Beide worden doeluitkeringen en het doel heet participatie, vrijwilligerswerk inbegrepen. Dat vrijwillig niet vrijblijvend is wisten we al. Dat het niet-vrijblijvende het vrijwillige uit het vrijwilligerswerk haalt, we hadden het kunnen zien aankomen. Zekerheid als plicht, dat is inderdaad vernieuwend.

Hoe de voorstellen van de commissie uit zullen pakken voor een hogere productiviteit, ik zou het niet weten en ik denk dat de commissie het ook niet weet. Althans, naar de kant van de baten dan, naar de kant van de kosten is de commissie makkelijker te lezen. De kosten kunnen alleen in de hand worden gehouden als er geen tekorten aan aanbod ontstaan. Bij een tekort exploderen de lonen. Dat als gevolg daarvan de productiviteit zou kunnen stijgen – want er zit dan weinig anders op – is een redenering die ook aan deze commissie niet besteed is. Kleinknecht moet z’n lot nog steeds in lijdzaamheid bezitten en het arbeidsaanbod moet uit alle macht omhoog worden gekrikt. En verder zullen de productieve sectoren van de economie toch wel productiever worden en de onproductieve sectoren – de stutten van de verzorgingsstaat – niet. Met als gevolg een tweedeling, inclusief een verdere groei van beloningsverschillen, een zwakke concurrentiepositie van de overheid op de arbeidsmarkt en een verzorgingsstaat waar uitgerangeerden voor andere uitgerangeerden hebben te zorgen.

Dat is al een tijdje zo bezig, de ontwikkeling van die tweedeling. Dat is wat vandaag werkt. Als ik het rapport bekijk blijft dat ook zo. Wat er verder ook verandert – en als de commissie haar zin krijgt is dat heel wat – de toekomst werkt niet anders dan vandaag.

16 juni

=0=

 

Hellend vlak

Nooit geweten dat Max Weber, de socioloog die de moderne geschiedenis beschreef vanuit het perspectief van de ‘onttovering’ van de wereld en die in datzelfde perspectief meende waar te nemen dat religie zowel ‘pianissimo’ als ‘privé’ aan het worden was – nooit geweten dat Weber ergens in de grachtengordel woonde. Of nog woont. Toch moet dat het geval (geweest) zijn want alleen binnen de grachtengordel denken ze dat het Grote Verhaal van de religie opgesloten is in de ‘binnenkamer’, het ‘privédomein’. Zegt Jan Schinkelshoek. Lid van de Tweede Kamer voor het CDA. Hij reageert op Nelleke Noordervliet (allebei in Trouw van gisteren). 

Nou, zegt Schinkelshoek, mooi dat het grote verhaal weer helemaal terug is. Het is zelfs nooit weggeweest, ook al denken die vrijdenkers in het boze hart van de verdoemde Grote Stad daar anders over. Vrijdenkers en vrijdenkerij, Schinkelshoek gruwt ervan, van de ‘pretentie’ en de ‘arrogantie’, ongetwijfeld gebakken in de profane en tegelijk hovaardige gedachte dat mensen zelf kunnen en moeten durven denken en daar ook alleen aan zichzelf en hun medemensen rekenschap over afleggen. Dat de bron van het denken het denken zou zijn en geen goddelijke vonk is een heuse steen des aanstoots. Het is zoiets als in de Tweede Kamer gaan zitten en zonder last of ruggespraak je eigen beslissingen nemen en daarvoor de verantwoording durven dragen. Gekker moet het niet worden. De wereld is al onzeker genoeg.

Zekerheid – dát heeft religie te bieden. Ik citeer Schinkelshoek. Op jezelf kun je niet vertrouwen want de ‘mens heeft de onhebbelijkheid steeds weer te ontsporen’. De mens is een hellend vlak. Typisch, dat enkelvoud. Dat de Amerikanen met Guantanamo Bay elke dag opnieuw ontsporen, dat het daar een hellend vlak is voor democratie en rechtsstaat, we horen er weinig over. Amerikanen zijn meervoud, en dan moet je praktisch blijven. Als mens is de Amerikaan tot elk kwaad geneigd, als Amerikanen zijn de Amerikanen met velen en dan moet je oppassen. Bovendien zijn democratie en rechtsstaat ‘gebaseerd op waarden die ze uit zichzelf niet genereren, niet kúnnen genereren’. Horen jullie dat, daar in die grachtengordel?

Dat Abraham zijn zoon Isaak wilde offeren, onbegrijpelijk. Om het te begrijpen moet je je eigen begrip inleveren; je krijgt er vertrouwen voor terug. In een, alweer Schinkelshoek, ‘happy ending’. We snappen het niet want God is ondoorgrondelijk. Maar het is zoals het is. Je moet niet alles willen snappen. Als mens. Heb vertrouwen. Dat is ‘inderdaad een Leap of Faith’.

Een sprong? Eerder een trained incapacity. Ondoorgrondelijk? Nou nee, maar wel onverantwoordelijk. Weinig nuchter allemaal en zeker geen ‘nuchtere barrière’ tegen ‘grootse vergezichten en andere naïeve dagdromerijen’. Het verkopen van oogkleppen als waren het brillen doet denken aan de uitspraak van Shaw die door Noordervliet wordt aangehaald: ‘Het feit dat een gelovige gelukkiger is dan een scepticus, doet net zo weinig ter zake als het feit dat een dronken man gelukkiger is dan een nuchter man’.

De lakmoesproef voor het geloof is, zo stelt Noordervliet, de uitkomst van de volgende test: ‘Een goed geloof mag geen goede mensen slecht maken’. Dat is een aardige want het sluit jij-bakken uit. Schinkelshoek heeft uitsluitend jij-bakken (jullie doen het zelf ook!). Bovendien is een goed geloof een goed geloof. De test biedt z’n eigen ontsnappingsroute aan. Het is een slechte test. De door Noordervliet aangehaalde fysicus Weinberg zegt het beter: ‘Maar om goede mensen kwaad te laten doen – daarvoor heb je religie nodig’.

Zo praten we langs elkaar heen. De religie zegt slechte mensen goed te maken, de anderen zeggen dat religie goede mensen slecht kan maken. Het schiet niet erg op, maar het is mooi dat langs elkaar heen praten nog altijd met elkaar praten is. De geschiedenis waarop Schinkelshoek zich zegt te beroepen leert overigens dat het recht op langs elkaar heen praten een vaardigheid is die de gelovigen niet aangeboren is. Daar is nogal wat strijd aan vooraf gegaan. Het geloof heeft zich moeten schikken en als de tekenen niet bedriegen dan maakt het van die nood een deugd. Wij mogen toch ook meedoen?

Vanaf de geboorte bevinden we ons op een hellend vlak naar de dood. Onvermijdelijk. Wie dat niet pikt heeft altijd de religie nog. Voor ons geen hellend vlak. Jammer want zoals de onvolprezen columnist Bert Keizer in datzelfde Trouw noteert: ‘Iedere geboorte plaatst een mens op een hellend vlak, maar voor de begrafenis kan er dan toch nog een hoop goed zijn gegaan’.

Dat is pas troost.

15 juni

=0=

 

Achttien maanden

Wat dat toch is met de mannen, Agnes Jongerius komt er niet uit. Aan de vrouwen kan het niet liggen, dus moet het aan de mannen liggen. Dat het aan de relatie zou kunnen liggen, Agnes noemt het niet eens. Een relatie is gewoon een hij en een zij en verder niks. Nou vooruit, een hij en een hij, en een zij en een zij kan ook, maar dat maakt voor de relatie niets uit. Die is er namelijk niet, althans niet apart van de partners.

Zegt zij eindelijk dat ze kinderen wil, heeft hij nog anderhalf jaar nodig om tot dezelfde conclusie te komen. Achttien maanden, een dubbele zwangerschapsperiode en dat alleen maar om een besluit geboren te laten worden dat ze toch wel zouden nemen. Verloren tijd en hun echtgenoten worden er ook niet jonger op. Dat kan beter jongens!

Zou het Nederlands zijn, die achttien maanden? Of zijn alle mannen altijd en overal wat trager? Als ik Agnes was zou ik het uit laten zoeken want als het gewoon bij de man hoort, dat slome, dan helpen ook prachtvoorzieningen als vaderschapsverlof niet om ze tot wat meer snelheid aan te manen. Te ‘verleiden’, pardon, want zo noemt Agnes het. Bovendien, als de man nu eenmaal wat meer tijd nodig heeft en als het niet het tempoverschil tussen mannen in Nederland en elders in de wereld is dat het late eerste kind verklaart, maar de beslissing van de vrouw die in Nederland toch altijd weer lang op zich laat wachten: zou je dan niet bij de beslissing van de vrouw moeten aanknopen?

Nee, zegt Agnes. Het meest intrigerende aan haar artikel in Trouw van vandaag is dat de vrouw beslist laat kinderen te krijgen (‘En terecht’, zegt Agnes; dat ‘terecht’, zou dat over het late tijdstip gaan of over het feit dat de man daar kennelijk helemaal geen rol in speelt? Beide? Beide), dat de vrouw beslist wanneer het laat genoeg geworden is en dat pas dan de man in beeld komt. Je zou er als man behoorlijk de pest over in kunnen krijgen. Jan, we nemen een kind en doe er nou eens geen anderhalf jaar over om dat tot je door te laten dringen. Schiet toch eens een beetje op man.

Als het gaat zoals het volgens Agnes gaat, heeft ze daarmee een aardige bijdrage aan de theorie over de vele echtscheidingen geleverd. Maar of het ook tot een beter begrip leidt van die belangrijke relatiebeslissing, het gezamenlijk krijgen van een kind?

Ik vraag het me af. Bij Agnes ontstaat de gezamenlijkheid pas als het kind er al is. En als dat zo is dan mogen de voorzieningen die papa uitnodigen ook te zorgen best wat scheutiger. Vast wel, hoewel ik me niet aan de indruk kan onttrekken dat hier de zorgen over de arbeidsmarkt – gelijke kansen – een grotere invloed uitoefenen op het denken van Agnes dan het zorgen voor het zorgen.

Dat kan ik billijken. Vakbonden zijn ervoor om het aanbod van arbeid te organiseren en uit die organisatie het beste voor hun leden te halen. Gelijke kansen is, historisch gezien, dan een beetje aan de late kant van de strijd terecht gekomen maar daar kan je ook weer uit afleiden dat het een des te urgentere kwestie is. Je kunt er ook hele andere dingen uit afleiden, maar ook dit en dat mag best even volstaan. De vraag is alleen of je daar het tijdstip voor het krijgen van kinderen bij nodig hebt. En als je dan toch bezig bent, ook het leeftijdsverschil tussen hem en haar zou ik dan maar meenemen. En normeren natuurlijk, bijvoorbeeld door een belastingkorting te geven aan paren met een redelijk gelijke leeftijd van de partners en een straffe belastingheffing op paren waarvan de onderlinge leeftijd te veel uiteenloopt. En als we dan toch bezig zijn, dan

Ergens zit me de redenering van Agnes niet lekker. Maar waar?

14 juni

=0=

 

Nieuw

Het wordt tijd voor een rehabilitatie van het aloude begrip seksisme. Dat schrijft Xandra Schutte, de nieuwe hoofdredacteur van de Groene. Waarom? ‘Hillary sommeren overhemden te strijken is amusant, Obama in verband brengen met schoenen poetsen is onacceptabel’. Een merkwaardige zin. Je kunt hem maar op één manier lezen en die is dat als Obama wordt vrijgesteld van racisme, Hillary niet met seksisme mag worden bekogeld en als Hillary met seksisme wordt belaagd dan ook Obama met racisme. Zou Schutte het eens zijn geweest met het spelen van de raskaart, de kaart waar de Clintons zo dicht bij zijn gekomen? Ter compensatie van het seksisme tegen Hillary?

De wereld heeft, nog los van koningshuizen, zo’n veertig vrouwelijke regeringsleiders gekend. We vinden ze in het bijzonder in Azië, Afrika en Latijns-Amerika. Als we de Nederlandse Antillen meetellen stijgt het aantal want op de Antillen zijn vrouwelijke premiers doodgewoon. Katholieken, hindoes en islamieten kunnen blijkbaar wel leven met een vrouwelijke premier of president, protestanten niet. Angela Merkel is een verblijdende uitzondering, al moet worden gezegd dat het aandeel protestanten en katholieken onder de kerkelijken in Duitsland (een minderheid van de bevolking) ongeveer even groot is. Maar in tegenstelling tot Nederland is Duitsland geen verzuild land.

Misschien moet het seksisme in de politiek met het soort religie in verband worden gebracht? Het ligt op z’n minst voor de hand dat te doen, ook in de VS waar religieus rechts – tientallen takken aan een voornamelijk protestantse boom – sinds decennia het politieke klimaat, het meest zichtbaar in elke campagne, beïnvloedt en bederft. De religie in de politiek van de VS verdeelt en polariseert. Elke campagne wordt smeriger en harder. De enige vraag is welke kandidaten het best de boodschap hebben overgebracht dat de polarisatie ver genoeg is gegaan. En als het om de beantwoording van die vraag gaat is het zo raar nog niet dat Obama en McCain de strijd om de partijnominaties hebben gewonnen. Op die vraag was hun antwoord nieuw. Hillary heeft zowel die vraag als het antwoord erop aan zich voorbij laten gaan.

Het ligt niet voor de hand dat religieus rechts zich hierbij zal neerleggen. Deze kandidaten bederven hun markt. Het hangt van de campagneleiders van Obama en McCain af of religieus rechts het bedreigde terrein terug kan winnen. Of de rasfactor alsnog gaat spelen hangt meer af van McCain dan van Obama. Ik heb geen flauw idee hoe recht de rug van McCain is. Ik ben er niet gerust op. Wie president van de VS wil worden kan het zich niet veroorloven groezeligheid te versmaden.

Xandra, zou Fortuyn een kans gehad hebben in de VS? Edward Heath dan?

13 juni

=0=

 

OB

In de AWBZ zal worden ingegrepen. De kosten stijgen en hoewel niemand er mee rekent dat de stijging gestopt kan worden mag er best wat af. Er wordt vooral gekeken naar de ondersteunende begeleiding (OB). Daar valt van alles onder maar de hoofdrubrieken waaronder OB wordt geïndiceerd zijn het bevorderen van de zelfredzaamheid van mensen, het verbeteren van de mogelijkheden op integratie in de samenleving en het steunen van mensen die mantelzorg leveren. Bijkomende kosten van de extramuralisering. Het bedrag dat daar aan wordt besteed is de laatste jaren met honderden miljoenen gestegen – kennelijk weet men (: hulpbehoevenden zowel als hun familie, aanbieders van diensten bij het opvoeden van de kinderen, hulpverleners bij het invullen van formulieren en het bijhouden van je financiën tot en met het zorgen dat je het bingo niet hoeft te missen, en uiteraard de zorgaanbieders) de regelingen makkelijker te vinden en er handiger op in te spelen – en dat bedrag wil het kabinet nu terughalen. Het moet minder makkelijk worden aan een budget voor OB te komen. Dat is het verhaal van de B&A groep die in opdracht van VWS vorig jaar een onderzoek deed, hetzelfde onderzoek dat nu wordt ingezet om de centen terug te halen.

Toch kun jet hetzelfde verhaal ook op een andere manier vertellen, een manier waarin niet het claimgedrag op budgetten en voorzieningen de rode draad is maar de voortdurend veranderende spelregels en het groeiende woud aan spelers bij het indienen van een hanteerbare claim het toneel opeisen. Dat gaat zo.

Het leven wordt ingewikkelder. Je kunt niet alleen kiezen, maar je moet het ook. Papier wordt vervangen door elektronica, voorzieningen fuseren en sluiten loketten om ze elders en al dan niet met gewijzigde toegangsbepalingen weer te openen, het vinden van een verzorger/dienstverlener wordt een vak op zich, wat je als compensatie voor kosten van de gekozen ziektekostenverzekering krijgt moet je reserveren zodat de premie betaald kan worden en daar ben je nu zelf verantwoordelijk voor, voor de ene voorziening wordt een eigen bijdrage gevraagd en voor de andere niet of een lagere, om bij een voorziening te komen wordt er niet eenvoudiger op en wat gisteren gold geldt vandaag niet meer of ziet er een beetje anders uit. Enzovoorts. Wie kan kiezen moet kiezen en kiezen is een complexe zaak. Er zijn steeds meer kosten verbonden aan het vinden van dienstverleners die je bij andere dienstverleners kunnen brengen. Het valt allemaal onder ondersteunende begeleiding en mondt uit in claims op de AWBZ. Noem het de schaduw van de keuzemaatschappij.

De ondersteunende begeleiding is geen ondersteuning van de begeleiding maar de begeleiding van de ondersteuning die je nodig hebt om bij de ondersteunende begeleiding uit te komen. Het is het product van zelfgecreëerde complexiteit, die niks met zorg en hulp te maken heeft en alles met privatisering en verzelfstandiging. Het gaat om transactiekosten die de productiekosten zo langzamerhand in de schaduw stellen. Daar zijn noch de vragers noch de boekhoudregels van een ministerie, in ons geval van VWS, helemaal op berekend. De vragers hebben er ook helemaal niet om gevraagd. De boekhouding wint en dus is de vraag waar de transactiekosten dan zullen worden gedeponeerd.

Ik heb wel een idee over het antwoord op die vraag. Bovendien, wat is er tegen op het plan om een virtuele bingoclub op te richten? Leren ze gelijk de vreugden van het internet kennen. En wie niet wil, die hoeft niet. Pokeren mag ook. Op eigen risico.

12 juni

=0=

 

Het werkt toch?

Vorig jaar ontstond een forse commotie over een uitspraak van het Amsterdamse gerechtshof dat de Vereniging tegen de Kwakzalverij in het ongelijk stelde nadat deze iemand voor kwakzalver had uitgemaakt. Nu ben ik bezig met me wat meer te verdiepen in dat verschijnsel kwakzalver dus dat viel op. De redenering van het Hof was tweeledig: in de wandeling wordt een kwakzalver als een oplichter gezien en dat was in dit geval onterecht grievend en in de tweede plaats bleek dat de klanten van de bedoelde kwakzalver van mening waren dat het allemaal best had geholpen en ook daarom mocht je in dit geval niet van kwakzalverij spreken. De vraag die Hans van Maanen in de Volkskrant van 9 juni vorig jaar stelde (‘Wie zalft er dan wél kwak?’) is makkelijk te beantwoorden: dat doen de klanten die beweren dat ze er beter van geworden zijn.

Hoe wist het Hof dat allemaal? Dat van die oplichter had het uit de Van Dale, dat van de werkzaamheid uit een proefschrift uit 1990. Een economisch proefschrift, want de medici haalden er hun neus voor op en er moest toch gepromoveerd worden.

Het ging over de tevredenheid van de klanten. Ik begrijp uit diverse commentaren dat het onderzoek ook als evaluatie (of monitor?, je weet het maar nooit dezer dagen) methodologisch behoorlijk door de mand valt maar veel interessanter vind ik dat een rechtbank in een medische kwestie (wanneer mogen medici het oordeel van kwakzalverij uitspreken?) te rade gaat bij het oordeel van klanten. Want daar ging het omstreden proefschrift over. Je zou zeggen dat als dat het geval is we elke professie per heden kunnen opheffen. Zou best kunnen, maar het zou me niet verbazen als er van iets heel anders sprake is.

Ik denk dat het Hof zozeer onder de indruk is van het economisch wereldbeeld dat ons alom en bij welke kwestie dan ook tot voorbeeld wordt gehouden dat ze de economie van het medicijn, de economie van het placebo en de economie van de zwendel allemaal als één pot nat ziet. Als het nut heeft, heeft het nut en wat nut is bevindt zich ‘in the eye of the beholder’. Lees er de moderne handboeken kwaliteit maar op na.

Dus heeft het Hof gelijk, economisch gezien. Wat werkt, dat werkt – en dan kun je nog wel een prijs-kwaliteit verhaal afsteken, maar dat is een kwestie van meer en minder en niet van ja en nee. Daar kan ook het recht zich niet aan onttrekken. De leer van de efficiënte contractbreuk komt niet nergens vandaan.

De enige erkende professional is de econoom. Het Hof heeft misschien de foute professional geciteerd, dat kan best, maar zwaarder weegt dat ze professionaliteit aan de economie heeft uitbesteed. Het Hof is bij de tijd, dat zie je maar weer.

De embryoselectie dient niet aan commissie van ethici maar aan een commissie van economen te worden voorgelegd. Dan zal het met de kenniseconomie ook wel in orde komen. Of?

10 juni

=0=

Gevaarlijk?

Pitbulls mogen weer. Ze moeten zich gewoon goed gedragen en dan komt het allemaal wel in orde. De hond die zich slecht gedraagt kan het wel schudden, maar, zo verzekeren de kenners (of kennels?) ons, er zijn geen slechte honden, er zijn alleen slechte baasjes.

Zo is een groot onrecht rechtgezet. Sommige pitbulls waren helemaal geen pitbulls en werden toch te grazen genomen, andere honden die even gevaarlijk zijn als de pitbull ontsprongen de dans. Onrecht en willekeur, dat kunnen we niet hebben. Graus en Gaus zijn wat blij met een minister die de diertjes na lange jaren uit het verdomhoekje heeft gehaald. Kunnen die (G. en G. en de diertjes) in elk geval opgelucht ademhalen.

Ook voor de baasjes is het goed nieuws. Een hond, zo lees ik in de Volkskrant, is de spiegel van het baasje, dus die dodelijke beet is eigenlijk de weerspiegeling van het toehappende gebit van het baasje. ‘Hij doet anders nooit wat hoor’; die uitroep van baasjes als de hond wat gedaan heeft gaat dus eigenlijk niet over honden maar over baasjes. Zij doen nooit wat. Zet daar een spiegel op en de hond doet ook nooit wat en die ene uitzondering bevestigt de regel. Wij doen nooit wat en daarom is het onzin dat ik de hond altijd zou moeten aanlijnen.

Was het niet Bill Sykes, de schurk uit Oliver Twist, die de rechter probeerde uit te leggen dat niet hij de dodelijke steken had toegebracht maar het mes? En dat je dat het mes toch niet kwalijk kon nemen? Hoe zouden we ooit nog een beschaafde maaltijd kunnen nuttigen als de messen worden verboden? Een sterke redenering maar de schurk zat dan ook knap in het nauw.

De rechter uit de roman van Dickens ging niet akkoord met die fraaie omkering (omdat het mes onschuldig is, is zijn baasje het ook). Bill werd veroordeeld, het mes niet. Het mes weerspiegelt het gedrag van het baasje niet, het mes is een instrument in de handen van het baasje. Aan het mes kun je het baasje niet herkennen maar je kunt wel baasjes onderscheiden aan de hand van het onderscheid dat wie ook buiten de maaltijden om een mes bij zich heeft wat anders in elkaar steekt dan degenen die daarvoor bedanken. In het dagelijks verkeer heb ik het niet op baasjes die een mes menen te moeten hebben. Niet omdat het mes wat doet maar omdat als het baasje het mes wat laat doen het goed fout is.

Ik heb de neiging hetzelfde criterium te hanteren bij pitbulls. Niet dat het beest wat doet is het punt maar het eenvoudige feit dat als het beest wat doet de schade voor anderen niet te overzien is. Het gedrag van het baasje zit niet pas in het gedrag van maar al in het bezitten van een pitbull.

Wij leven in een land waar volwassen jongeren die niet werken of naar school gaan in de kraag gevat kunnen worden. Ze gooien hun toekomst maar weg en wie dat doet is potentieel gevaarlijker dan een pitbull. Dat gevaar is nu eindelijk, en ten gunste van de pitbull, ook door minister Verburg erkend. Dit kabinet straalt eenheid uit. En overigens moet het recht op het wapenbezit in de grondwet worden opgenomen. Je kunt nooit voorbereid genoeg zijn.

11 juni

=0=

 

Blessure

Over Arjen Robben doen twee theorieën de ronde. De eerste is dat hij niet goed loopt en daarom zo blessuregevoelig is. Robben moet opnieuw leren lopen. Die theorie schijnt bij Real Madrid te zijn uitgevonden. De tweede theorie is dat het bij Robben tussen de oren zit. Blessures zijn bij hem een zichzelf waarmakende voorspelling. De man is een hypochonder. Hij somatiseert. Die laatste theorie werd vanochtend in de Pers verwoord. De bron zou een lid van de medische staf van Chelsea zijn.

Merkwaardig. In een wereld waarin alles als topsport wordt voorgesteld (je baan, je relatie, de opvoeding van je kinderen, je recreatie, de liefde en ook de sport zelf) is de ruimte voor sport zo ongeveer tot nul teruggebracht. Een beetje mens wil misschien wel spelen, maar kan het zich niet permitteren, want spelen is winnen en het winnen wint van het spel. Aan de top wordt niet gespeeld; de meest voor de hand liggende illustratie van de teloorgang van het spel vinden we in de professioneel uitgeoefende sport. Robben loopt niet goed. Robben somatiseert.

Misschien wil Robben wel gewoon voetballen maar is hij dat zelf inmiddels ook een beetje vergeten. Hij zoekt wat maar wat ook weer? Wie voetballers ziet spelen ziet zelden plezier. Je ziet een grimmig afzien. Je ziet werk in optima forma: het uitvoeren van de opdrachten van de coach en het uitgefoeterd worden door je medespelers als je de opdracht niet tot op de letter uitvoert. In het veld lopen geen voetballers maar gedelegeerde coaches. Keepers zien we, we horen ze gelukkig niet, woedend de verdediging in het gareel schreeuwen, verdedigers onderling blaffen elkaar af. Er wordt gewezen, de gebarentaal wordt primitief maar druk beoefend, en alles staat in het teken van het uitvoeren van de opdracht. Het hoeft niet speels te zijn, het hoeft geen spel te zijn, het moet alleen renderen. Voetbal is werk, topsport is werk en werk is topsport.

Eigenwijze voetballers zijn niet per se eigenwijs. Hun probleem is dat ze zo hun eigen idee hebben over wat voetbal voor hen is. Seedorf is het nabije voorbeeld. Zulke voetballers voeren de opdrachten niet helemaal uit. Wij – zestien miljoen of daaromtrent bondscoaches – lezen 'niet helemaal' als helemaal niet. Wij weten het, want zo lezen we ook het spel. Het afwijken van de opdracht ontregelt het resultaat. Coaches zeggen dan dat het spel daardoor wordt ontregeld maar dat is flauwe kul. Het gevaar is niet dat het spel buiten spel komt te staan maar dat er überhaupt iets van spel in het spel terecht zou komen. Dat kunnen we niet tolereren. Liever een gezeglijke middenmoter dan een ongezeglijke briljant. De briljant moet altijd veel meer bewijzen dan de middenmoter.

Robben zat altijd ergens tussen in. Zo af en toe wist je dat hij er lol in had. Zodra ik ‘afspelen!’ riep wist ik dat Robben niet zou luisteren maar van het voetbal weer even een spel wou maken. Juist als hij niet in overtreding was, was hij in overtreding. Iedereen wist het. Robben ook maar niet altijd en dat is zo aardig. Niettemin, we kunnen het ons niet permitteren.

De blessures van Robben zijn de stuiptrekkingen van het voetbal als spel. Hij moet eens leren wat werk is, die Robben. Dan gaat het vanzelf over.

9 juni

=0=

 

Seculier

In het artikel van Roel Kuiper gisteren in NRC Handelsblad wordt beargumenteerd dat wie bijbelse gegevens ‘meeweegt’ in het dragen van verantwoordelijkheid voor de wereld geen fundamentalist is maar gewoon iemand die een opvatting inbrengt in het publieke democratische debat. Bovendien, wie van mening is dat in het publieke democratische debat een diversiteit aan opvattingen naar voren moet komen mag blij zijn dat die diversiteit er is. Het christelijke geluid is geen bedreiging maar een uiting en versteviging van dat debat.

Daar heeft Kuiper het grootste gelijk van de wereld in. Zoals hij bijna met zoveel woorden zegt gaat het voor hem niet om de plek van de religie maar om die van de ethiek in het publieke debat. De CU staat volgens hem voor een verantwoordingsethiek. Hij contrasteert dat met de plichtethiek en de utilitaristische ethiek. Geen categorische imperatief dus en evenmin een bedaarde calculus van het grootste goed voor het grootste aantal. Enorme, en eigenlijk ook wel verbazende, uitspraken die bovendien voorbij gaan aan de kwestie waar het om draait: dat het bij het pluralisme en de diversiteit waar ook Kuiper het over heeft niet gaat om een ethische maar, Rawls volgend, om een politieke kwestie. Het onderscheid tussen ethieken, en ik vermoed dat Kuiper niet toevallig slechts de helft van het Weberiaanse gedachtegoed adopteert, is geen ethisch onderscheid, het is een politiek onderscheid. Het gaat niet om ‘ethiek’ maar om ‘politiek’ als beroep en roeping. Het misverstand over de aard van dit onderscheid is niet alleen ‘fundamenteel’, het is ook snel geboren. Als ergens ‘embryoselectie’ nodig is, dan hier, op het vlak van onderscheidingen en hun herkomst dan wel toekomst.

