x
 

 

[terug]

 

Van de redactie

 

Na enig oponthoud ligt hier het nieuwe nummer van FiB. Op de dag ik dit schrijf is het zeventien jaar geleden dat het eerste nummer verscheen, waarmee ik maar wil zeggen dat we ondanks oponthoud tamelijk onophoudelijk zijn.  

Kortgeleden stelde een lezeres de vraag: ‘Hoe zien jullie (FiB) organisaties eigenlijk?’ De vraag was naar aanleiding van een discussie over hoe organisaties een behoorlijk repertoire aan normen en waarden kunnen ontwikkelen. Onze opvatting daarover was (en is) dat organisaties zich daar beter verre van kunnen houden. Ter adstructie verwees ik naar de Nederlandse Spoorwegen die in september 2005 door het aanhalen van hun troebele oorlogsverleden voor opschudding in de publiciteit zorgde. Na 61 jaar stilzwijgen over de massatransporten van joden naar vernietigingskampen (voor hun dienstbaarheid aan de Duitse bezetters kregen ze een compliment van Eichmann), werkte de NS nu mee aan een postercampagne op de inlaadstations van weleer. Wat, in termen van normen en waarden, zo hield ik de lezeres voor, betekent die postercampagne nu eigenlijk? Geeft de NS toe dat ze in de oorlog collaborateurs waren en de normen en waarden van de nazi’s onderschreven, maar dat ze daarvan nu publiekelijk spijt betuigen? Nee geenszins, verklaarde de bedrijfshistoricus van de NS toen hij daarover in Nova werd ondervraagd. Er stonden, zei hij, ten tijde van de jodentransporten veel meer belangen op het spel, zoals het behoud van banen van de employees en de voedselvoorziening van het land. Weigeren om de transportopdracht van de Duitsers uit te voeren zou zinloos geweest zijn. Het zou er alleen maar toe geleid hebben dat Duitse soldaten de treinen bemand zouden hebben. De Novainterviewer moest begrijpen hoe belangrijk de continuïteit van het spoorwegbedrijf was.  

Even tussendoor, ik begrijp hoe disproportioneel het lijkt om bij een hedendaagse discussie over bedrijfsethiek terug te grijpen op een exemplarische situatie uit het oorlogsverleden. Maar daaraan voorbijgaan kun je niet omdat juist in dat verleden, en vooral in de verwerking ervan, onze huidige begrippen van goed, fout, held, lafaard, verzet, verraad, opoffering en medeplichtigheid gemunt zijn,  

of althans herijkt. Anders gezegd, begrippen als goed en fout (en daarmee samenhangend de rest van ons morele vocabulaire) krijgen gestalte in legendevorming en geschiedschrijving. Wanneer er, zoals nu, in de samenleving onrust ontstaat over het gehalte van deze begrippen, die het morele kompas uitmaken waarop we varen, is het niet verwonderlijk dat de bronnen van de legendevorming en geschiedschrijving zeer actueel worden.  

Nog een tussendoor, in dit redactioneel zijn we niet uit op cynische commentariëring van organisatiegedrag (i.c. de NS). In het eerste artikel van dit nummer, vertelt auteur Herbert de Vriese, hoezeer cynisme deel is gaan uitmaken van de individuele persoonlijkheid in de organisatiemaatschappij. Waarbij ik onder dat laatste versta, de samenleving die geheel door organisaties wordt gedomineerd. Zozeer zelfs dat er de facto nauwelijks meer onderscheid kan worden gemaakt tussen organisatie en maatschappij. De Vriese noemt het cynisme de laatst overgebleven vrije ruimte van het individu, waarbij de paradox zich voordoet dat het individu door het benutten van de hem toegewezen ruimte, al kritiserend berust in het systeem. Cabaretiers als Youp van ’t Hek en Hans Teeuwen (en columnisten en journalisten in het algemeen) zijn door hun cynisme conformistischer en gezagsgetrouwer dan men op grond van het vertoon zou denken.  

Cabaretpubliek dat het avondje vrij vult met het aanhoren van herkenbare vertolkingen van frustraties met de dooren- door georganiseerde omgeving vormt daardoor de stabiele, betrouwbare en conservatieve managementklasse van de maatschappij.  

Terug naar de NS. Op een van de posters die op station Muiderpoort kwam te hangen stond de tekst ‘Vroeger vertrok hier de trein naar Auschwitz. Wanneer wordt de wereld wijzer?’ Wat de NS daarmee niet zegt is ‘Wij vervoerden joden, zigeuners, homoseksuelen en jehova-getuigen naar vernietigingskampen. Dat zullen wij nooit meer doen.’ Het laatste zou een uiting zijn van verantwoord ondernemerschap. Het eerste is een afschuiven van verantwoordelijkheid; ‘de wereld’ (lees: de Nederlandse maatschappij, want veel groter is de wereld van de NS niet) heeft een misdaad tegen de mensheid begaan die de NS-organisatie heeft helpen uitvoeren. Als doelgroep van de posterboodschap moeten we begrijpen dat de NS niet beter is dan ‘de wereld’. Het bedrijf waarschuwt alleen voor de multiplier effecten van maatschappelijk onverantwoord gedrag als xenofobie, intolerantie, discriminatie en rassenhaat. Immers, wanneer de morele fouten van ‘de wereld’ terechtkomen bij de NS zullen ze – net als in de oorlog – daar niet worden hersteld, maar – integendeel – tot in de bittere consequentie worden uitgewerkt. Het lijkt of geen mens daar iets aan kan veranderen.  

