| Van
de redactie
Critical Management Studies in
Nederland
Organisaties zijn sociale fenomenen.
Deze open deur heeft meer op het lijf dan je zo op het eerste gezicht
zou denken. In ieder geval gaat het hier om het uitgangspunt van wat
inmiddels met een even elegante als verguisde naam Critical Management
Studies (CMS) genoemd wordt. Het Engels is hier toevallig noch
pretentieus. We hebben het hier over een academische beweging die
geworteld is in in het Verenigd Koninkrijk en zich van daaruit
verspreid heeft naar Scandinavië, Australië en misschien ook Canada.
Nergens is deze beweging mainstream, maar we kunnen haar ook niet
afdoen als volstrekt marginaal. Met dit nummer willen we verkennen of
CMS ook een lonkend perspectief kan worden voor Nederland.
Wie organisaties beschouwt als
sociale fenomenen, geeft te kennen organisaties te willen zien vanuit
een ander perspectief dan louter een managementperspectief. Dat zoiets
kan, lijkt vanzelfsprekend, maar is het in het academische vertoog
rondom organisaties bepaald niet. De dominantie van het
managementdenken in organisatiekunde is altijd groot geweest. Voor
generaties bedrijfskundestudenten is het tegenwoordig al moeilijk
geworden om managen en organiseren niet als synoniemen te beschouwen.
Waardoor kenmerkt zich dat
managementdenken? Een organisatiekunde die verworden is tot
managementdenken claimt voor alles praktische relevantie. Kennis wordt
ontwikkeld ten behoeve van het beter laten functioneren van
organisaties. Het gaat dus steeds om het leiden, modelleren,
implementeren, veranderen en optimaliseren van organisaties. De kennis
die ontwikkeld wordt, is vooral bestemd voor managers. Zij zijn immers
degenen die beslissen hoe de organisatie optimaal gestructureerd wordt
om betere resultaten te boeken.
CMS betwijfelt of deze quasi-praktische
kennis niet alleen managers zelf maar ook academici voldoende inzicht
geeft in organisaties. Organisatiekunde lijkt te vaak op een verkapte
academische consultancypraktijk die zich eerder richt op hoe een
organisatie idealiter zou moeten functioneren dan op hoe zij
daadwerkelijk functioneert. De centrale vraag is steeds weer hoe je
managers zou kunnen helpen bij het ontwerpen van de succesmachine die
organisaties zouden moeten zijn. Hoe mensen die er werken of er
anderszins bij betrokken zijn daadwerkelijk met elkaar omgaan of zich
gedragen, blijft doorgaans buiten het gezichtsveld. Mainstream
organisatiekunde is daarvoor veel te prescriptief. In de ogen van de
aanhangers van CMS wordt daarmee haar positie als academische
discipline uitgehold. Ze genereert immers kennis die bepaalde belangen
dient en geeft daarmee haar wetenschappelijke of academische
onafhankelijkheid prijs. Instrumentalisme, zo luidt de kritiek, viert
hoogtij en iedere vorm van methodologische twijfel wordt terzijde
geschoven als irrelevant, dat wil zeggen, als niet nuttig voor de
managementbelangen die men zegt te willen dienen.
Zoals Sverre Spoelstra het in zijn
bijdrage aan dit nummer zegt, mainstream organisatiekunde, iets wat we
grofweg kunnen aanduiden als bedrijfskunde of business administration,
is hopeloos ‘vergeetachtig’. Misschien, zouden wij hier aan willen
toevoegen, is vergeetachtigheid een eufemisme. We weten uit de
politicologie dat we niet teveel moeten wroeten in epistemologische en
ontologische vooronderstellingen willen we activistische belangen
dienen. Iets dergelijks geldt ook voor organisatiekunde of
bedrijfskunde. Wanneer men zich eerst druk moet maken om de vraag naar
organisaties überhaupt of over de vraag of we ze wel kunnen kennen,
dan wordt het zeer lastig nog aanwijzingen te geven om de
concurrentiepositie te versterken. De praktijk, dat wil zeggen, een
bepaalde constructie van die praktijk, staat dan voorop en wordt niet
ondervraagd. Hoogstens wordt ze als weerbarstig beschouwd.