De druktemakers die Kuiper bestrijdt plaatsen de politiek in het verlengde van hun seculiere ethiek. Het zijn lieden die noch de Kantiaanse categorische imperatief serieus nemen (meestal staan ze zichzelf toe wat ze anderen willen verbieden) noch de utilitaristische ethiek van, pak’m beet, John Stuart Mill. Verre van dat: het zijn mensen die de klassieke gezindheidsethiek uitdragen, de ethiek van het doel heiligt de middelen. Kuiper moet oppassen denk ik: door dit onderscheid zelf als een ethisch onderscheid te benoemen geeft hij aan dat de strijd om de politiek ‘uiteindelijk’ een ethische strijd is en geen politieke.

Het fundamentalisme begint niet waar de ethiek wordt gepolitiseerd, maar waar de politiek in naam van de ethiek wordt gemoraliseerd. Dat hebben we in Nederland overigens niet te danken aan de christelijke politiek maar aan Fortuyn, Hirschi Ali enzovoorts. Het fundamentalisme kwam van rechts zullen we maar zeggen en ze noemen het de seculiere staat.

Voor ieder van ons is embryoselectie een ethische kwestie. Voor de politiek is het een politieke kwestie. De verantwoordingsethiek van Kuiper zou moeten staan voor het elementaire gegeven dat politiek geen toegepaste ethiek is, of die nu seculier of religieus gemotiveerd is. Daar staat het bij hem niet voor. Zolang een politiek onderscheid ethisch wordt begrepen blijven we zitten met seculiere fundamentalisten die anderen op hun fundamentalisme aanspreken en omgekeerd. Het is niet voor het eerst dat ik vermoed dat de politiek in Nederland bestaat uit het vlijtig reproduceren van misverstanden. Zou dat – ‘uiteindelijk’ – de erfenis van de ontzuiling zijn?

8 juni

=0=

 

Beschermwaardig

‘De beschermwaardigheid van het leven werd voor het eerst nadrukkelijk naast de autonomie van de vrouw gezet’. Zegt Arie Slob in NRC Handelsblad, daarbij verwijzend naar het coalitieakkoord. In Trouw doet André Rouvoet hetzelfde en hij voegt daar aan toe dat de geest van dat akkoord was: ‘we gaan geen nieuwe stappen zetten’. Dat zou dus ook de pre-implantatie genetische diagnostiek (PGD) bij embryo's gelden. Hij noemt het uitblijven van nieuwe stappen op dat gebied een nadrukkelijke voorwaarde van de CU om in het kabinet te stappen.

‘Ik ben geen christenfundamentalist en wil niet dat we moral strangers worden’. Dit keer is het Roel Kuiper, voorheen van het wetenschappelijk bureau van de CU, nu senator voor die partij en verder verbonden aan de Erasmus Universiteit op een bijzondere leerstoel ‘reformatorische wijsbegeerte’. Morele vreemdelingen: de angst ervoor klinkt ook bij Slob en Rouvoet door. Ze vrezen niet zozeer een minderheidspositie als wel een democratie waarin de meerderheid de minderheid monddood maakt.

In Turkije deze week gebeurde het omgekeerde: de AK partij moet voor haar voortbestaan vrezen omdat ze de seculiere staat zou ondergraven. Hier wordt de politieke meerderheid monddood gemaakt. Het Hooggerechtshof is machtiger dan regering en parlement bij elkaar, en houdt het leger nog eventjes uit de wind. Maar wat niet is kan komen.

Waar de CU bang voor moet zijn niet is niet voor de meerderheid maar voor de rechtsstatelijke inbedding van de democratie. In Turkije schort het daar aan, in Nederland winnen uitgerekend de politieke straatvechters die lak hebben aan de rechtsstaat – Wilders, Verdonk – snel terrein. En de overheid zelf wil zo graag zo veel dat ook daar de rechtsstaat eerder als een hindernis dan als een steun wordt ervaren. Jacob Kohnstamm, van het College Bescherming Persoonsgegevens, roept af en toe wat en daar bestaat het externe effect van zijn functie ook uit: zie je wel, je mag hier nog best wat roepen!

Over wat de beschermwaardigheid van het leven betekent zal de discussie ongetwijfeld verder gaan. Te hopen is dat het op een betere manier gaat gebeuren dan Kuiper (‘het wonder van het geschenk’) ten toon spreidt. Maar het echt beschermwaardige is, in elk geval politiek bezien, de rechtsstaat. Het zou niet gek zijn als de CU dat thema eens wat zwaarder zou benadrukken want ook dit kabinet heeft met de rechtsstaat een wat moeizame verhouding. Privacy, de wil drang in dwang om te zetten, het minachten van de voordeur, de hautaine toon tegen een ombudsman die daar op wijst, de doorgeschoten preventie die niets als een ‘geschenk’ maar alles als een maakbare oplossing opvat en presenteert: aanleidingen zat om de staat terug te fluiten in naam van de garanties die de rechtsstaat zegt te bieden en te beschermen.

In naam van de beschermwaardigheid.

7 juni

=0=

 

All Stars

Waarom ik af en toe naar de tv serie All Stars kijk weet ik eigenlijk niet. Het is een routineuze serie over een gezelschap jongens plus aanhang. De jongens, twintigers neem ik aan, voetballen eens per week in een club genaamd Swift. Doen ze al jaren en het gaat niet om het voetbal maar om hen. Ze zijn het achtste elftal of daaromtrent en verliezen meestal. Het hoofdthema is niet het winnen van wedstrijden. Het hoofdthema is de onderlinge communicatie met als aanleiding het elke week opnieuw verzamelen van genoeg spelers om überhaupt te kunnen spelen. Daar moet, om met de haren erbij gesleepte redenen, veel voor worden getelefoneerd en er is in de serie de nodige aandacht besteed aan de regel dat elke communicatie ook anders kan worden begrepen en dus misverstanden zal oproepen. Een soort wet van Murphy beheerst elke aflevering. Misverstanden zijn daarom het voornaamste thema. Elke keer gaat er iets fout en dus moet er bijgeregeld worden, wat tot nieuwe misverstanden leidt enzovoorts. Bijgevolg moet er veel en urgent worden gecoördineerd.

Elke communicatie is goed voor een misverstand en elk misverstand voedt de communicatie. Elke misverstane communicatie roept de behoefte aan coördinatie van de communicatie op en elke coördinatie herhaalt het misverstand om de elementaire reden dat coördinatie communicatie is en niet omgekeerd. De communicatie van het misverstand garandeert verdere communicatie. De communicatie is er voor de communicatie, het misverstand voor het misverstand. We houden elkaar bezig en hoeven niet eens meer te zoeken naar aanleidingen om een nieuwe ronde in te gaan. Die aanleidingen zitten gewoon in de vorige ronde. Een hele zorg minder.

Op de wereldvoedseltop van de FAO is besloten dat de honger in 2015 gehalveerd moet zijn. Daarvoor is ‘urgente en gecoördineerde actie’ aangekondigd. Men gaat verder op biobrandstoffen studeren. Het gebruik van voedsel als politiek en economisch wapen moet niet meer kunnen. Mooie, krachteloze, besluiten die alleen maar goed zijn voor een herhaling van zetten en nooit zullen leiden tot een effectieve zet. All Stars, als het ware. Je zet je zwakte in het zonnetje en je hebt een soap. Overigens, als we de mensheid leren woorden te eten zal het nog sneller gedaan zijn met de bestrijding van de honger. Aan de andere kant, het woord als wapen staat in hoger aanzien dan ooit. De Heer zij dank dat het voornamelijk botte wapenen zijn maar niettemin.

Of het wapenverbod inhoudt dat de boeren de melk niet meer als zwemwater mogen gebruiken wordt niet duidelijk uit de tekst. Jammer, want als de boeren de melk al als wapen  gebruiken, waarom zouden regeringen het dan niet mogen? Of mag ik het zo lezen dat de regeringen de betrokken boeren als deserteurs mogen brandmerken? Vereist wel de nodige urgente en gecoördineerde actie uiteraard maar waar een wil is, is een weg. Of een leeg zwembad. Het hangt er maar van af wat zo urgent gecoördineerd wordt. Boeren kunnen het, coördineren. Regeringen zijn er minder goed in en internationale organen en organisaties zijn, de RK kerk daargelaten, nog nooit voor dat examen geslaagd.

Internationale organen en organisatie zijn er voor zichzelf. Het voornaamste verschil met All Stars is dat ze net doen alsof ze teams in het veld kunnen sturen die goed genoeg zijn om in enkele jaren alle prijzen te winnen. Met zo’n misverstand kun je nog jaren vooruit, tot ver voorbij 2015. Maar dat jaar is ook alleen maar genoemd omdat het zo voortreffelijk het misverstand van de ‘urgente en gecoördineerde actie’ communiceert.

Voetbal is oorlog riep de grote Michels al. En dan zouden wij op last van de FAO ons voedsel niet als wapen mogen gebruiken?

6 juni

=0=

 

Tournee

Die tournee wordt toch niks meer dacht Kai. Hoe slaan we daar een slaatje uit? De moedige adviseur kwam er niet uit. Rita ook niet. Afgelasten zou neerkomen op het erkennen van een nederlaag. Maar doorgaan had het risico dat de tanende publieksinteresse op zou gaan vallen.

De brief van Hirsch Ballin kwam als een geschenk uit de hemel. Hier kunnen we wat mee, riepen Kai en Rita in koor. We gaan ervoor zorgen dat de beveiliging weer helemaal terugkomt in z’n oude vorm en we maken genoeg lawaai om de steun van het publiek weer te mobiliseren. Kai belde Knevel en Van den Brink. Die zagen er wel brood in. Een afspraak is snel gemaakt. Gisteravond verscheen Rita in hun programma en klaagde haar nood. Er werd begrijpend geluisterd. Het verdriet spatte er van af en die lage toon die Rita af en toe inzet deed vermoeden dat het haar allemaal niet in de koude kleren was gaan zitten.

De kranten hebben er vandaag wel een kolommetje voor over. Voor wie het nog wist. Een succesvolle actie. Iedereen weet nu dat de beveiliging van Rita lek is, want Rita heeft het zelf gezegd. Alleen dat lek al roept om reparatie. Die nieuwe ‘beveiligingsmix’ van Tjibbe en Ernst kunnen ze houden. Daar doen we het niet voor. Daar komt nog bij dat iedereen snapt dat Rita onder deze omstandigheden haar tournee niet kan voortzetten. Tot het onmogelijke is niemand gehouden en zeker Rita niet. Het bemoeilijken van haar tournee, dat is ontoelaatbaar. De status quo ante moet worden hersteld. En snel ook.

Kai en Rita weten dat je natuurlijk helemaal niks kunt herstellen. Daar hebben ze zelf wel voor gezorgd/ Wat gebeurd is, is gebeurd en daar hebben zij hun steentje inmiddels blijmoedig aan bijgedragen. Maar goed ook, want zo heroveren we de aandacht die net dreigde te verslappen. Het verstoort wel het evenwicht in de toedeling van aandacht. Dat komt Kai en Rita niet ongelegen maar Geert en Mark vinden het niet eerlijk. Zoals gebruikelijk weet Mark niks anders te verzinnen dan mee te liften. Dit keer met Rita, een vorig keer met Geert. Het blijft armoe.

Het goede nieuws is dat ook Geert geen idee heeft – en dus ook maar heeft besloten mee te liften. Dat wordt nog druk op die onderbroken tournee. Kai en Rita, een gouden duo. Wat zeggen sporters ook al weer? Geert heeft te vroeg gepiekt.

5 juni

=0=

 

Genoegdoening

Genoegdoening. Het woordenboek meldt bij dat woord: schadeloosstelling, eerherstel. Als iemand zegt: ik eis genoegdoening, dan zijn de rapen gaar. Wat je ook doet ter compensatie, meestal is het niet goed. Genoegdoening gaat over het recht zetten van onrechtvaardigheid en we weten dat onrechtvaardigheden niet recht gezet kunnen worden. Niet compleet, niet zonder dat het altijd sporen zal achterlaten, dus niet. Een doekje voor het bloeden stelpt het bloeden maar voorkomt het litteken niet. Judith Shklar schreef een prachtig boekje over onrechtvaardigheid, Barrington Moore een prachtig boek.

Genoegdoening geef je niet, je eist het. Jou is iets aangedaan en je pikt dat niet. Degenen die het je hebben aangedaan kunnen geen aanspraak meer maken op de achting van anderen, of dat nu de benadeelden zijn of de toeschouwers die ervan op de hoogte raken. De achting is verspeeld. Wie genoegdoening eist stelt daarom en per definitie de moraal van de dader ter discussie.

Wie op de eis van genoegdoening ingaat kan niet zelf bepalen wat genoeg is en kan evenmin bepalen wanneer de compensatie voldoende is om opnieuw op achting te mogen hopen. Verspeeld is verspeeld en alleen de benadeelde kan het spel achteraf nietig verklaren. De dader kan dat niet.

Zouden het Kamerleden zijn of ligt het aan de redactie van de Volkskrant? Vandaag lees ik in die krant op de tweede pagina de volgende zin: ‘Als genoegdoening voor het uitblijven van een referendum gaan Kamerleden nog deze maand het land in.’ We krijgen geen referendum over het EU wijzigingsverdrag. Niet nodig, oordeelde een tijdje geleden de Raad van State want als er geen grondwet opstaat is het ook geen grondwet. Het feit dat het voorstel voor grondwet en het wijzigingsverdrag voor 99% identiek zijn is niet ter zake. Het is wel een feit maar oninteressant. De Tweede Kamer haalde in meerderheid opgelucht adem. Geen referendum dus we jassen het er even door. Gewekte verwachtingen? Ach, Europa is ‘uit’ kopt de Volkskrant boven het stukje waar de geciteerde zin aan is ontleend.

Waarom genoegdoening? Wie vraagt genoegdoening? Is een slecht geweten, een schuldig gemoed en de angst voor de peilingen voldoende om van genoegdoening te reppen? Het lijkt me allemaal grotesk. Je zou het de Kamer best toevertrouwen, zo’n uitspraak over genoegdoening. We leggen het uit en dan zullen ze het wel billijken. Of niet, maar daar gaan we nu juist het land voor in, om de kiezer uit teleggen dat we de kiezer serieus nemen. Het besluit is genomen, dat wel, maar we kunnen altijd van deze gang van zaken leren voor de toekomst.

De kiezer rest slechts één ding: genoegdoening eisen voor het feit dat de Kamer nu ook al niet meer weet wat genoegdoening is. En anders moet de Volkskrant subiet naar taalles.

4 juni

=0=

 

Correct

Mevrouw Özdemir schrijft een column in Trouw. Ze woont nu in Jordanië en heeft daardoor wat afstand tot de dagelijkse gang van zaken in Nederland. Ze constateert dat de publieke ruimte in Nederland voornamelijk wordt bezet door geschreeuw en dat het debat als gevolg daarvan is afgegleden. Nu ze daar zit valt het meer op dan toen ze hier was. Wat valt op? Bijvoorbeeld dat wie zich het breedst weet te maken en er het best in slaagt de ander de mond te snoeren en af te bekken de aandacht heeft. Ze constateert ook dat moslims in Nederland alleen wordt gevraagd iets te zeggen over andere, foute, moslims en nooit over bijvoorbeeld de kwaliteit van het onderwijs, de zorg of, bijvoorbeeld, de files van Rita. Ze hoopt dat Rita recht door zee vertrekt en Wilders meeneemt. Alles bij elkaar heeft ze toch een voorkeur voor wat ze ‘politiek correct’ noemt.

De inkt van de column is nog niet droog of de lezersreacties verschijnen. Op een enkele na bevestigen die haar probleem. Zodra een vrouw die ervan wordt verdacht moslim te zijn Nederland de maat denkt te kunnen nemen is de wereld te klein. Als ze toch in Jordanië zit waarom levert ze haar Nederlandse paspoort dan niet in? Waarom blijft ze niet gewoon lekker daar? En hoe prettig is het in Jordanië? Waar bemoeit ze zich mee?

De toon van de meeste lezersreacties is geprikkeld, gepikeerd, vijandig. Kritiek van buiten, en zeker van iemand die een Turks klinkende naam bezit, wordt niet gepikt. De boodschapper is de boodschap. Het gevolg is dat ook als mevrouw Özdemir het grootste gelijk van de wereld heeft ze het niet kan krijgen. Omdat zij zij is en wij wij.

Ik stel een nieuwe boodschap voor: politiek correct is de situatie waarin we de boodschap weten los te koppelen van de boodschapper. Alleen in dat geval mogen we in elk geval nog de flauwe hoop koesteren dat de publieke ruimte weer publiek bezit wordt. Nu is het slechts de plek waar we de vuilnis neerzetten, pissen en ‘respect’ schreeuwen. Of ‘vrijheid’.

Die columns van mevrouw Özdemir, die moet Trouw er maar in houden. Er staat wat in en ze kan schrijven. Wat wil je nog meer?

3 juni

=0=

 

Hufterpreventie

De paradox van dit kabinet is dat het tegen hufters is en dat het zich hufterig moet gedragen om hufterigheid tegen te gaan. Respect man, is de ene helft van de vergelijking, we komen achter uw voordeur kijken de andere helft. Buiten spelen? Dat doe je maar binnen.

We weten u te vinden en we doen dat uit respect. Die dingen gaan niet zo goed samen en om ook de overheid te leren dat goed gedrag niet vanzelf komt wijzen landelijke en stedelijke ombudslieden met enige regelmaat op de grenzen. Die vervolgens door de overheden met voeten worden getreden. Wat zei Opstelten, geconfronteerd met een uiterst kritische rapport van de ombudsman? Dat de relatie van zijn stadsbestuur met de lokale ombudsman eventjes wat minder ‘productief’ was.  En hoe reageerde Balkenende ook alweer op het laatste rapport van de landelijke ombudsman? Hufterig, inderdaad, net als Opstelten.

Respect kent ook een strenge kant zei Balkenende op zo’n dag die door het CDA steevast en foutief als een ‘congres’ wordt aangeduid. Ze noemen het een ‘beschavingsoffensief’ en zij weten wat dat is, beschaving. De ombudsman weet het, blijkbaar, niet. Die richt zijn pijlen helemaal verkeerd. Toegegeven, ook in de politiek kom je hufters tegen (in partijen aan de ‘flanken’ van de politiek) maar niet bij het CDA.

Het is een offensief ‘om normaal doen, respectvol zijn, hoffelijk, aardig, beleefd en eerst even tot tien tellen weer tot norm te maken’. Zegt fractievoorzitter van Geel. Ik mag zo’n zinnetje graag en gefascineerd op me in laten werken. Mijn oog blijft hangen bij dat ‘weer’. We wisten het ooit, handelden ernaar en dat moeten we gewoon even terughalen. Wanneer zou dat geweest zijn? In de periode dat katholieken alleen met katholieken trouwden en protestanten het nog moeilijker hadden? In de tijd van het bisschoppelijk mandement, de stormvogel van de naderende ontzuiling? Nog eerder, uit de tijd van het fietsplaatje en van het twee keer daags stempelen? Of gaat het toch over de verdwenen wereld van Wim Kan toen het nog gezellig was?

Het CDA is hard op zoek naar een manier om de autochtonen uit de wind te houden zonder hen als zodanig te hoeven benoemen. Gaat het om integratie? Welnee, het gaat om opvoeding en als jongeren over de schreef gaan dan pas gaan we noemen, met naam en toenaam. We gaan ze ten toon stellen, hun reputatie vernietigen. We gaan hun ouders aanpakken en ze voor de kosten en eventuele schade laten opdraaien.

In Urk overigens, maken ze geen zorgen. Die weten best dat het niet over hen gaat.

2 juni

=0=

 

Kruimels

Als je vijftien broodkruimels naast elkaar legt, heb je dan een boterham? Volgens Frans Timmermans wel, zegt Jan Marijnissen. Hij is van mening dat Timmermans maar een intellectueel armoedig (‘van treurig niveau’) opiniestuk heeft afgescheiden, gisteren in het katern Opinie & Debat van NRC Handelsblad. Dat had Jan vast beter gekund. Vijftien kruimels zonder de gist van de SP wordt niks, maar met de SP kan het best een boterham worden. Daar kunnen de kruimels Groen Links en D66 het mee doen. En de PvdA.

Van treurig niveau? Ach Frans Timmermans weet best dat zijn opa veel getalenteerder was dan hijzelf is maar die kreeg de kans niet. Frans wel. Het verschil heet sociaaldemocratie en de opdracht van de sociaaldemocratie – ‘verheffing’ – is nog lang niet voltooid evenmin als de weg waarlangs – de ‘binding’.  Zou Jan dat bedoelen met zijn afwerende en laatdunkende kwalificatie ‘oppervlakkigheid’? Of zou dat gaan over de voorkeur van Timmermans voor een ‘interculturele samenleving’?

Ik vond het allemaal zo raar niet, die vijftien voorstellen – alweer kruimels – van Timmermans. Misschien kun je er geen brood van maken maar vast wel chocola. En dat komt omdat, als ik het allemaal goed begrepen heb, Timmermans niet alleen een aantal ingrediënten voor een politiek programma heeft opgesomd maar ook een bod doet op het herstel van de publieke ruimte, de voorwaarde voor een publiek debat dat – de woorden van Bas Heijne in diens column in hetzelfde katern parafraserend, woorden die uitstekend aansluiten bij die van Timmermans – net wat verder gaat dan het elkaar kleineren, beledigen en uitschelden. Timmermans’ stelling is dat we er sinds de afkalving van de verzuiling niet in geslaagd zijn een geloofwaardig alternatief te scheppen. Het is alsof we Hans van Mierlo horen spreken, 42 jaar geleden. De publieke ruimte, zegt Timmermans, is na de ontzuiling ‘in politieke zin van betekenis ontdaan’. En hij voegt er aan toe: ‘Daar is de samenleving veel meer door verweesd dan door tekortkomingen in het onderwijs of de zorg’.

Die kruimels van Marijnissen gaan noch over het brood van de SP, noch over het cement van Etzioni. Ze gaan over de publieke ruimte. Alleen is Jan dat even vergeten. Jan is gewoon pissig dat Timmermans de SP niet automatisch aan tafel heeft genood. Publieke ruimte, kun je dat eten? Nee? Dan heb ik er geen zin in. Een treurig niveau, wel beschouwd. De voorkeur van Timmermans voor D66 en Groen Links en niet voor de SP, is volkomen begrijpelijk. Jan denkt dat vijf keer vijftien plus één het klusje zal klaren. Timmermans denkt dat we eerst eens goed moeten nadenken over wat het klusje nou eigenlijk is en wat de politiek daar nog in te zoeken heeft. Het heruitvinden van politiek – een beetje laat misschien maar niet gek en beter laat dan nooit.

1 juni

=0=

 

Gesprek

Afgeluisterd op vrijdag 23 mei jl.

“ Nee meisje, nu moet je eens ophouden. We zetten het niet op de agenda. Niet in deze kabinetsperiode. Ik heb er ook geen zin meer in om elke week met jou dezelfde discussie te voeren.

Ik heb het er met Wouter over gehad en die vindt het wel een goed idee. Hij denkt dat het kabinet ermee kan laten zien dat het de ogen niet sluit voor de problemen van de mensen.

De problemen van de mensen? Het gaat om enkele tientallen personen. Je moet niet zo overdrijven. Dit kabinet doet genoeg voor de mensen. Het is er zelfs voor de mensen. Kom nou.

Ik zeg toch ook niet dat het moet gaan zoals ik het me voorstel. Ik zeg alleen maar dat we er in het kabinet eens over moeten praten. Als het wat nieuws oplevert gaan we ermee naar buiten. Zo niet, dan niet.

Ik voel er helemaal niks voor. We kunnen in het kabinet onze tijd wel beter gebruiken. Ik heb het op jouw verzoek al een paar keer voorgelegd aan Dré en aan JP en die moeten er niks van hebben. Daar kan ook Wouter niks aan verhelpen. Nee dus, we zetten het niet op de agenda want het heeft geen zin.

Maar luister nou, Dré was ook best te bewegen om die clusterbommen van Eimert als  wisselgeld in te zetten om de Amerikanen over de streep te trekken. Dat was een kansloze missie toch? Maar we hebben het wel gedaan en pas toen bleek dat de Amerikanen voor geen meter zouden bewegen is Eimert meegegaan met het voorstel die bommen helemaal uit te bannen. Wat is dan het verschil met mijn voorstel?

De vergelijking slaat nergens op. Dré vindt dat elke foetus een mens is met dezelfde rechten als andere mensen. Dat heeft met clusterbommen niets te maken. Om het zwaar te zeggen: jij hebt het over het leven zelf, niet over het feit dat een leven betrokken kan worden in oorlog en vrede. Je moet de dingen wel uit elkaar houden.

Nog een keer. Ik wil niet op de conclusie vooruitlopen, ik wil het debat voeren. Dat leven waar je het over hebt betekent voor verschillende mensen verschillende dingen. Daar hebben wij als kabinet rekening mee te houden en ik zie niet waarom we elk debat daarover krampachtig moeten tegenwerken. Dat vind jij toch ook?

Wat ik vind is nu niet aan de orde. Ik beoordeel alleen de kans op een uitspraak van het kabinet die iets anders zou opleveren dan wat we nu al hebben. Die kans is nul en daarom doe ik niet met je mee.

Ab, dat spijt me. Maar goed, prettig weekend.

Prettig weekend Jet. ”

Nog diezelfde dag schreef Jet Bussemaker een brief aan de Tweede Kamer.

31 mei

=0=

 

Selectie

Embryoselectie is een beladen thema. Medisch gezien kan op van alles en nog wat geselecteerd worden. Het aantal toegestane selectiecriteria is echter slechts klein. De Gezondheidsraad kent vier gronden: selectie op genetische afwijkingen die tot ernstige ziekte leiden; selectie op dragerschap; selectie op geschiktheid om een ernstig ziek broertje of zusje te helpen (stamcellen); selectie op gewenste eigenschappen zoals spierkracht of geslacht. De Gezondheidsraad acht selectie op de eerste twee gronden toelaatbaar, op de derde grond alleen op basis van ‘zorgvuldige counseling’ en op de vierde grond onacceptabel.

Er is heisa over het eerste punt: selectie op erfelijke genetische afwijkingen, in dit geval leidend tot een sterk verhoogde kans op borstkanker. De CU eist geen kansen maar zekerheden. Pas als vijf op de vijf borstkanker zouden krijgen is het goed. Vier op de vijf is niet goed. Daar doen we het niet voor. De PvdA vindt dit soort selectie wel goed, het CDA twijfelt.

Dit zijn uiterst moeilijke kwesties. Voor de betrokken toekomstige ouders dan want die moeten de keuze maken. Het is een keuze uit kwaden – het doorgeven van afwijkingen, aborteren, geen kinderen nemen – en wat het minste kwaad is kunnen slechts die ouders bepalen. Die mogen daarbij elke denkbare hulp of raad inroepen en ze kunnen daarbij gesteund of gedwarsboomd worden door wet en wetgever maar het blijft hun beslissing. Die de CU hen niet toevertrouwt.

Tot voor kort had minister van Middelkoop geen problemen met humane clusterbommen, hoewel bekend is dat die in 20% van de gevallen onbetrouwbaar zijn. Hoe de CU kan uitleggen waarom een dergelijk percentage aanvaardbaar is voor levenden en onaanvaardbaar voor embryoselectie is me een raadsel. In het ene geval vallen er, ver buiten en na de oorlogsgebeurtenissen, onschuldige slachtoffers. In het andere geval blijkt achteraf het foetusonderzoek soms niet nodig. Het risico in het laatste geval is oneindig veel kleiner dan in het eerste.

Rouvoet heeft ooit uitgelegd dat het hem niet gaat om politiek christendom maar om christenpolitiek. Een relevant onderscheid. Als hij het vandaag – in het kabinetsoverleg over het plan van Bussemaker embryoselectie in geval van erfelijke borstkanker toe te staan – hanteert weten we dat hij het serieus neemt. Dan hoeft hij het mij niet meer uit te leggen. Uitleg aan z’n eigen achterban kan dan volstaan.

