x
 

 

[terug]

 

Van de redactie

Op 10 juni 2005 houden we een congres over Geluk. We willen nagaan welke rol geluk speelt in de samenleving en in het bijzonder in organisaties.


Een van de sprekers, de Canadese filosoof Mark Kingwell merkt in Better Living: The Pursuit of Happiness from Plato to Prozac (1998) op dat geluk ons tegenwoordig zo ongeveer achtervolgt. Het is een kenmerk van de tegenwoordige maatschappij geworden dat we geacht worden gelukkig te willen worden. Of we die toestand bereiken ligt aan onszelf, geen commercieel bedrijf of overheidsinstelling die zich er niet op toelegt om voor ons de voorwaarden voor geluk te scheppen. Of het nu een merkartikel is waardoor we er ineens helemaal bijhoren, of een preparaat om rimpelloos de oude dag mee in te gaan, een cursus die nieuwe carrièrevooruitzichten biedt, het geluk staat op de stoep. Alle beelden en boodschappen om ons heen tonen aan hoeveel gezonder, succesvoller, gevierder, mooier en slimmer we kunnen zijn. Wat is erop tegen om het betere leven na te jagen? Eigenlijk is het, op straf aangeklaagd te worden als dief van je eigen kansen, een morele verplichting om gelukkig te worden.
 

Te worden, let wel, want zomaar gelukkig zijn mogen we niet. De werkloze Wammes Waggel uit de Bommelverhalen die zonder enige prestatie voortdurend tevreden en vrolijk is, is onuitstaanbaar. Net zoals Duckstadbewoner Guus Geluk, die als vanzelfsprekend het winnende loterijnummer op straat vindt, immoreel wordt geacht. Rondhangende renteniers, blowende spijbelaars en vissende werklozen worden steevast als ongelukkig afgeschilderd. Want ze missen een doel in hun leven. Althans een doel dat maatschappelijk telt en waarvoor ze zich moeten vervoegen op de arbeidsmarkt. Kees Brusse mag in de Zwitserleven- filmpjes gelukkig zijn, als beloning voor het betalen van zijn pensioenpremies.


Geluk stelt de verhouding tussen individu en gemeenschap op scherp. Wanneer we het over geluk hebben gaat het er steeds over hoe iedereen op zijn eigen manier gelukkig wordt. Als vanzelfsprekend wordt ieder individu geacht zijn eigen geluksontwerp te hebben. Het geluk van Jan ziet er anders uit dan het geluk van Nel, en het verschilt ook van dat van alle anderen. Optimale keuzevrijheid (u hoort het Balkenende zeggen) is hierbij onmisbaar. Immers, hoe meer opties het maatschappelijk assortiment biedt, des te meer mensen ‘zichzelf’ kunnen zijn. Het effect van deze door de maatschappij gepropageerde gelukszoekerij is dat mensen steeds verder hun afzonderlijke spoor volgen en daarbij het gemeenschappelijke uit het zicht verliezen. In zijn fi lm Happiness (1999) laat Todd Solondz zien hoe drie zusters elkaar bestoken om hun eigen geluk te vinden (want losers in de familie, dat kan niet) en daardoor van elkaar vervreemden. De ontplooiing van de individualiteit komt neer op het verlies aan begrip voor de anderen en, daardoor, het vermogen iets voor elkaar te betekenen. Ieder van de zusters belandt in een moreel vacuüm van eigen ontwerp – en in een gruwelijke vereenzaming.


Voor organisaties is de fabricage van geluk het bedrijf van alledag. Als werknemer, of als klant – ze pretenderen in de kern niets minder dan de hemel op aarde te brengen. Organisaties weten precies hoe die eruit ziet. Op de individuele maat toegesneden: het ideale werkklimaat, de uitdagende opdrachten, de inspirerende collega’s, de leefen -carrière balans, de digitale versnippering van alles dat onaangenaam zou kunnen zijn. Blije mensen die anderen verblijden (onze gemotiveerde medewerkers, uw complete klanttevredenheid, maatschappelijke verantwoordelijkheid, loyale leveranciers, juichende aandeelhouders,).


‘Gij zult gelukkig worden’ geldt nergens zo sterk als in organisaties. Wie in een teamgesprek te kennen geeft dat hij niet gelukkig is, geldt als verdacht en zal door collega’s en managers bestookt worden met adviezen en maatregelen, teneinde de geluksdelinquent weer op zijn individuele geluksspoor te krijgen.


Waar de politiek de meeste illusies van maakbaarheid vaarwel heeft gezegd en de gevaren in elk utopisch streven zitten weet te onderkennen, worden deze door organisaties des te inniger omarmd. En doordat we ons met huid en haar hebben overgeleverd aan organisaties geven we ons er nagenoeg kritiekloos aan over. Gemeenschapszin is ingeruild voor het organisatielidmaatschap. De behoefte aan welvaart, verzekerd en pensioengerechtigd zijn maakt ons tot premiebetalers en uitkeringsgerechtigden van de eerste tot de laatste snik op aarde.


Gemeenschappelijke waarden hebben we ingeruild voor de organisatiemaatschappij en de ideologie van het geluk.

Aernoud Witteveen