In een redactioneel statement van dit
tijdschrift uit 1993 stond het volgende te lezen: ‘Wie met
organisaties werkt heeft al snel de weerbarstigheid van de praktijk
ontdekt. Onder meer door: de grenzen die aan technieken worden gesteld,
toevalligheden, dilemma's, paradoxen en echte tegenstellingen. Moeten
we die weerbarstigheid te boven komen, of moeten we ermee leren leven?
Kunnen we er meer inzicht in krijgen, of blijft de werkelijkheid een
vrijwel gesloten boek? De specialisaties van de
organisatiewetenschappen zijn druk aan het onderzoeken en publiceren
hun resultaten in een overvloed van tijdschriften. Praktische kennis
wordt te kust en te keur aangeboden: als sleutels tot succes’. Of
deze praktische oriëntatie voortkomt uit dienstbaarheid of uit
jeugdige overmoed zal de tijd leren. Tenslotte werden de sociale
wetenschappen ook geboren uit een behoefte aan maakbaarheid. Auguste
Comte, de vader van de sociologie noemde de door hem voorgestelde
discipline Ingénerie sociale.
Al met al kan men zeggen dat de
dominantie van het managementdenken in organisatiekunde ervoor zorgt
dat we bitter weinig kennis hebben van organisaties.Vanuit deze
constatering profileert CMS zich als theoretische beweging binnen en
naast de organisatiekunde die uitgaat van organisaties als sociale
fenomenen. Of het om een beweging gaat, valt misschien te betwijfelen.
Het lijkt meer een kwestie van branding te zijn: een naam die
institutionalisering mogelijk maakt. De activiteiten die achter die
naam schuilgaan, proberen descriptief te zijn, zijn gepreoccupeerd met
ontologische en epistemologische vooronderstellingen, ondervragen
voortdurend eigen concepten en onderzoeksmethodieken en laten zich
schaamteloos inspireren door andere disciplines (systeemtheorie,
cultuur- en mediastudies, economie, filosofie, vrouwenstudies,
enzovoorts).
De merknaam Critical Management
Studies ontstond met de publicatie van het gelijknamige boek van Mats
Alvesson en Hugh Wilmott in 1992, waarin een sterke affiniteit met de
kritische theorie van de Frankfurter Schule aan de dag werd gelegd.
Daarmee waren ze geenszins de eerste die met een kritisch geluid naar
voren kwamen. Integendeel, ze synthetiseerden het werk van
verschillende wetenschappers die voornamelijk in Groot-Brittannië
actief waren. Allereerst was er de neo-marxistische school waar
Wilmott en Alvesson uit voortkwamen en die al een sterke traditie van
labour studies had voortgebracht. In het algemeen betrof het hier
wetenschappers die de zijde kozen van arbeiders en vanuit dit
perspectief een kritiek op het management articuleerde. De emancipatie
van de arbeider is nog steeds een agenda voor mensen binnen CMS die
zich door de kritische school uit Frankfurt hebben laten inspireren,
ook al zijn er minder en minder mensen die het construct
‘arbeider’ nog nuttig vinden. Misschien moet het management zelf
ook emanciperen. Overigens past ook bij dit type activisme niet al te
veel ontologisch en epistemologisch gewauwel. Wel wordt
managementdenken steevast via een soort ideologiekritiek ter discussie
gesteld.
Een andere bron van beïnvloeding is
het postmodernisme geweest. Via het werk van Gibson Burrell, Robert
Cooper en andere mensen die zich lieten inspireren door Franse
filosofen als Foucault, Derrida, Deleuze of Baudrillard werd CMS toch
ook ontegenzeggelijk ‘filosofischer’. De samenwerking tussen
Cooper en Burrell leverde een beroemd geworden reeks artikelen over
postmoderne filosofie en organisatiestudies op die helaas nooit in
boekvorm is verschenen. Hoewel ‘postmodernen’ en ‘Labour
Process’ theoretici gescheiden van elkaar opereerden, vonden ze
elkaar onder de naam CMS. De Universiteit van Lancaster waar Cooper
lange tijd actief was, afficheert zich nog steeds als het centrum voor
CMS. Later heeft universiteit van Keele zich zo geprofileerd en
recentelijk is aan de universiteit van Leicester onder leiding van
Burrell zelf (en Martin Parker) een onderzoekscentrum ontstaan.