30 mei

=0=

Beter crimineel

Als ik zou moeten kiezen tussen crimineel en illegaal wat zou ik doen? Ik weet het niet. ‘Een veroordeelde crimineel heeft het beter’, lees ik in de krant. Het is gezegd in een uitzending van NOVA over de behandeling van gedetineerde illegalen. Een crimineel ben je als je wat doet wat niemand mag, een illegaal ben je als iets doet wat mag, behalve dat jij het niet mag. Een eenvoudig onderscheid van doen en zijn. Zijn is erger dan doen. Zijn levert onveranderlijk rechteloosheid op, doen meestal niet meer dan een tijdelijke onderbreking van rechten. Zo gezien kun je beter crimineel zijn. Illegalen staan zwakker. Ze staan wettelijk buiten de wet.

Wat het betekent illegaal te zijn is door Klemperer beschreven voor nazistisch Duitsland, door Sjalamov voor de stalinistische Sovjet Unie. De informant van NOVA had zich op een rijke traditie kunnen beroepen: ook toen en ook daar hadden de criminelen het beter, veel beter, dan de illegalen. Van zulke rapportages valt veel te leren. Het eerste is uiteraard dat de zwakte van de illegaal misbruik oproept. Mishandeling, vernedering, treiterijen, isolatie, het continu opvoeren van de staat van onzekerheid, het hoort er allemaal bij. Het is ‘structureel’, tenzij er structuren worden ontworpen die alles wat daar gebeurt zichtbaar maken. Wie heeft daar nou zin in? Het tweede is dat het onrecht wordt voortgezet binnen de rijen van de zwakkeren zelf. Het derde is dat een ethische beoordeling van gedetineerden en bewakers meer gebaat kan zijn bij een opschorting van de moraal dan bij een intensivering ervan. Ik las dat ergens bij Luhmann en het belang van die opmerking is groot. Klemperer en Sjalamov zijn uiterst spaarzaam met de moraal – ze sparen anderen noch zichzelf – en juist daarom zijn het ethisch hoogstaande mensen. Wie het moeilijk heeft is zuinig met de moraal, wie het makkelijk heeft is er kwistig mee. Dat maakt de ethiek zo’n spannend vak.

Neem de VVD. In één beweging wordt door Rutte een ‘vrijdenkersruimte’ bedacht en door Kamp vastgesteld dat er in de detentiecentra ‘behoorlijk’ wordt gewerkt. Misstanden? Dat zijn ‘incidenten’. Het recht van vrije meningsuiting is belangrijker dan het recht op rechten. De inflatie van de moraal (elke onderdrukte scheet is het begin van het einde van de vrijheid van meningsuiting) en de moraal van de inflatie (het stinkt minder erg dan ze beweren en als het stinkt komt het omdat ze zelf stinken). Liberalisme 2008. Het gaat hard.

29 mei

=0=

 

Draaikont

Staatssecretaris De Vries heeft ruzie met de PvdA. Die partij wil dat nog eens gekeken wordt naar alternatieven voor de JSF en dat het kijken niet alleen met de ogen van Defensie gebeurt. Daar heeft de Vries helemaal geen behoefte aan. De PvdA kan natuurlijk herinneren aan het coalitieakkoord van 2007 waarin de opmerking voorkomt dat bij de herijking van de ‘business case’ in 2008 en tegen de achtergrond van de dan aan de orde zijnde ‘vergelijking voor wat betreft prijs, kwaliteit en levertijd met mogelijke andere toestellen’ pas het besluit zal worden genomen over de vervanging van de huidige F16. Mogelijke andere toestellen: een brede formulering en in elk geval veel breder dan wat De Vries wil. De Vries is een draaikont die probeert onder het mede door het CDA getekende coalitieakkoord uit te komen. Hoe zwaar wordt dat opgevat door CU en PvdA?

Van de CU zullen we niets horen en de PvdA zal het niet hard spelen. Wie hoort Frans Timmermans nog, de man met het felste verzet tegen de JSF? Wie hoort Wouter Bos, de minister die er voor moet zorgen dat de Nederlandse belastingbetaler niet nog een extra poot wordt uitgedraaid? Straks is de dollar helemaal niets meer waard en de euro des te meer. Wij krijgen in dollars en betalen in euro’s. Voor een prudent minister van financiën toch reden genoeg om flink op z’n poot te spelen? Gaat niet gebeuren. De PvdA was ooit mordicus tegen, is akkoord gegaan met voortgaan met het JSF traject en kan niet veel meer dan vragen om een ‘vergelijking’. Die ze niet gaat krijgen, tenzij ze een boel heisa gaat maken. Over de JSF maar ook – als het coalitieakkoord door De Vries toch wordt vervormd – over een parlementair onderzoek naar Irak. Bijvoorbeeld.

Het zal niet gebeuren. De PvdA heeft boter op z’n hoofd. Wij hadden in Nederland ooit de goede gewoonte dat demissionaire kabinetten nooit omstreden beslissingen namen. Als er in de recente geschiedenis iets omstreden was, dan wel de JSF. Het demissionaire kabinet Kok bracht de beslissing over de JSF met graagte opnieuw in stemming toen de LPF voor een meerderheid voor dat toestel bleek te gaan zorgen. We schrijven juni 2002. Het begin van een nieuwe traditie want de kabinetten Balkenende bleken op het vlak van het uithollen van het begrip ‘demissionair’ uitstekende leerlingen van voorman Kok. In juni 2002 stemde de PvdA tegen maar de PvdA ministers/staatssecretarissen (waaronder Wouter Bos) die in de Tweede Kamer waren gekozen bleken die dag allemaal wat anders te doen te hebben en stemden dus niet mee/tegen. Hebben de huidige ministers/staatssecretarissen meer lef?

De shortlist voor de grootste draaikontenprijs is nog niet definitief opgesteld. De hoofdprijs is een mooie politiek-bestuurlijke loopbaan met na afloop tal van aantrekkelijke ‘fringe benefits’.

28 mei

=0=

 

Gelijk

Gelijkheid is een omstreden begrip. Ik kan me zelf het beste vinden in de omschrijving van Dworkin bij wie gelijkheid neerkomt op ‘equal respect’ en ‘equal concern’ enerzijds, ‘special responsibility’ anderzijds. Het enerzijds is een opdracht aan de staat (het is zelfs diens ‘sovereign virtue’) en leidt tot de eis van ‘equality of resources’; het anderzijds is een opdracht aan degene wiens vrijheid het is.

Gelijkheid van bronnen is een reusachtige opdracht. Met herverdeling kom je er niet en überhaupt is de focus op inkomen een ongelukkige. Inkomens zijn de uitkomst van gelijke bronnen, ze kunnen ze niet vervangen. In een staatsbestel waar mensen met achterstanden – met ongelijke bronnen dus – in allerlei ongelukkige baantjes worden gepropt om toch vooral ‘zelfstandig’ een minimaal inkomen bij elkaar te verdienen wordt van gelijkheid van bronnen een lachwekkende en onthutsende vertoning gemaakt. Ons staatsbestel dus waar hard wordt gewerkt aan het scheppen van een blijvende polarisering van kanshebbers en kanslozen. Duurzaamheid – een duurzame tweedeling – hebben we in elk geval op de arbeidsmarkt hoog in het vaandel. We noemen het alleen niet zo. Wij vergeten gemakshalve de gelijke bronnen en hebben de mond vol van de ‘special responsibility’. Meer nog, we staan iedereen bij die daar zelf nog niet van op de hoogte is, het vergeten is, het hooghartig terzijde schuift of het stomweg verdomt.

Bas Jacobs, hoogleraar in Rotterdam, heeft zijn ei gelegd in dit nest van duurzaamheid. Schaf het minimumloon af is zijn aanbeveling. Je krijgt er maar perverse prikkels van want de ontvangers prijzen zich uit de markt en de betalers hebben geen zin meer zich nog langer in te spannen. Elke gulden kost een daalder. Elke belastingmaatregel kost ons twee keer geld omdat wij het zijn die de belastingen moeten opbrengen en omdat we steeds minder zin hebben om te werken als de beloning toch wordt wegbelast. Welvaartseffecten. Het eerste is een definitie, het tweede een veronderstelling over de ‘gedragsreacties van mensen op maatregelen’. Ik vraag me altijd af hoe economen, in dit geval een kersverse bijzondere hoogleraar openbare financiën in een oratie met de wervende titel ‘de prijs van gelijkheid’, de hoge arbeidsparticipatie in Zweden verklaren. Zal de Scandinavische cultuur wel zijn. Of omdat het land zo stomvervelend is dat de mensen niks beter weten te doen dan maar te gaan werken? Of omdat niet alleen de marginale belasting maar vooral de stijgende gemiddelde belastingdruk daar zo hoog is dat je steeds meer moet werken om alleen al de huur te kunnen betalen? Er is altijd wel een economisch axioma op te plakken want zo lang de mensen niet dood zijn vertonen ze gedragsreacties en daar weten economen alles van.

Zulke wijsheid nivelleert elk verstand tot de portemonnee van de hardwerkende burger. Met zulke wijsheid is de prijs van gelijkheid inderdaad erg hoog.

27 mei

=0=

 

Intermediair

In de gezondheidszorg sturen gebruikers en aanbieders de rekening door. Ze letten daarom niet op de kosten. Dat is moderne economie: ze hebben er toch geen belang bij en daarom moeten ze op de huid worden gezeten. Om gebruikers en aanbieders in het gareel te krijgen is de rol van de verzekeraars versterkt. Dat is de kern van de nieuwe ziektekostenverzekering. Of het werkt wordt dan uiteraard bekeken vanuit het veronderstelde gedrag van de boosdoeners. Sturen ze nu minder onbesuisd de rekening door? En zo niet, ligt dat dan aan de marktwerking of juist aan het feit dat er nog te weinig marktwerking is? Wie er ook verliest, niet de econoom.

De rest, de keuzevrijheid van de consument om z’n eigen verzekeraar te kiezen in het bijzonder, is bijzaak. Er wordt nogal geklaagd over die consument want al te veel mensen switchen niet van verzekeraar en de meeste consumenten hebben zich al lang bij een of ander, soms voor de gelegenheid bedacht, collectief aangesloten om beter af te zijn. Van de verhoopte concurrentie onder verzekeraars komt niet veel terecht. Die zal pas tot z’n recht kunnen komen als het basispakket kleiner wordt en meer medische handelingen worden vrijgegeven voor onderhandelingen met de zorgaanbieders. Er is geen markt zonder segmentering en wat via de verplichte acceptatie niet lukt kan via het leeghalen van het basispakket en het vergroten van het deel buiten het pakket alsnog worden binnengehaald.

Dat is tegelijk het rare aan de discussie die sinds begin maart weer is opgelaaid over de ‘marktwerking’ in de zorg. De voorstanders van marktwerking leggen niet uit wat de gevolgen zijn voor basispakket en dergelijke maar roepen voornamelijk het spookbeeld van de ‘budgettering’ van voorheen op. Wachtlijsten dus, want als je via de prijs niet kunt rantsoeneren dan ben je afhankelijk van de lengte van de rij wachtenden voor jou. Daar zit wel een criterium in overigens want wordt nu de goede zorg geleverd als er meer capaciteit wordt vrijgemaakt voor de behandelingen uit het basispakket of als er een steeds groter deel behandelingen aan de markt wordt overgelaten en je dus niet hoeft te wachten zolang je maar in staat bent je plekje vooraan in de rij te kopen? De vraag is niet marktwerking of budgettering; de vraag is hoe er gerantsoeneerd wordt.

Volgens Bovenberg en Canoy (Opiniepagina NRC Handelsblad van 10 maart) spelen de verzekeraars de rol van ‘intermediair’ tussen consumenten en zorgaanbieders. Wat is een intermediair? Ik denk aan een soort makelaars en dan makelaars die niet tegelijkertijd een hypotheekonderneminkje drijven, niet namens vrager en aanbieder tegelijk mogen optreden, en niet hun eigen taxateur mogen spelen. Een moderne makelaar dus, die niet zoals vroeger aan beide kanten van de markt mocht opereren. Dat vond men uiteindelijk toch niet helemaal zuiver en dus is er het mes in gezet. Overigens, sinds dat allemaal niet meer mag is de makelaar een beetje op zoek naar z’n rol in het proces van aankoop en verkoop van huizen. Door het internet is z’n informatievoorsprong behoorlijk uitgehold; door slechts per keer aan één kant van de markt te mogen opereren slijt die voorsprong nog meer. Wie weet wordt de moderne makelaar nog eens een echte intermediair.

Het is taalvervuiling de ziektekostenverzekeraar als intermediair aan te duiden. Die rol zou hooguit aan de Zorgautoriteit kunnen toevallen en die hebben wel wat anders te doen. De marktwerking gladjes laten verlopen bijvoorbeeld. En dat houdt in dat de verzekeraar de taak krijgt ervoor te zorgen dat het doorsturen van de rekening – product van het bondgenootschap voor goede zorg van patiënten en aanbieders – moeilijker wordt. Hoe? Door de kansen op zo’n bondgenootschap te verkleinen respectievelijk de risico’s van zo’n bondgenootschap te vergroten. Het risico van de verzekeraar zit in de relatie van patiënt en verzorger. Die relatie, dat is de zorgrelatie. Daarin is de verzekeraar geen intermediair. Wel een interventie.  

26 mei

=0=

 

Knelpunten

We denken veel te simpel over marktwerking – kijk beter naar de knelpunten. Dat is titel en strekking van een artikel van Bart Nooteboom in Opinie & Debat (NRC Handelsblad) van gisteren. Nooteboom introduceert een onderscheid tussen drie typen producten, namelijk zoekproducten, ervaringsproducten en geloofsproducten. In het eerste geval bepaal je de kwaliteit voorafgaand aan de aankoop, in het tweede geval pas tijdens de consumptie en in het derde geval kun je de kwaliteit ook na consumptie niet goed bepalen. De auto, het concert en de arts, in die volgorde en met de gebruiker, de consument, als beginpunt. De stelling van Nooteboom is dat marktwerking kan lukken bij de zoekproducten, moeilijker is bij de ervaringsproducten en heel moeilijk bij de geloofsproducten.
Een tweede onderscheiding die Nooteboom hanteert is die van gebruiken, beslissen en betalen. Als de gebruiker ook beslist en betaalt is het allemaal te overzien, maar als de gebruiker niet zelf beslist en betaalt (voorbeeld: thuiszorg) wordt het er niet eenvoudiger op en nog lastiger is de situatie, zoals bij de ziektekosten, waarin de gebruiker wel beslist over de verzekeraar en die ook betaalt maar niet over de zorg – want daar beslist en betaalt de verzekeraar. Komen die dingen samen met geloofsproducten – en daarover gaat het bij de zorg die direct de persoon raakt en niet slechts diens omgeving – dan, ja wat dan? Dan moet je als gebruiker meer tijd hebben dan je hebt en dus raakt de gebruiker ofwel overbelast ofwel onverschillig. Wil je het beste hebben dan zijn de transactiekosten (te beginnen met het opofferen van je vrije tijd) veel te hoog en wil je niet de hele tijd leven met de gedachte dat je misschien beter had moeten kiezen dan zit je aan die transactiekosten vast of je hebt het permanente gevoel tekort gedaan te worden.

Dat gevoel deel je dan met de verzekeraar want die moet aan alle kanten beducht zijn voor slechte risico’s en opportunistisch gedrag van de verzekerde aan de ene kant, op wanprestatie en ontduiking door de aanbieders aan de andere kant. De DBC’s in het medische circuit zijn daar een logisch antwoord op – voor de verzekeraar maar niet voor de patiënt die nog minder van de rekeningen snapt en niet voor het medisch personeel dat wordt verondersteld van geloofsproducten zoekproducten te maken. De roep om transparantie staat in hetzelfde teken. Opnieuw torenhoge transactiekosten dus maar omdat individuele zorgaanbieders en klanten die toch niet in rekening mogen brengen wordt de marktwerking tot succes verklaard. Nooteboom trapt daar niet in. Ook die andere kant van de marktwerking – het is niet profijtelijk elke vrager van aanbod te voorzien – wordt door hem niet over het hoofd gezien. Met Nooteboom kun je verklaren waarom in het land dat als zeer marktvriendelijk bekend staat – de VS – de posterijen nog altijd staatsbezit zijn. Daar hadden we hier even niet aan gedacht. Wij vragen de hoofdpostbesteller van het land de zorg efficiënter te maken. En de arbeidsparticipatie niet te vergeten. Maar goed, we krijgen er keuze voor terug en daar kan niemand op tegen zijn. Als je althans over voldoende tijd en expertise beschikt om een goede keuze te maken. Niet één keer, maar steeds opnieuw en met een keuze uit steeds meer producten met steeds meer variëteiten die allemaal zo hun voordelen en hun nadelen hebben. Goed dat er toezicht is. Maar waarop?

Marktwerking in de zorg maakt van de geloofsproducten voor de cliënt zoekproducten voor de verzekeraar, die ze daarna mooi gestandaardiseerd aanbiedt aan diezelfde cliënt. Dat zal ongetwijfeld leiden tot een verdere afkalving van het geloofsproduct. We willen niet alleen weten welke kwaliteit we krijgen, we willen het ook vooraf weten, we zullen het opeisen en we zullen het onderweg en achteraf controleren. Voor de cliënt neemt het geloofsproduct de vorm aan van een ervaringsproduct: we meten de prestaties van de verzorgers op het moment dat die worden geleverd af aan wat we zelf een goede prestatie vinden. Wat ooit één product was, het geloofsproduct, is in twee producten – een zoekproduct, een ervaringsproduct – opgesplitst en verzelfstandigd. Het aanvankelijke product is verdwenen. Ervoor in de plaats is ‘vertrouwen’ gekomen, een veelbelovende industrie die net zo veel met vertrouwen te maken heeft als kwaliteitsmeting met kwaliteit. Als je het niet meer kunt vertrouwen roep je om vertrouwen, als de kwaliteit onbetrouwbaar dan wel onvoorspelbaar is roep je om kwaliteitsmeting en kwaliteitsborging.
Het geloofsproduct van Nooteboom kan alleen tot stand komen met de medewerking, actief of passief, van de gebruiker, de consument, de cliënt, de leerling, noem maar op. Het geloofsproduct is erop gericht de persoon te veranderen en niet alleen diens omgeving. En wie personen wil veranderen kan dat niet zonder de hulp, instemming, toestemming, medewerking van diezelfde personen. Dat is de reden dat je in dat geval de kwaliteit niet vooraf, noch lopende de operatie kunt weten en meten. De markt gaat over producten. Zorg is, net als onderwijs, een relatie. Van een relatie een product maken, is dat een knelpunt? Misschien had Nooteboom zijn productenonderscheid niet aan ‘kwaliteit’ moeten ophangen maar aan de invloed die de gebruiker heeft op het überhaupt tot stand komen van het ‘product’.

25 mei

=0=

 

Onafhankelijk

Minister Ter Horst denkt aan de ombudsman als een onafhankelijk adres waar klokkenluiders hun recht zouden kunnen halen. Dat is aardig, ware het niet dat de ombudsman geen man is maar een organisatie en dus met hetzelfde verschijnsel klokkenluider is behept als elke andere organisatie. Wat nu als de ombudsman zelf door een klokkenluider wordt ingehaald?

Daar is een voorbeeld van, nog uit de tijd van dr J.F. Rang. Een medewerker van de Ombudsman speelde informatie uit een lopend onderzoek door naar de pers omdat de zaak waar het om ging naar zijn mening levensgevaarlijk was (het ging om de kwaliteit van politiecellen in Gorinchem) en snel ingrijpen vergde. Het ging om tijd – en de procedures bij de Ombudsman kosten begrijpelijkerwijs veel tijd. Te veel tijd naar de mening van de medewerker. De reactie van Rang was de geijkte: de medewerker moest worden vervolgd, kon zijn baan wel vergeten en werd direct de toegang tot het bureau van de Ombudsman ontzegd.

Kan het anders? Er zijn altijd minstens twee kwesties die spelen. De ene is de principiële kwestie: een klokkenluider gaat op de stoel van de organisatie zitten door zelf te beslissen wat, waarover en wanneer naar buiten wordt gebracht. Dat kan geen enkele organisatie tolereren, ook de organisatie van de ombudsman niet. Wie namens de organisatie spreekt wordt door de organisatie beslist en juist dat gegeven wordt door de klokkenluider ondersteboven geschopt. De tweede kwestie is de feitelijke: hoe ernstig is het vergrijp dat de klokkenluider aan de grote klok hangt? En de moeilijkheid is dat die twee kwesties niet onafhankelijk van elkaar bestaan. Met andere woorden: de ene organisatie kan, omdat het óók een organisatie is, niet onafhankelijk over de klokkenluider van de andere organisatie oordelen. In het geval van klokkenluiders zijn alle organisaties slechts varianten van de organisatie als zodanig.

In plaats van een organisatie is de instelling van een per geval wisselende ad hoc commissie meer voor de hand liggend. Een soort curatorconstructie, daar denk ik aan. Want het gaat niet slechts om de klokkenluider; het gaat ook om de vergunning van de organisatie om sommige dingen wel en andere juist niet te mogen doen. Indien de klokkenluider gelijk heeft moet de klokkenluider worden beschermd. En ook: indien de klokkenluider gelijk heeft moet dat gevolgen hebben voor de vergunning en de vergunningsvoorwaarden voor de in het ongelijk gestelde organisatie. Het een kan niet zonder het ander. Jammer dat de minister zich voorstelt de positie van de klokkenluider te kunnen beschermen door de positie van de organisatie uit de wind te houden. Er is een zeer onaf voorstel in circulatie gebracht. Of was het allemaal slechts bedoeld om Pieter van Vollenhoven – die zich vorig weekend uitdrukkelijk aanbood – de wind uit de zeilen te nemen?

24 mei

=0=

 

Stap voor stap

Hoogleraar openbare financiën Harrie Verbon presenteert in Trouw van vandaag een voorstel om staatsecretaris Dijksma uit de nesten te helpen. Het is bovendien een voorstel dat, als het nog één stapje verder gaat, ook het emancipatiehart van minister Plasterk sneller zal doen kloppen. Dat stapje is nog niet gezet maar het gaat komen, vroeger of later. En dan is het niet de emancipatie die de arbeidsparticipatie op sleeptouw heeft genomen maar exact omgekeerd. Zoals lang geleden was te voorspellen (sommige dingen zijn echt wel te voorspellen) wordt het lot van de vrouwenemancipatie bezegeld door de arbeidsemancipatie. Emancipatie is participatie en participatie is arbeidsparticipatie.

Verbon heeft een aantrekkelijk, want efficiënt, voorstel. Hij wil de oudersubsidie voor de kinderopvang en het gebruik ervan een beetje op afstand van elkaar zetten. Daar komt het op neer en dat is verstandig. Een losse koppeling is, zeker als het om het reguleren van het gedrag van mensen gaat, veel beter dan een strakke. Werkende/studerende ouders van jonge kinderen krijgen een soort tweede kinderbijslag zou je kunnen zeggen, zij het dat deze qua hoogte afhangt van het inkomen (een inkomensafhankelijke toeslag of een belastingkorting, zegt Verbon). Alleen als je werkt, studeert of allebei en dat voor bijvoorbeeld minimaal de helft van de week kom je in aanmerking. Wat je met het geld doet moet je zelf weten. Misbruikrisico’s zijn minimaal en de zogenaamde gastouderbureaus moeten maar wat nieuws verzinnen. Prima geregeld en je weet vooraf wat je kwijt bent. Net als met de kinderbijslag.

Het ontbrekende stapje is al te zichtbaar in het voorstel. Als je de subsidie voor de ouders dan toch aan werken/studeren verbindt, en je eist een minimum aantal uren dat je daarin moet stoppen dan had het voor de hand gelegen nóg een subsidievoorwaarde te stellen: het verschil tussen pa en ma in het aantal werkuren of uren studie mag niet groter worden door de subsidie. Je zou zelfs nog kunnen bedenken dat als het urengat wat kleiner wordt de subsidie wat royaler mag uitpakken. De fiscus regelt het wel.

We worden al lang niet meer geregeerd door een regering. De regering wordt geregeerd door de arbeidsparticipatie. Jaren geleden las ik eens dat het doel van reorganisatie het vergroten van het reorganisatievermogen was. Het doel van de arbeidsparticipatie is het vergroten van het arbeidsparticipatievermogen. Gaat lukken, stap voor stap. Verbon heeft een bijzonder verstandig voorstel gelanceerd. Bij de tijd als het ware: het ademt de tijdgeest. Net wat we nodig hebben.

23 mei

=0=

 

En tien procent, en betere waar, en het snoepje van de week

Mijn moeder deed de meeste boodschappen bij De Gruyter op de Amsterdamse Straatweg, tegen het Ondiep aan. Mijn oom had vlakbij ons – De Gruyter was een stuk verder – een kruidenierszaak. Hij was aangesloten bij de inkoopcombinatie Enkabé. Ik weet niet of dat nog bestaat. De Gruyter werd in 1971 door SHV opgekocht. Maar toen woonde ik al lang in Amsterdam en daar vind je geen Amsterdamse Straatweg.

Mijn moeder vond het te duur, die winkel van oom. Er kan ook wel jaloezie in het spel geweest zijn. En wrok omdat oom in de oorlog naar de mening van mijn moeder veel te weinig schoof. Hij had de spullen, wij niet. Van een hartelijke relatie was in elk geval geen sprake. Met de kinderen van oom Jo, die getrouwd was met een oudere zuster van mijn vader, hadden we weinig contact.

Mooie winkels waren het, van De Gruyter, en zelfbediening bestond nog niet. Je stond voor de toonbank en bekeek de smaakvolle vitrines. De leus van De Gruyter, het en tien procent enzovoorts, zal ik niet vergeten. Tien procent, waar vind je dat nog?

Bij ambtenaren die op als ze op een weg waar je maar honderd mag er tien bijdoen de boete wordt kwijtgescholden. Tien procent. En als je maar vijftig mag? Dan twintig procent? De Kamer is woedend. Dat moet afgelopen zijn! We zijn de Gruyter niet. Hoewel, van de humane clusterbommen van minister van Middelkoop gaat ook nog tussen de tien en twintig procent op onverdachte en onverwachte tijdstippen af, lees ik in een rapportage in De Groene over het zuiden van Libanon. Daar, over die clusterbommen en al dan niet humaan, is de Kamer veel minder woedend. Sommigen zijn tegen, anderen zijn niet voor maar ook niet tegen, weer anderen vinden het amper de moeite waard. Die clusterbommen, die hebben dus ook hun tien procent, ze zijn betere waar want humaan en het snoepje van de week – de ‘bomblet’ – is voor de ongelukkigen die net in de buurt zijn als de krengen ontploffen. Hoe je het ook wendt of keert, we blijven een natie van kruideniers.

22 mei

=0=

 

Studie

Gistermiddag, ik verliet net mijn huis, was het weer zo ver. Een auto klem tussen de tram en een andere, geparkeerde auto. De weg voor mijn huis is smal en een auto en een tram tegelijk kunnen er niet door. Zelfs fietsers moeten behoorlijk oppassen als ze tegelijk met een tram opfietsen. Het is maar een klein stukje, iets verderop wordt het iets beter. Het leidt tot ongelukken en ongemak. Er gebeurt niets aan.

En een klein stukje terug vinden we stoplichten. Waarom die niet zo zijn afgesteld dat de tram met een mooie voorsprong eerst mag vertrekken en de rest van het verkeer pas later, ik weet het niet. Het zou de kans op ongelukken en ongelukjes behoorlijk terugbrengen. Gaat de deelraad niet over stoplichten? Misschien niet, maar ze gaat wel over het ontwerp van de openbare weg en het ontwerp dat hier bedacht is deugt niet. Wat iedereen ook weet.

Er zijn kennelijk goede redenen om niets te doen, zoals de opbrengsten van de geparkeerde auto’s en de bereikbaarheid van de buurt. Aan de andere kant, als met enige regelmaat auto’s vastzitten en dus ook de trams niet verder kunnen is er weinig gewonnen. Het is daarom interessant te weten waarom men de situatie laat zoals ze is, en, omdat het hier om bestuurlijke kwesties gaat, te weten waarom er besloten (ook een niet-besluit is vanuit bestuurlijk perspectief een besluit) wordt niets te besluiten. Hoewel, vroeger of later verwacht ik wel een bord met daarop een waarschuwing. Nog een bord en als dat niet helpt weer een bord. Er is geen gebrek aan borden in mijn buurt, maar voor dit probleem was er nog geen.

