| Van
de redactie
Een
oratie houdt, althans volgens het woordenboek, het midden tussen een
rede en een gebed. Associaties die het woord onmiddellijk oproept zijn
uiteraard de oratio pro domo (het betoog, het pleidooi, de
uiteenzetting enerzijds, de verdediging van het eigen belang
anderzijds) en het oratorium (in de dubbele betekenis van een
muziekstuk voor zang en instrumenten én een afgesloten bidvertrek).
En dan is er natuurlijk de inaugurele rede: de oratie uitgesproken bij
de aanvaarding van het ambt van hoogleraar.
In
de vier in dit nummer van Filosofie
in Bedrijf opgenomen inaugurele redes (aangevuld door de
boekenrubriek ‘Literatuur, kort besproken’, van Sverre Spoelstra)
komen we van alles tegen. Het eigen belang komt voorop en zo hoort het
ook: de afpaling van een eigen stek in het vakgebied en het aanwijzen
van de thema’s die daarin met name voor verdere uitdieping in
aanmerking komen. Ook de tien geboden zijn vertegenwoordigd, zij het
niet langer voor de gehele mensheid maar alleen voor de vakbeweging
(De Beer). Daarnaast vinden we vloeiende muzikale 'in the mix'
overgangen van de moderne dj, platen combinerend en tegelijk
combinatiestress vermijdend en metaforisch voor de moderne
taakcombineerder die zowel thuis als op het werk de zaak aan de gang
en in harmonie moet houden (Wilthagen). En we vinden een pleidooi voor
de file als de laatste plek waar het recht op luiheid nog kan worden
gepraktizeerd en het georganiseerde leven gelaten kan worden voor wat
het is (Ten Bos). Hoewel, ook dan moet je nog steeds beslissen
wat je met je gsm wilt doen. Het managen, en management draait om tijd
(Karsten), houdt niet op bij de deuren van het bedrijf. Ook het
streven naar tijdsautonomie - hoog op de agenda van de werknemer –
neemt de vorm aan van organisatie en organiseren.
Organisatie
dus. Want, hoe divers ook, de vier oraties bezitten meer
overeenkomsten dan verschillen. Zoals Dahrendorf ons destijds
trakteerde op het 'ergerlijke feit' van de samenleving, zo
confronteren De Beer, Wilthagen, Karsten en Ten Bos ons met het 'ergerlijke
feit' van de organisatie. Organisaties zijn al lang geen middel meer,
zo ze het ooit waren, en het is bijna een opluchting als een
organisatie het loodje legt. Aan Ahold werd, aan Shell wordt
getwijfeld. Maar, mochten ze heengaan dan wel georganiseerd graag. Zo
mobiliseert het verdwijnen van een organisatie de alomtegenwoordigheid
van de georganiseerdheid.
Niet
dat het helpt. Organisatie roept desorganisatie op en meer dan dat:
desorganisatie is onontwarbaar verweven met organisatie, al was het
maar omdat mensen zich tegelijkertijd binnen en buiten de organisatie
bevinden. De 'variable human' (Thompson) mag nog zo haar best doen
zich als beslissingsmachine op te werpen, helemaal lukken gaat dat
nooit. De grens tussen binnen en buiten is niet alleen een scheiding
der sferen. Het is óók een plaats waar sferen samenkomen en het één
gaat niet zonder het ander. Als de 'onschuld van de desorganisatie'
(Ten Bos) dat kan verbeelden is er al veel gewonnen. Niettemin, mét
telewerken en andere mediale technieken is het moeilijker dan ooit de
wereld van het werk buiten eigen huis en haard te houden. In termen
van tijdsbesteding: tijd als geld en kapitaal, versus tijd als – in
de mooie formulering van Arlie Hochchild - ‘habitat’. Meetbare en
economisch gewaardeerde tijd dreigt, niet ondanks maar juist dankzij
standaardisering, meer en meer flexibel te worden en zich als een
olievlek uit te breiden over alle levenssferen. Ook de choreografie
van het dagelijkse leven, zo waarschuwt Karsten, onttrekt zich minder
en minder aan de synchronie van de meetbare tijd.
In
het maatschappelijke debat over het combineren van werken, zorgen en
leren is afbakening én doorlaatbaarheid van grenzen een voornaam, zo
niet het voornaamste, thema. Hoe combineer je al die dingen en wat mag
je daarbij verwachten van werknemers, werkgevers en overheden?
Nederland was even in de ban van ‘combinatiescenario’s’. Het
lijkt er op dat we daar inmiddels van zijn afgestapt. Onder het
regenteske motto van de eigen verantwoordelijkheid mogen mensen
vandaag de dag het hoofdzakelijk zelf uitzoeken en regelen. Dat is
jammer: net zoals Karsten de stelling inneemt dat flexibilisering
vraagt om regulering, zo legt Wilthagen ons geduldig uit dat wie van
mensen flexibiliteit eist daar een aantal zekerheden naast moet leggen.
“Flexicurity” dus, het pakkende neologisme dat door Wilthagen al
eerder in circulatie werd gebracht. De boodschap van flexi-zekerheid
is meer dan ooit actueel.
Natuurlijk,
we kunnen ons afvragen waarom de vakbeweging die zekerheden niet in
haar vaandel schrijft. Op het terrein van de sociale zekerheden is de
vakbeweging in haar geschiedenis meer en meer terrein kwijtgeraakt.
Waarom dat terrein niet, in samenwerking met de werkgevers, opnieuw
opgeëist? Die suggestie treffen we inderdaad aan bij De Beer. Zijn
derde gebod voor de vakbeweging is: verschaf sociale zekerheid. Maak
van de WW en de WAO verlengstukken van de primaire arbeidsvoorwaarden
en regel ze in de CAO! Een vakbeweging is collectief, of ze is niet.
De huidige regering, in elk geval, heeft dat goed door. De Geus,
minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, heeft na de nodige
inleidende schermutselingen in de zomer en herfst van 2003, dit
voorjaar een frontale aanval ingezet op alles wat collectief is op het
gebied van arbeidsverhoudingen en hij wordt daarbij van harte
ondersteund door het kabinet, dat zichzelf en de samenleving ziet als
een ‘agenda’. Heet zoiets ook niet een organizer?
Het zou mooi zijn als de vakbeweging en andere eenheden van de
samenleving – buurten, wijken, steden, regio’s – zich in goed
Nederlandse traditie weer als geuzen leren organiseren
om zo terug te nemen wat De Geus hen ontzegt. Hun recht en reden
van bestaan, bijvoorbeeld. En daarmee hun recht op een eigen
‘agenda’. Vrij naar de beroemde systeemtheoretische regel van
Ashby dus: it takes an agenda to deal with the agenda.
Ton
Korver
|
|