Bij ‘organisatie’ dient eigenlijk de vraag gesteld te worden ‘organisatie van wat?’. Meestal verstaan we er de organisatie van de onderneming onder. Maar zoals John Kenneth Galbraith heeft aangetoond in The Culture of Contentment (1992), is er in de huidige samenleving nauwelijks nog sprake van ondernemingen. Grote bedrijven worden tegenwoordig niet geleid door ondernemers die persoonlijk verantwoordelijk zijn voor wat er onder hun vlag gebeurt. Zij zijn vervangen door mensen die voortgekomen zijn uit de organisatie-bureaucratie en persoonlijk niet verantwoordelijk zijn. In de aldus ontstane ‘totale organisatie’, waarin verantwoordelijkheid via delegatie gedistribueerd wordt, is het onduidelijk hoe het beleid tot stand komt. Uiteindelijk beroept men zich steeds op een externe instantie: de aandeelhouders, de markt, de concurrentie, de toekomst … .  

Het probleem dat zich met organisaties-zonder-onderneming voordoet is dat ze onaanspreekbaar zijn geworden. ‘Maatschappelijk verantwoord ondernemerschap’ is een loze kreet. Wie op een bedrijf afstapt om verantwoording voor een bepaalde actie te vragen, krijgt uitsluitend te maken met functionarissen die tot de organisatie behoren, dat wil zeggen tot het uitvoerend apparaat. Wanneer we het over verantwoordelijkheid hebben, is dat ten aanzien van een bepaald doel dat wordt nagestreefd. Maar het lastige is: organisaties kennen geen doelen, alleen taken die moeten worden uitgevoerd.  

Daar kwam ook de verdediging van de hierboven aangehaalde NS-historicus op neer. Organisaties zijn ingesteld op het behouden van de eigen continuïteit. Als er iets over de koers van de organisatie beslist wordt, komt dat van buiten. In termen van verantwoordelijkheid zijn dat politieke beslissingen. De in september 2005 gevoerde NS postercampagne sloot daarop aan. De kreet ‘Wanneer wordt de wereld wijzer?’ is het leggen van de verantwoordelijkheid waar deze hoort. Namelijk bij ons, bij de politiek.  

Wij zijn een kritisch blad, we rekenen FiB tot de stroming Critical Management Studies (CMS) binnen de organisatiewetenschap. In CMS heeft kritiek echter niet de gebruikelijke organisatiekundige betekenis in de zin dat deze bedoeld is om tot verbetering van de organisatie te leiden. Het is in onze opvatting een kenmerk van organisaties om voortdurend ‘kleine kritiek’ op te roepen en deze op te vatten als verbeteradvies. Door dit inlijvingsproces zijn organisaties in staat zich steeds aan te passen en obstakels uit de weg te ruimen. De Twentse onderzoeker Maarten van Riemsdijk heeft in zijn proefschrift Actie of dialoog uit 1994 aangetoond hoe actiegroepen als Greenpeace en Amnesty International vanuit hun aanvankelijk veroordelende opstelling verlokt werden een adviesrol op zich te nemen. Van opposant werden ze tot dialoogpartij en vervolgens tot onderhandelingspartner. Op deze wijze werden ze als nuttige kritische functie in feite opgenomen in het organisatieproces. Academische onderzoekers maken doorgaans dezelfde Werdegang door. Als er met een bedrijf als Ahold, Akzo-Nobel, Philips of kpn iets aan de hand is, zul je daar haast nooit iets over horen van een van de vele universiteitsprofessoren die er vaak over de vloer komen. Door het toedienen van vertrouwelijke informatie zijn ze opgenomen in het netwerk waaruit de organisatie bestaat. Ze zijn medeplichtig, en daardoor onschadelijk gemaakt.  

De kritiek van CMS verschilt van de gebruikelijke verbeteringskritiek, doordat zij voor een belangrijk deel voortkomt uit de filosofische traditie. Voor een uitgebreide uiteenzetting over CMS verwijs ik u overigens graag naar het zeer behartigenswaarde artikel ‘In naam van de kritiek’ dat Sverre Spoelstra hierover in 2004 in FiB schreef. Hierin staat de kritische distantie centraal die de onderzoeker zijn onafhankelijkheid geeft. Maar ook het gegeven dat de kritiek organisaties nadrukkelijk in een politieke context plaatst.  

 

Aernoud Witteveen