Het ligt voor de hand de verklaring voor het niets doen te zoeken in de redenen waarom bestuurlijke organisaties zichzelf weigeren te evalueren of, als ze het al doen, het slechts half doen. In het huidige tijdsgewricht waarin iedereen zucht onder de druk van permanente monitoring ligt het laatste meer voor de hand dan het eerste. Half werk dus. Waarom? Ik denk dat het komt door het simpele gegeven dat een beetje evaluatie – in dit geval van het bestuurlijk functioneren van een deelraad met als casus het laten voortbestaan van een onwenselijke situatie – reputaties op het spel kan zetten, machts- en gezagsverhoudingen ter discussie stelt, en veranderingen kan aankondigen of aanbevelen waarvan de uitwerking niet zeker is. Een opdeling van het probleem over diverse portefeuilles (verkeer, veiligheid, economische zaken), en over diverse bestuurslagen heen (in dit geval behalve de deelraad ook het centrale stadsbestuur, het GVB, parkeerbeheer) is dan wel zo prettig voor een bestuur. Knip een probleem op in stukjes, versnipper die over portefeuilles en diensten, stel voor elke afzonderlijke snipper een ‘target’ op en je weet zeker dat het probleem onderweg verdwijnt. Elke portefeuille, elke bestuurslaag en elke belangenpositie zal er in zo’n situatie vaak niet in slagen om iets door te zetten. Het vermogen om iets te vertragen, om te buigen, onherkenbaar te maken, onaantrekkelijk te maken, tegen te houden is veel groter dan het vermogen auto’s her en der tegen te gaan of op bepaalde, bewezen gevaarlijke plekken, parkeren uit te bannen. Dat kun je evalueren (staat de bestuurlijke organisatie het oplossen van zo’n zichtbaar probleem in de weg?) maar dat is voor de betrokken belanghebbenden een weinig aanlokkelijk perspectief.

Is het zo? Ik zou het niet weten. Maar het is een studie waard.

20 mei

=0=

 

Afvinken

De Christen Unie gaat niet afvinken. Er komt geen lijstje met uitsluitingsgronden voor mensen die namens de Christen Unie een vertegenwoordigende functie mogen bekleden. Een homo die zich conform de statuten gedraagt is niet bij voorbaat kansloos, in principe. Dat heeft een commissie van de CU bekend gemaakt hoor ik zojuist op de radio. Hoe zit het met die statuten? Ik citeer: ‘De ChristenUnie erkent Gods heerschappij over het staatkundig leven, dat de overheid door God is gegeven en in zijn dienst staat en dat christenen de verantwoordelijkheid hebben actief te zijn in de samenleving. Zij fundeert haar politieke overtuiging op de Bijbel, het geïnspireerde en gezaghebbende Woord van God, die door de Drie Formulieren van Eenheid wordt nagesproken en die ook voor het staatkundig leven wijsheid bevat.’

Iedereen die lid wordt van de CU wordt gevraagd dit te onderschrijven. Dat kan elektronisch en dan is het afvinken dat je er het mee eens bent genoeg, je hoeft het niet eens te lezen. Nu is het lidmaatschap van de Christen Unie een wat getrapte affaire. Je kunt wel lid worden maar dan ben je eigenlijk geen lid in de zin der statuten. Leden van de Christen Unie zijn de (lokale, regionale) kiesverenigingen. Zoals in het FNV waar de bonden de leden zijn. De leden van CU en GNV zijn geen natuurlijke personen maar verenigingen. Pas de leden van de kiesverenigingen respectievelijk de bonden zijn natuurlijke personen.

Je wordt dus eigenlijk van een kiesvereniging en zo lang die kiesvereniging er niet uitgeknikkerd wordt ben je tegelijk lid van de CU. Dat is een kwetsbare constructie want nu hangt het af van de radicaliteit van zo’n vereniging of je zult worden voorgedragen voor een vertegenwoordigende functie. Ervan uitgaande dat het bestuur van de CU niet snel zal overgaan tot het royeren van een kiesvereniging kunnen we concluderen dat de commissie die moest bepalen of homofilie en CU konden trouwen niets heeft opgelost. Het homohuwelijk smaakt de CU niet, dat heeft de partij steeds volgehouden. De vraag was wat dat nou precies betekende. Standpunten veranderen en verschillende standpunten over één en dezelfde kwestie zijn goed voor een partij. Ik heb althans Rouvoet nooit horen beweren dat de standpunten van Meindert Leerling in zijn partij niet thuishoorden. Bedoelt de commissie nu dat over het homohuwelijk geen verschillende standpunten denkbaar zijn omdat de Bijbel en de Drie Formulieren van Eenheid dat uitsluiten?

Dat biedt geen uitweg. Met de Bijbel kun je alle kanten op, van een lezing van een wraakzuchtige en jaloerse God tot en met een lezing van een vergevende en liefhebbende God. De belijdenis dan, dus de Formulieren? Nou nee want die staan niet voor eens en altijd vast en hoewel er een soort klokkenluidersbepaling is (je moet het binnen eigen kring zien te veranderen en niet via de weg van de openbaarheid) is men wel zo verstandig geweest interpretatie, aanpassing, vervanging en dus: veranderlijkheid, niet uit te sluiten.

De CU heeft een afvinklijst niet aangedurfd. Het voorspelbare gevolg is dat nu personen en per persoon zullen worden afgevinkt, per kiesvereniging ongetwijfeld met lokale en regionale accenten. Dat schiet niet op, voor de desbetreffende personen niet en voor de partij niet. De commissie heeft helemaal niet geadviseerd. De commissie hoopt dat het wel over zal gaan. Dan hoeft de partij niet te selecteren omdat de personen het zelf wel zullen doen. Dat is geen formule voor een formulier; het is een bezweringsformule.

19 mei

=0=

Inquisitie

Gregorius Nekschot was me tot voor kort niet bekend. Hij maakt cartoons – qua stijl zal Peter Vos wel een inspiratiebron zijn geweest, qua toon Theo van Gogh – en heeft een website waarop allerlei types met soms zeer fraaie namen een lopend commentaar schrijven op de waan van de dag en Gregorius zelf talloze MiniGregs plaatst. Hij is aangehouden op last van het OM en inmiddels weer vrijgelaten maar heeft zijn computer nog steeds niet terug. Er is veel aandacht voor de aanhouding want, hoe kan het anders, de VRIJHEID VAN MENINGSUITING is in het geding. Dat de vrijheid van meningsuiting de waan van de dag is, is op de site en door de tekenaar tot dusver niet opgemerkt.

In het Vrije Volk wordt om het hoofd van Hirsch Ballin geroepen. Die denken dat de minister het OM aan een touwtje heeft. Ook een waan. Een foto van Hirsch Ballin, voorzien van een Hitlersnorretje, is bijgeleverd. Vrijheid van meningsuiting. Tegelijk roept het Vrije Volk op tot arrestatie van de demonstranten tegen Verdonk afgelopen vrijdag. Hun leuzen waren dat Rita een hoer was en ‘Ruim Rita Op’. Dat is aanzetten tot opruiming en dat kan niet. Geen vrijheid van meningsuiting. Over de hoer wordt niets vermeld. Misschien omdat Gregorius Nekschot een kleurplaat voor moslims heeft getekend met als opschrift HOER (er is een prototypisch Hollands boerenmeisje op te bewonderen, met een molen op de achtergrond en drie op elkaar gestapelde kazen naast haar)?

Bij MiniGreg 218 (“Meer dan 380.000 Nederlandse kinderen onder de armoedegrens; vandaar dat de politie deze kinderen gratis thuisbezorgt”) moest ik lachen. Ik had er toen al heel wat gezien, tekeningen met steeds dezelfde Gregorius in cartoonformaat en met steeds een andere kanttekening bij het nieuws. Onschuldig allemaal, niks om je druk over te maken. Die luxe kon niet duren. Het OM draaft weer eens door (Wilders als Gezonde Roker mocht ook al niet, zij het dat daar minder kabaal over is gemaakt) en de media worden gevoed door de vrienden – hij heeft er veel meer dan hij ooit zal hebben vermoed – van Gregorius, vrienden (Eddy Terstall gisteren op de radio maar hij is vast de enige niet geweest) die zich er vervolgens over beklagen dat door al die aandacht ook de moslims onraad zullen gaan ruiken. En dan is de beer, of beesten van gelijke strekking, los. Hoe zou dat toch komen?

Waar maken we ons druk over? Ik kom er niet uit. Het OM heeft geen zaak – die weten inmiddels ook niet meer wat ze moeten doen om een daadkrachtige indruk te maken en dit is een uitdrukking van hun onmacht. Het OM is het spoor bijster. Dat lijkt me zorgelijker dan het geoudehoer over inquisitie, de bedreigde vrijheid van meningsuiting, en een verondersteld 1-2tje van minister en aanklager. Nekschot? Losse Flodders, meer niet.

18 mei

=0=

 

Paralympics

Een Zuid-Afrikaanse student gaat proberen zich alsnog te plaatsen voor de Olympische Spelen. Hij loopt de 400 meter en is nog één seconde te langzaam om nu al aan de limiet te voldoen. Hij loopt met prothesen voor de onderbenen. Goeie prothesen, goed genoeg om z’n handicap ten opzichte van andere atleten ongedaan te maken. Er was zelfs het vermoeden dat de prothesen hem een voorsprong op de rest zouden geven, maar van die zorg is hij nu bevrijd. Het IAAF wou hem aanvankelijk uitsluiten maar is om, na een uitspraak door het Sporttribunaal. Ook als de student de limiet niet haalt zal hij misschien in Peking te bewonderen zijn want Zuid Afrika heeft hem als reserve toegevoegd aan hun 400 meter estafetteploeg. Hij zal zelfs twee keer in Peking zijn want hij doet in elk geval mee aan de Paralympics. Het verbazende is dat je als gehandicapte sporter wel kunt deelnemen in de sporten voor niet-gehandicapten maar dat het omgekeerde niet kan. Dat is op termijn geen houdbare situatie.

Het wachten is natuurlijk op de eerste vrijwillige amputatie om je sportprestaties te verbeteren. Wie de top wil bereiken moet er wat voor over hebben en als de beloning aantrekkelijk genoeg is kunnen er nog spannende dingen gebeuren. Er is misère genoeg in de wereld om het onder omstandigheden aanlokkelijk te maken van je lijf een experimenteel centrum te laten maken. Roem, rijkdom, en dat met als prijs alleen een paar onderdeeltjes van je lijf waarvoor je nog gloednieuwe terug krijgt ook, het is allemaal denkbaar. Het Sporttribunaal gaat het nog druk krijgen.

Het Paralympics Committee ook trouwens. Misschien breken ze zich het hoofd al over de casus van onze student. Gesteld, hij voldoet aan de limiet en mag meedoen. Nog mooier, hij haalt een medaille. Hij bewijst dus dat z’n handicap geen handicap is want hij kan het succesvol opnemen tegen topsporters zonder handicap. De vraag is of hij dan nog gerechtigd is deel te nemen aan de Paralympics. Het reglement rond dat gebeuren lijkt het uit te sluiten. Aan de andere kant is hij kennelijk al ingeschreven, dus dat wordt nog wat. Het reglement ( in het bijzonder de artikelen 5.2 tot en met 5.4) beperkt de deelname aan de Paralympics uitdrukkelijk tot topsporters met een permanente handicap die hen kansloos maakt in een competitie met niet-gehandicapte topsporters.

Het zou zo maar kunnen dat onze student met z’n actie een gigantische markt heeft aangeboord voor verdere technologische vondsten en toepassingen in de sport. Het zou de sport kunnen revolutioneren, te beginnen met de willige sporter en aangevuurd door de behoefte aan edelmetaal.

Het zou ook zo maar kunnen dat hij met z’n actie de Paralympics opblaast. Ik ben nieuwsgierig naar het verdere verloop.

17 mei

=0=

 

Derivaten

In een interessant artikel in de Groene van deze week trekt Ewald Engelen een aantal lessen uit de kredietcrisis. Ze worden ingeleid door een overzicht van de zekerheden die we dachten te hebben maar die we inmiddels in het museum mogen bijzetten. Ik begrijp ze allemaal, op één na. Als ik het goed heb gelezen dan meenden we tot voor kort dat de financiële economie zich had ‘losgezongen’ van de reële economie van ‘zweet en spierkracht’. Ik weet niet of dat ooit een zekerheid was, het zou me verbazen, maar ook dan is de stelling van Engelen dat het anders zit: de kredietcrisis leert ons dat de twee economieën niet los van elkaar staan en, bovendien, dat de reële economie de economie is waar het ‘uiteindelijk’ allemaal begint en eindigt. De financiële economie is niet slechts in toenemende mate een economie van ‘derivaten’, het is zelf een ‘derivaat’.

Mijn vraag is: als het om economie in het meervoud gaat (twee, drie, bij voorkeur drie want pas dan kunnen we de financiële economie niet alleen van de reële maar ook van de monetaire economie onderscheiden), wat is dan de eenheid van die meervoudige economie? Moeten we die, zoals Engelen stelt, in de ‘reële’ economie zoeken (bijvoorbeeld in ‘onderliggende inkomensstromen’ of in de ‘huishoudboekjes van gewone gezinnen en bedrijven’)? En wat is dan ‘onderliggend’ respectievelijk ‘gewone’? De economie van zweet en spierkracht? Zijn niet die onderliggende inkomensstromen bovenliggend ten opzichte van de energie, arbeid, grondstoffen en werktuigen die ‘gewone’ mensen inzetten en die de stromen pas mogelijk maken? Is, hierop voortbordurend, de moderne economie dan niet afhankelijk van de ‘onderliggende’ economie van transacties die we ook zonder geld zouden kunnen denken? Komen we dan niet terecht in een redenering die ons uit de oorsprong van de wereld puntgaaf de tegenwoordige problematiek weet te verklaren – meestal met de oplossing achter de hand, een oplossing die meestal akelig nauwkeurig op de oorsprong lijkt?

Ik heb het niet op gedachten die van geld een geldsluier maken, waaronder we de echte economie – als we de sluier zouden afrukken – terugvinden. Geld is geen spiegel van de echte economie, ook niet de bedekking ervan, en wat voor geld geldt geldt ook voor de enorme stroom profijtelijke geldtransacties waar de moderne mediagebruiker dag-in dag-uit mee wordt bekogeld. Een euro kun je honderd keer uitgeven en die wijsheid is inmiddels al lang van het inzicht in de omloopsnelheid van het geld overgezet naar de verlokkingen en verleidingen van een bancaire sector die de grens met verzekeringen, pensioenen en wat niet heeft geslecht. Een hypotheekschuld van dertig jaar is voor jou een schuld van dertig jaar maar voor de hypotheekbank een transactie die zo spoedig mogelijk tot veel meer transacties moet leiden.

Ligt het niet meer voor de hand de eenheid van de economie te zoeken in het feit dat alles van betalingen aan elkaar hangt, alles van betalingen afhangt, dat zonder betalingen geen betalingen kunnen worden verricht, dat de ene betaling de andere oproept en dat we van een crisis spreken als er in dat netwerk van betalingen een storing optreedt zodat de betalingen stokken, en daarmee de economie? Is niet de betaling – een monetair verschijnsel bij uitstek – de eenheid van de economie ten opzichte waarvan reële en financiële economie beide een ‘derivaat’ zijn met hun handel in goederen en diensten, financiële producten en diensten inclusief? En ligt niet de basis van de huidige crisis – in tegenstelling tot wat Engelen denkt – in de machtsgreep van de financiële economie die de monetaire economie op het tweede plan heeft gezet?

De financiële derivaten die de wereld op stelten hebben gezet danken hun succes aan de versnelling die ze op basis van het netwerk van betalingen in datzelfde netwerk mogelijk hebben gemaakt en tot voor kort ook hebben gerealiseerd. Het welvaartseffect is daar onmiddellijk mee verbonden omdat wat wij welvaart noemen niets anders is dan de som van alle betalingen in een gegeven tijdsbestek. De ‘behoeften’ van mensen staan daar buiten, dat is hun zaak net zoals hun motieven dat zijn; de enige behoefte waar het netwerk (of ‘systeem’) aan kan voldoen is de behoefte om mijn huidige betalingen niet al te zeer te laten interfereren met mijn vermogen om ook morgen te kunnen betalen. Als ik het netwerk blijf bedienen – met betalingen – is de kans dat het netwerk mij blijft bedienen groter dan wanneer ik niet betaal, of al mijn betalingen opschort. Of dat laatste optreedt is, tegen-stelling, minder afhankelijk van de reële dan van de monetaire economie, minder afhankelijk van mijn doen en laten dan van het doen en laten van monetaire autoriteiten. Die het spoor inmiddels bijster zijn, en in een vlucht vooruit de functie van de politiek niet langer ‘adviseren’ maar zelfs overnemen. Opnieuw, niet om de reële economie te redden maar om met betalingen ook anderen tot betalingen aan te zetten. Niet wat voortgaat maar dat het voortgaat houdt de monetaire gemoederen bezig. Al het overige is daar een afgeleide, een ‘derivaat’ van.

16 mei 

=0=

 

Buren

Twee citaten uit NRC Handelsblad van gisteren. (1) ‘In Nederlandse buurten waar de etnische diversiteit toeneemt, wordt het vertrouwen dat mensen in hun buurt hebben lager. Bovendien hebben etnisch verschillende buren minder vertrouwen in elkaar dan buren van dezelfde afkomst. Deze uitkomsten gaan op voor zowel allochtonen als autochtonen. Dit blijkt uit onderzoek, uitgevoerd aan het Europees Universitair Instituut in Florence. Deze resultaten komen overeen met die Robert Putnam vond voor de VS.’ En (2): ‘Deze relatie wordt niet veroorzaakt door individuele kenmerken als opleidingsniveau, taalvaardigheid, inkomen en woningbezit. Ook niet door buurtkenmerken als de inkomensongelijkheid, bevolkingsdichtheid, opleidingsniveau, criminaliteit en leeftijdsopbouw in de buurt. Dit betekent dat, zelfs wanneer men in de analyse rekening houdt met bovengenoemde verschillen tussen mensen en buurten, er nog steeds een negatieve relatie bestaat tussen etnische diversiteit in de buurt en het vertrouwen van bewoners.’
Het is altijd de moeite waard om dergelijke uitkomsten af te zetten tegen je eigen buurt. Ik woon in een wijk met bewoners van verschillende nationaliteit, met een duidelijke voorsprong van Nederlanders en Engelsen op andere nationaliteiten. Nogal wat expats vermoedelijk. Het zou me niet verbazen als de diversiteit naar land van herkomst de afgelopen jaren groter is geworden. Het is een betrekkelijk dure buurt. De meeste mensen hebben niet veel met elkaar; er wordt op beperkte schaal gegroet en veel meer is er niet. Er is ook niet veel overlast, een enkel nachtelijk feestje met bijbehorend feestgedruis daargelaten. Wel is er redelijk wat beweging bestaande uit vertrekkers en nieuwkomers. En je ziet minder dan vroeger – het publiek bij de groenteboer vlakbij is het beste ijkpunt – echt oude mensen.
Vertrouwen de buren elkaar en de buurt? In termen van sociaal kapitaal (bonding plus bridging) zouden we laag scoren. De meeste mensen hebben, vermoed ik, hun contacten buiten de buurt en de overlap is gering. De meeste mensen in de buurt zijn er ook niet geboren. Hier te wonen is een prijs, een trofee bijna, geen geboorterecht en evenmin een gewoonte. De mensen in deze buurt hebben geen gemeenschappelijke voorgeschiedenis en werken niet aan een gemeenschappelijke toekomstgeschiedenis. Vandaar dat ze elkaar in het heden niet nodig hebben. Ze komen elkaar niet tegen omdat ze elkaar niet altijd al waren tegengekomen en omdat ze al genoeg ‘sociaal kapitaal’ bezitten, zij het niet gebonden aan de buurt. Niettemin, ik zou denken dat ze elkaar wel vertrouwen (de buren zijn geen bedreiging) en de buurt eveneens (het is een aangename buurt). Met etniciteit houdt het geen verband of ik moet me al heel sterk vergissen. Wel met het ontbreken van bewoners die de buurt als hun bezit beschouwen omdat ze er geboren en getogen zijn en die elke nieuwkomer als de outsider zien. In onze buurt is de overgrote meerderheid outsider en dat verklaart het gemak, de onverschilligheid, waarmee vertrekkenden en nieuwkomers worden gadegeslagen en geaccepteerd. Ook goed als het ware en het doet er allemaal niet zo veel toe.
Het gaat allemaal om tijd, begrepen als het heden tegen de achtergrond van de perceptie en waardering van het verleden en van perceptie en waardering van de (verwachtingen over) de toekomst. Het gaat niet om land van herkomst zozeer, en het gaat eerder om de herkomst van je geschiedenis in een buurt en je verwachtingen over de waarschijnlijkheid ergens anders terecht te komen en waar. Gek, juist de tijdsdimensie ontbreekt in zowel het onderzoek van Putnam als in dat van Dronkers en Lancee waarover de krant berichtte.
Ik vraag me af of de onderzoekers hebben onderzocht wat ze zeggen te hebben onderzocht.

15 mei

=0=

 

Minder

In Trouw woedde een discussie over dementie. De aanleiding was een stuk van mevrouw van der Woude, predikant/geestelijk verzorger bij Stichting Oranje Nassau’s Oord. Haar stelling is tweeledig. Het eerste deel is of wij nu al kunnen beoordelen of ons bestaan straks, met dementie, ondraaglijk wordt. Het tweede deel houdt in dat dementerende mensen een ander leven leiden dan voorheen en dat zij daarom aan ons vragen om ook met andere ogen naar hen te kijken.

Het gaat om de eerste vraag (het antwoord op de tweede is tamelijk vanzelfsprekend maar vraagt van veel geliefden het onmogelijke; opmerkelijk is dat de reacties op het stuk van mevrouw van der Woude voornamelijk hier op ingaan) en die gaat feitelijk over wat zij de dominante visie noemt: ‘mens ben je, omdat je controle hebt over je leven, je eigen keuzes maakt en je leven inricht op een manier die bij je past. Als je de regie verliest, word je minder mens’.

Dit is een gruwelijk globale stelling. Iedereen die ziek is of behept raakt met de kwaaltjes die de ouderdom vroeger of later meebrengt verliest wat aan ‘regie’. Daar kun je nog best méér mens van worden ook of juist door het niet kunnen kiezen wat anderen kunnen kiezen of door wat je zelf niet langer kunt kiezen. Het hangt er maar van af wat je onder regie verstaat en mij lijkt dat de elementaire vergissing is begaan om regie met onafhankelijkheid te vereenzelvigen en verlies aan regie met toenemende afhankelijkheid. En dan nog. Er zijn altijd en overal ladingen mensen die dolgraag de regie uit handen geven – zelfs en bij uitstek die over de eigen dood. Mevrouw van der Woude heeft het in haar opiniestuk niet zozeer over het inrichten van je leven op de manier die bij je past, als wel over het inrichten van je leven als was het een keuzemenu. Dat zijn twee zeer verschillende dingen en het is curieus daar een predikant op te moeten wijzen.

Eerlijk gezegd denk ik ook niet dat mevrouw van der Woude het verschil over het hoofd ziet. Ze heeft het niet over dementie maar over de beschikking over het leven die sommige mensen bij zichzelf willen houden en die anderen met graagte overdragen aan, zeg, de godsdienst. Ik kan me niet indenken dat een gelovig mens het leven zou beschrijven als een geheel van ‘keuzes maken’, in elk geval niet in de zin dat je God kunt kiezen. Dat hoort mogelijkerwijs bij de religieuze supermarkt die wij de VS noemen, maar dat is nog steeds niet typerend voor hoe wij in de polder het hoofd boven water proberen te houden.

Ik denk dat mevrouw van der Woude alle mensen die zelf willen beslissen over hoe ze hun levenseinde willen inrichten beschouwt als mindere mensen, als ‘minder mens’. Dat mag wat mij betreft. Maar dan kun je net zo goed meteen zeggen dat leven met geloof rijker of voller is dan leven zonder. Volgens jou dan. En dat heeft met dementie niets te maken – tenzij je denkt dat het vermengen van de angst voor de dood met de kans op dementie mensen wat williger maakt om zich voor te bereiden op een walsje met verzorgers in de verpleeginrichting. Dat dansje, door mevrouw van der Woude opgevoerd als illustratie van een blije demente, is niet waar het om gaat. Het gaat erom of de mensen bereid zijn het hoofd in de schoot te leggen – om de begrijpelijke angst niet zelf te hoeven beslissen over je eigen finale van een nette legitimatie te voorzien. Neem me niet kwalijk maar ik vind dat, hoe zal ik het zeggen, ik vind dat toch wat minder.

14 mei

=0=

 

Blinde vlek

Je ziet wat je ziet, niet dat je ziet. Dat laatste weet je, maar je ziet het niet. Elk zien is onafscheidelijk van die blinde vlek. De blinde vlek verschilt per persoon, afhankelijk van geboorte, geboorteplaats, omstandigheden van opgroeien, doen en laten, het per dag veranderende geheel dat, onder omstandigheden, de schrijver tot zelfbeschrijving uitnodigt. De zelfbeschrijving is een altijd onvolledige beschrijving van je blinde vlek aan de hand van wat je zag.

Ooit ben je begonnen met zien en dus met het maken van onderscheid. ‘To become a writer, that noble thing, I had thought it necessary to leave. Actually, to write, it was necessary to go back. It was the beginning of self-knowledge’ (V.S. Naipaul, Literary Occasions. Picador 2004: 79). Zo is het maar net. Al het werk van Naipaul staat in dat teken. Hij is het product van twee keer een migratie, van zijn voorouders uit India naar Trinidad, van hemzelf van Trinidad naar Engeland. India, Trinidad, Engeland, dat zijn de coördinaten van zijn zien en beleven en van zijn blinde vlek. Zijn gehele oeuvre staat in dat teken, ik bedoel, het is er door getekend. Meer en meer is Naipaul ertoe over gegaan die tekening te tekenen, zijn blinde vlek in kaart te brengen. Nu, met Naipaul inmiddels diep in de zeventig, is een nieuwe bundel essays, A Writers’s People (Picador 2007) verschenen met als ondertitel Ways of looking and feeling. De essays bevatten wat ze beloven. Toch had ik liever een andere ondertitel gehad, iets van in de trant van ‘de verkenning van de blinde vlek’. Want over blinde vlekken, daar gaan de essays over. Van anderen en via anderen van hemzelf.

Het wonderlijke is dat de mensen die Naipaul beschrijft, van Derek Walcott tot en met de Mahatma, van zijn vader tot en met hemzelf, allemaal op zoek lijken naar hun plek in de wereld, dat ze niet zien wat ze niet zien en dat vaak ook niet weten. Hadden ze het meer moeten weten dan ze het wisten? Ik vermoed het, ik vermoed dat Naipaul’s kritische bespreking van hen daar begint. Dat geldt ook voor Flaubert, wiens Salammbô de maat wordt genomen en het geldt bij uitstek voor Anthony Powell, de man die hem vriendschap aanbood en wiens werk hij niet las tot na diens dood en dat hem, Naipaul, teleurstelde. Powell, de non-migrant in een wereld van migranten, de man die genoeg wou hebben aan z’n eigen, grotendeels zelf samengestelde, wereld en die niettemin niet zag dat de wereld veranderde en daarmee zijn wereld. Powell zag het niet omdat hij – gevestigd onder gevestigden – het minder dan anderen, minder gevestigden, tot inbegrip maakte van wat hij wel waarnam. Hij was, zoals hij ooit tegen Naipaul zei, ‘a travel writer who doesn’t actually travel’ (A Writer’s People: 50). Geen blinde vlek, meende Powell, maar een vondst die hem nogal aanstond. Het is een prachtige, paradoxale, samenvatting van Naipaul’s essays. Naipaul schrijft nooit over vervreemding, steeds over bevreemding, die niet ophoudt en die als ze ophoudt het schrijven overbodig maakt. Naipaul streeft niet naar een of ander gelijk want het gelijk van de blinde vlek gaat niet verder dan de oproep, de noodzaak, er niet aan voorbij te gaan. Het heeft opnieuw geleid tot een groots boek.

13 mei

=0=

 

Men neme …

Men neme een dominee en een koopman, verlost ze van hun zelfstandige status, klutst ze, gooit ze in de Tefalpan van het ‘burgerschaps-chauvinisme’, laat ze sudderen tot er een gedweëe werknemer uit is gekomen, en voilà, de nieuwe burger is geboren.

Dat is, als ik me niet vergis, het recept waarmee Shervin Nekuee en Bert Top alle problemen willen oplossen (Opinie & Debat, NRC Handelsblad, 10 en 11 mei). Burgerschapschauvinisme, dat kan er ook nog wel bij. Wie zei dat ook weer, dat het niet gekker moet worden? Mis, het kan altijd nog gekker. Lees het maar in de krant.

Wij willen de immigratie selectief maken en proberen de kwadratuur van de cirkel te vinden: hoe alleen die mensen te krijgen waar we wat aan hebben, hoe te voorkomen dat ze ook blijven als we ze niet meer nodig hebben en hoe hen te verleiden desondanks op aanvraag te komen en niet eerder te vertrekken dan ons uitkomt. Ik hoor de koopman, maar kan de dominee niet echt vinden – of is die er om met een beroep op onze cultuur en onze waarden de migranten aan Mattheus 22:14, ‘velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren’, te herinneren?