Inmiddels kan men spreken van een gemeenschap die een groeiende
hoeveelheid publicaties lanceert, congressen organiseert en tal van
nieuwe onderzoeksrichtingen heeft ingeslagen die onze kennis van
organisatie bevrijden uit het verstikkende keurslijf van
managementinstrumentalisme.
In Nederland hebben kritische studies
zich op een bijzonder eigen wijze ontwikkeld, voornamelijk vanuit de
filosofie. Bedrijfskundefaculteiten hebben in Nederland niet veel
interesse gehad voor een sociaal-wetenschappelijke kijk naar
organisaties. Voortgekomen uit de Technische Universiteiten heerst er
nog steeds een technocratisch perspectief op organisaties. Halverwege
de jaren tachtig begon een aantal filosofen zich te interesseren voor
organisaties vanuit de cultuurfilosofische vraag naar
vooronderstellingen van organisaties. Ook initieerden zij reflectie op
de praktijken van mensen en epistemologisch onderzoek naar de
concepten die deze praktijken begeleidden. In 1987 werd aan de Vrije
Universiteit Amsterdam een werkgroep Filosofie in Bedrijf geformeerd.
Het jaar daarop verscheen een themanummer van het tijdschrift M&O
over Management en Filosofie onder redactie van Aernoud Witteveen en
Simon Korteweg dat uitzonderlijk goed is ontvangen. Het daaropvolgende
NIVE congres in november 1988 maakte een filosofische benadering van
organisaties in een klap bekend. Dat congres betekende ook de
oprichting van dit tijdschrift dat volgens ons nog steeds als het
Nederlandse platform voor kritische studies gezien kan worden.
Opmerkelijk genoeg heeft deze filosofische belangstelling voor
organisaties over het algemeen zich buiten de academische wereld
ontwikkeld. We denken hier met name aan consultants die naast hun werk
met mensen in organisaties een filosofisch-wetenschappelijke
belangstelling in leven hielden. Van institutionalisering is lange
tijd helemaal geen sprake geweest. Pas de laatste jaren beginnen
filosofische faculteiten meer belangstelling voor het gebied te
krijgen. Uitzondering is de al eerder genoemde werkgroep aan de VU.
Inmiddels worden aan drie universiteiten voorbereidingen getroffen
aangaande een masterprogramma Filosofie in Bedrijf. De Universiteit
voor Humanistiek richtte een capaciteitsgroep op onder de naam
Kritische Organisatie Studies en stelt CMS expliciet aan de orde in
haar onderzoek en onderwijs.
Of er nou CMS in Nederland is of niet,
lijkt op dit moment een open kwestie te zijn. Er lijkt in ieder geval
potentie te zijn. Dat er genoeg mensen zijn die vanuit de filosofie,
de sociologie of ook de bedrijfskunde zelf kennis in deze richting
ontwikkelen laat dit nummer zien. Op 7 april 2004 organiseerde de
Universiteit voor Humanistiek in samenwerking met Filosofie in Bedrijf
en de Radboud Universiteit Nijmegen een congres met de naam CMS.nl aan
de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht. De overweldigende
belangstelling verraste de organisatoren. Meer dan 40 papers werden
gepresenteerd. Een selectie ervan treft u in dit nummer aan.
De call for papers kondigde het
congres als volgt aan: ‘Wij willen als organisatoren van de
conferentie een aantal vragen aan de orde stellen: Waar komt de
dominantie van het managementdenken in organisatietheorie vandaan? Wat
is eigenlijk de rationaliteit van organisaties? Is er een andere
rationaliteit denkbaar dan degene die door het management wordt
geproclameerd? Wat is de inbedding van organisatiekunde in de 'bredere'
sociale theorie? Met deze vragen willen wij vooral onder de aandacht
brengen dat de dominantie van een manageriële invalshoek op
organisatiekundige vraagstukken geenszins vanzelfsprekend is.’
Het doel van het congres was een
perspectief voor CMS in Nederland te ontwikkelen. Een eigen kritische
management studies te activeren en een overzicht bieden van het
onderzoek in Nederland. Of dat allemaal gelukt is, is ter beoordeling
van de lezers. Wij hopen dat het genoeg stof tot overdenking zal geven.
Ruud Kaulingfreks (Universiteit
voor Humanistiek), René ten Bos (Radboud Universiteit
Nijmegen/Schouten & Nelissen) & Hugo Letiche (Universiteit
voor Humanistiek)
|