Ik moet wel aannemen dat de auteurs hierin de, overigens allerminst nieuwe,  ‘complementariteit’ van de ‘eigenschappen’ van de dominee en de koopman vermoeden. Wij moeten van de dominee immers niet veel meer hebben, maar voor hen is de preek altijd nog bruikbaar. Zij moeten hun recht op rechten nog verdienen, wij hebben ze al, door geboorte en grond. De dominee verdedigt en legitimeert het imperium van de koopman. De dominee is de Chauvin van de handel. Wat is daar nieuw aan? Dat de dominee allen uitnodigt maar dan wel op zijn eigen ‘exclusieve’ voorwaarden? Dat de dominee bereid is zijn missie overal en tot en met de gewapende arm uit te voeren? Nieuw?

Het staatsburgerschap moet exclusiever gemaakt worden stellen de auteurs. De koers ervan is stijgend en dus moet het duurder worden het te verwerven. Staatsburgerschap staat als een huis, er is een tekort aan huizen en omdat de verzorgingsstaat de huizenbezitter niet vergeet, is het niet raar dat de prijs omhoog gaat. Dat is geen nadeel maar een voordeel, althans voor hen die een huis hebben. De rest moet een beetje beter z’n best doen want voor niks gaat de zon op. Er lonkt een huis maar vergeet niet dat de grond beperkt is.

Ze bedoelen geen exclusiviteit maar uitsluiting. Geen exclusiviteit maar exclusie en omdat zij denken dat die hetzelfde zijn volgt een betoog dat van armzaligheid en zelfgenoegzaamheid aan elkaar hangt. Sterker nog, het is armzaligheid als zelfgenoegzaamheid. Hier schrijven uitstekend geïntegreerde mensen. Aan hen zal het niet liggen. Het ligt aan de anderen. Aan alle immigranten tot en met minstens het zevende geslacht. En dan nog want van auteurs die menen dat ‘We in Nederland’ het aan Napoleon te danken hebben dat het met die Joden toch nog wat geworden is, valt elk staaltje geestelijke acrobatiek te verwachten.

Ons wordt voorgerekend dat van de Marokkanen 63% niet ‘naar de werkvloer gaat’, van de Turken 54% niet terwijl van de autochtone bevolking slechts 33% erin is geslaagd de werkvloer te mijden. Ik denk dan in de eerste plaats aan demografie: zij zijn jong en hebben grotere gezinnen, wij zijn oud en hebben kleine gezinnen. Maar de auteurs denken aan het arbeidsethos en een ‘intergenerationele’ werkloosheidscultuur. Het zijn Walen, eigenlijk. Zou dat de reden zijn dat de Vlamingen dromen van een België zonder Walen? Zeker en vast. Laat het ons tot voorbeeld strekken.

12 mei

=0=

 

Refo

Refo’s zijn geen mensen met lange tenen laat hoogleraar Fred van Lieburg optekenen in Zaterdag &tcetera van NRC Handelsblad van gisteren. En daarin verschillen ze van moslims. Refo’s zijn gekwetst als ze gekwetst zijn, moslims zijn altijd gekwetst. Verdonk heeft de VU bereikt.

Refo’s zijn de aanhangers van het bevindelijk protestantisme, nog altijd goed voor een half miljoen mensen in Nederland. Dat is meer dan ik dacht, temeer daar volgens van Lieberg de aanhang zo ongeveer samenvalt met de aanhang van de SGP. Ik moet aannemen dat de refo’s jong zijn, grote gezinnen dus, anders kan ik dat half miljoen en de drie kamerzetels van de SGP niet rijmen. De refo’s voelen zich bedreigd, door de islamisering en de secularisering tegelijkertijd. Sommigen zien de islam als de grotere bedreiging, anderen de secularisering. Het leven is moeilijk maar hun klachten mogen we niet klagerig opvatten. Wel vinden ze dat ze bij de traditie van Nederland horen en dat kunnen de moslims niet zeggen. Wij waren er eerst. Het lijkt me geen sterk religieus argument. Wel een politiek argument. Van der Vlies zag wel wat in Fitna. Liever Fitna dan Madonna. Ook een keus.

Ik had niet de indruk dat de vader van Jan Siebelink wegliep met de SGP. Zou dat de reden zijn dat de bevindelijken het boek van Siebelink een ‘karikatuur’ vinden van hun soort protestantisme? Of zijnde politieke vereenzelviging van de bevindelijken met de achterban van de SGP en de vereenzelviging van die achterban met de seksistische lezing van de Bijbel – die lezing is de ontstaansgrond van de SGP, met als aanleiding de invoering van het vrouwenkiesrecht – zonder daar zelfs maar een vraag bij te stellen, zijn die de karikatuur? Over het eerste kan ik niet oordelen, maar over het tweede kan elke krantenlezer meepraten die de discussie binnen de SGP over de positie van vrouwen en de bijbelse argumentatie waarop dat zou berusten, ook maar een beetje heeft gevolgd. In dat interne debat besliste niet het argument maar de macht van het vooroordeel en van dezelfde traditie waar van Lieberg zich op beroept om voorrang voor de refo’s op moslims te bepleiten. Hij vindt dat als de mensen de Bijbel lezen zoals ze hem lezen dan moeten ze dat vooral doen. Wat moet gebeuren als de één de Bijbel anders leest dan de ander, tja daar gaat hij niet over. De meerderheid beslist? En de uitkomst strijdig is met de wet dan moeten we maar wachten op de uitkomst van ‘interne processen’ waarvan hij ‘weet’ dat de refo’s die nu doormaken. Daar moeten we vertrouwen in hebben want ‘uiteindelijk passen zulke groepen zich aan bij de omstandigheden’. Dat ze die zelf ook maken wordt het noemen niet waard gevonden. Het gevaar komt van de overheid, uiteindelijk, niet van de relgie en al helemaal niet van de ‘timide’ refo’s. In een periode van herdefinitie van de moeizame relaties tussen kerk en staat en tussen de publieke, collectieve en private domeinen is dat van een vervaarlijke en onrustbarende naïviteit.

Van Lieberg komt zelf uit een streng calvinistisch milieu. Tegenwoordig is hij lid van de Hervormde kerk want daar zien ze de dingen wat ‘breder’ en dat vonden hij en zijn vrouw ‘aantrekkelijker’. Hij doceert de geschiedenis van het Nederlands protestantisme. Het zou me interesseren te weten of hij zijn eigen geschiedenis ‘typerend’ zou noemen. Ik ben bang dat het antwoord bevestigend zal uitvallen.

11 mei

=0=

Alledaags

Nieuws is wat afwijkt van het alledaagse, schrijft Joris Luyendijk. Het doet een beetje denken aan de omschrijving van Joop Goudsblom (denk ik, zijn Balans van de Sociologie waar het in moet staan, is op de een of andere manier uit mijn boekenkast verdwenen – of ik heb niet goed gezocht) van sociologie als de wetenschap van de problemen van het samenleven. Het samenleven is het alledaagse, de problemen de afwijking. Geen wonder dat we een begrip van de samenleving, het alledaagse, krijgen waarin het normale de norm is en het afwijkende het abnormale en normdoorbrekende. Een stap verder en je hebt van de socioloog, en de journalist natuurlijk, een halve medicus gemaakt die de diagnose stelt en op professionele gronden een second opinion wel op prijs zou stellen. Daar zorgen de praatprogramma’s dan weer voor, die zo hun eigen effecten produceren en die de kwestie die de aanleiding was om te praten naar de coulissen verwijzen.

Wat nu als de journalist en socioloog het alledaagse als hun eerste probleem zouden zien en niet de ‘afwijking’? Als ze de afwijking als een onderdeel van het alledaagse zouden zien in plaats van als een andere wereld waar je journalisten op af moet sturen om die voor ons, veilig in onze gewone wereld, in kaart te brengen? Als ze zouden inzoomen op de onwaarschijnlijkheid van het alledaagse, dat dat überhaupt tot stand kan komen en zich weet voort te zetten? Als ze de verraderlijke evidentie van het samenleven en de samenleving zouden inruilen voor de dagelijks verwarrende evidentie van het maatschappelijke en de maatschappij? Als ze, om de mooie oude formulering van Dahrendorf nog eens te gebruiken, uitgaan van de dagelijks en alledaags “ärgerliche Tatsache der Gesellschaft”?

In nogal wat bijdragen aan ‘Het maakbare nieuws’ wordt zo’n insteek feitelijk ook bepleit door de daar verzamelde journalisten en dat is interessant. Je maakt nieuws, in die beleving, in en vanuit de alledaagse wereld – die overal en nooit hetzelfde is en die overal en altijd verschilt en die vanuit die overlap van hetzelfde en het andere iets van zichzelf met behulp van de journalist en de onderzoekers aan ons prijsgeeft – en dat geeft een beter beeld van wat gebeurt, waar het vandaan komt, hoe het mogelijk is, wat de gevolgen zijn, dan de eenzijdige concentratie op het ‘afwijkende’. Dan wordt het probleem van de journalist het alledaagse te herkennen en dat kan alleen door het te leren kennen. Een opwaardering van wat we nu meestal en zeer verwarrend achtergrondjournalistiek noemen en tegelijk de enige vorm van acceptabele journalistiek. Zo begrijp ik de bijdragen ‘uit het veld’ in het vermelde boek over het maakbare nieuws: de achtergrond moet op, want is, de voorgrond, en zo je kunt het alledaagse snappen als een geheel van gewoon en ongewoon.

De rode draad in het boek is de verzuchting om tijd. Je zou het een verzuchting om aanbodgerichte journalistiek kunnen noemen en de meeste bijdragen in het boek benadrukken dat eigenwijsheid, en in elk geval het niet te snel toegeven aan de vraag en de waan van de dag en dus van onze alledaagsheid, een onmisbare eigenschap is voor een goede journalist. Eigenlijk zou alle dag- en dagbladjournalistiek ofwel achtergrondjournalistiek moeten zijn ofwel onderzoeksjournalistiek. De bijdragen in het boek geven mooie doorkijkjes in de werkwijze van de betroffen journalisten en dragen daarmee – ook als ze het met Luyendijk niet of maar mondjesmaat eens zijn – bij aan diens pleidooi aan het functioneren van de journalistiek zelf meer aandacht te schenken. In hun pleidooi lees ik – en het is jammer dat Luyendijk daar in zijn reactie op de stukken niet op ingaat – steeds opnieuw een verwerping van diens stelling dat nieuws datgene is wat afwijkt van het alledaagse. Die stelling en dat onderscheid; daar lokaliseren zij nu juist het probleem. Ik lees hun beschouwingen als een verdediging van het alledaagse, als een stap op weg naar de emancipatie van het alledaagse. Het nieuws van het alledaagse is het alledaagse als nieuws. Daar valt alles onder, inclusief het rare onderscheid van alledaagsheid en afwijking, samenleving en probleem. Dat onderscheid staat in de weg.

Wie weet valt er, als we dat onderscheid ongedaan maken, zelfs een boom op te zetten over wat al die journalisten toch met dat woordje ‘tijd’ bedoelen. Maak van een dag alledag – zie een journaal als dagboek en herdefinieer van daar uit de ‘journalist’ – en zie wat er met de tijd en het gebrek eraan gebeurt. Zoals sommige buitenlandcorrespondenten dat ook aangeven: je kunt best snel reageren maar of dat verantwoord is hangt af van je bekendheid met het terrein waarop en van waaruit je schrijft. Mocht er een tweede druk van ‘Het Maakbare Nieuws’ komen dan zou ik het schrijvend gezelschap uitbreiden – met stadsredacteuren bijvoorbeeld. Het zou de klacht over tijd meer reliëf geven. Tijd is, kennelijk, ook en misschien wel in de eerste plaats afhankelijk van de oriëntatie waarover je beschikt in welk milieu van alledaagsheid dan ook. Steeds als de correspondenten het over tijd hebben doen ze dat in het kader van hun eigen oriëntatieproblemen en de oplossingen die ze daarvoor verzinnen. Tijd is (hun) perspectief. De mooiste bijdrage in het boek is, logisch zou je met Cruyff moeten zeggen, van twee fotojournalisten.

10 mei

=0=

 

Maakbaar

Nieuws wordt gemaakt en dus is de mededeling dat nieuws maakbaar is opvallend want kennelijk voegt de kwalificatie van het maakbare informatie toe aan wat we allemaal al wisten: dat nieuws wordt gemaakt. De vraag is wat het precies toevoegt en ook, waarom er een heuse polemiek onder nieuwsmakers is ontstaan over wat één nieuwsmaker – Joris Luyendijk – naar voren heeft gebracht over het maakbare van het gemaakte nieuws. Er is een boek verschenen over ‘Het maakbare nieuws’, er is naar aanleiding van het boek een discussieavond georganiseerd over het thema. De krant, en in het bijzonder NRC Handelsblad, bericht erover.

Het nieuws presenteert geen foto van de wereld want dan zou het zichzelf als deel van die foto meegefotografeerd moeten hebben en dat lukt alleen als een andere fotograaf de eerste weer fotografeert. Dat is echter geen oplossing van het probleem maar een herhaling ervan. En aan herhalingen doet het nieuws slechts in komkommertijd omdat er in andere tijden geen tijd voor is. Kortom, het nieuws laat ons de wereld niet zien maar slechts een door zichzelf geschapen beeld van wat zij de werkelijkheid noemt. Het nieuws brengt daarom ook de ‘waarheid’ van die werkelijkheid niet aan het licht want daar gaat het nieuws niet over. Daar hebben we de wetenschap voor en die laboreert aan hetzelfde probleem, zij het weer op geheel eigen wijze. Het nieuws gaat niet over waar/onwaar.

Het nieuws gaat evenmin over de juistheid (rechtvaardigheid, aanvaardbaarheid) der dingen. Wat acceptabel is en wat niet verschilt per omroep, per signatuur van krant en tijdschrift. De publieke omroep neemt – omdat die ‘neutraal’ moet zijn – daar een bijzondere positie bij in. Het moet alle kleuren tonen – wat niet gaat – en wordt achtervolgd door het verwijt ‘links’ te zijn en dat niet omdat de neutraliteit links is maar vanwege de eenvoudige reden dat de verondersteld kleurloze nieuwsmakers uiteraard niet kleurloos maar wel incompetent en vooringenomen zijn (maar dat is een ander chapiter: dat van de productie van nieuwsmakers). De verkommering van het publieke herhaalt zich in de verlegenheid neutraliteit vorm te geven en voor iets anders te gebruiken dan voor het profileren van de zichtbare  nieuwsmaker: de presentator. Godzijdank hebben we geen publieke kranten en geen publieke tijdschriften.

Wat blijft over als het nieuws noch de waarheid noch de moraal in pacht heeft? Je zou denken: de waarachtigheid, dus de markering van ‘echt’ en ‘onecht’. Bram Vermeulen bijvoorbeeld, in zijn kritiek op Luyendijk, gaat die kant op. Zijn stelling is dat goede journalistiek alleen maar gemaakt kan worden als de journalist z’n onderwerp in zichzelf toelaat. Pas dan kan het echt en dus waarachtig worden. Verondersteld daarbij is tijd – Dick Wittenberg’s prachtige reportage over een dorp in Malawi is het door Vermeulen geciteerde voorbeeld. Zonder tijd geen relatie, geen verdieping, geen rapport, en dus ook geen rapportage die de toets van Vermeulen’s kritiek kan doorstaan.

Zo’n verhaal is twee keer paradox. In de eerste plaats omdat maakbaarheid en waarachtigheid geen natuurlijke combinatie vormen, eerder het tegendeel. Ze zijn wel combineerbaar, maar dan vanuit de constructie, dus het maakbare. Dat het maakbare waarachtig kan zijn hangt van de kwaliteit van het maaksel af; het vloeit niet voort uit het waarachtige. Het nieuws is niet zoals de kunst waar waarachtigheid gekoppeld is aan meer meerduidigheid dan vele kunstconsumenten aan kunnen dan wel weten te waarderen. Kunst is dan ook – voor hoe lang nog is overigens de vraag – niet ‘vraaggestuurd’. Kunst vereist tijd, niet slechts van de maker maar ook van de ontvanger. Kunst biedt ook nooit de zekerheid van enige vaste grond (‘zo is het’); kunst is slechts actueel voor zover het mogelijkheden suggereert en daarmee ontsluit (‘dat zou ook kunnen maar wat ook weer?’). Mijlenver weg van het nieuws dus want dat weet dat het antwoord op de vraag van de Stones (‘who wants yesterday’s paper?’) niet door het nieuws kan worden gefourneerd maar wel door de visboer en, waarom ook niet, door de archivaris. Kunst gebruikt het gelijktijdige om het ongelijktijdige op te roepen; nieuws doet exact het omgekeerde. Nieuws bestaat bij de gratie van kortademigheid en het verzoek om meer tijd is strijdig met elk medium dat nieuwe informatie slechts kan bieden door de oude zo snel mogelijk weg te masseren. Tijd is de vijand, niet de bondgenoot. Tijd moet worden bekort en niet verlengd. Nieuws is voor de media slechts interessant als het belooft de nieuwigheid van vandaag morgen te kunnen voortzetten met andere nieuwigheden en dus nieuw nieuws. Een dag is niet lang. Vragen om een maand is vragen om een andere wereld en vragen om een andere wereld is vragen om een ander medium dan het nieuws.

Zo’n verhaal is ook paradox omdat waarachtigheid nu wel het laatste is waar media aan kunnen voldoen. Geloof me, roept de journalist, het is allemaal echt en ik sta er voor in want mijn relatie met mijn onderwerp is echt. Ik neem het allemaal onmiddellijk aan maar dat is nou net de moeilijkheid. Ik – als lezer, luisteraar of kijker – heb geen criterium om de ene echtheidsbezwering van de andere te onderscheiden en Bram Vermeulen heeft die mogelijkheid al evenmin. Dus letten we op hoe goed gebekt iemand is, hoe iemand eruit ziet, hoe veel humor ze heeft, hoeveel rust of gespannenheid – en we verbinden daar conclusies aan die we gemakshalve met echt/onecht verwoorden (‘politici zijn allemaal leugenaars maar Pim is een uitzondering’) en die met waarachtigheid even veel te maken hebben als de kwaliteitsmonitor met kwaliteit.

Er zit niets anders op. We moeten de maakbaarheid van het nieuws niet betreuren. Maakbaarheid is geen kwaal, geen falen, geen betreurenswaardig misverstand. Het thema van de maakbaarheid verwijst niet naar de wereld en onze gebreken die in beeld te brengen. Maakbaarheid verwijst naar de productie van nieuws en is zelf nieuws voor zover we over de productie van nieuws iets nieuws leren. Hoe produceren media informatie, wat telt als zodanig en wat als non-informatie, wat biedt de beste mogelijkheden voor morgen (wat komt op de voorpagina) en welke selectiecriteria doen wanneer en waarbij en waarom opgeld? De sleutel van het nieuws zit in het medium dat nieuws maakt, niet in de wereld waarover het nieuws beweert te berichten. Niet het nieuws van de werkelijkheid maar de werkelijkheid van het nieuws, dat is thema van de maakbaarheid.

8 mei

=0=

 

NS (Non Sequitur)

De regeringsfracties zijn enthousiaster dan ooit over de ov-chipkaart. Net terug van een werkbezoek (waarom heet dat nog steeds zo?) aan Londen en al bijna op weg naar Stockholm zijn ze vast van plan die kaart met kracht te blijven aanbevelen. Het zal wel goed voor ons zijn, want dat het goed voor ons is en dat we dat ook zullen beseffen als zij ons een handje hebben geholpen, dat is toch wel de signatuur van alle kabinetten Balkenende. Zoveel verschil maakt de PvdA nu ook weer niet, wat die partij er zelf ook van zegt.

Gesteld dat alle poortjes zich spontaan sluiten als er weer eens een totale krach is in het computersysteem van de spoorwegen, wat dan? Ik vroeg het me gisteren af. Ik vroeg me met name af of de communicatie van de NS in krachsituaties een eventueel extra probleem in de vorm van die kaartjes wel aan zou kunnen. Urenlang werd omgeroepen dat als gevolg van een computerstoring treinverkeer in elke richting was uitgesloten. In Tilburg, waar ik mijn lot in lijdzaamheid bezat, werd bovendien omgeroepen dat treinverkeer naar Eindhoven niet mogelijk was en dat naar Eindhoven slechts beperkt treinverkeer zou plaatsvinden. Let op de omroepberichten. Drie mededelingen die elkaar tegenspreken. Niettemin deden we allemaal ons best te horen wat gezegd werd want je weet maar nooit. Dat oppikken van het geruis dat bij de NS informatie heet, was nog een hele klus, want omdat er geen treinen reden, reden er des te meer goederentreinen en die maken fors lawaai. De transporteurs hebben een contract met Railion en daar moet je je aan houden, ook al blijf je omroepen dat er geen treinverkeer mogelijk is. Gewone reizigers hebben geen vergelijkbaar contract met de NS. Zij hebben slechts recht op vervoer als er vervoer is en dat laatste is niet meer dan een inspanningsverplichting en geen contract. Nog een geluk dat de Tweede Kamer streng toeziet op die verplichting. Stel je voor wat er zou kunnen gebeuren als de Kamer dat niet deed.

In de hal van het Tilburgse station stond al vanaf een uur of half zes te lezen dat de storing verholpen was. Die mededeling was niet in het omroepsysteem terecht gekomen. Omdat de treinen toch niet reden was de mededeling in de hal ofwel fout ofwel verwarrend. Bij de spoorwegen vindt niemand het nodig daar opheldering over te verschaffen. Niemand weet wat, niemand zegt wat en op alle stations wordt dezelfde non-informatie aangeboden.

Daarom, ik zou het niet doen, die kaartjes. Het vereist in geval van storing uitleg en die wordt niet verstrekt omdat de NS niet dan via ongerijmdheden weet te communiceren. Het is moeilijk voor de Kamer, ik weet het maar toch. Toch zou de Kamer er dit keer eens van uit moeten gaan dat het wijzer is te beginnen bij wat de NS niet kan in plaats van wat in Londen wel kan en dus bij ons zou moeten kunnen.

7 mei

=0=

 

Dag

Bevrijdingsdag bestaat niet meer. We zijn overgegaan op de ‘dag van de vrijheid’. Een werkdag voor velen dus met die vrijheid loopt het zo’n vaart niet. Vrij betekent werk, werk betekent meedoen, zonder meedoen geen vrijheid. Het ‘mitmachen wollte ich nie’, het thema dat zulke uiteenlopende figuren als Adorno en Voskuil verbindt, is onverdraaglijk voor de vrijheid. Nicolien, de vrouw van Maarten Koning, vond die vrijheid, gesymboliseerd in ‘Het Bureau’, onverteerbaar. Op de dag van de arbeid, ooit een vrije dag, wordt gewerkt. Tenzij die dag samenvalt met Hemelvaartsdag. QED.

Vrijheid is inmiddels werk, want werk is werken aan vrijheid. Werken aan werk kenmerkt de vrije maatschappij. Geen rechten zonder plichten, in plaats van rechten ter vervanging van voorrechten. Alleen het vermogen stelt vrij. Voor alle anderen geldt dat niet meedoen een vrijwillige beperking van je eigen vrijheid is. Niet meedoen moet rekenen met steeds meer en steeds straffere sancties. Alles bij elkaar is dat geen dialectiek, geen differentie maar hoon. Eigen schuld, niets anders.

Vrijheid is het openen van opties, wij sluiten ze. Gesteld dat je zou kunnen doen wat jou uitkomt – een mogelijk zij het niet exclusief equivalent van vrijheid – en de beer is los. Dat kunnen we niet hebben. Ook als we zouden kiezen voor arbeid – naar eigen snit wel te verstaan – is dat nog veel te gevaarlijk. Arbeid moet gereglementeerd worden en blijven. Arbeidsbescherming beschermt niet in de eerste plaats de arbeid. Het beschermt de maatschappij tegen het gevaar van vrije arbeid, van de klusjesman via de werknemer tot en met de vrijwilliger en de hobbyist. Het roept om organisatie en is daar niet van te onderscheiden. De vrijheidsgraden zitten niet aan de kant van de arbeid maar aan de kant van de organisatie. Zo houden we arbeid schaars en is de paradox – het indammen van het gevaar en het tegelijk ontmoedigen van een kijkje buiten de deur – klaar voor verder gebruik. Je kunt het ook vrijheid zonder bevrijding noemen.

Vrijheid – vrij zijn van, vrij zijn om – kan best zonder werk. Het kan ook met. Het kan niet zonder bevrijding. Ik vraag me af waarom een dag van de vrijheid niet zou kunnen zonder de koopmansgeest van de gereglementeerde arbeid. Die geest komt nooit alleen, maar wordt altijd vergezeld door de dominee. Wie Balkenende gisteren weer hoorde stoethaspelen heeft de boodschap alleen al door het gestoethaspel gratis meegekregen. Van vrijheid als proefwerk voor de jongelui naar hufterigheid als een uiting van gebrekkige solidariteit: gereformeerde vreugdeloosheid ten voeten uit. Op deze manier is een ‘dag van de vrijheid’ hetzelfde als de befaamde nachtkaars.

6 mei

=0=

 

Marktwenking

Zeker weten doe ik het niet maar het heeft er alle schijn van dat de hoeveelheid koolzaad in het Franse landschap fors is toegenomen. Velden en velden felgeel begroeid, tussen Auxerre en Troyes en later langs de wegen naar het noorden van Frankrijk. Elly en ik zagen het gisteren, op de terugweg vanuit de Morvan naar Amsterdam. De markt wenkt en het koolzaad volgt de wenk. Marktwenking. Of het behalve wenkt ook werkt is vers twee. Le Monde van de afgelopen week stond vol met berichten over de zes crises die de moderne kapitalistische wereld tegelijkertijd bezoeken. Daaronder de voedselcrisis, teweeggebracht door grotere vraag, meer speculatie, en biobrandstof die ook gedijt op koolzaad. Het oogt aangenaam, die grote gele velden, onderbroken door groen. Crisis? What crisis? Boeren volgen de signalen van de markt. Als die op rood springen kunnen ze niet snel stoppen maar voorlopig is het nog niet zo ver.

Uiteraard komt de crisis het hardste aan bij de armen. Als gevolg van het optreden van het IMF, de Wereldbank en de WTO is de productie voor zelfvoorziening in tal van landen vernietigd en de betroffen bevolkingen worden nu geconfronteerd met onbetaalbare prijzen voor gewassen die ze ooit zelf verbouwden. Structurele aanpassing – de verheven naam van al deze programma’s van de wereldregering die geen regering is, die niet is gekozen, niet afzetbaar is, zichzelf coöpteert, geen verantwoording aflegt en bij niemand dan zichzelf te rade gaat – pakt uit als structurele kaalslag. Het maakt niet eens meer uit of we het hebben over overheidsfinanciën of landbouw. De vernietiging van de zelfvoorziening, structurele aanpassing dus, is nergens vergezeld door een vorm van sociale zekerheid. Te duur, te ontregelend voor de overheidsfinanciën; opnieuw: structurele aanpassing. Er is geen verschil tussen het optreden van deze organisaties en de Chinese overheid die ook miljoenen mensen van hun land heeft weten te verdrijven. In beide situaties, bovendien, gaat het om hoogst ondemocratische regimes.

Het gekke is niet dat gebeurt wat gebeurt. Markten ontstaan niet vanzelf maar hebben een duw nodig van buiten. Een harde duw soms, The Great Transformation herhaald en herhaald. IMF etc tekenen ervoor. De sterke economieën in China, India, Brazilië bedanken inmiddels feestelijk voor deze organisaties en hun voorbeeld vindt navolging. Het IMF peinst over een wat andere bestuurlijke samenstelling en is naarstig op zoek naar nieuwe markten voor hun vele talenten. De moeilijkheid is dat weinig nieuwe markten wenken. Deze organisaties hebben gefaald. Hun eerste remedie had moeten zijn de VS voor te schrijven wat ze zwakke landen oplegden. Dat is niet gebeurd.

Wel het omgekeerde. We hebben geldstelsels met centrale banken wier functie het is de geldwaarde op peil te houden. Die functie werd regelmatig bedreigd door overheden die het monetaire beleid ondergeschikt maakten aan hun behoefte aan financiën. Die overheden zijn uitgeschakeld, behalve in de VS. En zelfs daar is het monetaire beleid het speeltje geworden van private financiers. Met het vrijgeven van de financiële markten zijn de monetaire autoriteiten de greep kwijt. Ze mogen corrigeren, met publiek geld, wat private financiers stuk hebben gemaakt. Op die regel is ook Europa en dus de ECB geen uitzondering. Was het voorheen zo dat de monetaire autoriteiten optraden om de klanten van financiële instellingen niet alleen te laten opdraaien voor de onverantwoordelijkheden die die instellingen zich permitteerden, nu zijn het die instellingen zelf die beschermd worden. Dat is nieuw, in de zin van: nog niet eerder vertoond. De markt weet zichzelf niet te bedruipen en plundert onbekommerd de staatskas. Dat wordt toegestaan. Wat de zogenaamde soevereine fondsen hebben geïnvesteerd in bedreigde financiële instellingen is peanuts vergeleken met de bedragen die aan de centrale banken zijn onttrokken. Er zijn nog altijd mensen die vinden dat de markt zijn werk moet doen en tegelijk vooraan staan als het om staatssteun gaat. We vinden ze in de financiële sector.

De eerste wenkende markt is die van de VS waar decennia lang – vanaf 1971 af aan – geen orde op zaken is gesteld door welke internationale organisatie dan ook en van waaruit organisaties als het IMF van harte hebben meegeholpen om de VS de ruimte te bieden om vrolijk door te gaan met waar ze toch al trek in hadden. Daar wordt nu de rekening voor gepresenteerd.

Iedereen weet het, slechts de landen die met de VS mogen meespelen in IMF, Wereldbank en WTO weten het niet want ze willen het niet weten. Hun eigen medicijn, ze zouden het moeten voorschrijven aan de VS en, en passant, aan de landbouw in de EU. Meer internationale handel roept de president van het IMF. Meer internationale openbare controle op het IMF zou een beter advies zijn geweest. De niet gekozen, niet regerende wereldregering zou allereerst zichzelf moeten leren regeren. Die wenk, die gaat niet over een markt. Wel over een perspectief.

5 mei

=0=

 

Krans

Goede wijn behoeft geen krans luidt het gezegde. Daar is weinig tegen in te brengen. Het is een heel werk om goede wijn te herkennen en te leren savoureren. Dat is geen ontkenning maar juist een bevestiging van het gezegde. Hetzelfde gaat op voor muziek, literatuur, voedsel, beeldende kunst, het rijk van de zintuigen, de wereld van de esthetiek. Het verstand voegt zich erbij, zoals de literatuurcriticus bij de literatuur, het kookboek bij de keuken, de muziekinstructie bij de muziek, maar het verstand kan het zaakje niet overnemen. We noemen het goede smaak.

Over goede smaak schreef Abram de Swaan (bijlage Opinie & Debat van NRC Handelsblad van gisteren) een interessant verhaal. Van het kunstwerk, zo stelt hij in navolging van Benjamin, is de krans – het aura – weggenomen. Het kunstwerk is technisch reproduceerbaar geworden en kan worden opgeroepen als en zodra we er behoefte aan hebben. Het internet heeft dat nog eens geradicaliseerd want nu kunnen we én beeld én geluid én woord tegelijk bestellen, proeven, bewerken en er dus de vorm aan geven die ons op dat moment het beste uitkomt. We hoeven daarvoor ook geen zalen, bijeenkomsten, collectieve gebeurtenissen meer voor te organiseren dan wel te bezoeken en bij te wonen. We roepen het op wanneer het ons, individueel, zo uitkomt. We roepen het op en dan geven we het weer terug aan hetzelfde medium waar we het vandaan hadden gehaald. We pikken signalen op, we geven signalen af. We doen dat zo vaak en worden ook door zoveel signalen beroerd dat het signaal over dreigt te gaan in ruis. Tenzij we markeringspunten weten aan te brengen, zoals ooit de goede smaak de grenzen bepaalde en dat deed met het gezag dat ervan uitging en dus met de selectie van acceptabel en niet-acceptabel. Dat onderscheid werd uiteraard gedefinieerd vanuit het acceptabele, net zoals het recht bepaalt wat wel en niet recht en dus ook onrecht is, en de wetenschap wat waarheid en niet-waarheid dus onwaarheid is. De medicus definieert de kwakzalver, de professional de beunhaas.

Zo bekeken is het huidige geweeklaag van de professional een achterhoedegevecht. Met de goede smaak is het ‘gezag’ over de smaak verdwenen, hetzelfde gezag dat de professional is kwijtgeraakt aan de zogenaamde transparantie. Maar wat is nu eigenlijk verdwenen? Er is nog altijd goede wijn, goede literatuur enzovoorts. Wat verdwenen is, is kennelijk de ‘krans’ of het ‘aura’, het criterium waarmee een culturele elite de sleutel bezat om de zintuigen hun plaats te wijzen. Niet de goede wijn is weg maar de hiërarchie. Of daarmee ook het onderscheid zelf verdwenen is (goede smaak is wat u goed smaakt), dan wel dat het onderscheid vanuit de andere kant – die uiteraard vele andere kanten zijn – wordt gedefinieerd, dan wel dat er een geheel nieuwe onderscheiding (bijvoorbeeld: bekeken/genegeerd; opgemerkt/onopgemerkt) z’n opwachting maakt, daar laat De Swaan zich niet over uit.  Onderscheid moet er zijn (‘mensen willen zich van anderen onderscheiden door hun culturele voorkeuren’). Zonder onderscheid is alles ruis en verzuipt elk signaal. De suggestie van het artikel is dat het oude onderscheid van goed en slecht, van de grote en de kleine c, inderdaad in het museum kan worden bijgezet omdat het eerste onderscheid niet langer dat van hoger/lager is maar dat van het succes om gelijkgezinden te vinden – en te binden.

Mensen zoeken zichzelf door anderen die in voorkeur (‘smaak’) op hen lijken, te zoeken en ook op te zoeken. Nieuwe smaakmakers ontstaan door, met en uit die zoektocht. Dat kan wereldwijd maar, zo stelt de Swaan, het directe contact – de wereld vanuit je eigen stad of regio – gaat het winnen. Hij voorziet, in het wereldwijde web, een ‘structuur van menselijke relaties verankerd in de structuren van de lokale samenlevingsverbanden’. Elke buurt, elk lokaal, z’n eigen goede smaak. Zoiets. De goede smaak wordt niet afgeschaft maar wordt even divers als de maatschappij. De wereld is geen dorp; het dorp is de wereld. Iedereen z’n eigen hiërarchie in z’n eigen club en aan clubs geen gebrek dus elke hiërarchie is beperkt en moet concurreren om z’n eigen mensen te behouden. Dat binden van de Swaan, dat wordt nog wat. Het lijkt het moderne bedrijfsleven wel.

Verbazend eigenlijk dat waar ik tegen deze achtergrond een beschouwing over tijd en dus macht had verwacht, ik een beschouwing over sociale (‘directe’) interactie en dus leiding terugkrijg. Ik noem dat romantiek – iets wat je nodig vindt, misschien wel mist en betreurt  tot noodzaak verheffen. Dat smaak smaak is voor wie het geldt – afhankelijk van gelijkgestemden en de leiding die daar het product van is en die het zaakje bij elkaar moet zien te houden – geeft niet de invloed aan van het sociale (‘directe interactie’) maar de invloed van de tijd die niemand heeft. Niet de binding aan gelijkgezinden is het criterium maar de snelheid van het vinden van nieuwe aansluitingen. Wijn heeft al lang geen krans meer. Wel een houdbaarheidsdatum.

27 april

=0=

 

Het is zoals het is

De Wereld Draait Door had gisteravond iemand van de site Geen Stijl op bezoek. De naam is me ontschoten en de man is me ook zo onsympathiek dat ik hem niet wil achterhalen. Hij had iets van Jensen dus is zal hem Geenjensen noemen. Op verongelijkte toon eed hij zijn beklag over minister Vogelaar die hem niet naar behoren had geantwoord. Een later zagen we hem achter de minister staan, de microfoon aan en, omdat ze hem toch niet kon zien, gekke bekken trekkend en gebarend kenbaar maken dat het mens uitsluitend volstrekte flauwe kul aan het debiteren was. En dan op hoge toon een gesprek en een ‘antwoord’ eisen. De rest van het gezelschap hoorde het aan, enig beschaafd gepruttel daargelaten (‘hier had haar voorlichter moeten ingrijpen’). Geen Stijl, deze stijl dus, vond men een aanwinst. Het hoorde er allemaal bij. Het is zoals het is sprak Paul Witteman. Ministers zijn media, zij het dat ministers nog wel eens en de media nooit verantwoordelijkheid hoeven af te leggen. Ministers zijn media, ze zijn van de media en de media zijn van zichzelf.

Witteman kwam tot zijn opmerkelijke uitspraak – waarmee we weer helemaal bij dokter Pangloss zijn aangekomen – naar aanleiding van een ander incidentje. Kennelijk is Georgina Verbaan betrapt bij een omhelzing van niet-haar-partner. Dat gooien we op internet. Iemand had daar in tweede instantie toch wat problemen mee. Een morele oprisping, en machteloos natuurlijk. De moraal van het risico een bekende Nederlander te zijn is hun risico. Voor de mediamensen geldt het omgekeerde: het eerste risico is de moraal zelf en wie daar aan vasthoudt mist de beste kansen op een scoop. Dan heb je een fout vak gekozen. Pech voor Verbaan, en de minister heeft al helemaal een fout beroepskeuze gemaakt. Het is zoals het is.

Vanaf heden is moord en doodslag, inbraak, intimidatie, belediging, uitsluiting, brandschatting en brandmerking, pesten en treiteren, uitlokken en voor lul zetten allemaal goedgekeurd. Het is zoals het is. De vraag is: is mijn afbeelding van mij of van de media? Ben ik zelf van mezelf of van de media? Het is hoog tijd de discussie over wie recht heeft op mijn afbeelding op te rakelen. Een beeldverbod, tenzij met uitdrukkelijke toestemming het beeld wordt vrijgegeven, wordt steeds aantrekkelijker. Niet vanuit de religie maar vanuit het eigendomsrecht gemotiveerd. Dat is niet zoals het is. Voor Witteman is er niks aan te verdienen. Witteman kent het risico van zo’n moraal en wil er niet aan. Toch zou het niet gek zijn als we leerden inzien dat het risico van elke moraal niet kan worden beschreven zonder in te gaan op de moraal van het risico. Dat duurt nog wel even. We zullen moeten wachten tot de dag dat Witteman met z’n broek naar beneden wordt aangetroffen, door Geenjensen ongetwijfeld. Er zit maar één ding op: Witteman moet zonder enige onderbreking worden begluurd. Het is zoals het is.

26 april

=0=

 

Herhaling

De rechter heeft de elf jongeren, beschuldigd van belaging van een Liberiaans gezin in Waspik, vrijgesproken. De rechter kon op basis van het politieonderzoek niet besluiten tot een veroordeling. Het onderzoek bevatte te weinig aanknopingspunten. Er zou niet uit blijken wie wat heeft gedaan. De Oriëntexpress heeft weer gereden, het vergrijp is gepleegd maar individuele toerekenbaarheid voor het eindresultaat kan zelfs Hercule Poirot niet aanwijzen.

Het verschil is dat in het verhaal van Agatha Christie Poirot pas bij de zaak wordt betrokken als de moord al geschied is. In Waspik stonden gemeente en politie erbij en keken ernaar. Ze weigerden alleen al te goed op te letten. Dan kun je nog altijd je paar waarnemingen met de titel ‘onderzoek’ optuigen maar daar trapt niemand in, te beginnen met de rechter. Gewoon, desinteresse en die jongens komen goed weg. Dat is het minste kwaad want de echte misère zit bij het gemeentebestuur en de politie.

Het meest bijzondere was destijds de eerste reactie van de burgemeester die zich betrapt voelde, toen de kwestie eindelijk in de openbaarheid kwam, en terugsloeg met de kwalificatie van een ‘mediahype’. Pas nadat duidelijk werd dat hij daar niet mee weg kwam bood de man z’n excuses aan. Te laat, te voorspelbaar; te gemakkelijk:  overbodig. Twee wethouders hebben inmiddels de eer aan zichzelf gehouden. De rest zit nog, de burgemeester beweegt niet en de politie – daar heeft al helemaal niemand het over. Daar profiteren die jongens van en waarom ook niet. Zij zijn het kleine  probleem.

De grens tussen desinteresse, hoon en minachting is dun. Dat blijkt uit het gedoe in Waspik. Eenmaal op dat pad beland herhaalt alles zich; de context mag wisselen de tekst blijft gelijkluidend. Zoek het zelf maar uit. Overigens is dit niet meer dan kleinschalig grut. Ze moeten in Waspik hun licht eens opsteken bij Henk Kamp. Daar kunnen ze nog wat van leren. En zonder ruw taalgebruik. Hooghartigheid en kilte volstaan. Mevrouw, zei Kamp tegen de staatssecretaris, u zijn 700 Chinezen op een presenteerblaadje aangeboden. En u weigert ze in een goed afgesloten vuilcontainer te gooien. Dat is toch mooi, een Kamerlid dat zich meer zorgen maakt over één Tibetaan – rechteloos dus hulpbehoevend – dan over 700 Chinezen – illegaal en dus als ongewenste bulkgoederen door te draaien. Hij had er een motie van wantrouwen voor over want principes moet je verdedigen. Er was boosheid over die motie, niet over het wegwerpende taalgebruik. Dat zegt veel.

In de Kamer wordt te veel ruwe taal gebezigd vindt Remkes, de man die als minister een rotschop niet te min achtte voor ministerieel taalgebruik. Het moet netter, maar wel in Jip en Janneke taal. We zien het resultaat bij Kamp. Dezelfde die ons een opbouwmissie in Urzugan voor een prikkie aanbood. Geen woord Frans bij en nog helder ook. Bij de VVD zijn ze totaal knettergek geworden. Ook dat is herhaling.

25 april

=0=

 

Mensen

De PvdA moet meer in mensen investeren en niet in structuren. Dat zegt de nieuwe fractievoorzitter van de PvdA en ze voegt eraan toe dat we dat best als een punt van kritiek op de partij mogen opvatten. Meer mensen, minder structuren. Lijkt op de reclame van een verzekeringsmaatschappij waarvan me de naam even niet te binnen wil schieten. Zou het sociale gezicht, waarop de nieuwe fractievoorzitter zich wil onderscheiden, ook uit een reclamespotje komen? In elk geval, en dat moet Bos geruststellen, kan de fractie het zich niet permitteren te beweren dat het sociale gezicht gezocht moet worden in de randen van regeerakkoord. Niks randen, in het hart van het regeerakkoord zit het sociale. Dat hart, dat gaat mevrouw Hamer opzoeken. Nu nog even uitpakken.

Dat van die mensen en structuren is een bekende deun. Het gaat nergens over dus mevrouw Hamer krijgt het cadeau. Of gaat het wel ergens over en wordt dat ons door het wenkende woord van de investering meegegeven? Het zou kunnen. In elk geval is het investeringswoord niet onschuldig als het om mensen gaat. Ik bedoel niet dat mensen geen investeringen zijn (daar is iedereen het wel over eens, zolang het niks kost in elk geval) en dat de ontluistering van mensen in het algemeen zeer wordt bevorderd door de beledigende gewoonte hen met allerlei mitsen en maren alsnog als investeringen te zien (daar neemt de overeenstemming al enigszins af). Mensen als kapitaal zien, het is heel gewoon geworden. Als kapitaal, dus zoals in geldkapitaal, sociaal kapitaal, symbolisch kapitaal, cultureel kapitaal, menskapitaal. Dat kan natuurlijk allemaal niet, hoewel het wel gebeurt, en omdat het gebeurt hoewel het niet kan levert het ook zo verschrikkelijk veel ongelukken en ellende op.

Ik bedoel dat én een sociaal gezicht én investeren in mensen niet samengaan. Wie een sociaal gezicht opzet doet niet aan risicoanalyse. Wie investeert doet niet anders. Wie een sociaal gezicht opzet is blij met iedereen. Wie investeert is blij met één, kiest dat en zet de rest aan de kant. Wie een sociaal gezicht opzet maakt van mensen burgers, wie in mensen investeert maakt er werknemers van. Of ondernemers, laten we die vooral niet vergeten. En dan nog kun je beter investeren in scholen, ziekenhuizen, fabrieken en kantoren, in brandweerkazernes en politieposten, kortom, in alle arbeidsomstandigheden in ruime zin waarin mensen terecht kunnen komen dan mensen zelf in investeringsgoederen te willen transformeren. Het is meer dan genoeg als het bedrijfsleven dat nodig vindt. Dat draagt toch de kosten niet van het afval dat het produceert en daar is het ook helemaal niet voor. Die rekening kan altijd nog worden ingediend. Maar het wordt te gek als ook politici zich willen profileren in termen van begrippen die de politiek niet versterken maar afhankelijk maken. Dan komt die rekening er nooit en het burgerschap al helemaal niet.

Het sociale gezicht was ook, lang geleden maar toch, erop gericht om iedereen onafhankelijk van inkomen en capaciteiten in staat te stellen zich als burger waar te maken. Het gevolg was een serie ´structuren´ die mensen van een boel sores verlosten. Het zou me niet verbazen als de investeringen van mevrouw Hamer gaan bijdragen aan het verder ontmantelen van de structuren van de verzorgingsstaat. Daar investeren we niet in en dat is sociaal want we investeren in mensen. Om de vooruitgang te dienen, dat dan weer wel. Tot uw dienst.

23 april

=0=

 

Wakker

Driekwart van de Nederlandse werknemers ligt in de nacht van zondag op maandag wel eens wakker. Zorgen over het werk houdt hen uit de slaap. Niet het werk zelf, neem ik aan, maar of het werk er de volgende dag nog wel is. De wereld gaat snel en voor je het weet moet je je arbeidsplaats in China opzoeken.

Het was maar een kort berichtje in het FD over dit slaapprobleem. Het blijkt dat Finnen, Hongaren, Engelsen en Amerikanen nog meer dan hun Nederlandse collega’s geplaagd worden door slapeloosheid.

Die maandagochtendauto bestaat dus echt. In de goede oude tijd kwam dat door het napraten over het voetbal van de dag ervoor, en nu komt het door zorgen over het werk. In m’n eigen geval kwam het trouwens door iets anders. Ik sliep uit in het weekend en had dan om volstrekt voor de hand liggende redenen op zondagavond moeite om in slaap te raken. Gewoon, te laat opgestaan en zo eenvoudig was het. Nu ik aan het uitslapen een eind heb gemaakt is het probleem opgelost.

Ik had dus een luxeprobleem. Het echte probleem is de onzekerheid, de omgeving waarin de meeste werknemers elke dag worden ondergedompeld en waar je in het beste geval alleen tijdens je werkuren even van verlost bent. De paradox is dat als je werkt je geen zorgen hoeft te maken over je werk. Voor zo lang het duurt want de omgeving houdt niet op bij de voordeur. Het zal de mensen vast aansporen. En het zal ze afleiden. Het saldo staat niet van te voren vast.

De omgeving is er niet zo maar. Die is gemaakt en wordt meer dan liefdevol onderhouden door een enorm leger van beleidsmensen, economen en andere theologen van de markt, de liberalisering, de flexibilisering, de globalisering en verdere zegeningen die op hun lange termijn tot ons aller voordeel zullen strekken.

Dat we er niet van slapen, och dat kun je niemand kwalijk nemen. Maar de veronderstelling dat we alleen op deze manier wakker aan het werk zullen blijven, dat is wat veel gevraagd. Als ik het goed heb krijgen we binnenkort weer een voorjaarsoverleg. Ik hoop dat ze daar uitgeslapen genoeg zijn om de slaap van anderen op de agenda te zetten. Leg eens een lijntje tussen het gemier over het ontslagrecht en de slapeloze werknemer. Geeft een heel nieuw perspectief. Het opent de ogen. Is dat niet hetzelfde als wakker zijn?

22 april

=0=

 

Muziek

Kort geleden zag ik bij De Wereld Draait Door een jongeman die door Madonna was uitgenodigd wat muziek voor haar te maken. Dat schijnt een grote eer te zijn. De man liet zien hoe dat ging, dat maken van muziek. Uit bestaande stukjes muziek kleine fragmentjes pakken, die in elkaar schuiven, vertragen, versnellen, mixen. Net zo lang knutselen tot er iets is gebakken dat aan de wensen van Madonna voldoet. Muziek als synthese van een synthesizer. Geen auteur meer nodig, laat staan herkenbaar.

Nederlandse dj’s zijn wereldwijd succesvol. Ook zij maken naar men zegt muziek – een soort copyright op in elkaar geschoven stukjes van anderen – en ze presenteren urenlange shows. Muziek wordt niet langer gemaakt, het wordt ontworpen. Het wordt niet beluisterd, het wordt beleefd, ‘ervaren’. Het heeft met de ‘opvoeding’ van de zintuigen nog ongeveer even veel te maken als fanmail met literatuur. Waar het vandaan komt is geen vraag die de moeite waard is nog beantwoord te worden. Waar je ermee heen kunt, daar gaat het om. De auteur verdwijnt, de ontwerper neemt het zaakje over.

In zijn tweede ‘tegen de markt’ bundeltje (Firing Back) betreurt Pierre Bourdieu de teloorgang van de ‘velden’ van literatuur, wetenschap en kunst. In een eeuwenlang gevecht slaagden deze ‘velden’ er in hun autonomie te bewerkstelligen. Muziekgeschiedenis, literatuurgeschiedenis en wetenschapsgeschiedenis zijn geschiedenissen van verboden, straffen, bedreigingen, van ontneming van rechten, van niet-erkenning. Of het nu gaat om Darwin, de komst en ontplooiing van de piano, het ‘begin van de wereld’, of om de roman, de vorm waarin het moderne individu z’n rechten claimt, steeds is strijd nodig geweest om de autonomie van deze uitingen af te dwingen. Een totale overwinning werd het nooit, een eind gekomen zijn we wel.

Het wordt ons, Bourdieu volgend, ontnomen door de commercialisering, met de homogenisering van de smaak als gevolg, en afgedwongen door distributieketens die de producenten ofwel in het gareel schoppen ofwel gewoon opslorpen. Het gaat gepaard met een ‘regressie van werk naar product, van de auteur naar de ingenieurs of technici die technische bronnen inzetten die ze niet zelf hebben uitgevonden (…)’ (o.c.: 73). We leven in de orde van de ‘special effects’, technische hoogstandjes die ons suggereren iets te laten zien door ons te verblinden.

De productie en consumptie van muziek is het paradigma van de nieuwe tijd.

21 april

=0=

 

Geen volwassenen meer

Het kind verdwijnt. Dat zegt Willem Koops, universiteitshoogleraar in Utrecht, in zowel Trouw als NRC. Hij ziet het verschijnsel ‘kind’ als één van de vele gevolgen van de boekdrukkunst die het verwerven van informatie en kennis weghaalde uit de onmiddellijke ervaring en dus belevingswereld en verplaatste naar een proces van min of meer langdurig leren. Dat gaf ouders, docenten en andere gezagsdragers een behoorlijke voorsprong. De ruimte die daarbij hoorde noemden we de wereld van het kind. De opvoeders bewaakten de grenzen van die wereld, de kinderen leerden binnen die grenzen. Wat binnen kwam was vooraf opvoedkundig afgevinkt en in orde bevonden. 

Met het oprukken van het internet zijn ouders en opvoeders die voorsprong, en dus het kind, kwijt. Ze controleren de toegang tot informatie en kennis niet langer. Wat in de archaïsche maatschappij via het geheim in bedwang werd gehouden, in de periode van het schrift via de teleologie, en in de periode van de boekdrukkunst via de kritiek: hoe houden we dat vandaag de dag in bedwang? En dan niet alleen, en zelfs niet in de eerste plaats, met het oog op de kinderen maar met het oog op de volwassenen?

Met de kinderen zijn de volwassenen verdwenen. Die conclusie trekt Koops niet. Wonderlijk, want wat wij kinderen noemden had niets te maken met het ‘wezen’ van het kind en alles met het verschil kind/volwassene. Schrap één term: dan ook de andere.

Men zegt dat de westerse islam een internetislam is. Mensen roepen het beeldmateriaal op dat ze zelf willen, verspreiden het, voegen er aan toe, verknippen het, zetten het om in tekst, lenen daarvoor tekst, veranderen die tekst enzovoorts. Men zou ook moeten zeggen dat onze standpunten, stand.nl bijvoorbeeld, internetstandpunten zijn en op vergelijkbare manier bij elkaar zijn geraapt, vertimmerd, en ten toon gesteld. Onze realiteit is de realiteit van de massamedia en niemand controleert de toegang. Kritiek? Respect man. Ik vraag het je en eigenlijk vraag ik het niet want ik heb er recht op. Wie buiten speelt speelt buiten. Wie binnen speelt speelt ook buiten. Binnen is thuis en thuis is overal waar je kunt inloggen. Binnen is buiten en omgekeerd.

Koops verwacht veel van beter onderlegde onderwijzers en leraren. Hij verwacht veel van een opvoeding waarin de redelijkheid van de democratische deliberatie centraal staat en vroeg, zo vroeg mogelijk, wordt geleerd en gedemonstreerd. Dat vraagt veel van de kinderen want ze beginnen eraan zonder er al ervaring mee te hebben opgedaan. En van de volwassenen die, zo zegt Koops, ‘op die punten wel ervaring hebben. Of zouden moeten hebben’.

De laatste toevoeging is verwoestend. Kennis noch ervaring staan ons kennelijk nog ter beschikking. Slechts de morele waarschuwing is overgebleven. Ik denk dat als Koops zichzelf serieus had genomen, hij niet bij de kinderen had mogen blijven stilstaan. De eerste opgave, dat zijn de volwassenen.

20 april

=0=

 

Cultuuromslag

CDA’er van Hijum: ‘Een quotum helpt de emancipatie niet en kan de gewenste cultuuromslag binnen organisaties zelfs ondermijnen’. Het gaat om een mogelijk wetsvoorstel van Paul Kalma en Mariëtte Hamer van de PvdA. Doel: meer vrouwen in de top van het bedrijfsleven. Inspiratie: de Noorse praktijk sinds enkele jaren. Middel: een quotum. Sanctie: ontbinding van de onderneming.

Zelf weet ik nooit zo goed wat ik aan moet met dit soort ideeën. De inzet is verstandig en redelijk. Maar uitkomsten laten zich moeilijk dwingen. Aan de andere kant, het schiet ook totaal niet op en het is toch wel raar dat in de top van internationale bedrijven meer vrouwen zitten dan in de top van het alleen nationale bedrijfsleven. Dat wringt. Als ik zou moeten kiezen zou ik het initiatief van Kalma en Hamer gewoon een kans geven. Ook al lost het misschien weinig op dan weten we over niet al te lange tijd in ieder geval meer over wat wel en niet is gelukt.

In Nederland bestaat niet echt de gewoonte – cultuur voor mijn part – om alles met de wet en voor het gerecht af te dwingen. Een kleine twintig jaar geleden promoveerde Sloot op een erg mooi proefschrift over positieve discriminatie. Zijn conclusie toen was dat wat in de VS praktijk was (naar de rechter!) in Nederland nog niet zo hoefde. Wij waren beter af met het zelf te regelen. Inmiddels is hij van mening veranderd: de wet kan wel degelijk helpen om, bijvoorbeeld, vrouwen in topposities te krijgen. Twintig jaar cultuur heeft geen cultuuromslag gebracht en de veronderstelling van Van Hijum – we zijn net zo lekker aan het omslaan dus stoor ons nou niet – is niet zo sterk als de man verwoordt. De ondermijning van de cultuur zal niet vanuit de cultuur zelf komen. Daar is een andere cultuur – van wet en rechtspraak – voor nodig en wie weet komt dan eindelijk de door hem ‘gewenste’ cultuuromslag.

De cultuur is de grote excuustruus van vandaag. En als het CDA zich inspant om de emancipatie cultuurproef te laten slagen is het twee keer oppassen. Voor de cultuue en voor de emancipatie.

18 april

=0=

 

Nietsdoen

En mensen die niets doen dragen ook niet bij aan de kenniseconomie. Ook dat kost geld. Zegt een arbeidsmarkteconoom van de Universiteit van Maastricht. Hij reageert op de Arbeidsmarktanalyse 2008 van de RWI, die gisteren in de openbaarheid werd gebracht. Die analyse richt de pijlen op de nuggers, de niet-werkende niet-uitkeringsgerechtigden of gewoon mensen die hun neus ophalen voor een uitkering. Volgens de RWI zit in die categorie meer arbeidspotentieel dan in de werklozen, de gedeeltelijk arbeidsongeschikten, de schoolverlaters en dergelijke. We moeten onze aandacht verplaatsen, we moeten de nuggers gaan ophalen. Anders lijden we schade. Niets doen is duur voor de maatschappij en dat kunnen we ons niet langer permitteren. Dwang gaat niet, maar een beetje drang? En waar loopt precies de grens? Zoeken we uit.

Niets doen levert, renteniers daargelaten, niets op. Nieuw is dat het geld kost. Niet aan pretparken maar aan geld dat we hadden kunnen verdienen en alles wat we hadden kunnen verdienen en niet verdienen verdient alsnog verdiend te worden. U kost ons, niet omdat u kosten maakt, maar omdat we niet aan u verdienen. De nieuwe moraal die, uiteraard, de definitieve triomf van het utilitaire denken is. In de economie is dat niet vreemd, in politiek en maatschappij rukt het in hoog tempo op. Normen en waarden hebben de gemeenschappelijke noemer van de kosten-baten analyse waarin kosten geen kosten zijn en baten geen baten maar beide figureren als componenten van een plan, van de organisatie maatschappij die er tegen aan gaat. Er tegen aan moet gaan want anders. En meer dan ooit is de staat de samenvatting van de maatschappij, de organisatie die verwoordt en uitvoert wat de eenheid van de maatschappij nu eenmaal nodig heeft.

Vanochtend in de trein lees ik het nieuwe boek van Peter Venmans Over de zin van nut. Hij introduceert z’n argument met de stelling dat de peetvader van het utilitarisme, Bentham, niet zo goed het onderscheid wist aan te brengen tussen plezier, geluk en nut. Uiteindelijk wint het nut, want dat kan ten minste berekend en, belangrijker nog, georganiseerd worden, met het befaamde en beruchte panopticon als bekendste illustratie van de verwaarlozing van autonomie in naam van het nut. Het nut kan gestuurd worden, door hen die weten wat nuttig is en die alle overigen zullen begeleiden in hun altijd weer onbeholpen schreden op weg naar het leren hoe om te gaan met waarvoor je verantwoordelijk gehouden wordt. Het utilitarisme is de leer van de maakbare mens en die leer is de politieke leer van de moderne tijd.

Nu maar hopen dat de nuggers de dwalingen huns wegen inzien en open staan voor de beproevende leer van de nieuwe tijd. Niets doen is onverantwoordelijk en wie het nog niet wist moet het leren. Met drang die misschien maar over moet gaan in dwang. Wie mobiliteit wil moet mobilisatie niet schuwen. Dick Berlijn moet het breder zien. Dienstplicht is ons aller maatschappelijke verantwoordelijkheid.

17 april

=0=

Leken

Invoering van jurystrafrechtspraak zal de sociale integratie en cohesie in de samenleving bevorderen. Was getekend: Wouter van den Bergh, vicepresident van de rechtbank Amsterdam (NRC Handelsblad, 14 april). Zijn argument: we zijn het aan onszelf, als een democratische rechtsstaat, verplicht ook in de rechtspraak een vorm van burgerparticipatie in te voeren. In bestuur en wetgeving hebben we het al, nu de rechtspraak nog. Het is een merkwaardig argument, juist omdat het van een heel andere orde is dan het motief van cohesie en integratie. Als we Europees kampioen worden en Afellay doet mee, en als we Olympisch kampioen worden omdat Aisatti weer eens de sterren van de hemel speelt, dan bevordert dat cohesie en integratie. In 1998 was Frankrijk een eensgezind land en Le Pen had het nakijken. Wat het met democratie, met de rechtsstaat en met die moeilijke combinatie, de democratische rechtsstaat, te maken had? Niks natuurlijk.

Invoering van lekenambten kennen we. In de kerk bijvoorbeeld, met Jos Brink als voorbeeld.  Pastor, en het trok enig bekijks. Heeft het instituut van de lekenpriester tot grotere integratie en cohesie geleid? Ik weet het niet, maar wat ik wel weet is dat de lekenpriester opkwam in de jaren zestig toen de kerk behoorlijk wat veren heeft gelaten. Dit was er één van? In elk geval, het instituut van de lekenpriester heeft het instituut van de kerk niet versterkt. Het is een uiting van de institutionele afkalving van de kerk, van een kerk die het spoor een beetje bijster is. Mijn stelling zou zijn dat de kerk als instituut er niet beter door is gaan functioneren. Zo niet dan hadden de hervormde kerken toonbeelden van kracht moeten zijn. Maar goed, ik ben dan ook een echte leek en geen pastorale. Een herder is voor mij iemand met een kudde, en ik vind de aanduiding van een kudde als het om mensen gaat een diskwalificatie vooraf.

De vraag of het instituut van het recht beter zal functioneren door lekenrechtspraak wordt door Van den Bergh niet gesteld. Maar daar gaat het natuurlijk om. Wat we weten, onder meer door het rapport van Theo de Roos waar Van den Bergh naar verwijst (en waarin op pagina 100 burgerparticipatie ‘meer dan een ideologische schaamlap’ wordt genoemd, in tegenstelling tot wat de in slotregels van het NRC artikel wordt geciteerd), is dat (1) de meeste landen hechten aan het eigen rechtsstelsel, (2) lekenrechtspraak geboren is uit het verzet tegen een ofwel door politieke belangen ofwel door klassenbelangen gedomineerd rechtsstelsel, (3) het vertrouwen in het rechtsstelsel niet van lekenrechtspraak afhangt maar eerder van de positie van de professionele rechter – die in stelsels met lekenrechtspraak niet minder invloedrijk is dan in die met stelsels zonder en (4) lekenrechtspraak ongeveer even veel en even weinig representatieve participatie oproept als, zeg, de deelname aan de actieve politiek. Er zijn leken en leken.

De oude Justiniaanse wijsheid dat het grootste recht het grootste onrecht is, dat recht en rechtvaardigheid dus kunnen botsen wordt met en door lekenrechtspraak niet ontkracht. De vraag is dus welk probleem Van den Bergh denkt te kunnen oplossen. De sociale cohesie en integratie die hij ons voortovert – zonder daar overigens iets aannemelijks over te berde te brengen – zijn zo langzamerhand een soort haarlemmerolie geworden. Goed voor alles, deugdelijk voor niks. Iedereen claimt het en al dat geroep signaleert meer machteloosheid dan goed is voor het leefklimaat. Wie sociale cohesie en integratie roept geeft slechts aan dat hij een appeltje te schillen heeft – met anderen en op hun kosten.

Van rechters is vaak gezegd dat ze hun vonnissen eens wat beter zouden moeten motiveren, naar de verdachten, de slachtoffers en naar het publiek. Dat zou inderdaad een stuk kunnen schelen. Het artikel van Van den Bergh bewijst het. En is het bewijs niet precies wat we nodig hebben, wettig én overtuigend?

16 april

=0=

 

Opiniemaatschappij

Wij leven in een informatiemaatschappij. Wordt gezegd. Ik vraag het me af. Volgens mij leven we in een opiniemaatschappij.

Een opinie is een type informatie. Ons probleem is dat we de twee niet meer weten te scheiden. De media demonstreren het elke dag opnieuw. Op scholen weten ze niet hoe ze ermee om moeten gaan. Dat komt omdat scholen hun heil zoeken in gecontroleerde informatie: hoe weet je dat? Die vraag is zo langzamerhand helemaal leeggelopen. Van internet natuurlijk, dat geheel van beeld, schrift, geluid en eigen doen. Wat is wat? Waar komt het vandaan? Wat is de bron van jouw bron? Wat heb je er zelf aan toegevoegd?

Dat waren ooit de vragen waar het om ging. Het stamt nog uit een periode dat de bronnen controleerbaar waren en, even belangrijk, beperkt in getal. Ouders, docenten, gezagsdragers, het geschreven woord. Kritiek hield die bronnen in toom. Tenzij het fout ging, doordat bijvoorbeeld één bron – de partij in totalitaire staten – alle overige inschakelde dan wel neutraliseerde.

Tegenwoordig is het aantal bronnen oneindig. Er zijn er te veel om er zelfs maar van te dromen de tijd te vinden ze te achterhalen en op, bijvoorbeeld, accuratesse te screenen. Hoe, hoe inventief en hoe snel je ermee om weet te gaan, hoe je ze weet te gebruiken voor je eigen projecten – individueel of in organisatorisch verband met anderen – dat is waar het op aankomt. Het komt niet aan op, zakelijke, waarheid want waarheid vertraagt. Het is op z’n best een kwaliteitscontrole maar het eigenlijke product is wat anders. Het product is een vorm te vinden – te ontwerpen – om succesvol te communiceren. Het komt aan op communicatie. In het bedrijfsleven wordt daarom gevraagd naar communicatieve en normatieve kwalificaties. De vaktechnische kwalificaties, ooit de trotse nummer één, staan er wat verloren bij. Controle door kritiek is een machteloos gebaar geworden en het opeisen van bronnen te tijdrovend. Een steekproef is het maximaal haalbare. We pendelen heen en weer tussen alles wantrouwen en alles op z’n beloop laten. Het bewijs verdwijnt achter de presentatie. De opiniemaatschappij is een presentatiemaatschappij, een maatschappij waarin het ontwerp (‘design’) het initiatief heeft overgenomen.

Bij een overdaad aan bronnen wordt de persoon de eerste bron. Dat speelt de opinie en de presentatie in de kaart, en omgekeerd wordt de druk op de persoon er door aangespoord en opgeroepen. Het ‘portfolio’, niet voor niets de bagage van de kunstenaar, de ontwerper per se, rukt op. Ook in het onderwijs, en met het nieuwe leren, het competentiegerichte leren enzovoorts. Want los van de vermakelijke uitspraken die we daarover aantreffen in het rapport van de commissie Dijsselbloem en de onderzoeksrapportage van het SCP, waar de commissie zich op baseert bij het oordeel over het nieuwe en competentiegerichte leren, is het probleem van het onderwijs niet opgelost met een oproep tot ‘professionaliteit’. Een professional beheerst bronnen – met uitsluiting van anderen die die bronnen niet hebben. De professional symboliseert het regiem van het zakelijke. De professional is inmiddels het monopolie op de bronnen kwijt – we kunnen alles overal halen en we doen het ook. Ik noem dat de opmars van de opinie en de komst van de opiniemaatschappij. Ik weet niet of de onderwijshervormingen van de laatste decennia daar over zijn gegaan. De commissie Dijsselbloem, in elk geval, heeft er z’n neus voor opgehaald. De Kamer, ongetwijfeld, zal ‘oplossingen’ willen. Ik hoop dan maar dat althans enkele problemen waarvoor die oplossingen moeten dienen niet uitsluitend in de verleden tijd zullen worden gesteld. Ik ben er niet gerust op.

15 april

=0=

 

Bang

De EO-jongerendag heeft me altijd een zekere afkeer ingeboezemd. Al die jonge mensen die aan niets twijfelen en blijmoedig hun rotsvaste vertrouwen bezingen in allerlei afwezigen die voor hen de aanwezigheid zelf zijn, daar kan ik niet goed tegen.

Ik was dan ook blij verrast door een bericht in Trouw vanmorgen dat ‘christenjongeren’ bang voor ‘al die moslims’ zijn. Het vertrouwen is niet compleet, niet onaantastbaar. Beter nieuws kan een mens zich niet wensen. Er is hoop voor deze jongeren. Uiteraard was er onder de bijna zevenhonderd (werden ze geteld?) gereformeerde jongeren in de Barneveldse Veluwehal weer een enkeling die in dialoog wilde gaan maar die werd stevig gecorrigeerd door arabist Hans Jansen die van mening bleek dat praten niet hielp, maar wakker blijven wel. Vertrouwen in de dialoog is mooi, maar niet onbeperkt. Onbeperkt vertrouwen is naïef en leidt ertoe dat je je aan het geneuzel van moslims nog iets gelegen zou moeten laten liggen ook. Nee, zegt Jansen ferm, ‘niet naar het gezeur luisteren dat de islam een vreedzame godsdienst is. Dat is niet waar’.

Laat ik nu altijd gedacht hebben dat mensen die zich stelselmatig in slaap laten sussen door een Hoge Absolute Levenschenkende Autoritaire Leider er niet zijn als ze er zijn, dus wel in de wereld rondlopen maar niet van de wereld zijn? Ik citeer, ik heb het niet zelf bedacht. Wakker worden! Een cursus arabistiek biedt onvermoede perspectieven. Je leert er wat waarheid is en je kunt er mensen wakker mee kussen. Het klinkt ongelofelijk maar in Barneveld is het wonder geschied.

Volgens mij zijn die christenjongeren toe aan een nieuw geloof en hebben ze afgelopen weekend kennis gemaakt met hun nieuwe voorganger. Ze moesten wakker worden geschud; voor een gereformeerde is dat een tekst voor afvalligen maar in Barneveld bleken ze bereid het op zichzelf te betrekken. Ze waren er aan toe. Niettemin, toegeven dat je al die jaren hebt geslapen, dat is het begin van een revolutie die slechts kan uitmonden in de definitieve overwinning. Dat we het maar weten.

Overigens bleek 4 procent van de aanwezigen moslims te kennen. Tja, de Veluwe is geen concentratiegebied van moslims kennelijk. Juist in zo’n situatie is een voorganger die weet dat ze allemaal hetzelfde zijn en dat als je er eentje hebt gezien je ze allemaal hebt gezien een uitkomst. De voorzienigheid als het ware. De bevrijding van Nederland begint in Barneveld en nu maar wachten tot de voorganger de toren beklimt om vanuit de hoogte de boodschap te verkondigen. Wees niet langer bang! Praat niet met moslims! Wordt wakker!

14 april

=0=

 

Tegengif

‘Het zaaien van wantrouwen werkt als een gif dat het draagvlak voor de democratie wegvreet’. Lees ik in de Groene, in een artikel met als titel ‘Is er tegengif?’. Om met dat laatste te beginnen, ja dat is er en het heet ‘heiligheid’ want vandaag de dag zal ‘de staat heiliger moeten zijn dan ooit zodat de kiezer de staat ook daadwerkelijk kan vertrouwen.’ De bijbehorende heilige is, als ik het goed heb begrepen, de expert, iemand met kennis van zaken en argumenten. Geen wervende uitkomst, en evenmin gestoeld op een wervende analyse. Hoezo wantrouwen als gif?

De democratie is niet gebaseerd op vertrouwen maar op wantrouwen. En wat we beleven is niet de opmars van het wantrouwen maar de erosie ervan en de verplaatsing van vertrouwen zowel als wantrouwen naar personen. Populisme wordt het genoemd en Wouter Bos is er – hij herhaalde het enkele dagen geleden weer eens, in een toespraak voor het Policy Network in Londen – een voorstander van, met mate natuurlijk wan Bos is een nette man. Bos zei: we moeten minder academisch worden en meer populistisch. Intrigerend contrast.

Ik ben voorstander van een ander contrast: we moeten meer op de instituties spelen en minder op de persoon. Democratie is geïnstitutionaliseerd wantrouwen en dat instituut moet worden versterkt. Kamerleden zitten slechts tot de volgende verkiezingen omdat we er niet op kunnen vertrouwen dat als we hen voor het leven benoemen zij die positie niet zullen misbruiken. De Kamer heeft de mogelijkheid met een motie van wantrouwen een minister of een regering buiten spel te zetten. Dat instrument wordt steeds botter; Verdonk had er niets mee te maken, de VVD niet en in hun kielzog Balkenende 3 niet – allemaal nog maar zo kort geleden – en de ministeriële en andere bestuurlijke verantwoordelijkheid is zo uitgekleed dat de bestuurders geen flauw idee hebben waar het over gaat als het er überhaupt nog over gaat. Zij denken dat het om hen gaat – maar het gaat om hun ambt. Het is hun positie die we wantrouwend bekijken. We hebben het niet over hen maar over de bevoegdheden die we hen tijdelijk en onder voorwaarden hebben gegeven. We kunnen er altijd op terugkomen.

Hoe meer bestuurders falen hoe meer ze blijven zitten. Ze kijken naar de toekomst, zeggen ze dan en sommigen (die verbazende burgemeester van Enschede begon er mee – na de vuurwerkramp die mede het product was van bestuurlijk falen onder de verantwoordelijkheid van diezelfde burgemeester) vinden dat ze juist dan hun verantwoordelijkheid moeten ‘nemen’. Ze leren ervan als het ware en verbazen zich er vervolgens over dat met zo’n idee van leren het lot van het leren bezegeld is: bergafwaarts. Iedereen kan het leren en wat we leren is dat je elk begrip van verantwoordelijkheid kunt oplopen door er een ‘leermoment’ van te maken (Ron Vlaar zei na zijn eerste interland waarin hij twee keer in korte tijd voorbij werd gelopen door de spits van Italië dat die blunders voor hem ‘leermomenten’ waren. Ik ben bang dat Vlaar het serieus bedoelde. Het heeft hem overigens niet geholpen maar hij was ook wel erg weinig politicus toen: hij moet nog het nodige leren).

Kamerleden kun je nog bij de volgende verkiezingen wegstemmen. Ook niet eenvoudig, maar niet onmogelijk. Balkenende 5, 6, 7 daarentegen is institutioneel niet tegen te gaan. Op kabinetten en kabinetsformaties, op premiers en ministers heeft de kiezer geen greep. We kiezen geen premier, geen kabinet en de ministeriële verantwoordelijkheid is een dode letter. Op dat punt laat de institutionele democratie, althans in de Nederlandse opzet, het afweten. We hebben niet minder maar juist meer wantrouwen nodig. Van de institutionele variant. Niks populisme. Dat Bos in zijn laatste blog van afgelopen vrijdag verheugd constateert dat Tjeenk Willink en hij op één lijn zitten is, om in de stijl van de tijd te blijven, niet waar.

13 april

=0=

 

Kattenkwaad

Waar is de humor gebleven vroeg Wim Sonneveld zich ooit af. Niemand houdt nog van een geintje en kattenkwaad wordt afgeschilderd als de opmaat naar een criminele carrière. Er is gisteren een heus congres aan gewijd, op basis van een onderzoeksrapport. Het congres had de opwindende titel ‘Misdadigers van Morgen’. De redenering is dat iedere misdadiger vroeger kattenkwaad heeft uitgehaald. Daarom, laten we ze vroeg opsporen. In de kiem smoren, of beter nog: in de wieg. Bij wijze van spreken. Hoewel, deze alledaagse waanzin staat niet op zichzelf. Het wordt in de kranten van vanochtend nog overtroefd door het bericht dat minister Klink wil dat moeders hun zuigelingen langer de borst blijven geven. Is beter voor de kindertjes. Zouden de misdadigers van morgen vroeger lang of kort aan de borst hebben gelegen? Moeten we eens onderzoeken.

In Den Helder wordt al geruime tijd een buurt getreiterd door een groepje jongeren. Kapotte ruiten, kapotte hekken, rotzooi op straat, een basisschool die in de weekenden te grazen wordt genomen. In den Helder hopen ze op veel slecht weer. Houdt de jongelui van de straat. Veel aandacht heeft het niet gekregen, maar de Pers bericht erover. Het gaat om gewone blonde jongetjes en zo dus het zal wel overgaan. Verveling, niks te doen, en dan loopt het wel eens uit de hand. Buurtbewoners praten wel, maar alleen anoniem. Je weet maar nooit. Kattenkwaad.

Ook de bewoners in Waspik willen best wel wat zeggen maar niet met hun naam erbij. In de jaren negentig waren al wat vluchtelingen weggepest, en die traditie heeft men doorgezet. Gisteren bracht Forum een rapport uit over Waspik en de recente vreugdeloze uittocht van een Liberiaanse familie. De lokale politie had het pesten als kattenkwaad beoordeeld en niets gedaan. De burgemeester kwam pas in actie toen het te laat was en mopperde over een mediahype. Nu heeft de goede man z’n excuses aangeboden aan het getroffen gezin. Dat zal hen deugd hebben gedaan. Er was ‘broddelwerk’ geleverd, zei de burgemeester ook nog. Hij bedoelde dat niemand er zin in had gehad en iedereen de zaak had doorgeschoven tot onduidelijk was geworden waar de zaak, en met de zaak de verantwoordelijkheden gebleven waren. Dat is geen broddelwerk maar beleid. De gang van zaken in Den Helder, overigens, lijkt erop, van de reactie van de politie tot en met het doorschuiven. Geen eer aan te behalen kennelijk.

Er is één verschil. In Den Helder is geen sprake van racisme, in Waspik van alleen maar racisme. Niet, overigens, van de buurtbewoners die hun best hebben gedaan maar wel wat gemeentelijke hulp hadden kunnen gebruiken. Ook niet van die jongeren in Waspik (en van die andere misdadigers van morgen) die niet weten waar ze het over hebben en die scheldwoorden en beledigingen gebruiken vanwege het vermoede effect, niet vanwege de inhoud. Het sorteert het gewenste effect en daar gaat het om. Het intimideert en als je nergens wat te zeggen hebt zoek je een plek waar je wel wat te zeggen hebt. Operatie gelukt, gezin weg.

Het racisme zit bij de bestuurders die, volgens de samenvatting van het rapport van Forum, ‘de kwestie vooral als een integratieprobleem [hebben] gezien, niet als overlast, laat staan als overlast met een racistisch karakter’. Bijgevolg heeft men wel het gezin in het vizier gehad en genomen maar niet de jongeren en hun gekloot. Dat is racisme. Geen broddelwerk, geen kattenkwaad, maar bestuurlijke oogkleppen die men zichzelf willens en wetens heeft opgezet. De jongeren komen binnenkort voor de rechter. De bestuurders, de burgemeester voorop, blijven gewoon zitten. Hoezo, misdadigers van de toekomst?

11 april

=0=

 

Verlangen

De inleiding (algemene beschouwingen) van het Jaarverslag van de Raad van State 2007 draagt de fraaie titel De Raad in de staat. Tjeenk Willink heeft ervoor getekend. Een mooi, belangrijk, en onrustbarend stuk. Er wordt veel in behandeld – behalve ‘de Raad in de staat’, want de Raad observeert met dit stuk wel politiek, bestuur, overheid en democratische rechtsstaat maar niet zichzelf als medebewaarder en – bewaker van een en ander. Als we de inleiding zouden lezen als een oordeel van de Raad over zichzelf dan is de uitkomst even vernietigend als dat over politiek, overheidsorganisatie en overheid, en de kwaliteit van de rechtsstaat.

Want vernietigend is de beschouwing. De grondtoon is dat sinds het wegvallen van verzuiling en zuilen het bestuur van Nederland bestuurlijk stuurloos is geworden: een speelbal van technocraten, managers, regeerakkoorden die het politieke opofferen aan de politiek en daarmee de politiek depolitiseren en de maatschappij polariseren, ‘de media’ – die het politieke bezetten zonder het tot een beslissing te hoeven laten komen, zonder er de politieke consequenties van te dragen en verantwoordelijkheid af te leggen – en een ondoordringbaar, aanvettend, en onoverzichtelijk mengsel van bureaucratisch- bedrijfsmatige organisatievormen waarin de kwaliteit verdwijnt in de meting. O ja, en Europa ook nog.

De waan van de dag heerst en kan ook heersen omdat de tijdseisen van wetgeving, uitvoering, naleving, controle en handhaving steeds minder op elkaar zijn afgestemd – ten koste van de kwaliteit van de wet, het verlies van de normerende en zekerheid biedende functies van de wet en ten voordele van een wetgevingspraktijk waarin bestuurders hun ding kunnen doen. Bevalt het me niet dan wijzig ik de wet of voer een nieuwe in. De machtsgreep van het bestuur leidt tot stuurloosheid en roept nieuwe stuurmechanismen op. Enzovoorts.

Vernietigend, inderdaad. En goed geschreven, goed geanalyseerd en zelf ontsnapt aan die vermaledijde waan van de dag. Dat was genoeg geweest: een oproep om een stukje van de eigen tijd te reserveren om de tijd te nemen te reflecteren op de tijd en, vooruit, op de politieke (on)mogelijkheden tijd te winnen door tijd te eisen. Dat is een andere wending dan voorgesteld door Tjeenk Willink. Zijn impliciete stelling is dat de overheid in brede zin de tijd niet hoeft te eisen – en daarin kan mislukken voor zover het al niet mislukt is – maar, als de overheid zichzelf en via zichzelf ook ons serieus neemt, tijd gewoon kan en moet nemen. Dat de overheid, daarom, in staat is tempi te synchroniseren en dat ook dwingend op te leggen aan zichzelf en de maatschappij. De weg die hij daarvoor aanbeveelt is die van de instituties. We zijn de instituties van de verzuiling kwijt, we moeten de huidige instituties van de ‘civil society’ goed leren inschakelen. Dat is zijn advies: ‘Een hernieuwd doordenken van plaats en betekenis van deze instituties is noodzakelijk’ (pag. 32).

Alles wat gebeurt kan onder het aspect van instituties worden bekeken. Het komt gewoon neer op de vraag naar de manier waarop iets nieuws beoordeeld en behandeld wordt: rekening houdend met alles wat we hadden en waardeerden of juist niet dan wel slechts voor een beetje? De vraag alleen al signaleert vertraging. Instituties zijn ononderscheidbaar van trage tijd. Ze veronderstellen greep op de tijd. Als er iets duidelijk is geworden de laatste decennia is het wel dat die greep iedereen en elk systeem is ontglipt, met de politiek als exemplarisch voorbeeld. Tjeenk Willink roept verwachtingen op die niet op z’n eigen analyse zijn gebaseerd maar op een verlangen naar een tijd die door de tijd is ingehaald. En dat is jammer.

10 april

=0=

 

Aanklagen

Alle officieren van justitie in Italië moeten aan een periodiek psychiatrisch onderzoek worden onderworpen om hun ‘mentale gezondheid’ te checken. Dat berichtje haal ik van de Volkskrant website vanochtend. Ideetje van Berlusconi, die zich noch aan parlementen noch aan rechtbanken iets gelegen wil laten liggen. Ook lees ik dat in Utrecht een jongerenwerker (‘van Marokkaanse afkomst’; de jongen is een Amsterdammer) veroordeeld is voor het beschadigen van een muur (het spuiten van de tekst ‘Fuck Wilders’ op de muur). De officier vindt de actie ‘op zich niet zo schokkend, maar de context maakt het anders’. De rechter achtte bovendien bewezen dat jullie (onze jongerenwerker was in het gezelschap van een andere jongen) ‘misschien wel auto’s in de brand wilden steken’. Straf: drie weken voorwaardelijk en een werkstraf. Voorstraf: drie nachten in een cel. Motivatie: een jongerenwerker moet het voorbeeld geven. Uitwerking: een jongerenwerker wordt ten voorbeeld gesteld.

Twee dagen geleden werd een rechtszaak tegen Wilders compleet in diens voordeel beslecht. Van context was geen sprake, van de voorbeeldwerking van een Kamerlid al helemaal niet en ‘misschien’ als bewijsgrond kwam niet voor. Het recht wordt geschreven waar we bij staan. In actu als het ware en verrassend als je op de oprispingen van aanklagers en de rechters let en niet verrassend als je op de vox populi let. Uit de Pers van vanochtend begreep ik dat een grappenmaker aan Verdonk het idee heeft meegegeven voortaan alle rechtszaken via internet te laten beslissen. Regel: de meerderheid beslist. Hoewel, grappenmaker? Trendwatcher is een betere omschrijving.

Dat de nieuwe politiek antiparlementair is weten we niet alleen van Berlusconi. In Nederland kennen we het sinds Fortuyn en het wordt meer dan gretig opgepikt door Wilders en Verdonk. Wordt het nieuwe recht parajuridisch? Het zou zo maar kunnen. We zijn niet ver weg van het punt dat een rechtszaak nooit meer zal worden afgesloten, dat elke uitspraak voorlopig is tot iets anders zich – misschien – zal voordoen en heropening geboden is. Contextjustitie kortom. Niet de aanklagers of rechters moeten periodiek worden onderzocht maar het rechtsstelsel als zodanig, het stelsel dat kennelijk de greep op z’n omgeving (z’n ‘context’) inmiddels al zover kwijt is dat aanklagers noch rechters op juridische gronden weten te beslissen wanneer ze de knop van ‘context’ moeten aanzetten of uitzetten. Als ze dat niet weten, en de praktijk van de laatste jaren laat daar weinig twijfel over bestaan, dan beslist die context wel voor hen. Vraag het maar aan die jongerenwerker. En aan Wilders.

9 april

=0=

 

Kennis

Mohammed Rabbae wil met PVV stemmers in discussie omdat ze volgens hem bang voor moslims zijn vanwege hun gebrekkige kennis van de islam.

Ik wil met Bush stemmers in discussie omdat ze volgens mij bang zijn voor belastingen vanwege hun gebrekkige kennis van de economie.

Wilders wil met moslims in discussie omdat ze volgens hem bang zijn voor de moderne samenleving vanwege hun gebrekkige kennis van onze normen en waarden.

Wilders wil wat iedereen wil.

Rabbae heeft het geheim van Nederland uitgesproken. Er is een gebrek aan kennis. Dat is het probleem. De oplossing is meer kennis. Meer is beter. Betere kennis leidt vanzelf tot meer begrip, meer begrip leidt tot meer consensus, meer consensus leidt tot meer participatie, meer participatie leidt tot meer integratie. Dan is het huis eindelijk af.

Kinderen van een basisschool in Amsterdam hebben onlangs hun kennis verrijkt door in schoolverband een bezoek te brengen aan een moskee. Daar leerden ze iets wat ze nog niet wisten. Ongelovigen wacht hel en verdoemenis werd hen door de dienstdoende geleerde voorgehouden. Dat de kinderen weten wat hel en verdoemenis is werd daarbij verondersteld en wat een ongelovige is eveneens. Nazorg is daarom geboden.

De betreffende moskeebeambte verdient een compliment dat hij de kinderen, of in elk geval naar ik aanneem het grootste deel ervan, iets heeft geleerd dat voor hun jonge oren nieuw was. Hij had ook iets kunnen vertellen over respect en zo, maar daar worden die kinderen toch al elke dag mee doodgegooid dus dat schiet niet op. Zware woorden, weidse perspectieven en een oplossing voor alles, dat zal het menu geweest zijn. Nieuwe kennis hakt erin. Breng het vooral in discussie. Zou Rabbae dat bedoeld hebben met zijn oproep? Dat hij in hetzelfde interview (in Spits, van gisteren) pleit voor een ‘soort islamitische CDA’ en zich nu al aanbiedt als ‘adviseur’ voor zo’n gezelschap geeft aan dat hij misschien niet helemaal vertrouwt op kennis alleen. Kennis zonder macht is machteloze kennis. Kennis is geen macht. Het is omgekeerd. Macht is kennis. Kennis van de angsten en onzekerheden van mensen. Kennis om daar je voordeel mee te doen. Breng dat maar eerst in discussie. De kinderen zullen ervan opkijken.

8 april

=0=

 

Pionnen

Minister Donner houdt erg van fröbelen vertelde hij laatst. Hij knutselt bouwpakketten in elkaar en dat ontspant. Zou hij ook, een mooie familietraditie indachtig, van schaken houden? Ik aarzel. Donner denkt dat een pion een pion is, terwijl de grote Jan Hein wist dat één pion, afhankelijk van de positie ervan en van de overige stukken, al genoeg is om de strijd te winnen. Pionnen zijn ook aardig om te offeren. Niet elke pion haalt de eindfase. Niet elke pion krijgt dezelfde behandeling.

Donner stelt voor dat voor elk jaar dat mensen na hun vijfenzestigste doorwerken hun AOW met 5 procent wordt opgehoogd. Dat is geen vetpot, maar pionnen zijn kleine eters. De gedachte is dat mensen wel vijfentachtig jaar kunnen worden en, zo rekent Donner ons voor, 20 jaar vermenigvuldigd met 5% is 100%. Geen speld tussen te krijgen. Bovendien zijn er tal van mensen die een AOW gat hebben omdat ze hier pas na hun 15de levensjaar zijn komen wonen. Dat gat kun je aardig opvullen door wat langer door te werken. Denk eens aan al die Surinamers bijvoorbeeld, zegt Donner. En aan al die andere buitenlandse werknemers. Gesteld dat die pas zo rond hun 25ste levensjaar hier zijn gekomen dan missen ze mooi 20% op hun AOW. Vier jaar extra werken en ze krijgen het volle pond! Nog vier jaar en ze krijgen zelfs 120%!

Hoe oud zouden die mensen gemiddeld eigenlijk worden? Vijfentachtig zoals de rekensom van Donner veronderstelt? Of misschien een paar, of zelfs een aanzienlijk aantal, jaren minder? Zijn er geen sociaal-economisch bepaalde verschillen in levensduur? Zijn die verschillen niet nu al een klein schandaal omdat mensen in de betere beroepen met de betere werkomstandigheden en de betere arbeidsvoorwaarden het gemiddeld genomen wat langer uithouden dan mensen die van al dat moois minder hebben kunnen genieten? Zijn het niet diezelfde mensen in de mindere beroepen die in het algemeen eerder aan het werk gaan dan de mensen in de betere beroepen? Zijn het niet juist en uitgerekend die mensen die ook nu al ruim boven de 45 werkjaren uitkomen voor ze hun AOW voor een paar jaar mogen incasseren? Zijn het niet de anderen die als regel de 40 werkjaren niet halen die veel langer van hun AOW gebruik kunnen maken?

Dit kabinet is bezig de AOW om te zetten van een volksverzekering in een werknemersverzekering. Donner bevindt zich in uitstekend gezelschap dus, collegiaal gezien. De uitkomst zal een verdere herverdeling op kosten van de minst verdienenden zijn. Komt dat even goed uit dat dat dezelfden zijn die door het lot met een wat kortere levensduur zijn uitgerust! Sterker nog, het plan financiert zichzelf en levert nog een prachtig rendement op ook, juist omdat de minst verdienenden die korte levensduur hebben. Pure winst: ze dragen langer bij, ze nemen korter af, en de kans dat juist bij hen langer doorwerken de levensduur nog wat naar beneden brengt is allerminst denkbeeldig. Vergrijzing, collectieve lastendruk: dat lossen we samen wel op.

Het begon met de pensioenen, in het bijzonder de VUT en de FPU. Ook daar werd de ontmoedigingssanctie niet gerelateerd aan het aantal gewerkte jaren maar aan het aantal jaren dat de mensen nog scheidde van hun 65ste levensjaar. Een voordeel voor de late beginners, een nadeel voor de vroege beginners. Donner wil dat trucje nu herhalen voor de AOW. Op kosten van alle pionnen. Er zijn per slot waardevoller schaakstukken. Ja, ik denk dat Donner wel wat aan schaken doet. Hij is dan wel geen grootmeester maar in de politiek kom je ook met bluf een heel eind.

7 april

=0=

 

In de olie

Dat Bush niet zo dom is als we soms gemakshalve aannemen wordt door Frank Ankersmit (NRC Handelsblad, katern Opinie & Debat, 5 april) verklaard uit de ‘peak oil’ hypothese. Die houdt in dat de opbrengsten van de olievelden binnenkort zullen dalen. Gewoon, de voorraden zijn eindig en we zullen vandaag of morgen merken dat het minder wordt, niet meer, hoeveel we ook willen betalen per vat olie. Op basis van die hypothese is de oorlog in Irak logisch: je vergroot je greep op de nog wel aanwezige voorraden en tegelijk houd je daarmee de concurrenten op afstand. De Amerikanen zitten er boven op en een knappe jongen die ze daar weg krijgt. Ankersmit: ‘Wel Obama of geen Obama, ik zie de Amerikanen daarom nog niet uit Irak vertrekken’.

Het neoconservatisme, want daar gaat het artikel van Ankersmit over, was niet veel meer dan de vlag die de lading moest dekken. Geen goede vlag want het probleem voor de Amerikanen is nu juist dat die ideologie per saldo meer heeft stukgemaakt van, dan heeft bijgedragen aan de strategie om Irak en z’n olie in handen te krijgen. Het neoconservatisme is z’n eigen vijand geworden. Het zal vervangen worden, ongetwijfeld door weer een boel onbetamelijke flauwe kul en, zo vermoedt Ankersmit, er zullen weer nieuwe adepten van het slag Spruyt en Boekestijn opstaan om de zegeningen ervan rond te bazuinen. Dat zal wel hoewel, gelet op de Nederlandse politiek, de kring wat klein getrokken wordt op deze manier. Het neoconservatisme en z’n opvolgers zijn de vijand van het conservatisme (en en passant stelt Ankersmit ook nog vast dat hetzelfde opgaat voor het neoliberalisme als vijand van het liberalisme).

Daar heeft Ankersmit vast gelijk in. Maar ik twijfel aan zijn al te snelle conclusie dat de neoconservatieven, inclusief Bush zelf, de handel van Bush hebben bedorven. Ik weet niet precies hoeveel van die lieden geloof aan die hele santenkraam hebben gehecht. Dat zou nog wel eens kunnen meevallen. Cheney staat ongetwijfeld niet alleen. De vraag die Ankersmit oproept is immers in de eerste plaats die naar de geloofwaardigheid van de peak oil hypothese. Dat die hypothese zelf dubieus is wordt door Ankersmit met kracht ontkend (‘het volstrekt correcte inzicht in dat aanstaande ‘peak oil’-moment en in de zeer dramatische politieke consequenties die dat hebben zal’). De plannetjes die in de NAVO circuleren met betrekking tot het garanderen van de toegang en leverantie van olie, trouw verwoord door De Hoop Scheffer en herhaald door Verhagen, komen niet nergens vandaan. Dat de hypothese onjuist is wordt daarentegen verwoord door dezelfde auteur die Ankersmit citeert als zijn bron: Engdahl. Die stelt namelijk twee dingen: (1) de idee van de peak oil gaat over de beschikbaarheid van relatief goedkope olie en (2) de hypothese van de peak oil is helemaal hartstikke fout. Het succes van de Russische olieproductie berust op het verwerpen van die hypothese en dus op het verwerpen van de – letterlijk en figuurlijk – fossiele herkomst ervan. En dat de Russen succes hebben met hun ‘a-biotische’ veronderstellingen en de daarbij horende boorpraktijken – niemand kan het ontkennen. Zij hebben, zegt Engdahl, een slagingspercentage van 60%, tegen 10% van de andere producenten.

Niet olie, maar goedkope olie is het strijdpunt. Er is geen dreigend tekort aan olie maar aan goedkope olie. Dat maakt van Bush een warlord, een krijgsheer, een type dat niet bijdraagt maar slechts met geweld afroomt. En het maakt van de neoconservatieve ideologie iets meer dan de vervangbare schaamlap die Ankersmit – een beetje plat-materialistisch – ervan maakt. De chaos in Irak en de observatie dat het met de vestiging van een Irakese staat maar niet wil lukken zijn alleen dan een mislukking – voor de Amerikanen en hun bondgenoten wel te verstaan, de Irakezen zelf hebben gewoon pech gehad – als er voor de Irakese olie geen alternatief is. Dat is er wel, ook al zal het de grote oliemaatschappijen met gigantische kosten opzadelen. Het minste wat daar voor nodig is, is tijd. De greep op de goedkope olie verschaft die tijd. De krijgsheerpolitiek van Bush is zo gek nog niet en de vestiging van een stabiele staat – laat staan het hebben laten afhangen van de oorlogsbeslissing van voldoende voorbereidingen voor zo’n staat en het laten afhangen van de oorlogsstrategie van diezelfde voorbereidingen – is in dat verband overbodig. Krijgsheren kunnen per definitie niks met een stabiele staat. Bush is geen staatsman. Bush verdedigt de belangen van de fossiele olieproducenten, zoals krijgsheren van ander signatuur papaverbelangen hebben en verdedigen. Maar zolang niet bewezen is dat Bush niet heel goed weet dat de Russen een grote voorsprong hebben in de technologie en de praktijk van het winnen van energie door uitgerekend de fossiele herkomst en beperkingen ervan te ontkennen, zolang is het wel zo verstandig Bush zelf geen fossiel te noemen. Hij koopt tijd, of beter: hij dwingt tijd af en lat zich ervoor belonen. De rekening wordt elders neergelegd. Bush is de eerste moderne politicus van de 21e eeuw.

6 april

=0=

 

Vertrouwelijke feiten

Zijn er eigenlijk onware feiten? Je hebt feiten en verzinsels, feiten waar we veel belang aan hechten en feiten die we pietluttig vinden, maar ware en onware feiten? In Nederland wel. Een politicus die ontkent dat zich bepaalde feiten hebben voorgedaan en dat vertaalt als leugen en bedrog, ach dat lijkt op de puber die zich betrapt voelt en daarom des te harder gaat schreeuwen. Puberaal gedrag, gemotiveerd door de hoop dat we het door alle geschreeuw en opwinding niet meer over de gebeurtenissen zelf zullen hebben maar over de geloofwaardigheid van de strijdende partijen. Welles en nietes zijn geen schaakstukken in het spel der feiten, maar in dat van de geloofwaardigheid.

Het verdrietige is dat de media, ten koste van zelfs maar de pretentie van enige nog serieus te nemen kritiek, het liever hebben over geloofwaardigheid dan over feiten. Dat weten we al lang, Wilders weet het al lang en de verzamelde politici weten het al lang. Het kabinet is per slot evenmin geïnteresseerd in feiten – over Irak bijvoorbeeld – en vindt toch dat het geloofwaardig is in vragen van oorlog en vrede. Bijvoorbeeld. Des te erger voor de feiten zullen we maar zeggen, in ieder geval in deze kabinetsperiode en gegeven de isomorfie van politiek en media, van een ‘openbaarheid’ die aan zichzelf genoeg heeft en zich niet kan laten storen door zoiets triviaals als de feiten.

Een kabinet dat z’n neus ophaalt voor de feiten moet niet verbaasd zijn dat het weinig geloofwaardig is als het zich een keertje op de feiten beroept. Geloofwaardigheid is niet hetzelfde als een beetje shoppen in de feitenwinkel als je hoofd er toevallig een keertje naar staat. Als het je uitkomt. Het is een beetje als met Ajax voetballer Suarez die zo vaak valt dat als hij een keertje ten val wordt gebracht door niemand wordt geloofd, te beginnen bij het publiek. Ook scheidsrechters hebben er hun bekomst van. Hun vraag is niet wat er gebeurt maar wie er nou weer stennis maakt. Met zulk geklier word je geen kampioen, al was het maar omdat niemand er nog in gelooft.

Er is slechts één feit dat deze week door niemand is ontkend. Het zal wel onbelangrijk zijn. Dat feit is dat kabinet en Tweede Kamer, met de stilzwijgende instemming van de media, het vertrouwelijke gesprek hebben afgeschaft. De feiten over wat Wilders, kabinet en coördinator terrorismebestrijding vertrouwelijk hebben besproken konden worden geschonden omdat de feiten er toch al niet toe doen. Het belangrijkste feit was niet de inhoud, maar de vertrouwelijkheid van de gesprekken. Dat feit, dat vertrouwelijke gesprekken mogelijk zijn, is met algemene instemming naar de prullenbak verwezen.

Vertrouwelijkheid is uit de aard der zaak een bijzonder gewrochte constructie. Er hangt onvermijdelijk nestgeur aan, en medeplichtigheid. Het wordt vaak misbruikt, zoals we weten uit de lange en treurige geschiedenis van incestueuze relaties. Je kunt je dus best afvragen wat er precies verloren is gegaan deze week. Maar de eigenlijke vraag is een andere. Nu we het vertrouwelijke gesprek over boord hebben gezet weten we dat de politici ook die mogelijkheid – vluchtheuvel, onder omstandigheden – niet meer delen. Iedereen heeft vanaf heden de vrijheid aan nestbevuiling te doen en uit de school te klappen. De politici delen niet de politiek, ze delen een medialandschap. De nieuwe politiek is een scoop.

5 april

=0=

 

Een ander paradijs

De Groene heeft deze week een interessant artikel over Tibet (‘Tibet is geen spiritueel paradijs’). Tibet is arm, maar de laatste jaren groeit de economie snel. Volgens de statistieken dan en volgens de regels van de kunst want hoe gaat dat? Dit is de stelling (van Robert Barnett, Tibet-deskundige van Columbia University in New York en aangehaald in het artikel): ‘Het Chinese ontwikkelingsmodel is volledig gericht op groei van het bruto nationaal product. Dat betekent in de eerste plaats: alle kleine boeren, die hun eigen oogst opeten of ruilen, naar de steden krijgen. Honderden miljoenen mensen die niets aan het bnp bijdroegen, doen dat opeens wel. En de concurrentie om banen houdt de lonen laag.’ Wat voor China geldt (met de ‘honderden miljoenen’ boeren die de geldeconomie in worden geduwd), geldt dus ook voor Tibet, met z’n vijf miljoen mensen waarvan velen ook nog eens elders wonen en leven. Het is niet de wet van het land, het is de wet van de economie: de  zege van de betalingen (bnp!) op de zelfvoorziening.

In Tibet wordt een cultuur geofferd, zo begrijp ik uit het artikel in de Groene. Tibet is een bezet land, en wat ze dachten daar te mogen en ook deden, mag lang niet altijd meer. De Chinezen bezetten niet alleen het land maar ook de banen en de religie, tot en met de benoeming van het religieuze leiderschap. Dat, plus de verliezers in de race om het bnp, verklaart de voedingsbodem voor het verzet tegen China, met de Spelen als aanleiding. It’s the economy, stupid!

Het is het verhaal van de beroemde econoom Alfred Marshall over de huishoudster. Als huishoudster droeg ze bij aan het bnp, maar toen haar werkgever met haar trouwde daalde datzelfde bnp. Dat is de vriendelijke variant, want het dienstenniveau bleef gewoon gehandhaafd. Het is ook het verhaal van de Nederlandse economie van de laatste decennia: hoe minder we thuis doen, hoe meer we moeten laten doen, hoe groter het bnp. Het gezinsinkomen is afgeschaft en tegelijk en daardoor zijn ‘we’ rijker geworden. Dat is, in ons geval dan,  het optimistische verhaal. Het voorbeeld Tibet (en China) is het armoedeverhaal van hetzelfde: wat je zelf deed en voor jezelf mag je nu alleen nog voor geld doen en dus voor anderen, voor ‘klanten’. Economie gaat niet over ‘riches’ maar over ‘wealth’. De economie gaat niet over behoeften en behoeftebevrediging maar over betalingen, over geldtransacties. We zijn niet kwetsbaar vanwege onze productiviteit, we zijn kwetsbaar vanwege een kwetsbaar geldmechanisme.

Donderdag 3 april vertelt Wellink in het NRC dat als de geldmarkten ‘opdrogen’ de rapen gaar zijn. De rapen zijn gaar, want alles wat wordt aangeboden – en er worden miljarden aangeboden – wordt nog slechts mondjesmaat doorgegeven. We kopen er liever grondstoffen voor, of goud – waarvan de prijzen zullen stijgen en dat ook doen. Waardoor inflatie in de hand wordt gewerkt en feitelijk stagflatie. Een crisis is er als de het circuit van betalingen hapert. Dat is inmiddels de situatie. Wellink weet het ook niet meer: lonen matigen roept hij nog, maar dat is een reflex. Hij gelooft er zelf nauwelijks in.

Elke keer als de betalingen haperen treedt de politiek op, niet zozeer direct – hoewel dat door Bush ook is gedaan – als wel indirect door de monetaire en financiële autoriteiten. Dat kost de belastingbetaler inmiddels een forse duit – net zoals de inflatie niet gratis is en als de werknemers met Wellink meegaan dan betalen zij in elk geval het volle pond. Met de Nederlandse vakbonden zoals ze zijn zou dat best kunnen gebeuren. Maar los daarvan, politiek en staat lopen tamelijk hijgend achter de gebeurtenissen aan en weten net zo min als de direct betrokken actoren wat er allemaal gebeurt en kan gebeuren. De hard werkende Nederlander, het simulacrum waarmee Rutte vergeefs poogde dat andere simulacrum van de ‘kloof’ tussen burger en politiek te benutten, kan zich best in het zweet werken – maar wat het waard is, daar wordt hij/zij niet in gekend en we horen het pas achteraf. We weten niet waar we aan toe zijn.

Dat is een ongemakkelijk gevoel. Autoriteiten die geen autoriteit hebben en van het stukje dat ze nog wel hebben niet weten hoe ze dat effectief kunnen inzetten. Uit onmacht spreken ze ons toe en roepen op tot goed gedrag. Bezweringsformules die ons niet naar een ander paradijs zullen leiden. Rita Verdonk zag het bij de oprichtingsvergadering van haar club beter. Je moet aansluiten bij wat we hebben, bij ‘onze cultuur’. Je moet het verdedigen en uit handen slaan van al die anderen die met onze cultuur, onze normen en waarden, onze vrijheden in de uitverkoop doen. Je moet je sterk maken voor Sinterklaas dus, verklaarde ze. Precies, wat anders? Sinterklaas is het nieuwe simulacrum van de nieuwe politiek. Een geruststellende gedachte. Zij hun Dalai Lama, wij onze Sinterklaas. Dat gaat helpen.

4 april

=0=

 

Ik ben het zelf

Wat er me je geld gebeurt is voor de meesten van ons onduidelijk. Soms komen we erachter dat onze bank in wapentuig belegt en dan worden we boos. Dat vinden we ethisch (doe de ander niet aan wat je zelf ook niet zou willen) onder de maat. Of de bank zit diep in dubieuze transacties zoals de laatste tijd ieders vrees is. De bank moet ons goed informeren, zeggen we dan. En daar ontbreekt het aan. Omdat de banken het zelf ook al lang niet meer weten, bijvoorbeeld, en omdat een bank er niet is voor de ethiek maar voor het vergemakkelijken van geldtransacties. Een bank doet het goed als het volume van die transacties stijgt en dus het aantal spaarders en leners, dan wel de omvang van hun besparingen en kredieten, dan wel beide. En een bank doet het heel goed als hij dat ook nog een beetje efficiënt weet af te wikkelen.

Een bank opereert op financiële markten zegt men. Voor het gemak dan, want linksom of rechtsom doet een bank natuurlijk niets anders dan ingelegd geld doorschuiven naar vragers van geld. De markt van de bank: dat zijn de spaarders en de leners (en veel leners zijn ook spaarders en omgekeerd) en het gemak waarmee een bank aan die lieden komt hangt mede af van hoe goed andere banken hetzelfde doen. Laten we aannemen dat die ook tot die markt behoren, aan de aanbodskant dan van de diensten die geldtransacties faciliteren.

Zo’n markt doet natuurlijk helemaal niks. Een markt betaalt geen lonen uit, looft geen prijzen uit, sluit geen transacties af en staat geen klanten te woord. Mensen die het doen voorkomen alsof markten iets doen (die over ‘marktwerking’ spreken, over de ‘tucht’ van de markt, over het ‘schonen’ van markten – wie maakt me los? – enzovoorts) zijn geschikt voor een propedeuse theologie maar niet voor de economie. Waaruit we de conclusie mogen trekken dat de economie de theologie van de moderne tijd is – en dat zal, behalve de economisch theologen zelf, weinigen verbazen.

Een markt ‘opereert’ niet. Wat wij markt noemen bestaat uit observaties: informaties (over klanten, concurrenten, de juridische, politieke enz. omgevingen en over je eigen sterktes en zwaktes) en risicotaxaties op basis van die informaties. En dan doen we wat, of niet, al naar de informaties en taxaties uitvallen. De operaties worden verricht door economische actoren die worden bijgelicht door wat er te observeren valt. Soms is dat observeren lastig omdat een geldtransactie bijvoorbeeld ook een religieuze transactie blijkt te zijn, soms is dat makkelijker omdat de religie wijzer is geworden.

De markt is niet meer dan de omgeving van allerlei economische actoren (ondernemingen, werknemers, consumenten) en hoe meer die omgeving zich aanpast aan de spelregels van de economie (geen priesterheerschappij, geen politiek primaat over de economie maar een politiek primaat van de economie, privatisering, economisering van het recht, vrijhandel op het gebied van goederen, diensten, arbeid en kapitaal, enz.) hoe meer ruimte diezelfde economie krijgt. De economie: dat is een geheel van betalingen, van betalingen die andere betalingen oproepen, en hoe meer we daar aan wennen (dat wil zeggen wennen aan het feit dat de economie niet gaat over behoeften maar over betalingen en dat het dus nodig kan zijn het gas af te sluiten: om de voortgang van de betalingen te dienen) hoe meer we beseffen dat het niet de tegenstelling tussen markt en plan is waar het om gaat maar de tegenstelling tussen betaling en zelfvoorziening. Werk is betaald werk; het is niet het werk dat het werk definieert maar de betaling. Werk is economie, geen volkstuintje. Werk is meespelen in het spel van betalingen dat wij economie noemen. Vandaar dat we niet-werken als status aan het vernietigen zijn. We kennen nog-niet-werken maar je er wel op voorbereiden, werken, tussen banen in zitten en dus op weg naar nieuw werk zijn, niet-meer-werken. Voor niet-werken is geen plek gereserveerd. Dat zouden we allemaal wel willen!

Vanochtend, in de trein, lees ik in de Pers dat een EUR hoogleraar corporate governance, tot voor kort verbonden aan de ING, zich afvraagt ‘wie’ de financiële markten zijn die tegenwoordig zo kritisch worden bejegend. Het zijn niet de banken zegt ze, we zijn het zelf, ‘spaarders en beleggers, individuen dus, die gewoon een goed pensioen willen’. Waaruit ik maar afleid dat corporate governance gewoon een omslachtig woord voor ‘self management’ is (ik zou de naam van die leerstoel snel veranderen als ik haar was) en dat de vraag naar het ‘wat’ van markten gemakshalve kan worden vervangen door de vraag naar ‘wie’. We zijn het zelf, we zijn én de economische actoren én de markten. Banken zijn geen economische actoren (behalve in van ‘ons’ afgeleide zin) en het verschil van actor en omgeving, evenals dat van operatie en observatie, is per heden vervallen. Marktwerking, dat ben ikzelf. Verblijdend nieuws. Verbijsterend nieuws. Zouden de tucht, de discipline en de andere deugden nu ook vanzelf komen of moet ik daar nog iets voor doen? Het antwoord is ja, nou en of zelfs. Als mijn bank fout belegt dan had ik dat kunnen weten en als ik het niet wist dan komt dat omdat ik naïef ben. Zegt de hoogleraar. Ze zegt ook: ‘Het individu moet zijn verantwoordelijkheid nemen’. Ik ben gewaarschuwd. Als werknemer was ik het al, nu ook als spaarder en of ik wil of niet, belegger. De democratie van het eigen risico is totaal geworden. Moet ik toch eens de tijd voor nemen, ware het niet dat al mijn tijd reeds bezet is door het me informeren over en taxeren van alle transacties waar ik in betrokken ben. En waarvoor ik zelf verantwoordelijk ben. De paradox van de risicodemocratie zou het kunnen heten: tijd is geld en geld is tijd. Een lastige paradox overigens want voor het oplossen van een paradox moet je als regel de tijd invoeren maar die staat nu net ter discussie. Soms voel ik een lichte vermoeidheid opkomen. Ik droom van naïveteit. Is dat naïef?

2 april

=0=

 

En de winnaar is …

Gisteren, op de fiets, bedacht ik me dat ik Arnold weer eens moet bellen. Jaren geleden zagen we elkaar regelmatig maar daar is behoorlijk de klad in gekomen. Jammer eigenlijk. Bovendien is er een dringende praktische reden het contact te vernieuwen. Er is een vacature en volgens mij is Arnold er geknipt voor. Ik zou geen betere kandidaat kunnen bedenken.

Arnold woont al zo’n veertig jaar in Amsterdam, maar hij is geboren in Paramaribo en daar heeft hij ook zo’n achttien jaar gewoond, aan de rand van de stad. Zijn moeder is er altijd blijven wonen, zijn zus kwam in de jaren tachtig ook naar Amsterdam. Arnold is getrouwd met Anneke en Hollandser dan Anneke komen ze niet.

Ik heb geen flauw idee wat bi-cultureel is maar misschien is Arnold wel bi-cultureel. Dat wil zeggen, volgens de gemeente Amsterdam zou hij het kunnen zijn. Die zoeken een bi-culturele wethouder. Ik heb het zinkende gevoel dat ik zelf voor de gemeente als mono-cultureel te boek sta, hoewel ik mij in het heersende klimaat eerder hetero-cultureel voel. Moet kunnen, en gelukkig hebben we vrijheid van meningsuiting.

Ik voel mij cultureel zeer verbonden met Arnold. Dat is ook niet raar bij mensen die het in elkaars gezelschap redelijk toeven vinden. Ik voel mij cultureel totaal niet verbonden met bestuurders die de ongein van bi-culturaliteit hebben uitgevonden. Multiculti mag niet meer, bi-culti is de opvolger? Lodewijk Asscher spant de kroon. Volgens hem is het helemaal geen uitgemaakte zaak dat een Surinamer wethouder moet worden. Turken of Marokkanen kunnen net zo goed de allochtonen vertegenwoordigen vindt hij. Als het maar van een andere cultuur is en toch iemand die, vooruit, Nederlands spreekt en onze wormen en maden verkiest boven andere merken. Cultuur is waar je heen moet, en elke keer als je een beetje in onze richting schuift schuiven wij een beetje door. Verschil moet er zijn en daarom moet het verschil blijven. Een geïntegreerde bi-culturele bestuurder, die willen we, een rolmodel voor minder goed geïntegreerde en daarmee automatisch mono-culturele lotgenoten die best een steuntje in de rug kunnen gebruiken. Die zich aan het rolmodel kunnen optrekken, er zich door laten inspireren, ervan kunnen leren dat bi-culturaliteit bijna net zo goed is als de echte cultuur en dat je er zelfs wethouder mee kunt worden.

Bij nader inzien wil ik Arnold dat gekkenhuis toch maar besparen.

1 april

=0=